In Augustus verschijnen de groote wijfjes, de eenige leden van het gezelschap, die den winter kunnen overleven. Naarmate deze nadert en de voeding schraler wordt, neemt ook het aantal geboorten af; ten slotte sterft de familie, op de groote wijfjes na, geheel uit.
Voor ongeveer 200 jaar verhaalde Gödart, dat zich in ieder hommelnest een “trompetter” bevindt, die zich iederen morgen op het dak van de woning begeeft om door luid gegons het geheele gezin te wekken en tot het hervatten van den arbeid aan te sporen. Dit verhaal, dat men reeds voor lang naar het rijk der fabelen had verwezen, werd door Professor Hoffer te Graz, eenige jaren geleden, althans voor Bombus ruderatus, bevestigd. Deze zag op het hoogst gelegen punt van een nest, dat hij in een afzonderlijk hokje had geplaatst om het beter te kunnen nagaan, een klein wijfje, dat het lichaam hooghield, den kop naar onderen richtte en met hevig trillende vleugels een schel geluid liet hooren, dat ongetwijfeld door de lucht, die uit de ademgaten ontweek, versterkt werd; bovendien zag hij op verschillende plaatsen Hommels, die door gaten in het dak van het nest het kopje naar buiten staken. Dit verschijnsel herhaalde zich iederen morgen. Toen de trompetter was weggevangen, verscheen den volgenden dag een ander klein wijfje als plaatsvervangster. De berichtgever vermoedt, dat zulk een trompetter alleen in sterk bevolkte nesten voorkomt.
Hoe verborgen hun verblijfplaats ook is, toch ontbreekt het den Hommels geenszins aan indringers in hunne nesten, om niet eens te spreken van de Vogels, die het Insect zelf opvangen om het onmiddellijk te verslinden of aan een doorn te rijgen voor later gebruik. De Groote Veldmuis, de Wezel en de Bunzing zijn de ergste vernielers van de hommelnesten; deze worden bovendien bewoond door tal van parasieten, die zich met den hier verzamelden voorraad voeden (gelijk de larven van de Koekoekhommels doen), of de kinderen des huizes verslinden. Tot deze ongenoode gasten behooren eenige Parasietvliegen (zooals Volucella, Myopa, Conops), de Spinachtige Mieren (Mutilla), de larven van de Oliekevers, enz. De Hommels zelf zijn behept met Kevermijten, evenals de Doodgravers en de Paardenmestkevers.
De Hommels stemmen door het maaksel van hun lichaam in hoofdzaken met de Honigbijen overeen, met dit belangrijk verschil echter, dat de breede achterscheen met twee einddoornen uitgerust is en dat de eveneens breede hiel, in plaats van het tandje, een groot, goed ontwikkeld hieluitsteeksel draagt. Het korfje aan de achterpooten treft men natuurlijk alleen bij de wijfjes en de arbeidsters aan. De tong is lang, in uitgestrekten toestand minstens even lang als het lichaam; de beide eerste leden van de liptasters omsluiten haar als een buis (de beide volgende leden vormen een kort, zijwaarts gericht aanhangsel; de liptaster is derhalve tweevormig; de kaaktaster daarentegen is klein en éénledig). Op de kruin staan de bijoogen op een rechte lijn. Het kleinere en slankere mannetje is kenbaar aan den kleineren kop, de langere sprieten, die wegens de kortheid van de schaft schijnbaar niet gebroken zijn, en het smallere achterlijf. De achterpooten missen het korfje en het hieluitsteeksel en zijn aan de buitenzijde met lange haren begroeid. De kleinste leden van het geheele gezelschap zijn de arbeidsters, die overigens door lichaamsbouw en kleur met de groote en kleine wijfjes volkomen overeenstemmen. Daarentegen bestaat er tusschen de mannetjes en wijfjes soms een niet onbelangrijk verschil van kleur.
De Aardhommel (Bombus terrestris) is grootendeels begroeid met zwarte haren, die echter op de 3 laatste ringen van het achterlijf door witte, op den tweeden achterlijfsring en den halskraag door gele vervangen zijn, waardoor gordelvormige strepen ontstaan. De drieërlei leden van het gezin zijn gelijk van kleur, maar zeer verschillend van grootte: het overwinterende wijfje is 26 of meer mM. lang, het mannetje 13 à 22, de arbeidsters 13 à 18.75 mM. Deze soort is over geheel Europa en het noorden van Afrika verbreid.
Bij den ongeveer even grooten Tuinhommel (Bombus hortorum) is de spits van het achterlijf eveneens wit; de halskraag, meestal ook het schildje en de eerste achterlijfsring, benevens het eerste en het derde lid van de borst, zijn geel.
De Steenhommel (Bombus lapidarius) is even groot als de beide vorige soorten; grootendeels fraai-zwart van kleur, heeft hij echter de 3 laatste achterlijfsringen vosrood. Bij het mannetje zijn de kop, het voorste deel van het borststuk, dikwijls bovendien ook het schildje, geel.
De Moshommel (Bombus muscorum) is grootendeels geel; het borststuk is roodachtig, zoo ook de wortel van het achterlijf, waar echter ook enkele bruine en zwarte haren tusschen de roodachtige groeien; de beharing van het overige achterlijf is door bijmenging van grijs lichter geel. De lengte van dit Insect wisselt af van 18.75 tot 22 mM. Deze Hommel wordt zoo genoemd, omdat hij de komvormige holte in den grond, die hem tot nest dient, met een van mos (soms ook wel van gras) tamelijk los geweven gewelf bedekt. Wanneer men voorzichtig te werk gaat, kan men het opnemen; het geheele gebouw gelijkt op een omgekeerd vogelnest, waarin de cocons, die ongeveer den vorm van eieren hebben, ordeloos, maar door kleine klompjes bruine was aaneenverbonden, naast elkander liggen. Terwijl men nog bij het nest staat, zoeken de Hommels het verspreide mos weder bijeen; alle leden van het gezelschap, zonder onderscheid van sekse, nemen aan den arbeid deel. Zij dragen de bouwstof niet, maar schuiven haar ineen. Langzamerhand ontstaat hierdoor een gewelf van 26 à 52 mM. dikte. Inwendig wordt het met een papierdikke laag van een harsachtige stof bekleed.
Men kent ongeveer 80 vertegenwoordigers van het hommelgeslacht uit alle werelddeelen behalve Australië; in Nederland heeft men er 9 van gevonden.
*
1) Wijfje van den Aardhommel (Bombus terrestris) met haar nest, waarvan het dak gedeeltelijk is weggenomen.—2) Steenhommel (Bombus lapidarius). Ware grootte.
Van de tot dusver beschouwde Gezellig levende Bijen (Sociales) kan men de overige leden van de onderfamilie der Echte Bijen (Apiariae) onder den naam van Eenzaam levende Bijen (Solitariae) onderscheiden. Zij leven steeds bij paren; arbeidsters (onvolkomen ontwikkelde wijfjes) komen bij haar niet voor, omdat het eierleggende wijfje wegens de wijze, waarop zij haar kroost verzorgt, geen hulp noodig heeft. Met de leden der vorige groep hebben zij het eigenaardig verschil tusschen de kaak- en de liptasters gemeen: de beide eerste leden van den liptaster zijn steeds lang en plat, de beide laatste kort en rond; de kaaktaster daarentegen bevat geen andere dan cilindervormige leden. Wij zullen deze groep verdeelen in Scheengaarders, Buikgaarders en Koekoeksbijen.
De Scheengaarders (Podilegidae) stemmen door het maaksel der achterpooten met onze Hommels overeen. Bij sommige, voor ’t meerendeel uitheemsche soorten hebben de wijfjes den achterscheen en den hiel aan de buitenzijde onbehaard, zoodat deze lichaamsdeelen een korfje vormen. Bij vele inheemsche soorten ontbreekt het korfje en zijn de achterscheen en de hiel zoowel aan de buiten- als aan de binnenzijde dicht met “zamelharen” bedekt. Evenals de andere niet parasiteerende eenzaam levende Bijen vervaardigen zij cellen van verschillende bouwstoffen (uitgezonderd was) tot berging van een voldoende hoeveelheid voedsel (een mengsel van honig en stuifmeel) voor de ontwikkeling van het hierop gelegde ei. Na het sluiten van de cel is de taak van de moeder afgeloopen. De made ondergaat de gedaantewisseling in de voor haar bestemde ruimte en verlaat deze als Bij, misschien eerst 10 of 11 maanden na het leggen van het ei, door een gat, dat zij in den wand der broedcel knaagt. Haar wacht geen liefdevolle verzorging, zooals aan de Gewone Bijen en Hommels gedurende het eerste tijdperk van het imago-leven ten deel valt. Evenals de meeste dieren moet zij gedurende haar kortstondig leven, zonder eenige hulp van anderen, gewapend met de haar aangeboren begaafdheden, den strijd om het bestaan voeren.
De Metsel- of Pelsbijen (Anthophora), die in geheel Europa en Noord-Afrika door talrijke soorten vertegenwoordigd zijn, worden ook in Zuid-Amerika en Azië gevonden. De eindklauwen van den voet zijn tweedeelig, de achterscheen is met twee doornen gewapend; de gebroken sprieten zijn bij het mannetje en het wijfje gelijk van vorm en middelmatig lang; de bijoogen staan in een driehoekje. Niet slechts door haar gedrongen bouw, maar ook door de dichtheid en de kleur van het haarkleed herinneren deze Bijen aan de Hommels; toch is een enkele blik op de achterpooten, althans bij het wijfje, voldoende om te weten, dat men met een ander geslacht te doen heeft. Het verschil tusschen de beide seksen bestaat in het ontbreken van den borstel bij het mannetje; daarentegen zijn bij hem de middelvoeten dikwijls op een andere wijze behaard; in den regel is het onderste gedeelte van zijn aangezicht ivoorwit; bij het wijfje is het even zwart als de overige deelen van den kop. Door deze en andere belangrijke afwijkingen is het, evenals bij de Hommels, ondoenlijk om op het uitzicht af het mannetje en het wijfje als leden van dezelfde soort te herkennen; zekerheid hierover verkrijgt men alleen door het waarnemen der dieren in de vrije natuur.
1, 2) Ruige Metselbij (Anthophora hirsuta): 1) Wijfje, 2) Mannetje.—3, 4) Ruigpootige Metselbij (Anthophora retusa): 3) Wijfje, 4) Mannetje.—5) Leemwand-metselbij (Anthophora parietina).—6, 7) Gewone Hoornbij (Eucera longicornis): 6) Wijfje, 7) Mannetje. Ware grootte.
Zij wonen in den grond, in spleten van muren, gaten van boomen of barsten van leemwanden, maken hier gangen, die door dwarsschotten (van leem of zand met speeksel gemetseld) in cellen worden verdeeld, verschijnen reeds zeer vroeg in ’t jaar en vliegen buitengewoon snel met een bijna fluitend gedruisch van de eene bloem naar de andere.
De Ruige Metselbij (Anthophora hirsuta), voor zoover bekend de eenige inheemsche vertegenwoordiger van haar geslacht, nestelt in spleten van muren; zij is over het geheele lichaam dicht behaard, het borststuk en de wortel van het achterlijf zijn rood of geelbruin; het toestel voor het verzamelen van stuifmeel is geel; overigens is dit Insect zwart van kleur.
Het wijfje van de Ruigpootige Metselbij (Anthophora retusa) komt in grootte en gestalte met de vorige soort overeen, maar is over het geheele lichaam zwart; alleen de zamelharen zijn roestrood. Het iets kleinere en slankere mannetje draagt op den kop, het borststuk en den wortel van het achterlijf vosroode haren, die verder achterwaarts in aantal afnemen en door zwarte haren vervangen worden. Het mannetje vliegt later dan zijn ega, die in het Zevengebergte en in het Parijsche bekken bij voorkeur de gaten, die aan de trachyttufrotsen zulk een eigenaardig voorkomen verschaffen, tot broedplaatsen kiest.
De Leemwand-metselbij (Anthophora parietina) bewoont gaten in oude leemwanden en bemoeielijkt voor ongenoode gasten den ingang naar haar nest door den rand der opening te verlengen tot een eenigszins naar onderen gekromde buis, waarvoor kluitjes leem uit den muur en speeksel het materiaal verschaffen. Het wijfje is iets kleiner dan dat van de vorige soort en, met uitzondering van de roestroode spits van het achterlijf, zwart behaard.
*
Bij een andere groep van Scheengaarders onderscheiden de mannetjes zich door de buitengewone lengte der sprieten, die men, wegens de eenigszins knobbelvormige opzwelling van het voorste uiteinde van ieder lid, met de hoornen van een Steenbok zou kunnen vergelijken. Deze soorten heeten daarom Hoornbijen (Macrocera).
De Gewone Hoornbij (Eucera longicornis), die in ’t einde van Mei begint rond te vliegen, heeft reeds in het midden van Juni veel van haar schoonheid verloren, omdat haar vacht deels verbleekt, deels door schuring verloren gaat. Het mannetje, gedurende de jeugd op den kop, het borststuk en de beide eerste ringen van het zeer bolle achterlijf dicht bedekt met fraai vosroode haren, is nu kaal en vaal: de statige hoornen en de gele kleur van het kopschild en de bovenlip is al wat hem rest van zijn vroegeren tooi. Het wijfje is een weinig grooter dan haar gemaal en heeft een geheel ander voorkomen; door den borstel aan den achterscheen onderscheidt zij zich ook van veel op haar gelijkende Zandbijen. De als broedplaats dienende gladde buis in den grond wordt door dwarsschotten in cellen verdeeld, die van achteren naar voren in aantal toenemen, zoodra de achterste met honig en stuifmeel gevuld en met een ei bedeeld is.
Paarsgevleugelde Timmerbij (Xylocopa violacea) met de door haar in een boomstam gebouwde cellen (hier geopend voorgesteld); het Insect op ware grootte, zijn gang op eenigszins kleinere schaal.
Amerika is zeer rijk aan soorten van Hoornbijen, die met de onze veel overeenkomst vertoonen, zoowel in kleur als door het eigenaardig verschil tusschen het mannetje en het wijfje.
*
De opzichtigste leden van de geheele familie zijn de Timmerbijen (Xylocopa). Op den eersten indruk afgaande, zou men ze kunnen houden voor groote Hommels met een platter, op den rug meestal kaal achterlijf; bij nadere beschouwing merkt men echter een aantal belangrijke verschilpunten op. De vleugels zijn meestal donker van kleur met paarsen of bronsachtigen weerschijn. De randcel van den voorvleugel loopt aan weerszijden spits toe en is van achteren eenigszins snavelvormig naar binnen gebogen en van een meer of minder duidelijk aanhangsel voorzien. De niet bijzonder breede achterscheen is, evenals de lange hiel, aan de buitenzijde dicht behaard en hierdoor voor het inzamelen van stuifmeel geschikt. Behalve door geringere grootte en de minder overvloedige beharing van de achterpooten, onderscheidt zich bij vele soorten het mannetje van het wijfje door een geheel andere vacht, of door het bezit van breedere leden aan de voorpooten, of door de grootte der oogen, die op de kruin een geringe tusschenruimte overlaten.
De Timmerbijen bouwen reeksen van cellen in hout; de meeste soorten bewonen de heete landen van Amerika, Afrika en Azië; verscheidene soorten die veel op elkander gelijken, treft men in Zuid-Europa aan; één daarvan wordt ook verder noordwaarts tot in sommige gewesten van Duitschland (doch niet bij ons) gevonden. Deze, de Paarsgevleugelde Timmerbij (Xylocopa violacea), is middelmatig groot; zijn lengte is verschillend en kan hoogstens 25 mM. bedragen; het geheele lichaam is zwart van kleur. Luid gonzend vliegt het wijfje, dat een broedplaats voor hare eieren zoekt, bij latten, houten schuttingen en palen rond; oud hout, een half vergane paal, een gedeeltelijk vermolmde boomstam, waarvan reeds eenige stukken schors zijn afgevallen, lachen haar het meest toe en maken den zwaren arbeid, dien zij te verrichten heeft, mogelijk. IJverig gaat zij aan ’t knagen, totdat er een gat ontstaan is, waarin zij met haar lichaam kan doordringen, holt dit nog eenige mM. ver naar binnen uit en geeft vervolgens aan de gang een benedenwaartsche richting. Als beitels dienen de bovenkaken ieder afzonderlijk; te zamen vormen zij een niet minder doelmatige tang; geschikt om de houtspaanders naar buiten te vervoeren. Al dieper en dieper wordt de gang; zij is overal even wijd, aan ’t einde een weinig buitenwaarts gekromd en kan een lengte van 31 cM. bereiken. Bij dezen arbeid gunt de zorgzame moeder zich bijna geen rust, tenzij om af en toe een uitstapje te maken naar de bloemen, uit welker honig zij nieuwe krachten put en die haar het stuifmeel verschaffen, dat zij met honig vermengt, om hiervan een nauwkeurig bepaalde hoeveelheid in het onderste deel van de gang op te hoopen. Nadat op dezen hoop larve-voedsel een ei is gelegd, wordt met een deksel, dat uit concentrische ringen van gekauwde houtvezels bestaat, de onderste cel van boven gesloten. Deze is ongeveer even hoog als wijd, b.v. 20 mM. Haar zolder dient tevens als vloer voor de tweede cel, die met een gelijke hoeveelheid voedsel en met een tweede ei wordt bedeeld. Op deze wijze gaat de Timmerbij voort, totdat de geheele gang in een reeks van boven elkander gelegen cellen veranderd is. Na het voltooien van dezen zwaren arbeid zijn hare krachten geheel uitgeput.
Weinige dagen later verlaat de jonge made het ei; zij ligt in gekromde houding in haar cel en vult deze nagenoeg, wanneer zij drie weken oud geworden is en in den poptoestand overgaat; dit geschiedt na het spinnen van een cocon. De larve, die de onderste cel bewoont, is de oudste en zal dus het eerst imago worden, de daarboven gelegene vervolgens en de bovenste het het laatst. Moet nu de eerstgeboren Bij wachten, totdat de jongste gereed is om haar gevangenis te verlaten en op deze wijze voor de overige een weg baant?—De jongen van de tweede generatie handelen zoo in de lente van het volgende jaar, omdat, het gure seizoen hen noodzaakte hun geboorteplaats als winterkwartier te gebruiken. De Timmerbijen, die in Augustus geboren worden, moeten echter spoedig naar buiten, waar zij dezelfde taak hebben te vervullen als hare ouders. De kortste weg wordt haar door de natuur gewezen. In de cel staat het Insect op den kop; zoodra het zich beweegt en naar voren dringt, zal het bemerken, dat de wand meegeeft. Deze aansporing volgend, komt het aan het einde van de kromming, die met houtzaagsel losjes gevuld is, waarna het slechts een dun laagje zacht hout heeft door te knagen om zich in de warme zomerlucht te bevinden. Dat het geval zich zoo toedraagt, wordt door Lepeletier aangenomen. Réaumur daarentegen bericht, dat de stammoeder een gat knaagt aan ’t einde en soms nog een op het midden van de lengte van de gang, zoodat er in het geheel drie uitgangen zijn. De tweede Bij volgt de eerste na en zoo gaat het voort, totdat het geheele gezelschap uitgevlogen is en het nest ledig staat. In streken, waar de Timmerbijen zich voor goed gevestigd hebben, maken zij waarschijnlijk jaren achtereen gebruik van de oude broedplaatsen, waardoor haar bij gunstige weersgesteldheid de gelegenheid wordt verschaft om aan een talrijker nakomelingschap het aanzijn te geven dan haar anders mogelijk zou zijn.
Mortelbij (Chalicodoma muraria):—1) Nest, waaruit Bijen te voorschijn komen, die zooeven de pophuid hebben afgeworpen; een van de cellen is geopend en bevat een larve. 2) Mannetje. 3) Vechtende wijfjes. Ware grootte.
*
De Mortelbij (Chalicodoma muraria), die bij oppervlakkige beschouwing op een Hommel gelijkt, vereischt wegens de afbeeldingen geen uitvoerige beschrijving. Het zal voldoende zijn op te merken, dat het wijfje geheel en al zwart is, ook de vleugels, die bij de spits een lichtere kleur aannemen, en dat het mannetje een vosrood kleed heeft. De buik is, evenals de rug, sterk behaard; bij het wijfje zijn deze haren borstelvormig en achterwaarts gericht en dienen tot het verzamelen van stuifmeel voor de bereiding van voedsel. Deze soort behoort n.l. tot de Buikgaarders (Gastrilegidae). Zij komt in Middel- en Zuid-Duitschland voor, doch werd hier te lande nog niet waargenomen.
Nadat deze Bijen in Mei door een rond gat, dat zij in den wand van het nest knagen, naar buiten zijn gekomen, beginnen de 15 à 18 mM. lange wijfjes (de mannetjes zijn 11 à 13 mM. lang) cellen te bouwen, die zij tegen rotsen, doch ook wel tegen van mortel ontbloote muren, enz. vastplakken. Als bouwstof maken zij gebruik van fijne zandkorreltjes, die door middel van speeksel zoo stevig saamverbonden worden, dat men een spits werktuig met kracht hanteeren moet om een cel te openen. Deze heeft den vorm van een kleinen, ongeveer 27 mM. hoogen, naar boven nauwer wordenden vingerhoed en is van binnen glad, van buiten oneffen, zoodat men de zandkorreltjes op het gevoel onderscheiden kan. Zoodra de Bij het cilindervormige gedeelte van de cel gereed heeft, vult zij haar met honigbrij, legt er een ei op en voltooit daarna het gebouw zoo schielijk mogelijk, daar zich allerlei kwaad volk met roofzuchtige bedoelingen in de nabijheid ophoudt. Naast de eerste cel wordt een tweede gebouwd en zoo gaat het voort, totdat 6 à 8 (soms 10) cellen bijeen zijn; het aantal hangt af van de meer of minder gunstige weersgesteldheid. Het geheel heeft een golvende oppervlakte, maar wordt op zulk een wijze geëffend, dat het ten slotte veel overeenkomst heeft met een modderkluit, die door een straatjongen tegen den muur geworpen werd en hieraan vastgedroogd is. Slechts één wijfje heeft er aan gearbeid; zij sterft na het voltooien van dit werkstuk, in ’t begin van Juli. Verscheidene soortgelijke kluiten komen in de nabijheid voor, die door andere wijfjes vervaardigd zijn, hoewel deze dieren volstrekt geen gezelligen aard hebben. Bij iedere ontmoeting blijkt dit; zij vliegen met de koppen tegen elkander aan en vallen gezamenlijk op den grond, waar zij den strijd voortzetten. De volwassen made omgeeft zich in haar cel met een glasachtig doorschijnend spinsel en ondergaat hierin hare gedaantewisselingen. De ontwikkelingsduur is, naar het schijnt, zeer verschillend; soms bevat de cel reeds in ’t midden van Augustus een volkomen Insect, soms begint de imago-toestand eerst in ’t volgende jaar. Toch verlaat de Bij eerst in Mei of in ’t begin van Juni op de hierboven aangeduide wijze haar geboortehuis.
Van het in alle werelddeelen (behalve Australië) vertegenwoordigde, 100 soorten omvattende geslacht der Wolbijen (Anthidium) komen 2 soorten (A. manicatum en A. punctatum) hier te lande voor. Haar achterlijf is bijna bolvormig, in het midden kaal en glad en, evenals de pooten, met gele vlekken geteekend, wat bij de Bijen zelden voorkomt. De zijden van het achterlijf zijn van bossen gele haren voorzien. Overigens zijn deze Insecten zwart met witte haren aan den kop, het borststuk en de pooten. Het mannetje is aanmerkelijk grooter dan het wijfje en heeft de beide laatste achterlijfsringen gedoornd. De wijfjes maken ovale, hoornachtige, kastanjebruine cellen in gaten van den grond of van boomen, in spleten van muren, enz. (ook wel in sleutelgaten van tuinhuizen). Als bouwstof gebruiken zij de wollige haren, die zij met hare bovenkaken van de bladen afscheren. Met luid gegons vliegen zij, bij rukken en zeer snel, van bloem tot bloem. De mannetjes blijven dikwijls, evenals de Zweefvliegen of Staande Vliegen (Syrphus), in de lucht “staan”.
De Muurbijen (Osmia) bouwen nesten van zand in gaten en hoeken van muren en maken ook wel gebruik van de verlaten woningen van andere Bijen in palen, boomstammen, enz.; van sommige heeft men nesten gevonden in ledige slakkenhuisjes. Hier te lande komt o.a. voor de Roode of Gehoornde Muurbij (Osmia bicornis), zoo genoemd, omdat het kopschild van het wijfje tusschen de benedenranden der oogen twee vrij groote, eenigszins gebogen hoorntjes draagt, die evenwel door de sterke beharing van het aangezicht weinig in ’t oog vallen. Het achterlijf draagt goudkleurig rosse haren, die op den buik borstelig, doch op den rug minder overvloedig zijn, zoodat de bronskleurig glinsterende chitine-huid er door schemert. De kop en het borststuk met de pooten zijn zwart met bruine haren.
Zeer nauw verwant aan het zooeven besproken geslacht is dat der Bladsnijders of Behangersbijen (Megachile). Bij haar heeft het wijfje de rugzijde van het achterlijf aanmerkelijk afgeplat en den angel meestal naar boven gericht. De kaaktaster, die bij de Muurbijen 4-ledig is, bestaat hier uit slechts 2 leden. Bij het mannetje zijn de eindleden der sprieten verbreed en de beide laatste achterlijfsringen naar onderen gekromd. Het wijfje gebruikt als nest gaten van boomen, spleten van muren en gaten in den grond en verdeelt deze in boven elkander geplaatste, vingerhoedvormige cellen, door ze op kunstige wijze te bekleeden met stukjes van bladen van sommige planten, die zonder eenig plakmiddel samengevoegd zijn. Men heeft deze Bijen uitknipsels van bladen van ratelpopulieren, beuken, wilgen, wilde papavers en rozen als bouwstof zien bezigen.
De Gewone of Rozenbladsnijder (Megachile centuncularis) heeft een deels bruingeel, deels zwartachtig borststuk. De nagenoeg kale rugzijde van het achterlijf prijkt slechts van voren met grijsachtige, ruige haren en van den tweeden tot den vijfden ring met witte, dikwijls afgebroken banden. De buikzijde is dicht begroeid met roodbruine zamelharen; de laatste achterlijfsring van het mannetje is van onduidelijke tandjes voorzien. Deze soort werd niet slechts in Europa, maar ook in Canada en de Hudsonsbaailanden opgemerkt. Hier te lande is zij vrij algemeen. In tuinen vindt men zeer dikwijls sporen van de werkzaamheid van Behangersbijen aan rozen, doch ook wel aan acacia’s, beuken, wilde wingerd en andere planten, n.l. bladen met cirkelvormige of meer langwerpige uitsnijdingen. Deze Bijen vertoonen zich tegen het einde van Mei of in ’t begin van Juni. Haar voornaamste arbeid bestaat in het bouwen van cellen. Haastig ziet men een Bij naar een rozenstruik vliegen, zich op een blad neerzetten en er een lapje van de vereischte grootte en vorm uitknippen. Het gevaar van uitscheuren van het lapje, dat peperhuisvormig gebogen tusschen de pooten wordt gehouden, voorkomt zij, door klapwiekend de laatste beten te doen, waarna de buit in een oogwenk naar de bestemde plaats wordt vervoerd. Indien de plaats haar aanstaat, keert zij zeer spoedig naar dezelfde struik terug om nieuwen voorraad op te doen. In de gang, die zij in een aarden walletje, in vermolmd hout of in de voeg van een muur heeft gegraven, wordt het medegenomen lapje, dat tot dusver saamgebogen was, losgelaten; door zijn veerkracht voegt het zich tegen den wand van de holte aan. De eerste laag bestaat uit 3 of 4 betrekkelijk groote lapjes, de daarop volgende uit even groote, die aan het eene einde smaller zijn dan aan het andere. De getande rand van het blad is steeds aan de buitenzijde, de afgeknipte rand aan de binnenzijde gelegen. In dezen koker schuift de Bij een derde laag bladstukjes, soms nog een vierde en een vijfde, steeds zorgend, dat zij de voegen tusschen de vorige bedekken; eindelijk is de kleine, vingerhoedvormige cel gereed en na vulling met honig geschikt om een ei te bevatten. Voor het sluiten van de cel dient een zuiver cirkelvormig lapje, dat tevens steun verschaft aan den afgeronden bodem van de volgende cel; zoo wordt de geheele gang met cellen gevuld; zij bevat er soms 6. De volwassen larve spint een cocon en blijft hierin tot aan de volgende lente; achtereenvolgens verlaten de Bijen het nest, de bovenste het eerst.
*
Een groot aantal, ten deele zeer bevallige Bijen, welker wijfjes zoomin aan de pooten als aan den buik met zamelharen zijn uitgerust en die men daarom nooit met stuifmeel beladen in een gat ziet kruipen, worden als Koekoeksbijen (Cuculinae) beschouwd. Deze leggen hare eieren in de cellen van andere Bijen, misschien na hieruit vooraf het ei van de rechtmatige eigenares verwijderd te hebben, gelijk ook de Koekoek soms doet. De larve, die uit het ei van de indringster komt, voedt zich met den niet voor haar bestemden voorraad en ontwikkelt zich tot een gemakzuchtig schepsel ten koste van de nakomelingschap van het verwante Insect, dat zich met het bouwen van de cellen heeft afgesloofd. Dikwijls stemmen de Koekoeksbijen in uitzicht overeen met de soorten, waarbij zij parasiteeren en verschaffen zich door haar uniform toegang tot het vreemde nest.
De Parasiethommels (Psithyrus of Apathus) zijn door hun lichaamsbouw aan de Hommels nauw verwant. Van de 5 soorten, die in Nederland gevonden zijn, is de Veldparasiethommel (Psithyrus campestris) de meest gewone. De achterscheen heeft op de plaats, waar de scheen en de hiel bij de stuifmeelgarende Hommels uitgehold en kaal zijn, een bolle, behaarde oppervlakte; de wastang ontbreekt. De bovenzijde van het achterlijf is, met uitzondering van de laatste ringen, bijna kaal, zoodat de glanzige chitine-huid duidelijk zichtbaar is.
*
De meeste (n.l. 15) inheemsche soorten van Koekoeksbijen behooren tot het soortenrijke geslacht van de Wespbijen (Nomada), de bontste leden van de geheele familie. Haar lengte wisselt meestal af van 8.75 tot 13 mM.; zij zijn bijna kaal; het elliptische, van voren en van achteren spits toeloopende achterlijf draagt gele, witte of roode vlekken of strepen op glanzig zwarten of rooden grond. De voorvleugels zijn aan de buitenzijde dikwijls minder doorschijnend; zij hebben een groote randcel en 3 onderrandcellen. De Wespbijen parasiteeren hoofdzakelijk bij de Zandbijen (Andrena), doch ook wel bij de Smalbijen (Halictus); op plaatsen, waar deze Bijen gangen in den grond graven, zwermen hare parasieten in grooten getale rond. De vroegst verschijnende ziet men met hare gastheeren en andere Insecten op wilgenkatjes en later op bloeiende kruiden. ’s Avonds, als zij zich ter ruste begeven, nemen zij een eigenaardige houding aan; met de kaken bijten zij zich vast aan een blaadje of twijgje, trekken alle pooten terug en hangen zoo in loodrechte richting aan den bek.
De Geringde Wespbij (Nomada succincta), een van de grootste soorten, is 12 mM. lang. De kop en het borststuk zijn dofzwart met gele vlekken; met uitzondering van de zwarte bovenzijde van het eerste lid, zijn de sprieten roestgeel; het blinkend zwarte achterlijf draagt 6 gele banden. De scheen is geel of lichtroestrood met gele vlekken. Het vleugelschubje is zuiver geel; de vleugels zijn bruinachtig met roode aderen.
*
De Andrenen (Andrenetae) onderscheiden zich van de Echte Bijen door de kortheid van de tong, welks middelste lob lancet- of hartvormig is, en door den vorm van de liptasters, die uit 4 nagenoeg gelijke leden bestaan. Zij leven eenzaam; sommige leggen eieren in de nesten van andere Bijen; andere graven gaten in den grond en voorzien deze van honig en stuifmeel ten behoeve van de larve, die zich uit haar ei ontwikkelt. De Andrenen hebben de achterdijen en achterheupen aan de onderzijde, de achterscheenen aan de buitenzijde dicht behaard; wegens deze werktuigen tot het verzamelen en vervoeren van stuifmeel worden zij Dijgaarders (Merilegidae) genoemd. Tot deze groep behoort minstens het derde gedeelte van alle wilde Bijen, die bij ons op den honig der bloemen azen en door rustelooze bedrijvigheid en gezellig gegons de bloemrijke velden reeds vroeg in de lente verlevendigen. De Zandbijen, Aardbijen of Gravende Bijen (Andrena) beginnen den dans. Zij zijn het, die in den aanvang van de lente, in snelle vlucht, vergezeld door de meer bezadigde en bedaarde Huisbijen, om de wilgenkatjes en andere eerstelingen van het jonge jaar gonzen en zich lang bezinnen, voordat zij zich nederzetten om door een gastmaal het opstandingsfeest van de herlevende natuur te vieren. Op zonnige hellingen ziet men ze in menigte uit hare in gaten van den grond gelegen wiegen opstijgen. Zij zijn het, die op zulke plaatsen in grooten getale rondvliegen om aan hare nakomelingen een woning te verschaffen. De meeste leggen hare nesten in zandgrond aan: zij graven in schuinsche richting een 13 à 30 cM. diepe gang, aan ’t einde voorzien van rondachtige holten of korte vertakkingen; deze cellen worden zeer ruim met stuifmeel bedeeld. Nadat in iedere cel een ei gelegd is, wordt haar opening en ten overvloede die van de hoofdgang met aarde gevuld.
Van de 3 gesloten onderrandcellen is de eerste bijna even lang als de beide andere te zamen; de tweede is de kleinste en nagenoeg vierkant; de derde wordt naar boven aanmerkelijk nauwer. De geheele buitenzijde van de achterpooten tot aan het einde van den hiel is bij het wijfje dicht bedekt met zamelharen; niet minder talrijk komen deze voor aan de zijden van het borststuk. Aan de binnenzijde van den hiel ziet men een uit dicht bijeenstaande, kortere haren samengestelden borstel. Als de wijfjes van haar bezoek aan de bloemen terugkeeren, zijn al deze lichaamsdeelen rijkelijk met stuifmeel bedekt. Het achterlijf is van voren versmald en ovaal, elliptisch of lancetvormig van omtrek; hieraan onderscheidt men gemakkelijk de mannetjes en de wijfjes. Bij deze is het van boven naar onderen meer afgeplat, bij de spits, d. i. aan den vijfden ring, van een haarkrans, de eindfranje, voorzien, die het kleine, zesde lid meer of minder overdekt. Het mannetje is kleiner; zijn achterlijf, hoewel meer langwerpig en van boven meer afgerond, is nimmer lijnvormig, gelijk dat der mannetjes van het verwante geslacht der Smalbijen (Halictus), welker wijfjes zich onderscheiden door een (glinsterende) kale, wigvormige vlek midden op de eindfranje.
De Vleugelplooiers of Wespen (Diploptera, Vesparia) onderscheiden zich van alle andere Vliesvleugeligen, doordat in den toestand van rust de voorvleugels overlangs geplooid worden; de achterste, aan den achtervleugel grenzende helft wordt onder de voorste helft geborgen; haar bovenzijde komt op de bovenzijde van den achtervleugel te liggen; de op deze wijze geplooide vleugels vinden hun plaats aan de zijden van het achterlijf, bedekken dit niet. Op het naakte of bijna naakte lichaam heeft de zwarte huidkleur, die bij de Bloemwespen in den regel voorkomt, meestal niet de overhand; gele (ook wel witte) vlekken of strepen op den kop en het achterlijf brengen met het zwart een bonte afwisseling teweeg. Onze Wespen hebben, evenals de Bijen, gebroken sprieten; bij de mannetjes valt dit wegens de geringe ontwikkeling van de schaft minder duidelijk in ’t oog. Een gifangel treft men uitsluitend aan bij het vrouwelijke geslacht en bij den derden stand, waar deze voorkomt. Ofschoon de Wespen zelf slechts op zoete stoffen azen, die zij met de meestal korte tong oplekken, verwennen zij hare larven niet door dergelijke lekkernijen, maar brengen ze groot met andere Insecten, die zij vooraf gekauwd hebben. De meeste leden van deze familie bewonen de warme landen; in Europa is het aantal soorten betrekkelijk gering.
1) Muur-leemwesp (Odynerus parietum): Wijfje, ingangsbuizen van hare nesten en geopend nest, waarin de larven zichtbaar zijn, die als voedsel van de jonge Wesp zullen dienen [tenzij deze voorraad verslonden wordt door de larve van de bij 2 afgebeelde Gewone Goudwesp (Chrysis ignita)].—3) Fransche Papierwesp (Polistes gallica): Nest en wijfje. Ware grootte.
De lichaamsbouw en gedeeltelijk ook de levenswijze van de Wespen, geeft aanleiding tot een verdeeling in drie onderfamiliën. Bij sommige hebben de voorvleugels slechts twee gesloten onderrandcellen en zijn de sprieten uit slechts acht leden samengesteld: met deze kenmerken rustte moeder natuur de Parasietwespen (Massaridae) uit.
De Leem- of Muurwespen (Eumenidae) vormen de tweede onderfamilie. Zij hebben in den voorvleugel drie gesloten onderrandcellen; de tong is lang en driedeelig. De gebroken sprieten nemen naar de spits een weinig in dikte toe en bestaan uit 12 à 13 leden. De middelste teen draagt aan ’t einde één spoor. Evenals de vorige, leven deze Wespen eenzaam. De meeste leggen in leemwanden of in steile hellingen van uit vet zand bestaande heuvels, eenige in dorre plantenstengels, reeksen van cellen aan en gebruiken leem als bouwstof. De inheemsche soorten althans maken hare nesten nooit in gewone aarde of in los zand en verzorgen hare jongen eens voor al met een voldoenden voorraad van larven.
De meeste leden van de 3e onderfamilie, van de Papierwespen (Vespidae), leven gezellig, bouwen zeer kunstige nesten en hebben, gelijk de Gewone Bijen en Hommels, arbeidsters, onvruchtbare wijfjes, die het kroost grootbrengen. Naar het uitwendige stemmen zij in nagenoeg alle opzichten met de leden der vorige groep overeen; de middelscheen echter draagt aan ’t einde twee sporen en de tong is kort en vierlobbig.
Een buitengewoon talrijk, over de geheele aarde verbreid Leemwespen-geslacht, waarvan hier te lande 6 soorten gevonden zijn, is Odynerus. Het kenmerkt zich door een aanhangend achterlijf: het eerste lid is meer of minder klokvormig, slechts weinig smaller dan het tweede; het achterlijf is op de plaats van verbinding dezer beide leden eenigszins ingesnoerd, vooral aan den buik vertoont het een diepe groeve. Bijna alle soorten zijn zwart met helder gele dwarsbanden op het achterlijf; sommige hebben bovendien nog gele vlekjes aan den kop of aan het borststuk.
Bij de Muur-leemwesp (Odynerus parietum), zijn de gele teekening en de grootte (6.5 à 13 mM.) zoo wisselvallig, dat een zeer uitvoerige beschrijving noodig zou zijn om haar met zekerheid van eenige verwante soorten te onderscheiden. Het rugschild van het naborststuk vertoont een overlangsche groeve en helt naar den eersten achterlijfsring zeer steil af; deze heeft van achteren een gelen rand, die zich naar weerszijden ver uitstrekt; de overige achterlijfsringen zijn aan de rugzijde met even ver reikende banden getooid; ook aan den buik merkt men gele zoomen aan de schilden op. In den regel zijn de pooten beneden het midden van de dij geel. Vooral door de gele vlekken op den kop en het borststuk verschillen de variëteiten onderling.
De Muur-leemwesp verschijnt in de laatste dagen van Mei; het wijfje houdt zich gedurende de geheele volgende maand bezig met werkzaamheden in ’t belang van haar kroost. Voor het bouwen van haar nest zoekt zij een ouden muur van leem of den wand van een leemgroeve op en graaft hierin met de kaken een gat van ongeveer 15 cM. diepte. De losgemaakte leemkluitjes worden met speeksel en ongetwijfeld ook met het voor dit doel ingenomen water bevochtigd en verweekt; hiermede verlengt de Wesp den ingang harer woning tot een buis, welke dus langer wordt, naarmate het nest in diepte toeneemt. De gang, die aanvankelijk in horizontale richting in den muur opgaat, buigt zich verderop een weinig naar onderen. In de voltooide woning brengt de zorgvolle moeder larven van Bladkevers en van andere Insecten, b.v. van kleine Vlinders, die zij gedurende het vliegen tusschen de voorpooten en de borst geklemd houdt. Bij het nest aangekomen, gaat zij schrijdelings boven den buit staan, vat hem bij den kop, sleept hem (zie de afbeelding) naar den ingang en daarna tot in het achterste deel van het hol, waar zij hem tegen den wand drukt. De larve, die door den steek van den roover niet gedood, maar verlamd werd, neemt in de enge buis een ringvormige houding aan in overeenstemming met den vorm van haar lichaam. Verscheidene larven (soms 8 of meer) worden, evenals de eerste, in het hol gebracht en regelmatig naast elkander gelegd. Zoodra een voldoende hoeveelheid leeftocht bijeengebracht is, wordt in het nest een ei gelegd en de opening vervolgens met leem gesloten. Voor ieder volgend ei moet het wijfje opnieuw aan ’t bouwen. Na weinige dagen komt de made uit het ei, verslindt de eene larve na de andere, zoodat er slechts de huid van overblijft en is na verloop van hoogstens 3 weken volwassen. Zij spint dan een vuil bruine, tamelijk stevige cocon en wacht hierbinnen als larve de lente af. Weinige weken voor den overgang in den imago-toestand verpopt zij zich; het verbreken van de afsluiting van het nest is voor de Wesp niet moeielijk.
*
De meeste Gezellig levende Wespen (Vespae sociales) of Papierwespen (Vespidae) wekken onze bewondering door den bouwtrant harer kasteelen en paleizen. Evenals de Honigbijen, maken zij raten, die echter niet dubbel zijn, maar uit één laag cellen bestaan met naar onderen gekeerde openingen; ook hier zijn onvolkomen ontwikkelde wijfjes (arbeidsters of werkwespen) met het bouwen belast. Als bouwstof voor de soms brooze, soms meer veerkrachtige wanden van hare kunstwerken gebruiken zij geen was, maar hoofdzakelijk plantaardige stoffen, flink gekauwd en gemengd met een overvloed van chitine-houdend speeksel. De zeer elastische, papierachtige nesten bestaan uit lange bastvezels, de kartonachtige uit een vilt van haren van planten of uit een mengsel van deze met vaatbundelstukjes van soortgelijken aard. De meer brokkelige bouwstof van de nesten onzer Paardewespen wordt vervaardigd van het schorsweefsel van verschillende boomen en is daarom altijd gestreept. Enkele uitheemsche Gezellige Wespen verwerken ook wel kleiachtige aarde of de mest van plantenetende dieren.
Veel meer verscheidenheid dan in de bouwstof vindt men in het bouwplan en de aanhechtingswijze der nesten. Sommige liggen plat tegen de onderzijde van een blad of tegen een boomstam aan; andere omvatten met hun boveneinde een tak en hangen hieraan in den vorm van een rol, van een stompen kegel, van een bol of van een halven bol, of zijn verborgen tusschen takken en bladen, die er voor een deel binnen opgenomen zijn; in nog andere gevallen steunt het geheele gebouw op één of meer stelen. Het eenvoudigste nest blijft onbekleed en bestaat uit één laag of uit verscheidene lagen van zeszijdige cellen, die meestal een rozet vormen en welker openingen naar onderen gericht zijn. Tot het bouwen van zulk een eenvoudige woning bepalen zich de meeste Wespen, doch niet alle, vooral niet die, welke groote gezelschappen vormen. Deze omgeven in den regel hare raten met een hulsel; dit kan op tweeërlei wijze ingericht zijn, zoodat men van schotratige nesten en van zuilratige nesten spreekt. Een voorbeeld van de eerstgenoemde soort levert het sierlijke nest van de 6.6 mM. lange Polybia sedula uit Zuid-Amerika. Het wespje hecht zijn nest door middel van eenige steeltjes aan de onderzijde van een blad. Als de eerste raat gereed is, wordt hieronder op een afstand, die ongeveer met de halve lengte van een cel overeenkomt, als sluitstuk een schot aangebracht, dat aan de raat bevestigd is door het verlengen van haar buitenwand, waarin zijdelings een vlieggat is overgelaten. Naarmate het aantal leden van het gezelschap toeneemt, moet de woning vergroot worden. Dit geschiedt op zeer eenvoudige wijze, n.l. door tegen het schot van de eerste raat een tweede te bouwen, die bij de genoemde soort ongeveer denzelfden omvang heeft als de eerste; nogmaals worden de buitenwanden der randcellen verlengd en vervolgens in dwarse richting uitgebouwd tot een schot, dat op den reeds aangeduiden afstand onder de openingen der cellen gelegen is, waarbij eveneens een vlieggat overblijft in den verbindenden wand. In onze afbeelding is de derde raat voltooid en duiden loodrechte streepjes onder haar vloer het eerste begin van een vierde raat aan. Naar gelang van de behoefte kunnen de Wespen het aantal verdiepingen van haar nest vermeerderen, zoodat dit ten slotte een steeds langer wordende rol vormt.