1) Moerbezie-zijdespinner (Bombyx mori). Eierleggend wijfje, rups, onafgewerkte en voltooide cocon.—2) Zuid-Amerikaansche Zijdespinner (Saturnia Cecropia).—3) Chineesche Eiken-zijdespinner (Saturnia Pernyi).—4) Ailanthus-zijdespinner (Saturnia Cynthia).

Naar alle waarschijnlijkheid is de Moerbezie-zijdespinner afkomstig uit China, het vaderland van zijn voederplant. Beider verbreiding bleef beperkt tot het Hemelsche Rijk en naburige staten, totdat onder de regeering van Keizer Justinianus twee Perzische monniken moerbeziestekken en zijdespinnereieren (grains), die zij geroofd en in hunne holle wandelstaven verborgen hadden, naar Konstantinopel overbrachten. Hier althans werden sedert 520 n. C. zijdewormen gekweekt; tot in de 12e eeuw bleef deze teelt in het uitsluitend bezit van het Grieksche keizerrijk, waar het eiland Kos in dit opzicht boven alle andere gewesten de overhand had. Van Griekenland werd de zijdewormenteelt door Arabieren naar Spanje overgebracht. In het midden van de 12e eeuw kwam zij op Sicilië in zwang en breidde zich allengs over Florence, Bologna, Venetië, Milaan en het overige Italië uit, onder Hendrik IV naar Frankrijk en van hier verder noordwaarts. In Duitschland werd in 1670, en wel in Beieren, de eerste vereeniging voor de zijdewormenteelt opgericht. Frederik de Groote bevorderde zooveel mogelijk de invoering van dit bedrijf in zijne staten; zijne maatregelen brachten teweeg, dat het in de tweede helft van de vorige eeuw overal in Duitschland ingang vond. De bevrijdingsoorlogen gaven aan het nieuwe middel van bestaan een geweldigen knak. Later werd het opnieuw opgevat en van regeeringswege, in Pruisen althans, begunstigd. Men stelde een premie op de productie van een zekere hoeveelheid cocons en verving de tot dusver gebruikelijke moerbeziestamboomen door moerbezieleiboomen, die veel sneller en gemakkelijker het noodige voeder voor de rupsen opleveren.

*

Dennenrupsspinner (Gastropacha pini): a) Mannetje. b) Wijfje. c) Eieren. d) Rupsen. e) Cocon.—Vijanden van den Dennenrupsspinner: f) Poppenroover (Calosoma sycophanta) g) Larve van den Poppenroover. h) Sikkelwesp (Anomalon circumflexum) bij het verlaten van een zooeven uit den cocon gekomen Vlinder. i) Sluipwesp (Microgaster nemorum) in hare 3 ontwikkelingstoestanden op de huid van een door haar gedoode rups; daaronder een rups, waaruit de maden nog niet ontweken zijn.

De Dennenrupsspinner (Gastropacha pini) heeft men in ons land slechts op enkele plaatsen in Gelderland (steeds in zeer geringen getale) aangetroffen; in Duitschland waar hij in alle met dennen begroeide oorden veelvuldig voorkomt, richt zijn fraaie rups (fig. d) soms groote schade aan. Half volwassen of nog kleiner overwintert zij onder mos, beschut door 60- à 80-jarige bosschen. Als de vorst wijkt, ontwaakt zij uit haar verstijving en herneemt, al naar de weersgesteldheid vroeger of later, haar plaats in den boom. Nadat zij tegen het einde van April in de kroon te midden van de naalden is aangekomen, keert zij in den regel niet weder naar den bodem terug, tenzij kort voor haar gedaantewisseling. Hare beide hoofdkleuren zijn bruin grijswit, die, op verschillende wijzen genuanceerd en gerangschikt, met elkander afwisselen. De groeven op den 2en en 3en ring vormen zoogenaamde “spiegels”, daar zij zich als staalblauwe, fluweelachtige dwarsstrepen vertoonen, wanneer de rups de boven d voorgestelde houding aanneemt. Voor den overgang in den poptoestand spint zij een gesloten cocon (fig. e), niet altijd tusschen de afgevreten naalden, maar ook wel onder aan den stam tusschen schubben van de schors. Dikwijls komt zij echter niet zoover en levert dan een treurig schouwspel op. Honderden van kleine Sluipwespmaden, die in de rups parasiteerden, komen te voorschijn en veranderen op de huid, het laatste overblijfsel van haar slachtoffer, in poppen, die met een sneeuwwitten cocon omgeven zijn (fig. i). De normale pop van den spinner heeft ongeveer 3 weken noodig voor haar ontwikkeling, zoodat men omstreeks het midden van Juli de Vlinders ziet vliegen. Hun kleur is even veranderlijk als die der rupsen. Ook bij hen komen grijs en bruin, op verschillende wijzen samengevoegd, als hoofdkleuren voor. Aan een wit maanvlekje op den voorvleugel en een van hier uitgaande smalle of breede, roodbruine dwarsstreep zijn zij gemakkelijk te herkennen. Het wijfje (fig. b) is lichter van kleur dan het mannetje en grooter; bij een vlucht van ruim 80 mM. heeft zij een lengte van 39 mM. Haar aard is traag, doch ook het mannetje (fig. a) vliegt over dag niet veel. Het wijfje legt 100 à 200 groene eieren; men vindt ze in meer of minder groote groepen bijeen op den stam (fig. c) of de naalden, soms op een twijg; kort voor het uitkomen in Augustus is hun kleur grijs. Men heeft uitgerekend, dat een rups, die zich normaal ontwikkelt, gemiddeld 1000 naalden verslindt, voordat zij in den poptoestand overgaat. Hieruit blijkt, welk een schade deze Insecten aanrichten kunnen, wanneer zij in grooten getale voorkomen. Sedert het jaar 1776 heeft men hierover gegevens. In het district Möllbitz bij Wurzen werden in het jaar 1869 74.5 KG. eieren, 65 HL. vrouwelijke Vlinders en 125 HL. rupsen ingezameld, zonder dat men den vijand meester kon worden. De pogingen om dit doel te bereiken zouden onvoldoende zijn, indien de natuur niet door de werkzaamheid van allerlei Sluipwespen de te sterke vermenigvuldiging der Vlinders beperkte; bovendien wordt de dood van de larven veroorzaakt door een in haar lichaam parasiteerende zwam (Botrytis bassana), welker vruchtlichaam zich boven de gestorven rups tot een kolossale hoogte ontwikkelt. Zelfs heeft men Kikvorschen aangetroffen op de boomen, die met een zeer groot aantal rupsen bezet waren.

Ringelrupsspinner (Gastropacha neustria):—Wijfje, eieren, rupsen (jonge bij *) en pop in den geopend voorgestelden, tusschen twee bladen verborgen cocon. Ware grootte.

De livreirupsen ziet men bij zonnig weer nog in het laatst van Mei of het begin van Juni dicht opeengedrongen, in grooten getale, op stammen van vruchtboomen zitten. Deze lichtblauwe, met oranjekleurige, zwartgezoomde, overlangsche strepen en een witte ruglijn getooide rupsen dragen vóór op den blauwen kop 2 zwarte, aan oogen herinnerende vlekken. In het voorjaar zijn ze te voorschijn gekomen uit bijna steenharde eieren, die ringsgewijs een twijg omgeven en met de schors zoozeer in kleur overeenstemmen, dat het eenige moeite kost ze te vinden. Zoodra deze rups volwassen is, spint zij, bij voorkeur tusschen bladen, een geelachtigen, van binnen in den regel met geelachtig stof bedekten cocon, waarin de dofzwarte pop, die op den rug en het achterlijf met korte, wollige grijze haartjes bekleed is, eenige weken rust. In Juli of Augustus komt hieruit de Ringel-, Ring- of Livreirupsvlinder (Gastropacha neustria), die men slechts zelden ziet, daar hij uitsluitend des nachts om den top van den boom vliegt. Gewoonlijk draagt hij een licht okergeel kleed; op de voorvleugels komen twee nagenoeg rechte en bijna evenwijdige dwarsstrepen voor, die beide iets donkerder van kleur en aan de buitenzijde licht gezoomd zijn; hierdoor onderscheidt hij zich van een zeldzame, verwante soort (Gastropacha castrensis), welker blauwe rups op wolfsmelk gezellig leeft en nog bonter, met fraaie, goudkleurig bruine strepen, getooid is.

De drie genoemde soorten en nog vele andere Spinners van Europa en Amerika heeft men vereenigd tot het geslacht der Klokhenvlinders (Gastropacha), zoo genoemd, omdat vele in den toestand van rust herinneren aan een klokhen, die hare kuikens beschermt, daar de achtervleugels verder zijwaarts reiken dan de voorste.

*

De Zakdragers (Psychina) heeten zoo, omdat zij gedurende den rupstoestand in kokervormige huisjes leven, die van zeer verschillende plantendeelen vervaardigd zijn; iedere soort volgt bij het kiezen en samenvoegen der grondstoffen haar eigen methode, zoodat men aan den zak der rups een Vlinder met zekerheid kan onderscheiden van een andere, die er veel op gelijkt. Een tweede eigenaardigheid, van de onderfamilie is het ontbreken van de vleugels bij de vrouwelijke Vlinders. Vele wijfjes verlaten nimmer den zak, waarin zij als rups en als pop leefden, en blijven zelfs gedeeltelijk door de afgeworpen pophuid omhuld; zij gelijken meer op maden dan op geslachtsrijpe Insecten. Men zal ze niet licht als Vlinders herkennen: zij missen de sprieten en de pooten; hare monddeelen zijn rudimentair en zelfs de oogen schijnen zwak ontwikkeld te zijn. De wijfjes van andere soorten hebben pooten en sprieten en meer vrijheid van beweging; zij komen althans ver genoeg te voorschijn, om op de buitenzijde van haar woning te gaan zitten. De mannetjes zijn in den regel ruig behaard, somber van kleur en niet gevlekt of gestreept. Reeds op grooten afstand merken zij de leden der andere sekse op, zooals blijkt uit de haast, waarmede zij komen aanvliegen, wanneer een insectenverzamelaar een wijfje van hun soort in zijn bus heeft geborgen, en uit de pogingen, die zij doen om in de bus door te dringen. De sprieten zijn (zooals gewoonlijk, aan weerszijden) ruig behaard; de tasters en de zuiger ontbreken, of zijn althans zeer klein en onbruikbaar. Deze Vlinders vliegen over dag en in de schemering; hunne vleugels liggen in rust dakvormig over het achterlijf heen.

De rupsen hebben 6 hoornachtige borstpooten en gebruiken deze om bij boomstammen, grashalmen, planken, enz. naar boven te klimmen; terwijl zij voedsel zoeken sleepen zij haar huisje mede; de overige pooten zijn slechts door wratjes vertegenwoordigd of spoorloos verdwenen. Om zich te verpoppen, verlaten de rupsen van de meeste Psychinen haar voederplant en spinnen de voorste opening van haar zak aan een boomstam, een schutting, een steen of een dergelijk voorwerp vast.

De zak van den Eenkleurigen Zakdrager (Psyche unicolor, P. graminella) is verschillend van vorm, al naar de hierin aanwezige larve zich tot een mannetje of tot een wijfje ontwikkelt. De groote zak van de mannelijke rups (fig. e) draagt van voren allerlei omvangrijke plantendeelen; die van het wijfje wordt nooit zoo lang en heeft een veel gelijkmatiger oppervlakte. Daar de rups overwintert, vindt men de zakken in het laatste gedeelte van den herfst en in den winter op beschutte plaatsen, vooral aan boomstammen vastgesponnen. Zoodra de natuur tot nieuw leven ontwaakt, bijt de rups de draden stuk, waarmede haar huis is vastgehecht, en eet gras, totdat zij in Mei of in het begin van Juni rijp is voor den poptoestand. In onze afbeelding is de zak van het wijfje reeds vastgesponnen, terwijl de mannelijke rups bezig is hiervoor aan den stam een geschikte plaats op te zoeken. De rups is geelachtig met grijsachtig zwarte stippels, de pop geelbruin. Na een rust van hoogstens 4 weken komt de Vlinder te voorschijn. Het zwartachtig bruine mannetje (a) heeft witte puntjes aan de franje en enkele witte, ruige haren aan den buik, aan de achterscheen slechts één paar sporen, n.l. aan het einde. Het made-vormige wijfje (d) komt, nadat de pophuid losgeraakt is, in ’t geheel niet te voorschijn, maar blijft steeds in den zak, die van voren gesloten en vast gesponnen, van achteren open is. Nog steeds is zij omhuld door de losse pophuid, die na de paring met de eieren gevuld wordt; het wijfje kruipt verder naar voren, naarmate haar achterlijf in omvang afneemt, maar sterft schielijk daarna. Zoodra de rupsjes de eischaal verlaten hebben, spinnen zij zich een klein zakje, waarbij zij gebruik maken van de haren, die het mannetje in de moederlijke woning heeft achtergelaten. Vervolgens begeven zij zich naar buiten, zoeken hunne voederplanten op, vergrooten hunne zakjes, zoodra dit noodig is en voegen dan vreemde bestanddeelen aan hun spinsel toe. Om te vervellen spinnen zij het voorste einde van hun huisje ergens aan vast; voor het verwijderen van de afgeworpen huid en van de uitwerpselen, dient de opening aan het achterste uiteinde, die van twee veerende kleppen voorzien is.

*

Eenkleurige Zakdrager (Psyche unicolor): a) mannetje, b) wijfje in haar aan een boomstam vastgesponnen zak, c) vrouwelijke pop, d) wijfje, e) mannelijke rups, grootendeels door haar zak omhuld, f) mannelijke pop. Ware grootte.

De Merian’s-borstelrupsvlinder (Dasychira pudibonda) is een deels licht, deels donker, grijsbruin en wit geteekende Spinner van 40 tot 60 mM. vlucht; het wijfje is nog doffer gekleurd en nog minder scherp geteekend dan het mannetje. Deze Vlinders vliegen in het begin van Juni en trekken op geenerlei wijze bijzonder de aandacht. Als rupsen evenwel zijn zij niet slechts merkwaardig door fraaie kleuren, maar ook door de aanzienlijke schade, die zij dikwijls in jonge beuken-aanplantingen aanrichten. Op eiken vindt men ze eveneens. De “borstelrupsen” (larven van de geslachten Orgyia en Dasychira) heeten zoo wegens de pluim-, kwast- of penseelvormige haarbundels, waarmede zij getooid zijn. De genoemde soort heeft er 4 zeer in ’t oogvallende van witte, gele of roodachtige kleur, die op langharige kleerborstels gelijken, op den rug van de segmenten 3–7, bovendien een lang, rozerood penseel (de “staart”) op ring 11; soms vertoonen ook de overige haren een fraai rozerood waas; hun kleur is overigens gelijk aan die van de huid en deze (gewoonlijk zwavelgeel) varieert sterk. Gaarne neemt de rups een eigenaardige houding aan “laat den kop hangen,” waarbij de prachtige, fluweelzwarte dwarsbanden (“spiegels”) tusschen de “borstels” van de ringen 3–7 duidelijk in ’t oog vallen. In October kruipt zij tusschen de dorre bladen, die den bodem bedekken en vervaardigt hier een los, met haren gemengd weefsel, waarbinnen zij zich omgeeft met een tweede, steviger spinsel, dat echter nog los genoeg is om de kleur van de donkerbruine pop te laten doorschemeren.

De Populierspinner (Dasychira salicis) is wit, zwak geschubd en als zijde glinsterend; de kamtanden van de sprieten en de ringen aan de dicht behaarde pooten zijn zwart. Deze Vlinders zijn het, die in de warme nachten van Juni en Juli spookachtig en dikwijls bij duizenden om de slanke populieren onzer straatwegen fladderen en door de Vleermuizen weggevangen worden, zoodat de weg bezaaid is met afgebeten vleugels. Over dag kan men ze reeds op grooten afstand tegen den stam zien zitten; zij vallen naar beneden, als Musschen en andere Vogels onder hen opruiming houden; vertrapt, half-dood rondkruipend, of in ’t stof zich wentelend, bedekken zij den bodem. Het wijfje kleeft hare eieren aan den stam, waar zij eilandjes vormen tusschen de schubben van de schors. In de volgende lente komen de rupsjes uit, soms nog in den herfst; deze voorbarigheid wordt hun echter noodlottig, daar zij gedurende den winter bezwijken. Zij zijn matig sterk behaard, met roode wratjes bezet, vallen spoedig in ’t oog door de reeks van zwavelgele of witte vlekken langs den bruingrijzen rug. Soms vreten zij de populieren en wilgen geheel kaal.

De Basterd-satijnvlinder (Porthesia chrysorrhoea) is effen wit, met uitzondering van het roodbruin behaarde einde van ’t achterlijf, dat bij ’t wijfje in een knobbelvormig kussen, bij het slankere mannetje in een kwastje eindigt. De Spinner verschijnt in denzelfden tijd als de vorige en heeft dezelfde levenswijze; hij weet zich echter beter verborgen te houden aan de onderzijde der bladen en bepaalt zich niet tot wilgen en populieren, maar zit op bijna alle boomen van het woud (eiken, beuken, haagbeuken, ijpen, wilgen, sleedoornen), ook op de meeste vruchtboomen, op rozen en andere sierstruiken in tuinen. Op al deze planten ziet men in het begin van Juli het wijfje bezig met eieren te leggen; zij doet dit gewoonlijk op de onderzijde der bladen. Met twee schubben aan de spits van het achterlijf plukt zij zich de roestbruine haren uit de laatste segmenten en omgeeft hiermede de gelijktijdig gelegde eieren, die tot een hoop opeengepakt worden. De achterste, viltachtige haren van het “kussen” komen het eerst aan de beurt, later de andere; op deze wijze ontstaat gedurende de 1 of 2 dagen van het eierleggen, naarmate het “haarkussen” verdwijnt, een zoogenaamde “kleine eierenzwam.” Na 15 à 20 dagen verlaten de rupsjes de eischaal en beginnen te knagen aan de bladen in hun naaste omgeving. De kop is vuilgeel; de nek en de reeksen van stippels op den rug zijn zwart. Gezamenlijk spinnen zij een nest, dat langzamerhand al dichter en dichter wordt geweven, naarmate het ruwe jaargetijde nadert en steeds duidelijker zichtbaar wordt, hoe meer bladen de boom verliest. Dit zijn de zoogenaamde groote rupsennesten. In ’t volgende jaar vreten de ontwakende rupsen de knoppen uit, stellen zich in de takgaffels aan de zonnestralen bloot en keeren naar het oude nest terug of spinnen een nieuw nest, dat zij eveneens verlaten, zoodra zij grooter geworden zijn. De volwassen rups is sterk behaard en donkerbruin, heeft op alle segmenten van het achterlijf een witte zijdevlek, over de ringen 6 tot 10 twee roode, eenigszins kronkelende rugstrepen en op het midden zoowel van den 9en als van den 10en ring een steenroode wrat. In de eerste helft van Juni spint zij tusschen bladen een lossen cocon en verandert in een zwartbruine pop.

Plakker (Ocneria dispar):—1) Mannetje. 2) Wijfje vóór een door haar gelegde “eierenzwam”. 3) Pop. 4) Rupsen van verschillenden leeftijd. Ware grootte.

De Plakker, Hebreeuwsche-letter- of Resj-vlinder (Ocneria dispar), ook wel bekend onder den naam van Stamuil, daar de wijfjes zeer traag op boomstammen zitten, draagt zijn wetenschappelijke soortnaam dispar (= ongelijk) met het volste recht, daar de beide seksen zoo zeer van elkander verschillen, dat een niet deskundige ze voor verschillende soorten zou kunnen houden. Het kleinere, grijsbruine mannetje (fig. 1) heeft eenige meer of minder duidelijke, zwarte, hoekige dwarsbanden op de voorvleugels en lange kamtanden aan de sprieten, waardoor deze den vorm van hazenooren verkrijgen. Het buitengewoon plompe en trage wijfje heeft vuilwitte vleugels; de laatste ringen van het leelijke achterlijf vormen een met wollig, bruingrijs haar bekleede verdikking; de voorvleugels zijn met soortgelijke, zwarte, hoekige dwarsbanden geteekend als die van het mannetje. Duidelijker dan op deze is een Λ-vormig lijntje zichtbaar met een stip er boven, dat op de Hebreeuwsche letter “resj” gelijkt. Beide zijn tegen het einde van Juli of in Augustus uit de dofzwarte pop gekomen. Zoodra het mannetje de vleugels gebruiken kan, vliegt het in woesten ijver rond, glijdt als een schaduw langs den toeschouwer heen en is in een oogenblik verdwenen, daar de duisternis niet toelaat, dit als een Vleermuis vliegende Insect in ’t oog te houden. Geheel anders handelt het wijfje. Traag zit zij tegen een schutting of een boomstam aangedrukt en bedekt haar wanstaltig dik achterlijf met de alles behalve fraaie, daksgewijs hellende vleugels. Eerst als de duisternis invalt, spreidt zij met moeite de vleugels uit, fladdert log om de boomen heen en levert een vette prooi aan de op buit beluste Vleermuizen. Zoo brengt zij haar kortstondig leven door, over dag in trage rust, des nachts plomp rondvliegend; evenals het mannetje, gebruikt zij niets anders dan dauw; geen van beide treft men ooit op bloemen aan. Eindelijk ziet men haar (zooals in fig. 2) voor een bruine veel op het bekende zwam gelijkende massa, voor een “groote eierenzwam” zitten. Evenals de Basterd-satijnvlinder begint zij de plek met een laag slijm te bedekken, waaraan de onderste laag van het vilt blijft hangen, dat aan het donkerbruine aarskussen wordt ontleend. Hierop volgt een laag eieren, daarna nogmaals een laag haren; zoo gaat het voort, totdat er een vrij groote verhevenheid zonder bepaalden vorm ontstaan is op een boomstam, een schutting, een gewitte muur of een dergelijk voorwerp, steeds echter op een beschutte plaats. Hoe grooter het aantal “eierenzwammen” wordt, des te geringer kans heeft men om nog wijfjes te ontmoeten; de mannetjes zijn reeds vroeger bezweken. De eieren overwinteren. De rupsen zijn in Juni of Juli volwassen en hebben dan reeksen van blauwe en roode, borstelig behaarde wratten op het grijsbruine lichaam; aan den dikken kop, die uit de dicht bijeenstaande borstels te voorschijn komt, kan men haar gemakkelijk van andere rupsen onderscheiden. Allerlei bladen zijn haar als voedsel welkom; men vindt haar op rozenstruiken in tuinen, op de eiken in het woud, op de wilgen langs de beek, op de populieren langs den weg en op allerlei vruchtboomen. In sommige jaren worden zij door haar talrijkheid een ware plaag voor het land.

De Nonvlinder (Ocneria monacha), vroeger ook wel Kluizenaar genoemd, is de evenknie van den Plakker, zoowel door zijn uiterlijk en levenswijze, als door de schadelijke werkzaamheid van de rups, die bij voorkeur naaldboomen aantast. De Vlinders verschijnen terzelfder tijd als de vorige, hebben bij beide seksen zuiverder witte voorvleugels met scherpere, zwarte zigzagstrepen, zwarte getroebelde achtervleugels, een gevlekten rand aan beide; het wijfje kan het rozeroode uiteinde van het achterlijf, dat uit een uitstulpbare legbuis vormt, aanmerkelijk verlengen, wanneer zij de eieren achter de schorsschubben wil vastkleven. Tegen het einde van April of in het begin van Mei komen de rupsjes voor den dag; die, welke van een eierenschool afkomstig zijn, blijven 1 à 6 dagen op de in fig. 6 aangeduide wijze bij elkander zitten, voordat zij zich naar de naalden begeven. De Duitsche houtvesters noemen zulk een gezelschap een “spiegel” en alle werkzaamheden om het te dooden en hierdoor schade te voorkomen, het “spiegelen.” In Juni of Juli zijn de rupsen (fig. 7) volwassen, op groenachtig grijzen (met witachtig grijs en zwart doormengden grond) met blauwe en roode wratten bezet; van voren hebben zij een witte plek achter een fluweelzwarten spiegel, achter het midden een lichte, zadelvormige vlek; zij gelijken veel op de rupsen van den Plakker. Zij hechten zich aan een stam door middel van eenige weinige haar omgevende zijden draden en veranderen in een fraai bronskleurig glinsterende, ruig wit behaarde pop (fig. 8). Daar de breedgebladerde boomen de verloren bladen weder vervangen kunnen, lijden zij door de vraatzucht van de nonnenrupsen minder schade dan de dennen en de teedere sparren. Tot in het jaar 1828 werd de Nonvlinder alleen voor de dennen schadelijk geacht; uit een in 1852 begonnen verwoesting van de Oost-Pruisische, Lithauensche, Masurische en Poolsche wouden door de Non bleek echter, dat de sparren nog veel meer van haar te lijden hebben dan de dennen. Geloofwaardige ooggetuigen verzekeren, dat het woud er uitzag als bij de hevigste sneeuwjacht en dat de boomen wit waren van de tallooze Vlinders, die hen bedekten en overal neervielen.

*

Nonvlinder (Ocneria monacha):—1, 2) Mannetjes.—3, 4, 5) Wijfjes.—6) Jonge rupsen.—7) Volwassen rups.—8) Pop. Ware grootte.

De eik, die, gelijk bekend is, meer larven van Vlinders voedt dan eenige andere plant, wordt in sommige streken geteisterd door een zeer merkwaardige en zonderlinge rups, die meer aanspraak heeft op den naam van giftig te zijn dan eenige andere. Hare lange, in een witte spits eindigende haren, die, naar het microscoop leert, van boven van takjes voorzien zijn, bevatten mierenzuur, dat zelfs op een weinig gevoelige huid een hevig brandend gevoel en jeuk teweeg kan brengen. Het ontbreekt niet aan voorbeelden, dat zij in het spijskanaal van menschen of dieren een hevige ontsteking van de slijmvliezen veroorzaakt hebben, die soms den dood ten gevolge had; Runderen gedroegen zich in zulk een geval als dol. De rupsen, die deze gevaarlijke brandharen dragen, hebben de zonderlinge gewoonte van gezamenlijk in een bepaalde orde uit te rukken naar de plaats waar zij haar voedsel vinden en van hier in dezelfde orde naar het nest terug te keeren; men noemt haar daarom processierupsen. Zij komen in Mei uit de eieren, die in den vorigen zomer in hoopjes van 150 à 300 stuks aan de schors van een eikenstam vastgekleefd werden, gemengd met de grijsbruine haren uit het viltachtige uiteinde van ’t achterlijf van ’t wijfje. Reeds in den avond van haar geboortedag trekken zij uit—achter elkander aan, wanneer zij in gering aantal voorkomen, in wigvormige orde, wanneer zij talrijker zijn: één aan de spits, de volgende bij paren, bij drieën, bij vieren, enz.—naar de kroon van den boom, om zich te verzadigen met de bladen, waarvan zij aanvankelijk alleen de bovenzijde afvreten, gelijk alle zeer jonge rupsen doen. Evenals zij hier op rijen gerangschikt eten, vormen zij na den maaltijd een soortgelijke “processie” om terug te keeren naar een beschutte plaats van den stam, bij voorkeur naar een takgaffel of tamelijk dicht bij den grond. Hier richten zij zich huiselijk in, zitten dicht opeengedrongen, niet slechts naast, maar, als zij grooter geworden zijn, ook op elkander en spinnen een los weefsel over zich heen. Aanvankelijk verwisselen zij vaak van standplaats, later daarentegen behouden zij dezelfde. Daar in het spinsel de afgeworpen huiden en voor een deel ook de uitwerpselen blijven hangen, wordt het voortdurend dichter; van eenigen afstand ziet het er uit als een blaasvormige opzwelling van den stam. Uit deze nesten worden de bij iedere vervelling afgeworpen brandharen door den wind opgenomen en verstrooid, vallen neer op het gras, dat door het vee wordt afgegraasd, of geraken, in de lucht zwevend, in de maag van de houthakkers, die hun ontbijt of een ander maal gebruiken in de buurt van boomen, die door processierupsen bewoond worden. “Ik herinner mij,” schrijft Dr. J. Th. Oudemans, “dat, ik meen in het jaar 1878, de weg tusschen Nijmegen en Hees voor mensen noch dier straffeloos begaanbaar was en zooveel mogelijk gemeden werd, aangezien de soort daar toen in massa aanwezig was en de lucht met de fijne haren vervulde, waardoor het verkeeren op dien weg inderdaad ernstige gevolgen had.” In ons oog doordringend, veroorzaken de haren een pijnlijke ontsteking. Zoodra het donker wordt, verlaten de rupsen haar nest, waarin men van onderen een opening opmerkt, om zich naar boven te begeven; zij doen dit iederen avond, behalve op de beide ziektedagen, die met iedere vervelling gepaard gaan. Soms ziet men over dag een “processie” op den grond; misschien zijn de rupsen dan door gebrek aan voedsel genoodzaakt om haar boom en het hier aanwezige nest te verlaten. Deze optocht levert een merkwaardig schouwspel op: als een donkeren band, als een Slang, kronkelt zij zich en komt slecht langzaam vooruit. De volwassen rups heeft een grooten, bruinzwarten kop en is 29 à 52 mM. lang, op den rug donker blauwgrijs à blauwzwart, op de zijden en op den buik grijsachtig of groenachtig wit. Alle ringen hebben een dwarsrij van roodbruine, lang behaarde wratten; de beide middelste rugwratten zijn echter op de ringen 4 tot 11 vervangen door een groote, aan den omtrek lange borstels dragende, roodbruine, plek (spiegel), die dicht bezet is met duizenden korte, zeer gemakkelijk loslatende brandharen. De lange borstels, die zelf echte brandharen zijn en zich voorover buigen, als de rups verontrust wordt, schuieren de korte brandharen van het voorafgaande segment los en richten zich vervolgens weer op, waardoor de giftige wapens zich door de lucht verspreiden. Om zich te verpoppen, begeven alle rupsen zich op den bodem van het nest en maken hier reeksen van cocons, die ieder weldra een donker roodbruine pop bevatten, welker buikringen scherpe randen hebben. In Juli en Augustus komt hieruit de Eikenprocessierupsvlinder (Cnethocampa processionea), wiens effen, bruinachtig grijs kleed op de voorvleugels eenige donkerder dwarslijnen vertoont, die duidelijker zichtbaar zijn bij het donkerder en scherper geteekende mannetje dan bij het wijfje; de geelachtig witte achtervleugel heeft een onduidelijke dwarsstreep. De “processierups”, schrijft Ritzema Bos, “werd tot heden zoo goed als uitsluitend in Limburg, Brabant en Gelderland aangetroffen en wel in de meeste jaren in gering aantal; enkele keeren echter trad zij in groote massa’s op. Dit was o.a. in de jaren 1874 tot 1878 het geval in verschillende streken van Gelderland en Noordbrabant. In den zomer van 1875 kwamen zij in de omstreken van Nijmegen in groote menigte voor; zij vraten daar niet alleen de eikenboomen, maar ook al ’t andere loofhout en de ooftboomen kaal en lieten zelfs de gewassen op den akker niet onaangeroerd. In 1877 vertoonden zij zich in de nabijheid van Wageningen, waar zij echter—zeker grootendeels ten gevolge van ’t vernielen harer nesten—later niet dan in een gering aantal werden wedergezien.”

Tot dezelfde onderfamilie (Notodontina) rekent men nog eenige Vlinders, die vooral in den larvetoestand de aandacht trekken, daar bij hare rupsen de plaats van de naschuivers wordt ingenomen door 2 bovenwaarts gerichte, draadvormige aanhangsels. Uit elk harer “gaffelspitsen” kunnen de bedoelde tweestaartrupsen een nog langeren, dunnen draad te voorschijn doen komen, die, als het koord van een zweep aan den steel, naar beneden hangt. Zij toonen de “zweep”, gelijk de rups van den Koninginne-page den nekgaffel, alleen wanneer zij echter verontrust worden. In rust nemen deze dieren een hoogst zonderlinge houding aan op het blad van den door hen bewoonden struik of boom.—Een van deze rupsen met verdacht uiterlijk is die van den Grooten Hermelijnvlinder (Harpyia vinula); men vindt haar vooral in Juli en Augustus op wilgen of populieren. Zij is lichtgroen en heeft over den geheelen rug een violette zadelvlek, die op den 7en ring aan weerszijden tot aan het ademgat afdaalt en door een zuiver witten rand omgeven is. In Mei verlaat de Vlinder de huid van de overwinterende pop; over dag zit hij zeer traag op stammen, palen en planken; zijn kleur is wit, op de vleugels met gele aders, voor een deel uitvloeiende zigzaglijnen en vlekken (die aanleiding gaven tot den Nederlandschen naam) op de vleugels.

De vreemdsoortigste van alle inheemsche rupsen is die van den bij ons zeldzamen Eekhoorn (Stauropus fagi); de Vlinder vliegt in denzelfden tijd van ’t jaar als de vorige en komt met dezen in vorm overeen, doch heeft een bruinachtig grijze kleur. Wegens de houding, die de lederkleurig, bruine, onbehaarde rups in den toestand van rust aanneemt, draagt de soort den naam van Eekhoorn; het achter de buikpooten gelegen deel van ’t lichaam is sterk gezwollen, naar boven en naar voren gekromd; het wordt met den pluimstaart van het genoemde Zoogdier vergeleken. Ofschoon in hoofdzaken met de vorige overeenstemmend, vertoont zij echter eenige afwijkingen, die haar een ander voorkomen verschaffen. De twee vrij lange “staartstiften” aan het laatste segment missen den uitstulpbaren draad, hoewel zij opgericht kunnen worden; de 6 buitengewoon sterk verlengde borstpooten herinneren sterk aan spinnepooten. Als de rups verontrust wordt, gooit zij haar kop achterover, strekt de borstpooten en brengt ze in trillende beweging. Men vindt haar in den herfst op beuken en eiken. De bruinzwarte pop houdt verblijf in een vliezig spinsel tusschen twee afgevallen bladen en overwintert. De muisgrijze Vlinder heeft 50 à 60 mM. vlucht en vliegt in Juli en Augustus.


De Uilen (Noctuina) vormen een zeer soortenrijke familie, welker leden voor ’t meerendeel slechts een middelmatige grootte hebben en die, met uitzondering van eenige weinige geslachten, door overeenstemming van lichaamsbouw en door eigenaardigheden van de teekening der vleugels (uilenteekening) duidelijk hun verwantschap verraden. Hun lichaam is in den regel forsch gebouwd, het achterlijf aan het einde meestal kegelvormig, het haarkleed dicht, op het borststuk en het achterlijf niet zelden tot borstels van verschillenden vorm uitgegroeid. De soms behaarde, soms naakte oogen schitteren in ’t donker. De borstelvormige sprieten zijn iets langer dan de halve voorvleugel. Slechts bij enkele soorten komt de zuiger niet tot volledige ontwikkeling, maar blijft week of ontbreekt zelfs geheel. De binnenrand van de krachtige voorvleugels is steeds langer dan de zoom; meestal treft men 12 aders in deze vleugels aan. Bij het beschrijven van de teekening maakt men gebruik van eenige algemeen aangenomen uitdrukkingen, die met behulp van de nevensstaande, schematische figuur verklaard zullen worden.

Dicht bij den wortel bevindt zich de halve dwarslijn (a); de beide geheele dwarslijnen, de voorste (b) en de achterste (c), werden reeds dikwijls genoemd; zij begrenzen het middelveld. Hierin komen 3 door haar kleur van haar omgeving afwijkende vlekken voor: de ronde vlek (d), de niervlek (e), beide in den regel van een lichtere kern voorzien, en de minder standvastig voorkomende, eenvoudig door haar donkerder kleur gekenmerkte tapvlek (f). In het zoomveld merkt men de golflijn (h) op, die er ongeveer midden doorheen loopt en het verdeelt in een buitenste gedeelte, het franjeveld, en een binnenste, de gewaterde band; de buitenrand van het zoomveld heet franjelijn. Aan de golflijn merkt men dikwijls 2 wortelwaarts uitstekende punten (W) op, die pijlvlekken worden genoemd. Onnoodig is het waarschijnlijk, te vermelden, dat al deze vlekken en lijnen niet altijd op iederen vleugel zichtbaar zijn. De kortere en breedere achtervleugels zijn gewoonlijk ongevlekt en somber gekleurd; zij worden meestal op het zoomveld allengs donkerder dan aan den wortel; als zij een lichtere, sprekende kleur hebben (geel, rood, blauw), dan ontbreekt in den regel ook de teekening niet, al bestaat zij slechts uit een middenvlek (maanvlek) op de middenader en soms een daarachter (nader bij den zoom) gelegen booglijn en een franjelijn. Een dergelijke teekening kan voorkomen aan de onderzijde, zoowel van de voorvleugels als van de achtervleugels, bij gene nog vermeerderd met een tusschen boog- en franjelijn gelegen golflijn. In rust bedekken de vleugels daksgewijs het achterlijf.

Bovenzijde van den voorvleugel van een Uil (schematisch): (a) Halve dwarslijn. (b) Voorste of eerste, (c) achterste of tweede geheele dwarslijn. (d) Ronde vlek. (e) Niervlek. (f) Tapvlek. (h) Golflijn.

De rupsen van deze familie vormen 3 natuurlijke groepen. Die van de eerste groep staan door haar in ’t oog vallende beharing en het bezit van 16 pooten het naast aan de rupsen der meeste Spinners en rusten, voor iedereen zichtbaar, over dag op haar voederplant. De andere hebben eveneens 16 pooten, maar geen merkbaar haarkleed, houden zich over dag meestal verborgen en komen alleen ’s nachts te voorschijn om te eten; gedurende dit bedrijf kan de verzamelaar ze bij ’t licht van een lantaarn gemakkelijker vinden dan over dag; in aantal overtreffen zij alle overige. De rupsen van de derde groep eindelijk hebben 1 of 2 paren pooten minder, zijn naakt, zitten over dag vrij op hare voederplanten en vormt door de eerstgenoemde eigenschap een overgang van de Uilen tot de eerstvolgende familie, die der Spinners. Alle Uilenrupsen spinnen, voordat zij zich verpoppen; zij maken echter geen volslagen cocon; die, welke vrij op planten leven, rusten hier of tusschen droge bladen op den grond, die van de tweede groep in den regel in den grond, nadat zij de haar omgevende aarde samengesponnen of met behulp van haar speeksel losjes samengelijmd hebben.

Men kent ongeveer 2500 soorten van Uilen, die over de geheele aarde verstrooid zijn. Dat hierbij 1000 Europeesche soorten voorkomen, leidt tot de gevolgtrekking, dat ons werelddeel in dit opzicht het nauwkeurigst onderzocht werd.

Tot de Spinnerachtige Uilen (Bombycoidea) behoort de Krakeling (Diloba coeruleocephala, fig. 3), zooals blijkt uit de sterk kamvormige sprieten van het mannetje en het dikke, wollig behaarde lichaam van het wijfje. De chocolade-kleurige, in het zoomveld lichtere voorvleugels vertoonen 2 zeer hoekige, aan den binnenrand zeer dicht bijeenkomende, zwarte dwarslijnen. Door het ineenvloeien van de 2 groenachtig gele voorste vlekken (waardoor de tapvlek, die een rond figuurtje vormt, met de ronde vlek samenhangt), ontstaat een groote, lichte plek, die zich soms in 2 aan een bril of een krakeling herinnerende vlekken verdeelt. De achtervleugels zijn witachtig grijs, aan den binnenhoek donker gevlekt. Deze Vlinder begint in September te vliegen, en behoort dus tot de “Herfstuilen”; over dag zit hij tegen boomstammen of schuttingen. Hij heeft 36 à 39 mM. vlucht. In het voorjaar verschijnen de dikke, blauwachtig witte rupsen, die gele strepen en zwarte wratten vertoonen; zij hebben een blauwen kop en ontleenen hieraan den soortnaam; haar voedsel bestaat uit bladen van pruimeboomen en sleedoornen. Als de rups volwassen is, lijmt zij houtspaantjes, de kalk van een muur, enz. aaneen tot een hulsel, dat aan onbeweeglijke voorwerpen bevestigd is en de stomp eindigende, roodbruine pop nauw omsluit.

1) Orion (Moma Orion) met rups.—2) Kweekgrasuil (Hadena basilinea) met rupsen.—3) Mannetje van den Krakeling (Diloba coeruleocephala) met rups. Ware grootte.

Den Orion of Seladon-uil (Moma Orion, Diphtera Orion, fig. 1), een zeer sierlijken Vlinder van 33 à 38 mM. vlucht, ziet men in Mei of Juni, dikwijls zelfs vrij veelvuldig in het bosch tegen boomstammen zitten, steeds met den kop naar beneden gericht. Het afstaand behaarde borststuk, welks schubben bij de vleugelwortels zijdelingsche pluimen vormen, het achterlijf en de voorvleugels hebben een lichtgroene grondkleur met zwarte en witte teekening. Op de voorvleugels bevinden zich 2 donkerzwarte dwarslijnen en in het midden van het zeer breede middelveld eenige hieroglyphen, die gezamenlijk een derden dwarsband vormen. De grijsbruine, nader bij den zoom donkerder achtervleugels hebben een witte, door een zwarte lijn verdeelde binnenrandvlek en, evenals de voorvleugels, een zwart en wit gevlekt franjeveld. De fraaie rupsen vindt men eenige weken later, aanvankelijk gezellig levend, op eikenhakhout; zij laten zich aan een draad naar beneden zakken, als zij gevaar duchten. Later leven zij eenzaam; voordat het ruwe jaargetijde aanbreekt, vervaardigt ieder zich een stevig spinsel, waarin zij zich verpopt. De bovendeelen zijn fluweelachtig zwart, de zijden geelachtig; op alle segmenten komen roode wratjes voor met lange, roodbruine haren en op den rug van den 2en, 4en en 7en ring een groote, gele vlek.

*

De tot dusver behandelde Uilen en hunne verwanten zijn gedurende den rupstoestand in den regel duidelijk behaard en leven bijna zonder uitzondering op houtige planten, zonder zich te verbergen. De meeste naakte rupsen van de Uilen der tweede groep—de Echte Uilen (Noctuae genuinae)—krijgt men alleen te zien, wanneer men hare schuilplaatsen weet op te sporen. Zij voeden zich bij voorkeur met grassen en andere kruiden, hebben 16 pooten en kruipen in den grond om zich te verpoppen. Ook de Vlinders leven verborgen en gaan in de duisternis honig en dauw lekken op bloemen, bloeiende aren van graansoorten en andere grassen, zoo ook op boomen, struiken en andere planten, waarop de Bladluizen hare zoete excrementen hebben achtergelaten. De meeste komen ons niet onder de oogen, tenzij er een in onze woning verdwaalt, door het licht aangelokt of met het doel om een veilige rustplaats voor den dag te zoeken. Hoewel de rupsen verborgen leven, richten sommige toch eene niet onbelangrijke schade aan op gekweekte planten.

De Kweekgrasuil [Hadena (Luperina) basilinea, fig. 2] is lederbruin, soms met een eenigszins grijze tint; de voorrand en het middelveld van de voorvleugels zijn echter meer roestbruin. De ronde vlek en de niervlek zijn groot, de laatstgenoemde lichter, vooral aan de zijde van den zoom. Van het midden van den vleugelwortel gaat een zwarte straal uit; deze “lijn aan de basis” (basilinea) gaf aanleiding tot den soortnaam. De beide geheele dwarsstrepen, die een donkerder rand hebben aan de naar elkander toegekeerde zijden, de golflijn en de tapvlek zijn alle duidelijk zichtbaar. Kleine, zwarte maanvlekjes tusschen de aders vormen de franjelijn, twee andere donkere vlekken een band over het door een golvenden rand begrensde franjeveld. De glanzig geelbruine achtervleugels zijn bij den zoom en op de aders donkerder.—Na de paring legt het wijfje verscheidene eieren op de halmen en bladen van de grassen, waarmede de rups zich later zal voeden; soms begunstigt zij op deze wijze gekweekte grassen, n.l. rogge en tarwe. De rupsen, die soms in grooten getale voorkomen, heeft men, daar zij onderweg ter aarde vielen uit het koren, dat naar de schuur gereden werd, op de muren van de langs den weg staande huizen zien zitten, ook op de muren en den vloer van de schuur. Wanneer men ze ongestoord liet begaan, zouden die, welke in de aren achterblijven, voortgaan met het opvreten van de korrels, totdat de nadering van den winter haar in een toestand van verstijving doet overgaan; in de lente hieruit ontwakend, zetten zij haar bedrijf voort; sommige zoeken echter het gras in de vrije natuur op; in ’t begin van Mei verpoppen zij zich.

Twee zeer fraaie Vlindertjes—de Grasuilen (Neuronia popularis en Charaeas graminis)—die door kleur en teekening aanmerkelijk verschillen, stemmen door het voorkomen en de levenswijze hunner rupsen zoozeer overeen, dat het zeer moeielijk is ze van elkander te onderscheiden, wanneer men ze niet beide te gelijk voor zich heeft. Beide hebben niet zelden een aanzienlijke schade aangericht door het afvreten van voedergrassen. Zij beginnen aan den voet, aan het jongste gedeelte van het blad, welks spits weldra verwelkt en daarom onaangeroerd wordt gelaten. Uit de eieren, die in Augustus of September op het onderste gedeelte van de grasplant worden gelegd, komen voor den winter rupsjes, die, al naar de weersgesteldheid in den herfst, in meer of minder ontwikkelden toestand verkeeren, wanneer de koude hen noodzaakt rust te nemen. In ’t voorjaar zetten zij den arbeid met steeds toenemenden ijver voort; in Juni verpoppen zij zich onder steenen of in den grond. Hun rolvormig, vetachtig glinsterend lichaam is dan 52 mM. lang, 7 à 8 mM. dik, van boven bronskleurig-bruin, met 3 lichtbruine, aanvankelijk bijna witte, overlangsche strepen. De lichtbruingrijze buikzijde is scherp gescheiden van de rugzijde door een geelachtige streep, waarin zich de zwarten ademgaten bevinden. De kop is okergeel met 2 zwarte streepjes. Deze beschrijving geldt voor beide rupsen: die van Charaeas echter is iets kleiner en meer grijsachtig. Beide Vlinders gelijken op Spinners door hun langharig borststuk en de kamvormige sprieten van het mannetje. De eerste heeft fraaie, roodbruine voorvleugels met perzikbloesemrooden weerschijn; alle aders, de golflijn en de drie uilenvlekken zijn geelachtig geschubd. Bij den laatstgenoemden Vlinder is de grondkleur van de voorvleugels bestoven olijfgroenachtig, op het middelveld en de buitenste helft van het zoomveld donkerder, op de 3 vlekken en de haar verbindende middelader helderder, min of meer wit; de golflijn en de dwarslijnen zijn niet zichtbaar. Van de Charaeas-soorten hebben Zweden en andere deelen van Noord-Europa, vooral echter Noord-Amerika, soms veel te lijden; op onze weiden is haar aantal slechts bij uitzondering zoo groot als gedurende het jaar 1865 in Drente. Ook in Duitschland richten zij slechts zelden zulke verwoestingen aan als in 1817 te Harzburg, waar zij 1000 HA. weidegrond kaal vraten en reeds in ’t vorige jaar zoo talrijk waren, dat de gedoode dieren een hand hoog de wagensporen der landwegen vulden.

*

Merkwaardig door de levenswijze hunner rupsen zijn de Rietuilen (Nonagria), effen grijsgele, in kleur met droog riet overeenkomende Vlinders, die zich door een vooruitstekende voorhoofdspluim, door den bollen, glad wollig behaarden rug van het borststuk en het achterlijf onderscheiden. Zij vliegen van Augustus tot October, uitsluitend in de nabijheid van hun geboorteplaats en hebben een uitgestrekt verbreidingsgebied. Hunne rupsen leven borend in de stengels van riet en andere eenzaadlobbige moerasplanten (welker bladen hierdoor aan de spits geel worden) en hebben, daar zij aan den invloed van ’t licht onttrokken zijn, een bleeke kleur en een madevormig uiterlijk. Zij verpoppen zich in haar nauwe woning, maar knagen vooraf een gat, waardoor de Vlinder uitvliegen kan, wanneer hij slechts de opperhuid van den stengel verbreekt of de prop knaagsel wegduwt, die de opening verstopt.

Een van de grootste en meest verbreide soorten is de Gewone Lischdoddenuil (Nonagria typhae), die 39 mM. vlucht heeft; de kleur zijner voorvleugels wisselt af van roodachtig grijs tot donkerroodbruin; 2 reeksen van zwarte maanvlekjes versieren den zoom en witachtige aders het franjeveld; de achtervleugels zijn geelachtig wit. In de beide soorten van lischdodden (Typha latifolia en angustifolia) leeft de vuil vleeschkleurige rups.

Zeer nauw verwant aan de Nonagriën zijn de Bleeke Uilen (Leucania). Een daarvan, Leucania extranea, heeft zich door de verwoestingen, die zij als rups aanricht, vooral in de westelijke staten van Noord-Amerika (1861), onder den naam van Amerikaanschen Legerworm (Army-worm) een zekeren roem verworven. Deze rups voedt zich, evenals die van onze inheemsche soorten, met grassen en heeft in zeer korten tijd geheele weiden kaal gevreten; zoodra het voedsel op is, trekt zij verder en verschoont ook de rogge-, maïs- en sorgho-akkers niet. Volgens een bericht uit het genoemde jaar legde zulk een rupsenleger binnen 5 uren een weg van 55 M. af. Men zag de rupsen in drie boven elkander gelegen lagen voortrukken en zich soms over een afstand van 800 M. verplaatsen om een nieuwe voederplaats te bereiken. Men brandt daarom in het laatst van den herfst of in den winter de drooge grasstoppels af op de plaatsen, waar zich de rupsen vertoond hebben, ten einde nieuwe verwoestingen te voorkomen.

Niet minder schadelijk dan de Leucania-rupsen voor de grassen, zijn de Gestreepte Dennenrupsen [Trachea (Panolis) piniperda, fig. 2] voor de dennen. De eerste nauwkeurige berichten over de door haar aangerichte vernielingen zijn van de jaren 1783 en 1784, toen de Frankische en Saksische wouden vreeselijk geteisterd werden. De rupsen zaten tot in de toppen der hoogste boomen en verslonden de jonge naalden aan de spitsen van alle twijgen; de dennen, die na korten tijd er uit zagen als na een boschbrand, stierven alle binnen eenige jaren. In Augustus hielden de rupsen op met eten, werden slap en vielen in zoo groote hoeveelheid naar beneden, dat de grond er zwart van zag. De gezonde rups heeft niets zwarts aan zich; over het groene lichaam loopen verscheidene witte rugstrepen en een oranjekleurige zijdestreep. Ook in de vorige eeuw heeft de Gestreepte Dennenrups zich herhaaldelijk in verschillende streken van Duitschland in ontzaglijke menigte vertoond en duizenden HA. boschgrond vernield. Ook in ons land is zij de gevaarlijkste vijand der dennenbosschen. De belangrijkste schade, door haar aan onze houtteelt toegebracht, is die, welke in 1854 en 1855 in de provincie Gelderland voorviel. In deze beide jaren werden aldaar niet minder dan 2270 HA. aangetast en daarvan 985 HA. totaal vernield. Ook de provincie Utrecht bleef niet gespaard; aan de Vuursche werden 50 à 60 HA. en bij Zeist 170 HA. aangetast en gedeeltelijk kaalgevreten (Ritzema Bos). Zonder sterk de aandacht te trekken, komt de Gestreepte Dennenrups van het laatst van Mei tot het midden van Juli waarschijnlijk in alle dennenwouden voor; bij voorkeur houdt zij zich op in de 30- à 40-jarige boomen. Dikwijls heeft men deze rupsen uitgedroogd aan de naalden zien hangen of ze in grooten getale rottend over den bodem verspreid gevonden; in vele gevallen wordt hierbij vermeld, dat hun dood plaats had na hevige regenbuien en koud weder. De lage temperatuur en de vochtigheid brengen echter niet direct dit gevolg teweeg, wel indirect door het begunstigen van de vermenigvuldiging der Insectendoodende zwammen (schimmelplanten). Dat een zwam de oorzaak is van de epidemie, werd voor ’t eerst aangetoond in West-Pruisen door Bail (1869). De Bary vond in 1883, dat deze zwam Entomophthora Aulicae is. Hoe snel zij den dood van de rups kan teweegbrengen, ondervond Nitsche, die een groot aantal oogenschijnlijk volkomen gezonde exemplaren welke des Zondagsmiddags te Primkenau ingezameld waren, des Maandagsmiddags, toen hij ze in Tharand uitpakte, voor een groot deel reeds dood en met de karakteristieke vruchthyphen overdekt vond. Ook in Beieren heeft in 1892 deze rupsenvijand volgens Von Tubeuf zeer gunstig gewerkt. Natuurlijk ontbreken in zulke gevallen ook de zonder microscoop zichtbare bondgenooten van den houtteler niet: duizenden van Sluipwespen zwermen om de aangetaste boomen en veroorzaken den dood van even zoovele rupsen. Zelden duurt een dennenrupsenplaag langer dan 2 jaar, omdat bij het einde van dit tijdperk de parasieten zich doorgaans zoo sterk hebben vermenigvuldigd, dat aan de ramp een einde komt. Zoo werd aan de bovengenoemde dennenrupsenplaag in Gelderland, nadat deze 2 jaren had geduurd, een einde gemaakt door een Parasietvlieg (Tachina glabrata). (Ritzema Bos).

Als tegen het einde van Maart de zon verscheidene dagen achtereen warm geschenen heeft, ontwijkt de Dennenuil, waarvan de Gestreepte Dennenrups de larve is, reeds in deze maand, anders stellig in de volgende maand uit de in den grond overwinterende pop. Zij is een van de bontste Uilen, zit met daksgewijs afhellende vleugels op de stammen of tusschen de naalden der dennen en zwerft ook over dag door haar gebied om bloeiende wilgenkatjes op te zoeken. De voorvleugels en het ruige, niet van haarpluimen voorziene borststuk zijn roodachtig kaneelkleurig met bijmenging van geelgrijs; aan de binnenrand is de golflijn roodbruin geschaduwd; de beide groote vlekken zijn wit. Het achterlijf en de achtervleugels zijn effen donker grijsbruin. In Mei legt het wijfje reeksen van 6 à 8 eieren op de naalden.

Dat er rupsen zijn, die andere rupsen opvreten, weet alleen de verzamelaar en kweeker van zulk gedierte. Deze moordenaars heeft hij te vreezen; als er een zich bevindt in de doos, waarin hij ook andere rupsen naar huis draagt, kan hij er zeker van zijn, dat een deel van den met moeite verzamelden buit onderweg bedorven wordt. Zulk een “moordenaar” is de rups van de IJpen-hyena-uil [Cosmia (Calymnia) diffinis, fig. 1], die zich in Mei op ijpen vertoont. Zij heeft geen onaardig uiterlijk: met uitzondering van den zwartbruinen kop en het glanzig bruine nekschild, is zij op geelachtig groenen grond met 5 witte, overlangsche streepen geteekend, die gelijke tusschenruimten overlaten, welke bezet zijn met bruin behaarde, door een wit vlekje omringde wratjes. Een lichtgekleurde, gaffelvormige teekening op het voorhoofd en bruine ademgaten behooren mede tot haar tooi. Niet minder sierlijk is de gladde, glanzig kastanjebruine, vooral aan den binnenrand van den voorvleugel roodgrijs genuanceerde Vlinder; de geelachtig grijze voorrand vertoont twee groote vlekken, beginsels van dwarslijnen, waarvan de achterste sterk gebroken is.

*

Vele leden van het soortenrijke geslacht der Akkeruilen (Agrotis) zien er vuil en onooglijk uit, grijs als de bodem, waarop zij, onder bladen verborgen, bij voorkeur verblijf houden; andere hebben het in haar familie zeldzame voorrecht van bont gekleurde achtervleugels te bezitten: geel, met een zwarte streep bij den zoom. Het lichaam is krachtig gebouwd; de kop en het borststuk zijn met aanliggende haren bekleed; het ongekuifde achterlijf is dikwijls van boven naar beneden afgeplat. Zij hebben de gewoonte zich over dag te verbergen en bij verstoring van hun rust de horizontaal gerichte, elkander bedekkende vleugels trillend heen en weer te bewegen, voordat zij opvliegen, om zich een eind verder nogmaals op den grond te verschuilen. De onbehaarde, rolronde rupsen leiden een verborgen leven, eten uitsluitend gras of kruiden, overwinteren en verpoppen zich in den grond.