1) Viervlekkige Zakkever (Clythra quadripunctata) 2) zijn larve (vergroot) in haar overlangs doorgesneden zakje.—3) Kleine Populieren-goudhaan (Lina tremulae) met larven.—In den rechter benedenhoek (vergroot): 4) Pop, rugzijde; (links) pop, buikzijde; (rechts) larve en Kever.

Het geslacht Chrysomela telt ongeveer 150 leden, die voor ’t meerendeel Europa bewonen; de fraaiste soorten, die met buitengewoon levendige, metaalachtige kleuren prijken, vindt men vooral in bergstreken. De meeste leven ieder op een bepaalde plantensoort; de larven zijn rolrond, eenigszins bultig, doch hebben aan de zijden geen behaarde wratten. De fraai staalblauwe Chrysomela violacea zoekt verschillende soorten van munt (Mentha) op. Chrysomela cerealis draagt roode of goudgele en blauwe overlangsche strepen en komt uitsluitend onder steenen voor, op droge berghellingen, welker armoedig graskleed waarschijnlijk voedsel levert aan de larve. Met een sterken, goudachtigen glans en blauwe strepen op de dekschilden prijkt Chrysomela fastuosa, die op hennipnetels (Galeopsis), koornaren, enz. gevonden wordt. In den regel treft men deze kevertjes in groote troepen op hunne voederplanten aan.

Coloradokever (Leptinotarsa decemlineata) in al zijne ontwikkelingstoestanden. Ware grootte.

De Colorado-kever of Aardappelkever (Leptinotarsa decemlineata) ontleent zijn naam aan den Amerikaanschen staat Colorado, waar hij inheemsch is en op een aan onzen aardappel verwante soort van nachtschade leeft. Toen in het door hem bewoonde gebied, als gevolg van de kolonisatie, de aardappelteelt werd ingevoerd, ging hij dadelijk op de nieuwe plant over en verspreidde zich sedert 1859 langzamerhand, de aardappelakkers volgend, over de meer oostwaarts gelegen staten. In 1874 bereikte hij de kusten van den Atlantischen Oceaan en had dus in 15 jaren een weg van ongeveer 3000 KM. afgelegd. In het jaar 1877, toen hij voor ’t eerst in Europa werd opgemerkt, had hij zich in Amerika reeds over een oppervlakte van 3850000 KM2 verspreid, of liever over een nog grooter gebied, daar hij, naar men later vernam, reeds tusschen 1870 en 1880 in Mexico doordrong. In 1876 waren de oostelijke Vereenigde Staten, die door scheepvaart in levendig verkeer met Europa staan, zoozeer met deze Kevers besmet, dat zij in de havensteden in grooten getale voorkwamen en bij gunstigen wind op de schepen overgingen. Daar de Colorado-kever gedurende de overtocht (en nog wel veel langer) zonder voedsel in leven kan blijven, behoeft men zich er niet over te verwonderen, dat hij weldra, ondanks het tijdig (reeds in 1875) door de meeste Europeesche staten uitgevaardigde verbod van aardappelinvoer uit Noord-Amerika, in ons werelddeel zijn intocht deed. In 1876 werd te Bremen een levende Colorado-kever gevonden. In Juni 1877 bleek te Mühlheim aan den Rijn, in de onmiddellijke nabijheid van Keulen, dat dit schadelijk insect in Europa zeer goed aarden kan. Op een aardappelakker van 30 à 40 are werden een groot aantal Kevers en larven van deze soort ontdekt. Onmiddellijk werden maatregelen genomen om de ramp te keeren; deze hadden echter niet het gewenschte gevolg; althans reeds in het laatst van Juli van ’t zelfde jaar werden opnieuw jonge larven waargenomen in de nabijheid van den vroeger aangetasten akker. De toen aangewende middelen van bestrijding hebben zoo goed gewerkt, dat de Colorado-kever zich tot dusver op de genoemde plaats niet weer vertoond heeft. Een tweede geval van soortgelijken aard kwam in Aug. 1877 voor bij Schildau, op de grens van het koninkrijk Saksen. Hier had de besmetting zich uitgebreid over niet minder dan 17 akkers, die echter zoo afdoende gezuiverd werden, dat de vijand zich niet opnieuw vertoond heeft. Eerst 10 jaar later, in Juli 1887, werd de Colorado-kever opnieuw waargenomen, ditmaal over een uitgestrektheid van 4 HA., in de buurt van Torgau. Hier, zoowel als te Lohe, bij Meppen in Oost-Friesland, waar in Aug. 1887 een akker van 49 A. aangetast bleek te zijn, is men er in geslaagd de schadelijke Insecten uit te roeien. In andere deelen van Europa schijnt de Colorado-kever tot dusver niet voorgekomen te zijn. Sedert jaren heeft men niets meer van hem vernomen.

Het gevreesde Insect is zeer na verwant aan de vroeger genoemde inheemsche soorten en komt in levenswijze met het Populierhaantje overeen: het vermenigvuldigt zich echter veel sterker, daar het wijfje, naar beweerd wordt, niet minder dan 1000 dooiergele, langwerpige eieren legt, die zij in platte hoopjes van 35 à 40 stuks aan de onderzijde der bladen vastlijmt. Bovendien hecht de larve zich niet aan een blad om in den poptoestand over te gaan, maar brengt dit rusttijdperk in den grond door.

De vuilige grondkleur van den Kever kan met die van grof leder vergeleken worden; de kop, het halsschild en de geheele onderzijde zijn zwart gevlekt; dezelfde kleur hebben de top van de knotsvormige sprieten, de knieën en de bovenzijde van den voet. De vlekken op het midden van het halsschild zijn soms H-, meestal V-vormig. Bovendien prijkt ieder dekschild met 5 zwarte, overlangsche strepen van ongeveer gelijke breedte; ook de naad is zwart.

De vleezige, dikke larve gelijkt volkomen op die van de inheemsche Chrysomelen; zij heeft een zeer glanzige, vuil roodachtig gele kleur, waarop de sterker gechitiniseerde deelen een zwarte teekening vormen. Zwart zijn de kop, de leden van de pooten, een dwars gericht, overlangs middendoor gedeeld schild op de achterste helft van het voorborststuk, twee overlangsche reeksen van ronde vlekken, gevormd door twee platte wratjes aan weerszijden van elk der 7 eerste achterlijfsringen en van het eerste en het laatste lid van het borststuk, benevens een klein dwarsschild aan de bovenzijde van den 8en en den 9en achterlijfsring. Aan weerszijden van de aarsopening komt een naschuiver voor. Lengte hoogstens 12 mM.

De 9 à 10 mM. lange pop is roodachtig geel met een zwartachtigen doorn aan ’t laatste segment.

De Kevers overwinteren in den grond; naar men beweert, vertoeven zij op een diepte van meer dan 63 cM.; in April vindt men ze in grooten getale bij het diep omwerken van den bodem. Zoodra de aardappelakkers groen geworden zijn, vertoonen zij zich op de bladen waarmede zij zich voeden. Na de voortplanting sterven de geslachtsrijpe individuën; de larve zet de vernieling van de bladen voort, groeit snel, begeeft zich in den grond om in een pop te veranderen, waaruit na een korte rust de Kever te voorschijn komt, welks nakomelingen in ’t zelfde jaar nogmaals eieren leggen, die vóór den winter volwassen zijn. In Amerika komt soms een derde generatie tot rijpheid. Wanneer deze vijanden van de aardappelplant hare groene bovenaardsche deelen vernielen, heeft de vorming van knollen niet of zeer gebrekkig plaats, tot groote schade voor den aardappeloogst.

*

Algemeen bekend en ten deele zeer slecht befaamd zijn de kleine, in den regel tot buitengewoon groote gezelschappen vereenigde Bladkevertjes, die, door hunne dikke achterdijen tot springen geschikt, den karakteristieken naam van Aardvlooien (Halticini) dragen. In een zeer groot aantal soorten verdeeld is deze groep over de geheele aardoppervlakte vertegenwoordigd. Die van het rijke Zuid-Amerika bereiken een lengte van 8.75 mM.; de inheemsche zijn kleiner, voor ’t meerendeel slechts 2 à 3 mM. lang. Evenals hunne naaste verwanten—de Helmkevers (Galerucini), die het vermogen om te springen missen en waarvan sommige door het skeletteeren van bladen van struiken en boomen schade veroorzaken—verschillen zij van de leden der vorige groep door de plaatsing der sprieten, die dicht bij elkander, tusschen de oogen, zijn ingeplant. De meeste overwinteren als imago, sommige als larve; in beide gevallen beginnen zij reeds vroeg in ’t jaar in tuinen en op akkers schade aan te richten; deze wordt vooral dan merkbaar, wanneer zij zich aan jonge plantjes (raapzaad, leukojen, koolsoorten, enz.) vergrijpen. Hun oude, wetenschappelijken naam Altica of Haltica heeft plaats moeten maken voor een groot aantal nieuwe geslachtsnamen. Men kent meer dan 350 Europeesche soorten van Aardvlooien, waarvan een 90-tal in Nederland gevonden zijn. Vele soorten bepalen zich tot één enkele plant, de meeste worden echter, behalve op de plaats waaraan zij haar soortnaam ontleenen, ook elders aangetroffen.

De Koolzaad-aardvloo (Psylliodes chrysocephala) bewoont behalve de plant, die door haar soortnaam aangeduid wordt en waaraan haar larve soms groote schade toebrengt, ook verscheidene andere (en niet uitsluitend kruisbloemige) gewassen. In ’t vroege voorjaar, als het winterkoolzaad opnieuw begint te groeien, ziet men een aantal plantjes, welker nog korte stengel, evenals de hieraan gehechte bladen, een bruine en geen groene kleur vertoont; bij andere hebben eenige schrale bijstengeltjes den reeds geheel vernielden hoofdstengel vervangen en is ook het bladerenrozet bruin geworden. Een nader onderzoek leert, dat bij gene boven, bij deze onder in den stengel larven van 2 à 6 mM. lengte huizen. Vele weken later ontmoet men larven van dezelfde grootte in hooger opgeschoten stengels, vooral in de geknikte, welker aantal dikwijls zoozeer is toegenomen, dat de akkers een treurig schouwspel opleveren; zij zien er uit, alsof menschen en vee ze in alle richtingen doorkruist en alles vertrapt hebben. De larven verslinden n.l. langzamerhand al het merg van den stengel, waarna deze geen weerstand meer kan bieden aan den wind. Hier en daar, vooral onder de aanhechtingsplaats van takken, merkt men ook gaten op, waardoor volwassen larven de voederplant verlieten om zich in den grond te verpoppen. Uit deze poppen komen in het najaar Kevers, die aan den voet van de bladstelen van het pas boven den grond gekomen winterkoolzaad eieren leggen; hieruit ontwikkelen zich larven, die in den stengel de strengste winterkoude trotseeren, in Februari of Maart in den poptoestand overgaan en ongeveer in het midden van Mei als Kevers op de planten verschijnen.

Bij het geslacht Psylliodes is de omtrek van het lichaam elliptisch en is de achtervoet boven het uiteinde van den scheen aangehecht. Bij de bovengenoemde, 4 mM. lange, 3 mM. breede soort is de tamelijk bolle rugzijde glanzig groenachtig of blauwachtig zwart; de voorste helft (zelden de geheele bovenzijde) van den kop, het onderste deel van de sprieten, benevens de pooten (met uitzondering van de dikke achterdij) zijn roodachtig geel, de vóór- en middeldij in den regel iets donkerder dan de vóór- en middelscheen.

Op een eenigszins andere wijze richt de Kool-aardvloo (Haltica oleracea), die op vele kruisbloemige en andere planten aangetroffen wordt, haar leven in. Zij overwintert als imago; daarna legt het wijfje eieren op de planten, die aan de larven voedsel verschaffen. In gunstige jaren volgen drie generaties elkander op. De Kever is langwerpig eivormig, ruim 4 mM. lang; zijn donker olijfgroene kleur vertoont een meer of minder duidelijken, blauwen weerschijn; alleen de sprieten en de leden van den voet zijn zwartachtig.

*

Zeer eigenaardig door voorkomen en levenswijze zijn de Schildpadtorretjes (Cassida). De onderfamilie der Bedektmondigen (Cryptostomata), waarvan zij deel uitmaken, heet zoo naar de mondopening, die wegens den loodrechten stand van het voorhoofd ver naar achteren verschoven is. De eivormige Schildpadtorretjes zijn gemakkelijk te herkennen aan hun van voren afgerond halsschild, dat den kop volkomen bedekt en, nauw aansluitend tegen de dekschilden, met deze een soort van rugschild vormt, welks randen in alle richtingen voorbij het lichaam uitsteken, zoodat er van boven niets anders zichtbaar is. Hun kleur is gewoonlijk grasgroen, geelachtig of roodachtig grijs, soms op den rug versierd met als goud of zilver glinsterende strepen, die na den dood verdwijnen. De 5 laatste sprietleden zijn tot een knots verdikt. Een groot aantal soorten van dit geslacht zijn in Europa (een tiental in Nederland), eenige weinige in Afrika gevonden. De van boven naar onderen afgeplatte, aan de zijden met doornen gewapende larven, welker aarssegment aan het einde van de rugzijde een vorkvormig aanhangsel draagt, leven vrij op bladen van kruidachtige planten en blijven hieraan vastgehecht gedurende den poptoestand. Alle overwinteren in geslachtsrijpen toestand en zorgen in ’t begin van de lente voor hunne nakomelingen, die zich tamelijk snel ontwikkelen: ieder jaar kunnen twee generaties voorkomen.

Het Schildpadtorretje van de bieten (Cassida nebulosa fig. 1–5), een van de meest verbreide inheemsche soorten, is kenbaar aan de volgende eigenaardigheden: de achterhoeken van het halsschild zijn breed afgerond, de dekschilden vertoonen regelmatige, overlangsche reeksen van putjes, door lijstvormige tusschenruimten gescheiden, en sterk uitpuilende schouders. De oude exemplaren zijn van boven roestkleurig bruin met roodachtigen koperglans en onregelmatige, zwarte vlekken op de dekschilden; de kop en de pooten zijn roestkleurig geel; de knotsvormige sprieten, (met uitzondering van het roestgele wortelgedeelte) zijn zwart; in den regel hebben ook de dijen deze kleur, zoo ook de buik (met uitzondering van een breeden, roestgelen rand) en de borst. De larve is geelachtig groen, welke kleur op den kop een donkerder, op de zijdoornen een lichtere, meer witte tint heeft; de ademgaten zijn wit, evenals 2 dichtbijeengeplaatste, boogvormige strepen op den rug. De pop (fig. 4 en fig. 1: *) is met de spits van het achterlijf, dat in een gevorkt aanhangsel eindigt, in de afgeworpen larvehuid verborgen, heeft, om zich hieraan vast te hechten, aan het achterlijf zijwaarts gerichte doorntjes en keert de buikzijde naar het blad, waaraan de larve bij den overgang in den poptoestand zich vasthoudt. In de eerste helft van Juni kan men dit Insect in al zijne ontwikkelingsphasen aantreffen op de melden (Chenopodium), die veel op hoopen puin en op akkers groeien. Wanneer dit voedsel niet in voldoende hoeveelheid voorhanden is, gaan de Schildpadtorretjes, evenals de Zwarte Aarskevers ook op de te velde staande suikerbieten en mangelwortels over en richten hier soms groote schade aan door het uitvreten van de bladen.

Daar het wijfje hare talrijke eieren bij hoopjes op de benedenzijde der bladen legt, vindt men hier de larven tot meer of minder groote gezelschappen vereenigd, die gaten in het blad knagen en het later ook van den rand af uitvreten. Bij warm weder groeien de larven flink en volgen de vervellingen schielijk opeen. Zij hebben de zonderlinge gewoonte hare uitwerpselen neer te leggen op het in twee lange borstels eindigend aanhangsel van het aarssegment, dat achterwaarts gericht is, zoolang het diertje in rust verkeert, doch bij dreigend gevaar als een parasol boven den rug wordt gehouden tot beschutting tegen vijanden en tegen de zonnestralen (vergelijk fig. 1: ** en 3). Na een rusttijdperk van 8 dagen verlaat de Kever de pophuid; hij houdt zich op aan de bovenzijde van het blad en vliegt bij zonnig weer dikwijls rond. De eerste Kevers vertoonen zich reeds in het begin van Juni. Als de omstandigheden gunstig zijn, ontwikkelen zich 3 generatiën in den loop van één jaar; de laatste overwintert als imago onder bladen of in den grond.

1) Schildpadtorretje van de bieten (Cassida nebulosa) met eieren, larven en poppen. 2) Kever, vergroot. 3) Larve, ware grootte. 4) Pop. 5) Larve, beide vergroot.—6) Braziliaansche Juweelkever (Desmonota variolosa); daaronder: achterpoot en gedeelte van een dekschild, vergroot.

In Azië, maar vooral in Amerika, treft men nog fraaier gekleurde en prachtiger glinsterende Schildpadtorretjes aan; die van het geslacht Coptocycla hebben glasachtige, met metaalglanzige vlekken prijkende dekschilden, maar komen in vorm met de inheemsche soorten overeen. Een goudgroene soort, de Braziliaansche Juweelkever (Desmonota variolosa), wordt, in goud gevat, als broche of oorhanger gebruikt.