Argusvlinder (Pararge Megaera). Ware grootte.
De rupsen van de Zandoogen loopen van achteren dunner uit en zijn voorzien van 2 staartpuntjes; haar huid is glad of gerimpeld, zeer duidelijk met fluweelachtige haren begroeid en met overlangsche strepen geteekend, die lichter of donkerder zijn dan haar omgeving. Zij voeden zich bijna uitsluitend met grassen en leiden een zeer verborgen leven, daar zij ’s nachts eten en over dag bij het onderste deel van hare voederplanten op of in den grond verscholen liggen. De poppen zijn bruinachtig van kleur en rusten los op den grond, in de bovenste aardlaag of onder steenen; sommige echter zijn met de staartspits aan het een of andere voorwerp bevestigd en hangen met den kop naar beneden.
De Semele (Satyrus Semele) is een zeer schuwe, vlugge Vlinder, die gedurende de maanden Juli en Augustus, vooral op dorre, zandige terreinen, bij ons veelvuldig aangetroffen wordt. Zij zet zich gaarne op een boomstam neer, maakt de oppervlakte van de vleugels, welker bovenzijden aaneensluiten, zoo klein mogelijk door de voorste over de achterste te schuiven, vliegt bliksemsnel weg om op een andere plaats van denzelfden stam nogmaals zulk een houding aan te nemen en herhaalt deze doellooze bezigheid 10- à 20-maal snel achtereen. In rust liggen hare vleugels steeds tegen elkander aan en zijn ineengeschoven; daar zij gedurende het vliegen zeer snel bewogen worden, krijgt men hun bovenzijde in ’t geheel niet te zien. Deze is bruin met een grijs waas; in het zoomveld van den voorvleugel zijn 2 oogvlekken met fijne, witte kern dicht achter elkander geplaatst; in den achtervleugel is er één dicht bij den binnenhoek. De onderzijde van den voorvleugel komt, wat teekening betreft, vrij wel met de bovenzijde overeen; de achtervleugel is van onderen op zuiver grijzen grond donkerbruin en zwart gemarmerd; zijn kleine oogvlek is slechts bij het wijfje zichtbaar, bij het mannetje echter verdwenen. De vlucht van het wijfje bedraagt gemiddeld 58 mM. De gladde grijze, aan den buik groenachtige rups heeft 5 zwarte, overlangsche strepen, waarvan de middelste de donkerste is, bij ieder ademgat een zwarte stip en 6 zwarte strepen op den kop. Zij vreet gras, overwintert op tamelijk jeugdigen leeftijd en is in Mei of Juni van ’t volgende jaar volwassen; zij verpopt zich dan even onder den grond of onder een steen.
Het Koevinkje (Epinephele hyperanthus) is een echte weidebewoner en draagt een zeer eenvoudig kleed. Zijne van boven donkerbruine vleugels hebben een witte franje en ieder 2 dicht bijeengelegen, zwarte oogvlekken met fijnen, gelen ring en witte kern. De onderzijde is grijsgeel en heeft, behalve de reeds genoemde, op den voorvleugel een kleine, iets lager gelegen, derde oogvlek, op den achtervleugel in het midden van den voorrand 2 vlekken, die samen een 8 vormen. Het wijfje is grooter dan het mannetje en heeft 41 mM. vlucht. Van het midden van Juni tot in Augustus is deze Vlinder op weiden overal te vinden. Zijn rups vreet bij voorkeur hirsgras (Milium effusum), doch ook andere grassoorten. Zij is in het midden het dikst, roodachtig grijs, fluweelachtig behaard, heeft boven de grijze pooten een witte en op den rug een bruine, overlangsche streep. Zij overwintert en verandert in ’t begin van Juni in een korte, kegelvormige pop.
Het Bruine Zandoogje (Epinephele Janira, fign. 5 en 6), een van onze algemeenste en meest bekende Dagvlinders fladdert van Juni tot in September op alle weiden rond. Tusschen de beide sekten bestaat meer verschil dan bij menige andere soort. Bij het mannetje is de bovenzijde donkerbruin, de voorvleugel aan den wortel en op het middelveld tamelijk lang behaard en bij de spits voorzien van een oog, dat slechts aan de geelroode, langs den rand bruinachtige onderzijde een witte kern vertoont. De achtervleugel is van onderen grijsbruin en vertoont langs de romp sporen van een witte streep. Deze is bij het aanmerkelijk lichtere wijfje (fig. 5) duidelijker; bij haar is de oogvlek op de bovenzijde van den voorvleugel met een roode vlek omgeven en ook hier van een witte kern voorzien.—De groene of geelachtig zwarte rups (fig. 6) heeft een witte, overlangsche streep boven de pooten. Zij vreet verschillende grassen, vooral veldbeemdgras (Poa pratensis) en komt in levenswijze met de vorige soort overeen.
De Argusvlinder (Pararge Megaera) gaat gaarne met half geopende vleugel op leemmuren, op steile hellingen van dijken, holle wegen of doorgravingen, in steengroeven of op den naakten grond zitten; bij zijne rustplaatsen vliegt hij in den zonneschijn snel op en af, kenbaar aan de slappe houding van zijne donker okergele vleugels, die met bruingrijze, golvende lijnen en vlekken geteekend zijn; hoogst zelden ziet men hem op bloemen. Tot verduidelijking van de afbeelding moet nog gewezen worden op de geel gerande oogvlekken met fijne, witte kern (de laatste is dubbel) en op de witte franjes tusschen de aders; de onderzijde van de achtervleugels is geelachtig grijs, donkerder gemarmerd.
Van de lente tot laat in den herfst ontwikkelen zich verscheidene generaties van Argusvlinders. Naar het schijnt, overwinteren zij soms in den imago-toestand; regel is dit echter voor de rups. Deze leeft op allerlei zachtbladige grassen; haar fluweelachtig behaarde, bleekgroene huid vertoont langs de zijden een witte, van voren allengs verflauwende streep en op den rug 5 donkergroene, overlangsche strepen met bleeken zoom. Zij verandert in een hangende pop van zwartachtig groene kleur met 2 reeksen van lichte knobbeltjes op den rug.
De Lycaeniden (Lycaenidae) zijn kleine Dagvlinders van 20 à 40 mM. vlucht, met ovale, van boven en van onderen eenigszins hoekige oogen, zwart en wit geringde, dunne sprieten, borstelig behaarde, eenigszins opgewipte tasters met naakt eindlid en nagenoeg normaal ontwikkelde voorpooten (de wijfjes althans). De rupsen zijn bijna eirond en van onderen plat; zij hebben een kleinen, terugtrekbaren kop en korte pootjes en veranderen in omgorde poppen.
Minder dan de andere Kleine Pages (Thecla) trekken de Kleine Eiken-pages (Thecla quercus) de aandacht, daar zij nergens talrijk zijn en niet dikwijls uit de hooge luchtlagen van het woud (of althans van het kreupelhout) afdalen. Zij hebben 32.5 à 35 mM. vlucht. De vleugels zijn aan de bovenzijde effen zwartbruin en bij een bepaalde wijze van verlichting als met een violet waas bedekt. Aan het mannetje komt de prijs der schoonheid toe, daar zijne voorvleugels aan den wortel versierd zijn met twee prachtig hemelsblauwe vlekken; deze zijn dicht bijeen geplaatst: de binnenste is langer dan de buitenste. De onderzijde is glanzig zilvergrijs en heeft in het zoomveld een witte, van binnen donker gezoomde streep, waarachter eenige roodachtige vlekjes voorkomen. De slanke, met witte en zwarte ringen getooide sprieten worden naar boven allengs dikker. De oogen zijn behaard en door fijne, witte schubjes omgeven, de voorpooten bij beide geslachten iets zwakker dan de overige. Deze fraaie Vlinders, die in Europa alle landstreken bewonen, waar eiken groeien, vliegen in Juni, nadat zij als pop den winter hebben doorleefd. De rupsen, die uit hunne eieren komen, bereiken in den loop van den zomer haar volle grootte, kruipen onder mos en gaan hier in den poptoestand over. Men noemt ze schildrupsen, daar zij van boven bol, van onderen plat zijn en ook door haar gedrongen lichaamsbouw op pissebedden gelijken.
Nog 5 andere soorten van Kleine Pages (Thecla betulae, spini, pruni, rubi, ilicis) worden in Nederland gevonden en komen door het maaksel van vleugels, sprieten, pooten en oogen, zoowel als door het leven dat zij leiden op de door haar soortnaam aangeduide boomen of heesters (berken, sleedoornen, pruimen, braambessen, eiken), met de reeds beschrevene overeen.
Aan de vorige gelijk, wat vorm en grootte betreft, zijn de Vuurvlindertjes (Polyommatus). Het mannetje van Polyommatus virgaureae is de vurigste inheemsche Dagvlinder, niet wegens zijn aard, maar wegens zijn kleur; zijne vleugels hebben aan de bovenzijde zwarte randen, doch schitteren overigens als een goudlegeering met groot kopergehalte; het wijfje daarentegen is met zwarte stippen als bezaaid, althans op de achtervleugels; de stippen der voorvleugels vormen op het zoomveld twee dwarse reeksen; bovendien staan er nog twee naast elkander op het middelveld. De onderzijde is bij beide seksen nagenoeg gelijk, n.l. dof geelrood en bezaaid met zwarte stipjes, waarvan er 3 op een rechte lijn in de middelcel geplaatst zijn, welk verschijnsel het geheele geslacht kenmerkt. De genoemde soort vliegt in Juli en Augustus bedrijvig rond bij bloemen in bosschen en laat zittend de bovenzijde van de vleugels zien. De groene, geelgestreepte schildrups leeft op guldenroede (Solidago virgaurea) en zuring.
De Blauwtjes (Lycaena) heeten zoo wegens de fraaie, blauwe kleur van de bovenzijde der vleugels; dit geldt echter alleen van de mannetjes; bij de wijfjes heeft donkerbruin, waaraan soms een blauwe weerschijn valt waar te nemen, de overhand en komen alleen aan den vleugelwortel soms blauwe vlekken voor. De onderzijde is meer of minder sterk bezet met zwarte stippels (blinde oogen) of met oogvlekken, die in de nabijheid van den zoom reeksen vormen en niet zelden een glinsterende, zilverkleurige kern hebben. De aanwezigheid van een blind oog op de dwarsader van den voorvleugel is een der kenmerken van het geheele geslacht. Het is in alle werelddeelen vertegenwoordigd en omvat verscheidene honderden soorten. Hier te lande vindt men er 12. Al deze vlindertjes vliegen in ’t midden van den zomer bedrijvig rond op bloemrijke weiden en velden, in bosschen en boven dorre heiden, maar bewegen zich, naar het schijnt, niet over groote afstanden. De rupsen hebben den vorm van schildrupsen en leven bijna alle op vlinderbloemige planten. Een dwarse spleet op het midden van den rug van den 10en ring, door Mr. A. Brants ontdekt, dient vermoedelijk tot afscheiding van een zoet vocht, waarvan de Mieren gebruik maken.
De meest algemeene soort is bij ons het Stalkruidblauwtje (Lycaena Icarus), die 27 à 38 mM. vlucht heeft, in Mei en van Juli tot September vliegt en ieder jaar 2 (of 3) generaties voortbrengt. De bovenzijde van beide vleugels is bij het mannetje licht paarsachtig hemelsblauw, bij het wijfje donker zwartbruin en meer of minder blauw bestoven. De onderzijde is bij het mannetje lichtgrijs, bij het wijfje donkerder, meer bruinachtig grijs. De vlekken, die vooral bij het wijfje voorkomen, zijn nog al onderhevig aan variatie. De bleekgroene, zwartkoppige rups is kenbaar aan een donkerder groene streep met witachtigen zoom over den rug, een geelachtig witte streep tusschen de pooten en de ademgaten, benevens vier donkergroene banden tusschen de beide genoemde strepen. Men vindt haar in Mei en nogmaals in Juli op het gedoornde stalkruid (Ononis spinosa), welks bloemen zij bij voorkeur eet.—De pop is grasgroen, op de vleugelscheeden, den kop en het staarteinde geel.
*
Behalve aan het kenmerk, dat in hun naam ligt opgesloten, kan men de Dikkoppen (Hesperidae) gemakkelijk van de andere Dagvlinders onderscheiden aan den half opgeklapten stand der vleugels gedurende het honigzuigen (geheel opgeslagen zijn zij in den toestand van rust), voorts aan den zwarten haarlok op den wortel der sprieten; de achterscheen draagt, behalve 1 paar sporen aan ’t einde, ook nog 1 paar sporen in ’t midden. De plompe bouw van kop en romp en de geringere grootte der vleugels gaan gepaard met een snelleren vleugelslag, zoodat de wijze van vliegen eenigszins aan die der Nachtvlinders herinnert. De rupsen zijn fijn en kort behaard; zij leven tusschen losjes saamgesponnen bladen; hier is tevens de rustplaats van de pop, die door een dun spinsel omgeven is. Ruim 1200 soorten van Dikkoppen bewonen alle werelddeelen, doch vooral Zuid-Amerika. Men kent een 30-tal Europeesche soorten, die ongeveer de gemiddelde grootte van de Lycaeniden bereiken, maar een meer gedrongen lichaamsbouw hebben; hun kleur is eentonig.
Als voorbeeld moge dienen de Kommavlinder (Hesperia comma), die hier te lande in Juli en Augustus, vooral op zonnige, zandige plaatsen in dennenbosschen, vliegt, geheel Europa bewoont en in de gebergten zoo hoog opstijgt, als de plantengroei reikt. Het mannetje en het wijfje zijn beide bruingeel van boven en groenachtig geel van onderen, doch verschillen overigens duidelijk. Het mannetje heeft voorvleugels met donkerbruinen zoom, met 5 lichtere vlekken en met een zwarte, scheef gerichte middelvlek, die door een als zilver glinsterende streep overlangs verdeeld is en op het leesteeken gelijkt, waaraan de soort haar naam ontleent. De achtervleugels hebben op hun donkeren zoom lichte vlekken. Bij het wijfje strekt zich over beide vleugels een reeks van lichte vlekken uit; die vooral op de achtervleugels geelachtig wit zijn; de plaats van de zwarte kommavlek wordt bij haar ingenomen door een aantal groene schubben.—De rups is groen, op de zijden zwart gestippeld; zij leeft op verschillende planten, doch vooral op de kroonwikke (Coronilla varia).
Zoowel door hun uitwendig voorkomen als door hun levenswijze staan de Pijlstaarten, Sphinxen of Schemeringvlinders (Sphingidae, Crepuscularia) tegenover de Dagvlinders. Het lichaam is dik en zwaar en met een dicht kleed van schubben en haren bedekt; de vleugels zijn van onderen krachtig geaderd, dikwijls ruig behaard, de voorste smal en lang, de achterste, met deze vergeleken, afgerond en klein, van voren met een vleugelhaakje uitgerust; het achterlijf is spoelvormig en past volkomen op de borst. Aan deze kenmerken kan men de Sphinxen reeds bij den eersten oogopslag onderscheiden van de Dagvlinders met hun slank lichaam en sterk uitgebreide vleugels. Daar de tasters kort en breed zijn, loopt de betrekkelijk kleine kop van voren in een stompe spits uit; de bijoogen ontbreken. De sprieten zijn kort en dik, op de dwarse doorsnede driehoekig, aan den wortel meestal iets dunner dan verderop; zij eindigen in een haarfijne, haakvormig naar achteren omgebogen spits. De roltong bereikt hier den hoogsten trap van ontwikkeling en is soms dubbel zoo lang als het lichaam. De middelrug en het achterlijf zijn bij de inheemsche soorten met glad aanliggende haren bekleed.
Op enkele uitzonderingen na slapen deze Vlinders over dag rustig op een veilige plaats in de schaduw en laten de eenigszins geopende, horizontaal naar achteren gerichte vleugels los op het lichaam rusten. De naar achteren gerichte sprieten zijn zoo dicht tegen de vleugelwortels aangedrukt, dat men ze niet bemerkt. De oogen beginnen bij den aanvang van de avondschemering te schitteren. Dan verlaten de Sphingiden hunne schuilplaatsen, begeven zich naar de bloemen en zoeken elkander op; men hoort ze in den regel, voordat men ze te zien krijgt; met een sterk brommend geluid snorren zij door de lucht en blijven af en toe gonzend zweven voor een bloem, waaruit zij met hun lange roltong honig zuigen. Zoo traag zij er over dag uitzien, zoo wild en onbesuisd zijn zij nu. Zonder verpoozing duurt hun snelle vlucht, die hun den naam van Onrusten heeft verschaft, tot laat in den avond.—De rupsen zijn zonder uitzondering kaal; haar langwerpig lichaam loopt meestal naar voren een weinig dunner uit; het wordt gesteund door 16 pooten en is op den rug van het voorlaatste segment voorzien van een meer of minder langen hoorn, die aanleiding heeft gegeven tot den naam van pijlstaartrupsen; dikwijls zijn zij met fraaie kleuren of teekeningen versierd. Evenals de Vlinders, rusten zij over dag, vastgeklemd aan de plant, die haar voedsel verschaft; vele soorten houden ’t voorste deel van ’t lichaam opgeheven, de kop en de voorpooten ingetrokken; in dezen stand worden zij met de Egyptische Sphinx vergeleken, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot den naam der familie. Geheel anders gedragen zij zich des nachts; dan openbaart zich haar vraatzucht; de kaken van de rups bewegen zich dan even vlug als de vleugels van den Vlinder. Van gezelligheid vindt men bij de pijlstaartrups geen schijn. Als haar tijd gekomen is, kruipt zij in den grond; in een holte met gladde wanden, doch zonder eenig spinsel, verandert zij in een spoelvormige pop, die meestal een donkere, soms echter een lichte kleur heeft. In den regel is de winter noodig voor het voltooien van den ontwikkelingsgang; bij uitzondering duurt deze verscheidene jaren; slechts bij enkele soorten ontwikkelen zich 2 generaties in één jaar.—In Zuid-Amerika is deze familie het sterkst, in Nieuw-Holland het zwakst vertegenwoordigd; van hare ruim 400 soorten komen 35 in Europa voor.
De Doodshoofdvlinder (Acherontia Atropos) heeft, na de Mexicaansche Acherontia Medor, een grootere massa dan eenig ander lid van zijn orde. Hij heeft 100 à 134 mM. vlucht. Het 55 mM. lange lichaam is zeer forsch gebouwd; het achterlijf, vooral bij het wijfje zeer dik en plomp, kan 19.5 mM. breed worden.
Twee eigenaardigheden hebben dezen Vlinder een zekere beroemdheid verschaft. Het borststuk, dat met een dichtharige, bruine vacht bekleed is, draagt op den rug een okergele teekening, die veel gelijkt op een doodshoofd, met twee gekruiste beenderen er onder. Voorts kan de Vlinder een piepend of knarsend geluid laten hooren. De juiste verklaring van dit verschijnsel is, volgens de onderzoekingen van Dr. J. Th. Oudemans, door Maitland gegeven. “Het geluid wordt voortgebracht door het uitstooten van lucht door den zuiger heen, door middel van samentrekking van den pharynx” (of keelholte); “legt men dezen bloot door verwijdering van het schedeldak, dan kan men dit uitmuntend waarnemen; een opening in den pharynxwand gemaakt, doet het vermogen om geluid voort te brengen, onmiddellijk verloren gaan. De uitgestooten lucht brengt twee op stembanden gelijkende en een soort stemspleet tusschen zich latende, inspringende plooien aan den zuigerwortel in trilling en de zuiger doet vervolgens dienst als orgelpijp; wordt hij verkort, dan vermindert de sterkte van het geluid. De Vlinder maakt het geluid wel voornamelijk, indien hij verontrust wordt, doch niet uitsluitend.”
De kop en de rugzijde van het borststuk, die de hierboven bedoelde gele teekening draagt, zijn bijna zwart, het achterlijf geel met zwarte ringen en een breede, blauwgrijze, overlangsche streep op het midden van den rug. De voorvleugels zijn donkerbruin, zwart en eenigszins okergeel gewolkt, door twee geelachtige dwarsbanden in de bekende 3 velden verdeeld; het middelveld heeft een witte, zwart gezoomde stip. De okergele achtervleugels zijn getooid met twee zwarte dwarsbanden; de buitenste is de breedste, bij de aders uitgetakt, als ’t ware uitvloeiend. In Nederland is deze Vlinder, die, evenals de Oleanderpijlstaart, als een soort van “trekvogel” moet worden beschouwd, doorgaans vrij zeldzaam, in sommige jaren echter in den herfst overvloedig. Men ziet hem dan met dakvormig het achterlijf bedekkende vleugels tegen een muur zitten, of ’s avonds in een woonkamer om het licht vliegen, waar zijn verschijning de bewoners niet zelden met schrik en vrees vervult. De rups, die in volwassen toestand 13 cM. lang is, vindt men in den regel in Juli en Augustus op aardappelloof; op den voorlaatsten ring draagt zij een S-vormig gebogen, als een staartje naar beneden hangend hoorntje. De kleur varieert sterk; gewoonlijk is zij groenachtig geel, op alle leden, behalve op de 3 eerste en het voorlaatste, dicht bezaaid met zwartblauwe stipjes; ieder segment, te beginnen bij het vierde, heeft op den rug een van voren geopende, winkelhaakvormige streep van fraaie, blauwe kleur, naar onderen zwart geschaduwd. De volwassen rups kruipt in den grond, maar komt hieruit soms 5 of 6 uur later weer te voorschijn, of steekt althans den kop naar buiten en knaagt aan een in de nabijheid liggend blad. Bij het aardappelenrooien vindt men de glanzig zwartbruine pop, die een gat in den grond bewoont.—De Doodshoofdvlinder komt in Mexico, geheel Afrika en op Java voor; in Zuid Europa ontmoet men hem veelvuldiger dan in noordelijker gewesten. Velerwege, o.a. in het Banaat en op Sicilië, heeft men hem betrapt op het stelen van honig uit bijenkorven.
De Dennenpijlstaartvlinder (Sphinx pinastri) is het onaanzienlijkste lid van deze familie, daar zijn kleur nagenoeg overeenstemt met die van den dennenstam, waarop hij zit; overal waar deze boomsoort groeit, vindt men hem. De bovenzijde van zijne slanke sprieten en de franje van de vleugels zijn grijsachtig wit, de voorvleugels met eenige zwarte, overlangsche streepjes geteekend. De zuiger is 40 mM. lang. Het wijfje hecht hare bleekgroene eieren aan dennenaalden; na 10 à 14 dagen komen de rupsen te voorschijn. Deze vervellen gemiddeld alle 10 dagen, vreten de afgeworpen huid op, gelijk ook vele andere rupsen doen, en verkrijgen mettertijd hare bonte, overlangsche strepen: geel, groen en paars. Na de 4e vervelling is de rups volwassen; zij heeft dan blauwe, gedeeltelijk zwarte dwarsplooien en de bovengenoemde strepen hebben zich in meerdere of mindere mate in reeksen van vlekken gesplitst. Wanneer men haar aanraakt, slaat zij woest met het lichaam om zich heen, braakt een bruin vocht uit en tracht te bijten. Ongeveer in de eerste helft van September kruipt zij in den grond (als de voet van den boom door een laag mos omgeven is, begeeft zij zich ook wel hieronder), gaat in den poptoestand over en overwintert als pop. Deze is zwart en kenmerkt zich door een korte, bij wijze van een neus uitpuilende zuigerscheede. Soms komen de rupsen in zoo grooten getale voor, dat de dennen er groote schade door lijden.
In den zomer ziet men op de cypresbladige wolfsmelk (Euphorbia cyparissias) een dikke, fraai geel getijgerde rups zitten, waaruit zich de Wolfsmelkvlinder [Sphinx (Deilephila) euphorbiae] ontwikkelt. Zijne lederkleurig gele, dikwijls rozerood bestoven voorvleugels zijn zoowel aan den wortel, als achter het midden aan de voorzijde getooid met een olijfgroene vlek, voorts met een wigvormige streep van dezelfde kleur vóór den rooden zoom. De achtervleugels zijn deels licht, deels donker rozerood, aan den wortel en vóór den zoom met een zwarte streep geteekend, aan den binnenhoek wit. Wit zijn ook de zijden van het borststuk en van het achterlijf.
Veelvuldiger ontmoet men bij ons den Olifantsvlinder, ook wel genoemd het Avondrood [Sphinx (Deilephila) elpenor], wiens aanvankelijk groene, later bruine of zwartbruine rups van Juli tot September te vinden is op meekrap, walstroo (Galium), basterdwederik (Epilobium), kattestaart (Lythrum) en Fuchsia. De Vlinder vliegt in Mei en Juni; hij heeft olijfgroene voorvleugels met paarsroode strepen; de achtervleugels zijn rozerood, aan den wortel zwart.
De Oleanderpijlstaart [Sphinx (Deilephila) nerii] is kleuriger en vliegt vlugger dan alle andere Europeesche Schemeringvlinders. Zijn eigenlijk vaderland is trouwens in Noord-Afrika en Klein-Azië gelegen; van hier trekken vele exemplaren in den voorzomer (Juni) naar Europa, bezoeken ook ons land en leggen eieren, welke nog vóór den winter (van Juli tot September) in den vlinder-toestand overgaan. Het is echter gebleken, dat de wijfjes, die in noordelijke landen geboren worden, onvruchtbaar blijven. Volgens Dr. J. Th. Oudemans, moeten exemplaren, die elders uit overwinterde poppen gekomen zijn, de soort bij ons in stand houden; hetzelfde geldt van den Doodshoofdvlinder en van den zeldzamen Phoenix of Grooten Wijnstokpijlstaart [Sphinx (Deilephila) celeria]. De Oleanderpijlstaartrups is in volwassen toestand 110 mM. lang; men vindt haar, soms in Juli, meestal echter in Augustus, op oleander en maagdepalm (Vinca); zij vertoont kleursverscheidenheden: van de eene is de grondkleur groen, van de andere okergeel met bruinachtige, wolkige strepen. Aan weerszijden van het 3e rompsegment komt een niervormige oogvlek voor: een witte kern met zwartachtig blauwen zoom; daarachter begint een witte, overlangsche streep. Ongeveer 24 uur voordat zij haar voederplant verlaat, ondergaat haar kleur een belangrijke verandering. Zij verpopt zich aan de oppervlakte onder mos en andere op den bodem liggende voorwerpen, die zij door eenige draden aaneenvoegt. Na 4 à 6 weken in den poptoestand verkeerd te hebben, komt de Vlinder, die 110 à 115 mM. vlucht heeft, voor den dag. Zijn grondkleur is helder grasgroen; op de voorvleugels komen witachtige, rozeroode en paarse strepen en vlekken voor; de wortel der achtervleugels is geteekend met een breeden, violetten band; niet minder bonte kleuren vertoont de stam.
In Mei en Juni ziet men niet zelden aan populierenstammen langs groote wegen witachtige of bruinachtige Vlinders, die men op eenigen afstand voor droge bladen zou houden. Zij hangen aan de schors, daar zij zich alleen met de voorpooten vasthouden. Het zijn Populierpijlstaarten (Smerinthus populi), vertegenwoordigers van het geslacht der Gehakkelde Pijlstaarten (Smerinthus), zoo genoemd wegens den bochtigen of gehakkelden achterrand der vleugels. Deze zijn veel minder dan die van andere Pijlstaarten voor een snelle vlucht geschikt. In den rusttoestand bedekken zij het achterlijf niet, maar wel grootendeels elkander; bij de genoemde soort steekt een stuk van den achtervleugel voor den voorrand van den voorvleugel uit. Alle leden van dit geslacht hebben een dunnen, korten, voor het gebruik ongeschikten zuiger en blijven dus niet, gelijk de andere Sphingiden bij hunne nachtelijke zwerftochten, voor een bloem zweven. De voorvleugels zijn door 2 bruinroode, een weinig golvende, smalle strepen in 3 velden verdeeld; op het middelveld ziet men een wit maantje en een bruinroode middenschaduw. De achtervleugels missen het vleugelhaakje, zijn aan den voorsten hoek uitgesneden, aan den binnenrand bruinrood wolkachtig gevlekt en hebben 2 strepen.—In den nazomer ziet men geelgroene rupsen met een naar boven spits toeloopenden kop over den weg kruipen; zij hebben een door kleine knobbeltjes ruwe huid met witachtige, schuine streepen en een hoorntje, dat in een zwarte spits eindigt. Weldra kruipen zij in den grond en veranderen in een overwinterende, zwartbruine pop. Behalve op populieren, ontwikkelt haar rups zich op wilgen, evenals de veel op haar gelijkende rups van den Pauwoog-pijlstaartvlinder, gewoonlijk Avondpauwoog genoemd (Smerinthus ocellatus), die zich door een groote, blauw en zwart gerande, donkere oogvlek op de karmijnroode achtervleugels van alle andere inheemsche Sphingiden gunstig onderscheidt. De derde inheemsche soort van dit geslacht, even gewoon als de beide andere, de Linde-pijlstaartvlinder (Smerinthus tiliae), is verschillend van kleur, de voorvleugels zijn witachtig paars à okerbruin, soms groenachtig, de achtervleugels okergeel, gedeeltelijk zwartachtig.
Oleanderpijlstaart [Sphinx (Deilephila) nerii] met rups en pop. Ware grootte.
De Meekrapvlinder, veelal Onrust genoemd (Macroglossa stellatarum), waarvan ieder jaar twee generaties voorkomen, is in Juni en Juli en in September bij de meest verschillende bloemen te vinden. Door de wijze van vliegen en door den vorm van het lichaam, dat in een breeden staartpluim eindigt, herinnert hij aan een Vogel en vormt een hoogst eigenaardige tegenstelling met de overige leden zijner orde. Bliksemsnel verschijnt hij bij een bloem, blijft er met snellen vleugelslag een oogenblik voor zweven, terwijl hij met den langen zuiger de nectariën leegpompt en is even plotseling weer verdwenen. Hij overwintert niet als pop, gelijk de overige leden der familie, maar als imago, misschien ook als ei. De rups is meer of minder donkergroen, soms roodbruin, bij ’t naderen van den poptoestand paars; zij heeft 8 reeksen van witachtige, uitpuilende parelvlekken en 4 witte, overlangsche strepen. Zij leeft op walstroo (Galium) en werd vroeger, toen hier meekrap verbouwd werd, veel op deze plant gevonden.
Twee zeldzamere soorten van ’t zelfde geslacht (Macroglossa bombyliformis en M. fuciformis) worden Glasvleugelpijlstaarten genoemd, omdat het middelste deel der vleugels de schubben spoedig weer verliest en dan glashelder wordt, gelijk ook bij de Glasvlinders geschiedt.
De Houtboorders (Xylotropha) hebben slechts twee kenmerken met elkander gemeen: sprieten, die spits eindigen, en twee sporen aan de binnenzijde van de achterscheen; overigens wijken zij ver uiteen. Bij sommige vindt men breede vleugels, welke aan die der Dagvlinders herinneren, bij andere komt de smalle vleugelvorm der Sphingiden voor, nog andere vertoonen den tusschen beide gelegen vorm der Spinners. De rolronde of platgedrukte, schraal behaarde, 16-pootige rupsen leven in haar jeugd onder de schors van houtige planten, dringen, als zij grooter worden, dieper in den stam door en knagen gangen in het hout of tusschen het hout en de schors. Daar zij onttrokken zijn aan den invloed van ’t zonlicht, komen heldere kleuren bij haar in ’t geheel niet voor; de meeste hebben het lichte, ivoorkleurige gewaad, waardoor de andere op deze wijze levende insectenlarven zich kenmerken. De borende rupsen hebben meer tijd noodig voor haar ontwikkeling dan de andere: in den regel overwinteren zij éénmaal, sommige zelfs tweemaal. Vele vervaardigen, als zij volwassen zijn, een gesloten huisje van de haar omgevende spanen, andere verpoppen zich vrij, nadat zij een deel van haar gang eenigszins verwijd hebben. Bovendien is de pop op zulk een wijze gebouwd, dat zij met een scherpe spits aan den kop boren en met kransen van borstels aan hare rompsegmenten zich door kromming van het lichaam verplaatsen kan, zoodra haar ontwikkeling zoover is voortgeschreden, dat zij aan den drang naar vrijheid gevolg moet geven.
A) Horzelvlinder (Trochilium apiforme) met rups en ledige pophuid.—B) Wilgenhoutvlinder (Cossus ligniperda) met rups en ledige pophuid. Ware grootte.
De Glasvlinders (Sesiina) stemmen o.a. door den vorm van ’t lichaam en het maaksel der sprieten, alsmede door het vleugelhaakje aan de achtervleugels met de Sphingiden overeen, van welke zij echter duidelijk verschillen door hun levenswijze, het bezit van twee bijoogen op de kruin en het ontbreken van schubben op de vleugels: de achterste zijn geheel glashelder, de smalle voorvleugels meestal zeer onvolledig geschubd. Van deze bijzonder fraaie Vlinders zijn ongeveer 60 Europeesche soorten bekend, waarbij een tiental inheemsche; bovendien heeft men er een groot aantal in Amerika gevonden. Ongetwijfeld komen zij ook in de overige werelddeelen voor; aan het opsporen van deze Insecten zijn echter eigenaardige bezwaren verbonden. Wanneer men, bekend met den ontwikkelingstijd van een soort en met de plant, waarin zij als larve verblijf houdt, er voor zorgt ter rechter tijd op de juiste plaats te zijn, zal men een rijken oogst kunnen verkrijgen; daarentegen zal ieder, die met deze omstandigheden onbekend is, jaren lang met den grootst mogelijken ijver kunnen zoeken, voordat hij bij toeval een enkel exemplaar ontdekt. Behalve de zwarte, met gele lijntjes geteekende Mugvlinder (Sesia tipuliformis)—wiens rups in de takken van aalbessenstruiken leeft en die zelf in aalbessentuinen in Mei en Juni bij zonneschijn veelvuldig vliegend wordt waargenomen—, krijgt men bij ons het meest den Horzelvlinder (Trochilium apiforme) te zien. Bij de afbeelding moet opgemerkt worden, dat de lichte plekken op het lichaam goudgeel, de donkere, evenals ook de sprieten, bruin à zwartbruin, de aders en de franjes van alle vleugels, de voorrand van de voorvleugels en de pooten roestgeel (bronskleurig) zijn. De Vlinder vertoont zich van het laatst van Mei tot in het einde van Juli en maakt bij ’t vliegen een duidelijk hoorbaar, gonzend geluid, dat de herinnering aan een Horzelwesp, die door zijn lichaamsbouw gewekt wordt, nog versterkt. De rups boort gangen in het onderste gedeelte van den stam van jonge populieren, bij voorkeur op gelijke hoogte met den bodem, doch ook wel lager. In Juni en in het begin van Juli worden de eieren gelegd tusschen de schubben van de schors; in Maart van het volgende jaar vindt men in het hout de volwassen rups. Vóór den winter omgeeft zij zich met een cocon van saamgesponnen houtvezels, doch verpopt zich eerst in het voorjaar. De poptoestand duurt slechts 3 weken. De cocons van de rupsen, die in de onderaardsche deelen van den stengel leefden, worden ook wel in den grond dicht bij de oppervlakte aangetroffen.
*
Tot de Spinners naderen (althans wat de eigenschappen der Vlinders betreft) de plomp gebouwde Cossinen (Cossina); zijn hebben onbehaarde oogen, sprieten, die een baard, kamtanden of zaagtanden dragen, geen of een onbruikbaren zuiger, groote voor- en veel kleinere achtervleugels, beide dicht beschubd en in den rusttoestand daksgewijs het achterlijf bedekkend.
De Wilgenhoutvlinder (Cossus ligniperda, fig. B) komt als larve het meest voor in den boom waaraan hij zijn naam ontleent, doch ook in de vruchtboomen, ijpen, populieren, elzen, eiken en linden, waarop het tamelijk trage wijfje zich toevallig bevond gedurende den tijd van ’t eieren leggen. In den regel wordt iedere boom slechts door één of eenige weinige van deze rupsen bewoond, bij uitzondering echter door een groot aantal. In een plantsoen bij Göttingen hakte men in December 1836 drie treurwilgen om, welker stam een middellijn had van bijna 3 dM.; in deze boomen vond men bij het kloven van het hout 100 rupsen. De rups groeit zeer langzaam, daar in het hout slechts weinig voedingstoffen voorkomen; voordat zij volwassen (90 mM. en 20 mM. breed) is, moeten minstens 2 jaar verloopen. Daar zij zoowel in gaaf als in vermolmd hout gangen knaagt, heeft de natuur haar met zeer krachtige kaken en met een goed ontwikkeld spierstelsel uitgerust. Pieter Lyonet (geboren te Maastricht in 1707, overleden in den Haag 1789), wiens uitvoerige verhandeling over den anatomischen bouw van de genoemde rups als een meesterstuk wordt geroemd, heeft in haar lichaam niet minder dan 4041 spieren aangetoond. Bovendien maakt zij bij haar arbeid gebruik van een naar azijnzuur riekend, bijtend sap, dat zij den mensch, die haar al te onbescheiden nadert, in ’t gelaat spuwt. De rozenroode kleur van de jonge larve maakt op lateren leeftijd plaats voor “bessensapkleur” op de zijden, aan den buik en in de geledingsgroeven, terwijl de rugschilden der segmenten een bruine kleur aannemen, de kop zwart wordt en op het halsschild zwarte vlekken ontstaan. Nog later worden de roode deelen geelachtig, welke kleur kort voor den overgang in den poptoestand de overhand verkrijgt. De rups bevindt zich dan dicht bij het uiteinde van de gang, die zij tot aan de oppervlakte van den stam voortgezet en met een prop van houtknaagsel gesloten heeft. Zij spint hier een dikke laag houtdeeltjes tot een cocon aaneen, tenzij het haar beter voorkomt den boom te verlaten en onder den eersten den besten steen een schuilplaats te zoeken, waarin zij hare laatste gedaantewisselingen ondergaat. Naar het schijnt, verlaat de Vlinder de pophuid tegen het invallen van den nacht; in de omgeving van zijn geboorteplaats rondfladderend, wijdt hij het aangevangen tijdperk van vrijheid in, dat echter door zijn korten duur hem slechts een schrale vergoeding verschaft voor het langdurig verblijf in duistere gangen. Over dag zit hij tegen een boomstam aan en is bijna niet te onderscheiden van de schors. De eenige dan zichtbare lichaamsdeelen, de voorvleugels en een deel van de rugzijde van het borststuk, zijn met tallooze gekronkelde lijnen en vlekken, in alle tinten van bruin, grijs en zwart, fijn gemarmerd; de kruin en de halskraag hebben een geelachtig grijze kleur; de achtervleugels zijn bruingrijs, bij den zoom onduidelijk donkerder. Het achterlijf is grijs met witachtige ringen en eindigt bij het wijfje in een uitstulpbare legbuis, waarmede de eieren diep in spleten van de schors worden gelegd.
*
Bij de Hepialinen (Hepialina) vertoont de wijze van vertakking der vleugeladers nog overeenkomst met die, welke bij de Vlinders in ’t algemeen gedurende den poptoestand wordt opgemerkt. Een aan den vleugelwortel ontspringende ader doorsnijdt bij hen (ook bij de Cossinen) de middelcel en levert door haar verdeeling de takken, die bij de meeste volwassen Vlinders schijnbaar wortelloos uit de dwarsader ontspringen. Het aderstelsel van de voorvleugels gelijkt meer dan gewoonlijk op dat der achtervleugels. De sprieten en de liptasters zijn zeer kort, de oogen klein en naakt; de zuiger is onbruikbaar. De vleugels zijn langwerpig en spits, de voor- en achtervleugels nagenoeg even lang, hunne aanhechtingsplaatsen verder van elkander verwijderd dan bij de overige Vlinders. De Hepialinen gelijken hierdoor op Kokerjuffers. Een van de 4 inheemsche soorten is de Hopvlinder (Hepialus humuli), wiens ivoorkleurige, zwart gestippelde en zwartkoppige rups aan de onderaardsche deelen van hopplanten knaagt en zich in een holte in den grond verpopt.
Bij de 3 onderfamiliën der Houtboorders was, zoo niet tusschen de Vlinders, dan toch tusschen de larven en de poppen overeenstemming op te merken; de 3 groepen (Zygaeniden, Syntomiden en Lithosiden), die tot de familie der Chelonariën (Chelonariae) worden samengevoegd, wijken ook in dit opzicht uiteen. In de meeste boeken worden de Zygaeniden (eigenlijk alleen wegens het overeenstemmend maaksel der sprieten) tot de Sphingiden gerekend, de beide andere groepen met de Spinners vereenigd, waaraan zij werkelijk zeer nauw verwant zijn. Wanneer men echter ook op de talrijke uitheemsche soorten let, merkt men een zoo onmerkbaren overgang van de eene groep tot de andere op, dat er geen bezwaar tegen de samenvoeging kan bestaan. Bovendien vertoonen bijna al deze Vlinders een eigenaardigheid, die aan een nauwe verwantschap doet denken. Wanneer men ze tusschen de vingers houdt, nemen zij door het laten verslappen van de sprieten en pooten het voorkomen aan van dood te zijn en werpen door de geledingsvliezen van beide soorten van organen drupjes van een geel, dik vocht uit, dat ook uit de wonde van het borststuk ontwijkt, zoodra dit met een naald wordt doorstoken. Voor ’t overige stemmen de Chelonariën overeen door het bezit van een bruikbaren zuiger, doordat bijoogen in den regel aanwezig zijn, door het glad aanliggende haarkleed en de daksgewijze houding der rustende vleugels, welke organen meestal met heldere kleuren prijken en door een vleugelhaakje verbonden zijn. De 16-pootige rupsen zijn nimmer naakt, bij vele soorten zelfs zeer sterk behaard. De poppen rusten zoomin in den grond als in plantendeelen, maar boven den grond in een cocon, waarvan het maaksel zeer verschillend kan zijn.
In de houding, waarvan de afbeelding (fig. 5) een voorstelling geeft, ziet men van het midden van Juni tot in Augustus op verschillende bloemen van het woud Vlinders zitten, die door hun dik achterlijf, fraaie roode achtervleugels en roode vlekken op de metaalachtig groene of blauwzwarte voorvleugels de aandacht trekken. Op donkere dagen zitten zij hier stil en droomerig; bij zonnig weer zuigen zij ijverig, soms met hun drieën of vieren te gelijk op één bloemhoofdje, om, als hier niets meer te bikken valt, op plompe wijze weg te vliegen en elders hun geluk te beproeven. Men zou deze fraaie Vlindertjes, in navolging van de Duitschers, wegens de eenigszins gekromde sprieten, Ramshoornkapellen of, wegens de roode vlekken op de voorvleugels, Bloedvlekjes (Zygaena) kunnen noemen. Alle komen overeen door het bezit van een sterk ontwikkelden zuiger, van 2 sporen aan de achterscheen, van 2 binnenrandaders in de stomp toegespitste voorvleugels en van 3 in de breedere en spitsere, roode achtervleugels en van ongetande, betrekkelijk lange, vóór de spits sterk gezwollen sprieten.
De Sint-Janskapel (Zygaena filipendula), die in fig. 5 op een Scabiosa zittend is voorgesteld, heeft 6 karmijnroode vlekjes van gelijke grootte op de blauwachtig groene voorvleugels; men ontmoet echter bij uitzondering ook exemplaren, waar het rood op de vóór- en achtervleugels door koffiebruin vervangen is (Zygaena chrysanthemi). De rups zien wij in fig. 6 op een weegbreeblad zitten; aan deze en dergelijke laag groeiende planten, zooals vergeet-mij-nietjes en leeuwentand, ontleent zij haar voedsel. Zij overwintert, blijft in de volgende lente nog eenige weken eten, kruipt in den voorzomer bij een stengel op en spint zich hier in; de cocon ziet er uit, alsof zij uit sterk goed gelijmd papier vervaardigd is en heeft den vorm van een gerstkorrel, die met de rechte zijde tegen den stengel is bevestigd.
De Phegea (Syntomis Phegea, fig. 7) is blauwzwart met witte vlekjes op de vleugels en een goudgelen dwarsband op het achterlijf; zij gelijkt op ’t eerste gezicht veel op de leden van het vorige geslacht, maar verschilt er toch in sommige opzichten aanmerkelijk van. Haar ontbreken n.l. de bijoogen; de slanke sprieten zijn bij den top niet verdikt en iedere vleugel heeft slechts één binnenrandsader. Dit bij ons zeldzaam voorkomend, fraai vlindertje heeft dezelfde levenswijze als de Zygaena’s. De rups overwintert, voedt zich met korstmossen, die op boomen groeien, en is bij wijze van een borstel dicht bedekt met grijze haren, die zij, wanneer de tijd om van gedaante te wisselen gekomen is, tot een los spinsel samenvoegt, waarin de bruine, van voren en van achteren stomp eindigende pop slechts weinige weken rust.
1–4) Groote Beerrupsvlinder (Arctia caja): 1) Gewone vorm, 2 en 3) verscheidenheden, 4) rups.—5, 6) Sint-Jansvlinder (Zygaena filipendula): 5) Imago, 6) rups.—7) Phegea (Syntomis Phegea). Ware grootte.
De “Beerrupsen” hebben op alle segmenten lang behaarde wratten; door deze haren, welker lengte soms eenige malen grooter is dan de middellijn van ’t lichaam, zijn zij beveiligd tegen vele insectenetende Vogels. Van Augustus af en na haar overwintering tot in Mei ontmoet men hier te lande zeer dikwijls de larven van den Grooten Beerrupsvlinder (Arctia caja, fign. 1–4); deze eten bladen van allerlei planten, kruiden zoowel als struiken, vooral echter brandnetels. Tusschen de lange haren, die bij de volwassen rups van blauwachtig witte wratten uitstralen, schemert de zwarte huid ternauwernood door; op het midden van den rug zijn de haren zwart met witte spits, op de zijden en de 3 eerste ringen bruinrood. De volwassen rups spint hare lange haren aaneen tot een lossen cocon, waarin de blauwzwarte, korte en dikke, van achteren stomp eindigende pop slechts weinige weken vertoeft. De Vlinder is getooid met heldere kleuren; de kop, de rug van het borststuk en de wit gemarmerde voorvleugels zijn fluweelachtig roodbruin; het achterlijf heeft een zwarte dwarsstreep op ieder rugschild en is overigens vermiljoenrood, evenals de blauwzwart gevlekte achtervleugels. Hij houdt zich over dag verborgen en vliegt in de warme nachten van Juli en Augustus rond; de groene eieren worden in groepjes gelegd op verschillende planten, o.a. op wilgen. Eenige verwante soorten vliegen ook wel, terwijl de zon schijnt, o.a. de bij ons zeldzame Jonkvrouw (Callimorpha dominula) en de prachtige Purperbeer (Arctia purpurea), die zuidelijker streken bewoont. Zelfs zijn er, die in den regel over dag vliegen, o.a. de Hera (Callimorpha Hera).
De nu nog overige, diklijvige, breed gevleugelde Vlinders, welker sprieten het onderscheiden der mannetjes gemakkelijk maken (daar zij bij deze door het sterk zijwaarts uitgroeien der leden duidelijk kamvormig zijn), rekenen wij tot de familie der Spinners (Bombycidae), die in rijkdom aan soorten bij geen der vorige achterstaat en deze door overeenstemming van lichaamsbouw overtreft. De Spinners zijn voor ’t meerendeel middelmatig, sommige echter buitengewoon groot; de meeste hebben vleugels van een sombere, bleeke en wolkachtige kleur; zij missen de bijoogen; zeer algemeen bestaat er tusschen de beide seksen een in ’t oogvallend verschil in grootte. De sprieten zijn bij de wijfjes soms borstelvormig, soms van zaagtanden of korte kamtanden voorzien, de mannetjes hebben buitengewoon lange, niet zelden zeer ruige kamtanden. In rust hebben de breede vleugels in den regel een daksgewijzen stand. Hoewel dicht en wollig behaard, is het lichaam van het mannetje dikwijls slank in vergelijking met dat van het wijfje, die een aanmerkelijk grooter, met talrijke eieren gevuld achterlijf heeft. In verband hiermede zijn de mannetjes beweeglijker en beter geschikt voor het vliegen dan de wijfjes, die zich meestal niet ver van haar geboorteplaats verwijderen; sommige kunnen dit zelfs niet, daar de vleugels onvolkomen ontwikkeld zijn. Wegens haar plompheid leggen zij gewoonlijk de eieren dicht opeengedrongen in hoopjes, waaruit voortvloeit, dat de rupsen tot groote troepen vereenigd blijven en voorzoover zij op gekweekte boomen haar voedsel zoeken, in boomgaarden en bosschen een zeer groote schade kunnen aanrichten. Hoe zeer zij overigens verschillen mogen, in één opzicht stemmen alle overeen: vóór den overgang in den poptoestand vervaardigen zij een spinsel, dat aan het een of ander voorwerp wordt vastgehecht. Hieraan ontleent de familie haar naam.
Evenals Ornithoptera en Morpho van de familie der Dagvlinders, Sphinx van de Pijlstaarten, is het geslacht der Nachtpauwoogen (Saturnia) de trots van de familie der Spinners en zelfs van de geheele orde. Tot zijne leden behooren de grootste van alle Vlinders; bovendien hebben hunne kolossale vleugels een sierlijken vorm en zijn in het midden met een “venster” of met een prachtige, groote oogvlek versierd. De grootste van alle Vlinders is de Atlas (Saturnia Atlas), die China en den Oost-Indischen archipel bewoont. Wanneer men hem op dit boek legde, zouden zijne uitgespreide vleugels van het begin van een regel op deze bladzijde tot het einde van een regel op de volgende bladzijde reiken; zijn lichaam is echter niet langer dan 37 mM.
Verschillende ziekten, die in de tweede helft der vorige eeuw onder de “zijdewormen” groote verwoestingen aanrichtten en aan de kweekers aanzienlijke verliezen bezorgden, maakten het wenschelijk naar andere Spinners om te zien, welker rupsen geschikt zouden zijn om zijde te leveren. Sedert dien tijd zijn allerlei kweekingsproeven verricht door liefhebbers, die van verschillende vereenigingen vlindereieren ontvingen en de verplichting op zich namen van hunne ervaringen op nauwgezette wijze verslag te doen. Natuurlijk was alleen voordeel te verwachten van Vlinders, welker rupsen met inheemsche planten gevoederd konden worden. De eerste uitvoerige proeven hebben plaats gehad met den Ailanthus-spinner, in Assam Erya genaamd (Saturnia Cynthia), die in 1856 door Pater Fantoni uit China naar Frankrijk werd overgebracht. De Ailanthus-spinner ontwikkelt zich zeer snel, zoodat men in één jaar gemakkelijk 3 generaties kan opkweeken, wanneer men slechts in de gelegenheid is om aan de rupsen de noodige hoeveelheid voedsel te verschaffen; hiervoor wordt echter het bezit van een broeikas vereischt, daar de rups zich met de bladen van den in China inheemschen hemelboom (Ailanthus glandulosa) voedt. Meestal in Juni, soms eerst in Juli verlaten de rupsen van de tweede generatie de eischaal. Stel, dat dit den 14en Juli geschied is, dan heeft den 19en de 1e, den 28en de 2e, den 8en Augustus de 3e en den 14en de 4e vervelling plaats gehad. De rupsen zijn groenachtig geel, met 6 overlangsche reeksen van weeke, kegelvormige knobbeltjes bezet en met zwarte stipjes geteekend. De hoofdkleur van den Vlinder is licht fluweelachtig reebruin; over beide vleugels loopt een witte streep; de achterrand van het maanvormige “venster” is geelachtig, het oog op den voorsten hoek van den voorvleugel naar buiten zwart.—Bovendien werden nog met den Chineeschen (Saturnia Pernyi) en den Japanschen Eikenzijdespinner (Saturnia Yama-mayu)—in 1863 door Pompe van Meerdervoort naar Frankrijk overgebracht—acclimatisatie-proeven genomen. Tegenwoordig schijnt men geen werk meer te maken van het kweeken dezer plaatsvervangers van den Moerbezie-zijdespinner.
In Nederland vliegt ’s nachts in April en Mei niet zelden, in heidestreken soms zelfs veelvuldig, de Kleine Nachtpauwoog (Saturnia carpini, S. pavonia); het mannetje (50 à 55 mM. vlucht) heeft bruingrijze voorvleugels en bruingele achtervleugels; bij het wijfje (60 à 70 mM. vlucht) zijn de vleugels lilagrijs. Iedere vleugel heeft op de dwarsader een oogvlek met zwarte kern, omgeven door een gelen en zwarten ring, waartusschen aan de binnenzijde nog een karmijnrood gezoomden, witten halven ring voorkomt. De aanvankelijk zwarte, later groene rups is bezet met rozeroode of gele wratten, die korte stekels en enkele lange stekelharen dragen; men vindt haar in den zomer op heide, braamstruiken, boschbessen, sleedoorn, wilde rozen, eiken, kruipwilg, enz. In Augustus spint zij een zeer stevige, bruinachtige, peervormige cocon, aan de kopzijde voorzien met een open, buisvormig verlengstuk, waarin een aantal veerkrachtige, langwerpig driehoekige strookjes, die te zamen een kegel vormen en uiteenwijken, als de Vlinder in ’t voorjaar den cocon verlaat; daarna sluiten zij zich weer.
*
Evenals de uitmuntendste zanger onder de Vogels, draagt ook de nuttigste van alle Vlinders, de Moerbezie-zijdespinner [Bombyx (Sericaria) mori, fig. 1] een zeer eenvoudig kleed. Hij heeft 40 à 45.5 mM. vlucht; bij beide seksen hebben de sprietleden lange, tandvormige uitsteeksels; deze zijn zwart; overigens is de Vlinder meelwit. De vleugels zijn kort; de zoom van den voorvleugel is diep boogvormig uitgesneden, waardoor de spits een sikkelvormige gedaante verkrijgt; dikwijls hebben beide vleugels een bruinachtig gele dwarsstreep, die echter even dikwijls ontbreekt. De rups wordt gewoonlijk “zijdeworm” genoemd en is, o.a. door het volslagen gemis van haren op de huid, voor zijde-leverancier uitmuntend geschikt. Haar vorm komt overeen met dien der pijlstaartrupsen: het voorlaatste segment draagt aan de rugzijde een kort hoorntje; het borststuk is bijna op dezelfde wijze verdikt als bij de rups van de Olifantsvlinder (Sphinx Elpenor). Haar kleur is grijswit, met bruine gaffel- en roodachtig gele oogvlekken op den rug en een varieerende teekening op de zijden van de voorste ringen. Haar voedsel bestaat uitsluitend uit moerbeibladen (Morus alba, desnoods M. nigra). De eivormige, gelijmde, van buiten met vlossige, zijden draden omgeven cocons zijn wit of geel; deze kleur heeft ook de ruwe zijde. Dubbele cocons komen volstrekt niet zelden voor; soms hebben zij den vorm van enkele; in beide gevallen leveren zij twee Vlinders op. Van 4000 cocons kan 1 KG. zijde worden verkregen; een cocon bestaat uit een draad van 3000 M. lengte, waarvan men echter slechts 300 à 600, in ’t gunstigste geval 900 M. kan afwikkelen, daar het binnenste perkamentachtige en het buitenste vlossige deel van den cocon niet bruikbaar zijn.