1) Honigmieren (Myrmecocystus mexicanus) in haar geopend nest (ware grootte).—2) Parasolmieren (Oecodoma cephalotes) op den terugweg naar het nest (ware grootte).—3) Woningen en (bij *) akkers van de Landbouwende Mier (Pogonomyrmex barbata).

De West-Afrikaansche Trekmier (Anomma arcens) heeft arbeidsters van tweeërlei slag: kleine werkmieren en grootere (soms 11 mM. lange) soldaten. Zij hebben geen vaste woonplaats, maar leiden een nomadisch leven, hoogstens tijdelijk halt houdend, wanneer voor de wijfjes, die zich bij het leger bevinden, de tijd van ’t eierenleggen aanbreekt, daar zulke wijfjes zeer omvangrijk en moeielijk te vervoeren zijn. De larven en poppen worden, naar nomadenaard, meegedragen; evenals de echte nomaden, staan deze Mieren op een lagen trap van “beschaving”. Een rotsspleet of een andere holte van geringe hoogte dient haar tot schuilplaats, totdat zij een oord hebben leeggeroofd; daarna vervolgen zij haar weg. Toch zijn zij in het metselen van gangen zeer bedreven. Hoewel hare tochten uitsluitend ’s nachts of op donkere dagen ondernomen worden, komt het soms voor, dat zij tot laat in den morgen onderweg zijn of op een zonnigen dag de reis moeten voortzetten; in dit geval bedekken zij gedurende den marsch haar weg met een gewelf van aardkluitjes, door speeksel aaneengevoegd. Als het pad tusschen dicht gras of onder afgevallen bladen door leidt, blijft het bouwen achterwege, althans in oorden, die overal dicht begroeid zijn. Deze Mieren sterven binnen weinige minuten, wanneer zij aan de directe werking van de zonnestralen blootstaan en wel des te sneller, naarmate de weerkaatsing van de omringende voorwerpen de temperatuur tot grootere hoogte doet stijgen. Gedurende hare tochten maken zij jacht op alle levende wezens, die zich op haar weg bevinden. Voor een leger van Trekmieren is zelfs de mensch genoodzaakt het veld te ruimen. De reusachtige West-Afrikaansche Afgodslang, die een lengte van 6 à 7 M. bereikt, laat haar buit in den steek en vlucht ten spoedigste bij de nadering van deze roofzuchtige heirscharen. Wel bestaat er reden om hen te vreezen. De Insecten zouden hun slachtoffer bij duizenden overvallen, in de eerste plaats zijne oogen aantastend, en er na weinige uren slechts een zuiver schoongeknaagd skelet van overlaten. Voor de Negers, die deze landen bewonen, zijn de Trekmieren een groote plaag, “want deze,” zeggen zij, “ontrooven ons ’t geen wij het liefst hebben op aarde, n.l. onze Hoenderen en onzen slaap.” Werkelijk is het in sommige tropische gewesten bijna niet mogelijk pluimvee te houden, daar de Mieren de jonge kuikens overvallen, nog voordat zij de eischaal geheel verlaten hebben. Soms dringen de Trekmieren op hare nachtelijke rooftochten ook in bewoonde huizen door: een algemeene vlucht van de Ratten, Muizen, Hagedissen, Kakkerlakken en ander ongedierte verraadt de aankomst der gevreesde Insecten; ten spoedigste moeten ook de menschelijke bewoners het bed verlaten en in de vrije natuur hun heil zoeken.

*

De grootste verscheidenheid van vormen treft men aan in de onderfamilie van de Knoopmieren (Myrmicidae), die zich kenmerkt door den tweeledigen achterlijfssteel en door den angel der wijfjes en der werkmieren.

De inheemsche Mieren (die wij slechts kort kunnen behandelen, om plaats te winnen voor de beschrijving van de merkwaardige levenswijze van eenige harer uitheemsche verwanten) verzamelen geen wintervoorraad, gebruiken gedurende het ongunstige jaargetijde in ’t geheel geen voedsel en eten ook in de overige tijden van het jaar geen anderen plantenkost dan honig en dergelijke zoete stoffen. Anders is het gesteld bij sommige uitheemsche soorten en meer bepaaldelijk bij verscheidene Myrmiciden. Reeds door de schrijvers der oudheid werd hierop gezinspeeld; hunne mededeelingen, die aanvankelijk in twijfel werden getrokken, berusten, zooals later gebleken is, op goede gronden. Van minstens 14 soorten van Myrmiciden is thans met zekerheid bekend, dat zij zaden in hare nesten verzamelen: 3 Zuid-Europeesche (Atta capitata, A. barbara, A. stricta), 5 Noord-Amerikaansche, 2 Zuid-Amerikaansche en 4 Oostindische. Bij voorkeur nemen deze Oogstende Mieren zaden van granen en andere grassen mede. Sommige zien bovendien kans het kiemen van deze zaden te voorkomen. Hoe zij dit doen, weet men niet; wel blijkt uit de proeven van H. Bos, dat de angel hiervoor voldoende is, daar het steken van zaden met een fijne speld en het brengen van een oplossing van mierenzuur in de wonde het kiemingsproces verhindert.

Uit hetgeen door Lincecum van een Texaansche soort wordt bericht, zou voortvloeien, dat de Mierenfamilie, die, zooals reeds gezegd is, veefokkers onder hare leden telt, ook vertegenwoordigers heeft, die den landbouw beoefenen, d.w.z., niet slechts oogsten, maar ook den akker voor de ontvangst van het zaad gereed maken. Hoewel het zaaien zelf, volgens latere onderzoekers, bij toeval geschiedt, zullen wij de bedoelde soort (Pogonomyrmex barbata) den naam van Landbouwende Mier, dien de ontdekker haar gaf, laten behouden. Haar volk bestaat, behalve uit mannetjes en wijfjes, uit tweeërlei slag van arbeidsters, de gewone en de grootkoppige of zoogenaamde soldaten; beide zijn tamelijk groot en bruin van kleur (ieder gemiddeld 15 mM. lang, 8 mM. breed en 2.5 mM. hoog). Het nest wordt op een opene, zonnige plek in den grond gebouwd; de voorraadschuren zijn tot op een diepte van 2.5 M. beneden de oppervlakte gelegen; het hierboven uitstekende deel verschilt van vorm, al naar de gesteldheid van den bodem. Gewoonlijk is het een schijfvormige verhevenheid van 8 à 15 cM. hoogte, in ’t midden voorzien van een opening, die zich op een gemiddelden afstand van 95 à 125 cM. van den omtrek bevindt. In lagere streken, die meer aan overstrooming blootstaan, krijgt het bovenaardsche deel van het nest een kegelvormige gedaante. In beide gevallen worden tot op een afstand van 1.5 à 2 M. van het middelpunt van het nest alle kruiden (gras, salie, madeliefjes en andere gewone weideplanten) zorgvuldig uitgeroeid; slechts aan den rand blijven stoppels staan. Op het dus ontgonnen terrein schiet ieder jaar een eigenaardige, gele grassoort welig op; men heeft haar “mierenrijst” (Aristida stricta) genoemd; bovendien wordt hier ook het “buffelgras” (Buchla dactyloides) geduld. Deze grassen groeien op duidelijk vaneengescheiden perken, zooals het graan in onze bouwstreken. Van verre reeds ontwaart men te midden van de andere planten de met geel gras begroeide akkers van de Mieren. Lincecum onderstelde, dat zij de zaden van haar lievelingsgras opzettelijk uitzaaien; Mac-Cook evenwel is tot de meer aannemelijke conclusie gekomen, dat de bedoelde zaden bij het vervoer van voorraad naar het nest op het opene terrein zijn blijven liggen. In allen gevalle laten de Mieren op de plek, die zij zorgvuldig van alle andere planten zuiveren, het haar zoo goed bekende gras staan en besparen zich op deze wijze de moeite van een verren tocht voor het verzamelen van hun lievelingsvoedsel. Zij plukken de graanvruchten niet af, maar rapen ze op, nadat zij op den grond gevallen zijn, schillen ze in bepaaldelijk hiervoor bestemde vertrekken van haar nest, bergen de korrels in de voorraadkamers en werpen het kaf buiten haar woning op een hoop. Indien het zaad door den regen nat geworden is, brengen de Mieren het ter geschikter tijd weer boven den grond en spreiden het uit om het te laten drogen.

Een andere, in Florida levende Oogstende Mier (Atta crudelis) sleept den zadendragenden stengel naar haar nest, in plaats van te wachten, tot de zaden op den grond vallen, doch heeft overigens dezelfde levenswijze als de vorige soort.

De Zuid-Amerikaansche Roofmieren (Eciton) bewonen Brazilië; van eenige strekt zich het gebied tot in Mexico uit; tot dusver kent men er alleen de arbeidsters van. Door de inboorlingen van het Amazonen-gebied worden zij Touóca genoemd. De meeste hebben slechts 1 paar enkelvoudige oogen, die de plaats van de samengestelde innemen; sommige zijn blind. Tot groote legers vereenigd, gaan zij op roof uit, vergezeld door een soort van Vliegen (Stylogaster), die met aanhoudende, trillende bewegingen van de vleugels op een afstand van hoogstens 3 dM. boven de trekkende scharen in de lucht zweven om, eensklaps naar beneden schietend, met behulp van haar langen legboor de mierenlarven, die door hare verpleegsters medegevoerd worden, met een ei te belasten. Van nagenoeg iedere soort van Eciton valt iets eigenaardigs te vermelden met betrekking tot de wijze, waarop de rooftochten worden ondernomen; ook de samenstelling van de benden is ongelijk. Eciton rapax, de grootste soort van haar geslacht, daar sommige arbeidsters een lengte van 13 mM. bereiken, trekt in kleine afdeelingen door het woud en schijnt zich vooral bezig te houden met het plunderen van de nesten eener Formica-soort. De legers van de aanmerkelijk kleinere Eciton legionis bestaan uit vele duizenden individuën, die in breede kolommen voortrukken en vol woede aanvallen op al wat zich tegen hun beweging verzet. Twee andere, zeer algemeene soorten (Eciton hamatum en E. drepanophorum) trekken in scharen van duizenden stuks door de wouden langs de oevers van den Amazonenstroom. Voordat een voetreiziger zulk een mierenleger ontmoet, wordt hij op de nabijheid dezer Insecten opmerkzaam gemaakt door een kleinen zwerm van effen gekleurde Vogels, Mierenlijsters genaamd, die luid kweelend te midden van het dichte struikgewas onrustig rondfladderen. Als hij, deze waarschuwing in den wind slaande, nog eenige schreden verder gaat, wordt hij onverhoeds door de kleine Roofmieren aangevallen, die bij troepen ongeloofelijk snel bij zijne beenen opkruipen, de kaken in zijn huid slaan en, hierop steunend, de spits van het achterlijf naar voren ombuigen, om zoo krachtig mogelijk te steken. Het eenige middel om aan de verwoede diertjes te ontkomen, is, zich zoo schielijk mogelijk naar het andere uiteinde van de colonne te begeven. De aanvallers hebben de kaken zoo stevig gesloten, dat het niet mogelijk is ze los te rukken zonder het dier te verscheuren, waarbij de kop aan de wonde blijft hangen. Op den ongelukkigen reiziger hadden zij het oorspronkelijk niet gemunt; hij kwam eenvoudig te dicht bij de plaats waar de Roofmieren in de wildernis haar bedrijf uitoefenen, dat algemeen schrik en opgewondenheid verbreidt. Vooral de ongevleugelde Gelede Dieren (Spinnen, andere Mieren, Maden, Rupsen, Pissebedden, enz.) hebben voldoende redenen om voor de Roofmieren op hun hoede te zijn.

De Visite-mier (Oecodoma cephalotes) is in geheel Zuid-Amerika onder den naam Saoeba bekend; zij wordt gevreesd, omdat zij de kostbaarste boomaanplantingen van bladeren berooft en overal, waar zij in buitengewoon grooten getale optreedt, de landbouw bijna onmogelijk maakt. De Indianen beschouwen het met eieren gevulde achterlijf van het wijfje als een kostelijke lekkernij; zij bijten het af en gebruiken intusschen nu en dan een weinig zout. Als zij een grooten voorraad van deze hapjes verzamelen kunnen, roosteren zij ze met zout; het dus bereide gerecht wordt, naar men bericht, ook door Europeanen smakelijk gevonden.

De gewoonten van deze Mieren stemmen in vele opzichten overeen met die van de algemeen bekende Europeesche soorten. Zij bouwen in plantsoenen en bosschen heuvels van geringe hoogte, die een groote oppervlakte beslaan. Deze koepels vormen slechts het buitenste bekleedsel van een diep en ver in den grond verbreid netwerk van gangen met vele uitwendige openingen, die gewoonlijk gesloten zijn. De heuvels bestaan uit losse aarde, die uit de diepte naar boven gebracht wordt en daarom waarschijnlijk een weinig anders gekleurd is dan de omgeving. De mannetjes en wijfjes zwermen geheel op dezelfde wijze als de onze tegen den avond en wel in het begin van den regentijd, in Januari en Februari. De zorg voor de jongen is overgelaten aan de arbeidsters, welker grootte van 9.5 tot 15 mM. afwisselt en die van drieërlei vorm zijn. De groote, dikkoppige “soldaten” met krachtige, als knijptangen werkende bovenkaken, schieten als woedende Honden uit hun woning naar buiten, als men een nest beschadigt; de middelmatig groote werkmieren begeven zich iederen dag op weg om stukjes van bladen in te zamelen en naar het nest te vervoeren; de kleinste zijn met de werkzaamheden binnenshuis belast, zoodat men ze niet anders te zien krijgt, dan wanneer zij kluitjes aarde uit het nest moeten verwijderen, waarna zij echter onmiddellijk in hare gangen terugkeeren. Met de eigenlijke “bladsnijders”, die iederen dag uittrekken, verschijnen bij wijze van een tot dekking dienende escorte, ook eenige grootkoppige soldaten buiten het nest. De Saoeba-mieren zijn om twee redenen hoogst lastig voor de bewoners dezer gewesten. De eene is, dat zij, vooral in de koffieplantages en sinaasappelboomgaarden, groote schade aanrichten. In groote troepen brengen zij een bezoek aan de tuinen en beklimmen een boom; iedere Mier zet zich neer op een blad en snijdt er met de getande bovenkaken een stuk ter grootte van een kwartje uit, vat het met de kaken aan, scheurt het los en keert, met dezen buit beladen, naar den bodem terug om in geregelde orde naar huis te marcheeren. Zulk een optocht levert een hoogst merkwaardig schouwspel op; iedere Mier houdt het geroofde stuk, welks onderrand tusschen de kaken is geklemd, loodrecht omhoog gericht; hieraan danken deze Insecten den naam van “Parasolmieren”. Het op deze wijze verkregen materiaal, gemengd met de kruimeltjes aarde, die uit de diepte naar boven worden gebracht, dient tot het overwelven van de onderaardsche galerijen en vooral van de toegangen van het nest. Een tweede misdrijf van deze Mieren is, dat zij ’s nachts in de huizen doordringen en alle zoete stoffen rooven, die van haar gading zijn.—

Van de 9 door H. Bos als inheemsch vermelde Myrmyciden is de Roode Knoopmier (Myrmica ruba, M. scabrinodis) de meest verbreide. Haar kleur is bruinrood, behalve het eerste segment van ’t achterlijf, dat in ’t midden donkerbruin is. De arbeidsters zijn 5 à 6, de mannetjes en wijfjes 8 mM. lang. Het nest wordt aangelegd onder steenen, in tuinen, op grasperken en weiden, ook in bosschen.


Van de kleine familie der Heterogynen (Heterogyna), die 1200 à 1300 voor ’t meerendeel in tropische gewesten levende soorten omvat en waarvan een tiental vertegenwoordigers hier te lande voorkomen, kan in ’t algemeen niet veel anders gezegd worden dan dat het rugschild van het voorborststuk met zijn achterrand tot aan den vleugelwortel reikt en dat de wijfjes (geslachtlooze arbeidsters komen hier niet voor) zich met een flinken gifangel weten te verdedigen. De pooten zijn meestal kort, ineengedrongen en dicht behaard; alleen de voet is lang.

Het merkwaardige Insect, waarvan hierneven beide seksen zijn afgebeeld (fign. 1 en 2), is de Europeesche Spinmier (Mutilla europaea). De wijfjes zijn veel talrijker dan de mannetjes en missen de vleugels. Van Mieren, waarmede zij bij oppervlakkige beschouwing eenige overeenkomst vertoonen, kan men ze bij nader onderzoek gemakkelijk onderscheiden aan haar veel sterkere beharing. De kop is plat, op onregelmatige wijze gestippeld en hierdoor zeer oneffen; de bijoogen ontbreken. Het borststuk is niet minder ruw van oppervlakte, vierhoekig van omtrek en rood van kleur. Het achterlijf is zwart en met aanliggende, zwarte haren bedekt; de achterste gedeelten van eenige achterlijfsringen zijn bleek roestgeel. De korte, zwarte pooten zijn ruig, meer door borstelige haren dan door stekels. Het mannetje kenmerkt zich door het bezit van bijoogen en van vleugels, waarmede een gewijzigde vorm van het borststuk gepaard gaat. Bij hem zijn de middelrug en het schildje bruinrood; de drie lichte strepen op het achterlijf hebben een zilverachtigen glans; ook zijn onder de zwarte haren van het achterlijf en de voeten talrijke witte gemengd. Door den 3en en 4en achterlijfsring over elkander te wrijven kunnen zoowel de mannetjes als de wijfjes een schellen toon voortbrengen; misschien doen zij dit om elkander te roepen, daar hun levenswijze zeer uiteenloopt en hunne gewone verblijfplaatsen dus zeer verschillend zijn.

De wijfjes ziet men in den zomer op zandige wegen en hellingen altijd eenzaam rondloopen, bedrijvig als Mieren; de mannetjes ontmoet men veel minder veelvuldig op bloemen en op planten, die met Bladluizen bezet zijn. Beide zijn geboren in nesten van Hommels, waar hunne larven een parasitisch leven leiden. Het Spinmier-wijfje legt met haar langen legboor een ei in de Hommel-larve, die op de gewone wijze ontwikkelt, een spinsel vervaardigt en hierbinnen in den poptoestand overgaat. In de cocon vindt het laatste bedrijf van dit drama plaats, waarvan de ontknooping is, dat er, in plaats van een Hommel, een Spinmier aan ’t daglicht verschijnt.

Dat niet alle soorten van Spinmieren zich ten koste van larven van Hommels ontwikkelen, blijkt in Zuid-Amerika, waar de laatstgenoemde Insecten zeer schaarsch, de eerstgenoemde evenwel zeer talrijk zijn. Vele van deze behooren tot de bontste van alle Vliesvleugeligen; haar uiterlijk herinnert aan dat van sommige Spinnen; op de Amerikaansche soorten is de naam Spinmier meer letterlijk van toepassing dan op hare weinig talrijke Europeesche verwanten.

*

De Roodkoppige Dolkwesp (Scolia haemorrhoidalis) is een van de weinige Europeesche (niet inheemsche) vertegenwoordigers van het geslacht der Dolkwespen, dat voornamelijk in de keerkringsgewesten thuis behoort; sommige soorten worden bijna 6 cM. lang en overtreffen waarschijnlijk alle overige Vliesvleugeligen in massa. De kenmerken van dit geslacht zijn: de diepe groeve tusschen de beide eerste achterlijfsringen, de korte, niet slechts sterk behaarde, maar ook stekelige pooten, waarvan de beide achterste paren de heupen ver van elkander verwijderd hebben, de lange, dikke sprieten van het mannetje en de korte, gebroken sprieten van het wijfje. Beide seksen zijn van vleugels voorzien; deze vertoonen (evenals bij de mannelijke Spinmieren) het streven naar onbestendigheid van het beloop der vleugeladers. (De bovengenoemde en vele andere soorten b.v. hebben 3 onderranden en 2 middelcellen; ook de omgekeerde getalsverhouding komt echter voor.) Niet minder afwijkingen vertoont het onderscheid tusschen de mannetjes en de wijfjes: soms zijn deze nagenoeg gelijk, soms zeer verschillend.

De Roodkoppige Dolkwesp wordt gevonden in Hongarije, Griekenland en Zuid-Rusland; zooals uit den geslachtsnaam blijkt, is het wijfje van een uitmuntend wapen voorzien. De zwarte kleur van het lichaam wordt afgebroken door 2 gele vlekken aan weerszijden van den 2en en den 3den achterlijfsring. Bij het wijfje zijn ook de bovenzijde van den kop en het schildje op deze wijze geteekend; bij haar dragen het rugschild van het voorborststuk en de bovenzijde van den 5en achterlijfsring roestroode haren. Bij het mannetje is de geheele rug van het borststuk tot aan het schildje en de bovenzijde van het achterlijf van het 4e segment af op deze wijze behaard.

Het wijfje van de Javaansche Scolia capitata is 5.9 cM. lang en op het achterlijf minstens 1.3 cM. breed.

De weinige gegevens, die men over de levenswijze van deze dieren bezit, doen hen kennen als parasieten. Twee soorten op Madagaskar leven als maden in de larven van groote Neushoornkevers. Van de Tuindolkwesp (Scolia hortorum) heeft men iets dergelijks ervaren. Burmeister heeft een Braziliaansche soort (Scolia campestris) in grooten getale uit de nesten van de Parasolmier zien komen.


De Wegwespen (Pompilidae), die, evenals de Graafwespen, waarmede zij vroeger tot een familie werden vereenigd, als voedsel voor hare larven andere Insecten in gaten van den grond, van muren of van oude houten voorwerpen opsluiten, vertoonen de volgende kenmerken. Evenals de reeds genoemde en de beide volgende familiën, hebben zij een éénledigen dijring. De achterrand van den voorrug reikt, evenals bij de leden der vorige familie, tot aan den vleugelwortel. De grens tusschen het eerste en het tweede achterlijfssegment is niet door een groeve aangeduid; beide zijn dus niet scherper gescheiden dan de overige segmenten. Het achterlijf is aanhangend; het wordt naar voren en naar achteren een weinig smaller. Zeer gemakkelijk zijn deze Wespen te onderscheiden van sommige afwijkende leden der vorige familie aan de lange pooten en de slanke, rechte sprieten. De kop is afgerond en, evenals het borststuk, glad en glanzig; het lichaam is slechts weinig behaard; zwart en rood zijn de heerschende kleuren; soms komt hierbij echter nog een gele en witte teekening en nog vaker een troebeling van de vleugels. De mannetjes zijn altijd kleiner dan de wijfjes en verschillen van deze door hun slankeren lichaamsbouw, de iets dikkere sprieten (die zich niet, gelijk die van het doode wijfje, binnenwaarts oprollen) en door de minder krachtige doornen aan de achterscheenen. Nagenoeg al deze Wespen kenmerken zich door een eigenaardige wijze van beweging. Zij loopen n.l. met trillende vleugels op den zandigen bodem, op boomstammen en oude muren zoekend rond, of vliegen er dicht bij langs en wisselen deze beweging voortdurend met loopen af, zoodat haar vliegen op huppelen, haar loopen op vliegen gelijkt. De ± 700 soorten van deze familie zijn over de geheele wereld verbreid; in de heete landen is haar aantal niet veel grooter, haar kleur echter dikwijls levendiger en haar lengte aanzienlijker dan bij ons.

1, 2) Europeesche Spinmier (Mutilla europaea): 1) Wijfje, 2) Mannetje. (Vergroot.)—3, 4) Roodkoppige Dolkwesp (Scolia haemorrhoidalis): 3) Wijfje, 4) Mannetje. (Ware grootte.)

Typische leden van deze familie zijn die, waaraan zij haar naam ontleent, n.l. de Wegwespen (Pompilus). Dit geslacht kenmerkt zich door de gelijke lengte van de beide schoudercellen op de plaats waar zij aan elkander grenzen, door de aanwezigheid van twee middelcellen en van drie gesloten onderranddeelen, waarvan de tweede de eerste en de derde de tweede terugloopende ader opneemt, voorts door het ontbreken van een dwarsgroeve aan den tweeden buikring van het wijfje. Men kent een 50-tal Europeesche soorten, waarvan 9 inheemsch zijn. Alle onderscheiden zich door een verwonderlijke behendigheid en snelheid van bewegingen; vooral die van het achterlijf geschieden merkwaardig vlug. Zij nestelen in spleten van muren, gaten van oude palen en vermolmde boomstammen of in den grond; hier bergen zij als voedsel voor hare larven Spinnen, rupsen, Mieren, Vliegen en verschillende andere Insecten, die door een steek met den angel vooraf schijndood gemaakt zijn.

De Gewone Wegwesp of Spinnendooder (Pompilus viaticus) verschijnt in ’t begin van de lente op bloeiende wilgen; men ziet haar gedurende den geheelen zomer op schralen zandbodem aan ’t werk. Het wijfje maakt kuiltjes in het zand, dat zij zeer behendig en snel, als een Hond of een Konijn, met de voorpooten uitgraaft en tusschen de overige, ver zijwaarts geplaatste pooten door achteruitwerpt, totdat zij een diepte van 8 of meer cM. bereikt heeft. Het voedsel voor de larven wordt met groote inspanning naar het nest vervoerd, voor een deel er heengesleept; het bestaat uit verschillende Gelede Dieren, vooral Spinnen; het vangen van deze prooi aan waterkanten en op wegen gaf aanleiding tot den naam “Wegwespen”. Bij exemplaren, die sinds kort uit de pophuid kwamen, zijn de donkere vleugels aan de spits bijna zwart, de voorste achterlijfsringen rood, aan den achterrand met een zwarten zoom, die althans aan de voorste segmenten van voren in een spits eindigt; overigens is het achterlijf donkerbruin. De kop en het borststuk zijn zwart en sterk behaard. Lengte 10 à 16 mM.


Onder den naam van Graaf- of Moordwespen (Sphegidae, Crabronea) vereenigt men in een familie alle Roofwespen, bij welke de achterrand van den voorrug de vleugelwortels niet bereikt; niet zelden is dit rugschild door een geringe insnoering van dat van ’t middelborststuk gescheiden. Deze Insecten stemmen onderling zoomin door lichaamsvorm als door kleur in gelijke mate overeen als de leden der vorige familie; integendeel het achterlijf, dat bij sommige door een zeer langen steel aan het borststuk bevestigd, bij andere “aanhangend” is, verschaft hun een zeer verschillend voorkomen. Vele zijn in een zwart, of zwart en rood, of geel en zwart kleed gedost; bij de meeste echter treft men helder gele, minder vaak witte vlekken en strepen op zwarten grond aan, die zelfs bij de leden van dezelfde soort op velerlei wijze verschillen.

Het geslacht der Graafwespen i.e.z. (Sphex) omvat soorten met een éénledigen, gladden, overal even dunnen, cilindervormigen achterlijfssteel; geen daarvan is inheemsch. De 20 à 25 mM. lange Grootkakige Graafwesp (Sphex maxillosus) schijnt in Europa het verst noordwaarts verbreid te zijn. Twee andere soorten (Sphex flavipennis en S. albisectus) komen in zuidelijker streken voor; op deze hebben de volgende mededeelingen betrekking. De eerstgenoemde brengt gewoonlijk 4 Krekels in haar nest; de andere maakt jacht op Veldsprinkhanen van het geslacht Oedipoda. Zoowel de eene als de andere tracht bij den aanval op haar prooi deze aan de borstzijde te treffen. Dit geeft aanleiding tot eene hevige worsteling, daar de forsche, sterk gespierde Krekels en Sprinkhanen niet spoedig den strijd opgeven, maar zoolang mogelijk tegenspartelen. Niet altijd laat het slachtoffer zich het onderste boven werpen; wanneer echter de Sphex zijn tegenstander eens onder zich heeft, drukt hij met de voorpooten de dikke achterdijen van den nu vermoeiden springer neer, trapt hem met de voorpooten op den kop en brengt hem vervolgens twee goed gemikte, vergiftige steken toe. De eerste treft den hals, de tweede de verbindingsplaats tusschen voor- en middelborststuk. Nu is de springer weerloos; hij verkeert in een overgangstoestand tusschen leven en dood; de heerschappij over zijne spieren heeft hij verloren. Met inspanning sleept de Sphex den buit naar het vooraf gegraven hol, legt hem voor den ingang neer om eerst te onderzoeken, of alles in orde is. Veertigmaal achtereen ontnam Fabre aan een zelfde Wesp, terwijl zij met dit doel afwezig was, haar slachtoffer en legde het op eenigen afstand neer; telkens sleepte de Wesp het Insect op nieuw naar haar nest, maar onderzocht dit steeds opnieuw, voordat zij zich gereed maakte het dier er in te brengen.—Sphex flavipennis legt een ei op de borst van den Krekel, tusschen het eerste en het tweede paar pooten. De larve baant zich een weg door de huid van het weerlooze dier en vreet het in 6 of 7 dagen geheel leeg. Door dezelfde opening begeeft de thans 13 mM. lange larve zich naar buiten en begint in den regel den tweeden Krekel bij het zachthuidige achterlijf te verslinden, behandelt vervolgens den derden op dezelfde wijze en eindelijk den vierden, waaraan zij niet meer dan 10 uren werk heeft. Nu bedraagt haar lengte 26 à 30.5 mM. en begint zij zich met een spinsel te omgeven, welke arbeid na 2-maal 24 uren afgeloopen is. Van September tot Juli van het volgende jaar blijft de larve bewegingloos in den cocon liggen en gaat eerst dan in den poptoestand over; korten tijd daarna komt het imago te voorschijn.

Een van de grootste, inheemsche Graafwespen is de Rupsendooder (Ammophila sabulosa), waarvan op de nevenstaande afbeelding 2 exemplaren zijn voorgesteld, het eene met dreigend opgeheven achterlijf, welke houding de Wesp bij hare wandelingen zeer dikwijls aanneemt. De zwarte kleur heeft bij haar de overhand; het achterste lid van den langen, dunnen, tweeledigen achterlijfssteel en de beide volgende ringen—dikwijls ook het voorste gedeelte van den 3en ring (in ieder geval het buikschild van dit segment)—zijn lichtrood; aan de zijden van het borststuk komen zilverkleurige vlekken voor, die door korte haartjes veroorzaakt worden en daarom bij wrijving verdwijnen. Gedurende den geheelen zomer kan men deze Wespen op zandgrond, doch ook wel op humusrijken tuingrond, bedrijvig zien rondsnuffelen en zich bezig houden met de zorg voor haar nakomelingschap; in haar eigen belang bezoekt zij bloeiende braamstruiken en andere honigbronnen. Voor het aanleggen van hare nesten begeven zij zich bij voorkeur naar oostwaarts gerichte, half ingestorte hellingen van zandgroeven en dergelijke plaatsen, steeds echter naar een open terrein. Als een Hond, die een gat in den grond graaft, werpt de Wesp met de voorpooten het zand tusschen de overige pooten en onder het achterlijf door; zij doet dit zoo haastig, dat er lichte stofwolkjes omhoogstijgen; intusschen gonst zij op hoogen toon een vroolijk liedje. De vochtige aarde en de kleine steentjes, die gewoonlijk in zulk een bodem niet ontbreken, klemt zij tusschen den kop en de voorpooten, komt, op deze wijze beladen, ruggelings uit het door haar gegraven gat, doet vliegend een kleinen zijsprong en laat haar vrachtje vallen. Naarmate het nest dieper wordt, duurt het langer, voordat zij met een nieuwen last, achterwaarts loopend, aan den ingang verschijnt; toch geschiedt dit altijd na verloop van korten tijd. Een niet minder merkwaardig schouwspel levert zij bij het verzamelen van rupsen voor haar toekomstig kroost; een andere prooi dan larven van verschillende soorten van Vlinders zoekt zij niet, steeds echter zulke, die groot en onbehaard zijn. Met deze weerlooze dieren worden niet veel complimenten gemaakt, door een paar steken in het 5e of 6e achterlijfssegment stelt de Wesp hen buiten staat zich willekeurig te bewegen; zij worden niet gedood (daar de maden versch vleesch verlangen en het doode dier weldra verrotten zou), maar eenvoudig verlamd en hierdoor gedwongen om in de woning van de haar verslindende parasiet te blijven. Dikwijls moet een lange, moeilijke weg afgelegd worden, voordat de Rupsendooder met de soms wel 10-maal zwaardere prooi op de plaats van bestemming is aangekomen. Het voortsleepen van zulk een last is waarlijk geen geringe arbeid voor een enkel dier. De gezellig levende Mieren, die soms een dergelijke taak te vervullen hebben, kunnen in geval van nood op de hulp van hare makkers rekenen; de Graafwesp daarentegen moet geheel op eigen kracht, behendigheid en—overleg bouwen. Meestal staat zij schrijdelings boven het doode dier, als om het te berijden. Met de kaken houdt zij het vast en sleept het voort, door, vooruit loopend, uit al haar macht te trekken. Indien haar nest aan den overkant van een kloof gelegen is, laat de Wesp, bij den rand der steile helling komend, haar vracht naar beneden tuimelen en vindt deze in de diepte spoedig terug. Om bij het naar boven sleepen van de rups langs de helling de grootst mogelijke kracht te ontwikkelen moet de Wesp zich achteruit bewegen en rugwaarts trekken. Dikwijls ontglijdt haar den buit en heeft zij zich tevergeefs afgesloofd; dit ontmoedigt haar niet; de arbeid wordt hervat en eindelijk met een goeden uitslag bekroond. Terwijl de rups voor de opening van het nest ligt, kruipt de Wesp, niet om uit te rusten, maar voorzichtigheidshalve, eerst alleen in haar hol; hier geen onraad bespeurend, keert zij terug om de laatste hand aan het werk te leggen. Rugwaarts naar binnen kruipend, sleept zij de rups achter zich aan. Niet altijd geschiedt dit zonder tegenspoed; het kan voorkomen, dat het schijndoode dier ergens blijft vastzitten en de Wesp weer naar buiten moet komen om het beletsel weg te nemen. Met het leggen van een wit, langwerpig ei op haar levend begraven slachtoffer is de taak van de moeder nog niet ten einde gebracht; in de buurt van haar nest zwerven n.l. allerlei luilakken rond, o.a. kleine, grauwe Vliegen met een als zilver glinsterend aangezicht. Deze zouden ook wel op een dergelijke wijze als de Rupsendooder eieren willen leggen; maar wachten, daar zij zoowel de behendigheid als de kracht missen om de voorbereidende werkzaamheden te verrichten, een gunstige gelegenheid af om op een door anderen aangevoerden voorraad hun koekoeksei te leggen. Tegen ongenoode gasten tracht de Wesp haar nest te beveiligen door steentjes, stukjes hout of kluitjes aarde voor den ingang op te stapelen, ten einde alle sporen van de aanwezigheid van een nest op deze plaats te doen verdwijnen.

1, 2) Gewone Rupsendooder (Ammophila sabulosa).—3) Mannetje van de Gestreepte Zeefwesp (Crabro striatus).

Voor het leggen van ieder volgend ei moeten dezelfde werkzaamheden herhaald worden. Alle vermoeienissen ten spijt blijft de Wesp steeds vroolijk en opgewekt. Tegen het einde van den zomer maakt de dood een einde aan haar veelbewogen leven. De made, die weldra in den schoot der aarde uit het ei ontwijkt, vreet een gat in de huid van de rups en zuigt haar leeg. Haar grootte hangt af van den voedselvoorraad, waarover zij beschikt; hoe aanzienlijker deze is, des te meer overtreft zij hare zusters, die zich met een kleinere rups hebben moeten behelpen; daarom kan de lengte van deze soort van Wespen van 15 tot 30 mM. afwisselen.

Vier weken na het leggen van het ei spint de hieruit ontwikkelde made een dunwandigen, witten cocon, van binnen gevoerd met een dichter en steviger spinsel van bruine kleur, dat het dier nauw omsluit. In dit hulsel ontwikkelt zich de made tot pop, die, nadat zij Wesp geworden is, van haar cilindervormige wieg met de kaken een dekseltje losknaagt en kort daarna uit den grond te voorschijn komt. Wanneer het weer meeloopt, ontwikkelen zich twee generaties in den loop van één jaar. De laatste overwintert als made of als pop.

Van achteren knotsvormig gezwollen is de éénledige achterlijfssteel van den Vliegendooder (Mellinus arvensis); het glanzig zwarte lichaam van dit op zandgrond, doch ook in tuinen, hier te lande veelvuldig voorkomend Insect prijkt met een citroengele, zeer veranderlijke teekening; het heeft (op den 3en, 4en en 5en achterlijfsring) in den regel 3 breede, gele dwarsbanden, waarvan de beide eerste gewoonlijk niet afgebroken zijn; de pooten zijn geel, met uitzondering van de zwartachtige dijen. Op bloemen vindt men deze 8.75 à 13 mM. lange Graafwesp zelden, het meest nog bij zeer heet zonnig weer op schermbloemigen, dikwijls echter op struiken en naaldboomen, die met Bladluizen bedekt zijn, waar zij, nevens allerlei andere Vliesvleugeligen, zich met het oplekken van zoete stoffen vermaakt. Op zonnige plaatsen graaft het wijfje in het zand een vertakte gang, waarin zij schijndoode Vliegen brengt. In tegenstelling met de vroeger genoemde Graafwespen legt zij reeds op haar eerste slachtoffer een ei en brengt aan de hieruit voortkomende larve, terwijl deze reeds aan ’t vreten is, herhaaldelijk een nieuwen voorraad voedsel.

De Bastaardwespen (Bembex) zijn gemakkelijk te herkennen aan het maaksel van de monddeelen, waardoor zij van alle andere Graafwespen verschillen. De bovenlip hangt n.l. als een lange snavel naar beneden en is in den toestand van rust naar de keel teruggebogen. Bij oppervlakkige beschouwing zou men deze Insecten licht met Paardewespen of andere groote Vleugelplooiers kunnen verwarren, niet slechts wegens hun vorm, maar ook wegens hun grootendeels gele kleur: vandaar hun naam. De meeste soorten bewonen de heete gewesten. Alle stemmen overeen door den aard van het voedsel, dat zij aan hare larven verschaffen, n.l. groote Vliegen.

De Gewone Bastaardwesp (Bembex rostrata) is, wat de omvang van haar lichaam betreft, de grootste van alle inheemsche Graafwespen; want, hoewel haar lengte slechts 15 à 17.5 mM. bedraagt, is zij 6.5 mM. breed. Door haar zeer krachtig gegons en door de gewoonte om in kringvormige, op en neer golvende banen te vliegen om de plaatsen, waar zij in den grond nestelt, maakt zij den indruk van wildheid.

De Bonte Bijenwolf (Philanthus triangulum) is een booze klant, die wegens zijne moordzuchtige aanslagen op de Bijen door de imkers zeer gehaat wordt. Bij voorkeur voorziet de “wolvin” hare larve van Gewone Bijen, ook wel van Zandbijen: 4 à 6 exemplaren voor ieder ei. Koen en behendig schiet zij als een Valk van boven neer op haar niets kwaads vermoedend slachtoffer, dat, ijverig bezig met stuifmeel te vergaren, eensklaps met den roover op den grond tuimelt en reeds door een steek met lamheid is geslagen, voordat het tegenweer kan bieden. Met den buit tusschen de pooten en tegen de borst gedrukt, vliegt de “wolvin” nu naar het hol, dat zij in de buurt van andere roofnesten en van de woningen der honiggarende Bijen voor haar larve gegraven heeft. Het is een (soms wel 31.5 cM. lange) gang, waarvan het achterste, wijdere gedeelte als rustplaats voor de pop zal dienen. Het nest wordt gesloten, zoodra de moeder er het noodige aantal Bijen en bovendien een ei in heeft gebracht. Voor ieder ei moet zij een nieuwe gang graven. In Juni van het volgende jaar komen de jonge Bijenwolven uit den grond. De lengte van deze breedkoppige dieren wisselt af van 9 tot 16 mM. Ook de gele teekeningen varieeren sterk; dikwijls heeft op het lancetvormige achterlijf het geel zoo sterk de overhand, dat van de zwarte grondkleur slechts zwarte driehoeken aan de voorzijde van de meeste rugschilden overblijven.

Tot de naaste verwanten van de Bijenwolven behoort het geslacht der Knoopwespen (Cerceris), dat meer dan 100 soorten omvat, die over de geheele wereld verbreid zijn. Bij haar is het eerste achterlijfssegment knoopvormig; ook de overige leden zijn in de gewrichten op duidelijk merkbare wijze ingesnoerd, zoodat men deze Insecten aan den vorm van het achterlijf bij den eersten aanblik herkennen kan. De grootste inheemsche soort is de 8 à 14 mM. lange Snuittordooder (Cerceris arenaria). Het fijn behaarde lichaam is zwart van kleur; het achterlijf van het wijfje heeft 4, dat van het mannetje 4 à 5 smalle, gele dwarsbanden; de eerste achterlijfsring, die bij het mannetje effen zwart is, heeft bij het wijfje 2 gele vlekken; bovendien heeft zij 5 gele vlekken op den kop en 7 op het borststuk. In Gelderland vindt men deze soort hier en daar veel op paden in zandstreken, waar haar aanwezigheid blijkt uit talrijke gaatjes, die toegang verleenen tot nesten, waarin zij Snuittorren brengt, die vooraf schijndood gemaakt zijn en tot voedsel dienen voor hare larven.

De Gestreepte Zeefwesp (Crabro striatus) heet zoo, omdat bij deze en eenige andere soorten van het soortenrijke geslacht Crabro het mannetje zich door een schelpvormig verbreede voorscheen onderscheidt, die men wegens de fijne, doorschijnende putjes, welke er op voorkomen, met een zeef vergeleken heeft. Zij nestelt soms in gangen, die door Houtkevers verlaten zijn, soms in den grond en schijnt bij voorkeur Vliegen te vangen voor hare larven.

Ten slotte zij nog de Gewone Spieswesp (Oxybelus uniglumis) vermeld. Deze 4 à 7.5 mM. lange, in Nederland vrij algemeene soort is zwart, heeft op de zijden van het achterlijf veranderlijke, ivoorwitte vlekken: het mannetje op de segmenten 1–4, het wijfje op de ringen 2–5 (de vlekken van het 5e segment vereenigen zich soms tot een band); de bovenkaken zijn zwart, de scheen en de voet rood.

Het bevruchte wijfje graaft op zonnige plaatsen 5 à 9 mM. lange gangen in zandgrond, voor iedere larve één; zij begint dezen arbeid in Mei en gaat hiermede voort tot in het laatst van den zomer. Hoewel zij vóór het aanvangen van den rooftocht, die het noodige voedsel voor de larve moet opleveren, ieder nest zorgvuldig sluit, gaat de ontwikkeling van haar kroost niet altijd naar wensch. Een kleine Vlieg (Miltogramma conica) slaagt er niet zelden in een ei te leggen in het nest van Oxybelus, wiens larve door de vreemde indringster verslonden wordt.


De Goudwespen (Chrysidae) vormen een scherp begrensde familie, welke niet licht met een andere verward zal worden; zij omvat kleine of hoogstens middelmatig groote Vliesvleugeligen, die in ons gematigd klimaat met niet minder prachtige en misschien zelfs met nog bontere kleuren prijken, dan in warmere gewesten, waar hun aantal niet grooter, hun grootte echter iets aanzienlijker schijnt te zijn. Metaalachtig glinstert het goudgele, vuurroode, donkerblauwe of groenachtige lichaam; zelden vertoont het slechts één, meestal verscheidene van deze kleuren; zwart komt slechts in enkele gevallen, wit of een lichte, niet metaalachtige kleur nooit voor. Het achterlijf bestaat uit 3 of 4, in den regel aan de buikzijde uitgeholde leden. Van deze uitholling der buikzijde trekken de Goudwespen partij, wanneer zij geen ander middel weten om aan een vijandelijken aanval te ontkomen: evenals de Egel, vele Gordeldieren en sommige Pissebedden, rollen zij haar lichamen tot een bol ineen. De 4 laatste achterlijfssegmenten van het wijfje vormen de zoogenaamde “legbuis”, die gewoonlijk binnenwaarts geschoven en verborgen is, maar bij wijze van een verrekijker uitgestoken en sterk verlengd kan worden, gelijk bij het eierleggen geschiedt. Het borststuk is nagenoeg vierzijdig van omtrek; de scherpe achterhoeken puilen min of meer doornvormig uit. De kop is breeder dan lang; hij draagt, behalve 2 eironde, samengestelde, op de kruin 3 enkelvoudige oogen, voorts gebogen sprieten, die dicht bij elkander en bij de mond zijn aangehecht. De sprieten zijn zelden in rust, maar worden steeds met spiraalvormig gekromde zweep tastend heen en weer bewogen. Gedurende den zomer, vooral in Juli en Augustus, ziet men de Goudwespen op bloemen, onder houten voorwerpen en vervallen muren; de listige wijfjes leggen eieren in de nesten van andere Vliesvleugeligen, vooral van die, welke voor hunne larven holen in den grond graven. Van alle soorten van Goudwespen is het nog niet uitgemaakt, of hare larven alleen het hier vergaarde voedsel verslinden, of zich ook vergrijpen aan de jongen, waarvoor het bestemd is; gewoonlijk schijnt het eerstgenoemde geval voor te komen. Ieder jaar komt slechts één generatie tot ontwikkeling.

Een in Duitschland zeldzaam (bij ons niet) voorkomende soort, de Vleeschkleurige Goudwesp (Parnopes carnea), is merkwaardig door haar lange, in rust tegen de keel aanliggende tong, welks wortelgedeelte door de bovenkaken omsloten wordt en een groote overeenkomst heeft met de tong der Bijen. De kop, de borst en de eerste achterlijfsring zijn groen met koperrood waas, de overige segmenten vleeschkleurig. Deze gedrongen gebouwde, 11 mM. lange (soms nog grootere) Wesp parasiteert bij Bembex rostrata en wordt dus alleen daar gevonden, waar deze in grooten getale voorkomt.

Het geslacht Chrysis is rijker aan soorten dan eenig ander. Slechts één van deze wordt in Amerika gevonden. De meeste bewonen het Middellandsche-Zee-gebied; noordwaarts verbreiden zij zich over Middel-Europa tot in Zweden; 4 zijn inheemsch.

De Gewone Goudwesp (Chrysis ignita) is de meest verbreide en veelvuldigst voorkomende soort. Het is haar, naar ’t schijnt, tamelijk onverschillig, in welke nesten van Vliesvleugeligen zij hare eieren zal leggen, of deze in muren, in ’t zand of in oude balken gebouwd zijn. Zij begunstigt de Bijenwolf, de Muurleemwesp en nog vele andere niet door ons genoemde soorten van Knoopwespen en Eumeniden of Leemwespen. In de nabijheid van de plaatsen waar deze Insecten nestelen, ziet men haar het meest rondzwerven; bij zonnig weer is zij zeer levendig. Ieder die haar gedurende eenigen tijd nagaat, zal haar leeren kennen als een listig dier, dat zeer ijverzuchtig is jegens hare soortgenooten; haar geheele leven, van de lente tot in den herfst, wijdt zij aan het beoefenen van deze niet bepaald beminnelijke eigenschappen. Haar grootte wisselt binnen wijde grenzen af (5 à 11 mM.), zoo ook haar kleur; de kop en het borststuk zijn blauw of groen, zuiver of tot de gewone overgangstinten vereenigd; het als goud glinsterende achterlijf vertoont soms een groenen, soms een sterk rooden weerschijn, heeft dikwijls zwarte banden op de verbindingsplaatsen der ringen en is aan de buikzijde zwart gevlekt.


De fraaie, roodwangige, bolronde uitwassen, die men zoo dikwijls bij halve dozijnen aan de onderzijde van een eikenblad ziet hangen, kent iedereen onder den naam van “galnoten”; ook is het bekend, dat een andere, meer houtige soort, die uit de Levant tot ons komt, bij de bereiding van een bruikbaren inkt niet best gemist kan worden. Men noemt deze en velerlei andere aan planten voorkomende misvormingen in ’t algemeen gallen; hiermede worden dus ziekelijke woekeringen van het celweefsel aangeduid, welke onder den invloed van dieren ontstonden en ten doel hebben aan de larve van het dier, dat aanleiding gaf tot de verandering, voedsel en een woonplaats te verschaffen. De dieren, die gallen voortbrengen, zijn talrijk en behooren tot zeer verschillende groepen; voor ’t meerendeel zijn het Insecten, n.l. Vliegen, vooral uit de familie der Galmuggen, voorts Kevers, Vlinders, Bladluizen, Bladwespen, Galwespen en andere Vliesvleugeligen; er zijn echter ook Wormen (Nematoden), Raderdiertjes en Mijten bij. Daar op ieder plantendeel, zoowel op wortels als op twijgen, niet slechts op bladen, maar ook op bloemen en vruchten, gallen kunnen ontstaan, behoeft het ons niet te verwonderen, dat deze producten een groote verscheidenheid aanbieden. Die, welke door Galwespen (Cinipidae) veroorzaakt worden, zullen ons nu eenigen tijd bezig houden. Het wijfje steekt op de plaats, die een natuurdrift haar aanwijst, een bepaalde plant met haar legboor en laat een ei in de wonde achter. Zoodra de weefsels van de plant op deze wijze geprikkeld zijn, komt een hoogst merkwaardige wijziging tot stand in hunne levensverrichtingen: zij beginnen uit te groeien in den vorm van bollen, cilinders, kegels, hoorntjes, ruigharige of geschubde lichamen, enz. De woekering van de weefsels duurt zoo lang voort, als voor de ontwikkeling van het daarin levende Insect vereischt wordt. Eerst bij het ophouden van den groei van dit parasitische wezen is ook de gal “rijp” geworden.

De door Galwespen veroorzaakte gallen zijn geheel gesloten en openen zich niet “vanzelf”, zooals het geval is bij soortgelijke voortbrengselen van andere dieren; er wordt een gat in geknaagd door de volkomen ontwikkelde Wesp, zoodra deze gevolg geeft aan het bij alle levende wezens voorkomende streven naar vrijheid. Als het zaad van een kers of pruim in den steen, bevindt de made van de Galwesp zich in een door stevige, soms steenharde wanden, (de binnengal) omhulde, inwendige holte, in de zoogenaamde larvekamer. De gewone galnoot bevat in zijn middelpunt slechts één larvekamer en behoort daarom tot de éénkamerige gallen; de wijze waarop de meerkamerige gallen ingericht zijn, vereischt geen nadere aanduiding. Galmuggen treft men op de meest verschillende planten aan; de Galwespen leven voor 90 percent op allerlei soorten van eiken. Uit dit oogpunt beschouwd, verdient de eik ten volle den naam van “boom der eendracht”, omdat in dezen boom en aan zijn oppervlakte meer Gelede Dieren wonen, aan den kost komen en vreedzaam naast elkander vertoeven, dan op eenige andere plant. Alleen in Middel-Europa worden op eiken 2 wortel-, 8 schors-, 39 knop-, 34 blad-, 9 meeldraadbloem- en 4 vruchtgallen gevonden. Behalve de eik verdienen de eschdoorn, de vogelkers, de wilde rozen en braambessen als gallendragende planten vermeld te worden. Veel minder belangrijk zijn in dit opzicht de kruiden, zooals eenige samengesteldbloemigen (Hieracium, Centaurea, Scorzonera), wilde papavers, hondsdraf, toortskruid en nog eenige andere tweezaadlobbige planten. Zeer veel ontbreekt er aan onze kennis van de gallen, die in andere werelddeelen dan het onze voorkomen; uit de reeds verrichte onderzoekingen blijkt echter, dat geen der werelddeelen zulk een groot aantal Galwespen herbergt als Europa, hoewel deze Insecten ook elders niet ontbreken.

Van alle tot dusver behandelde Vliesvleugeligen verschillen de Galwespen en de op haar volgende familiën door het bezit van een tweeledigen dijring; bovendien herkent men ze gemakkelijk aan de eigenaardige verdeeling der aders in de voorvleugels. Deze missen de randvlek en de middelcellen; behalve de beide schoudercellen komen slechts één gesloten randcel en twee gesloten onderrandcellen voor. De achtervleugels hebben hoogstens een enkele ader en dus geen cel. Van eenige soorten hebben de wijfjes rudimentaire of in ’t geheel geen vleugels; in dit opzicht gelijken zij op sommige kleine Sluipwespen, met welke zij echter niet licht verward kunnen worden wegens haar afgerond, zijdelings samengedrukt achterlijf en eenige andere eigenaardigheden.

Alle Galwespen zijn weinig in ’t oogvallende, kleine diertjes van 4.5 mM. gemiddelde lengte; slechts weinige worden grooter, zeer vele blijven echter nog beneden 2.25 mM.; haar kleur is zuiver zwart, of zwart gemengd met lichtere, van rood tot bruin afwisselende tinten, of geheel lichtbruin; lichte teekeningen komen in ’t geheel niet voor. De niet gebroken sprieten zijn draadvormig, of worden naar de spits allengs een weinig dikker; zij bestaan uit 12 à 15 leden. De kop is klein, bijna cirkelrond van omtrek en ver naar onderen verschoven; op de kruin komen 3 bijoogen voor; de monddeelen zijn niet sterk ontwikkeld. Het korte, zijdelings samengedrukte achterlijf is bij sommige “zittend” aan het rugschild van het achterborststuk bevestigd en is er bij andere door een kort steeltje of door een ring mede verbonden.

Zooals reeds gezegd is, zijn op lange na niet alle gallen van Galwespen afkomstig. Omgekeerd geven vele door hun lichaamsbouw tot deze familie behoorende Insecten geen aanleiding tot de vorming van gallen, gelijk de Echte Galwespen doen. Een groot aantal legt eieren in reeds aanwezige, jonge gallen; de hieruit voortkomende larven voeden zich met plantaardige stoffen; zij worden commensalen of Bastaardgalwespen genoemd. In één gal kunnen dus 2 soorten van Galwespen leven. Een derde talrijke groep wordt gevormd door de Parasiet-galwespen, die gedurende den larvetoestand als Sluipwesp-larven in en van andere Insecten leven.

Gelijk bij alle Insecten, is ook bij verschillende soorten van Galwespen de duur van het tijdperk, dat voor de ontwikkeling van ei tot imago wordt vereischt, ongelijk; alle verpoppen zich echter in de gal, waarin zij als larve leefden, de meeste, zonder vooraf een cocon te spinnen. De pop is, evenals bij alle Vliesvleugeligen, vrij (alle ledematen liggen los tegen den stam aan); de Galwespen verkeeren slechts korten tijd in dezen rusttoestand. Eenige overwinteren als larve, andere als Wesp in de gal, die in beide gevallen gesloten blijft. Een rond gat in de gal levert steeds het bewijs, dat het hierin levende dier zijn gevangenis verlaten heeft; dikwijls kan men uit de grootte van dit gat afleiden, of hierdoor een Galwesp of een parasiet naar buiten is gekomen.

De voortplantingswijze van vele Galwespen biedt een belangrijke afwijking aan van die der tot dusver behandelde dieren. Deze planten zich voort door bevruchte eieren, die nakomelingen leveren, welke in alle opzichten met een van hunne ouders overeenstemmen. Slechts één maal, n.l. bij eenige gezellig levende Vliesvleugeligen, hebben wij een afwijking (arrenotokie genaamd) van dezen regel waargenomen, en wel, toen wij uit onbevruchte eieren mannetjes, uit bevruchte wijfjes zagen ontstaan. Toch komt ook in dit geval de geheele reeks van voortplantingsverschijnselen, die in normale omstandigheden den ontwikkelingsgang van iedere generatie vormen, volledig voor. Men noemt een dergelijken ontwikkelingskring enkelvoudig. Bij vele dieren echter zijn de opeenvolgende generatiën niet in alle opzichten gelijk, maar verschillen van elkander door uitwendige of inwendige eigenaardigheden of door voortplantingswijze; iedere soort komt dus voor in 2 of meer vormen, die elkander geregeld opvolgen, daar de wezens van den eenen vorm uitsluitend die van den anderen voortbrengen. Alle verschijnselen, die zich in het leven der soort voordoen, treden dus niet bij iedere generatie op, maar zijn eerst na twee of meer opeenvolgende generatiën volledig waarneembaar geweest. Men spreekt in dit geval van een samengestelden ontwikkelingskring. Meer bepaaldelijk gebruikt men de benaming heterogonie, wanneer de opeenvolgende generaties zich door een verschillende voortplantingswijze onderscheiden. Reeds sedert lang weet men, dat uit vele gallen, b.v. uit alle “knoppers” en uit de “Oostersche galnoten,” wanneer hare “commensalen” buiten rekening worden gelaten, uitsluitend wijfjes te voorschijn komen. Dit leidde tot de onderstelling, dat vele Echte Galwespen zich uitsluitend door onbevruchte eieren (parthenogenetisch) zouden voortplanten. Dit vermoeden werd proefondervindelijk bevestigd door Adler bij een soort, die op eikenbladeren gallen veroorzaakt, Cynips (Andricus) seminationis, en bij hare naaste verwanten. Voorts is bij vele andere vormen het aantal wijfjes zoo buitengewoon groot en het aantal mannetjes zoo gering, dat men onmogelijk mag aannemen, dat alle wijfjes paren. Dat bij deze soorten, b.v. bij de Rozengalwesp [Cynips (Rhodites) rosae], onbevruchte eieren zich kunnen ontwikkelen, is ook door Adler aangetoond. Dezelfde onderzoeker heeft vervolgens bewezen, dat bij deze inheemsche Galwespsoorten zich een eenvoudig geval van “heterogonie” voordoet, waarin op een uit mannetjes en wijfjes samengestelde generatie, die zich door bevruchte eieren (d. i. gamogenetisch) voortplant, geregeld een uitsluitend uit wijfjes bestaande generatie volgt, welker (onbevruchte) eieren zich (parthenogenetisch) tot mannetjes en wijfjes ontwikkelen. Ieder van deze generaties heeft gallen van een bijzonderen vorm. Het verschil tusschen de beide tot één ontwikkelings-cyclus behoorende generaties is soms zoo groot, dat men ze dikwijls tot verschillende geslachten heeft gebracht.

De grootste Echte Galwespen (Cynipidae galliparae) zijn de Eikengalwespen (Cynips), die men gemakkelijk herkent aan den ruig behaarden rug van het borststuk, aan het bijna half bolvormige schildje, aan het “zittende,” ronde en zijdelings samengedrukte achterlijf en aan de sprieten, die naar voren allengs een weinig in dikte toenemen.

De Gewone Eikenbladgalwesp of Galnotenwesp [Cynips (Dryophanta) folii] heeft een glanzig zwart achterlijf; het schildje, de pooten en de kop zijn meer of minder bruinachtig rood, de sprieten en de pooten ruig behaard; het laatste buikschild is klein en borstelig gewimperd. Kort nadat de knoppen van onze eiken—de wintereik en de zomereik (Quercus sessilifolia en Q. pedunculata)—uitgebot zijn (van alle boomen onzer bosschen komen de eiken, zooals bekend is, het laatst in ’t blad), bemerkt men aan de onderzijde der bladen de aanvankelijk groene en bolronde, bij verderen groei echter aan de zonzijde rood wordende gal, die een middellijn van 1 à 3 cM. kan bereiken; door een kort steeltje is zij met een van de dikke bladnerven verbonden. Zij bevat één larvekamer; om de niet zeer stevige “binnengal” bevindt zich een uit groote cellen samengesteld, looistofrijk en sappig sponsweefsel, dat van buiten met een dichtere huidlaag bekleed is. Reeds in ’t einde van September heeft de hierbinnen aanwezige made zich tot een Wesp ontwikkeld; deze verlaat echter eerst tegen den aanvang van het koude jaargetijde haar woning. Alle uit deze gallen komende diertjes zijn groote wijfjes van de Gewone Galnotenwesp; mannetjes zijn er niet in deze generatie. De Wesp begeeft zich onmiddellijk naar de slapende oogen of zoogenaamde praeventiefknoppen, die aan knobbeltjes van oude eikenstammen, aan waterloten, enz. veelvuldig voorkomen; zij doorsteekt met haar korten legboor de schubben van zulk een knop en legt één ei op den stengeltop (het hart); dit geschiedt, gelijk door Beijerinck werd aangetoond, zonder dit teere orgaan te beschadigen. Zoovele eieren als de Wesp voortbrengt, in zoovele knoppen steekt zij haar legboor. Het punt van het “hart”, waarop de eischaal rust, ontwikkelt zich niet verder; het daaromheen liggende weefsel vormt echter om het ei een aanvankelijk ringvormigen wal, die zich later van boven sluit en zoo de “larvekamer” vormt; uit opperhuidscellen bestaat dus de “binnengal”. In Mei is de gal een 4 à 5 mM. lang, cilindervormig knobbeltje geworden, dat met paarse, fluweelachtige haren bedekt is en zich boven het onveranderd blijvende, geschubde ringgedeelte van den praeventiefknop verheft. Bij het verschijnen van de bladen aan de eiken komen uit deze kleine gallen mannelijke en vrouwelijke Wespen [Cynips (Spathegaster) Taschenbergi]. De wijfjes leggen na de paring één ei op elke dikke bladnerf van jonge eikenbladen; op één blad kunnen soms wel een twaalftal eieren voorkomen, die door voldoende tusschenruimten gescheiden zijn. Rondom elk ei ontwikkelen zich de weefsels van het blad tot den reeds beschreven, gewonen galnoot; deze gallen leveren in den herfst de “agame” generatie, die Cynips folii wordt genoemd.—

Aan het afgebeelde takje ziet men (bij 3) een voorwerp, dat op een kleinen lorkenkegel (meer nog op een hoppebel) gelijkt. Zulke sierlijke gallen ziet men dikwijls in grooten getale bijeen aan de toppen of in de bladoksels van jonge spruiten van de hierboven genoemde eiken en van Quercus pubescens. De taaie schubben zijn aanvankelijk gesloten en groen, doch worden later bruin en wijken uiteen. Zij omsluiten een langwerpig ovale “binnengal” (afgebeeld bij 4 en 5: gesloten en overlangs doorgesneden, zoodat de larvekamer met haar bewoonster zichtbaar is); deze valt er in Augustus uit, rijpt op den bodem en blijft hier 2 of 3 jaar liggen, voordat de Wesp er (in April) uit te voorschijn komt. Deze—de Eikenkegelwesp [Cynips (Andricus) fecundatrix of C. gemmae]—is van het vrouwelijk geslacht (mannetjes zijn er in deze generatie niet); zij legt door een steek met haar legboor eieren in de mannelijke bloemknoppen van den zomereik (de vroegst bloeiende van onze eiken); dientengevolge ziet men na het ontluiken dezer knoppen aan den bloembodem van de tot katjes vereenigde meeldraadbloemen (tusschen de helmknoppen) spitse eivormige gallen van 2 mM. lengte, die aanvankelijk een groene, later een bruine kleur hebben en met stijve, witte haren bezet zijn. Uit deze gallen komen in Mei van hetzelfde jaar mannetjes en wijfjes [Cynips (Andricus) pilosa] te voorschijn. De bevruchte wijfjes begeven zich op de 3 genoemde soorten van eiken, steken de jonge, okselstandige knoppen aan, leggen er een ei in en brengen op deze wijze de vorming van de hoppebelvormige gallen teweeg, die soms in zoo grooten getale voorkomen, dat de eiken er schade door lijden.—