De Verschrikkelijke Termiet (Termes dirus) bewoont Brazilië en Guyana, bouwt nesten in den grond en onder steenen en voedt zich met wortels van doode boomen. In den poptoestand is deze soort nog niet waargenomen; ook de koningin kent men nog niet, wel de mannetjes (van boven ziet men het geheele lichaam in fig. 1, den kop en het voorborststuk in fig. b; in fig. a is het mannetje van ter zijde te zien), de arbeiders (bij c van ter zijde, bij d van voren zichtbaar) en de soldaten (bij e van ter zijde, bij f van voren afgebeeld).

De Krijgshaftige Termiet (Termes bellicosus)—ook wel Noodlottige Termiet (Termes fatalis) genoemd—bewoont Oost-Afrika, niet noordelijker dan Abessynië, en komt, ongeveer op dezelfde breedten, ook in West-Afrika voor. In grootte overtreft zij de meeste van hare verwanten; de gevleugelde Insecten hebben, bij 18 mM. lengte, 65 à 80 mM. vlucht. Van deze soort zijn alle vormen en toestanden bekend: fig. 2 stelt voor een arbeider, fig. g een vrouwelijke larve na de voorlaatste vervelling (in den nympha- of poptoestand). Na het zwermen in het nest teruggekeerd, verkrijgt het wijfje allengs denzelfden vorm en omvang als de in fig. 3 afgebeelde koningin van Termes regina; de inhoud van haar achterlijf overtreft 1500- à 2000-maal die van het overige lichaam. Buiten staat om zich te bewegen in de cel, die, zoolang zij groeit, aanhoudend vergroot wordt, gaat zij steeds voort met eieren te leggen, die door de haar omringende arbeiders worden weggedragen.—Alle afbeeldingen (behalve b, 2 en g) zijn op de ware grootte.

Volgens het eenstemmig oordeel van alle onderzoekers zijn vele soorten van Termieten (misschien nog wel het minst die, welke heuvels bouwen) een groote plaag voor de bewoners van tropische gewesten en een bron van ergernis voor iederen reiziger, die kennis met hen maakt. Zij vergrijpen zich niet aan zijn persoon, maar vernielen in zeer korten tijd zijne bezittingen, kleederen, boeken, huisraad, zelfs de balken van zijn woning. Dit geschiedt op zulk een geheimzinnige, slinksche wijze, dat men de schade eerst bemerkt als er niets meer gedaan kan worden om haar af te wenden. Het dak valt den bewoner op het hoofd, voordat hij gevaar ducht. D’Escayrac de Lauture doet in zijn “Reis door Soedan” uitvoerige mededeelingen over de Witte Mieren, die daar Arda heeten. Zij hebben de grootte van een gewone Mier en voeden zich bij voorkeur met hout, doch vreten overigens alles: leder, vleesch, papier, enz. Boeken en schoenen kunnen zeer moeilijk tegen haar beveiligd worden. In één nacht vernielden zij een gekartonneerden atlas en de helft van een foedraal van een verrekijker. De Nubiërs vrijwaren zich voor schade door hunne bezittingen op planken te leggen, die door middel van touwen aan het dak van het huis zijn opgehangen. In andere streken beschut men de meubels tegen de vernielzucht van dit gedierte, door ze met de pooten in met water gevulde potten te plaatsen. Een Arabier bij Boernoe was, zonder dat hij het vermoedde, boven een Termieten-nest ingeslapen; ’s morgens bij zijn ontwaken was hij— —naakt; al zijne kleederen waren verslonden.—A. Brehm verhaalt, dat op 15 Aug. 1850 de Witte Mieren in den “divan” van Latief-Pasja te Chartoem in zoo grooten getale verschenen, dat alle aanwezigen de vlucht moesten nemen. Den vorigen dag was n.l. (wegens den hoogen waterstand in den Blauwen Nijl) een Termieten-kolonie door het grondwater naar boven gedreven; deze baande zich nu door den met tegels bedekten vloer van de zaal een uitweg.

Van de op Java voorkomende Termieten (door de inlanders Rajaps genoemd) schrijft Prof. Veth: “De bamboe-woningen der Javanen worden door de Termieten in korten tijd geheel vernield; slechts enkele zeer harde of zeer aromatische houtsoorten zijn voor hare verwoestingen beveiligd. In de woningen der Europeanen zijn de meubelen en provisiën haar geliefkoosde prooi; alleen katoen schijnen zij niet aan te tasten; men zegt, dat zij voor de scherpe punten der rijstbolsters bevreesd zijn, waarom men vaak den bodem van voorraadkamers ter hoogte van een voet daarmede bedekt. IJzeren, met water of olie gevulde schalen onder de pooten der meubelen zijn mede een gewoon voorbehoedmiddel zoowel tegen de Termieten als tegen de eigenlijke Mieren. De gangen der Termieten worden gewoonlijk op donkere plaatsen en in verborgen hoeken aangelegd en zijn hier gemakkelijk te herkennen, daar zij minstens de dikte van een vinger hebben. Van het houtwerk dat zij vernielen, weten de Termieten de oppervlakte zoo zorgvuldig te sparen, dat het voorwerp zijn uitwendige gedaante behoudt, ofschoon het zoo doorgeknaagd is, dat het bij de geringste aanraking ineenstort. De Duitsche reiziger Jagor verhaalt, dat in een landhuis te Singapore de met olieverf beschilderde palen, die het huis droegen, zoodanig verteerd waren, ofschoon geen spoor van beschadiging aan de verf te zien was, dat een der palen door den toevalligen stoot van een stok geheel doorboord werd. Junghuhn zegt van de Termieten-nesten, die zich vooral in de verstrooide boschjes der alang-velden vertoonen, dat zij rondachtig van vorm en van 2 tot uiterlijk 4 voeten hoog zijn, en dat zij vaak bij honderden nevens elkander voorkomen. Doorgraaft men de bovenste aardkorst, dan blijkt het, dat de gansche heuvel uit meandrisch in elkander gedraaide, bruinachtig gele lamellen bestaat, die uit klei gevormd en op de zonderlingste wijze gerimpeld zijn, terwijl de enge tusschenruimten van millioenen Termieten wemelen.”

Snelleman, lid der Sumatra-expeditie (1877–1879), zegt van het nest der door Herman Alberda als Termes gilvus (Lichtgele Termiet) gedetermineerde soort: “Deze Termietenwoningen vallen niet in ’t oog door vorm of grootte, noch door talrijkheid, en zijn in vergelijking met de paleizen van de Afrikaansche Termes bellicosus (Smeathman), slechts armzalige stulpjes. Het nest, dat ik nabij de negari Sidjoendjong vond, was koepelvormig, doch vrij onregelmatig, ongeveer 30 cM. hoog, en had een 2-maal grootere middellijn. De buitenzijde vertoonde geen scherpe kanten; zij zag er uit als gelijkelijk afgesleten en had dezelfde grijze kleur als de droge grond in den omtrek. Men kon er op staan zonder vrees, dat het gebouw zou instorten, en het kostte geruimen tijd en veel moeite, eer de bovenkorst met een pikhouweel was opengehakt. Niet zoodra was dit geschied, of de geheele bevolking kwam in beweging en vooral de soldaten liepen rusteloos heen en weder. Het harde omhulsel van de woning beschutte een onregelmatig samenstel van wanden, gewelven en pilaren van broos, op de breuk korrelig materiaal, dat zich met den vinger gemakkelijk liet verkruimelen; sommige deelen waren zelfs nog week en blijkbaar eerst kort geleden opgemetseld. Onder dezen doolhof bevond zich, nog even boven de aardoppervlakte, de verblijfplaats der koningin; in de nabijheid daarvan werd de aarde, waaruit de gangen waren opgebouwd, weder veel harder, terwijl de platte doos zelve waarin de koningin lag, vrij groote stevigheid had en van zeer dichte structuur was. Scherpe kanten bevatte het nest ook aan de binnenzijde niet; alle gangen en pilaren waren afgerond. Het gelukte mij ’t koninklijk verblijf horizontaal door midden te splijten, zonder dat de deelen beschadigd werden, en nu bleek, dat de koningin lag op den zorgvuldig geëffenden bodem, terwijl het zwak gewelfde bovenstuk haar overdekte. Beide deze helften waren met weinige kleine, ronde openingen doorboord.” De lengte van de koningin bedroeg ongeveer 50, van de arbeiders 6, van de soldaten 11.5 mM. (van deze kwam ook nog een kleinere, 6.5 mM. lange vorm voor).

De inboorlingen van door Termieten bewoonde landen trekken partij van deze Insecten door ze als spijs te gebruiken. In verschillende gewesten van Java verkoopt men ze op de markt onder den naam van “Laron”; ook worden de nesten wel geopend om aan het pluimvee een voedzame lekkernij te verschaffen. Van een groot aantal dieren maken de Termieten het voornaamste voedsel uit, waartoe op Java o.a. het Schubdier behoort. De Miereneters zou men wegens hun bedrijf veeleer “Termieteneters” moeten noemen. Ook door den ijver, dien zij bij het vernielen van plantaardige overblijfselen toonen, spelen de Termieten in de huishouding der natuur een zeer belangrijke rol; de arbeid van deze en van vele andere in dezelfde richting werkzame dieren valt echter niet in den smaak van den tegenover hen machteloozen mensch.

Op eenvoudige wijze worden de ± 100 soorten van Termieten, die men onderscheiden, maar voor het meerendeel zeer onvolledig bestudeerd heeft, in 4 geslachten verdeeld. Hechtkussentjes tusschen de klauwen en aders in het zoomveld van de vleugels komen voor bij Calotermes, die bijoogen heeft, en bij Termopsis, die deze organen mist. Van beide verschilt Hodotormes door het ontbreken van de hechtkussentjes. Verreweg de meeste soorten behooren echter tot het geslacht Termes, zijn in het bezit van bijoogen en missen de hechtkussentjes tusschen de klauwen, zoowel als de aders in het randveld van de vleugels.

Tot de Europeesche fauna behooren drie soorten van Termieten, althans wanneer men er bij rekent de Geelvoetige Termiet (Termes flavipes), die zich in de broeikassen van de keizerlijke tuinen te Weenen vertoond heeft en met een bezending levende planten uit Brazilië schijnt te zijn overgekomen.

De Geelhalzige Termiet (Termes flavicollis), die de landen om de Middellandsche zee bewoont, is grootendeels donker kastanjebruin; de monddeelen, sprieten en pooten zijn geel, evenals het voorborststuk, welks kleur aanleiding gaf tot den naam der soort. De gevleugelde individuën hebben hoogstens 11 mM. lengte bij 20 mM. vlucht. De vleugels zijn zwak “berookt”. De 4 à 9 mM. lange soldaten kenmerken, zich door een opmerkelijk langen, vierhoekigen kop met breede kaken. In tegenstelling met de volgende soort, schijnt deze in timmerhout niet voor te komen, wel in olijfboomen, waaraan zij in Spanje en het zuiden van Frankrijk veel schade veroorzaakt.

De Lichtschuwe Termiet (Termes lucifugus, T. arda) wordt, evenals de vorige, veelvuldig aangetroffen in het Middellandsche-zee-gebied; ook vindt men haar op Madeira, waar zij nog op een hoogte van 1094 M. boven den zeespiegel nestelt. Dat zij tot Rochefort en La Rochelle aan de westkust van Frankrijk is doorgedrongen, waar door haar in publieke en andere gebouwen belangrijke verwoestingen zijn aangericht, verdient een opzettelijke vermelding, daar in geen der overige werelddeelen het verbreidingsgebied van eenige Termiet zich verder dan 40° NB. of ZB. uitstrekt. Het bedoelde Insect, dat in de Landes vooral sparren aantast, is donker zwartbruin en bruin behaard; aan alle pooten zijn de voet en de top van de scheen geelachtig; de top van alle spriet- en tasterleden is witachtig. De gevleugelde Insecten hebben, bij 6 à 9 mM. lengte, 20 mM. vlucht.

Aan Lespès dankt men een uitvoerige beschrijving van de levenswijze dezer Termieten.

Nagenoeg alle werkzaamheden worden door de arbeiders verricht; evenals alle leden van hun geslacht, hebben zij de gewoonte, zich steeds in bedekte gangen te bewegen. Gewoonlijk bouwen zij het nest in een ouden sparrestomp, soms in eiken, vlier of tamarisken, altijd echter in dood en vochtig hout, dat onder of weinig boven den grond gelegen is. Kleine, één- of hoogstens tweejarige Termieten-staten houden verblijf achter boomschors, maar tasten vervolgens het hout aan. De gangen zijn niet regelmatig; zeer dikwijls bewijzen de in hout borende Kever-larven, vooral van Houtboorders, aan de Termieten den dienst van pioniers, en dienen de wijdere gangen van de Boktorlarven voor het aanleggen van groote cellen. Wanneer Termieten zich in hout vestigen, waar zulke wegbereiders nog niet werkzaam zijn geweest, volgen zij bij het knagen van gangen in zoover een vasten regel, dat zij alleen het zachtere lentehout van iederen jaarring aantasten en het hardere herfsthout sparen, tenzij om er de groote, ronde openingen in te maken, waardoor de cellen onderling in gemeenschap staan. De geheele binnenzijde van het nest is met een gladde, lichtbruine laag bedekt; dat deze uit drek bestaat, bleek bij waarnemingen aan gevangen dieren. In de Landes en andere streken van Frankrijk, waar Lespès de levenswijze van de Termieten heeft nagegaan, zijn de oude sparrestompen talrijk, daar men deze na het vellen van de boomen laat staan. Dit zal wel de hoofdreden zijn, waarom de huizen te Bordeaux slechts weinig van deze Insecten te lijden hebben, hoewel hier en daar sporen van hun aanwezigheid zijn opgemerkt. De arbeid geschiedt steeds in de grootste orde, zonder dat de soldaten zich er mede bemoeien; deze spelen de rol van opzichters. Behalve met het bouwen en onderhouden van het nest zijn de arbeiders ook met de zorg voor de eieren belast. Zoodra men een der hiermede gevulde cellen opent, snellen zij toe en sleepen er 5 of 6 te gelijk mede. Dat de arbeiders de overige leden van het gezelschap met voedsel zouden voorzien, wordt door Lespès onwaarschijnlijk geacht. Ook heeft hij hen geen bijzondere zorgen aan den koning en de koningin zien wijden. Wel zag hij hen de larven behulpzaam zijn bij hare vervellingen, doch alleen waar het larven van arbeiders en soldaten gold. Als een nymphe zich gekwetst had, hetgeen nog al eens voorkwam, waren onmiddellijk 2 of 3 arbeiders bij de hand om haar te helpen.

De soldaten, welker taak bestaat in het beschermen van de overige bewoners van het nest, nemen tegenover den mensch een dreigende houding aan, maken dan dikwijls een bespottelijk figuur, doch zijn niet gevaarlijk. Ondanks hun moed en ijver, gedragen zij zich wegens hun blindheid tamelijk onbeholpen; hoewel hun woede duidelijk blijkt, kunnen zij niet veel uitrichten, de kaken niet ver genoeg openen om de huid van den in ’t nest gestoken vinger er tusschen te vatten. Meestal staan zij zonder beweging in de gangen of cellen; zoodra er echter in het nest een opening ontstaat, loopen zij er onbesuisd met geopende kaken heen. Zeer potsierlijk zijn hunne gebaren, wanneer men hen plaagt; zij laten den kop met de wijdgeopende kaken op den grond rusten, heffen het achterste deel van ’t lichaam omhoog en doen herhaaldelijk uitvallen om den vijand te grijpen; na verscheidene vruchtelooze pogingen stooten zij vier- of vijfmaal den kop tegen den vloer van de gang, waardoor een schel geluid ontstaat.

De oude larven en poppen vindt men gewoonlijk dicht opeen gedrongen in de nauwe gangen, aan welker uiteinden de soldaten de wacht houden; zij vluchten zoodra haar verblijfplaats geopend wordt. Elke vervelling geeft aanleiding tot een groote opschudding, waarschijnlijk omdat alle Insecten, die de huid afwerpen, en vooral zij, die dit voor de laatste maal doen, een eenzaam plaatsje opzoeken, waar zij buiten het gewoel van hunne soortgenooten de verharding van het buitengewoon weeke lichaam, en, voor zoover zij vleugels hebben, de vergrooting van deze organen afwachten; na een uur is dit proces afgeloopen. Aanvankelijk zijn alle wit van kleur. De arbeiders hebben nog een paar dagen rust noodig, voordat zij aan den arbeid kunnen gaan. De mannetjes en de wijfjes verliezen zeer schielijk de vleugels en blijven steeds dicht bijeen. Lespès zag ze alleen dan zwermen, wanneer hij op een geschikten tijd het nest opende. Waarschijnlijk heeft de paring ’s nachts en wel op den grond plaats. De koningin (soms waren er twee) werd in December, Maart en Juli in gezelschap van een koning of zonder dezen gevonden. Zij hield zich niet in een bepaaldelijk voor haar bestemde cel verborgen, maar in een diep gelegen gang. Ondanks haar zwaarlijvigheid kon zij zich goed bewegen. Eerst een jaar na haar laatste vervelling, en wel in Juli, begon zij eieren te leggen; vermoedelijk geschiedt dit slechts gedurende korten tijd.


De Pelsvreters, Bijtende Luizen of Vachtluizen (Mallophaga), die men tegenwoordig meestal met de Houtluizen en Termieten vereenigt, gelijken door hun uiterlijk veel op Luizen en leven, evenals deze, tusschen de haren of veeren van warmbloedige dieren. Zij zuigen echter geen bloed, maar zijn met kauwende monddeelen uitgerust en voeden zich met afval van de opperhuid. De kop draagt aan weerszijden 1 of 2 éénlenzige oogen en een 3 à 5-ledige spriet. De bovenkaken zijn klein, doch scherp getand en geschikt om iets af te knijpen. De vleugels ontbreken geheel. De pooten zijn (voor het vasthouden van haren of veeren) aan ’t laatste voetlid voorzien van 1 of 2 klauwen, die naar de scheen teruggeslagen kunnen worden, en met deze een soort van tang vormen. Het van boven naar onderen afgeplatte achterlijf bestaat uit 8 à 10 leden. Het wijfje legt de eieren op de haren of veeren van haar gastheer; de jongen hebben dadelijk de gedaante hunner ouders, maar verkrijgen eerst na herhaalde vervellingen hun kleur en stevige lichaamsbekleeding. De Vachtluizen trekken wegens haar geringe grootte (de meeste zijn korter dan 2.25 mM., slechts enkele worden 5 of zelfs 10 mM. lang) en verborgen levenswijze (na den dood van hun gastheer zoeken zij een anderen) zeer weinig de aandacht. Slechts weinige soorten (de Haarluizen) leven op Zoogdieren, de meeste (de Vederluizen) op Vogels.

1) Gletschervloo (Desoria glacialis); links: springend; rechts: loopend. Sterk vergroot.

2) Pauwenvederluis (Goniodes falcicornis); mannetje. Vergroot.

Merkwaardig is de 1 à 2 mM. lange Hondenhaarluis (Trichodectes latus)—niet te verwarren met de bloedzuigende Hondenluis (Haematopinus piliferus)—zoowel wegens den last, dien zij haar gastheer door haar beweging veroorzaakt, als wegens den parasiet (Fin), dien zij herbergt. Wanneer een Haarluis door den Hond wordt ingeslikt, zal zich in zijn lichaam uit de Fin een Lintworm (Taenia cucumerina) ontwikkelen.

De Hondenhaarluis heeft den kop geelachtig met 2 bruine vlekken bij de sprieten, het borststuk donkergeel, het achterlijf witachtig.

Ook op vele andere Roofdieren (Vossen, Katten), op Knaagdieren, Hoefdieren (Schapen, Runderen, Herten, Paarden, Ezels), enz. treft men Haarluizen aan, op iedere soort een verschillenden vorm.

Bijna alle wilde en tamme Vogels, zelfs de Watervogels, worden door verschillende soorten van Vederluizen lastig gevallen. Op de Pauw o.a. leeft de Pauwenvederluis (Goniodes falcicornis) (fig. 2). Deze is geelachtig, op de zijden bruin gevlekt; de vlekken zijn soms zoo sterk, dat op elk lid van ’t achterlijf slechts een klein plekje de grondkleur vertoont.


De Blaaspootigen (Physopoda, Thripidae), die tegenwoordig als een afzonderlijke orde worden beschouwd, zijn, in weerwil van hunne tot zuigen geschikte monddeelen, nader aan de Rechtvleugeligen dan aan de Snavelinsecten verwant. De onderlip, de bovenlip en de onderkaken zijn vergroeid tot een scheede (mantel), waarin de borstelvormge, spits eindigende bovenkaken en een asymmetrisch geplaatste “mondstekel” zich bewegen. Met den dus gevormden, spitsen zuigsnuit weten zij het sap van levende of half vergane planten te bemachtigen. Aan den vorm van ’t laatste lid van den tweeledigen voet, dat, in plaats van een klauw, een “hechtschijf” draagt, die blaasvormig uitgestulpt kan worden, danken zij de reeds genoemde namen. De smalle voor- en achtervleugels komen in vorm en verrichting onderling overeen, worden door zeer weinige aders gesteund en zijn langs den geheelen buitenrand van lange, wimpervormige haren voorzien. Daarom heeten de Blaaspootigen ook wel Franjevleugeligen (Thysanoptera). In sommige jaren vliegen deze zeer kleine slanke, van boven naar onderen afgeplatte diertjes op warme zomerdagen in buitengewoon grooten getale rond, zetten zich neer op het gelaat en de handen van menschen en veroorzaken hier door hun beweging een onaangenaam gekrieuwel. Gewoonlijk worden zij dan voor vliegjes aangezien en Donderbeestjes, Dondervliegjes, in sommige streken van Groningen ook Knuut genoemd.

Alle Blaaspootigen zijn landdieren en kunnen, naar hunne woonplaatsen, in drie groepen verdeeld worden, De meeste inheemsche soorten, tevens die, welke het levendigst zijn en het best vliegen, houden zich in bloeiwijzen op, vooral van samengesteldbloemigen (paardenbloem, dahlia, enz), doch ook van Engelsch gras (Armeria), scabiosen, schermbloemigen en grassen; gewoonlijk treft men ze tusschen de blaadjes van de kelk en het omwindsel aan, waar ook de eieren gelegd worden. Andere leven op de onderzijde van bladen en onderscheiden zich door hun geringere beweeglijkheid; dit geldt van de meeste, op warme kasplanten voorkomende soorten, die uit zuidelijker landen overgebracht zijn. Nog andere worden op zeer verschillende plantendeelen gevonden: op wortels, achter schorsschilfers, tusschen korstmossen en zwammen, die op boomen leven, alsmede onder droge en rottende plantaardige stoffen. Sommige zijn aan een bepaalde soort van plantaardig voedsel gebonden, andere nemen allerlei dergelijk voedsel voor lief. Die, welke bij ons in de open lucht leven, schijnen meestal in den imago-toestand te overwinteren, hoewel men ’s winters ook larven ontmoet; de Blaaspootigen van onze warme kassen kennen geen winterrust.

De oranjegele larven van den Graanblaaspoot (Limothrix cerealium) vertoonen zich in ’t voorjaar het eerst aan de binnenzijde van de bovenste bladscheede, later in de aren en in de nog weeke korrels van rogge en tarwe. In geslachtsrijpen toestand is dit diertje 2 mM. lang en donker roestrood à zwart van kleur met stroogele voeten. Alleen de wijfjes zijn gevleugeld. In de door Blaaspooten aangetaste aren komen de korrels niet tot ontwikkeling.


De Echte Rechtvleugeligen (Orthoptera genuina) hebben lederachtige voorvleugels (dekschilden), die tot beschutting dienen van de vliezige achtervleugels, welke, na waaiersgewijs gevouwen te zijn, er onder geborgen worden. Belangrijke kenmerken leveren bovendien de bijtende monddeelen, die zeer krachtig ontwikkeld zijn en groote tasters dragen, en het voorborststuk, dat zeer groot en beweeglijk is. De pooten spelen bij deze Insecten een zeer belangrijke rol. Vooral op de verrichtingen dezer ledematen berust de verdeeling der onderorde in 3 groepen; Rechtvleugeligen met looppooten (Cursoria), met stappooten (Gressoria), met springpooten (Saltatoria).

Graanblaaspoot (Limothrix cerealium): wijfje. Sterk vergroot.

Tot de eerste groep behoort alleen de familie der Kakkerlakken (Blattidae), welke, evenals die der Termieten, in de tropische gewesten hare talrijkste en meest in ’t oog vallende vertegenwoordigers heeft. Beide familiën bestaan uit lichtschuwe, in ’t verborgen levende dieren, die uitwendig zeer van elkander verschillen, maar welker inwendig samenstel een nauwe verwantschap verraadt.

De Insecten, die bij de Russen in de wandeling den naam van “Pruisen” dragen, worden door den Opper-Oostenrijkschen boer “Russen” genoemd; bij deze zoowel als bij gene en overal elders, waar zij voorkomen, hebben zij zich zeer gehaat gemaakt. De Russen meenen, dat zij door de troepen, die na het einde van den zevenjarigen oorlog uit Duitschland terugkeerden, in hun land zijn overgebracht; vóór dien tijd althans waren zij in Petersburg onbekend. De Oostenrijkers daarentegen beweren, dat de bedoelde Insecten met aardwerkers uit Boheme in het Traun-district in Opper-Oostenrijk zijn gekomen van een streek, waar Russische onderdanen, die voor Boheemsche glasfabrikanten als houthakkers werkten, ze ingevoerd hadden. Hoe gemakkelijk de hier bedoelde Duitsche Kakkerlak [Blatta (Phyllodromia) germanica] van de eene plaats naar de andere versleept kan worden, blijkt uit het volgende feit. In een brouwerij (tevens bierhuis) te Breslau hadden de Kakkerlakken zich zoo sterk vermenigvuldigd, dat zij op de tafeltjes rondliepen, op de kleederen der gasten kropen en zich hierin (vooral onder den jaskraag) verscholen.—Met koopmansgoederen zijn zij over de geheele wereld verspreid. Veelvuldig vindt men ze ook in Syrië, Egypte, Noord-Afrika, in West-Europa echter veel zeldzamer dan in Duitschland en Rusland. Ook bij ons komen zij veel minder algemeen voor dan de Oostersche en de Amerikaansche Kakkerlak; waar deze zich vestigen, verdringen zij de Duitsche Kakkerlakken, die men toch op enkele plaatsen in zeer grooten getale vindt. Hoewel sterke temperatuurswisselingen en koude luchtstroomingen hen onaangenaam aandoen, hen dooden, of althans verdrijven, zijn zij tegen de winterkoude wel bestand, zooals blijkt uit hun leven in de vrije natuur. In de Duitsche wouden treft men ze veelvuldig aan.

De Duitsche Kakkerlak is lichtbruin; het wijfje is iets donkerder dan het mannetje en draagt op het halsschild twee zwarte, overlangsche strepen. Het platte, geelachtige achterlijf van het mannetje wordt door de vleugels geheel bedekt; het bruine, van voren zwartachtige achterlijf van het wijfje, dat aan weerszijden een weinig voorbij de vleugels uitsteekt, is veel korter dan deze. De dekschilden zijn bij het 13 mM. lange mannetje 12 mM., bij het 11 mM. lange wijfje 11 mM. lang. Een opmerkelijk verschijnsel bij de voortplanting van alle Blattiden is de wijze, waarop de eieren gelegd worden; deze zijn n.l. door een gemeenschappelijk hulsel omgeven en vereenigd tot een zeer groot, soms wel 9.5 mM. lang “eierenpakket”, dat door zijn vorm aan een reistaschje herinnert en een bruine kleur heeft. Door een overlangsch tusschenschot is het in twee helften verdeeld, die ieder uit een reeks van 18 (soms 12, soms 24) vakjes bestaan, elk met 1 ei. De jongen banen zich een uitweg door het uitwerpen van een vocht, dat de lijm van den uitwendig zichtbaren, overlangschen naad verweekt; zij zijn aanvankelijk wit met zwarte oogen, doch nemen spoedig een donkere kleur aan. Na 6 vervellingen, in 4 à 5 maanden tijds, is het Insect volkomen ontwikkeld.

1) Duitsche Kakkerlak (Blatta germanica): ♀ Wijfje (één der wijfjes heeft de vleugels van de eene zijde uitgeslagen). ♂ Mannetje.—2) Laplandsche Kakkerlak (Blatta lapponica).—Ware grootte.

De Duitsche Kakkerlak vreet nagenoeg alles wat door Insecten als eetbaar wordt beschouwd, voornamelijk brood, liever wit, dan zwart of bruin; van meel houdt hij niet; ook vleesch wordt versmaad, zoolang er ander voedsel te krijgen is. Hummel zag hen bij duizenden in ledige olieflesschen kruipen en van schoenen het schoensmeer tot op het leer af knagen; nooit heeft hij echter gezien, dat zij elkander verslonden. Chamisso verhaalt, dat men op den oceaan bij het openen van balen, die rijst of graan heetten te bevatten, er soms niets anders in vond dan Duitsche Kakkerlakken. Zeer lang kunnen deze Insecten trouwens zonder voedsel in ’t leven blijven.

Nooit binnenshuis, doch in de vrije natuur, op lage struiken en varens van bosschen en heiden, ook tusschen afgevallen bladen, ontmoet men bij ons en overal in Midden- en Noord-Europa de 8 à 11 mM. lange Laplandsche Kakkerlak [Blatta (Catobia) lapponica, fig. 2], zoo genaamd, omdat hij in Lapland wel in de woningen van den mensch doordringt en soms—met een soort van Aaskever (Silpha lapponica)—op één dag den geheelen voorraad gedroogde visch verslindt. Het lichaam is meer of minder donkerbruin met een lichten, doorschijnenden zoom om het halsschild; de dekschilden zijn geel met zwarte stippels: bij ’t mannetje, waar zij voorbij het achterlijf uitsteken, 8 à 10, bij ’t kortere wijfje, waar zij hoogstens het einde van ’t lichaam bereiken, 5 à 6 mM. lang.

De Gewone of Keukenkakkerlak, dikwijls ten onrechte “Bakkerstor” genaamd (Periplaneta orientalis), is, althans van aanzien, aan iederen bewoner van bakkerijen, meelmolens en brouwerijen bekend; bij ons treft men deze soort nooit in de vrije natuur aan, uitsluitend binnenshuis, steeds tot groot verdriet van de bewoners. Over dag komt zij nooit te voorschijn, maar blijft in gaten van muren en donkere hoeken verborgen. Des avonds, vooral na elf uur, kan men deze alles behalve lieftallige dieren op plaatsen waar zij zich eens genesteld hebben, bij troepen zien rondwandelen. Daar zij, evenals de Huiskrekels, veel van warmte houden, zijn keukens en vertrekken, welke in de buurt van bakkersovens en brouwketels liggen, hare liefste verblijfplaatsen, Juni en Juli de maanden, waarin zij zich het talrijkst vertoonen. Als men in den genoemden tijd een door hen bewoonde plaats bezoekt, ziet men exemplaren van allerlei grootte (hoogstens 26 mM. lang) overal rondsnuffelen vooral op vochtige plaatsen waar brood en andere voedingsmiddelen voor hen bereikbaar zijn. Als men niet zeer stilletjes nadert, loopen zij vlug en behendig weg. De kleine individuën zijn larven; de groote vertoonen tweeërlei vormen. Bij de mannetjes is de rug van het achterlijf grootendeels bedekt door de 14 mM. lange, donker kastanjebruine voorvleugels, die aan den achterrand bijna waaiervormig geaderd zijn. De glinsterend zwarte wijfjes hebben, in plaats van vleugels, op elke zijde van het middelborststuk een 4 à 5 mM. lang schubje. Het laatste, tamelijk platte borstschild van ’t achterlijf is bij het mannetje van 2 lange “stiften” voorzien; bij het wijfje puilt het kielvormig uit. Dit is het belangrijkste kenmerk ter onderscheiding van de geslachten Blatta en Periplaneta.

Als in April de tijd voor ’t eierenleggen gekomen is, zwelt het einde van ’t achterlijf bij het wijfje aanmerkelijk op; het reeds genoemde eierenpakket wordt zichtbaar en komt, intusschen hard en van lichtbruin allengs zwart wordend, uit het achterste uiteinde van ’t lichaam te voorschijn. Ook bij dit geslacht heeft het een overlangsch schot; aan weerszijden hiervan zijn echter slechts 8 vakjes. Uit het in Augustus gelegde pakket ontwijken de larven, volgens sommigen, reeds na zeer korten tijd, volgens anderen, eerst na bijna een jaar.

De soortnaam van dit Insect geeft te kennen, dat in het Oosten zijn eigenlijk vaderland gelegen is; zekere bewijzen voor deze meening heeft men echter niet. Alleen weet men, dat het in Oost-Indië, zoowel als in Amerika, niet slechts in de kuststeden, maar ook in het binnenland, evenals in geheel Europa, meer of minder talrijk voorkomt en dat het zich gaarne op schepen vestigt. De wijze waarop het eieren legt, werkt de verbreiding der soort over de geheele wereld sterk in de hand, daar de eierenpakketten zeer geschikt zijn om met koopwaren naar alle wereldstreken overgebracht te worden. Uit betrouwbare berichten blijkt, dat de Keukenkakkerlak reeds voor ongeveer 160 jaren in Europa voorkwam.

Evenals de volgende soort, heeft ook deze tusschen het 5e en het 6e rugschild van het achterlijf twee stinkklieren: blaasjes, die bij drukking uitgestulpt worden en welker inhoud een onaangename lucht verbreidt.

De 28 à 32 mM. lange Amerikaansche Kakkerlak (Periplaneta americana) verschilt van den vorigen, door de aanwezigheid van volkomen ontwikkelde vleugels bij het wijfje. Men zou hem Scheepskakkerlak kunnen noemen, wegens zijn talrijkheid op schepen, waar hij met den Keukenkakkerlak de onderste ruimten bewoont, terwijl de Duitsche Kakkerlak zich met de reten bovendeks moet behelpen. Andere soorten schijnen zich naast hem moeielijk te kunnen handhaven. Ook in dokken, pakhuizen en fabrieken (vooral in suikerraffinaderijen) van havensteden treft men hem veelvuldig aan. Groote schade heeft hij soms aangericht in broeikassen (vooral van orchideeën), waar hij met uitheemsche planten werd aangebracht.

De nagenoeg 52 mM. lange Reuzenkakkerlak (Blabera gigantea) wordt in West-indië ook wel “trommelaar” genoemd, daar hij, naar men zegt, bij zijne nachtelijke tochten een geluid voortbrengt, dat op het knappen van de vingers gelijkt.

Een gezelschap Keukenkakkerlakken (Periplaneta orientalis) van verschillenden leeftijd. Ware grootte.

De eigenaardigheden waardoor alle Kakkerlakken overeenstemmen, zijn vooral de stand van den kop, die door het halsschild grootendeels bedekt wordt, de lengte van de breede, leelijke pooten, welker voet steeds 5 leden bevat, het van boven naar onderen afgeplatte lichaam en de lange, borstelvormige sprieten; bij de meeste steken gelede stiften achter de spits van het achterlijf uit.


Bij de Rechtvleugeligen met stappooten (Gressoria) is de kop vrij (niet onder het borstschild verborgen), het lichaam langwerpig; de pooten zijn zeer lang en alle (of althans de middelste en de achterste) geheel of grootendeels cilindervormig. Deze groep omvat twee familiën met geen andere dan uitheemsche vertegenwoordigers: de Roofsprinkhanen (Mantidae) en de Spooksprinkhanen (Phasmidae).

Europeesche Roofsprinkhaan (Mantis religiosa) met een eierenpakket (bij *), waaruit enkele larven te voorschijn komen. Ware grootte.

De Europeesche Roofsprinkhaan (Mantis religiosa) is een van de vreemdsoortigste Insecten die ons werelddeel oplevert. Door zijn groene kleur niet sterk in ’t oog vallend te midden van de bladen der struiken, die zijn gewone standplaats zijn, wacht hij met “biddend” opgeheven “roofpooten” en naar boven gerichten, langen hals (voorborststuk), uren lang bewegingloos op een prooi; zijn gedrag verraadt zoowel volharding als list. Wanneer een onergdenkende Vlieg, een Kevertje of een ander Insect, dat tegen hem niet opgewassen is, in zijn nabijheid komt, volgt hij het met de oogen, door den kop heen en weer te draaien, sluipt er soms ook wel uiterst voorzichtig naar toe en weet nauwkeurig te bepalen, op welk oogenblik het gebruik van de vangwerktuigen hem tot zijn doel zal voeren. Voordat de ongelukkige prooi het gevaar kan vermoeden, zit zij tusschen de stekels van een der roofpooten vastgeklemd; de tweede vat haar aan en verdubbelt den weerstand, zoodat het vluchten onmogelijk wordt. Zoodra de buit verslonden is, reinigt de roover zijne wapens met den bek, beweegt de borstelvormige sprieten er tusschen door, “poetst” zich en herneemt zijn vroegere, loerende houding.

Uit onze afbeelding blijkt de groote beweeglijkheid van de voorste lichaamsdeelen, de meest karakteristieke eigenschap van het soortenrijke geslacht Mantis. De driehoekige kop komt in stand met dien der Kakkerlakken overeen; het staafvormige voorborststuk is 1½- à 3-maal zoo lang als de beide andere te zamen. De voorpooten bestaan vooral uit een zeer lange, driezijdige heup en een scheen, die, als het lemmet van een zakmes in den steel, tusschen een dubbele reeks van stekels van de afgeplatte dij past, in een sikkelvormigen doorn eindigt en op deze wijze een gevaarlijk grijpwerktuig vormt; de zijwaarts gerichte, 5-ledige voet zou men voor een overtollig aanhangsel kunnen houden. Het langwerpige achterlijf loopt bij het mannetje zoowel als bij het wijfje in twee gelede stiften uit.

Een staaltje van de wildheid en de vraatzucht der Roofsprinkhanen levert het volgende van Burmeister afkomstig bericht, dat betrekking heeft op den 78 mM. langen Argentinischen Roofsprinkhaan (Mantis argentina). Burmeister’s zegsman, Hudson, zat ’s avonds tusschen 8 en 9 uur voor de deur van zijn villa bij Buenos Aires, toen plotseling zijn aandacht getrokken werd door het luide gekrijsch van een vogeltje (Serpophaga subcristata) in een naburigen boom. Naderbij komend, zag hij tot zijn niet geringe verbazing, dat de Vogel aan een tak vastgekleefd scheen te zijn en hevig met de vleugels fladderde. Daar de afstand te groot en het licht te zwak was om dadelijk de reden van dit zonderlinge verschijnsel te kunnen waarnemen, haalde Hudson een ladder en zag toen een Roofsprinkhaan, die zich met de 4 achterste pooten aan den tak vasthield en met de voorpooten het vogeltje zoo stevig omknelde, dat de koppen van beide dieren elkander raakten. De huid was den Vogel reeds van den kop gescheurd en de schedel beschadigd. Beide dieren werden medegenomen en gedetermineerd.

De eieren worden tamelijk regelmatig op reeksen naast elkander gelegd en omgeven door een slijmerige stof, die tot een deels schubben, deels bladerig hulsel verhardt. Iedere dwarsreeks bevat 6 à 8 eieren en het geheele eierenpakket bestaat uit 18 à 25 dwarsreeksen.

De Spooksprinkhanen (Phasmidae), die, evenals de vorige, warme landen bewonen en door hun zeer zonderlinge gestalte de aandacht trekken, hebben het middelste segment van het borststuk veel sterker ontwikkeld dan het voorste. De voorste ledematen zijn geen roofwerktuigen; gewoonlijk ontbreken de vleugels. De meeste soorten hebben een staafvormig, sommige een bladvormig lichaam. De dunne voorpooten zijn in den regel bij den aanvang van de dij van een bocht voorzien en kunnen dus, zonder den kop te hinderen, dicht tegen elkander aangedrukt, in gestrekte houding vooruitgestoken worden; dezen stand nemen de Phasmiden dikwijls bij ’t rusten aan. Het stilzittend Insect gelijkt, vooral ook wegens zijn bruinachtige kleur, op een dor takje; het levert een merkwaardig voorbeeld van een middel, dat de natuur niet zelden aanwendt om vooral de minst weerbare Insecten op hunne gewone verblijfplaatsen aan de oogen van hunne vijanden te ontrekken. De Spooksprinkhanen leven op struiken en boomen, welker bladen zij ’s nachts verslinden, en richten hierdoor in eenige gewesten soms groote schade aan; den dag brengen zij door in trage rust. De eieren, waaruit na 70 à 100 dagen jongen komen, die zich zeer schielijk ontwikkelen, worden ieder afzonderlijk gelegd, niet tot pakketten samengevoegd.

Slechts 2 van de talrijke leden dezer familie komen in Zuid-Europa voor; bijna alle overige zijn bewoners van de keerkringsgewesten. Een van de twee bedoelde is Rossi’s Spooksprinkhaan (Bacillus Rossii), die in Italië en in het zuiden van Frankrijk gevonden wordt. Het schrale lichaam mist de vleugels; ook heeft het geen lobvormige aanhangsels of stekels; aan den kop komen geen bijoogen voor. Deze eigenschappen benevens de korte, parelsnoervormige sprieten en de wijze waarop het achterlijf eindigt (bij ’t wijfje spits, bij ’t mannetje knotsvormig), kenmerken het geslacht.

In tropische gewesten komen Spooksprinkhanen voor, welker lichaamslengte die van alle overige Insecten verre overtreft. Het wijfje van de op Java inheemsche Gedoorndvoetige Spooksprinkhaan (Cyphocrania acanthopus), dat slechts stompjes van vleugels bezit, heeft bij een middellijn van 6.5, een lengte van 215 mM. Het ongevleugelde wijfje van den Geoorden Stoksprinkhaan (Bacteria aurita), die de binnenlanden van Brazilië bewoont, is 3.25 mM. breed en 246 mM. lang (314 mM., wanneer men de voorwaarts gestrekte pooten mederekent). Geen van deze beide soorten zou dus voluit op een bladzijde als deze levensgroot afgebeeld kunnen worden.

Het soortenrijke geslacht der Spooksprinkhanen (Phasma), waaraan de familie haar naam ontleent, leeft op de Soenda-eilanden en in Zuid-Amerika. Het kenmerkt zich door lange, borstelvormige sprieten, door de gelijke lengte van de vleugels bij het wijfje en het mannetje, in den regel ook door bonte kleuren.

Alle vorige Phasmiden zou men “Wandelende Takken” kunnen noemen; de nu volgende verdienen wegens haar van boven naar onderen afgeplat, breed lichaam, den naam van Wandelende Bladen (Phyllium), dien zij ook door de groene kleur en de aan bladnerven herinnerende aders van de dekschilden rechtvaardigen. (Na den dood verandert de kleur in geel.) De dijen van alle pooten en de voorscheenen zijn sterk verbreed. Een voorbeeld levert de soort (Phyllium siccifolium), die in Oost-Indië, o.a. op Java, gevonden wordt; het wijfje is 90 à 95 mM., het veel slankere mannetje 70 mM. lang.


Rossi’s Spooksprinkhaan (Bacillus Rossii) met larven (bij *). Ware grootte.

De belangrijkste afdeeling van de geheele orde is die der Springende Rechtvleugeligen (Saltatoria); zij bevat de Sprinkhanen, Krekels en Veenmollen. Alle voeden zich hoofdzakelijk met planten; sommige kunnen in streken, waar zij in ontzaglijke menigte voorkomen, den mensch groote schade veroorzaken; hun vraatzucht spaart echter zoomin soortgenooten als andere Insecten. Met merkwaardige volharding verlevendigen zij ’s zomers en in den herfst bosschen, akkers en weiden met hun muziek, verschillende instrumenten op verschillende wijze bespelend. Deze reeds sinds overouden tijd bekende Insecten worden over drie familiën verdeeld: de Veldsprinkhanen, de Sabelsprinkhanen en de Krekels.

Alle Sprinkhanen met duidelijk gelede sprieten, waarvan de lengte de helft van het gestrekte lichaam niet te boven gaat, met voeten, die geheel gelijk gebouwd en uit drie leden samengesteld zijn en met achterpooten, die, door de dikte van de dij en de lengte van de scheen, voor ’t springen kunnen dienen, behooren tot de Veldsprinkhanen (Acridiodea) of Sprinkhanen in de gewone beteekenis van het woord. Zij zijn de beste springers van de geheele onderorde. Evenals de Vloo, kunnen zij ongeveer 200-maal verder springen dan hun lichaam lang is. Hun romp is duidelijk zijdelings samengedrukt, dus hooger dan breed. De kop heeft een loodrechten stand. Bij nagenoeg alle soorten treft men bijoogen aan. De tamelijk korte sprieten bestaan uit 20 à 24 leden. Wanneer de bovenlip en de onderlip tegen elkander aangelegd worden, ziet men slechts weinig van de overige, buitengewoon krachtige kauworganen: van de bovenkaken, welker binnenrand met zwarte spitsen bezet is, van de onderkaken, welker binnenste lob in 2 zwarte tanden eindigt en door de buitenste lob (die daarom “helm” heet) bedekt kan worden.

Van de 3 borstringen is de voorste het meest ontwikkeld; het halsschild is sterk achterwaarts verlengd, breidt zich uit over het middelste, soms ook over het achterste rugschild en bedekt met den zijrand de vleugelwortels; het vertoont drie overlangsche lijsten, waarvan de middelste het meest uitpuilt; bij één geslacht (Tettix) loopt het halsschild uit in een lange, spitse punt, die het achterlijf overdekt en er meestal zelfs ver achteruitsteekt. Aan de beide volgende ringen, die veel smaller zijn dan de eerste, heeft daarentegen het borstgedeelte de overhand. Het kegelvormige achterlijf is, evenals het borststuk, aan de buikzijde plat en wordt naar boven allengs smaller. Bij de mannetjes is het slanker en spitser dan bij de wijfjes, bij beide uit 9 ringen samengesteld. De wijfjes hebben geen legboor. Alle 4 vleugels zijn meestal gelijk van lengte, de voorvleugels weinig breeder dan het randveld van den achtervleugel, en, evenals deze, netsgewijs geaderd. Daar de voorvleugel geheel of gedeeltelijk lederachtig is en als dekschild dient, moet de achtervleugel overlangs geplooid worden.

Door met de dijen van de achterpooten langs de dekschilden te strijken, brengen de mannetjes een zeer schel, maar niet lang aanhoudend geluid te weeg. De wijfjes doen dit niet, brengen althans geen voor ons waarneembare tonen voort. Bij het mannetje is de binnenste oppervlakte van de dij van een met den onderrand evenwijdig loopende reeks van tandjes voorzien, terwijl aan het dekschild de overlangsche aders (één in hooge mate) scherpkantig uitpuilen. Door de zeer snelle wrijving van de dijen langs de dekschilden komen de dunne vliezen in trillende beweging, waardoor een toon ontstaat, op gelijke wijze als dit geschiedt met een snaar, die met een strijkstok gestreken wordt. Bij ’t sjirpen worden de dekschilden niet stijf gehouden, waardoor de toon helderder klinkt. Van elke soort van Sprinkhanen heeft de muziek iets eigenaardigs, zoodat personen met een geoefend oor sommige soorten aan haar geluid kunnen herkennen.

Een ander hoogst merkwaardig orgaan hebben de Acridiërs aan weerszijden van den eersten achterlijfsring. Het bestaat uit een vlies, aan den rand gesteund door een hoornachtigen ring en gelegen boven een kuiltje, dat een verwijding is van een naburige luchtbuis. Tusschen twee hoornachtige uitsteeksels, die van de binnenzijde van het vlies uitgaan, ligt een fijn, met vocht gevuld blaasje, dat in gemeenschap staat met een zenuw, die uit den derden borstzenuwknoop ontspringt, een nieuwen knoop vormt bij het blaasje en met de hierbinnen voorkomende, fijne, staafvormige eindtoestellen verbonden is. De nauwkeurige onderzoekingen van J. Müller en Von Siebold hebben ons dezen toestel als het gehoororgaan van de Sprinkhanen leeren beschouwen.

Alle Veldsprinkhanen, de Europeesche althans, komen in ontwikkelingswijze overeen. Het wijfje sterft, nadat zij de eieren, door een aan de lucht verhardend slijm tot klompjes vereenigd, in den herfst aan grashalmen gehecht of op korten afstand van de oppervlakte in den grond gelegd heeft; vooral van de grootste soorten vindt men de eieren in den grond. Alleen in de zuidelijkste landen worden de larven soms nog vóór den winter geboren; gewoonlijk geschiedt dit eerst in de volgende lente. Van de geslachtsrijpe Insecten verschillen zij, behalve door haar geringere grootte, door minder sprekende kleuren, door het gemis van vleugels en door kortere, eenigszins plompere sprieten; na verscheidene vervellingen zijn zij in het einde van Juli of in Augustus volwassen. In dezen tijd hoort men voor ’t eerst haar geluid.