1) Polybia sedula. 2) Polybia rejecta. 3) Chatergus apicalis. 4) Polybia ampullaria. Schematische, verkleinde afbeeldingen van nesten van Papierwespen.
Op eenigszins andere wijze bouwt Polybia rejecta. Zij laat in het midden van het schot een vlieggat open. Zulke nesten worden door geen enkelen Europeeschen Vleugelplooier, wel echter door een groot aantal Zuid-Amerikaansche soorten vervaardigd.
De Echte Wespen van de Oude Wereld (Vespa) benevens vele Amerikaansche soorten bouwen omhulde zuilratige nesten: de raten zijn onderling door zuiltjes verbonden en als de verdiepingen van een huis boven elkander gelegen; het geheel is omgeven met een “mantel”, die er op een zekeren afstand van verwijderd blijft en één vlieggat heeft. Al deze nesten naderen door hun vorm tot een ei of een bol; naar hun inwendigen bouw kan men ze echter in twee soorten onderscheiden, die aanmerkelijk verschillen, zooals uit de vorenstaande afbeeldingen 3 en 4 blijkt. Het nest van de Zuid-Amerikaansche Chatergus apicalis bevat verscheidene raten, die onder elkander ieder door een steeltje aan een tak bevestigd zijn; de vorm van het aschgrauwe, papierachtige hulsel blijkt uit fig. 3. Terwijl hier de zuiltjes, die raten dragen, ieder afzonderlijk aan het tot steun dienend voorwerp zijn verbonden, vereenigen zij in de meeste gevallen de raten onderling, zooals b.v. in het nest van Polybia ampullaria, dat men in fig. 4 aan de onderzijde van een blad ziet hangen; tot verduidelijking moet hier bijgevoegd worden, dat de tweede raat door een zijdelingschen pijler aan den mantel bevestigd is. In hoofdzaken stemmen de nesten van onze Echte Wespen met die van de laatstgenoemde soort overeen; sommige hangen aan twijgen van struiken of boomen, andere vindt men in gaten van den grond, nog andere in holle boomstammen, onder vooruitstekende daken of op dergelijke tegen den regen beschutte plaatsen. Al deze gebouwen zijn slechts voor één zomer bestemd. In de lente wordt de arbeid begonnen door één bevrucht wijfje, dat den winter in een geschikte schuilplaats doorbracht, en later, geheel volgens het plan, dat door de stammoeder aangegeven is, voortgezet door de talrijke arbeidsters, die zich uit hare bevruchte eieren ontwikkelen. Als het gure seizoen nadert, vindt men deze met zooveel moeite samengestelde woning verlaten, evenals die der Hommels.
*
Paardewesp (Vespa crabro): a, b. Wijfje (a. van boven, b. van ter zijde gezien).—c. Een stuk van een raat: sommige cellen zijn met een dekseltje gesloten, daar zij een larve of een pop bevatten; de overige zijn ledig.—d. Larve.—e. Pop.—a-c: ware grootte; d en e: zwak vergroot.
Bij het over alle werelddeelen verbreide geslacht der Veldwespen (Polistes) is de omtrek van het halfzittende achterlijf langwerpig eivormig; zijn eerste lid (hoewel niet tot een steel versmald, zooals bij het geslacht Polybia) is trechtervormig, loopt van voren uit in een punt, die verbonden is met het van achteren spits toeloopende achterborststuk, welks schuins afhellend rugschild aanleiding geeft tot de wijde kloof, die het borststuk van het achterlijf scheidt. De leden van dit geslacht bouwen zeer eenvoudige, steeds onbedekt blijvende nesten, die meestal slechts één raat bevatten, waaraan zelden een tweede wordt toegevoegd.
De Fransche Papierwesp (Polistes gallica), komt niet slechts in Frankrijk, maar ook in Duitschland veelvuldig voor; hier te lande heeft men haar nog niet waargenomen. Haar lichaam is op verschillende wijzen geteekend met talrijke gele vlekken en banden op zwarten grond. Het wijfje is 14, het mannetje 13, de arbeidster 11 mM. lang. Evenals bij de Gewone Bijen, ontstaan de mannetjes uit onbevruchte, de arbeidsters en wijfjes uit bevruchte eieren. In ’t begin van de lente verlaat het wijfje haar winterkwartier en begint aan een tak van een struik, aan een stam (zooals in onze afbeelding) of onder een vooruitstekend gedeelte van een muur haar nest te bouwen, dat aanvankelijk uit slechts weinige, aan een kort zuiltje bevestigde cellen bestaat, maar mettertijd een rozet van 3 à 9 cM. middellijn vormt. Slechts in buitengewoon gunstige zomers neemt het aantal leden van het kleine gezelschap zoo sterk toe, dat een tweede raat noodig wordt, die met de eerste door een middelzuiltje verbonden is.
*
De meeste inheemsche soorten van het geslacht der Echte Wespen (Vespa) zijn zwart en geel en stemmen door de verdeeling harer kleuren zoozeer overeen, dat het soms moeite kost ze met zekerheid van elkander te onderscheiden, vooral omdat bij sommige de mannetjes in het laatstgenoemde opzicht van de wijfjes verschillen. Gewoonlijk hebben de overigens zwarte ringen van het achterlijf van achteren een gelen zoom, die aan de rugzijde in ’t midden van den voorrand een zwarten inham heeft en bij het wijfje met twee zwarte stippen geteekend is; bij de arbeidsters zijn deze zoomen iets smaller en meer uitgetakt, daar het geel de zwarte stippen niet altijd geheel omgeeft. Het achterlijf heeft een spoelvormige gedaante; het is aan den wortel recht afgeknot en volgens een klein vlakje verbonden met het eveneens steil afhellende rugschild van het achterborststuk; het is dus volkomen “zittend”: de hier aanwezige tusschenruimte is nauw en diep. Slechts weinige soorten van dit geslacht bewonen Europa; veel grooter is haar aantal in de gematigde en koude gewesten van Amerika; ook vindt men ze in China, op Java en het Indische vasteland. De raten van hare nesten zijn beschut door een bladerigen mantel.
Van de 8 inheemsche soorten van dit geslacht is de 20 à 23 mM. lange Paardewesp of Horzelwesp (Vespa crabro) de grootste; hieraan en aan de grootendeels roode kleur van de voorste lichaamshelft kan men haar gemakkelijk van hare verwanten onderscheiden. Zij komt in geheel Europa, noordwaarts tot in Lapland voor. Bij ons schijnt zij in de kleistreken te ontbreken; in de zandstreken, althans in die van de oostelijke provinciën, vindt men haar vrij algemeen. De naam “Horzel”, waarmede zij dikwijls aangeduid wordt, zou aanleiding kunnen geven tot verwarring, daar er ook Tweevleugelige Insecten zijn, die dezen naam dragen. In Overijsel heet zij Horp, in Gelderland Horentje of Hoornaar.
Het wijfje, dat gedurende den winter op een veilige schuilplaats verborgen was, begint in de eerste dagen van Mei een nest te bouwen: aan een balk, in een ledigen bijenkorf van het oude model, in een hollen boomstam of op een andere eenzame plek. Het eerste beginsel van het gebouw bestaat uit een deel van het bolvormige omhulsel, aan welks binnenzijde de eerste raat met van onderen geopende, zeszijdige cellen door tusschenkomst van een stevig steeltje bevestigd wordt. De bouwstof bestaat uit de groene schors van verschillende boomen, vooral van jonge esschen, die soms aan alle zijden afgeschild worden en hierdoor veel schade lijden. Zoodra een klein aantal cellen gereed is, begint de bouwmeesteres eieren te leggen. Vijf dagen later verlaat de larve het ei en vindt in de cel een voorraad voedsel, die uit fijn gekauwde Insecten (o.a. Bijen) bestaat en soms met honig vermengd is. Op den negenden levensdag is de made volwassen; haar lichaam vult de cel volkomen en steekt er zelfs voor een klein deel uit; daarom heeft het deksel, waarmede zij zelf haar wieg sluit, een zuiver halfbolvormige gedaante. Veertien dagen later wandelt de jonge Paardewesp-arbeidster voor ’t eerst buiten haar cel; zij heeft dus in ’t geheel vier weken voor haar ontwikkeling noodig gehad. Zoodra zij bekomen is van den eersten schrik over haar ongewonen toestand, poetst zij zich de sprieten en pooten en kruipt weer in haar wieg om deze te reinigen en voor de ontvangst van een tweede ei geschikt te maken. Als zij reeds zusters op haar weg ontmoet, ontneemt zij aan de eerste de beste, die met voedsel in het nest terugkomt, een stukje en eet het op. Nadat zij op deze wijze 2 dagen aan huiselijke bezigheden heeft besteed, vliegt zij met hare zusters uit, gaat op de jacht, brengt bouwstof aan en verzuimt niet ook voor haar eigen onderhoud te zorgen. Weldra is de eerste raat niet meer voldoende; er wordt een zuiltje aan gebouwd, dat steun verschaft aan een beginsel van een tweede raat, die van de vorige gescheiden is door een tusschenruimte gelijk aan de lengte van een cel. Naar gelang van de behoefte wordt het aantal pijlers vermeerderd; deze nemen geen bepaalde plaats in, maar zijn des te talrijker, naarmate de bodem van de raat een grootere uitgestrektheid verkrijgt. Een voltooid, vrij hangend nest heeft nagenoeg den vorm van een bol; van onderen, een weinig zijwaarts, bevindt zich in den mantel een opening voor het uit- en invliegen. In de nabijheid van het vlieggat zijn schildwachten geplaatst; bij naderend gevaar begeven zij zich in het nest om de bewoners te waarschuwen, die nu woedend op de rustverstoorders aanvallen en gebruik maken van hun giftig wapen.
Na het midden van September, maar vooral in het begin van October, worden ook mannetjes en volkomen ontwikkelde wijfjes geboren. Als het ruwe jaargetijde nadert, halen de tot dusver zoo liefdevolle kinderenverzorgsters, de jongen, die nog in de cellen aanwezig zijn, uit hun wieg en laten ze ellendig omkomen. Allengs bezwijken ook de mannetjes en de arbeidsters; alleen de bevruchte wijfjes overwinteren in een hiervoor geschikten schuilhoek.
De 10 à 14 mM. lange Roode Wesp (Vespa rufa) is kenbaar aan de roode vlekken en banden, die, nevens zwart en geel, den tweeden, soms ook den eersten, achterlijfsring tooien. Zij nestelt in den grond en vormt slechts kleine staten. In Nederland en Duitschland is zij zeldzaam; ook in Noord-Amerika wordt zij gevonden.
Eveneens in den grond (vooral in verlaten holen van Muizen en Mollen) vindt men het nest van de 12 à 16 mM. lange Gewone Wesp (Vespa vulgaris), die op Madeira, in Noord-Afrika en (overal veelvuldig) in Europa vliegt; het gele kopschild is gewoonlijk met een naar achteren breeder wordende, zwarte, overlangsche streep geteekend.
Nog talrijker is hier te lande op dezelfde plaatsen de even groote Duitsche Wesp (Vespa germanica); zij verschilt van de vorige o.a. door de kleur van den eersten ring van het achterlijf, bij de Duitsche geel met 3 zwarte vlekken, bij de Gewone zwart met gelen zoom. Gene werd, behalve in Europa, ook in Syrië, het noorden van Indië, in Algerië en Amerika aangetroffen.
Even groot of iets grooter is de Middelste Wesp (Vespa media), welker aan boomtakken hangende nesten in Gelderland langs den Rijn niet zeldzaam zijn; in sommige jaren is zij in enkele streken van Duitschland buitengewoon talrijk. Het borststuk heeft roode vlekken en gele figuren van den vorm van het cijfer 7; de gele strepen op het overigens zwarte achterlijf zijn minder helder, meer bruinachtig.
Ook de zeldzame, 12 à 18 mM. lange Woudwesp (Vespa sylvestris) hecht haar nest in het loover van boomen en struiken, althans boven den grond vast; het bestaat uit een papierachtige massa, die de Wesp vervaardigt door de afgeschaafde buitenste laag van vermolmd hout met haar speeksel te vermengen.
De onbeschaamdheid en de teugellooze wildheid van de Wespen zijn aan iedereen genoegzaam bekend; het duidelijkste bewijs hiervan krijgt iemand, die, zonder erg en volkomen onbewust van de nabijheid van een wespennest, welks ingang naast het door hem bewandelde voetpad gelegen is, door den geheelen zwerm overvallen en gestoken wordt. Voor eenige jaren overkwam dit ongeval aan een herdershond, die zijn meester hielp koeien te bewaken. Op een van de talrijke molshoopen, waarmede het land als bezaaid was, zat de trouwe wachter van de kudde. Plotseling springt de Hond onder geweldig gehuil in den naburigen stroom. De herder, die niet begreep, wat er voorgevallen was, snelt zijn bondgenoot te hulp, lokt hem naar zich toe en vindt het dier met Wespen bedekt. IJverig bezig met het verdrijven van de door het koude bad afgekoelde, driftige beestjes, heeft hij niet opgemerkt, dat onder zijne voeten zich een vulkaan bevindt. De vertoornde Insecten kruipen hem bij de beenen, aan den binnenkant van de broekspijpen omhoog; ook hij moet ten slotte in het water eenige verlichting zoeken van de pijn, die door de toegebrachte steken veroorzaakt wordt. Steeds grooter wordt de verwarring: het blijkt, dat de molshoopen tot woonplaats dienen aan een groot aantal wespenzwermen, die men vroeger niet had opgemerkt. Ook de grazende koeien hebben in eenige van deze nesten getrapt en worden door de hoogst opgewonden bewoners aangevallen. Alle Runderen springen brullend van pijn in ’t water en delven aanvankelijk het onderspit in den strijd met het angeldragend gedierte. Het kostte groote moeite en de medewerking van vele helpers om langzamerhand de orde te herstellen. Alle pogingen om de nesten te vernielen en de weide voor het grazende vee bruikbaar te maken bleven zonder resultaat. De Wespen bleven gedurende dit seizoen heer en meester over het slagveld.
Het luid en dreigend “Tsoe! Tsoe! Tsoe!” van de Wesp, die door het geopende venster naar binnen vliegt, veroorzaakt vrees en schrik. Zij zoekt hier een Vlieg, een Spin, een stukje vleesch of een zoet hapje en laat zich niet afschrikken door de vervolging, waaraan zij blootgesteld is van den kant der rechtmatige bewoners, die niet op dit bezoek gesteld zijn.
De jongen worden op dezelfde wijze grootgebracht als die der Paardewespen; zoodra de gemeente met een jonge burgeres verrijkt is, begint deze deel te nemen aan de werkzaamheden harer oudere zusters. Aan cellen bouwen, jagen, moorden, kinderenvoeren en het vernieuwen van hare eigene, niet gespaarde krachten is haar kortstondig leven gewijd. In den herfst verschijnen de mannetjes en de volkomen ontwikkelde wijfjes om te zorgen, dat het geslacht niet uitsterft, want de stammoeder is nu uitgeput. De bevruchte wijfjes zoeken een veilig winterkwartier op; vóór den winter sterven alle overige leden van het gezelschap.
De familie der Mieren (Formicina) behoort eveneens tot de gezellig levende Vliesvleugeligen, welker maatschappijen op sommige tijden uit drieërlei standen samengesteld zijn: de gevleugelde wijfjes en mannetjes en de steeds ongevleugelde arbeidsters of onvolkomen ontwikkelde wijfjes. Deze kunnen zelfs 2 of 3 vormen vertoonen; bij de Europeesche soorten komt dit verschijnsel zelden, bij de uitheemsche dikwijls voor. Een van deze vormen kenmerkt zich door de buitengewone grootte van den kop; zulke arbeidsters worden onder den naam van soldaten van de overige onderscheiden. De mierenstaat is, evenals de bijenstaat, veeljarig.
De kop van de Mier is betrekkelijk groot, soms bij de arbeidsters zeer groot, daarentegen klein bij de mannetjes. Het meest wordt de aandacht getrokken door de krachtige kaken, die meestal sterk verbreed en op de kauwvlakte scherp of getand zijn. De liptasters bestaan uit 2 à 4 leden; de tong is minder sterk ontwikkeld dan bij de overige gezellig levende Vliesvleugeligen. Kenmerken voor de onderscheiding van hoofdgroepen leveren de zoogenaamde voorhoofdslijsten of lijstvormige uitsteeksels van den kop, die, boven de sprieten beginnend, zich naar boven en naar achteren uitstrekken hetzij in onderling evenwijdige richting of uiteenwijkend,—rechtlijnig of S-vormig gebogen. De sprieten zijn “gebroken”; bij de mannetjes valt dit soms, wegens de kortheid van de schaft, niet duidelijk in ’t oog; de 9- à 12-ledige zweep is draadvormig of door het dikker worden van de leden naar de spits eenigszins knotsvormig. De 3 enkelvoudige oogen op de kruin zijn bij de arbeidsters dikwijls afwezig.
Het borststuk vertoont bij de gevleugelde Mieren geen belangrijke eigenaardigheden; het is echter bijzonder smal en loopt van boven in een stompen kant uit bij exemplaren waar het nooit vleugels draagt; vooral hieraan dankt het geheele lichaam zijn eigenaardig voorkomen. De vleugels zijn tamelijk losjes bevestigd en vallen uit, zoodra de paring heeft plaats gehad. Hun aderenstelsel is weinig ontwikkeld. De pooten zijn slank; een éénledige dijring verbindt de heup en de dij, evenals bij alle Roofwespen en Bijen; de voet is vijfledig.
Het achterlijf bestaat uit 6, bij de mannetjes uit 7 ringen; het is altijd door een steel met het borststuk verbonden; de wijze waarop dit geschiedt, oefent grooten invloed uit op de geschiktheid van het Insect om de spits van het achterlijf (met den hieraan soms voorkomenden angel) naar voren te krommen. Bij het beschrijven van den lichaamsvorm is men gewoon den steel als een afzonderlijke afdeeling te beschouwen. Hij kan éénledig of tweeledig zijn en vormt in ’t eerstgenoemde geval tusschen het rugschild van het achterborststuk en het achterlijf een knoopvormige verdikking, of gelijkt op een aan de hoeken afgeronden kubus. In den regel echter draagt zijn bovenzijde een van voren naar achteren gerichte, vierhoekige, afgeronde, naar boven min of meer uitpuilende dwarslijst, de zoogenaamde schub. Als de steel tweeledig is, vormt het tweede lid een bolvormigen of een zijdelings verbreeden knoop; het eerste lid is van voren steelvormig, van achteren tot een knoop verdikt. De mannetjes zijn gemakkelijk van de wijfjes te onderscheiden aan den kleinen kop, de langere en dunnere pooten, de smallere bovenkaken; zij hebben één lid meer in ’t achterlijf en in de zweep van de sprieten en verliezen nooit de vleugels, gelijk de wijfjes. Deze en de werkmieren zijn zeer bijtlustig en laten een sterk zuur, dat mierenzuur wordt genoemd, in de wonde vloeien; te dien einde is de spits van het achterlijf, waaruit dit zuur ontwijkt, naar voren gekromd. Andere Mieren, vooral die met een tweeledig steeltje, hebben, evenals de Bijen en de Wespen, een angel en gebruiken dezen als wapen. In beide gevallen veroorzaakt het mierenzuur, dat in de wonde dringt, een brandende pijn en een lichte ontsteking.
De wormvormige, pootlooze, witachtige larve heeft een hoornachtigen kop zonder oogen en 12 rompsegmenten. Zij kan zich niet van de plaats bewegen en moet door de werkmieren gevoederd worden. De zeer jonge larven stemmen volkomen overeen, hetzij er wijfjes of mannetjes of werkmieren uit ontstaan; later kan men een onbeduidend verschil in vorm waarnemen, duidelijker echter ongelijke grootte. Niet onmogelijk is het, dat, evenals bij de Bijen, uit onbevruchte eieren mannetjes voortkomen. Het onderscheid tusschen de wijfjes en de verschillende vormen van werkmieren begint waarschijnlijk eerst gedurende den larvetoestand; hoe dit geschiedt, is onbekend; dat ongelijke voeding er de oorzaak van zou zijn, mag men niet onderstellen, daar het voedsel voor allen uit druppels vocht bestaat, die de werkmier uitbraakt. De rijpe larve verandert in een vrije pop; bij sommige soorten spint zij vooraf een langwerpige, vuilwitte of bruinachtige cocon; de op deze wijze omhulde poppen vormen onder den onjuisten naam van “miereneieren” een handelsartikel, daar zij als voedsel voor kamervogels dienen. Bij andere soorten blijft het spinnen steeds achterwege. Nog andere houden in zooverre het midden tusschen de reeds genoemde, dat in haar nest zoowel naakte als ingesponnen poppen gevonden worden; toch hebben in dit geval alle larven spinklieren, zoodat men moet aannemen, dat door onvoldoende voeding of door een andere oorzaak sommige niet genoeg materiaal voor een cocon in hare spinklieren hebben. De larven van de Mieren met tweeledigen achterlijfsteel spinnen in den regel niet.
Evenals alle Vliesvleugeligen, voeden ook de Mieren zich hoofdzakelijk met zoete stoffen, om ’t even of deze van plantaardigen of van dierlijken oorsprong zijn. IJverig zoeken zij de Bladluizen en Schildluizen op, om de zoete uitscheidingsproducten dezer diertjes op te slikken. Daarom zijn de Mieren altijd talrijk op plaatsen, waar vele Bladluizen zijn en doen zij deze geen leed. De werkmieren voederen, behalve de larven, ook de voortplantingsmieren en zelfs iedere werkmier van haar eigen volk, die voedsel vraagt, met waterheldere druppels, die zij uit haar mondopening laat vloeien. De inheemsche Mieren verzamelen geen voorraad; sommige in warmere gewesten levende soorten vergaren zaden van grassen, vooral graankorrels, in haar nest.
De meeste mierennesten worden in den grond gevonden. Forel onderscheidt ze in de volgende soorten:
(1). De aardnesten bestaan uit in den grond gegraven kamers en gangen, welker wanden soms, althans gedeeltelijk, door toevoeging van speeksel aan het zand stevig gemaakt, als ’t ware gemetseld zijn; soms is de grond boven het nest opgehoogd, soms wordt de woning aangelegd onder een steen, die haar beschutting verschaft.
(2). De houtnesten worden op soortgelijke wijze als de vorige gebouwd in vermolmd hout, dat nog samenhangt; wegens de grootere duurzaamheid van de bouwstof is het beloop van de gangen voor een deel regelmatiger dan bij woningen in vochtige aarde. De stevigste gedeelten der jaarringen blijven meestal gespaard en dienen als muren; door de richting van de houtvezels wordt de vorm van de gangen en kamers bepaald. Daar de Mieren, die in hout nestelen, in den regel geen gave boomen aantasten, maar het bederf van de reeds gedeeltelijk vermolmde stammen bespoedigen, vooral dat van oude stompen, die broedplaatsen van allerlei ongedierte zijn, worden zij door den houtteler als bondgenooten beschouwd en beschermd. Door de werkzaamheid van deze Mieren ontstaan soms zeer samengestelde gebouwen.
(3). Papiernesten bouwt o.a. de Zwarte Houtmier (Lasius fuliginosus); haar nest werd bij ons vooral in Gelderland in holle boomstammen gevonden. De sterke ontwikkeling van de speekselklieren, die een bindmiddel voor de losse houtdeeltjes leveren, stelt deze en andere Mieren in staat, om in holten van boomen muren te bouwen, die kamers en gangen begrenzen. Tot dezelfde groep kunnen gebracht worden de kolossale nesten der zoogenaamde Comehens op Portorico. Zij bouwen, gewoonlijk tusschen boomtakken, woningen zoo groot als een bijenkorf en bedekken den weg daarheen overal, langs de takken en den stam, op bladen, over steenen en op den grond, met een gewelf, dat zoomin licht als regen doorlaat en binnenwerks zoo wijd is als een penneschacht. Deze Mieren dringen ook in de huizen door, knagen gangen in allerlei houten voorwerpen en wijken bij hare tochten alleen dan van den rechtlijnigen weg af, wanneer zij ondoordringbare hindernissen ontmoeten.
(4). Een vierde groep van nesten zijn die met gemengd bouwplan. Het algemeen bekende nest van de Roode Boschmier (Formica rufa) kan hiervan een voorbeeld leveren. Het bestaat uit allerlei plantendeelen, stukjes van bladen, dennenaalden, kruimeltjes hars, maar vooral uit kleine stukjes hout, gemengd met kluitjes aarde. Met bewonderenswaardige volharding en krachtsinspanning worden deze materialen bijeengesleept, opeengestapeld en samengevoegd tot heuveltjes van 25 à 125 cM. hoogte. Onder den grond hebben deze woningen een nog grooteren omvang dan daarboven. De houtjes en steeltjes zijn zoo in elkaar gezet, dat zij tamelijk stevige gewelven vormen voor een groot aantal kamers en een nog grooter aantal gangen, verschillend van ruimte en vorm, maar uitnemend geschikt voor het doel en alle in elkander uitkomend. Van het binnenste van het nest stralen wegen uit naar schier alle zijden; korten tijd nadat de Mieren begonnen zijn zulk een pad te maken, is het zoo glad getreden, zoo duidelijk te onderscheiden van de omgeving, dat men alle kronkelingen gemakkelijk met het oog kan volgen. Gedurende den nacht zijn alle Mieren in het nest als in een vesting opgesloten; zelfs de gewone uitgangen zijn door voorgeschoven houtjes onkenbaar gemaakt. Zoodra het zonlicht zich een weg begint te banen door het gebladerte der omringende boomen, vertoonen zich enkele bewoners buiten het nest, langzamerhand komen er meer te voorschijn, die als ’t ware achtereenvolgens alle gesloten deuren ontgrendelen. De ruime openingen, die zij bij warm en helder weder maken, worden, als er regen ophanden is, gesloten gehouden of op nieuw verstopt. Kleine balkjes worden erin gesleept, de dan overblijvende tusschenruimten met andere houtjes verstopt, totdat de poort aan het regenwater geen toegang meer verschaft.
(5). Tot de afwijkende nesten rekent men die, welke in geen der vorige groepen thuis behooren, zooals de nederzettingen van Mieren in spleten van muren en rotsen, in menschelijke woningen, enz.
De Mieren houden zich niet strikt aan één bepaalden bouwtrant, maar weten zich bij de keuze en de inrichting van haar woning beter naar de omstandigheden te schikken dan de meeste andere Insecten. Hoewel sommige soorten zich bijna uitsluitend onder steenen vestigen, andere (Camponotus b.v.) zich bij voorkeur in vermolmd hout ophouden, nemen allerlei Mieren, verreweg de meeste inheemsche althans, ook andere verblijfplaatsen voor lief en eigenen zich o.a. verlaten nesten van verwante soorten toe. Uit den aard van het nest kan men dus niet altijd met zekerheid afleiden, door welke soort van Mieren het bewoond wordt. De houtbewoners maken zelfs de houtige gallen van verschillende Galwespen voor eigen gebruik geschikt, zoodra de oorspronkelijke bewoners deze opzwellingen verlaten hebben.
Nest van de Roode Boschmier (Formica rufa). In den rechter benedenhoek een geopend nest van de Zwarte Houtmier (Lasius fuliginosus) uit een vermolmden boomstam.
Bij het bouwen en instandhouden van het nest spelen de bovenkaken en de voorschenen een hoofdrol; de werkmieren verrichten dezen arbeid en bovendien alle huiselijke bezigheden; dat dit deel van hun taak niet gemakkelijk is, zal ons blijken, als wij de verzorging van de jongen nagaan. Bij de Mierensoorten, welker arbeidsters tweeërlei vorm vertoonen, schijnt een zekere verdeeling van den arbeid voor te komen; men heeft althans opgemerkt, dat de grootkoppige zoogenaamde soldaten, die bij de rooftochten, welke sommige Mierensoorten ondernemen en waarvan andere de slachtoffers zijn, niet zoo zeer als verdedigers dan wel als aanvoerders en gidsen optreden; met hunne grootere bovenkaken verscheuren zij het vleesch en dergelijken buit en stellen hierdoor de minder forsch gebouwde arbeidsters in staat, om stukjes geëvenredigd aan haar lichaamskracht weg te slepen. Bovendien zal men dikwijls kunnen waarnemen, dat bij werkzaamheden, waarvoor de kracht van een enkele arbeidster niet voldoende bleek te zijn, een tweede en een derde komt helpen, zoodat met vereende krachten dikwijls een schijnbaar onmogelijke taak tot een goed einde wordt gebracht.
De moederlijke zorgen van de Werkmieren, strekken zich uit over de eieren, larven en poppen. De langwerpige, witte of lichtgele eieren—die zich later een weinig uitzetten en aan het eene einde krommen, waarbij zij tevens een glasachtig voorkomen verkrijgen—worden door het wijfje in een der kamers op een hoopje gelegd. De arbeidsters nemen ze een voor een op; door er ijverig aan te likken, voorzien zij, naar ’t schijnt, de kiem van een als voedsel dienend doorschijnend vocht. Als het warm weer is, worden de eieren naar een bovenverdieping van de woning vervoerd, bij ongunstige weersgesteldheid daarentegen naar dieper gelegene vertrekken overgebracht. Dezelfde zorgen vereischen de larven, die bovendien met uitgebraakte druppels vocht gevoederd en door likken van het aanhangende vuil bevrijd worden. Ook de poppen krijgen, al naar het weer voor haar ontwikkeling al of niet gunstig is, in verschillende gedeelten van het gebouw een onderkomen en worden nu eens naar de eene, dan weer naar de andere plaats overgebracht. Zoodra men een steen optilt, die een mierennest bedekt, aan welks oppervlakte de poppen, wegens den zonneschijn, vertoeven, snellen de zorgvuldige verpleegsters onmiddellijk toe, grijpen ieder een van hare pleegkinderen en trachten het tegen gevaar te beschutten en in veiligheid te brengen door er ten spoedigste mede binnen in het nest te verdwijnen. Wanneer de jonge Mier gereed is om haar cocon te verlaten, bieden de arbeidsters haar de behulpzame hand, door het spinsel te verscheuren, welke arbeid bij alle overige Insecten aan het jonge dier zelf wordt overgelaten. De zorg voor het kroost bereikt dus bij de Mieren een nog hoogeren trap van volkomenheid dan bij de overige gezellig levende Vliesvleugeligen.
De gevleugelde mannetjes en wijfjes, die op bepaalde tijden, vooral in Augustus, in het nest verschijnen, houden zich een tijdlang daarbinnen verborgen; de wijfjes verrichten hier eenige huiselijke werkzaamheden; zij zijn behulpzaam bij het vervoeren van de larven en poppen. Daarna echter dartelen de voortplantingsmieren eenige dagen lang, als door razernij bevangen, in de lucht rond, verheffen zich tot een aanzienlijke hoogte en begeven zich soms op grooten afstand van het nest. De wijfjes, die weer in de nabijheid van het nest neerstrijken, worden door de arbeidsters gegrepen en in de woning teruggebracht, waar zij weldra hare vleugels verliezen, daar deze uitvallen of afgebeten worden. De mannetjes komen niet in ’t nest terug, maar vinden gedurende het zwermen den dood. Duizenden voortplantingsmieren worden den buit van Vogels. Soms hebben hare zwermen onder de menschen vrees en schrik verbreid; vooral wanneer de gevleugelde Mieren van een uitgestrekt gebied, tot een wolk vereenigd, om een kerktoren zweefden en voor rook werden aangezien. Den 2en Augustus 1687, des namiddags om 3 uur, gaf dit verschijnsel aanleiding tot het gerucht, dat er brand zou zijn in den toren van de St. Elisabethskerk te Breslau. Een Engelsche scheepsdokter bericht, dat in September 1814 een 2½ à 3¼ M. breede en 15 cM. hooge zwerm van groote Mieren het water over een afstand van 8 à 10 KM. bedekte.
Op twee verschijnselen uit het zoo merkwaardige leven der Mieren moeten wij nog de aandacht vestigen, n.l. op de betrekking tusschen haar en dieren van een andere soort, die hetzelfde nest bouwen en die men door de namen “slaven” en “vrienden” onderscheidt. Wanneer men twee soorten van Mieren in hetzelfde nest aantreft, spreekt men van een gemengde kolonie. Hierbij kunnen zich twee verschillende gevallen voordoen. Het kan voorkomen, dat de eene soort in hare drie vormen bij de andere inwoont; in dit geval spreekt men van gasten. Wanneer daarentegen van de eene soort uitsluitend arbeidsters in het nest gevonden worden en deze door de ware eigenaressen van de woning in den toestand van larven of poppen uit een ander nest geroofd zijn, noemt men deze slaven, gene roofmieren.—Tot de Gastmieren behoort de kleine, glinsterende, geelachtig roode Stenamma westwoodi, die nooit zelfstandig, maar steeds als gast van Formica rufa of F. congerens aangetroffen wordt, zoodat men wel moet aannemen, dat zij zonder de genoemde soorten niet zou kunnen bestaan.—Een Roofmier is Formica sanguinea, in welker nest men arbeidsters van Formica fusca, F. cunicularia en soms, doch zelden, ook van Lasius alienus vindt, die alle als larven of poppen naar het vreemde nest zijn overgebracht. Met dit doel begeven zich geheele legers van Bloedroode Roofmieren (die natuurlijk uitsluitend uit arbeidsters bestaan) naar de nesten van leden der 3 laatstgenoemde soorten, overweldigen ze en dooden alle bewoonsters, die zich te weer stellen. De arbeidsters, die zich in het vreemde nest uit de als buit medegenomen larven en poppen ontwikkelen, verrichten hier huiselijke werkzaamheden, alsof zij zich te midden van hare soortgenooten bevonden. De bedoeling, waarmede deze kinderroof geschiedt, ligt nog in ’t duister, daar de geslachtlooze Bloedroode Roofmieren zich met denzelfden arbeid bezig houden als hare slaven. Anders is het gesteld met de Amazonemier (Polyergus rufescens). Zij rooft de larven van Formica fusca en F. cunicularia en geeft door zulke ondernemingen bewijzen van haar buitengewoon krijgszuchtigen aard, maar is overigens zoo afkeerig van den arbeid, dat zij verhongeren zou zonder de hulp van hare slaven, die haar van voedsel voorzien.
De Mierenvrienden (Myrmecophilen), die eveneens de mierennesten bewonen, behooren tot zeer verschillende orden van Insecten. Men kan ze in drie groepen rangschikken. (1) Die, welke uitsluitend gedurende den larvetoestand en als poppen te midden van de Mieren wonen en door deze als onschadelijke commensalen geduld worden. Een voorbeeld hiervan is de op een engerling gelijkende larve van de Gewone Gouden Tor (Cetonia aurata), die zooals gezegd is, zich voedt met de rottende stukjes hout van het onderste gedeelte van het nest van de Boschmier. (2) Andere mierenvrienden leven als imago in mierennesten, maar worden, behalve hier, ook op andere plaatsen aangetroffen. Dit geldt van verscheidene Krengtorren (Hister), van Kortschildige Kevers, van Bladluizen, die niet vrijwillig, maar door de Mieren overgebracht, bij haar als melkkoeien moeten leven. De Mieren betasten deze Insecten met de sprieten, belekken hen en weten hun door allerlei liefkoozingen een zoet vocht te onttroggelen; zij “melken” ze, zooals men zegt. Om dit gemakkelijker te kunnen doen, rooven zij deze weerlooze, zwakke diertjes, vervoeren ze naar hare nesten en leggen hierdoor volstrekt geen moederlijke genegenheid, maar een zeer gewoon egoïsme aan den dag. Dikwijls omgeven de Mieren een gezelschap van Bladluizen met een soort van wand, die van aarde of van andere bouwstoffen vervaardigd is, vervoeren de eieren van de genoemde dieren naar een door haar gebouwden stal of brengen door een overdekte gang haar nest in gemeenschap met een troep Bladluizen. In dit geval spreekt men van “bladluisstallen”. In warme landen, waar de Bladluizen ontbreken, wordt haar plaats in de “stallen” ingenomen door de nauw aan haar verwante kleine Cicaden. (3). Tot een derde groep van mierenvrienden behooren die, welke in alle levenstijdperken uitsluitend in de nesten van bepaalde soorten van Mieren aangetroffen worden en zonder deze volstrekt niet zouden kunnen bestaan. Dit geldt van den Gelen Knotskever met zijne verwanten en van een nog grooter aantal Staphylinen.—Men kent tegenwoordig omstreeks 600 soorten van Insecten uit alle orden, doch hoofdzakelijk uit die der Kevers, welke tot de eene of de andere van de drie genoemde groepen van mierenvrienden gebracht kunnen worden. De meeste zijn gevonden in de nesten van de Zwarte Houtmier (Lasius fuliginosus) en van de Roode Boschmier (Formica rufa), bij deze 100, bij gene 150 soorten; van slechts weinige is echter tot dusver de betrekking, waarin zij tot hare gastheeren staan, voldoende bekend.
A, C, Roode Boschmier (Formica rufa): 1, 8) Arbeidster, 2) Kop van de arbeidster, 3) Larve, 5) Pop, 7) Cocons, 4) Mannetje, 6) Wijfje. Vergroot.—C. Roode Boschmieren aan den arbeid. B. Paardemier (Camponotus herculeanus): 1) Mannetje, 2) Wijfje, 3) Arbeidster. Ware grootte.
De oudste fossiele Mieren heeft men gevonden in lagen van de Lias-formatie; deze leefden dus in een der oudste afdeelingen van het secundaire tijdvak (waarin achtereenvolgens de trias-, lias-, jura- en krijtlagen zich hebben afgezet). In het tertiaire tijdvak kreeg deze familie zulk een grooten omvang, dat geen andere Insecten-familie haar evenaarde, wat het aantal soorten en geslachten betreft. De leigesteenten van Oeningen (in het Badensche meergebied) zijn dikwijls letterlijk bedekt met afdruksels van Mieren. Ook in het barnsteen treft men vele Mieren aan, voor ’t meerendeel echter gevleugelde vormen.
De ± 1250 thans nog levende soorten van Mieren heeft men in 5 onderfamiliën verdeeld. Bij (1) de Kliermieren (Formicidae) bestaat de achterlijfssteel uit één schubdragend lid en vertoont het eigenlijke achterlijf in ’t geheel geen insnoeringen. (2) De Tangmieren (Odontomachidae) stemmen door den bouw van het achterlijf met de leden van de vorige groep overeen; hare wijfjes en arbeidsters bezitten een gifangel. (3) Bij de Angelmieren (Poneridae) merkt men tusschen het eerste en het tweede lid van het eigenlijke achterlijf een insnoering op; den angel en den éénledigen achterlijfssteel hebben zij gemeen met de vorige groep en ook met (4) de Blinde Mieren (Dorylidae), zoo genoemd, omdat de wijfjes en de werkmieren geen oogen hebben. (5) Een tweeledige achterlijfssteel kenmerkt de Knoopmieren (Myrmicidae), welker wijfjes, evenals de vrouwelijke leden der 3 vorige groepen met een angel gewapend zijn.
De grootste Middel-europeesche Formiciden behooren tot het bij ons voorkomende geslacht der Kromrugmieren (Camponotus). De Paardemier (Camponotus herculeanus afgebeeld: fig. B) bewoont boschrijke bergstreken en bouwt haar nest in het onderste gedeelte van oude boomstammen, die des zomers in den zwermtijd, soms zwart zien van deze Insecten; vooral de (soms wel 17.5 mM. lange) wijfjes trekken dan zeer de aandacht. De gele, donker geaderde vleugels, steken ver voorbij het achterlijf uit. Het grootendeels glanzig zwarte lichaam vertoont bij nader onderzoek een grijzen weerschijn wegens de korte haartjes, die het bedekken. De mannetjes en de arbeidsters zijn op het borststuk glansloos en worden 8 à 11 mM. lang. Met denzelfden naam wordt een tweede, minstens even groote, Duitsche soort (Camponotus ligniperda) aangeduid, die zich van de vorige onderscheidt door donkerroode vlekken op het borststuk. Beide zijn voor de houtteelt schadelijk, daar zij niet slechts vermolmde, maar ook volkomen gave stammen (vooral van naaldboomen) tot woonplaats kiezen en het hout in eene sponsachtige massa veranderen.
De Roode Boschmier (Formica rufa, fign. A en C) heeft een bovenwaarts gerichte, bijna omgekeerd hartvormige, scherprandige schub op den achterlijfssteel, een bruinrood, met borstels begroeid borststuk met zwartachtige vlekken en bruine pooten; dit geldt van de 4, 5 à 6 mM. lange werkmier. Het mannetje is effen bruinzwart, met een door fijne haartjes veroorzaakten, aschgrauwen weerschijn; het is 11 mM. lang, ruim 1 mM. langer dan het glanzig zwartbruine à zwarte wijfje, wier achterlijf van voren en van achteren bruinrood is en dat geelachtig getinte vleugels heeft. Deze soort bewoont geheel Europa, Azië tot Oost-Indië en Noord-Amerika. Van alle inheemsche Mieren bouwt zij de grootste nesten; van haar vooral zijn de voor vogelvoer bestemde mierenpoppen (de zoogenaamde miereneieren) afkomstig. Om deze te verkrijgen worden de Mieren met larven en poppen in zakken geschept en naar een opene, liefst zandige plek gebracht, waar een terrein van 10 à 15 M2 geëffend, met een walletje omgeven en van eenige met dennenrijs toegedekte gaten ter grootte van een menschenhoofd voorzien wordt. De mierenvangers schudden hier hunne zakken leeg en wachten, totdat de werkmieren de larven en poppen in de kuilen hebben gebracht, die niet de veilige bergplaatsen zijn, waarvoor zij gehouden werden, daar de op buit beluste mensch ze weldra ledigt. Alleen in het kleine dorpje Hinterwildalpen in Stiermarken, verzamelde men ieder jaar, volgens Henschel, 50 à 70 HL. gedroogde cocons en doodde dus 96 à 134 millioen poppen. Dit bedrijf is in sommige landen, o.a. in Pruissen, verboden wegens de groote diensten, die de Roode Boschmier (evenals vele andere Mieren) aan de boschcultuur bewijst door het verslinden van schadelijke Insecten. Deze worden in de nabijheid van hare nesten geheel uitgeroeid.—De Roode Boschmier overwintert op een diepte van 1 M. in den grond.
Het gemis van een angel wordt aan de Formiciden vergoed door het bezit van buitengewoon groote gifklieren, welker inhoud door sommige soorten tot op aanzienlijken afstand kan worden uitgespoten. Dientengevolge wordt aan de hand, waarmede men eenige malen tegen het nest van de Roode Boschmier heeft geklopt, een eigenaardige, aromatische geur waargenomen. Eens had Taschenberg dit gedaan op een nest, dat aan den rand van het woud en tamelijk hoog gelegen was, zoodat het door de toen juist ondergaande zon beschenen werd. Eenige oogenblikken later, omkijkend naar de Mieren, die ter verdediging van haar woning waren toegesneld en duidelijk haar toorn te kennen gaven, vertoonde zich een prachtig schouwspel; honderden van zilverkleurige fonteintjes, door de zonnestralen verlicht, verhieven zich tot op een hoogte van 62 cM., en gaven, terugvallend, aanleiding tot een fijnen nevel, die de lucht met geurige dampen bezwangerde. Een seconde later was dit voorbij; uit het geritsel der losse bestanddeelen van het nest, dat in de plechtige avondstilte op een afstand van vele schreden hoorbaar was, bleek echter, dat de opgewondenheid van het mierenvolk nog voortduurde.
Op een (weinig in ’t oog loopend) verschil in vorm van de sprieten, van de voorhoofdslijsten en van den achterlijfssteel berust de scheiding van het geslacht der Lasiën (Lasius) van dat der Formicinen i.e.z. (Formica). Deze, waarvan 5 soorten in ons land gevonden zijn, nestelen uitsluitend in den grond; gene, waarbij 9 inheemsche, bouwen haar nest op zeer verschillende plaatsen. Dat van de Glanzig Zwarte Boschmier (Lasius fuliginosus) wordt in oude boomstammen gevonden, zoowel in die, waarvan het hout nog samenhang genoeg bezit om het graven van gangen toe te laten, als in zulke, die door het knagen van den tand des tijds reeds in molm veranderd zijn, dat dan, met speeksel gemengd, de bouwstof van de gangen en kamers levert. Met uitzondering van het Pyreneesche en het Balkan-schiereiland, bewoont deze soort geheel Europa.—De Dofzwarte Tuinmier (Lasius niger), die in geheel Europa en in Noord-Amerika, ook op Madeira, gevonden wordt, nestelt, al naar het uitkomt, in den grond, in holle boomen, tusschen mos, in spleten van rotsen en muren, enz.—De Gele Weidemier (Lasius flavus), bekend door hare zeer pijnlijke beten, bouwt nesten in den grond op weiland. Steeds hebben de grassen in de onmiddellijke nabijheid van dit nest een minder welig uiterlijk dan elders, daar hare wortels tot woonplaats dienen aan de Bladluizen, welker uitwerpselen een belangrijk deel van het voedsel der Gele Mieren uitmaken. In ’t najaar ontstaan uit de geslachtlooze Bladluizen wijfjes en mannetjes, welker eieren met een harde schaal omgeven zijn. De Mieren verzamelen deze eieren en brengen de hieruit voortkomende Insecten op de planten, welker sap hun tot voedsel dient. Op deze wijze verzekeren zij zich van het bezit van een behoorlijk aantal “melkkoeien”.
Hoogst merkwaardig is de levenswijze van de Honigmier (Myrmecocystus mexicanus of M. melliger), die op de hoogvlakten van Mexico, Nieuw-Mexico en Zuid-Colorado onderaardsche nesten bewoont. Het nest is van aarde gebouwd en onder een grintheuveltje gelegen; het bestaat uit verscheidene verdiepingen met vele gangen en vertrekken. Sommige kamers, welker gewelf niet glad gemaakt is, bevatten een aantal Mieren, die zich met de pooten vasthouden aan de oneffenheden van den zolder. Van de overige arbeidsters verschillen zij door haar achterlijf, dat een bolronde, barnsteenkleurige blaas vormt ter grootte van een kruisbes tengevolge van de groote hoeveelheid honig, die in den krop is opgehoopt en ⅞ van het geheele lichaamsgewicht uitmaakt. De chitineplaten, die bij gewone Mieren tegen elkander sluiten, zijn door het rekken van de haar verbindende huid ver van elkander verwijderd. Naar het schijnt, vormen deze “honigzusters” geen afzonderlijke kaste, maar zijn gewone, door ouderdom voor andere werkzaamheden ongeschikte arbeidsters. Om den honig te verzamelen, waarmede deze levende kruiken volgepropt zijn, begeven de als “fourrageurs” dienende werkmieren zich na zonsondergang naar boschjes van een soort van dwergeiken, die kleine, bruinroode gallen dragen, welke, zoolang zij nog door de made van de Galwesp bewoond worden, aan haar oppervlakte druppeltjes van een aangenaam zoet smakend vocht uitzweeten. Hiermede vullen de fourrageurs zich den krop, welks inhoud zij in het nest weer afgeven aan arbeidsters van iets grooteren omvang, die het ten tweede male uitgebraakte vocht aan de honigzusters leveren, en door voortdurende oefening in het afwisselend sterk vullen en ledigen van den krop langzamerhand voor de functie van bergplaats geschikt worden. Natuurlijk wordt de opgegaarde voorraad in tijden van nood door de bewaarsters afgestaan aan hare verwanten.
Een soortgelijke levenswijze heeft de in Australië voorkomende Camponotus inflatus.
*
De kleine onderfamilie der Tangmieren (Odontomachidae) is tot Azië en Zuid-Amerika beperkt; het meest trekken hare wijfjes en arbeidsters de aandacht door de zeer lange, smalle, aan de binnenzijde met 3 tanden gewapende bovenkaken, die vóór den buitengewoon langwerpigen kop uitsteken.
*
De onderfamilie van de Angelmieren (Poneridae) bestaat hoofdzakelijk uit bewoners van de keerkringsgewesten der beide halfronden en bevat slechts weinige Europeesche (geen inheemsche) soorten. Een van deze (Ponera contracta) wordt, behalve in Afrika en Noord-Amerika, ook in een groot deel van Europa (tot dicht bij onze grenzen, n.l. bij Aken, en in verder noordwaarts gelegen landen, o.a. bij Kopenhagen) gevonden. Zij is slechts 2.5 à 3 mM. lang (de werkmier); de door haar gevormde, zeer kleine koloniën nestelen in den grond onder struiken en mos.
Sommige Afrikaansche Poneriden bereiken een aanzienlijke grootte, zijn met lange, smalle bovenkaken gewapend en richten als “trekmieren” (zie onder) een groote slachting aan onder de Termieten.
Hoewel geen der Mieren tonen voortbrengt, die voor ons gehoororgaan waarneembaar zijn, heeft men bij eenige soorten, o.a. bij de Poneriden, een sjirp-apparaat ontdekt, dat hier den vorm aanneemt van een zeer fijn getande rasp op den 2en en 3en achterlijfsring.
*
De Blinde Mieren (Dorylidae), welker drieërlei vormen zeer onvolledig bekend zijn, komen uitsluitend tusschen de keerkringen (Oost-Indië, Senegambië, Brazilië) voor.