1) IJpen-hyena-uil (Cosmia diffinis) met rups—2) Dennenuil (Trachea piniperda) met rups. Ware grootte.

De Huismoeder [Agrotis (Tryphaena) pronuba] heeft 50 à 60 mM. vlucht en is, behalve aan haar grootte, ook kenbaar aan den zwarten band op het zoomveld van de overigens okergele achtervleugels; de voorvleugels zijn bij sommige (var. innuba) bijna effen, roodachtig lederbruin; bij de overige scherper geteekend op rood-, grijs- of zwartbruinen grond.

De Aardrupsen (Agrotis segetum) zijn bijna ieder jaar voor landbouwers en tuinlieden niet slechts lastig, maar zelfs zeer schadelijk. Zij hebben een vaalbruine, met veel grijs en eenig groen gemengde kleur op de doorschijnende, sterk glinsterende huid; het nekschild is donkerder dan het lichaam, het stuitschild niet. In volwassen toestand zijn zij 52 mM. lang en zoo dik als een flinke ganzepen. Van Augustus tot October, bij voortdurend gunstige weersgesteldheid nog in November, knagen zij aan de wortels en andere onderaardsche plantendeelen van het jonge winterkoren (vooral van rogge en tarwe), van allerlei soorten van kool en rapen, van aardappels en mangelwortels, van verschillende groenten en sierplanten. Die welke, als engerlingen, in knollen en knolvormige wortels leven, hierin gangen boren en groote holten doen ontstaan, blijven geruimen tijd in dezelfde plant; de overige komen ’s nachts boven den grond om zich van de eene plaats naar de andere te begeven en boven den grond de jonge plantjes af te vreten. Over dag liggen zij ineengerold onder steenen en aardkluiten, of houden zich, zoo deze ontbreken, verscholen in de bovenste aardlaag bij de wortels van hare voederplanten. Eenige gaan reeds vóór den winter in den poptoestand over, hoewel zij, behoudens enkele uitzonderingen, eerst in het volgende voorjaar de pophuid verlaten. De meeste overwinteren echter als rups, verpoppen zich in de lente en komen na een rust van ongeveer 4 weken als Vlinders te voorschijn. Dit brengt teweeg, dat men ze reeds in de tweede helft van Mei ziet vliegen, veelvuldiger echter in Juni en ook nog wel in Juli en Augustus. Hun vlucht bedraagt 44 mM.; de voorvleugels hebben een meer of minder donkere, grijsbruine kleur, bij de meestal lichtere mannetjes met geelachtigen weerschijn; voorts zijn zij met vlekken en strepen meer of minder duidelijk geteekend. De achtervleugels hebben bij de mannetjes een melkwitte kleur, bij de wijfjes een donkerder tint. Deze soort bewoont geheel Europa, maar is ook over een groot deel van Azië en bovendien over Zuid-Afrika en Noord-Amerika verbreid; men kan haar dus cosmopoliet noemen.

*

De Monniken of Monnikskappen (Cucullia) zijn tamelijk groote Uilen van 39 à 55 mM. vlucht, welker slank lichaam een deels glad, deels gekuifd (op de borst en de pooten glad en wollig) haarkleed draagt. De voorvleugels zijn lang, lancetvormig, de achtervleugels kort. Zij vliegen snel, uitsluitend ’s nachts en blijven op soortgelijke wijze als de Sphingiden met trillende vleugels zweven voor de bloem, waaruit zij met haar zeer langen zuiger honig opnemen. In rust bedekken de vleugels steil dakvormig het achterlijf en worden de beide helften van den halskraag zoo gedraaid, dat zij als een kap boven den kop uitsteken; hieraan is de naam van het geslacht ontleend. De naakte, glanzige, met heldere vlekken geteekende rupsen eten bloemen en zaden van kruidachtige planten en verbergen zich over dag niet. Wanneer men ze aanraakt, maken zij krachtige, springende bewegingen. Zij verpoppen zich in den grond in een eivormigen cocon, welker rand wel 5 mM. dik is en uit aaneengelijmde aardkluitjes bestaat. De pop overwintert.

Tot dit geslacht behoort de Wolkruidvlinder (Cucullia verbasci), wiens dikke, rolronde rups is voorgesteld, zittend op haar gewone voederplant (de toorts of het wolkruid), waarvan zij de bloemen verslindt; zij is zeer fraai blauw-, groen- of geelachtig wit met 4 gele, zwart gekernde vlekken op ieder segment. Tegen het einde van Juni verpopt zij zich. De Vlinder vliegt in April en Mei. De voorvleugels zijn bruingeel, aan den voor- en binnenrand met een breeden, nootbruinen band, van achteren met 2 lichte maanvlekjes. De achtervleugels zijn aan den wortel witachtig, aan den zoom bruingrijs; bij het mannetje heeft gene, bij het wijfje deze kleur de overhand.

*

Het Roode Weeskind (Catocala nupta) met rups. Ware grootte.

De Gouduilen (Plusia) zijn over alle werelddeelen verbreid en ook in Europa door talrijke soorten vertegenwoordigd; zij onderscheiden zich voor ’t meerendeel gunstig door metaalachtig glinsterende vlekken op de voorvleugels, soms gelijkend op de Grieksche letters, b.v. γ, ν of λ, die uit een dikke laag goud of zilver schijnen te bestaan. Boven het slanke achterlijf verheffen zich de huidbekleedselen kuifvormig. Deze fraaie Uiltjes rusten met steil hellende, dakvormige vleugels; vele vliegen ook des daags. De rupsen hebben een kleinen kop; ook haar romp wordt naar voren dunner. Daar de voorste buikpooten ontbreken, kruipen zij op de wijze van spanrupsen en houden in rust niet zelden het voorste deel van ’t bultige lichaam omhoog gekromd. Alle leven vrij op kruiden, tusschen welker bladen zij zich in een luchtig spinsel verpoppen. In den regel overwinteren zij als rupsen.

Zeer algemeen is hier te lande de Gammavlinder, ook wel Pistooluiltje genoemd (Plusia gamma); hij is een van die soorten, welker voorvleugels gemerkt zijn met een dikke zilveren letter in den vorm van de Grieksche γ (gamma); waarschijnlijk is hij de veelvuldigste en verst verbreide van allen, daar men hem ook in Noord-Amerika aantreft. Schuw en haastig ziet men hem bij ons boven akkers en in bosschen, over weiden en in tuinen vliegen, bij zonneschijn niet minder dan in den vroegen morgen, of op den laten avond, bedrijvig honig zuigend uit allerlei bloemen.—De rups is overlangs wit gestreept op geel- à grijsgroenen grond, tusschen de segmenten ingesnoerd; zij vreet allerlei kruiden en komt soms in zeer grooten getale voor. Dit was o.a. het geval in den zomer van 1879 in allerlei streken van ons land en ook in andere landen. “De rupsen hadden zich,” schrijft Ritzema Bos, “in buitengewoon groote menigte op langs den weg groeiende onkruiden, als varkensgras (Polygonum aviculare), wilde wikken en lenzen, lathyrus en rolklaver (Lotus), herik, melde, enz. enz. gevestigd, terwijl men in de gemeentelijke verslagen over 1879 klachten vindt aangeheven over de rupsen van den Gamma-uil uit bijkans alle streken des lands, maar ’t meest uit Gelderland, Noordbrabant en Limburg. Vooral leden erwten, wikke, klaver, vlas en hennep.” Erger nog was het in 1829 in vele streken van de provincie Groningen.

*

De grootste Uilen en tevens die, welke aan eigenaardigheden van hunne achtervleugels kenbaar zijn en hun grootste bekoorlijkheid ontleenen, worden Weeskinderen (Catocala) genoemd; men onderscheidt ze in Blauwe, Roode en Gele. Van de vier inheemsche soorten behoort één tot de eerstgenoemde afdeeling, terwijl de 3 overige in de tweede een plaats verdienen. De derde is in Nederland niet vertegenwoordigd.

Het Blauwe Weeskind (Catocala fraxini) is de grootste inheemsche soort van haar geslacht en van haar familie; zij heeft soms meer dan 105 mM. vlucht. Men herkent dezen Vlinder licht aan den breeden, lichtblauwen dwarsband op het midden van de zwarte achtervleugels. Hij vliegt ’s nachts, van Juli tot September, en rust over dag dikwijls op zonnige plekken tegen stammen, schuttingen, muren, enz. Daar de vleugels te groot zijn om op de gewone wijze het lichaam dakvormig te bedekken, hebben zij in den rusttoestand geen sterke helling. De eieren overwinteren. De rupsen hebben 16 pooten, maar gebruiken de beide voorste buikpooten niet veel en kruipen dus eenigszins spannend. Zij voeden zich ’s nachts met bladen van eiken, wilgen en populieren en rusten over dag lang uitgestrekt op schuilplaatsen, waar zij wegens hun schorskleurige huid niet licht opgemerkt worden.

De 3 overige inheemsche soorten hebben op de roode achtervleugels, behalve een zwarten band in het zoomveld, nog een tweeden, meer of minder sterk getakten op het midden. De meest algemeene is die, welke meer bepaaldelijk het Roode Weeskind (Catocala nupta) wordt genoemd. Dit fraaie dier, dat soms 80 mM. vlucht heeft, kan men na half Juli, op boomstammen, in hoeken van muren, onder afdaken, enz. zien rusten. Nadert men deze plaats, dan verwijdert het zich snel, zoodat men dikwijls de vleugelslagen kan hooren, en zoekt haastig een veiliger schuilhoek op. Als het duister wordt, begint het uit eigen beweging om de boomen te fladderen en herinnert dan aan een kleine Vleermuis.—De rups, die tot het midden van Juni op wilgen en populieren haar voedsel zoekt, is niet minder schuw dan de Vlinder. Wanneer men haar aanvat, slaat zij met het voorste en het achterste deel van ’t lichaam in ’t rond, op soortgelijke wijze als een Visch, die in ’t midden van ’t lichaam wordt gegrepen; als zij den vinger van haar aanrander bereiken kan tracht zij hem te bijten, kortom, zij gaat hevig te keer.—Weldra zoekt elke rups onder schors, mos of dorre bladen een plaatsje op, waar zij zich met eenige draden ontwikkelt en in een slanke, met een blauwachtig waas bedekte pop verandert.

Dezelfde levenswijze als de genoemde Vlinders hebben alle overige leden van hun geslacht. In Europa vindt men er 25; Noord-Amerika is niet minder goed bedeeld.


Daar de familiën der Vlinders in alle richtingen door overgangsvormen verbonden zijn, die een scherpe begrenzing niet toelaten, is het moeielijk een van deze groepen met weinige woorden te kenschetsen. In een beknopt algemeen overzicht kan men dan ook geen volledige bepaling van deze familiën verwachten. Hier worden daarom slechts eenige van de belangrijkste eigenaardigheden opgenoemd, waardoor de Spanners (Phalaenidae), die men ook wel met de namen Landmeters (Geometridae), Meters of Krammetjes aangeduid vindt, overeenstemmen. Hoewel al deze 5 benamingen, met uitzondering van de tweede, aan de houding van de larve ontleend zijn, beginnen wij met de bespreking van het geslachtsrijpe Insect. Vóór den kleinen kop, die op de kruin geen bijoogen draagt, steken de tasters slechts weinig uit; de zuiger daarentegen vertoont in deze familie de meest verschillende graden van volkomenheid. In den voorvleugel vindt men 11 of 12 aders, waarbij slechts één binnenrandsader. De breede achtervleugels hebben een korte franje, een vleugelhaakje, hoogstens 2 binnenrandsaders en bovendien nog 6 of 7 andere vleugeladers. De meeste Spanners houden in rust hunne teere vleugels een weinig uitgespreid, doch niet zoover als die, welke in de verzamelingen voorkomen; sommige richten ze half gesloten omhoog; andere houden ze als een dak boven hun achterlijf. Vele vliegen over dag of maken althans spoedig van hunne vleugels gebruik, wanneer zij hun rustplaats tusschen gras of struiken niet meer veilig achten; des nachts toonen de meeste echter een grootere neiging om zich te bewegen dan over dag.

Berkenspanner (Amphidasis betularia): Wijfje, rupsen en pop. Ware grootte.

Scherper dan door de eigenaardigheden van het volkomen ontwikkelde Insect onderscheiden de Spanners zich van de overige Vlinders door de kenmerken der larven. Dat bij haar de buikpooten, met uitzondering van het laatste paar, ontbreken of onbruikbaar zijn en dat zij daarom “spannend” kruipen, werd reeds vroeger vermeld. Zij bezitten dus slechts 10, bij uitzondering 12, voor ’t gaan geschikte pooten; in rust hechten zij zich met de naschuivers aan een twijg en strekken het slanke lichaam rechtuit of krommen het lusvormig, zoodat de rups, die in vele gevallen grootendeels bruin is, zeer veel op een dor takje gelijkt. Enkele bevestigen zich, als de Dagvlinders, met een gordel aan een blad, wanneer zij in den poptoestand overgaan; de meeste echter spinnen zich met eenige draden vast, hetzij tusschen groene, of tusschen droge bladen; andere kruipen in den grond.

Men kent tegenwoordig uit alle werelddeelen ongeveer 1800 soorten van Spanners, waarvan slechts weinige de middelmatige grootte overschrijden. Linnaeus beschreef de hem bekende soorten onder den geslachtsnaam Phalaena, bracht ze tot de groep der “Geometrae” en gaf aan hare soortnamen den uitgang aria of ata, al naar hij bij de mannetjes kamvormige of eenvoudig draadvormige sprieten vond. Latere schrijvers hebben hier, evenals overal, een groot aantal nieuwe geslachtsnamen ingevoerd.

De Berkenspanner (Amphidasis betularia) nadert in sommige opzichten tot de Spinners en behoort wegens de langwerpige gedaante zijner voorvleugels tot de grootste inheemsche soorten (50 à 55 mM. vlucht). Twee kegelvormige verhevenheden op den kop van de rups hebben aanleiding gegeven tot den naam Meter-torenkop, die een der eerste beschrijvers dezer soort haar gegeven heeft. De witte grondkleur van den Vlinder is overal bruinzwart besprenkeld. Vele stipvormige vlekjes vloeien hier en daar, doch vooral aan den voorrand der voorvleugels tot vlekken en lijnen ineen. Het aanmerkelijk kleinere mannetje onderscheidt zich van het wijfje door den slankeren vorm van het lichaam en de dubbel-kamvormige sprieten. De rups is verschillend van kleur, meestal groenachtig grijs, minder dikwijls bruinachtig of geelachtig; dit verschil schijnt in verband te staan met de soort van planten, waarmede zij zich voedt. Hoewel zij ook op berken, lijsterbessen en andere breedgebladerde boomen voorkomt, geeft zij, naar ’t schijnt, aan den eik de voorkeur. In Mei of Juni verschijnt de Vlinder; deze ziet men nooit over dag vliegen; wegens zijn grootte en lichte kleur zal men hem niet licht over ’t hoofd zien, terwijl hij met half geopende vleugels in het bosch op een boomstam zit.

De Groote Wintervlinder (Hibernia defoliaria, fign. 1–3) vertoont zich in October en November. Wanneer de meeste andere insecten reeds hunne winterkwartieren hebben opgezocht en voor een deel reeds in verstijfden toestand verkeeren, vliegt deze trage Spanner in de koude nachtlucht zonder overhaasting rond. Het mannetje (fig. 1) heeft groote, teere en zwak geschubde vleugels van licht okergele kleur met fijne, donkere stipjes bezaaid en met een groote, donkere stip in ’t midden; de voorvleugels hebben bovendien nog het middelveld begrensd door breede, gezaagde, roestbruine dwarsbanden. Het ongevleugelde, geel en zwart gevlekte, 10 mM. lange wijfje (fig. 2) kruipt tegen den avond bij de boomstammen omhoog en legt de eieren afzonderlijk of tot kleine groepjes vereenigd op de knoppen. De rupsjes komen reeds in het midden van April voor den dag en beginnen onmiddellijk hun vernielingswerk, voordat de knoppen zich hebben kunnen ontwikkelen. Het best merkt men ze aan de vruchtboomen op, welker eigenaar soms een belangrijke schade lijdt door hun vraatzucht; minder duidelijk openbaart zich hun werkzaamheid in de bosschen. De volwassen rups (fig. 3) is aan de rugzijde bruinrood, aan de buikzijde zwavelgeel, met roodbruine strepen op ieder segment. In ’t begin van Juni laat zij zich aan een draad naar den grond afzakken om hier op zeer geringe diepte in den poptoestand over te gaan.

Groote Wintervlinder (Hibernia defoliaria):—1) Mannetje. 2) Wijfje. 3) Rups. Oranjeroode Wintervlinder (Hibernia aurantiaria): 4) Mannetje. 5) Wijfje. Kleine Wintervlinder (Cheimatobia brumata):—6) Mannetje. 7) Wijfje. 8) Rups.—Ware grootte.

De Oranjeroode Wintervlinder (Hibernia aurantiaria, fign. 4 en 5) is hier te lande zeldzamer dan de vorige soort; hij vliegt terzelfder tijd of iets later en heeft dezelfde levenswijze.

Het laatste geldt ook van den Kleinen of Gewonen Wintervlinder (Cheimatobia brumata, fign. 6–8). Dat deze nog later verschijnt, wordt door zijn wetenschappelijken soortnaam aangegeven (bruma beteekent de kortste dag); daarentegen kruipt zijn rups iets vroeger in den grond, waaruit voortvloeit, dat de poptoestand gemiddeld een maand langer duurt. Evenals de Groote Wintervlinder in zuidelijker landen de vruchtboomen beschadigt en overal waar hij in grooten getale voorkomt, aanleiding geeft tot een schralen oogst, zoo de Kleine Wintervlinder in noordelijker gewesten. De teere, afgeronde vleugels van het mannetje zijn zwart geschubd en grijsachtig, de voorvleugels door een roodachtig waas donkerder en op onregelmatige en varieerende wijze met nog donkerder dwarslijnen geteekend. Het grijze, 5 à 6 mM. lange wijfje, kenmerkt zich door vleugelstompjes, die ieder een donkeren dwarsband hebben en door witgevlekte, lange pooten. De rups is vroeg in ’t voorjaar bij ’t verlaten van het ei grijs, na de laatste vervelling is zij 26 mM. lang en geelachtig groen of donkerder van kleur; de kop is donkerbruin, een aan weerszijden witgezoomde, fijne streep over den rug nog donkerder; een lichte streep loopt boven de ademgaten langs. Niet later dan in ’t begin van Juli verlaat de rups haar boom om op geringe diepte in den grond te veranderen in een geelbruine pop, welker achterlijf in twee doorntjes eindigt.

Om de vruchtboomen tegen de zoo schadelijke rupsen van de Wintervlinders te beveiligen, brengt men sinds lang met goed gevolg een teerring aan op den stam. Deze bestaat uit een strook papier ter breedte van een hand, die op zulk een hoogte, als voor de werklieden het gemakkelijkst is, zoo om den stam wordt gelegd, dat geen enkel wijfje er onder door naar boven kan kruipen. Deze band wordt met een kleverige stof bestreken en kleverig gehouden, zoolang de geslachtsrijpe Insecten leven.

De Gewone Dennenspanner (Bupalus piniarius, fign. 1–3) vertoont zich in een gunstiger jaargetijde dan zijne laatstgenoemde verwanten. Met schommelende, maar toch haastige en woeste vlucht bewegen de mannetjes en wijfjes zich op warme Junidagen tusschen de stammen en de twijgen der dennen en sparren. Het mannetje is op zeer verschillende wijzen met lichte vlekken en stralen op zwartbruinen grond geteekend; deze hebben op de bovenzijde een stroogele, van onderen een zuiverder witte kleur. Bij het nog sterker varieerende wijfje wisselt op soortgelijke wijze somber roodgeel met roodbruin af. De eieren worden boven in de kroon op overlangsche reeksen aan de onderzijde der dennenaalden vastgekleefd; in Juli kruipen de rupsjes er uit; eerst in Augustus valt de door hen aangerichte schade in ’t oog, wanneer zij in grooten getale aanwezig zijn. In October laten zij zich aan draden op den grond zakken om zich onder mos of dorre bladen te verpoppen. De zeer slanke, groene rups heeft drie witte rug- en twee gele zijlijnen. De pop overwintert.

De Spiesbandspanner (Larentia hastata, fign. 4 en 5) heeft zwart en wit geteekende vleugels: de witte band heeft op elken vleugel een zoomwaarts gerichte, spiesvormige spits. Hij bewoont, evenals de vorige, uitsluitend bosschen, doch alleen die, waarin het berkenkreupelhout de overhand heeft. Hier vliegt hij in Mei tamelijk vlug en schuw rond. De rups is kaneelbruin met een rij van gele, hoefijzervormige vlekken op iedere zijde.


De Schubvleugeligen, die men onder den naam van Kleine Vlinders (Microlepidoptera) samenvat, vormen geen natuurlijke groep; zij worden over verscheidene familiën verdeeld, die met elkander niet nader verwant zijn dan met de overige Heteroceren. Voor de nog steeds gebruikelijke splitsing der orde bestaan redenen van praktischen aard. De studie der Microlepidoptera is wegens hun kleinheid en teerheid met grootere bezwaren verbonden, dan zich bij de andere Vlinders voordoen; zij kan in den regel niet op voldoende wijze met het ongewapend oog geschieden; voorts vereischt het voor haar benoodigde materiaal andere methoden van vangst, kweeking en behandeling. Hoewel deze moeielijkheden velen hebben afgeschrikt, is het aantal bekende soorten van Kleine Vlinders thans reeds aanmerkelijk grooter dan dat der Groote. In Nederland heeft men, volgens J. Th. Oudemans, van gene 949, van deze 764 soorten gevangen. Voor geheel Europa schijnt een dergelijke verhouding te gelden. Ruim 20 jaren geleden waren 2583 soorten van Groote Vlinders en omstreeks 2700 soorten van Kleine uit ons werelddeel bekend.

De Bladrollers (Tortricina) verschillen door de houding van ’t lichaam en het maaksel der vleugels aanmerkelijk van de overige Microlepidoptera; men zou ze op ’t eerste gezicht voor een klein slag van Uilen kunnen houden. De langwerpige, dikwijls metaalachtig glinsterende en bont geteekende vleugels hebben een korte franje en een boogvormig vooruitstekenden voorrand. De ongeteekende, breede achtervleugels hebben den vorm van het vierde deel van een ellips of van een trapezium, missen de ingeschoven cel, bezitten een vleugelhaakje, 3 vrije binnenrandsaders en nog 6 of 7 andere aders. De borstelvormige sprieten ontspringen uit een dik grondlid en bereiken de spits van den vleugel niet; bijoogen zijn aanwezig. Vrijwillig vliegen de Bladrollers niet anders dan ’s avonds of ’s nachts; zij laten zich echter opjagen uit de struiken of het gras, die aan vele soorten over dag een schuilplaats verschaffen, waar hun kleur hen beveiligt; in rust bedekken de vleugels dakvormig het achterlijf.

De rupsen van de Bladrollers hebben 16 pooten, Zij leven niet vrij en gezellig aan de oppervlakte van de plant, gelijk de meeste andere rupsen, maar eenzaam in een donkere woning. Deze wordt dikwijls verkregen door het oprollen van bladen, die met eenige draden bijeengetrokken en in dezen stand gehouden worden. Hieraan dankt de familie haar naam, hoewel dezelfde levenswijze ook wel bij rupsen van andere familiën wordt waargenomen. Daarentegen bewonen de rupsen van een groot aantal Bladrollers gangen, die zij in verschillende plantendeelen, vooral in vruchten, boren. Deze woning verwisselt de volwassen larve in den regel voor een andere, waarin zij als pop verblijf zal houden. De rupsen, die in opgerolde bladen leven, verpoppen zich hier ook. De pop wordt nooit door een echten cocon beschut en heeft dikwijls een krans van doorntjes aan den achterrand der achterlijfsringen, die beweging toelaten.

De rupsen van sommige Bladrollers richten in kweekplaatsen van planten, vooral in tuinen, bosschen en wijngaarden, schade aan. De dikke, zwartbruine of grijze rupsen van Rozenbladrollers [Grapholitha (Paedisca) tripunctana, roborana, enz.], die te voorschijn komen bij het openen van de saamgesponnen bladen van tuinrozen, vreten het uiteinde van de jonge twijg, die haar herbergt, geheel kaal; geen bloem zal hier ontluiken, tenzij de vraatzuchtige larve ten spoedigste wordt weggenomen en gedood. Andere rupsen van Bladrollers [Tortrix (Cacoecia) xylosteana, sorbiana, enz.] doen door een soortgelijke levenswijze schade aan vruchtboomen.

Gewone Dennenspanner (Bupalus piniarius):—1) Mannetje. 2) Wijfje. 3) Rups. Spiesbandspanner (Larentia hastata):—4) Wijfje. 5) Rups.—Ware grootte.

Een vleeschkleurige rups, welker kop, halsschild en borstpooten glanzig zwart zijn en die in volwassen toestand 12 mM. lang is, bewoont van half Mei tot half Juni (dus in den hooitijd) de bloeiwijze van den wijnstok en is daarom onder den naam van hooiworm berucht. Een tweede generatie van dezelfde soort van rupsen trekt nog meer de aandacht; zij leeft van ’t einde van Augustus tot in September in de onrijpe druiven, die hierdoor zuur blijven en wordt daarom door de Duitsche wijnboeren zuurworm genoemd. Zij verpopt zich in October en overwintert onder de schubben van de schors van den wijnstok, aan den paal, die hem tot steun dient, of in den strooband, waarmede hij is vastgebonden. Uit de pop ontwikkelt zich in April een Vlinder van 14 mM. vlucht—de Eénmaal Gestreepte Druivenbladroller (Conchylis ambiguella)—, wiens glanzig stroogele voorvleugels in ’t midden een breede, donkerbruine dwarsstreep vertoonen, die bij den binnenrand smaller wordt; de achtervleugels zijn grijsbruin, bij het mannetje meer witachtig. In Juni en Juli vliegt de zomergeneratie.

Groene Eikenbladroller (Tortrix viridana) met rups en pop. Ware grootte.

De Groene Eikenbladroller (Tortrix viridana) is gemakkelijk te herkennen aan de lichtgroene kleur van het voorste deel van ’t lichaam en van de voorvleugels; het achterlijf en de achtervleugels zijn zilvergrijs. Reeds in Mei, als de knoppen van den winter- en den zomereik zich beginnen te ontwikkelen, kan men tusschen de knopschubben rupsjes vinden, voortgekomen uit eieren, die hier sedert den vorigen herfst gelegen hebben. Zij dringen in de knoppen door, vreten deze uit en leven later vrij op de bladen, die zij met eenige draden omspinnen en ook een weinig doen omkrullen. Vooral tegen den tijd, waarin zij tusschen de overblijfselen van bladen in den poptoestand overgaan, hangen een menigte van deze draden als spinrag aan de boomen. Bij de geelachtig groene, 14 mM. lange rups zijn de kop, de achterrand van het halsschild, een vlek op het laatste segment en de bruinachtig behaarde wratjes zwart. De Vlinder, die omstreeks den langsten dag verschijnt, is 8 mM. lang en heeft 23 mM. vlucht.

De Harsbuilenbladroller (Retinia resinella) en zijne verwanten maken een aangenamen indruk door de talrijke, meestal zilverachtig glinsterende, gegolfde dwarslijnen op de donker gekleurde voorvleugels; hunne rupsen zijn op verschillende wijzen nadeelig voor de knoppen en de jonge twijgen van de naaldboomen. De genoemde soort heeft zeer donkerbruine voorvleugels en vliegt reeds in Mei ’s avonds bij mooi weer tusschen de dennenaalden rond. De naweeën van zijn verschijning vertoonen zich in den herfst: onder den krans van knoppen, die in de volgende lente zullen uitkomen, ziet men harstranen. Bij nader onderzoek vindt men hierin een gang, die zich tot aan het merg uitstrekt en bewoond wordt door een rupsje, wiens arbeid de harsuitvloeiing heeft veroorzaakt; deze neemt in den loop van het volgende jaar sterk toe; eindelijk heeft zij den omvang van een grooten noot bereikt en valt dan door haar vuilwitte kleur aan den voet van den intusschen uitgesproten krans van twijgen duidelijk in ’t oog. De zoogenaamde “harsgal” bevat bijna 2 jaar na den tijd waarin het wijfje eieren legde, een geelachtig roodbruine, 11 mM. lange rups met dikken, zwarten kop, die in de lente in een pop verandert.

De Dennelootbladroller (Retinia Buoliana) heeft witte, als zilver glinsterende teekeningen op de roodachtig oranjekleurige voorvleugels, die van onderen, evenals de achtervleugels aan beide zijden, effen roodachtig grijs zijn. Het wijfje vliegt des avonds in Juli en legt eieren tusschen de knoppen aan en bij den top der jonge Dennen. Eerst in Mei van ’t volgende jaar oefenen de rupsen een merkbaar schadelijken invloed op de dan ontstaande loten uit. Deze krommen zich op de plaats, waar de rupsen aan de schors en het nog jonge hout knagen en zullen, als zij in ’t leven blijven, haar kromming behouden, terwijl het onbeschadigde deel daarboven op de gewone wijze verder groeit. Dit geschiedt ook met de loot, die zich ontwikkelt tot een verlengstuk van den stam, welke hierdoor den zoogenaamden “waldhoorn”-vorm verkrijgt.

1, 2) Appelbladroller (Grapholitha pomonella): 1) Rups. 2) Vlinder. 3) Meelmot (Asopia farinalis). Ware grootte.

De “wormpjes” van de “wormstekige” appels en peren zijn larven van den Appelbladroller [Grapholitha (Carpocapsa) pomonella, fign. 1 en 2]; zij hebben 16 pooten en zijn bleek rozerood of roodachtig geel, aan den buik lichter. Tot het knagen van gangen in appels en peren worden zij minder door het vruchtvleesch dan door de pitten in het klokhuis verlokt. De eieren worden op het halfrijpe ooft gelegd; de plaats waar het rupsje naar binnen drong, is kenbaar aan een zwart plekje op de “wormstekige” vruchten. Deze worden iets eerder rijp dan hare gave buren en vallen voor een deel onrijp af. De rupsen van de vroegrijpe vruchten gaan meestal te niet, omdat zij bij het opeten van het ooft gevonden en weggeworpen worden, voordat zij geheel volwassen zijn. Die, welke zich in de winterproviand bevinden, verlaten haar woonplaats door de reeds aanwezige gang of banen zich een anderen uitweg, kruipen in den een of anderen hoek, overwinteren hier in een door haar gesponnen kleed en verpoppen zich eerst in Mei. In Juni komt de Vlinder te voorschijn; hij heeft 20 mM. vlucht; men krijgt hem vooral te zien tegen de muren en vensters van bergplaatsen van winterappels en -peren. In de vrije natuur rust hij over dag tusschen schorsschilfers, waarmede zijn kleur zoozeer overeenkomt, dat men hem niet licht ontdekt. De blauwachtig grijze voorvleugels vertoonen fijne, gekronkelde, bruine dwarslijnen. Een roodachtig donkerbruine spiegelvlek, die een roodachtig goudkleurigen rand heeft en aan de zijde van den wortel zwart begrensd is, beslaat een groote plaats aan den binnenhoek. De roodachtig bruine achtervleugels hebben een zwakken koperglans en zijn omzoomd door grijze franje.

Veel minder vaak krijgt men de somber grijsbruine, kleinere Pruimenbladroller (Grapholita funebrana) onder de oogen; ofschoon de meeste pruimen in sommige jaren woning en voedsel verschaffen aan een van zijne rupsen, die dikwijls de helft van het vruchtvleesch in walgelijke drekkruimeltjes verandert.


De familie der Lichtmotten (Pyralidina) omvat de grootste en tevens kleinere Microlepidopteren, die, naar het uitwendige, aanmerkelijk minder overeenstemmen dan de leden der vorige familie. De gemeenschappelijke kenmerken berusten hoofdzakelijk op den vorm van het vleugeladerstelsel. De sprieten zijn borstelvormig; de onbehaarde oogen puilen meestal half bolvormig uit; de bijoogen ontbreken slechts zelden en zijn meestal onmiddellijk achter den wortel van de sprieten gelegen. De tasters zijn zeer veranderlijk van grootte, vorm en richting; behalve de liptasters komen ook zoogenaamde bijpalpen voor. De rupsen van de Lichtmotten komen in vorm en levenswijze met die der Bladrollers overeen. Verreweg de meeste soorten overwinteren als rups, slechts weinige als pop, geen enkele, naar het schijnt, als ei of als Vlinder.

De Vetmot (Aglossa pinguinalis) is een Vlindertje van 22 à 30.5 mM. vlucht met roodgrijze, als zijde glinsterende vleugels; de vlekken van de voorvleugels zijn voor een deel zwartachtig en als dwarsbanden, voor een deel witachtig en als dambordvelden gerangschikt; de effen gekleurde achtervleugels onderscheiden zich door lange franje. De zuiger ontbreekt. In Maart of April, ongeveer 4 weken vóór de geboorte van den Vlinder, verschijnt de glanzig bruine rups—die tot aan dien tijd verborgen was in vet, boter, spek en dergelijke waren—soms op de muren van de provisiekamer bij het zoeken van de plaats, waar zij als pop zal rusten.

De Meelmot (Asopia farinalis, fig. 3) bewoont, evenals de vorige soort, provisiekamers en andere bergplaatsen van eetwaren; haar rups voedt zich met meel.

Het soortenrijke geslacht der Glansmotten (Botys) omvat meer dan 100 Europeesche soorten. Sommige zijn donkerkleurig, vliegen uitsluitend bij zonneschijn en zetten zich neer op den grond of op bloeiende planten, waaruit zij honig peuren. Andere, vooral lichtkleurige soorten, worden gevonden in de omgeving van plassen en zweven, zoodra de duisternis invalt, spookachtig boven den waterspiegel, daar de hier groeiende planten aan hare rupsen voedsel verschaffen. De meeste zijn grootendeels geel van kleur, vliegen ’s nachts en rusten over dag in de struiken. Dit geldt ook van sommige verwante geslachten. De rupsen van eenige Glansmotten richten op akkers schade aan.

De Koolzaad-fluitjesmaker (Botys margaritalis) heeft vuil zwavelgele voorvleugels met 2 roestgele (hier en daar onduidelijke of zelfs afgebrokene) dwarsbanden en een roestbruine, bij de spits aanvangende, schuinsche streep; de franje is roestbruin, met veel grijs gemengd. De glanzig stroogele, korte en breede achtervleugels hebben een fijne, roestbruine franjelijn en aan den binnenhoek een grijsbruine vlek op de zwak getinte franje. In Juni en Juli vliegen deze vlindertjes des avonds over de akkers; het wijfje legt dan eieren op de hauwen van koolzaad, raapzaad, boerenkers (Thlaspi), scheefbloem (Iberis), raket (Sisymbrium) en andere kruisbloemige planten. De gaten, die de rups knaagt in de door draden saamgesponnen vruchten, met welker zaden zij zich voedt, hebben aanleiding gegeven tot den naam van de soort, omdat de door haar aangetaste hauw met een fluit vergeleken wordt. De rups is geelgroen, met uitzondering van vier rijen zwartbruine, borsteldragende wratten op den rug en van één rij donkere stipjes boven de eveneens donkere ademgaten. De kop en het halsschild (waarop 3 witte, overlangsche strepen voorkomen) zijn zwart. De volwassen rups kruipt in den grond en overwintert hier in een eivormige, van binnen met zijde bekleede holte. In Mei, 26 dagen voor het verschijnen van den Vlinder, heeft de overgang in den poptoestand plaats.

De rupsen van de Wasmot (Galleria mellonella, fign. 3–6) leven in bijenkorven en voeden zich met was. Het wijfje (35 mM. vlucht) heeft aschgrauwe voorvleugels met bruinachtig gelen binnenrand en roodbruine vlekken; de achtervleugels zijn grijs. Zij dringt ’s avonds door het vlieggat (liever nog door andere openingen) in den korf door en legt op de raten eieren. De hieruit komende rupsen graven gangen, die in verschillende richtingen de wanden der cellen doorboren; bij voorkeur vernielen zij op deze wijze oude broedcellen, hoewel ook de met honig gevulde niet gespaard blijven. De gang, die soms een lengte van 15 cM. bereikt en welks wijdte allengs tot die van een penneschacht toeneemt, is van binnen bekleed met een glad, zijdeachtig spinsel, waaraan van buiten afgeknaagde wasstukjes en sterk washoudende uitwerpselen vastgehecht zijn. De Wasmot-rupsen kunnen, wanneer zij in grooten getale voorkomen, door het omspinnen der raten en het laten wegvloeien van den honig, den Bijen zooveel last veroorzaken, dat deze genoodzaakt zijn den korf te verlaten. Elk jaar komen verscheidene generaties voor, die ieder een ontwikkelingsduur van ongeveer 3 weken vereischen, behalve de laatste, die in den poptoestand overwintert en in Mei haar laatste gedaantewisseling ondergaat. Deze veranderingen schijnen echter niet aan bepaalde tijden gebonden te zijn, daar men in de aangetaste korven van Juni tot October zoowel rupsen als poppen en Vlinders aantreft. De pop is bruingeel en op den roodachtig grijzen rug gekield; zij bewoont een dicht, wit, langwerpig spinsel; gewoonlijk liggen verscheidene van deze cocons in overlangsche richting naast elkander. Na een rusttijd van 18 dagen heeft de pop zich tot een Vlinder ontwikkeld. Deze kan zeer vlug loopen en is zeer lichtschuw; onmiddellijk zoekt hij een duisteren hoek op, zoodra men hem aan ’t licht blootstelt.


Verreweg de grootste helft van alle Microlepidoptera heeft men samengevoegd in de familie der Motten (Tineina); een algemeene beschrijving van deze groep is wegens de groote verscheidenheid van vorm en levenswijze harer leden zeer moeielijk. Bij de meest typische Motten krijgen de smalle, spits toeloopende, lijn- of lancetvormige vleugels eerst door hun buitengewoon lange franje den vorm, die aan de vlindervleugels over ’t algemeen eigen is. In rust liggen zij op het lichaam en bedekken het bij wijze van een dak; bij eenige soorten omhullen zij het echter als een mantel. De achtervleugels zijn in den regel effen, meestal grijs, dus niet sprekend van kleur; de voorvleugels daarentegen prijken dikwijls met zulke schitterend bonte kleuren en prachtige, metaalachtig glinsterende teekeningen, dat men de Motten tot de fraaiste van alle Vlinders kan rekenen. Ongelukkig openbaart de schoonheid dezer Insecten zich, wegens hun kleinheid, slechts onder het vergrootglas in haar vollen omvang. De meeste dragen borstelvormige sprieten van middelmatige lengte; bij sommige soorten evenwel zijn de sprieten zeer lang, vooral bij de mannetjes; het kan voorkomen, dat hun lengte eenige malen die van het lichaam overtreft.

1) Korenmot (Tinea granella) in geslachtsrijpen toestand en als rups.—2) Rups van de Pelsmot (Tinea pellionella).—3–6) Wasmot (Galleria mellonella): 3) Beschadigde raat. 4) Rups. 5) Pop. 6) Wijfje.

Niet minder verschillend dan het uitwendig maaksel der Vlinders is de levenswijze der 14- à 16-pootige rupsen. Sommige leven gezellig in een groot spinsel, dat geheele takken en kleine struiken als ’t ware met een sluier omgeeft; andere rollen bladen of een blad samen en bewegen zich in de dus gevormde, aan beide einden geopende buis even snel vooruit als achteruit. De zelfgemaakte kokertjes, die de leden van andere soorten bewonen en voortdurend medesleepen, bestaan uit stukjes, die zij van haar voedsel hebben afgeknaagd. Zeer vele rupsen leven als “mijngravers” in gangen, die zij in het bladmoes, tusschen de bovenste en de onderste opperhuid van het blad, maken; andere boren eenvoudig gangen in allerlei plantendeelen.

Bij het geslacht Tinea komen zeer ontwikkelde, ver vooruitstekende, 6- à 7-ledige bijtasters voor; het tweede lid van den liptaster is aan het einde met borstels bezet, de zuiger voor het gebruik ongeschikt, de kop van een haarkuif voorzien. De borstelvormige sprieten zijn korter dan de voorvleugel.

De Korenmot (Tinea granella, fig. 1) heeft 13 mM. vlucht en richt als rups schade aan in graanpakhuizen. Hier ziet men het Vlindertje in Juni des daags tegen muren, balken, enz. zitten. De vleugels bedekken in rust daksgewijs het lichaam; de voorvleugels, die van achteren door de franje verbreed zijn, hebben een zilverwitte kleur en donkerbruine à zwarte marmervlekken. De franje en de randen zijn donker gevlekt; tamelijk standvastig strekt de grootste vlek zich van het midden van den voorrand streepsgewijs tot aan den binnenhoek uit. De achtervleugels zijn, evenals het achterlijf, glanzig witachtig grijs. Het wijfje legt bij voorkeur in graanpakhuizen eieren: 1 of 2 op elke korrel. Na 10 à 14 dagen worden de rupsjes geboren. In de laatste week van Juli openbaart hun aanwezigheid zich reeds door de kleine hoopjes drek, die aan de aangetaste graankorrels hangen; deze zijn bij 3, 4 of meer stuks aaneengesponnen. De “witte korenwormen” bepalen zich niet tot één korrel, maar snoepen van verscheidene en verbinden deze door een weefsel; hieronder verborgen beknagen zij het graan van buiten. De geelachtig witte rups verpopt zich in de uitgeholde graankorrel, in een naad van den vloer, of in een spleet van een balk. De woning, die zij van het knaagsel uit haar omgeving en van haar spinsel vervaardigt, bevat tot in de lente een rups, die dan eerst verandert in een bruinachtige pop.

Algemeen bekend zijn de verwoestingen, welke de rupsen der Kleederen- of Pelsmotten (fig. 2) aanrichten op plaatsen waar men ze niet stoort, b.v. in kleerkasten, in gevulde zittingen van stoelen en canapees, in laden met wollen goederen en ook in natuurhistorische verzamelingen. Overal waar zij zeer talrijk zijn, ziet men ze ’s winters aan den buitenkant der door haar aangetaste voorwerpen hangen in kleine zakjes, waarvoor het materiaal geleverd wordt door de stoffen uit de omgeving; later verpoppen zij zich hierin. De leden van 2 soorten verrichten gemeenschappelijk dezen arbeid. De eene is de 11 à 17.5 mM. spannende Pelsmot (Tinea pellionella), welker als zijde glinsterende, geelachtige voorvleugels in het midden met een of twee donkere stippen geteekend zijn en welker grijze achtervleugels een geelachtigen weerschijn hebben. De andere, de Tapijtmot (Tinea tapeziella), heeft 15 à 22 mM. vlucht: hare voorvleugels zijn voor de kleinste, aan den wortel grenzende helft violetbruin, overigens geelachtig wit, behoudens een violetachtig grijze vlek aan de spits; de achtervleugels zijn als bij de vorige soort. Beide vliegen in Juni en Juli; zij kunnen zich echter ook vroeger of later vertoonen, al naar de temperatuur der woonplaats.

De Appelboom-spinselmot of Appelboom-stippelmot (Hyponomeuta matinella) heeft 19 mM. vlucht en is grootendeels wit met zijdeachtigen glans. Op de langwerpige voorvleugels bevinden zich 3 overlangsche rijen van zwarte stipjes (zwart gestippeld zijn ook de rug en de schouderdeksels); de donkergrijze, aan den wortel witachtige achtervleugels hebben een effen lichtgrijze franje. Van het einde van Juni tot in het begin van Augustus kan men dezen weinig in ’t oog vallenden Vlinder over dag op appelboomen zien loopen of zitten en ’s avonds in hun nabijheid rondvliegen, voor zoo ver zich op deze boomen tusschen de takken floersachtige spinsels bevinden en reeds vroeger aanwezig waren. Hier is n.l. de woonplaats van zijn bruinachtig grijze, met zwarte wratjes bezette rups. Daar deze rupsen gezellig leven en er niet zelden een vereeniging plaats vindt van verscheidene gezelschappen, kan het voorkomen, dat geheele takken van den appelboom met een sluier omgeven zijn en dat het groen binnen dit nest hoe langer hoe meer afneemt, daar van de bladen ten slotte alleen de nerven en een der opperhuidlagen overblijven. Wanneer zij een tak hebben leeggevreten, trekken zij verder en tasten een andere aan; hieraan ontleenen zij waarschijnlijk den naam van Trekmaden, dien men haar in Gelderland geeft, waar zij soms in de appelboomgaarden groote schade aanrichten (Ritzema Bos). Zoodra zij volwassen zijn, verpoppen zij zich ieder afzonderlijk in een kleverigen, haverkorrelvormigen cocon, die de korte en dikke, roodachtig gele pop niet geheel aan ’t oog onttrekt. Ieder nest bevat groote kluiten van dergelijke cocons.

De Akkeruilmotten (Depressaria) vervangen in de familie der Motten het Uilengeslacht Agrotis door de sombere kleuren van de vleugels, die plat op het zijdelings verbreede achterlijf rusten, voorts door haar wijze van opvliegen of wegloopen, als zij over dag gestoord worden. De leden van dit omvangrijke geslacht (60 Europeesche, een tiental inheemsche soorten) overwinteren in den imago-toestand. Vele van de rupsen bewonen de bloeiwijzen van schermbloemige planten, ook nadat de vruchten zich ontwikkeld hebben.

Voor den landbouw schadelijk is de Karwijmot (Depressaria nervosa), die hare eieren verspreid op de karwij, of, wanneer deze plant niet aanwezig is, op andere schermbloemigen legt. Zoodra de karwij in vollen bloei staat, merkt men de rupsen op; zij vreten aan de bloemen en jonge zaden; indien deze beide niet meer in voldoende hoeveelheid voorhanden zijn, tasten zij ook de saprijkste takjes aan. Soms begroot men de door haar aangerichte schade op meer dan de helft van den oogst, dien men in gunstiger omstandigheden verkregen zou hebben. In ons land heeft men, naar het schijnt, tot heden niet veel last van dit Insect gehad. Om zich te verpoppen begeeft de rups zich binnen in den stengel der plant en knaagt zich hier een geschikte rustplaats uit; nadat de opening met een schuins dekseltje is dicht gesponnen, verandert zij in een van boven naar onderen eenigszins afgeplatte pop. Als de rupsen zeer talrijk zijn, vindt men soms in een plant 30 à 40 gaten, die tot een even groot aantal poppenwoningen toegang verschaffen: hierdoor gelijkt zulk een stengel meer op een fluit dan de koolzaadhauw, die door den Fluitjesmaker is aangetast.

De Mot, die uit de Kokerrups van den Lork ontstaat (Coleophora laricinella), heeft bruinachtig grijze, zwak glanzige, langwerpige voorvleugels met lange, glanslooze franje. Zij verschijnt in de tweede helft van Mei, in bergstreken eerst in Juni; over dag ziet men haar zeer snel om de takken der lorken vliegen, of langs de naalden op en neer loopen, om op elke naald een van hare zeer kleine eieren te leggen. Weldra komt hieruit een rupsje, dat op de plaats, waar het ei ligt, in de naald doordringt en deze langzamerhand leegvreet. Eerst tegen het midden van September, kort vóór het afvallen der naalden (die bij den lork slechts één jaar aan den boom blijven en bij bundeltjes uit dwergloten ontspruiten), is het bovenste deel van de aangetaste naald over een lengte van 4 à 7 mM. geheel uitgehold en witachtig van kleur. Het voorgevoel van den naderenden winter noopt de rups het holle gedeelte van de naald, waarin zij zich bevindt, af te snijden, om op deze wijze een kokertje te verkrijgen, dat zij al kruipend medevoert, daar de kop en de borstringen er uitsteken; aan ’t tegenovergestelde einde heeft zij een opening gemaakt voor het verwijderen van den drek. Het kokertje is bruin en heeft de grootte van een kleine gerstkorrel; de rups hecht het vast aan een knop en overwintert hier. In ’t volgende voorjaar, als de nieuwe naalden te voorschijn komen, wordt één daarvan dadelijk door de kokerrups aangetast; deze knaagt een opening in den top van het blad en holt dit al verder en verder uit, naarmate het van onderen aangroeit. Tegen het midden van April is de rups zoo dik, dat het kokertje noodzakelijk vergroot moet worden; dit geschiedt, door de laatst uitgeholde naald af te snijden, overlangs open te splijten en door spinsel met het eveneens opengespleten, oude huisje tot een wijderen koker te vereenigen. Van de eene naald naar de andere trekkend, richten de vraatzuchtige diertjes groote schade aan, zoodat de top van den lork bruin wordt. Tegen het einde van April verpopt de hoogstens 5 mM. lange rups zich in haar vooraf vastgesponnen koker. Zij is donker roodbruin, op den kop het donkerst, heeft kleine borst- en buikpooten, doch zeer groote naschuivers, waarmede zij zich aan den koker vasthoudt. Na een rusttijd van 2 of 3 weken, meestal reeds voor het einde van Mei, verlaat het 9 mM. spannende vlindertje de pophuid, die in den koker achterblijft.


Slechts enkele woorden kunnen wij wijden aan de 3 nog overige familiën van Microlepidopteren. Twee daarvan—Pterophorina en Alucitina—worden meestal gezamenlijk Vedermotten genoemd, omdat hunne vleugels overlangs tot aan het midden of zelfs tot dicht bij den wortel in slippen zijn verdeeld, die aan weerszijden franje dragen en hierdoor op vedertjes gelijken. Bij de Pterophorinen (met uitzondering van Agdistes, die ongespleten vleugels heeft) bedraagt het aantal slippen in den voorvleugel 2, in den achtervleugel 3. Het zijn slanke vlindertjes met zeer lange pooten; vooral de achterpooten zijn zeer lang en worden in rust tegen het achterlijf aangelegd. Zij vliegen ’s avonds en rusten over dag. In rust worden de vleugels horizontaal zijwaarts gericht en wegens het over elkander schuiven der slippen zoo smal, dat ook hierdoor deze Insecten aan Langpootige Muggen herinneren. De kop draagt half bolvormige oogen, geen bijoogen, draadvormige sprieten, een langen zuiger zonder bijpalpen, tusschen 2 vooruitstekende liptasters. De rupsen hebben 16 pooten; sommige leven vrij aan de oppervlakte van de plant, andere verborgen in knoppen, zaden of stengels.

Op stille avonden van Juli tot September vliegt Pterophorus pendadactylus langzaam in droge tuinen rond, reeds op een afstand kenbaar aan zijn sneeuwwitte kleur (vlucht 28 à 30 mM.). Zijn groene rups leeft op winden (Convolvulus sepium en C. arvensis).

De Alucitinen vormen een nog kleinere familie (9 Europeesche, 2 inheemsche soorten) dan de vorige, van welke zij verschillen door hunne ieder in 6 slippen verdeelde, in rust waaiervormig zijwaarts uitgespreide vleugels en door het bezit van bijoogen.

De grijsgroene rups van Alucita hexadactyla leeft in bloemknoppen van verschillende soorten van kamperfoelie (Lonicera). Soms komen 2 generaties voor. Het vlindertje heeft 15 à 18 mM. vlucht en vliegt van Juli tot in den herfst, soms ook in de lente. Zijn kleur is lichtgeelachtig grijs met 2 grijze, witgezoomde dwarsbanden over de voorvleugels.

De familie van de Adermotten (Micropterygida) omvat 2 geslachten met 24 Europeesche en 2 inheemsche soorten; zij is kenbaar aan eigenaardigheden van het vleugeladerstelsel en van de monddeelen. Dit laatste geldt vooral van het geslacht Eriocephala. De rupsen zijn pootloos bij Micropteryx; zij hebben 22 pooten bij Eriocephala. De meeste knagen gangen in het bladmoes.