De Vlinders, de bonte lievelingen van de voor natuurschoon gevoelige jeugd, moeten wij op de Vliesvleugeligen laten volgen wegens den algemeenen indruk, dien de vorm van het lichaam dezer Insecten bij opmerkzame beschouwing wekt. De drie volkomen vergroeide borstringen, de vrij vóór het borststuk geplaatste kop met zijne rechte sprieten, het meestal langwerpige, door een chitine-pantser bedekte lichaam en het bezit van vier vleugels hebben de Vlinders met de Vliesvleugeligen gemeen. Bovendien hebben beide de neiging om door zoete stoffen hun kortstondig leven te rekken en merkt men in beider ontwikkelingsgang drie scherp gescheiden phasen op. Ook de Vlinders verschillen duidelijk van alle overige Insecten door het maaksel hunner monddeelen en de eigenaardigheden hunner vleugels; onmogelijk kunnen zij met leden van andere orden verward worden; zelfs geldt dit van de weinige soorten, die door het rudimentair worden van de vleugels voor het leven in de lucht ongeschikt zijn geworden.

De monddeelen zijn voor het zuigen ingericht. De onderkaken, die aan de binnenzijde ieder een gootvormige uitholling vertoonen, zijn samengevoegd tot een zuigtoestel, dat spiraalsgewijs opgerold kan worden en zuiger of roltong heet. De bovenkaken zijn zeer dikwijls afwezig en in ieder geval, evenals de bovenlip, zoo klein en door de bekleeding van het aangezicht met chitine-schubjes zoo verborgen, dat een ongeoefende ze waarschijnlijk tevergeefs zal zoeken. Een klein, driehoekig uitsteeksel onder de plaats van aanhechting van den zuiger, dat aan weerszijden van een drieledigen taster is voorzien, kan gemakkelijk als een onderlip herkend worden. De eigenaardigheden van de liptasters of “palpen” leveren vooral bij de Kleinvlinders belangrijke kenmerken ter onderscheiding van de familiën en geslachten op. De kaaktasters eindelijk, hoewel in den regel aanwezig, zijn gewoonlijk rudimentair; zij vertoonen zich als korte, tweeledige aanhangsels bij den wortel van den zuiger en zijn alleen bij de Motten (Tineidae), waar men ze gewoonlijk “bijpalpen” noemt, buitengewoon sterk ontwikkeld. Ook de bovenkaken zijn bij de Tineïden nog duidelijk zichtbaar. Genthe vond ze bovendien bij alle andere door hem onderzochte “Kleine Vlinders”, hoewel zij vermoedelijk slechts bij één geslacht (bij Eriocephala, die door het gemis van zuigende monddeelen van alle overige Vlinders verschilt) voor ’t bijten geschikt zijn. Ook bij de Sphingiden komen sporen van bovenkaken voor. Bij alle overige “Groote Vlinders” ontbreken deze organen geheel. De sterk behaarde kleine verhevenheden, die men vroeger voor rudimentaire bovenkaken hield, behooren, naar Walter heeft aangetoond, tot de bovenlip.

Nagenoeg alle aders, die de 4 vleugels steunen, hebben een overlangsche richting. De voorvleugels zijn meestal aanmerkelijk grooter dan de achtervleugels en hebben een soortgelijk, doch eenigszins samengestelder aderstelsel. Hieraan worden bij de rangschikking der Vlinders belangrijke kenmerken ontleend; een kort overzicht van de voornaamste verschijnselen, die zich hierbij voordoen, mogen wij daarom niet achterwege houden. Uit het midden van den vleugelwortel ontspringt een cel, de middelcel (discoïdaalcel), die ongeveer op de helft van de lengte van den vleugel door een korte, meestal gebogen of gebroken dwarsader gesloten wordt. De bovenste of voorste middelader (radius) begrenst de middelcel aan de zijde, die naar den voorrand (costa) van den vleugel gekeerd is; aan de tegenovergestelde zijde komt de onderste of achterste middelader (cutibus) voor. Uit de beide middeladers en uit de dwarsader ontspringen een aantal overlangs gerichte takken, die aan den zoom of buitenrand van den vleugel of in zijn voorrand eindigen. Ieder van deze aders heeft een rangnummer; men begint te tellen aan den binnenhoek van den zoom en noemt den daar eindigenden cutibus-tak 2. Ook dan volgt men dezen regel, als de aders nader bij den wortel van den vleugel ineenvloeien en dus uit een gemeenschappelijken steel ontspringen. Bovendien heeft de voorvleugel bij zijn binnen- of achterrand meestal 1 (soms 2)—de achtervleugel meestal 2 (soms 3)—binnenrands-, anaal- of dorsaaladers, die aan den vleugelwortel beginnen en aan den zoom of aan den achterrand eindigen. Deze krijgen alle het rangnummer 1. Wanneer er verscheidene zijn, onderscheidt men ze door toevoeging van letters aan het cijfer 1; men ontmoet dus achtereenvolgens 1a, 1b, 1c, wanneer men van den vleugelwortel naar den binnenhoek van den zoom voortgaat. Bij den voorrand vindt men één dergelijke ader, de ondervoorrandsader (subcostaalader). De voorrand zelf, ofschoon geen luchtbuis bevattend, wordt ook als een vleugelader beschouwd (voorrandsader of costa); haar geeft men bij het tellen steeds het hoogste rangnummer. Bij vele nachtvlinders is de ondervoorrandsader in de nabijheid van den vleugelwortel over een korten afstand met de voorste middelader verbonden, zoodat zij uit de middelcel schijnt voort te komen. De voorste middelader geeft in den voorvleugel achtereenvolgens (hoogstens 5) takken af, die in den voorrand en in den vleugelzoom eindigen; allerlei eigenaardigheden kunnen zich hierbij voordoen, die bruikbare kenmerken ter onderscheiding opleveren. In den achtervleugel zendt de voorste middelader slechts 2 takken uit, die in den zoom eindigen en bij de verschillende groepen groote overeenkomst vertoonen.—De open cellen, (die welke door 2 opeenvolgende aders en het daartusschen gelegen stukje van den vleugelrand gevormd worden) duidt men eveneens ieder met een cijfer aan, en wel met dat van de ader, waarop de cel volgt, wanneer men in de richting van binnen naar buiten voortschrijdt. Zoo krijgt b.v. de zeer lange, open middelcel het rangnummer 4, omdat zij tusschen de aders 4 en 5 gelegen is.

Het skelet van den vleugel, dat zooeven op beknopte wijze beschreven werd, ligt min of meer verborgen; veel meer invloed op den indruk, dien de vleugel maakt, heeft zijn bekleeding; hierdoor eerst krijgt dit orgaan zijn eigenaardig karakter. Wanneer men zegt, dat de vlindervleugels bedekt zijn met stofjes, die er afgeveegd kunnen worden, bezigt men een minstens zeer onnauwkeurige uitdrukking; iedereen weet, dat de vleugels hun schoonheid niet ontleenen aan vormlooze lichaampjes, die er op willekeurige wijze overheen gestrooid zijn, maar aan zeer fijne schubjes van een volkomen bepaalden, eigenaardigen vorm. Deze bedekken elkander als de pannen van een dak, zijn door tusschenkomst van meer of minder lange steeltjes losjes aan de huid van den vleugel gehecht, regelmatig op reeksen geplaatst en op de eene plaats dichter ineengedrongen dan op de andere; hun grootte, vorm, kleur en oppervlakte zijn bij verschillende soorten ongelijk en varieeren op denzelfden vleugel, in verband met de plaats, die zij innemen. In Brazilië leven Vlinders, welker vleugels in ’t geheel geen schubben bezitten; ook in Europa komt een groep van fraaie Vlinders voor, de Glasvlinders, welker vleugels voor een groot deel doorzichtig blijven; ook hier echter bestaat er tusschen de schubben, die de overige lichaamsdeelen bedekken, een groot verschil in vorm.

De achtervleugels zijn niet zelden voorzien van een fijnen, soms dubbelen doorn, die om een haakje aan de ondervlakte van den voorvleugel geslagen is en beide vereenigd doet blijven. Deze inrichting heet vleugelhaakje; bij geen der Dagvlinders komt zij voor.—Om zich bij de beschrijving van de verdeeling der kleuren over den vleugel duidelijker te kunnen uitdrukken en op den voorvleugel, die ook in dit geval de hoofdrol speelt, verschillende plaatsen te kunnen bepalen, is zijn oppervlakte in 3 hoofddeelen gesplitst: het wortelveld, het middelveld en het zoomveld. Bij een groot aantal Vlinders is deze verdeeling door twee enkelvoudige of samengestelde dwarsstrepen aangeduid, zoodat de voorste dwarsstreep het wortelveld van het middelveld, de achterste het middelveld van het zoomveld scheidt; doch ook wanneer deze zichtbare grenzen ontbreken, wordt de bedoelde onderscheiding gemaakt. Behalve de vorm, de teekening en de loop der aders is ook de stand van de vleugels gedurende hun rust kenmerkend voor de soort.

Aan de monddeelen en de vleugels onderscheidt men deze orde van de overige Insecten; ook op de overige lichaamsdeelen der Vlinders moeten wij echter, zij het dan ook vluchtig, de aandacht vestigen. Het grootste deel van de oppervlakte van den ruig met haren of schubben bekleeden kop wordt ingenomen door de groote samengestelde oogen, die halfbolvormig uitpuilen. De enkelvoudige oogen zijn ten getale van 2 aanwezig en op de kruin verborgen, even dikwijls afwezig. De sprieten zijn uit vele leden samengesteld en meestal borstel- of draadvormig, bij de Dagvlinders aan het einde knopvormig gezwollen; afwijkingen van den genoemden regel zijn echter niet zeldzaam.

Daar het borststuk grootendeels dicht bedekt is met haren, die bij sommige gewoon, bij andere schubvormig zijn, kan men de 3 borstringen uitwendig niet duidelijk onderscheiden. Het achterlijf is “aangegroeid”, nooit gesteeld, en vertoont 7 à 9 ringen.

Soms dragen de pooten een dicht kleed van lange haren en schijnen dik; bij nader onderzoek blijkt het echter, dat zij slank, teer en los aangehecht zijn. De scheen is met betrekkelijk lange sporen gewapend, de voet uit 5 leden samengesteld en aan ’t einde van kleine klauwen voorzien.

De larven van de Vlinders zijn beter bekend dan die van eenige andere orde van Insecten, omdat zij meer dan deze, ook niet deskundigen, tot een onderzoek uitlokken. Vele rupsen verdienen onze bewondering door haar schoonheid, vele worden wegens haar vraatzucht gevreesd. Haar lichaam bestaat uit een hoornachtigen kop en 12 weeke rompsegmenten, waarvan de 3 voorste ieder één paar hoornachtige, uit leden samengestelde en spits eindigende ware pooten of borstpooten dragen. Bij alle zonder uitzondering is het laatste segment voorzien van een paar vleezige, achterwaarts gerichte pootjes, de zoogenaamde naschuivers of achterpooten. Het lichaamsdeel tusschen de reeds genoemde segmenten wordt gesteund door 2 à 8 op zuignappen gelijkende, korte pootjes (buikpooten), die op zulk een wijze verdeeld zijn, dat onmiddellijk achter de borstpooten minstens 2 en onmiddellijk vóór de naschuivers evenveel pootlooze segmenten overblijven. Een rups bezit dus hoogstens 16 pooten, soms slechts 10, zelden niet meer dan 8; een grooter aantal pooten dan 16 kenmerkt de bastaardrupsen. Een uitzondering op dezen regel vormen sommige Zuid-Amerikaansche rupsen, die, naar men zegt, 20 pooten hebben. De rupsen, die slechts 1 of 2 paar buikpooten hebben, bewegen zich op een eigenaardige wijze: het lichaam wordt gestrekt, de borstpooten hechten zich ergens aan vast, de overige pooten laten hun steunpunt los, het voorste deel van ’t achterlijf kromt zich lusvormig naar boven, terwijl de voorste buikpooten onmiddellijk achter de borstpooten worden neergezet; nadat deze op hun beurt opgeheven zijn en het voorste deel van ’t lichaam zoo lang mogelijk naar voren uitgerekt is, worden de bewegingen in de aangegeven volgorde herhaald, waardoor een snelle verplaatsing tot stand komt. Zulke rupsen worden spanrupsen en hare Vlinders Spanners genoemd.—De 9 ademgaten aan weerszijden van den romp vallen bij niet te kleine rupsen duidelijk in ’t oog; zij ontbreken alleen aan het 2e, 3e en laatste segment.—Bij sommige is de huid geheel of zoo goed als geheel naakt, zoodat men ternauwernood hier en daar enkele haartjes kan zien; bij andere is de huid dicht behaard. De haren zijn niet zelden bij bosjes geplaatst, die op sommige leden zich ver boven hun omgeving verheffen. Behalve haren, komen echter ook wratten (knopwratten) voor, die meestal met haren zijn begroeid, voorts vliezige uitwassen, die enkelvoudig of doornvormig vertakt, naakt of behaard kunnen zijn, bovendien nog andere aanhangselen, die over het geheele lichaam verspreid staan, of waardoor enkele segmenten zich onderscheiden.—De kop, die in hoofdzaak begrensd wordt door twee naast elkander gelegen hoornachtige schalen, heeft goed ontwikkelde, bijtende monddeelen en een microscopisch fijne opening in de onderlip, waardoor de spinstof, welke in de beide spinklieren bereid wordt, in den vorm van een fijnen draad ontwijkt; nagenoeg alle rupsen kunnen spinnen. Aan den voorsten hoek van iedere schaal bevindt zich een groep van 5 of 6 oogjes en verder naar voren een spriet, die uit een gering aantal cilindervormige leden bestaat.

Bij de rupsen merkt men een grooter verschil in levenswijze op dan men zou vermoeden. Sommige treft men steeds eenzaam aan, omdat de eieren ieder afzonderlijk op verschillende plaatsen gelegd worden; andere leven gedurende een meer of minder langen tijd gezellig bijeen, met of zonder een spinsel, dat aller gemeenschappelijke woning is. De meeste vertoeven aan de oppervlakte van bladen. Op allerlei planten treft men ze aan; behalve in de afdeeling der Cryptogamen zijn er waarschijnlijk niet veel planten, die niet aan één soort van rupsen voedsel verschaffen. De eik, die wij reeds als een door de Galwespen bevoorrechten boom hebben leeren kennen, herbergt niet minder dan 121 soorten van rupsen. Er zijn ook rupsen, die zich aan onze waarneming onttrekken, daar zij zich in hout of in stengels van kruidachtige planten, vooral echter in vruchten, bladen en wortels ophouden en het daglicht schuwen. Zulke rupsen hebben meestal een bleeke, vuilwitte kleur, graven of boren ieder op een eigenaardige wijze en verraden hierdoor haar tegenwoordigheid.

Sommige rupsen hebben den naam van vergiftig te zijn en worden dikwijls om deze reden meer gevreesd dan wegens de schade, die zij aan gekweekte planten veroorzaken. Hoewel geen enkele rups giforganen heeft, bevatten de haren of de vleezige met beweeglijke zijtakken voorziene uitwassen, een met sterk mierenzuur gevulde holte en veroorzaken daarom bij ’t afbreken van den top op de huid een brandend gevoel.

Na een meer of minder langdurig tijdperk van groei, herhaaldelijk voor korten tijd afgebroken door vervellingen, waarmede zelden een wijziging van den vorm, dikwijls echter een kleine kleursverandering gepaard gaat, is de rups rijp voor den poptoestand. De meeste Groote Vlinders en onder de Kleine Vlinders de Pyralididen zijn gedurende deze ontwikkelingsphase beter beschut dan alle overige Insecten: hunne ledematen en andere lichaamsdeelen zijn niet slechts ieder afzonderlijk omhuld met de dunne, vliezige scheeden, die ook bij de overige leden der klasse voorkomen, maar bovendien nog aaneengekleefd door bedekking met een gemeenschappelijke, in leden verdeelde chitine-schaal, die hoogstens op drie plaatsen, tusschen de achterlijfssegmenten 4–7, beweging toelaat. Zij heeten daarom bedekte poppen of mummiepoppen. Haar kleur verandert bij vele soorten met den leeftijd. Onderling verschillen zij door vorm en kleur, door de wijze van bekleeding, door het maaksel van de staartspits (cremaster, het doorntje aan het laatste segment) en door de middelen tot vasthechting. Eenige van deze eigenaardigheden zijn karakteristiek voor de groep, tot welke de pop behoort. Zoo hebben b.v. de (meer bepaaldelijk chrysaliden genoemde) hoekige poppen van de meeste Dagvlinders de staartspits door draden bevestigd aan het voorwerp, waaraan zij met den kop naar beneden hangen of waaraan zij bovendien zijn vastgebonden door een anderen draad, die haar lichaam als een gordel omgeeft, zoodat de kop naar boven gericht blijft. In ’t eerste geval spreekt men van een hangende pop (pupa suspensa), in ’t tweede geval van een omgorde pop (pupa succincta). De poppen van de meeste Spinners zijn verborgen in een tusschen twijgen of bladen vastgehechte cocon; van andere Vlinders is de pop, al of niet door een spinsel omgeven, in den grond verscholen. Bij de Kleine Vlinders en bij sommige Groote Vlinders (alle tot de Nachtvlinders behoorend, zooals de Glasvlinders en de Houtboorders) merkt men alle overgangen op van de mummiepop tot de vrije pop, die bij eenige familiën van Kleine Vlinders werkelijk voorkomt.

Bij den overgang in den imago-toestand opent zich de huid van de mummiepop in den nek achter de sprietscheeden; bovendien verkrijgt zij een overdwarse spleet op het aangezicht tot aan de grens en vleugelscheeden en een overlangsche spleet op het midden van den rug van het borststuk. Deze openingen stellen den Vlinder in staat naar buiten te komen; hij doet dit ’s morgens vroeg, als hij van licht en zonneschijn houdt, des avonds, als hij gedurende den nacht werkzaam is. Aanvankelijk blijft hij stil zitten om te bekomen van de vermoeidheid, die een gevolg is van den zoo even door hem verrichten, zwaren arbeid. De vleugels moeten zich nog ontwikkelen uit de teere lapjes, die boven den rug uitsteken en met de buitenzijde naar elkander toegekeerd zijn. Dit geschiedt door bloed te persen in de vleugeladers en lucht in de daar aanwezige tracheeën. Men ziet de vleugels “groeien”. Na verloop van een half uur bij Vlinders van gewone grootte, iets later bij de grootste soorten, hebben zij hun vollen omvang bereikt; de teekening was reeds bij het afwerpen van de pophuid duidelijk zichtbaar. De Vlinder houdt de vleugels nog korten tijd schuins naar boven en naar buiten gericht en geeft hun vervolgens den stand, die zij voortaan in rust zullen innemen. Eerst na verloop van eenige uren worden deze organen door de uitdrogende werking van de lucht hard en voor het gebruik geschikt, bij kleine Vlinders eerder dan bij groote. Wanneer deze tijd voorbijgegaan is, zonder dat de vleugels de gewone grootte bereikt hebben, zullen zij onbruikbaar blijven.

Men is gewoon de Vlinders te verdeelen in Groote (Macrolepidoptera) en Kleine (Microlepidoptera), hoewel voor deze scheiding geen voldoende gronden geleverd worden door verschillende organisatie. De familiën, die de eerste groep vormen, bevatten hoofdzakelijk de grootste, die van de laatste groep vooral de kleinste leden der orde; doch op dezen regel komen vele uitzonderingen voor. In den regel hebben de rupsen der Macrolepidoptera de zool der valsche pooten alleen aan den buitenrand met een enkele of dubbele rij van binnenwaarts gekromde haakjes bezet; deze “half gekroonde” pooten zijn voor het omklemmen van een voorwerp geschikt. Bij de Microlepidoptera daarentegen zijn de valsche pooten “gekroond”; hun zool draagt haakjes langs den geheelen omtrek.—Linnaeus verdeelde de Groote Vlinders in Dagvlinders (Diurna), Avond- of Schemeringvlinders (Crepuscularia) en Nachtvlinders (Nocturna). De eerste van deze 3 groepen wordt ook nu nog onder den naam van Knotssprietigen (Rhopalocera) aan alle overige Vlinders—de Ongelijksprietigen (Heterocera)—tegenovergesteld.

Speyer schat het aantal soorten van Vlinders op 200000; sommige soorten zijn bijna over de geheele wereld verbreid; tusschen het door haar bewoonde gebied en den plantengroei bestaat een nauw verband.—In Nederland zijn, volgens Oudemans, 1713 soorten van Vlinders gevonden, waarvan 764 “Groote” en 949 “Kleine”.—Wegens hun teeren lichaamsbouw zijn de leden dezer orde minder dan andere Insecten geschikt om in den bodem bewaard te blijven en komen daarom als fossielen zeldzaam voor; toch bezit men eenige goed geconserveerde Sphingiden uit tertiaire lagen en wel uit den lithographischen steen van Solnhofen en Eichstädt, voorts, door barnsteen omhuld, een aantal Kleine Vlinders (Tineïden, Tortriciden en Pyraliden); bovendien zijn bij Oeningen een paar Spinners en bij Aix eenige Dagvlinders opgedolven.


De eerste rang wordt toegekend aan de Dagvlinders of Kapellen (Diurna, Rhopalocera), het geslacht Papilio van Linnaeus. Een dun, slank, zwak bekleed lichaam, groote en breede vleugels, die in den rusttoestand omhoog gericht zijn, zoodat de bovenzijden elkander aanraken, slanke sprieten, die aan de spits of onmiddellijk daaronder haar grootste dikte bereiken, zijn eigenaardigheden, die men bij alle leden van deze soortenrijke familie vereenigd vindt. De Dagvlinders hebben nooit bijoogen, missen het vleugelhaakje, bezitten meestal slechts twee sporen aan ’t einde der achterscheen en vliegen uitsluitend over dag. De rupsen verschillen naar het uitwendige te veel van elkander, om er in ’t algemeen meer van te kunnen zeggen, dan dat zij 16 pooten hebben en geen dicht en lang haarkleed dragen. Alle inheemsche “gedoornde” rupsen behooren tot deze groep. De poppen van de Dagvlinders zijn licht van kleur en kenmerken zich meestal door den hoekigen vorm van den rug en door eindspitsen op de kruin, zoodat men niet zelden in het voorste deel van den rug de caricatuur van een aangezicht ziet. Van enkele soorten wordt de pop onder steenen gevonden; nooit echter is zij in een cocon verborgen, zelfs niet door een los spinsel omgeven.

De belangrijke invloed van licht en warmte op de leden dezer familie blijkt uit hun geographische verbreiding. Met de schitterendste kleuren prijken zij in streken, waar de zonnestralen bijna altijd in loodrechte richting het aardrijk treffen. De noordelijke grens van het verbreidingsgebied der Vlinders in ’t algemeen (74°) en ook hun hoogtegrens (die, al naar de breedte, van 2812 tot 4080 M. afwisselt) wordt door de Dagvlinders meestal niet bereikt. Inheemsch zijn, volgens Oudemans, 79 soorten van Dagvlinders, die in ons land dus slechts 4.6 percent van de geheele orde uitmaken; 400 zijn er in geheel Europa met inbegrip van de Aziatische grenslanden (die in dit opzicht van ons werelddeel niet goed gescheiden kunnen worden). Veel talrijker zijn zij in de tropische gewesten; alleen bij Para in Brazilië ontmoet men niet minder dan 600 soorten van Dagvlinders. Waarschijnlijk overdrijft men niet, door het geheele aantal leden der familie op 5000 te schatten.

De grootste en fraaiste Dagvlinders behooren tot de onderfamilie der Papilioniden (Papilionidae), die Linnaeus zeer eigenaardig Ridders (Equites of Equitidae) heeft genoemd wegens hun statig voorkomen, dat bij de meeste soorten niet weinig verhoogd wordt door de soms zeer diepe insnijdingen der achtervleugels en de hierdoor begrensde staartvormige uitsteeksels. De uitgesneden binnenrand der achtervleugels bereikt het achterlijf niet.

Het geslacht der Vogelvlinders (Ornithoptera) spant de kroon, hoewel het staartelooze achtervleugels heeft. Zijne leden bewonen den Oost-Indischen archipel; de fraaiste en grootste vindt men op de Molukken. De Priamus (Ornithoptera Priamus) van Amboina heeft 157 à 183 mM. vlucht; het mannetje is groen, het wijfje zwart met witte teekening.

Tot het omvangrijke geslacht Papilio behoort de eenige inheemsche soort van de onderfamilie der Ridders, de welbekende Koninginnepage, Page de la Reine, ook wel Zwaluwstaart geheeten (Papilio Machaon). In het noorden en westen van ons land is hij vrij zeldzaam, in het oosten en zuiden een gewone verschijning. Men ziet hem niet slechts in geheel Europa, maar ook op den Himalaja en in Japan. Hij heeft 62 à 88 mM. vlucht en is dus onze grootste Dagvlinder. De zwavelgele vleugels zijn zwart gevlekt en geaderd; in het breede, zwarte zoomveld komen gele vlekken voor; het zwarte wortelveld van de voorvleugels is met gele schubjes als bestoven; dit geldt ook van den zwarten, in ’t midden blauwachtigen band langs den binnenrand der achtervleugels, die als ’t ware het ordelint van dezen “ridder” is, dat aan ’t einde het ordeteeken, een oranjebruine oogvlek, draagt; iets hooger aan den zoom bevindt zich een lange staart. De onderzijde van de vleugels vertoont ongeveer dezelfde, maar doffere kleuren; hier heeft het geel de overhand. In Juli en Augustus fladdert deze fraaie Vlinder langzaam over de klavervelden of peurt honig uit de bloemen van weiden, tuinen en bosschen, waarbij hij zijne vleugels beurtelings in horizontale richting plaatst of half gesloten omhoog heft. Toch is hij wel degelijk tot een snelle vlucht in staat. Het is de tweede generatie, die men in de genoemde maanden waarneemt; deze is talrijker dan de eerste, die zich in Mei vertoont en uit overwinterde poppen ontstaat. Het bevruchte wijfje houdt zich bezig met de zorg voor haar nakomelingschap, bezoekt met dit doel op weiden, in tuinen en op open plaatsen in het woud verschillende schermbloemige planten, vooral venkel, dille, komijn, peen (Daucus), legt een ei, soms meer dan één, op iedere plant en sterft. De jonge rups is zwart, heeft op den rug witte vlekken en roode doornen; weldra echter ondergaat zij een groote verandering; in haar nieuw kleed ziet men haar dikwijls op de bovenste gedeelten van haar voederplant te midden van de vruchten, welker zaden haar tot voedsel dienen. Zij is nu groen met fluweelachtig zwarte ringen en heeft, behalve eenige plooien, geen eigenaardige kenteekenen meer op haar huid. Als men haar aanvat, stuwt zij, om den aanrander af te schrikken twee weeke uitsteekseltjes, die aan den voet vorksgewijs samenhangen, uit de groeve tusschen den kop en het voorste rompsegment naar buiten; tevens verbreidt zij een doordringende lucht en slaat soms met het lichaam heen en weer. De groenachtig gele, geel gestreepte pop, die aan de rugzijde kielvormig en ook overigens eenigszins oneffen is, heeft op den kop 2 stompe spitsen; op de hiernaast (bij 1) aangeduide wijze bevestigt zij zich met de staartspits en door een gordel in horizontalen of opgerichten stand aan het een of ander takje. Die van de tweede generatie overwintert, die van de eerste verandert binnen weinige weken in een Vlinder.

Podalirius (Papilio Podalirius) 1) met rups en pop (bij & de Vlinder in ware grootte, bij && verkleind).—2, 3, 4, 5) Tralievlinder (Vanessa levana): 2) gele of wintergeneratie, 4) zwarte of zomergeneratie (var. prorsa), 3) rupsen, 5) poppen. Ware grootte.

Een enkele maal vindt men hier te lande ook nog de Podalirius (Papilio Podalirius, fig. 1), die, evenals alle overige Ridders, door Linnaeus naar een der helden uit den Ilias benoemd werd. Hij is minder algemeen verbreid, meer tot heuvelachtige gewesten beperkt. Zijne stroogele vleugels zijn zwart gestreept: de voorvleugels vertoonen, behalve een zwarten zoom en een smal, zwart wortelgedeelte, 2 doorloopende en 3 afgebrokene, wigvormige, zwarte vegen, die alle aan den voorrand breed beginnen en allengs smaller worden. De langstaartige achtervleugels zijn aan den uitgetakten zoom op zwarten grond met blauwe maantjes, aan den rechten achterrand met een paar breedere, gezamenlijk in een roode vlek uitloopende strepen en met een paar zeer smalle over het midden getooid. De geelachtig groene rups leeft op sleedoorn, is met roode stippels, geelachtig witte lijnen op het midden van den rug en schuinsche strepen over de zijden versierd en kan, evenals de vorige, een vorkvormig orgaan uit den nek naar buiten stulpen. De pop is van voren bruin, van achteren geel en hier met bruine ringen en stippels geteekend.

In andere werelddeelen, vooral in Zuid-Amerika, leven nog meer dan 300 soorten van het geslacht der Zwaluwstaarten; sommige zijn, evenals de onze, met zwarte strepen of vlekken op gelen grond getooid; andere hebben een prachtig, fluweelachtig zwart kleed met reeksen van gele vlekken; nog andere vertoonen helder karmijnroode vlekken, zooals Papilio Hector, die op Ceylon en in Oost-Indië voorkomt, of witte vlekken, die streepsgewijs bijeenstaan.

*

De Witjes (Pieridae) hebben gemiddeld een geringere grootte dan de Papilioniden; bij deze komen 4, bij gene 3 overlangsche aders uit den binnenrand van de middelcel. De achtervleugel eindigt nooit in een staart; uit zijn wortel ontspruiten 2 anale aders (in plaats van 1). Deze Vlinders ontstaan, evenals de vorige, uit omgorde poppen.

Het typische geslacht Pieris kenmerkt zich door den vorm van de knots aan ’t einde der sprieten (die op een korten kegel gelijkt), door de lengte der tasters (die boven den kop uitsteken en welker laatste lid meestal even lang is als het voorlaatste), door de afgerond driehoekige voor- en de eivormige achtervleugels. Dit geslacht is over alle landen der wereld verbreid en in een zeer groot aantal soorten gesplitst, van welke sommige door de vraatzucht van hare rupsen voor den landbouwer in de hoogste mate lastig worden.

De Groote Witjesvlinder, ook wel Koolwitje genoemd (Pieris brassicae), is kenbaar aan de zwarte spits van de voorvleugels en den zwarten veeg aan den voorrand der achtervleugels. Op de voorvleugels heeft het wijfje bovendien 2 zwarte, ronde vlekken boven elkander achter het midden; van de tweede vlek loopt een zwarte veeg naar den binnenrand. De gele onderzijde van de achtervleugels draagt gelijkmatig verdeelde zwarte schubjes. Het wijfje heeft 65 mM. vlucht. Deze eenvoudige Vlinder begint in Juli over velden en weiden en in tuinen rond te zwerven; in de tuinen fladdert hij bij voorkeur om koolplanten, leukojen en Oostindische kers, zoodra het tijd is om voor de nakomelingschap te zorgen. Meer dan 100 gele eitjes komen bij elkander te liggen en vormen als ’t ware een eilandje aan de onderzijde van het groene blad. Soms is hun aantal geringer, doch altijd zijn er verscheidene bijeen; ook aan de bovenzijde van de bladen treft men ze soms aan. Wanneer men zulk een eitje afzonderlijk ziet liggen, dan is het afkomstig van den Kleinen Witjesvlinder, die terzelfder tijd en op dezelfde plaatsen als de Groote rondvliegt.

De gele, zwart gevlekte rupsen kan men weldra dicht opeengedrongen in de nabijheid van de middelnerf van een blad der genoemde planten zien zitten. De poppen zal men hier waarschijnlijk niet aantreffen. De volwassen rups heeft n.l. de gewoonte, de plant, waarop zij haar voedsel vond, te verlaten en bij een naburigen muur of boomstam omhoog te kruipen, om een rustplaats voor haar gedaantewisseling te zoeken. Langzamerhand neemt het aantal gele, zwart gevlekte poppen toe; zij bedekken de naburige schuttingen, muren en andere boven den grond uitstekende voorwerpen en zijn hier een tijdlang gemengd met nog niet veranderde rupsen. Uit de overwinterde poppen komen in April of Mei van het volgende jaar Vlinders; deze vliegen dan slechts in kleinen getale en trekken niet zoo sterk de aandacht als die van de tweede generatie, welker leven zooeven geschetst werd. Hoewel twee generaties de regel is, kunnen er in een warmen zomer, waarop een mooie herfst volgt, wel drie voorkomen, daar de rupsen snel groeien en hare 4 vervellingen goed te boven komen, als het weder in dezen tijd niet al te vochtig is.

De landman kan zich een voorstelling vormen van het soms ontzaglijk groote aantal van deze Vlinders door de schade, die de rupsen hem toebrengen. Deze voorstelling wordt echter nog overtroffen door eenige in entomologische werken voorkomende aanteekeningen. Hierin vindt men o.a. de mededeeling, dat rupsen van Koolwitjes in het jaar 1854 een spoortrein tusschen Brünn en Praag tot staan hebben gebracht. Over een lengte van 200 voet waren de spoorstaven dicht bedekt met rupsen, in een brijachtige massa veranderd door de drukking der wielen. Deze pap had de rails en de raden zoo glad gemaakt, dat de wrijving niet meer voldoende was voor de rollende beweging van den trein en de wielen op dezelfde plaats bleven ronddraaien, zooals ook wel voorkomt, nadat het geijzeld heeft en het treinpersoneel zand of asch op de baan moet strooien om verder te kunnen komen. Andere voorbeelden van de sterke vermenigvuldiging dezer soort leveren de ontzaglijk groote zwermen van Koolwitjes, die nu en dan waargenomen zijn. “Dit geschiedde,” volgens Ritzema Bos, “o.a. in het laatst van Augustus 1876. Op verschillende plaatsen in ons land en ook daarbuiten (Ostende, Dantumawoude, Groningen, Noord-Duitschland boven de Elbe) zag men kolossale vlinderzwermen, alle uit Koolwitjes bestaande. Merkwaardig was het, dat de vlucht, die men boven de Elbe waarnam, met groote snelheid zich steeds boven de rivier, en wel stroomopwaarts, voortbewoog. Men beweerde, dat deze vlucht over de Noordzee heen naar den Elbe-mond was gekomen. Te Dantumawoude kwamen de Vlinders uit het O.N.O. en vlogen voort naar het Z.W. Misschien zijn zij dus ook van over de Noordzee daar gekomen. Het overtrekken van den zwerm, die, naar een ooggetuige verzekerde, ongeveer een uur gaans breedte moet hebben gehad, begon omstreeks den middag en duurde tot bijna 7 uur. Uit hoevele millioenen Vlinders moet die zwerm niet hebben bestaan!—Van waar al die Vlinders zijn gekomen?—Men weet het niet; zeker waren zij niet uit ons land afkomstig, waar juist in 1876 de koolrupsen betrekkelijk zeer weinig voorkwamen. Uit hetgeen boven werd medegedeeld, zou men afleiden, dat zij ergens uit het noorden van Europa hierheen waren gekomen.”—Op welke wijze door Sluipwespen (Microgaster glomeratus, Pteromalus puparum, Pimpla) de vermenigvuldiging van deze soort beperkt wordt, werd vroeger vermeld.

Het Kleine Koolwitje of Knollenwitje (Pieris rapae) is een trouwe begeleider van den zooeven besproken Vlinder en heeft zich sedert 1860 ook in Noord-Amerika gevestigd. Gemiddeld heeft het een vlucht van 50 mM. De kleur komt veel overeen met die van de vorige soort; het zwart van de spits der voorvleugels is doffer en minder uitgestrekt; de zwarte veeg aan den binnenrand ontbreekt meestal bij het wijfje; daarentegen heeft het mannetje dikwijls een zwarte vlek op de bovenzijde van denzelfden vleugel. De pop is gebouwd als bij de vorige soort, groen of groenachtig grijs van kleur, zwart gestippeld en met 3 gele, meer of minder duidelijke, overlangsche lijnen geteekend. De rups daarentegen is gemakkelijk te onderscheiden van die van het Koolwitje. Zij is vuilgroen, door een dichte en korte beharing eenigszins fluweelachtig; op den rug, zoowel als op iedere zijde, komt een fijne, gele, overlangsche lijn voor, die soms afgebroken is; de buitenste vergezelt de zwarte omlijste ademgaten.

Het Kleine Geaderde Witje (Pieris napi) is van de drie reeds genoemde leden van zijn geslacht het zeldzaamste; toch komt het tamelijk veel voor. In grootte komt deze soort met de vorige overeen; gemakkelijk herkent men haar aan de zwart bestoven uiteinden van de aders aan de bovenzijde der voorvleugels; de aders van de geelachtig witte onderzijde en de achtervleugels zijn over haar geheele lengte op deze wijze bestoven. Men vindt de rups op wilde kruisbloemige planten.

Een geheel andere levenswijze heeft het hiernevens afgebeelde Geaderde Witje [Pieris (Aporia) crataegi]. In Juli verschijnt de zwak bestoven Vlinder, kenbaar aan de zwarte aders en de ophooping van schubjes van dezelfde kleur aan hare uiteinden. Het wijfje legt weldra hare gele, fleschvormige eitjes in hoopjes van verschillende grootte op bladen van pruime- en pereboomen en van den verwanten sleedoorn, veel minder dikwijls waarschijnlijk op den hagedoorn. In den herfst komen de rupsjes uit; deze gebruiken nu niet veel voedsel, maar spinnen dadelijk een paar bladen aaneen en aan hun twijg vast, zoodat zij bij het afvallen van het loof blijven zitten. Het als zijde glinsterend spinsel dient tot rustplaats gedurende den winter. Als de boomen hunne bladen verloren hebben, trekken deze “kleine rupsennesten” licht de aandacht. Zoodra in ’t volgende voorjaar de knoppen groen worden, beginnen de rupsjes te eten en knagen weldra de bloemen weg, die zich in hun nabijheid bevinden. Als de rupsen iets grooter geworden zijn, verlaten zij haar gemeenschappelijke woning en verspreiden zich. De volwassen rups is dik en glanzig, middelmatig sterk behaard, heeft op den rug zwarte en roode, overlangsche strepen, die onderling afwisselen, en vertoont aan den buik een aschgrauwe kleur. Tegen het einde van Juni verpopt zij zich, meestal in de nabijheid van haar laatste voederplaats; soms echter verlaat zij deze en gaat op andere voorwerpen over. Na 12 à 14 dagen komt de Vlinder voor den dag en laat, evenals de meeste leden zijner orde, onmiddellijk na de geboorte een gekleurd vocht door de aarsopening ontwijken. Dit is bijna zoo rood als bloed en heeft op plaatsen waar de genoemde Vlinders in grooten getale voorkwamen, aanleiding gegeven tot het sprookje van den “bloedregen”.

De Nederlandsche naam der onderfamilie, die de hoofdkleur aangeeft van een groot aantal inheemsche en uitheemsche soorten, zou moeten leiden tot de meening, dat al hare leden grootendeels wit zijn. In den vreemde worden er echter gevonden, waarbij de witte kleur tot een deel van de achtervleugels beperkt blijft. Andere, die, in plaats van witte, gele of oranjekleurige vleugels hebben, behoeft men niet in den vreemde te zoeken. De vrij algemeen voorkomende, fraaie Peterselievlinder, ook wel het Peterseliebeestje genaamd (Antocharis cardamines), heeft vóór de grijze spits op den overigens witten voorvleugel een zeer groote, oranjekleurige vlek; dit geldt van het mannetje. Bij het wijfje, dat men licht voor een Witje zou kunnen houden, is de vurige vlek door een grijze middenstip vervangen. Bij beide vertoont de onderzijde van den achtervleugel zeer sierlijke, boomvormig vertakte, sapgroene teekeningen. De slanke, lichtgroene rups heeft, behalve een onduidelijke, groenachtig witte streep op het midden van den rug, een witte streep en zwarte stippels op de zijden. Zij leeft op verscheidene op weilanden groeiende kruisbloemige planten, o.a. op pinksterbloemen, torenkruid en look-zonder-look. De pop is zeer eigenaardig; zij gelijkt op een smalle, eenigszins gekromde weversspoel. Na de overwintering ontwijkt hieruit de fraaie Kapel, waarvan ieder jaar slechts één generatie voorkomt.

De algemeen bekende Citroenvlinder (Rhodocera rhamni) verschilt door den vorm zijner vleugels van de vorige Piëriden en heeft een andere levenswijze. De voorvleugels hebben een uitgesneden achterrand en een scherp, sikkelvormig gebogen uitsteeksel tusschen de 6e en de 7e ader; aan de achtervleugels bevindt zich een spitse hoek aan ’t einde van de 3e ader. Het mannetje is citroengeel, het wijfje groenachtig wit. Na de overwintering zoekt het bevruchte wijfje den gewonen wegedoorn (Rhamnus frangula) op, welks knoppen juist uitgesproten zijn, en legt hierop eieren. De dofgroene rups heeft op iedere zijde een witte streep, die van boven allengs in de grondkleur overgaat; zij voedt zich met de bladen van den genoemden heester en verandert in een hoekige, groene, op de zijden lichtgeel gestreepte en roodbruin gevlekte pop, die stompkantig uitpuilende vleugelscheeden heeft. De Vlinder vliegt in Juli en Augustus.

Andere Witjes (of “Geeltjes”, zooals men ze wegens hun kleur eerder zou noemen) kenmerken zich door een zilverkleurige of parelmoerachtige vlek op de onderzijde van de achtervleugels. Deze vlek heeft den vorm van een 8 en is met een roodbruinen rand omgeven bij den Oranjekapel of Gouden Acht (Colias Hyale); het mannetje heeft zwavelgele vleugels, het wijfje witachtige.—Een roestkleurigen rand heeft de zilverkleurige 8 bij den oranjegelen Hooivogel (Colias Edusa). Hier te lande komen deze Vlinders niet dikwijls voor.

*

Een aantal groote en fraaie, inheemsche Dagvlinders onderscheiden zich van de leden der beide vorige onderfamiliën door de geringere ontwikkeling der voorste ledematen, die vervormd zijn tot zoogenaamde poetspooten, zoo genaamd wegens hun verrichting, waarvoor zij de geschiktheid ontleenen aan de lange beharing. Zij zijn korter dan de voor ’t loopen dienende pooten en dragen geen klauw; hun voet is gebrekkig ontwikkeld, vooral bij ’t mannetje, waar slechts één langwerpig voetlid voorkomt. De hieraan kenbare Doornrupsvlinders (Nymphalidae) ontleenen hun naam aan de uitwassen, die op de huid der larven (doornrupsen) voorkomen. De pop hangt aan de staartspits met den kop naar beneden. De vleugels van den Vlinder zijn dikwijls getooid met prachtige, op goud en zilver gelijkende vlekken.

Algemeen bekend zijn de Paarlmoervlinders (Argynnis), die hun naam danken aan den glans van de onderzijde der achtervleugels. Hier komen verscheidene strepen of reeksen van vlekken voor; de bovenzijde van de vleugels vertoont een zwarte, dambordvormige teekening op oranjerooden grond, met vlekken, die op slecht geschreven cijfers gelijken, achter den voorrand van den voorvleugel. Zij wonen in of bij bosschen. Enkele soorten bezoeken, te gelijk met andere zomervlinders, bloeiende heideplanten en de met roode thijm begroeide open plekken in bosschen of op dorre vlakten. In den heeten zonneschijn fladderen zij in zoo grooten getale om deze en andere honigbronnen, dat men het klappen hunner vleugels kan hooren.

Geaderd Witje [Pieris (Aporia) crataegi] met eieren, rupsen (in en buiten haar spinsel) en poppen. Ware grootte.

De grootste inheemsche Paarlmoervlinder is de bij ons zelden voorkomende Keizersmantel (Argynnis paphia), die minstens 60 mM. vlucht heeft. De oranjeroode vleugels hebben op het zoomveld 3 reeksen van zwarte vlekken; de voorvleugel heeft op het wortelveld dicht bij den voorrand een teekening, die meer of minder duidelijk het getal 1556 voorstelt—op den linkervleugel staan de cijfers natuurlijk in omgekeerde volgorde. De groene onderzijde van den achtervleugel is versierd met vier paarlmoerstrepen met violetten weerschijn, n.l. 2 korte, wigvormige in het wortelveld en 2, die zich van den voorrand tot den achterrand uitstrekken, in het zoomveld. De geel gedoornde, bruine rups, die op den rug een afgebroken, gele, bruin gezoomde, overlangsche streep heeft, wordt vooral in vlakke, boschrijke streken op viooltjes, brandnetels en braambessen gevonden.

1–4) Dagpauwoog (Vanessa Io):—1) Vlinder.—2) Vlinder bij het verlaten van de pophuid.—3) Rups.—4) Pop.—5, 6) Het Bruine Zandoogje (Epinephele Janira):—5) Wijfje.—6) Rups.—Ware grootte.

De Aglaja-vlinder (Argynnis Aglaja) heeft 42 à 55 mM. vlucht en is het best te herkennen aan de groenachtig gele spits van de onderzijde der voorvleugels, waarop 6 zilveren stippels prijken; vier dwarsreeksen van dergelijke stippels komen op de achtervleugels voor. De rups is met vertakte, zwarte doornen bezet; zij heeft een gele rugstreep en steenroode zijdevlekken op zwartachtigen grond. Terzelfder tijd als de vorige ontmoet men haar op viooltjes, bij ons het meest op de heide, langs spoordijken en vooral in de duinen.

*

De Weegbreevlinders (Melitaea), waarvan bij ons 3 soorten (Artemis, Cinxia, Athalia) op droge zandgronden gevonden zijn, gelijken veel op de vorige door de kleur en de teekening van de bovenzijde der vleugels; daar aan de onderzijde de zilvervlekken ontbreken, heeten deze vleugels “blind”, evenals die van sommige variëteiten van Paarlmoerkapellen. De rupsen dragen, in plaats van doornen, bundels van haren; zij leven, evenals die van het vorige geslacht, op kruiden, o.a. op verschillende soorten van weegbree. De kleine, korte en dikke, van voren stompe poppen zijn wit, geel en zwart gestreept, zonder metaalglans. De Vlinders vliegen bij voorkeur op open plaatsen te midden van bosschen rond.

*

De Schoenlappers (Vanessa) behooren tot de meest bekende en verst verbreide Vlinders; sommige soorten zijn wereldburgers. Vele inheemsche trekken de aandacht zoowel door den hoekigen zoom als door de fraaie, bonte kleuren van de bovenzijde der vleugels; de onderzijde is met sombere kleuren als ’t ware gemarmerd. De oogen zijn sterk behaard, de eindleden der sprieten vormen, evenals bij de vorige geslachten, een duidelijk begrensde knots, door vrij plotseling dikker te worden. Deze Vlinders vliegen overal, zijn minder sterk dan de vorige aan het verblijf in of bij bosschen gehecht. Alle soorten hebben in den larvetoestand de huid met volkomen onschadelijke doornen bezet en leven dan gedeeltelijk op lage planten, gedeeltelijk op boomen en struiken. De poppen zijn hoekig, hebben een kielvormigen rug, twee spitsen aan den kop en meestal metaalachtig glinsterende vlekken op de huid.

Duidelijk getande voor- en achtervleugels en fraaie kleuren merkt men op bij het Dagpauwoog, ook wel het Pauwoog genoemd (Vanessa Io), welke Vlindersoort in sommige jaren bij ons zeer talrijk is. De fluweelachtige, helder blauwroode vleugels prijken in de nabijheid van het voorste hoekpunt ieder met een prachtige oogvlek; deze bestaat op de achtervleugels uit bruinachtig zwarte, zwarte en blauwe, op de voorvleugels bovendien uit gele kleuren. De lichte plek aan den tamelijk donkeren voorrand van de voorvleugels heeft dezelfde houtgele kleur als de buitenste ring van de oogvlek. De gedoornde rups is glanzig zwart met fijne, witte stippels; zij leeft gezellig op de groote brandnetel en op hop. Het wijfje overwintert. Waarschijnlijk is één generatie regel; in gunstige omstandigheden komt echter ook nog een tweede generatie tot ontwikkeling. De lichtbruine pop heeft een goudkleurigen weerschijn en goudgele vlekken; de hoeken op den rug vormen een caricatuur van een menschelijk aangezicht.

De statige Nommervlinder of Admiraalvlinder (Vanessa Atalanta) is ongeveer even groot of iets grooter dan de vorige soort. De achtervleugels zijn afgerond, de voorvleugels van een middelmatig grooten tand voorzien; de kleur der bovenzijde is fluweelachtig zwart. De voorvleugel prijkt met een vermiljoenrooden band, die aan den voorrand, bij het einde van het wortelveld begint en zich tot in de nabijheid van den binnenhoek uitstrekt; witte vlekken (2 groote en eenige kleinere) bevinden zich bij de spits. De achterrand van den achtervleugel is eveneens vermiljoenrood; hij is tusschen de aders met 4 zwarte stippels geteekend. Op de onderzijde van den voorvleugel ziet men dezelfde teekening als op de bovenzijde, met eenigszins doffere kleuren; de achtervleugel is met geelachtige tinten woelig gemarmerd; bij den wortel staat met zwarte cijfers het getal 98 (89) te lezen. De bont gevlekte, gedoornde rups leeft eenzaam, losjes ingesponnen tusschen brandnetelbladen. Ook bij deze soort overwintert het wijfje. De Admiraal-vlinder is een wereldburger; hij is over geheel Europa en Noord-Amerika verbreid en komt ook voor op den Himalaja en het vasteland van Indië, op de Soenda-eilanden en op Nieuw-Zeeland.

De Distelvink (Vanessa cardui) heeft afgeronde achtervleugels en een onbeduidenden tand aan den voorvleugel. Met uitzondering van Zuid-Amerika, is hij over de geheele wereld verbreid. Als rups leeft hij eenzaam tusschen saamgesponnen bladen van Distels, ook op gekweekte Artisjokken; daar planten, die voor de ontwikkeling dezer larve geschikt zijn, nagenoeg nergens ontbreken, ziet men den Vlinder overal boven velden en wegen vliegen. De bovenzijde der vleugels is rood (of oranje), zwart en wit gevlekt; de beide eerste kleuren hebben de overhand en zijn nagenoeg even sterk vertegenwoordigd. In Juni verschijnen de eerste Vlinders van het loopende jaar; deze brengen soms nog een tweede generatie voort, welker bevruchte wijfjes overwinteren; meestal echter komt slechts één generatie tot ontwikkeling, waarvan eenige exemplaren den winter overleven. Ook de Distelvinken komen enkele malen in groote menigte voor. Prevost zag in het laatst van October 1827 in Frankrijk een zwerm van 10 à 15 voet breedte 2 uren achtereen noordwaarts trekken.

De Koningsmantel (Vanessa Antiopa), de grootste inheemsche soort (58 à 71 mM. vlucht), houdt zich bij voorkeur in bosschen op, daar zijn rups het meest van berkenbladen houdt. Evenals de berk, is hij over geheel Europa en Noord-Amerika verbreid. Door de vleugeltanden komt hij met het Dagpauwoog overeen. Aan den breeden, lichtgelen achterrand der fluweelachtig zwartbruine vleugels, herkent men hem reeds op eenigen afstand. De daarvóór gelegen reeks van blauwe vlekken wordt eerst bij nader onderzoek zichtbaar. Van Juli af vertoont hij zich ook in de buurt van dorpen en steden, waar hij als rups bladen van wilgen en populieren at. Na de overwintering zoekt het wijfje in de genoemde boomen, welker knoppen dan juist beginnen te zwellen, een tamelijk hoog gelegen plaats voor hare eieren. Zij legt ze bij hoopjes en de rupsen leven eenigen tijd gezellig bijeen; in volwassen toestand zijn zij donker blauwzwart met steenroode vlekken langs den rug en hebben korte doornen over het geheele lichaam verspreid.

De vleugels van de Aurelia’s zijn in vorm gelijk aan die der vorige soort, maar oranjebruin van kleur met blauwe maanvlekjes in den zwarten zoom. Bij de Groote Aurelia (Vanessa polychloros) zijn 5 kleine, afgeronde, zwarte vlekken over de voorvleugels verstrooid; hun voorrand is geteekend met 2 groote vlekken, die van den achtervleugel met één groote vlek van dezelfde kleur. De geel gedoornde, zwartbruine rupsen, hebben 3 gele, overlangsche strepen op den rug; zij leven gezellig op kersen-, peren- en eenige andere boomen, welker twijgspitsen zij kaal vreten. Zij ontstaan uit eieren van overwinterende wijfjes en komen slechts éénmaal per jaar voor.

De vleugels van de Kleine Aurelia (Vanessa urticae) zijn iets lichter bruin, meer geelrood, aan den wortel zwart, vooral de achterste; de voorste hebben zwarte vlekken: 3 kleine op de schijf, 3 grootere, vierhoekige aan den voorrand; de achterste vierhoekige vlek is van den zoom gescheiden door een witachtige vlek. Deze Vlinders vliegen overal en bijna gedurende het geheele jaar; zij leveren twee generaties van zwarte, gedoornde rupsen, die gezellig leven op brandnetels en deze dikwijls geheel kaal vreten. Men herkent ze aan de gele en geelachtig groene, overlangsche strepen op de zijden. Ook de Kleine Aurelia heeft men enkele malen in tallooze menigte zien trekken. Göbel zag in Juli 1828 aan het meer van Neufchâtel een zwerm, die eerst na een half uur voorbij was.

De eenige als pop overwinterende soort is de bij ons hoogst zeldzame Tralievlinder (Vanessa levana), wiens beide variëteiten Prorsa en Levana een voorbeeld leveren van “tweevormigheid”, die van het jaargetijde afhangt (seizoen-dimorphisme). De bruingele, zwartgevlekte Wintervlinder Levana ontwikkelt zich uit de overwinterde pop en legt eieren, waaruit de zwarte, met een witte streep over de vier vleugels getooide Zomervlinders (Prorsa) ontstaan. Dezelfde tweevormigheid heeft men nog bij eenige andere Europeesche Dagvlinders waargenomen. Variëteiten die van het klimaat of van de plaatselijke gesteldheid afhankelijk zijn, komen veel vaker voor.

*

De Morphiden (Morphidae), die voor ’t meerendeel een aanmerkelijke grootte bereiken, zijn karakteristieke bewoners van den Oost-Indischen archipel en van tropisch Amerika. Reusachtige en prachtig gekleurde leden van het typische geslacht Morpho, dat 40 soorten omvat en tot Zuid-Amerika beperkt is, zweven gewoonlijk op vrij aanzienlijke hoogte, meestal niet lager dan 6 M., boven open plekken en breede wegen van de Braziliaansche wouden en maken een onvergetelijken indruk op iederen bezoeker van deze gewesten. De groote Ridders fladderen boven de straten der steden, vliegen in de tuinen rond en komen zelfs door het openstaande venster in een met bloemen versierde kamer. Minder gemeenzaamheid toonen de reusachtige Morpho’s, die, evenals de groote Papilio’s, naar Trojaansche helden genoemd zijn: de prachtig blauwe Menelaus, de niet minder fraai getooide Telemachus, de door een dofblauwen dwarsband kenbare Hector, de zuiver witte Laërtes, wiens achtervleugels aan de onderzijde met een dwarsstrook van allersierlijkst mozaïekwerk prijken, ziet men bijna niet anders dan na onweerregens op den grond verschijnen om hun dorst te lesschen. Alle hebben een vlucht van 130 à 180 mM. (of meer) en vallen dus reeds op vrij grooten afstand in ’t oog; hun langzame beweging maakt, dat zij meer nog dan de bontgekleurde tropische Vogels de aandacht trekken. De schitterendste vertegenwoordiger van de geheele onderfamilie is het blauwe, wit gevlekte mannetje van Morpho cypris, die Nieuw-Granada bewoont.

*

De Zandoogen (Satyridae) vormen een soortenrijke onderfamilie, die zich niet zoo zeer door den vorm der vleugels, als wel door hun kleur en teekening en door eenige andere kenmerken duidelijk van de haar verwante groepen onderscheidt en vooral in Europa vertegenwoordigd schijnt te zijn. De meer of minder donkerbruine bovenzijde van de vleugels is bij sommige bijna effen, bij de meeste echter geteekend met ronde stippeltjes—“blinde” of gekernde oogvlekken—, die soms in gering aantal, soms talrijker voorkomen; deze zijn in ’t laatstgenoemd geval altijd op een reeks dicht bij den zoom, dikwijls ook, vooral bij de wijfjes, op de voorvleugels, in een lichter gekleurde vlek geplaatst. De oogvlekken komen scherper en zuiverder uit op de onderzijde van de vleugels dan op hun bovenzijde. Van de voorvleugels stemmen beide zijden meestal overeen; de onderzijde van de achtervleugels is grootendeels bruin gemarmerd. Bovendien is bij alle Zandoogen het lichaam behaard. De meeste bereiken slechts een middelmatige grootte. Sommige soorten komen uitsluitend in het hooge noorden voor en onderscheiden zich door een lichtere grondkleur en een opmerkelijk dun en doorzichtig schubbenkleed. Verscheidene karakteristieke bewoners van de Alphen en andere hooge gebergten behooren tot deze onderfamilie; sommige van de talrijke, in bergstreken voorkomende soorten worden echter ook elders gevonden. Vooral op weiden en andere met gras begroeide plaatsen treft men ze aan.