Hessenvlieg (Cecidomyia destructor):—a a′. Wijfje (a vergroot, a′ ware grootte).—b. Achterlijf van het mannetje (met donkerrooden hechttang aan het zeer korte, geelbruine, 9e segment).—c. Pop (de beide onderste hoorntjes aan den kop zijn adembuizen, de beide bovenste borstels).—d. Pop in haar tonnetje.—e, f. Larven van verschillenden leeftijd.—g. Schijnpoppen in haar winterkwartier.—h, i. Tarwe: h, in gaven toestand, i, aangetast door de made van de Hessenvlieg. Behalve a′, g, h en i, alle afbeeldingen vergroot.

De familie der Langpootmuggen (Tipulidae) bevat de grootste van alle Muggen. Door haar lange, veeladerige vleugels en buitengewoon lange en brooze pooten trekken zij de aandacht, terwijl zij op weiden, struiken of boomstammen rondloopen. Zij zijn grijs, geel of zwart van kleur, hebben een rondachtigen kop, groote samengestelde, doch geen enkelvoudige oogen, veelledige sprieten en een (gewoonlijk korten) snuit zonder steekborstels, maar met 4-ledige tasters, waarvan het eindlid steeds langer dan de 3 andere te zamen en dikwijls zweepvormig verlengd is. Het rugschild van het borststuk is zeer bol en door een dwarsnaad middendoor gedeeld; het slanke, 3-ledige achterlijf eindigt bij het mannetje in een hechttang, bij het wijfje in een legbuis. De rolronde, hemicephale larven, welker 12 rompsegmenten dikwijls weeke knobbels of borstels, doch geen “buikpoot” dragen, leven gewoonlijk in den grond van plantaardige stoffen. Zij hebben stevige, dikke, getande, niet ver beweeglijke, voor ’t knagen geschikte kaken, die onder de bovenlip verborgen zijn, en 2-ledige sprieten. Het laatste segment is afgeknot en vertoont 4 bovenste en 2 onderste kegelvormige, meer of minder harde knobbeltjes, waartusschen 2 groote, rondachtige, donkergekleurde chitine-platen, ieder met 1 ademgat; het geheel gelijkt dikwijls op een “duivelsmasker”. De poppen leven vrij, gelijken op lange vlinderpoppen, hebben adembuizen aan het voorborststuk, kransen van doornen aan de achterlijfsringen en knobbels aan het uiteinde van ’t lichaam.

De 22 à 26 mM. lange Kool-langpootmug (Tipula oleracea) heeft, evenals de andere leden van haar geslacht, 12-ledige korte sprieten en 4-ledige, in een lange draad eindigende tasters. Het rugschild van het borststuk is bij haar grijs met bruine striemen, het achterlijf roodbruin; de lichtbruinachtige vleugels hebben een steenrooden voorrand. De achterpooten zijn bijna 3 maal zoo lang als het achterlijf. Dit Insect ontwikkelt zich eerst in Juli en Augustus uit een rolronde, lichtbruine pop, welker op een masker gelijkend aangezicht aan het voorhoofd 2 bijna knotsvormige hoornen draagt. Als men in September over een weide loopt, ziet men deze Muggen overal op haar lange spinnenpooten tusschen het gras aan den arbeid; door elken voetstap wordt er een opgejaagd, die bij het bewegen van de lange vleugels een eenigszins ratelend gedruisch maakt, dat gedeeltelijk veroorzaakt wordt door het fladderen tusschen de grassprieten, en na een korte vlucht langs den bodem dadelijk weer in haar graskreupelbosch neerstrijkt. Overal steekt zij, het lichaam bijna rechtstandig houdend, de legbuis in den lossen grond, om één of twee eieren aan den schoot der aarde toe te vertrouwen. Binnen 8 dagen verlaten de maden, die men emelten of hemelten, in sommige streken ook wel hamels of grauwe wormen noemt, de eischaal. Nadat zij iets grooter geworden zijn, kan men ze in den bodem van het weiland, in vruchtbaren tuingrond en op eenigszins vochtige plaatsen van bosschen in de bovenste aardlagen zonder moeite opsporen. Zij zijn lei- of loodkleurig, van voren dunner dan van achteren, maar toch aan weerszijden stomp. Zoolang de weersgesteldheid het toelaat, voeden zij zich met de rottende plantaardige stoffen van den grond, vervallen daarna in een toestand van verstijving en hervatten in ’t volgende voorjaar dezelfde levenswijze, totdat zij weinige weken vóór het verschijnen van de Mug in poppen veranderen. De emelten knagen ook aan fijne wortelvezels en aan de kiemplantjes en zijn hierdoor, vooral in het voorjaar, schadelijk voor den landbouw. Dit geldt ook van de larven van andere soorten, o.a. van Tipula maculosa en T. paludosa, die eveneens “emelten” worden genoemd.


De Kortsprietige Rechtnadigen hebben meestal 3- (soms 5-)-ledige sprieten; evenals de leden der beide laatstgenoemde familiën, ontwikkelen zij zich uit “hemicephale” larven, welker kaken evenwel niet in zijwaartsche richting op elkander werken, niet geschikt zijn om te bijten, maar wel om te steken, zich vast te haken en te boren.

Hoewel de Dazen of Bremsen (Tabanidae) door haar uitwendig voorkomen op Echte Vliegen gelijken, stemt haar ontwikkelingsgeschiedenis in hoofdzaken met die der Langsprietigen overeen. Hare wijfjes zijn even bloeddorstig als die van vele Muggen en kunnen menschen en vee erg kwellen. De beschrijving van de Runderdaas of Runderbrems (Tabanus bovinus), een der meest voorkomende soorten, moge dienen om den aard van de geheele familie te leeren kennen. De houding van het lichaam en de vorm zijner deelen blijken uit de afbeelding. Als men den kop van ter zijde beschouwt (fig. b), ziet men de ver daarbuiten uitstekende, als scheede voor den zuigsnuit dienende, groote, weekhuidige onderlip, die in rust eenigszins teruggetrokken kan worden. Zij bevat bij de wijfjes 6, bij de mannetjes, die de bovenkaken, de echte steekorganen, missen, 4 steekborstels. Bovendien merkt men de 2-ledige kaaktasters en de sprieten op. Van deze vertoont het derde of laatste lid ringen, die soms zoo duidelijk zijn, dat men de geheele spriet 6-ledig kan noemen. De betrekkelijk korte, dikke pooten zijn niet met borstels bezet en dragen aan ’t laatste voetlid drie hechtlapjes, een eigenaardigheid van alle leden dezer familie. De genoemde soort is een van de grootste inheemsche Vliegen; zij heeft onbehaarde oogen, die bij het mannetje elkander altijd op de kruin ontmoeten. Het grootendeels somber waskleurig gele, 7-ledige achterlijf heeft op de meeste leden een driehoekige, witachtige rugvlek. Het zwartbruine borststuk is onder de geelachtige beharing nagenoeg verborgen. De halvemaanvormig uitgesneden sprieten zijn nooit geheel zwart; de vleugels hebben een bruinachtig grijze, hunne aders een geelachtig bruine kleur.

Runderdaas (Tabanus bovinus): (a) Wijfje; (b) de kop van ter zijde gezien. Ware grootte.

Evenals de andere leden van het Dazengeslacht, kondigt de Runderdaas door een luid gegons haar ongewenschte tegenwoordigheid aan; zij verdwijnt even schielijk als zij gekomen is, vliegt met plaaglustige dartelheid in kringen om haar buit, de grazende Runderen, die soms, wanneer de onverzadelijke wijfjes-Dazen in grooten getale hare scherpe dolken door hun huid boren en haar zuigtoestel laten werken, druipend van bloed en schuimbekkend van woede, ten einde raad, uit de weide wegloopen. Het wild zoekt het schaduwrijke kreupelhout op om aan den aanval der gevleugelde kwelgeesten te ontkomen; deze volgen het niet daarheen, omdat zij van zonneschijn en bijgevolg van open terreinen houden. Tegenover den mensch gedragen de Dazen zich veel minder stoutmoedig; gewoonlijk strijken zij eerst dan op hem neer, als hij bewegingloos blijft staan. Op gure dagen blijven zij liefst op boomstammen zitten, maar letten dan toch wel degelijk op hetgeen er in haar omgeving voorvalt; dit blijkt, als men er een wil vangen; zelfs wanneer iemand ze zeer behoedzaam nadert, sluipen zij hem onder de hand weg. Op gewonde eikenstammen kan men ze soms in menigte het uitvloeiende sap zien opzuigen.

De larve gelijkt op die van de Langpootmug en leeft, evenals deze, gezellig in den lossen grond van weiden, waar zij zich waarschijnlijk met wortels van grassen voedt. Nadat zij hier den winter heeft doorgebracht, in Mei, is de tijd voor de gedaantewisseling aangebroken; de made werpt haar huid af en verandert in een ongeveer 25 mM. lange mummiepop. Hieruit ontwijkt in Juni de Vlieg. Nadat het wijfje op de hierboven aangeduide wijze haar tijd heeft besteed, legt zij 300 à 400 eieren bij hoopen op grashalmen; 10 à 12 dagen later worden de larven geboren, voor zoover de eieren niet door de kleine Sluipwespen, die de te sterke vermenigvuldiging van deze Dazen beperken, zijn aangestoken.

Op geheel andere wijze dan de brutale, geraasmakende Runderdazen, stil en arglistig, overvallen twee andere Vliegen, die tot dezelfde familie behooren en bijzonder veel van menschenbloed houden, hare slachtoffers. Een daarvan is de Blinde Goudoogbrems (Chrysops coecutiens), die deze tegenstrijdige namen dankt aan de werkelijk fraaie kleur harer oogen en aan de blindheid voor gevaar, die zij laat blijken, telkens als er kans bestaat om haar bloeddorst te bevredigen. Vooral op drukkend heete dagen is men bij het bewandelen van een breeden boschweg blootgesteld aan de voor niets terugdeinzende vervolgingswoede van deze fraaie Vlieg. Niet slechts op onbekleede lichaamsdeelen, maar ook door de kleederen heen tracht zij, dikwijls met goed gevolg, de scherpe dolken van haar snuit heen te boren en een bloedvat te bereiken; op de dikke huid van Runderen en Paarden gaat zij op dezelfde wijze te werk. Zij is slechts 8.75 mM. lang en komt in vorm nagenoeg overeen met de vorige soort; haar achterlijf is even sterk platgedrukt, maar tevens bijna overal even breed en van achteren meer afgerond. Men kan haar gemakkelijk herkennen aan den zwarten voorrand van de vleugels, die bovendien met een zwarten dwarsband geteekend zijn, en aan de lichte kleur van de voorste helft van het achterlijf. Met eenige verwanten, die moeilijk van deze soort onderscheiden kunnen worden, vindt men haar in Mei en Juni bezig met honig te zuigen uit bloemen. Vooral door de zwoele weersgesteldheid gedurende den tijd, die aan een donderbui voorafgaat, schijnt zij bloeddorstig te worden.

Weinig grooter dan de vorige, maar slanker, is de donkerbruine, op het achterlijf grijs gevlekte Regenbrems of Regendaas (Haematopota pluvialis). Men heeft haar zoo genoemd, omdat zij gedurende een plasregen en ook wanneer er een onweêr in aantocht is, de menschen lastig valt en zich het bloeddorstigst toont. Tien, twintig van deze diertjes zetten zich neer op de onderzijde van een uitgespannen parapluie en zijn zoo onbeschroomd, dat de persoon, dien zij vergezellen, moeite heeft, hen van zich af te houden; allicht weet een van hen, zij het ook door de kleeren heen, met zijn steekorgaan een bloedvat te treffen. Op ongeloofelijke wijze worden, naar men zegt, de Rendieren in Lapland door deze Dazen gekweld; soms is hun geheele huid door talrijke steken met korsten bedekt.


Bloed is, gelijk wij zooeven zagen, een lekkernij voor de vrouwelijke Dazen; met bloed voeden zich ook de talrijke Tweevleugeligen, die tot de familie van de Roofvliegen of Moordvliegen (Asilidae) vereenigd zijn, niet slechts de wijfjes, maar ook de mannetjes.

Zij verlangen echter geen rood en warm bloed, maar het kleurlooze, dat in het lichaam van de Insecten circuleert. Te recht dragen de Roofvliegen dus haar naam. Zij zijn kenbaar aan het meestal slanke, langwerpige lichaam, aan de krachtige pooten, die tusschen de klauwen van het laatste voetlid meestal twee hechtkussentjes dragen, aan den knevel- en wangbaard en aan het meestal langwerpige, derde of laatste sprietlid, dat in een borstel of in een uit leden samengestelden draad eindigt; de korte, spitse snuit heeft een horizontalen of schuinschen stand.

De larven leven in den grond of in rottend hout en voeden zich met de hier aanwezige Insecten, vooral met keverlarven, waarin de jonge vliegenmade soms geheel en al doordringt; zij hebben een rolronde gedaante, een kaakkapsel, die op een volledig kopskelet gelijkt en betrekkelijk goed ontwikkelde monddeelen draagt, ademgaten aan het voorste en het voorlaatste rompsegment en dikwijls een krans van ronde wratten op elk der segmenten 4–9. Als mummiepop verlaten zij de laatste larvehuid door een T-vormige spleet.

De 15 mM. lange, slanke Ölandsche Haviksvlieg (Dioctria oelandica), die haar naam ontleent aan het eiland Öland bij de Zweedsche kust, en over geheel Europa, met uitzondering van het zuidwestelijkste deel, verbreid is, komt ’s zomers dikwijls in ’t kreupelhout voor. Loerend zit zij op een blad en valt aan op de vermoeide Mug, de nieuwsgierige Vlieg, die zich argeloos in haar nabijheid neerzet; ook de vette Spin is niet veilig voor haar. Men herkent deze Vlieg gemakkelijk aan de zwarte vleugels, het glanzig zwarte lichaam en de tamelijk lange, roodgele pooten, waaraan slechts de voet en de top van de scheen zwartachtig zijn; de knevelbaard, de binnenste rand der oogen, eenige vlekken aan de zijden van het borststuk en twee striemen op het rugschild hebben een messing-gelen weerschijn.

Het geslacht der Roofvliegen i.e.z. (Asilus) omvat eenige honderden soorten uit alle deelen van de wereld, waarvan er alleen in Europa ongeveer 100 leven; nagenoeg alle dragen een eenvoudig, bruingrijs kleed. Door een grijsgele kleur onderscheidt zich de 15 à 24 mM. lange Horzelwespachtige Roofvlieg (Asilus crabroniformis), die over geheel Europa tot diep in Azië verbreid is. Op den kop, de schouderdeksels, eenige rugstrepen, de onderste deelen der pooten van af de dijen en de laatste achterlijfsringen gaat de grondkleur in zuiverder geel over; aan den wortel van het achterlijf is zij vervangen door fluweelachtig bruinzwart. Deze soort ontmoet men niet zelden, wanneer men langs een stoppelveld loopt. Op weinige schreden afstands vliegt zij met sterk gonzend gedruisch onverwachts snel op en dicht bij den grond langs en zoekt zich voor een gevreesden aanval te beveiligen op een stoppel te midden van den akker. Tegen den avond rust zij gaarne op boomstammen uit. Overal op struikgewas, op wegen, op zandige hellingen of boomstammen loeren deze Vliegen op buit, die half vliegend, half springend gegrepen en gedurende het uitzuigen met de voorpooten vastgehouden wordt.


Hoewel de familie der Dansvliegen (Empidae) zeer uiteenloopende vormen omvat, is zij door duidelijke kenmerken gescheiden van de haar verwante groepen. Een bijna bolvormige, kleine en dus zeer scherp begrensde kop, welks hoornachtige, spitse, aan een snippensnavel herinnerende snuit naar onderen gericht is, de slankheid van ’t lichaam (vooral van ’t achterlijf), het volkomen gemis van beharing en de lange achterpooten verschaffen aan de Empiden eenige overeenkomst met Langpootmuggen. Reeds in ’t begin van de lente ziet men dikwijls geheele zwermen van deze Vliegen, die, evenals de vorige, van roof leven, onder boomen, in de nabijheid van kreupelhout, dansen en jagen. Sommige soorten zoeken gaarne de hoofdjes van distels, duizendblad, korenbloemen en andere samengesteldbloemigen en zijn niet zelden onkenbaar door het haar bedekkende stuifmeel, wanneer zij er uit komen. Sommige vertoonen zich in ’t begin van de lente, andere eerst in den herfst; sommige dansen over dag, anderen doen dit, evenals de Muggen, des avonds; de meeste bewonen koude landen en gebergten. Van slechts weinige soorten kent men de larven; deze hebben diepe insnoeringen tusschen de rompsegmenten en leven in den grond. Een van onze grootste soorten, de 13 mM. lange Gewone Snipvlieg (Empis tesselata) verschijnt in Mei en Juni. Zij is bruinachtig grijs; op den rug van het borststuk komen zwarte striemen voor; de wortel van de lichtbruine vleugels is geel; het achterlijf heeft vierkante, lichtere vlekken.


De Gewone Doornrug (Stratiomys chamaeleon) is een van de meest verbreide soorten uit de gelijknamige familie (Stratiomyidae). De kop is op de dikke wangen heldergeel, zoo ook het aangezicht, met uitzondering van een smalle, glinsterend zwarte, overlangsche streep. De knievormig gebogen, vleezige snuit wordt in rust ingetrokken, bevat 2 korte, voor ’t steken ongeschikte borstels en draagt kleine, 1-ledige tasters. Haar Nederlandschen naam ontleenen deze Vliegen aan het meer of minder geel gekleurde schildje, dat aan elken afgeronden achterhoek een spiesvormigen, schuins naar boven gerichten doorn bezit. Ook de teekeningen op het breede achterlijf en de pooten zijn, met uitzondering van een zwarten ring om de dijen, geel. De vleugels liggen in rust plat op het lichaam en laten de zijden van het breede achterlijf onbedekt. Hoewel de Doornruggen zonder geraas te maken van de eene bloem naar de andere vliegen, vooral op schermbloemigen, brommen zij sterk, wanneer men ze in de hand houdt.

Gewone Doornrug (Stratiomys chamaeleon) Wijfje. Ware grootte.

Zeer merkwaardig is de vorm van de in ’t water levende larve dezer Vlieg. In volwassen toestand is haar lichaam van voren en van achteren spits en aan de zijden scherp, zoodat de dwarse doorsnede op die van een lens gelijkt. Van elk der 4 voorste rompringen bedekt de voorrand den achterrand van den vorigen ring, de vierde met zijn achterrand ook den voorrand van den volgenden ring; op de laatstgenoemde wijze bedekken alle overige ringen elkander. Aan een verrekijker, die deze inrichting vertoont, zou men dus de 7 laatste kokers in elkander en in de vierde kunnen schuiven; ook zou deze de 3 ineengeschoven voorste kokers kunnen bevatten. Aan het achterste segment komt een ademgat voor, omgeven door een krans van sierlijk gewimperde haartjes. Zoodra de larve onderduikt, neemt deze krans den vorm van een bol aan en omsluit een als zilver glinsterende luchtbel; de medegenomen luchtvoorraad stelt het diertje in staat lang onder water te blijven. Om zich te verpoppen verlaten zij meestal het water.


De Zweefvliegen of Staande Vliegen (Syrphidae) vormen een van de grootste familiën van de orde der Tweevleugeligen; zij behooren tot de onderorde der Kringnadigen en meer bepaaldelijk tot de afdeeling der Aschiza, die zich door het gemis van een voorhoofdsspleet onderscheiden. Tal van zeer in ’t oogvallende, nergens ontbrekende soorten maken er deel van uit. Deze zijn zeer verschillend van vorm, maar komen overeen door het bezit van een overtallige overlangsche vleugelader, die tusschen de 3e en de 4e van den gewonen vliegenvleugel gelegen is en de kleine dwarsader doorsnijdt. De ader is nooit gegaffeld, soms echter (vooral bij Eristalis) in het laatste derde gedeelte van haar lengte sterk gekromd. De Zweefvliegen zijn ijverige bezoekers van bloemen en met Bladluizen bedekte struiken. Zij danken haar naam aan de gewoonte van verscheidene soorten om met snelle beweging der vleugels en met afhangende pooten (fig. 2) op dezelfde plaats in de lucht te blijven “staan” of zweven. Alle onderscheiden zich door haar behendige, soms woeste wijze van vliegen.

“Wormpjes”, die door hun vorm en bewegingen veel op Bloedzuigers gelijken (fig. 3), grootendeels groen van kleur (sommige zuiver groen, andere meer grijsachtig), ziet men in den zomer op de met Bladluizen bedekte bladen zitten; het zijn maden van Zweefvliegen; lenig en behendig kunnen zij het lichaam spits naar voren uitstrekken, maar ook zoo sterk samentrekken, dat het bijna den vorm heeft van een ei (fig. 4); dit geschiedt, wanneer men haar aanvat. Met de weeke wratten aan ’t achterlijf houden zij zich vast, terwijl het grootste, voorste deel van ’t lichaam, tastend en steeds dunner wordend, door de lucht wordt bewogen. Aan het voorste uiteinde merkt men alleen 2 hoornachtige haakjes en daartusschen een hoornplaatje met 3 spitsen op. Met de haakjes houdt de made zich vast; het plaatje is als ’t ware de vork, waarmede de buit wordt opgepikt. Als de zuiger van een pomp, beweegt het voorste deel van ’t lichaam zich naar voren en naar achteren en pompt het slachtoffer leeg. Opmerkelijk is het, dat deze schijnbaar ongewapende made zulk een geweldige slachting aanricht onder de argelooze en weerlooze Bladluizen, die kalm blijven zuigen naast het roofdier, dat zoo even 20 of 30 van hare makkers nauwelijks voldoende achtte voor een zijner talrijke maaltijden. Slechts weinige weken nadat het vraatzuchtige monster hier als ei werd neergelegd, zoekt het, geheel volwassen, de onderzijde van een blad, den top van een dennenaald, een naburigen stengel of grashalm op, waar men het kort daarna vervangen vindt door een bruinachtig groen, peervormig “tonnetje”, dat met de binnenzijde aan een dezer rustplaatsen is vastgelijmd (zie de afbeelding bij * en de fign. 5 en 6). Dit tonnetje, de ineengekrompen larvehuid, bevat een vrije pop, waaruit na eenigen tijd op de reeds vroeger aangeduide wijze het geslachtsrijpe Insect te voorschijn komt.

Maanvlekkige Zweefvlieg (Syrphus seleniticus);—1) Vlieg. 2) Vlieg gedurende het “staan”. 3) Larven op de bladluizenjacht. 4) Ineengekrompen larve. * Tonnetjespop aan de benedenzijde van een blad vastgehecht. 5, 6) Tonnetjespop: van voren (5) en van ter zijde (6).—1–4: Ware grootte. 4–6. Vergroot.

De Maanvlekkige Zweefvlieg (Syrphus seleniticus, fig. 1) heeft den kop en het borststuk metaalachtig blauwgroen (met uitzondering van het bruingele, doorzichtige schildje), beide (ook de oogen) fijn behaard; het platte, glanzig zwarte achterlijf vertoont 3 paar witte maanvlekjes. Als de zon schijnt, vliegen deze Insecten onvermoeid en strijken slechts nu en dan voor korten tijd op een blad of een bloem neer. Op donkere, gure dagen zijn zij, evenals alle Vliegen, loom en vermijden iedere niet volstrekt noodige beweging.

De Slijkvlieg, in het noorden van ons land onder den naam van Blinde Bij bekend (Eristalis tenax), wordt gevonden in geheel Europa, in het noorden en zuiden van Afrika, in China en Japan, sedert eenige tientallen van jaren ook in alle deelen van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Zij verschijnt vroeg in de lente en is een van de laatste bezoekers van de weinige bloemen, die nog open zijn, wanneer de natuur zich tot haar winterslaap voorbereidt. Op het eerste gezicht zou men haar voor een Bij kunnen houden, zoozeer gelijkt zij op een “dar” door haar grootte, haar vorm en het gonzend geluid, dat zij maakt, als men haar aanvat, b.v. terwijl zij te midden van een groot gezelschap van hare soortgenooten op de vensterruiten van een tuinhuis of van een boerderij zit. Dit sierlijke, veel van bloemen houdende dier dankt den niet zeer vleienden naam van “Slijkvlieg” aan zijn levenswijze gedurende den larvetoestand. Dan houdt het zich op in het slijk, vooral in het bezinksel van stinkslooten, bij veestallen en mesthoopen en op dergelijke vuile plaatsen. Menigeen zal deze “zwijnsmaden” of “rattestaartmaden” reeds opgemerkt hebben, zonder te vermoeden, dat zij zich later zullen ontwikkelen tot fraaie Vliegen met een bruingrijs behaard borststuk en een glimmend zwart achterlijf, op welks 2en ring een roode, in ’t midden afgebroken band voorkomt. Den naam “rattestaartmaden” danken zij aan de lange, staartvormige adembuis van het laatste segment. In volwassen toestand heeft deze vuilgrijze, rolronde larve, welker ingewanden door de huid heenschemeren, een lengte van 17.5 mM., waarbij nog 19.5 mM. komt voor den “staart”, die in een dunne, roodachtige, terugtrekbare spits eindigt. Overal waar de Slijkvlieglarven talrijk zijn, vindt men later, maar alleen op betrekkelijk droge plaatsen, harde voorwerpjes met vele dwarse rimpels; deze in tonnetjes veranderde rattestaartmaden hebben een paar oorvormige aanhangsels, die als ademhalingsorganen dienst doen. Na 12 à 14 dagen wordt op deze plaats een dekseltje afgestooten en komt de Vlieg voor den dag.


Wegens de beperkte ruimte is het moeielijk een goede keuze te doen uit het ontzaglijk groote aantal soorten, die onder den naam van Echte Vliegen (Eumyidae) tot één familie worden samengevoegd. Ondanks de groote verscheidenheid van vormen, die men in deze familie opmerkt en die, volgens Brauer, het best in rekening wordt gebracht door haar in 36 onderfamiliën te verdeelen, vertoonen alle in sommige opzichten groote overeenstemming. De algemeen bekende Huisvlieg, de Blauwe Bromvlieg, de Goudvlieg en honderden andere Insecten, die den ongeoefende als soorten van Huisvliegen voorkomen, behooren tot deze groep en kunnen ons een denkbeeld geven van hare eigenaardigheden. Voorzoover deze betrekking hebben op het vleugeladerstelsel, waarmede wel niet alle, maar toch zeer vele vleugels van Echte Vliegen overeenkomen. Bovendien hebben deze Insecten de volgende kenmerken gemeen: De sprieten zijn in meerdere of mindere mate benedenwaarts gericht of tegen den kop aangedrukt en altijd 3-ledig; het laatste lid is verschillend van vorm, maar steeds platgedrukt en voorzien van een geleden of ongeleden, naakten of behaarden rugborstel. De knievormig gebogen snuit is slechts bij enkele soorten hoornachtig en geschikt om er mede te steken, bij verreweg de meeste voorzien van breede eindlobben, ongelede tasters en, inwendig, van 2 borstels. Tot haar signalement behoort ook nog een dwarsnaad op den rug van het borststuk. Het eindlid van den voet draagt, behalve de enkelvoudige klauwen, twee hechtkussentjes, die bij het mannetje dikwijls sterker ontwikkeld zijn dan bij het wijfje, dat zich bijna altijd door meerdere grootte onderscheidt. De Echte Vliegen ontwikkelen zich uit acephale larven, die in echte, met een deksel zich openende tonnetjes-poppen veranderen (soms geraakt aan weerszijden een deksel los). In tegenstelling met de Syrphiden en hare verwanten, wordt dit deksel bij de laatste gedaantewisseling door de Eumyiden en Pupiparen afgestooten tengevolge van de zwelling der bij haar aanwezige voorhoofdsblaas; de beide laatstgenoemde familiën worden daarom onder den naam van Schizophora samengevat.

Tot de belangrijkste van alle Vliegen behooren ongetwijfeld de Parasietvliegen of Rupsenvliegen (Tachininae), die, ondanks haar geringe grootte, bestemd schijnen te zijn om een verstoring van het evenwicht in de zoo buitengewoon samengestelde huishouding der natuur te voorkomen, daar hare maden, meestal verscheidene tegelijk, als parasieten leven in andere larven—o.a. in die van Bladwespen, Oorwormen en Kevers, vooral echter in die van Vlinders—en haar al te sterke vermenigvuldiging tegengaan. Een gevolg hiervan is, dat de kleine leden dezer familie licht over ’t hoofd worden gezien, terwijl zij onophoudelijk zoekend rondsluipen in het gras en struikgewas, waar de wijfjes hare slachtoffers weten te vinden. De grootste, 10 à 18 mM. lange soorten trekken eerder de aandacht; men herkent ze aan de haastige, schuwe, woeste wijze van vliegen. De behandeling, die de larven haar gastheer doen ondergaan, is bij verschillende soorten ongelijk. Sommige verlaten hem, terwijl hij nog in den rupstoestand verkeert en verpoppen zich in den grond; andere doen dit eerst, nadat de rups in een pop is veranderd; nog andere worden tot tonnetjespoppen binnen het lichaam van de vlinderpop of in het spinsel van de bastaardrups; verscheidene eindelijk verlaten als larven het lichaam van haar moeder en worden in dezen toestand, en niet in dien van ei, op den toekomstigen gastheer neergelegd.

Alle Parasietvliegen hebben, evenals de leden van de 4 volgende onderfamiliën, sterk ontwikkelde vleugelschubjes, die de kolfjes volkomen bedekken; het voorhoofd, dat bij het wijfje breeder is dan bij het mannetje, vertoont in overlangsche richting een verdeeling in 3 velden: het middelste is week, de beide andere zijn hoornachtig. De topdwarsader is duidelijk aanwezig, de sprietborstel geleed en onbehaard (of althans schijnbaar naakt), het achterlijf uit 4 ringen samengesteld. Slechts bij weinige soorten ontbreken de macrocheten te midden van het borstelige haarkleed op den rug van het borststuk en van het achterlijf. Aan deze danken sommige den naam van Egelvliegen (Echinomyia).

De larven gelijken op gewone Vliegenmaden, hebben 2 weinig gekromde, uitpuilende mondhaken, kleine ademgaten aan ’t voorste en groote aan ’t laatste rompsegment, op welks zwak uitgeholde, niet door wratten omringde achterzijde zij zich vertoonen als 3 rechte, convergeerende spleten op elk der 2 groote chitineplaten. De tonnetjes zijn eivormig en meestal bruin; zij bezitten twee adembuizen aan het achterste deel van ’t lichaam.

De Parasietvliegen bezoeken dikwijls bloemen, vooral van schermbloemige planten, en worden dan niet zelden met andere leden van haar familie verward; het meest zal men ze echter opmerken op boomen of struiken, die veel van de rupsen te lijden hebben.

De grootste inheemsche soort is de ruim 17.5 mM. lange Dikke Egelvlieg (Echinomyia grossa), welker kort, eivormig achterlijf 11 mM. breed is. Zij is glanzig zwart, zeer dicht met stekelige borstels begroeid, aan den kop en de vleugelwortels roodachtig geel. Het roestroode, middelste sprietlid is bij alle leden van haar geslacht dubbel zoo lang als het vierhoekige, zwarte eindlid. De oogen zijn naakt; wimpers komen alleen op het onderste gedeelte van het aangezicht voor.—De Wilde Egelvlieg (Echinomyia fera) is bruin, het achterlijf echter doorschijnend roestrood, met uitzondering van een zwarte, overlangsche streep.

*

De Vleeschvliegen (Sarcophaginae) verschillen o.a. van de Parasietvliegen door de vedervormige beharing van het onderste deel van den sprietborstel, die van boven naakt is.

Wilde Egelvlieg (Echinomyia ferox) met larve en tonnetjespop. Ware grootte.

De Grauwe Vleeschvlieg (Sarcophaga carnaria, fig. 6) ontmoet men gewoonlijk niet binnenshuis, des te vaker echter van Mei af gedurende het geheele jaar in de vrije natuur tegen boomstammen, in bloemen, op wegen en vooral op alle plaatsen, waar rottende, dierlijke en plantaardige overblijfselen voorkomen. Het mannetje is dikwijls weinig grooter dan een bijzonder dikke Huisvlieg; het wijfje is altijd grooter en in den regel 15 mM. lang. Wat de kleur betreft, kenmerkt zich deze soort door het lichtgele, glinsterende aangezicht, de lichtgrijze, eveneens glanzige, zwart gestriemde rugzijde van het borststuk, het bruine, met vierkante, zwart en geel iriseerende vlekken geteekende achterlijf en de fluweelachtig zwarte voorhoofdstrepen. Deze Vliegen en alle leden van haar geslacht komen ter wereld als maden, daar zij reeds in het lichaam van de moeder het ei verlieten. Het is wel mogelijk, dat niet eens de helft van het ontzaglijk groote aantal eieren (20000), dat door het wijfje wordt voortgebracht, tot ontwikkeling komt, maar gesteld zelfs, dat zij aan niet meer dan 8000 larven het leven schenkt, dan is haar vruchtbaarheid toch nog verbazend. De maden groeien zeer snel en hebben 8 dagen na de geboorte reeds haar volle grootte bereikt. In den een of anderen hoek of in de allerbovenste aardlaag veranderen zij dan in zwartbruine tonnetjes, waaruit na 4 à 8 weken de Vliegen ontwijken. Uit den naam van de soort zou men afleiden, dat de larven zich uitsluitend met dierlijke stoffen voeden; dit is echter volstrekt niet het geval; zulk voedsel is in de vrije natuur in veel te geringe hoeveelheid voorhanden; de meeste leven in rottende plantendeelen.

*

De Gewone Vliegen (Muscinae) hebben den sprietborstel van onderen tot boven aan weerszijden behaard en missen de macrocheten.

Zonder overdrijving kan men zeggen, dat geen enkel niet parasiteerend dier den mensch ongenood zoo trouw vergezelt als de Huisvlieg (Musea domestica, fig. 8). Zoowel in het koude Lapland als in de tropische gewesten beschouwt zij zijn woning als de hare. Ieder kent hare onhebbelijkheden; zij is brutaal, snoeplustig en ontziet zich niet alles te bevuilen; een goede eigenschap zal niemand haar toedichten. Vooral tegen het einde van den zomer, als zij in grooten getale binnenshuis beschutting zoekt tegen de koele nachten en morgens, is zij een ware lastpost. Gedurende een deel van ’t najaar en in den winter schijnt zij totaal verdwenen te zijn; enkele exemplaren blijven evenwel gespaard en overwinteren in onze woningen, vooral echter in de warme stallen. Zoodra het nieuwe jaar ons eenige mooie dagen schenkt, begeven zij zich naar buiten om zich door de stralen van de lentezon te laten beschijnen. Een zeer eigenaardige ziekte onder de Vliegen trekt in het eene jaar meer, in ’t andere minder de aandacht: met wijd uitgespreide pooten ziet men ze vastgehecht aan allerlei voorwerpen; haar 4-ledig achterlijf is gezwollen, de verbindingsvliezen der ringen puilen lijstvormig uit en zijn met schimmel bedekt, zoodat het achterlijf witte en bruine strepen vertoont (fig. 12). Wanneer men het opent, blijkt het niets anders te bevatten dan schimmelplantjes. Door een laagje van dezelfde zwamsoort is het doode dier vastgekleefd aan zijn laatste rustplaats.

Blauwe Bromvlieg (Musca vomitoria): 1) Vlieg. 2) Eieren. 3) Larven. 4) Tonnetjespop.—5–7) Grauwe Vleeschvlieg (Sarcophaga carnaria): 5) Pasgeboren larven. 6) Vliegen. 7) Volwassen larve.—8) Huisvlieg (Musca domestica) met larve.—9) Steekvlieg (Stomoxys calcitrans).—10) Kop van de Huisvlieg.—11) Laatste lid van den voet van de Grauwe Vleeschvlieg.—12) Door schimmelziekte gedoode Huisvlieg.—Alleen de fign. 10 en 11 vergroot.

De Huisvlieg heeft geen lange borstels aan de binnenzijde der middelscheenen. Deze komen wel voorbij de zwartachtig blauwe Groote of Blauwe Bromvlieg [Musca (Catliphora) vomitoria: fig. 1], algemeen bekend door haar neiging om eieren te leggen op vleesch, welks aanwezigheid zij reeds op grooten afstand met haar reukorgaan ontdekt, en door de gewoonte om onder aanhoudend gegons telkens tegen de vensterruiten te vliegen, alsof zij zich den kop te pletter wil stooten. Zoowel de Huisvlieg als de Blauwe Bromvlieg vermenigvuldigen zich buitengewoon snel. De Huisvlieg legt in den tijd van een kwartier 60 à 70 eieren op een hoopje, vooral in mest. De eieren van de Bromvlieg zijn eenigszins gekromd, ongeveer als een augurk en worden ten getale van 20 à 100, bij voorkeur op vleesch, eveneens op een hoopje gelegd; ieder wijfje bevat er ongeveer 200. Geen van beide wijfjes is bijzonder keurig, wat de legplaats harer eieren betreft; ook de Huisvlieg legt ze op vleesch, op bedorven brood of graan, op aangesneden meloenen, op doode dieren en zelfs op den inhoud van een openstaande snuifdoos. De Bromvlieg gaat met dezelfde bedoeling op oude kaas zitten (de hierin levende springende maden zijn echter niet van haar, maar van de Kaasvlieg, afkomstig); ook zoekt zij doode dieren op en laat zelfs, door haar fijnen reukzin op een dwaalspoor gebracht, hare eieren achter op de als aas stinkende bloemen van de in Zuid-Afrika inheemsche Stapelia’s, waar de maden, geen voedsel vindend, spoedig bezwijken. De maden komen hoogstens 24 uur na het leggen uit het ei; zij zijn wit, kegelvormig, van achteren afgeknot en hier van 2 (ieder door een chitine-plaat omringde) ademgaten voorzien, van voren spits en met 2 mondhaken gewapend. Deze zijn bij de Huisvlieg zoo dicht bijeengeplaatst, dat men bij oppervlakkige beschouwing slechts één zwarte haak ziet, bij de Bromvlieg echter wel onderling gelijk, maar door een kort pijlvormig staafje gescheiden. Het schijnt, dat de uitwerpselen der maden de rotting van de stof, waarin zij zich ophouden, bevorderen. Weldra hebben zij zich in alle richtingen verspreid; ofschoon niet met oogen uitgerust, ontwijken zij het licht. Zij groeien zeer snel; de maden van een Bromvlieg, die men op een dooden visch eieren had laten leggen, waren op den 2en levensdag reeds tweemaal zoo groot als bij het verlaten van het ei, maar toch nog zoo klein, dat 25 à 30 van deze diertjes te zamen nog geen grein wogen. Op den derden dag was iedere made reeds 7 grein zwaar; zij had dus in 24 uur een 200-voudige gewichtsvermeerdering ondergaan. Hoe gunstiger de weersgesteldheid, hoe beter en overvloediger het voedsel is, des te spoediger ontwikkelen zich de larven. In 8 à 14 dagen zijn zij volwassen, verspreiden zich en begeven zich, zoo dit mogelijk is, in den grond, om van gedaante te wisselen. Gemiddeld is de Vlieg in het tonnetje na 14 dagen voldoende ontwikkeld, om door het persen van lucht in haar voorhoofdsblaas zulk een drukking op haar hulsel uit te oefenen, dat er een kringvormige barst in ontstaat en een dekseltje van losgeraakt. Dit geschiedt steeds over dag, nooit ’s avonds of ’s nachts. In gunstige omstandigheden komen ieder jaar verscheidene generaties van Vliegen voor.

Tsetse-vlieg (Glossina morsitans):—a. Kop met uiteengespreide monddeelen van terzijde gezien.—b. Spriet. Alle afbeeldingen volgens verschillende maatstaven vergroot.

In ’t najaar merkt men, vooral in kamers dicht bij een stal, niet zelden een soort van Vliegen op, die wegens haar bloedgierigheid Steekvliegen (Stomoxys calcitrans), wordt genoemd. Zij zijn grijs van kleur, met zwarte vlekken op het achterlijf en vier overlangsche, zwarte strepen op den rug van het borststuk. Bij oppervlakkige beschouwing gelijken zij veel op de iets grootere Huisvlieg, van welke men haar gemakkelijk onderscheiden kan aan den fijnen, spitsen snuit, die zeer kleine eindlobben draagt en in rust horizontaal naar voren gericht is. De kegelvormige, 8.75 mM. lange larve leeft ’s zomers en in den herfst met de maden van de Huisvlieg in verschen paardenmest, maar ontwikkelt zich langzamer dan deze. De poptoestand duurt 4 à 6 weken. Ieder jaar verschijnen twee generaties: de eerste vliegt in Mei en trekt niet zeer de aandacht; de tweede, in Augustus en September, is lastig voor menschen en vee.

Nauw verwant aan onze Steekvlieg, doch grooter en fraaier van uiterlijk, is de Tsetse-vlieg (Glossina morsitans), in de tropische gewesten van Afrika zeer gevreesd wegens haar steek, die voor sommige huisdieren doodelijk kan zijn. De boeren, die weidegronden voor hun vee zoeken, mijden het “vliegenland” als de pest; hoogstens trekken zij er ’s nachts door. De steek van de Tsetse-Vlieg is onschadelijk voor den mensch en voor de wilde dieren; ook de Geiten, Ezels en zuigende kalveren zijn er tegen bestand; alle andere huisdieren sterven er aan. De meeste schade veroorzaakt dit nog steeds raadselachtig Insect gedurende den regentijd of kort te voren.

*

De Bloemvliegen (Anthomyinae) hebben, evenals de tot dusver genoemde Echte Vliegen (en de Horzels), een driedeelig voorhoofd en sterk ontwikkelde vleugelschubjes; wegens het eenigszins verschillend beloop der vleugeladers (het ontbreken van de topdwarsader) worden zij in een onderfamilie samengevoegd. Van sommige zijn de larven kegelvormig en gelijken op maden van de Gewone Vlieg, van andere zijn zij plat met 4 draadvormige aanhangsels aan ieder segment, die gezamenlijk 4 reeksen vormen (2 op den rug en één op iedere zijde). Deze zeer algemeen verbreide Vliegen gelijken op de Huisvlieg en hare verwanten en worden er dikwijls mede verward. Het zijn de proletariërs onder de Tweevleugeligen. Hoewel sommige een belangrijken werkkring hebben, wordt haar betrekkelijk weinig aandacht geschonken; de onderscheiding der soorten wordt trouwens bemoeilijkt door haar eenvormigheid. Als larve leven de meeste in mest of andere rottende stoffen, sommige echter in levende planten, die zij beschadigen door aan wortels, knollen en bollen te knagen of bladmoes te verslinden. Landbouwers en tuinlieden hebben dikwijls reden om zich over haar werkzaamheid te beklagen. Op welke wijze de larve van de Grijze Uienvlieg (Anthomyia antiqua) en van de Sjalottenvlieg (Anthomyia platura) zich gehaat hebben gemaakt, blijkt uit haar naam. In de onderaardsche deelen van knollen, koolrapen, koolsoorten, radijs, enz. vindt men de maden van de Wortelvlieg (Anthomyia radicum) en van de Radijsvlieg (Anthomyia floralis). De geelachtig witte, in volwassen toestand 9 mM. lange larve van de Koolvlieg (Anthomyia brassicae) doorknaagt van Juli tot November het onder den grond gelegen deel van den stengel van koolzaad en andere koolsoorten en vernielt soms den geheelen akker. De Mangelwortelvlieg (Anthomyia conformis) dringt als larve in het bladmoes van mangelwortels en suikerbieten door en doodt vele bladen. De made van de Slazaadvlieg (Anthomyia lactucae) verslindt in Augustus en September de zaden van sla, enz. enz.

*

Een zeer eigenaardige levenswijze merkt men op bij de larven van de Horzels (Oestrinae). Hoofdzakelijk parasiteeren zij bij éénhoevige en tweehoevige huisdieren, bij Herten, Reeën en andere soorten van Geweidragers; enkele heeft men als parasieten van Buidel- en Knaagdieren leeren kennen: waarschijnlijk worden ook wel andere Zoogdieren door Horzellarven gekweld, maar zijn deze, wegens de moeielijkheden van het onderzoek, tot dusver onopgemerkt gebleven. Die, welke men in de tropische gewesten enkele malen in de hoofdhuid, de neusholte, de uitwendige gehoorgang en zelfs in de maag van den levenden mensch gevonden heeft, behooren niet tot één bepaaldelijk bij den mensch parasiteerende soort, maar zijn van hare gewone gastheeren (Runderen, Paarden, Honden, Muildieren, enz.) toevallig afgedwaald. Bovendien zijn volstrekt niet alle Vliegenmaden, die men in het lichaam van den levenden mensch aantrof, Oestrinen-larven. Bij de in Europa waargenomen gevallen waren het bijna altijd maden van de geslachten Sarcophaga en Sarcophila. Ook deze moeten als toevallige parasieten van den mensch beschouwd worden; men vond ze in open wonden bij personen, die in hulpbehoevenden toestand buiten, b.v. op een slagveld, hadden gelegen.

Sommige Horzellarven—die van de Huidhorzels (Hypoderma)—leven in het onderhuidsche bindweefsel en voeden zich met den etter der door haar veroorzaakte builen, andere—de Maaghorzels (Gastrophilus of Gastrus)—hechten zich vast aan de binnenste oppervlakte van den maagwand, ook wel in den darm; nog andere eindelijk—de Neushorzels (Oestrus of Cephalomyia)—komen in de neus- en keelholte voor. Bij vele Horzel-larven heeft men verscheidene vervellingen en hiermede gepaard gaande onbelangrijke vormsveranderingen waargenomen; na tot rijpheid te zijn gekomen, verlaten zij haar gastheer en veranderen op of dicht bij de oppervlakte van den bodem in tonnetjespoppen. De Horzels zelf hebben een korten levensduur; vele vliegen bij zonnig weer op kale hoogten sterk gonzend rond. Zij zijn kenbaar aan wratvormige, in een diepe voorhoofdgroeve verborgen sprieten, die een naakten rugborstel dragen en aan den zeer weinig ontwikkelden, voor het opnemen van voedsel nagenoeg ongeschikten snuit. Bijoogen zijn aanwezig. Het 6-ledige achterlijf eindigt bij het mannetje stomp, bij het wijfje in een sterk verlengbare legbuis.