Wandelend Blad (Phyllium siccifolium). Ware grootte.
Alleen de Veldsprinkhanen vermenigvuldigen zich soms zoo sterk, dat zij zwermen vormen en in een meer of minder groot gebied als landplaag optreden. Vooral Afrika is er, naar het schijnt, sinds overouden tijd aan blootgesteld geweest. Reeds in den bijbel, bij Plinius en bij Pausanias komen berichten voor over door Sprinkhanen aangerichte verwoestingen.—Toen Adanson in 1750 aan den Senegal was aangekomen en zich nog op de reede bevond, vertoonde zich ’s morgens om 8 uur een dichte wolk, die de lucht verduisterde. Een zwerm Sprinkhanen viel als een wolkbreuk neer, zweefde op een afstand van 40 à 60 M. boven den grond en bedekte een landstreek van verscheidene mijlen oppervlakte. Hier rustten zij uit om te vreten en vlogen verder. Deze wolk werd door een tamelijk krachtigen oostenwind aangevoerd en trok den geheelen morgen in den omtrek rond. Nadat de Insecten het gras, de vruchten en de bladen van de boomen hadden verslonden, spaarden zij zelfs het droge dakriet van de hutten niet.—De volgende mededeeling heeft betrekking op een sprinkhanenplaag, die in 1724 de Metidsja teisterde en in deze vruchtbare, met besproeiingskanalen doorsneden vlakte, die (100 KM. lang en 15 à 20 KM. breed) de stad Algiers als een halven cirkel omgeeft, alle planten vernielde. De eerste Insecten vertoonden zich tegen het einde van Maart na een lang aanhoudenden zuidewind. In het midden van April was hun aantal zoo sterk toegenomen, dat zij wolken vormden, die het zonlicht onderschepten. Vier weken later verspreidden zij zich over de Metidsja en naburige gewesten om er eieren te leggen. In de volgende maand zag men de jonge dieren een terrein van honderden HA. bedekken. Regelrecht trokken zij voort, over boomen, muren en huizen heen, al het gebladerte op hun weg verslindend. De bewoners trachten hen tegen te houden door het graven van slooten, die zij vol water lieten loopen of door het aanleggen van een lijn van vuren. Niets baatte: de slooten geraakten gevuld met lijken der Sprinkhaanlarven, de vuren werden erdoor gebluscht; de overige plunderaars, welker aantal niet merkbaar verminderd was, trokken steeds verder. Zij teerden op de takjes en de schors van de boomen, welker vruchten en bladen door hunne voorgangers waren verslonden. Toen de plaag ongeveer een maand geduurd had, waren de Insecten geheel volwassen; hoewel hun vraatzucht en tevens de geschiktheid om nieuwe voederplaatsen op te zoeken na den overgang in den gevleugelden toestand nog grooter waren dan vroeger, hielden de verwoestingen weldra op, daar de Sprinkhanen zich verspreidden om eieren te leggen en kort daarna stierven.
Een bericht uit lateren tijd heeft betrekking op den Zuid-Afrikaanschen Treksprinkhaan (Gryllus devastator) en is merkwaardig, doordat het mededeelingen bevat over de levenswijze der dieren, die deze na bepaalde tusschentijden terugkeerende landplaag veroorzaken. “De eieren van den Treksprinkhaan,” zegt Fritsch, “zijn ten getale van 30 à 60 tot langwerpige, bruine kluitjes vereenigd door een spoedig verhardend slijm dat hen als een net omgeeft. Voor ieder eierenpakket graaft het wijfje met het achterlijf een rond gaatje in den grond; zij bedekt het met aarde, waarover de wind later soms een dichte laag stuifzand uitspreidt. Op deze wijze beschut, kunnen de eieren verscheidene jaren blijven liggen, zonder hun geschiktheid tot ontwikkeling te verliezen. Zij kunnen echter ook reeds na weinige maanden, in het eerstvolgende regenseizoen, jongen opleveren. Er komt n.l. tweemaal per jaar een soms geringe, soms buitengewoon sterke vermeerdering van de hoeveelheid regen voor. Het gewest, welks plantengroei zich ternauwernood hersteld heeft van de schade, die de vraatzuchtige Insecten er aan hebben toegebracht, kan dus korten tijd daarna opnieuw door hen geteisterd worden. Daar echter voor de ontwikkeling der Sprinkhaaneieren een zekere graad van vochtigheid volstrekt noodig schijnt te zijn, zal men in een reeks van droge jaren—als de vroege regenperiode in Augustus geen en de vochtigste tijd van het jaar (November en December) slechts weinig regen brengt—van de Treksprinkhanen niets vernemen. De schapenfokker, die soms door watergebrek het grootste deel van zijn kudde verliest, ziet in dit geval zelfs met eenige vreugde de Sprinkhanenzwermen op nieuw verschijnen, begroet in hen de voorboden van betere tijden, van het einde der langdurige droogte; weinig deert hem de vernieling van zijn met moeite aangelegden en onderhouden tuin door gevleugelde plunderaars, als slechts het vee volop kan eten en de uitgedroogde bronnen van de “plaats” op nieuw beginnen te vloeien.
“Wanneer de Sprinkhaanlarven, de “Roodbaadjes” of “Voetgangers” zooals de Afrikanen ze noemen, op haar weg stilstaand water ontmoeten, gaan zij gewoonlijk in dezelfde richting door; de lijken, die weldra den geheelen waterspiegel bedekken, vormen de brug, die de overlevenden in staat stelt om den tegenoverliggenden oever te bereiken. Des avonds maken de reizigers halt, gaan op struiken zitten en verdelgen er al het groen. Als de boer de trekkende schare een richting ziet nemen, die voor zijn tuin gevaarlijk kan worden, tracht hij haar van dezen weg af te brengen, door te paard van achteren af in de voorhoede door te dringen en tevens naar rechts en links een grooten doek te zwaaien. Bij elken rit door het Insectenleger maakt een aantal vijanden rechtsomkeert; op deze wijze voortgaande, kan men soms de marschorde van het geheele leger wijzigen.
“Verscheidene malen verwisselen de Roodbaadjes hun met zware teekeningen op rooden grond prijkende huid; zij groeien intusschen snel; na de laatste vervelling ontwikkelt zich de roodachtig grijze Sprinkhaan, die door het bezit van vleugels in staat is zijn reislust nog beter dan vroeger te bevredigen. De boer ziet met zorg de komst van deze reizigers te gemoet, wanneer zijn tuin hem lief is. Zoodra hij aan de kim de gevreesde donkere wolken ziet opstijgen, legt hij als laatste redmiddel een kring van vuren aan om zijn tuin, in de hoop door den rook de vliegende roovers af te schrikken. Deze trekken bij frissche koelte in de hooge luchtlagen verder; door den wind gedragen, verplaatsen zij zich waarschijnlijk over groote afstanden; bij zwakkere luchtstroomingen volgen zij een meer willekeurige richting. Bij windstilte zwermen zij langzaam en verheffen zich niet hoog boven den grond; aanhoudend strijkt een deel van de voorhoede op den grond neer om zich later weer bij de achterhoede te voegen. Het voortdurend omhoogvliegen en neerdalen, het gonzen van duizenden vleugels en het knarsen van de kaken der op den bodem vertoevende veelvraten veroorzaken een eigenaardig gedruisch, dat men moeielijk beschrijven, maar nog het best met het gekletter van een flinke hagelbui vergelijken kan. Ook de vernielende gevolgen van beide werkingen komen veel met elkander overeen.”
Eenige vergoeding voor het ontzaglijk groote verbruik van plantaardige stoffen verkrijgt men van de plunderaars door op hen de woorden van Israëls nationalen held, “spijze ging uit van den eter”, toe te passen: zoowel menschen als dieren gebruiken hen als voedsel. De inboorlingen eten ze in ongeloofelijk grooten getale, na ze even boven het vuur geroosterd te hebben en werpen alleen de achterpooten en de vleugels, of in ’t geheel niets weg. Deze walgelijk smakende en niet zeer voedzame spijs schijnt voor Paarden beter geschikt te zijn dan voor menschen: de Paarden zijn er graag op en worden er vet van.
Ook Amerika, vooral de zuidelijke helft, heeft soms veel van de Sprinkhanen te lijden. Een Engelschman, die te Conohos in Zuid-Amerika een belangrijke tabaksplantage had en 40000 mooie planten, die reeds 30 cM. hoog waren, in de nabijheid van zijn woning had staan, werd plotseling in een der middaguren uit zijn siesta opgeschrikt door de mare, dat de Sprinkhanen in aantocht waren. Buiten gekomen, zag hij zijn woning omgeven door een dichte wolk, die zich boven het tabaksveld samentrok, er plotseling op neerstortte en het als met een bruinen mantel bedekte. Na omstreeks 20 seconden steeg de zwerm even onverwachts omhoog, als hij neergestreken was, en vervolgde zijn weg. Van de 40.000 tabaksplanten was geen spoor meer over.
Niet slechts in oude kronieken, maar ook in hedendaagsche couranten vindt men vele berichten over verwoestingen door Sprinkhanen in Europa aangericht. Deze betreffen niet alleen Zuid-Europa, maar ook Duitschland en andere Midden-Europeesche landen. Voor Zuid-Rusland waren, om alleen van een deel der 19e eeuw te spreken, de jaren 1800, 1801, 1803, 1816–1819, 1820–1822, 1829–1831, 1834–1836, 1844, 1847, 1850, 1851, 1859–1861 in genoemd opzicht noodlottig. In Europa bestaan de Sprinkhanenzwermen hoofdzakelijk uit Pachytylus migratorius, in Zuid-Europa met inbegrip van Hongarije (en in Algiers) ook wel uit Caloptenus Italicus, in Algiers, Syrië, Perzië en Arabië bovendien uit Acridium (Schistocerca) peregrinum in Zuid-Rusland, Klein-Azië, Cyprus en Algiers ook nog uit Stauronotus Maroccanus.
1, 2) Europeesche Treksprinkhaan (Pachytylus migratorius):—1) Imago. 2) Larve.—3) Grijsachtige Veldsprinkhaan (Pachytylus cinerascens).—Ware grootte.—Bij het geslacht Pachytylus zijn de sprieten draadvormig, weinig langer dan de kop en de voorrug te zamen; de voorste borstring is aan de borstzijde glad, niet knobbelig, aan de rugzijde van een duidelijke middenkiel voorzien; hare zijkanten zijn afgerond; de kop is van voren stomp en loodrecht, op de kruin zonder kuiltjes, breeder dan het halsschild.—De kleur van P. migratorius is niet standvastig, schijnt in latere tijden van het jaar donkerder te worden. Over ’t algemeen heeft aan de bovenzijde grijsgroen, aan de onderzijde vleeschkleur de overhand; de eerstgenoemde kleur gaat echter in grasgroen of bruinachtig groen, de laatstgenoemde min of meer in rood of geel over. De achterdijen zijn aan de binnenzijde blauw met 2 donkere dwarsbanden, de achterbeenen geel of roodachtig geel. De bruinachtige dekschilden zijn met donkerder vlekken geteekend.—P. cinerascens, die veel op de vorige soort gelijkt en er dikwijls mede verward wordt, trekt niet, maar heeft vaste woonplaatsen in een groot deel van Zuid- en Middel-Europa (ook bij ons op uitgestrekte heiden met moerassige plaatsen). Hij onderscheidt zich o.a. door de bloedroode kleur van de achterscheen en de geelachtig groene tint van het wortelgedeelte der achtervleugels. De grootste exemplaren van beide soorten (wijfjes) hebben bij een lengte van 55 à 60 mM. 130 mM. vlucht.
De Europeesche Treksprinkhaan (Pachytylus migratorius) is een vaste bewoner van een groot deel der Oude Wereld; zijn noordelijke verbreidingsgrens in Spanje, Italië, de oostelijke oeverlanden van den Donau en in Azië tot Japan, valt ongeveer samen met de Juni-isotherme van de 20° C. Ten zuiden van deze lijn bewoont hij (of de veel op hem gelijkende Pachytylus cinerascens) geheel Afrika ten noorden van den evenaar, geheel Azië (met inbegrip van den Indo-australischen archipel) en Australië ten noorden van den Steenbokskeerkring. In de dichtst bij ons vaderland gelegen deelen van dit gebied ziet men hem gewoonlijk in ’t begin van Juli vliegen; eenige weken later worden de tot kluitjes vereenigde eieren gelegd (in lossen grond meestal op een diepte van 39 mM.). Ieder kluitje bevat ongeveer 60 à 100, de geheele eierstok gemiddeld 150 eieren. In Mei van het volgende jaar komen de larven uit, die na 36 à 44 dagen in den imago-toestand overgaan. Een warme herfst bevordert het leggen van een groot aantal eieren, een warme en droge voorzomer (met een gemiddelde temperatuur van minstens 18° C. gedurende verscheidene opeenvolgende dagen) het uitkomen der larven en haar ontwikkeling. Wanneer bij geval ergens door het samentreffen van gunstige omstandigheden een sterke vermenigvuldiging van deze Insecten is voorgekomen, zullen zij als larven en later ook in den gevleugelden toestand in de eerste plaats de grassen en veldvruchten vernielen, dikwijls zoo sterk, dat men niet meer zien kan, wat er op den akker groeide; vervolgens vreten zij ook de boomen kaal. Wanneer ten slotte het voedsel te schaarsch wordt, vliegen de Sprinkhanen, tot ontzaglijke zwermen vereenigd, naar landstreken, die nog niet verwoest zijn en overschrijden dan dikwijls de normale grenzen van hun gebied. Bij gunstige weersgesteldheid kan het voorkomen, dat zij zich eenige jaren achtereen voortplanten op het pas door hen veroverde terrein en zich zelfs nog verder uitbreiden; vroeger of later maakt echter een koude en natte voorzomer plotseling een einde aan deze machtsoverschrijding, zoodat dan de Treksprinkhaan buiten de grenzen van zijn eigenlijk gebied niet meer te vinden is. Jaren waarin hij de normale verbreidingsgrenzen overschreed, waren b.v. 1740–1749, 1834–1836, 1874–1876. Het deel van Duitschland, dat bij uitzondering door den Treksprinkhaan in zijne verschillende ontwikkelingsphasen bewoond wordt, heeft meestal de gebroken lijn Ulm-Berlijn-Posen tot grens. De Treksprinkhanen bereiken hun gebied nooit door de Alpen te overschrijden, maar altijd door ze om te trekken; de in ’t oosten aanvangende reis gaat over Hongarije en Silezië. Zwermen van gevleugelde Sprinkhanen zijn nog wel veel verder doorgedrongen, n.l. tot Edinburg, het zuiden van Zweden en Dunaburg. Hier planten deze Insecten zich echter niet meer voort. Ook bij ons worden geen andere dan afgedwaalde exemplaren van deze soort aangetroffen.
Veelvuldiger dan de beide genoemde groote Veldsprinkhanen komen hier te lande kleinere soorten voor. Slechts enkele kunnen hier ter sprake komen. (Van de beide lengteopgaven bij iedere soort heeft de eerste op het mannetje, de tweede op het wijfje betrekking.) Een 25 à 32 mM. lange, bruine soort met bloedroode achtervleugels, die vooral bij heet, zonnig weer op open plekken in bosschen de aandacht van den wandelaar trekt door het luide gedruisch, dat de tegen elkander wrijvende vleugels en dekschilden maken, wanneer het Insect uit voorzorg opvliegt om iets verder weer te gaan zitten, wordt Klappersprinkhaan (Psophus stridulus) genoemd.—In zandige streken, vooral in de duinen, vindt men de 21 à 28 cM. lange Gestreepte Sprinkhaan (Oedipoda coerulescens) met 2 donkere dwarsbanden op de lichtbruine dekschilden en een breeden, zwarten dwarsband op de lichtblauwe achtervleugels.—Zeer algemeen op droge weiden, waar men bij zonnig weer soms bij iederen voetstap het ratelend geluid hoort, dat met hun opspringen gepaard gaat, zijn de roodpootige, doch overigens grootendeels groene, 13 à 18 mM. lange Gestreepte Grashuppers (Stenobothrus lineatus) en de 10 à 18 mM. lange, door het eenigszins verbreede uiteinde der sprieten gekenmerkte, groene of bruine Tweevlekkige Grashuppers (Gomphocerus biguttatus), die een helder witte topvlek hebben op elk dekschild.
De Italiaansche Sprinkhaan (Caloptenus Italicus) wordt, behalve in het vroeger genoemde gebied, soms ook in Duitschland (de Mark, Silezië, Saksen) gevonden. Hij gedijt het best in bosschen en boschrijke gebergten en veroorzaakt meer schade aan boomen en wijngaarden, dan aan granen en andere grassen. Reeds in April (of nog vroeger) komen de larven uit de eieren. Bij helder en warm weer zijn zij, zoodra de dauw verdampt is, druk in de weer,—als het niet gedauwd heeft, nog vroeger, n.l. met zonsopgang. Eerst ziet men eenige exemplaren als boden heen en weer loopen tusschen de nog rustende zwermen, waarvan sommige op den grond (en wel bij voorkeur aan den voet van kleine heuvels) dicht opeengedrongen liggen, andere over allerlei kruiden en struiken groepsgewijs verdeeld zijn. Kort daarna komt het geheele leger in beweging; alle reizigers hebben de gekozen richting zoo goed in ’t hoofd, dat men nagenoeg geen afdwalingen opmerkt. Zij gelijken op een mierenzwerm en volgen, zonder elkander aan te raken, steeds een zekeren afstand houdend, denzelfden weg. Zonder verpoozing en met de grootste snelheid, die een Insect loopend kan verkrijgen, streven zij naar het doel van hun tocht, zonder ooit te springen, behalve wanneer zij vervolgd worden. In dit geval verspreiden zij zich, maar komen spoedig weer bijeen om langs den vorigen weg de reis voort te zetten. Zoo marcheeren zij van den morgen tot den avond, zonder halt te houden, en doorloopen dikwijls een afstand van 100 vademen in een dag. Zij bewegen zich gaarne op goed gebaande wegen en over open velden; wanneer hun echter een struik, een heg, een kuil in den weg komt, trekken zij, zoo dit mogelijk is, er regelrecht over of door heen. Alleen rivieren en moerassen kunnen hen tegenhouden; naar het schijnt, zijn zij van een bad zeer afkeerig. Dikwijls trachten zij echter langs overhangende takken den tegenoverliggende oever te bereiken. Als plantenstengels en boomstammen, die dwars over het water liggen, hun een brug verschaffen, maken zij, tot dichte kolommen vereenigd, hiervan gebruik. Dikwijls ziet men ze op zulke plaatsen rusten, alsof de koelte van het water hun aangenaam is. Tegen zonsondergang verdeelt de geheele zwerm zich in kleine troepjes, die op de reeds genoemde wijze een kwartier voor den nacht zoeken. Op koude, regenachtige dagen trekken zij niet. De zooeven geschetste of een soortgelijke levenswijze treft men met geringe wijziging aan bij de larven van alle soorten van Sprinkhanen, die in gevleugelden toestand zwermen vormen. Na het midden van Juli krijgen de Italiaansche Sprinkhanen vleugels en verspreiden zich over een grootere oppervlakte om te paren en eieren te leggen. In gunstige omstandigheden worden de jongen reeds in den herfst geboren.
Het geslacht Caloptenus kenmerkt zich door een wratvormigen knobbel tusschen de heupen der voorpooten, door de breedte van het voorste rugschild, door een weinig uitpuilende, afgeronde kruin en door een bolvormige verdikking aan het achterlijf van het mannetje. De genoemde soort is 22 à 34 mM. lang, heeft het lichaam en de dekschilden, die tot aan de achterlijfsspits reiken, op vuilgelen grond met bruine vlekjes besprenkeld. De binnenrand der achtervleugels is met een breeden, rozerooden band geteekend, dezelfde kleur heeft de binnenzijde van de achterdij, terwijl de buitenzijde effen geelachtig blijft of donker gestreept is.
De Sabelsprinkhanen (Locustidae) kunnen onmiddellijk herkend worden aan hunne lange, borstelvormige, veel-(dikwijls meer dan 100)ledige sprieten en aan de 4 leden van den voet, die aan alle pooten hetzelfde maaksel vertoont. De kop heeft een loodrechten stand; de kruin puilt tusschen de half bolvormige oogen niet sterk uit; meestal ontbreken de bijoogen. Het achterlijf loopt bij het mannetje uit in 2 stiften, die dikwijls haakvormig gekromd zijn, bij het wijfje in een meer of minder langen, sabelvormigen legboor. De mannetjes musiceeren niet met de achterdijen, maar brengen snerpende, schelle tonen voort door de wortelgedeelten der dekschilden over elkander te wrijven. Het linker dekschild, dat boven ligt, vertoont aan den wortel, dicht bij den binnenrand en wel aan de onderzijde een stevige, uitpuilende dwarsader, die nagenoeg den vorm van een paragraafteeken (§) heeft en door talrijke dwarsgroefjes op een “rasp” gelijkt. In het hieronder liggende, driehoekige deel van het rechter dekschild, dat horizontaal de rug bedekt, merkt men een dun, glashelder vlies op, aan alle zijden door stevige aders omgeven, den zoogenaamden “spiegel” en daarachter een kleinere plek, die denzelfden vorm heeft en even doorzichtig is. Bij het sjirpen worden de beide dekschilden een weinig opgeheven en de tandjes van de rasp van den linkervleugel snel achtereenvolgens over de randen van den spiegel bewogen; de fijne vliezen doen in dit geval dienst als klankbodem en versterken het geluid. Een uitzondering op den regel, dat alleen de mannetjes muziek kunnen maken, vormen eenige soorten met blaasvormig gezwollen dekschilden, welker wijfjes eveneens een loktoon kunnen voortbrengen. De eenige inheemsche Sabelsprinkhaan, die hiervoor als voorbeeld kan dienen, is de Wijnstoksprinkhaan of het Huphaantje (Ephippigera vitium). Bij de Sabelsprinkhanen kan men uitwendig aan den wortel van de scheen der voorpooten een paar diepe kuiltjes of spleten zien, die inwendig door een dun vlies gesloten zijn. Tusschen beide openingen verwijdt de hoofdstam van het luchtbuizenstelsel der voorpooten zich tot een blaas; een uit den eersten borstzenuwknoop ontspringende zenuw heeft ter zelfder plaatse een knoopvormige verdikking, waarmede zenuweindtoestellen van eigenaardigen vorm in verbinding staan, die besloten liggen in tot reeksen vereenigde, doorzichtige blaasjes. Von Siebold heeft den bouw van dit toestel zorgvuldig onderzocht en aangetoond, dat het een gehoororgaan is.
De ontwikkelingsgeschiedenis komt in hoofdzaken met die der Veldsprinkhanen overeen; uit den langen legboor der Sabelsprinkhanen kan men echter afleiden, dat zij hunne eieren op grootere diepte dan hunne verwanten, in den grond of onder schorsschilfers van boomen, leggen. Evenals de vorige familie, is ook deze over de geheele wereld verbreid. Hare leden, vooral de groen gekleurde, houden in den regel verblijf op de boomen en struiken, welker bladen zij eten; de bruine en grijsbruine daarentegen azen voornamelijk op lagere planten; beide zoeken hun voedsel bij voorkeur ’s nachts. Sommige soorten eten ook wel (enkele zelfs bij voorkeur) levende Insecten, die zij zeer behendig weten te vangen.
Bij sommige Sabelsprinkhanen ontbreken de vleugels geheel, zoowel bij het mannetje als bij het wijfje. Een voorbeeld hiervan levert de Gedoornde Eenhoornsprinkhaan (Hetrodes spinulosus of Hetrodus horridus, fig. 1), die Syrië en Arabië bewoont. Dit dik, geel, aan den achterrand en op de doornen van het halsschild bruinachtig Insect onderscheidt zich o.a. door dunne achterdijen, zeer zwak gedoornde scheenen en een korten legboor van zijne verwanten; evenals bij deze, zijn de sprieten op het midden van het voorhoofd, onder de oogen ingeplant, met een doorn er tusschen; ook de zeer groote voorrug is met doornen gewapend.
Bij andere geslachten ontbreken de achtervleugels geheel en zijn de dekschilden klein: dit is o.a. het geval bij Ephippigera; ook deze heeft de achterdijen dun en weinig of niet voor ’t springen geschikt. De bovengenoemde groene, donkerbruine of roode soort, die zonder de 20 mM. langen legboor een lengte van 25 mM. heeft, komt veelvuldig voor op wijnbergen langs den Rijn, doch ook in ’t oosten van ons land, waar zij zich met sparrenaalden en heidebloemen voedt.
Beide vleugelparen goed ontwikkeld, het achterlijf geheel bedekkend, heeft o.a. de slanke Eikensprinkhaan (Meconema varium, fign. 2 en 3), die men tot laat in den herfst ziet zitten of loopen op stammen van eiken, ijpen, linden en beuken, met welker bladen hij zich voedt; zijn kleur is lichtgroen met een gele overlangsche streep over den kop en den voorrug; hij is 11 à 15 mM. lang (zonder den 9 mM. langen legboor); het mannetje heeft 4 mM. lange staarten. Evenals alle Sabelsprinkhanen, is hij eenigszins traag en plomp. Wanneer men aan den boom schudt, laat hij zich vallen, zonder zijne vleugels te gebruiken. De sprieten staan bij hem (en zeer vele andere familieleden) tusschen de oogen, aan de spits van het voorhoofd.
1) Gedoornde Eenhoornsprinkhaan (Hetrodes spinulosus): Wijfje.—2, 3) Eikensprinkhaan (Meconema varium): 2) Mannetje. 3) Wijfjes.—Ware grootte.
Merkwaardig door hun vorm zijn de steeds groene Bladsprinkhanen (Phylloptera), die, evenals sommige Spooksprinkhanen (Phyllium), een nabootsing zijn van bladen, waarvan echter niet een platte zijde, maar een smalle kant naar onderen is gericht. De dekschilden zijn n.l. lancetvormig en langs de zijden van het achterlijf gelegen; zij steken ver voorbij het einde van ’t achterlijf uit, hoewel de spitse top van den waaiervormig geplooiden achtervleugel bij de meeste nog verder reikt. Soms zijn deze bladen sterk netvormig geaderd, zooals bij het Zuid-Amerikaansche Springende Myrtenblad (Phylloptera myrtifolia), soms zeer fraai met bonte oogvlekken geteekend, zooals bij de 78 mM. lange Venster-bladsprinkhaan (Phylloptera fenestrata).
De beide laatstgenoemde geslachten onderscheiden zich ook door den elliptischen vorm van de gehooropening aan de voorscheen, die zich bij de meeste Sabelsprinkhanen als een smalle spleet vertoont. Dit geldt o.a. van de Groote Bruine Sabelsprinkhaan—ook wel, evenals sommige Glazenmakers, Wrattenbijter genaamd (Decticus verrucivorus)—die, zonder den 20 mM. langen legboor, een lengte van 26 à 30 mM. heeft. Hij is over Noord- en Middel-Europa verbreid en komt op weiden en klaverakkers voor. De 4 kanten van de achterscheen zijn aan de onderste helft met krachtige doornen gewapend, de voorscheen met 3 reeksen van beweeglijke stekels en de voorheup met 1 doorn. De voorrug heeft een overlangsche lijst. Behalve de beide staarten, ziet men bij het wijfje een tamelijk sterk gekromden legboor, bij het mannetje 2 stiften achter de spits van het achterlijf uitsteken. De kleur is verschillend: het groen (soms licht, soms donkerder) heeft de overhand, vertoont soms een roodachtigen, vaker een bruinen weerschijn en gaat op sommige plaatsen in bruine vlekken over, vooral op de lange dekschilden, waar deze vlekken als velden van een dambord gerangschikt zijn; de onderzijde, vooral de buik, is lichter, meer geelachtig.—De larve verlaat in de tweede helft van April het ei, vervelt ongeveer om de 4 weken en heeft dus in de eerste helft van Juni ten tweede male van kleed verwisseld. In Juli, na de 3e vervelling, vertoont zij zich met een legboor, in het begin van Augustus als volkomen Insect. Dit dier kan zoo krachtig bijten, dat op de huid een knijpblaar ontstaat en houdt zoo stevig vast, dat zijn kop vastgehecht blijft, wanneer men het snel tracht los te rukken. Bij ’t bijten laat het een bruin sap uit den bek vloeien. Dat dit geschikt zou zijn tot het verdrijven van wratten, zooals beweerd wordt, is niet bewezen.
Meer algemeen bekend is de iets slankere Groote Groene Sabelsprinkhaan (Locusta viridissima), die, zonder den 25 mM. langen legboor een lengte van 28 à 35 mM. en soms 100 mM. vlucht heeft. In sommige streken, b.v. in Leipzig, wordt dit Insect door kinderen in een hiervoor bestemd kooitje van ijzerdraad opgesloten en gevoederd. De dekschilden hebben evenwijdige zijranden, zijn, evenals het lichaam, grootendeels sapgroen, bereiken met de helft van hun lengte het einde van ’t achterlijf. Dit dier vermijdt de zonneschijn en zit daarom bij zonnig weer laag en in de schaduw op de plant, welker top het opzoekt, als de lucht bewolkt is. Soms vliegt het kort boven den grond weg om aan vervolging te ontkomen en brengt dan bij het bewegen der vleugels een schel geluid teweeg. Bij voorkeur vestigt het zich op een met rijp graan bedekten akker. Wanneer het door het binnenhalen van den oogst zijn liefste schuilplaats moet missen, zoekt het wilgen, berken en andere boomen op; het zit, vooral gedurende de avonduren en het eerste gedeelte van den nacht, op groote hoogte, boven in den top. Vooral deze soort ziet men soms Insecten vangen en verslinden. Naar men zegt, is zij soms schadelijk voor de tabaksplanten.
De derde en laatste familie der Springende Rechtvleugeligen is die der Krekels of Gravende Sprinkhanen (Gryllidae). Met de eigenaardigheid, waaraan zij den laatsten naam ontleenen en waardoor hun levenswijze van die der overige Sprinkhanen verschilt, staat in verband, dat zij niet in den eitoestand overwinteren. Zij hebben een plomp gebouwd, rolrond lichaam. De korte dekschilden zijn in rust overlangs, rechthoekig gebogen en liggen dus zoowel tegen de rug als tegen de zijden van het lichaam aan; zij bedekken de tot een streng samengeplooide, groote achtervleugels, die zweepvormig achter het lichaam uitsteken, evenals de draadvormige, veelledige “staarten”. De voet is 3-ledig.
Op dorre heiden, zandige velden en zonnige berghellingen van Europa en Voor-Azië graven de zwarte dikkoppen, (fign. 1 en 2)—de Veldkrekels (Gryllus campestris)—holen in den grond. Deze gangen dienen in tijd van gevaar en bij ruw, regenachtig weer tot schuilplaats en worden later als bergplaats voor de eieren gebruikt. Zij zijn niet veel wijder dan de omvang van het dier, hebben aanvankelijk een horizontale richting en hellen verderop een weinig naar beneden. Meestal worden zij gegraven ten tijde dat de mannetjes voor ’t eerst hun gezang laten hooren, dus tamelijk vroeg in de lente. In den regel wordt ieder hol slechts door een dier bewoond. Soms geeft het aanleiding tot hevige gevechten. Iedere Krekel maakt gaarne gebruik van een reeds aanwezige woning en zal dus, wanneer hij er den soortgenoot ontmoet, die haar groef in bezit nam, omdat zij verlaten was, voor zijn tegenparij niet vrijwillig wijken. Door elkander te bijten en met den kop te stooten beslechten zij hun twist, soms op zóó afdoende wijze, dat een van beide op het slagveld blijft liggen, in welk geval het lijk door den overwinnaar wordt—opgepeuzeld.—Het mannetje houdt er van, den kop buiten zijn woning te steken en een liedje te zingen. Ver verwijdert hij zich nooit, van den ingang, om steeds in de gelegenheid te zijn weer thuis te komen (hetgeen meer loopend dan springend geschiedt), wanneer hij gevaar ducht, b.v. bij de nadering van een Hagedis of van een Insectenetenden Vogel, of als de voetstappen van een mensch den bodem schokken. Het grashalmpje, dat men in zijn hol steekt, vat hij met de kaken en houdt het zoo stevig vast, dat men hem hieraan naar buiten kan trekken. Als het mannetje zijn in de buurt wonende beminde wil lokken, haar een serenade brengt, zit hij steeds voor zijn woning met zijwaarts gerichte pooten en tegen den grond gedrukte borst; de dekschilden worden een weinig opgeheven en buitengewoon haastig over elkander geschuurd. Bij nader onderzoek blijkt, dat de tweede dwarsader (de sjirpader) van het rechter dekschild aan de onderzijde sterk uitpuilt en in dwarse richting met vele kleine tandjes bezet is; deze worden over een dicht bij den binnenrand gelegen ader van het linker dekschild aanvankelijk in neerwaartsche richting geschuurd; vervolgens geschiedt dit een tijdlang in bovenwaartsche richting, waardoor de toon een wijziging ondergaat.—Het wijfje legt eieren op den bodem van haar hol, ten getale van hoogstens 30. Ongeveer 14 dagen daarna komen de larven uit, die aanvankelijk bijeen blijven, doch spoedig zelf holen beginnen te graven. Bij het betrekken van de winterkwartieren hebben zij zeer verschillende grootten bereikt. Gelukkig bewoont dit Insect gronden, die voor den mensch weinig waarde hebben, daar het anders wel in staat zou zijn om aan gekweekte planten schade te veroorzaken door het afvreten van de wortels.
1–4) Veldkrekel (Gryllus campestris): 1) Mannetje. 2) Vechtende wijfjes. 3) Pasgeboren larven. 4) Larve vóór de laatste vervelling (nympha).—5) Huiskrekel (Gryllus domesticus): Mannetje.—Ware grootte.
De Veldkrekel is glanzig zwart van kleur met bruine, aan den wortel geelachtige dekschilden; rood is de onderzijde van de achterdij, bij ’t wijfje ook de achterscheen.
De Huiskrekel, ook wel Heempje of Kriekske, in sommige deelen van Gelderland Iem, in Groningerland Eimke, in Friesland Iemerke genoemd (Gryllus domesticus, zie boven: fig. 5), is kleiner en slanker dan de vorige soort; de lederbruine kleur heeft aan de pooten en den kop een lichtere, meer geelachtige tint; men ziet een bruine dwarsstreep op den kop en 2 driehoekige, bruine vlekken op het halsschild. De legboor is 11 à 15 mM. lang, het overige lichaam 17.5 à 19.5 mM.—De Huiskrekels herinneren door hun levenswijze aan de Keukenkakkerlakken en zijn, evenals deze, vermoedelijk uit warmere landen tot ons gekomen. De overeenkomst bestaat in het bijeenzijn van vele individuën, die ’s nachts hunne schuilhoeken verlaten om voedsel te zoeken en in de voorliefde voor warme plekjes in menschelijke woningen. Daarom vindt men de Huiskrekels dikwijls in gezelschap van Kakkerlakken in bakkerijen, molens, brouwerijen, kazernes (waar deze “kreeftjes” soms het “lange nat” van de soep kruiden), in hospitalen en op andere dergelijke plaatsen. Het droefgeestig “krieken” van een enkel exemplaar moge soms geen onaangename variatie zijn te midden van de nachtelijke stilte; de veelstemmige concerten van de Huiskrekels kunnen iemand, die er iederen nacht naar luisteren moet, wanhopig maken. Alleen de mannetjes maken geluid; zij doen dit op dezelfde wijze als de Veldkrekels; de tonen zijn echter zwakker en hooger wegens de geringere grootte der muziekanten en de geringere tusschenruimten van de tandjes der sjirpader.
De Veenmol (Gryllotalpa vulgaris) zou men een caricatuur van den Mol kunnen noemen; wegens zijn zonderlinge gestalte en wegens de schade, die hij aanricht, zal men hem niet licht over ’t hoofd zien. Vooral de voorpooten vertoonen afwijkingen van den gewonen regel. Alle leden van deze pooten zijn kort en zeer breed. De voet, welks beide eerste leden ieder van een tand zijn voorzien, is gehecht aan de buitenzijde van de scheen, die aan den onderrand 4 scherpe, zwarte tanden draagt; de scheen kan teruggeslagen worden, zoodat haar achterrand tegen den onderrand van de dij komt te liggen; de dijring heeft een spits tandvormig uitsteeksel; de geheele poot is zijwaarts gericht en uitmuntend voor ’t graven in den grond geschikt. In verband met de krachtige ontwikkeling der voorpooten is het halsschild zeer groot. Van de overige lichaamsdeelen valt te vermelden, dat vóór den kop, behalve de betrekkelijk korte sprieten, de 5-ledige kaaktasters ver uitsteken; de kruin draagt 2 glanzige bijoogen. Het bruine lichaam is met zeer korte, roestbruine, als zijde glinsterende haren, bij wijze van vilt, bekleed. De dekschilden zijn bij het mannetje aan den wortel van een sjirpader voorzien. Het wijfje mist den legboor.
Veenmol (Gryllotalpa vulgaris) met eieren en larven van verschillenden leeftijd.
“De Veenmol,” schrijft Ritzema Bos, “komt in ons land ’t meest voor op veenachtigen kleigrond, hoewel hij op veenachtigen zandgrond ook niet ontbreekt, en verder op allerlei gronden voorkomt, die door veel mest los en mul geworden zijn. In ons land wordt de Veenmol aangetroffen in Zuid-Holland, Zeeland en ’t westen van Noordbrabant, verder in sommige gedeelten van de Graafschap Zutphen, en in enkele deelen van ’t Westerkwartier (prov. Groningen) en den Oosthoek van Friesland.” Overal waar hij zich gevestigd heeft, beschouwt men hem te recht als een schadelijk dier; er bestaat echter verschil van meening over de wijze waarop hij schade veroorzaakt. Tegenover de vroegere meening, dat wortels zijn eenige voedsel uitmaken, staat die van verscheidene latere onderzoekers, dat hij Wormen, engerlingen en zelfs zijn eigen jongen als voedsel gebruikt en geen andere wortels afbijt dan die van de planten, welke boven zijn nest groeien, hoewel hij bovendien door het onophoudelijk wroeten en woelen in den grond op deze plaats nadeelig wordt voor den plantengroei. De waarheid ligt misschien in ’t midden. Evenals de overige Sprinkhanen zich met planten voeden, maar toch geen Insect, dat hun te na komt, sparen, zoo ook de Veenmol. Daar hij bijna voortdurend onder den grond leeft, moeten onderaardsche larven en plantendeelen hem een middel van bestaan verschaffen. Niet minder schuw en voorzichtig dan de overige Krekels, vlucht hij bij het geringste gedruisch, de geringste, door naderende voetstappen teweeggebrachte schudding van den bodem, ten spoedigste naar zijn hol, waarin hij ook onmiddellijk terugkeert, als men hem uit den grond haalt, of ’s avonds bij ’t vliegen stoort en naar beneden doet tuimelen. Hoewel hij een slechte vlieger is, kan men hem in den paartijd, meestal in ’t begin van Juni, op deze wijze uitstapjes zien doen. Ook in ’t zwemmen is hij eenigszins ervaren.
De mannetjes maken, zoolang de zon nog niet boven de kim gerezen is, een zacht, sjirpend geluid, dat vergeleken wordt met den loktoon van een Geitenmelker (Caprimulgus europaeus), die men in de verte hoort. Voor het leggen van hare talrijke eieren vervaardigt het wijfje een echt nest, door eenige spiraalvormig gekronkelde gangen, en te midden van deze, op een afstand van hoogstens 10.5 cM. van de oppervlakte, een hol van den vorm en de grootte van een kipei te graven. De wanden worden door bijmenging van speeksel niet slechts glad, maar ook zoo stevig gemaakt, dat men, met eenige voorzichtigheid te werk gaande, het geheele nest als een holle, afgeronde aardkluit uit den grond kan nemen. Van dit nest gaan in verschillende richtingen eenige meer of minder rechte gangen uit, die zoo dicht bij de oppervlakte liggen, dat men ze hier als verhevenheden van ongeveer 19.3 mM. breedte kan waarnemen; bovendien zijn eenige loodrecht naar beneden gerichte gangen bestemd tot schuilplaats voor het wijfje bij naderend gevaar en om bij zeer vochtig weer aan ’t water een uitweg te verschaffen, zoodat de eieren droog blijven. Het nest bevindt zich steeds op een vrije, onbeschaduwde plek; het binnendringen van de zonnewarmte in de daarboven gelegen aardkorst wordt bevorderd door het losmaken van den grond. Dit gaat gepaard met het afvreten van de onderaardsche deelen der hier wortelende gewassen, die door hun dood het zekerste kenteeken leveren voor de aanwezigheid van een nest. Soms ziet men door deze oorzaak planten sterven met stengels van 2 à 3 cM. dikte. Het aantal eieren in een nest is niet standvastig; gemiddeld bedraagt het 200, hoewel men er ook wel eens meer dan 300 in aangetroffen heeft. Het wijfje blijft na het leggen der eieren nog geruimen tijd in de nabijheid van het nest wonen in een der hierboven bedoelde, 10 à 30 cM. diepe, loodrechte gangen. De 5 mM. lange larven, die na 8–14 dagen uit de eieren komen, zijn in de eerste 3 of 4 weken niet in staat zelf een hol te graven; zij blijven dus in het nest; aanvankelijk bestaat haar voedsel uit teelaarde en fijne wortelvezeltjes. Haar aantal vermindert in dezen tijd aanmerkelijk, daar het in de buurt wonende wijfje er eenige van verslindt. Vier weken na de geboorte heeft de 1e vervelling plaats, na nogmaals 4 weken, in Augustus, de 2e. De larven, die na de 3e vervelling, in September, gemiddeld 25 mM. lang zijn, begeven zich nu iets dieper in den grond en beginnen den winterslaap. Van de weersgesteldheid hangt het tijdstip af, waarop zij in de volgende lente zullen ontwaken, om voor de 4e maal te vervellen en vleugelstompjes te krijgen. De overgang in den imago-toestand heeft plaats in ’t midden van Mei, uiterlijk in het begin van Juni.—Uit sommige verschijnselen meent men te moeten afleiden, dat bij uitzondering ook wel volwassen Veenmollen overwinteren.
De leden van de kleine, over de geheele wereld verbreide groep der Oorwormen (Forficulidae, Dermatoptera, Dermaptera) zijn duidelijk te herkennen aan de tang, waarmede het uiteinde van hun achterlijf gewapend is. Deze toestel, die de plaats inneemt van de “staarten” der vorige Rechtvleugeligen, dient tot verdediging: woedend knijpen deze Insecten er mede in ’t rond, wanneer men ze bij ’t voorste deel van ’t lichaam aanvat. Tevens is het een werktuig tot het ontplooien en opvouwen der vleugels. Wie er aan twijfelt, dat de Oorwormen vleugels hebben, beschouwe met eenige aandacht hun middelrug. Men ziet achter het halsschild twee vierhoekige platen; dit zijn de lederachtige dekschilden. Ieder schijnt van achteren uit te loopen in een stomp puntje van lichtere kleur, dat in fig. 1 duidelijk zichtbaar is. Toch zijn deze beide harde puntjes geen voortzettingen van de aan ’t einde afgeknotte dekschilden; zij liggen er onder; het zijn de eenige nu zichtbare deelen van de buitengewoon breede, thans op zeer sierlijke en samengestelde wijze geplooide achtervleugels. Deze zijn niet slechts waaiersgewijs, maar bovendien tweemaal in de lengte saamgevouwen, waarna zij, op een klein, hard stukje van den voorrand na, onder de korte dekschilden geborgen worden. Van de overige lichaamsdeelen valt nog op te merken, dat de vrije, niet bedekte kop hartvormig is, een weinig naar beneden afhelt en aan weerszijden een samengesteld oog draagt; de bijoogen ontbreken. De monddeelen stemmen in hoofdzaken overeen met die der vroeger genoemde Rechtvleugeligen. Het zeer buigzame achterlijf, dat meestal aan ’t achterste gedeelte een weinig in breedte toeneemt, is meestal uit 10 leden samengesteld, waarvan echter het eerste innig vereenigd is met het achterborststuk, terwijl bij het wijfje de 3 achterste onderling vergroeid zijn en van het 7e alleen het buikschild zichtbaar is.
1) Groote Oorworm (Labidura gigantea): Mannetje.—2) Gewone Oorworm (Forficula auricularia): Mannetjes. Het vliegende Insect is vergroot voorgesteld; de overige fign. zijn in ware grootte.
De 24 Europeesche soorten, waarvan er 3 inheemsch zijn, en de veel talrijkere soorten in andere werelddeelen verschillen door het maaksel van de tang, die zelfs bij mannetjes en wijfjes van dezelfde soort ongelijkheid kan vertoonen, door den vorm van het 2e lid van den 3-ledigen voet, door den bouw der vleugels en door andere kenmerken. Zoo heeft men b.v. bij het mannetje van den 11 à 13 mM. langen Grooten Oorworm (Labidura gigantea fig. 1), op den vorm van de tang en op haar achter het midden gelegen tand te letten. De beide helften van de aanmerkelijk kortere tang van hoi wijfje zijn aan den wortel dichter bij elkander gelegen en van tandjes voorzien, maar hebben geen tand achter het midden. De sprieten zijn uit 27 à 30 leden samengesteld. Deze merkwaardige uitheemsche soort komt hier en daar in Europa (Duitschland, Engeland, enz.) in kleinen getale voor; in Voor-Azië en het noorden van Afrika is zij een gewoon verschijnsel.
De Gewone Oorworm of Oorkruiper (Forficula auricularia fig. 2) is in Europa overal te vinden, maar nergens een welkome gast. De tuinman kent hem als vernieler van zijne beste anjelieren en dahlia’s; op de stokken, die bij de bedoelde planten staan, plaatst hij bloempotten, varkenshoeven of dergelijke holle voorwerpen om aan het ongedierte een aangename schuilplaats te verschaffen, waaruit men het dagelijks kan verwijderen om het te dooden. Sommige onderzoekers wenschen, dat men den Oorworm zal sparen, daar hij Bladluizen verslindt. Hij knaagt echter ook gaten in allerlei zoete vruchten, of zoekt zich althans in haar nabijheid een schuilplaats. Vol schrik werpt het kind een tros druiven weg, wanneer achtereenvolgens de eene Oorkruiper na den anderen uit de duistere hoekjes tusschen de dicht opeengedrongen bessen te voorschijn komt; de keukenmeid handelt evenzoo, als zij bij het schoonmaken en stuksnijden van de bloemkool het bruine monster met zijne dreigende tangen voor den dag ziet komen. Volkomen ongegrond is de algemeen verbreide meening, dat dit Insect den mensch in de ooren kruipt en met de tang het trommelvlies stuk knijpt. Ondanks zijn naam heeft de Oorkruiper in deze bezigheid volstrekt geen zin, hoewel het zou kunnen gebeuren, dat hij iemand, die onvoorzichtig genoeg was om in het gras te gaan slapen, in de ooren kroop, daar hij van dergelijke donkere schuilhoeken houdt.—De Gewone Oorworm is glanzig donkerbruin, welke kleur aan de pooten, de randen van het halsschild en den wortel der 15-ledige sprieten door geel, aan de meeste deelen van den kop door roestrood vervangen wordt. Zijn lengte bedraagt 8.75 à 15 mM.; de wijfjes zijn steeds kleiner dan de mannetjes. Beide overwinteren om in ’t volgende jaar zich voort te planten. De eieren worden door de moeder met veel zorg bewaakt. Zij heeft, evenals de Kakkerlakken en de Veenmollen, het genoegen haar kroost te aanschouwen; ook de jongen worden door haar, volgens sommige berichtgevers, op liefderijke wijze behandeld.
“Franjestaarten” (“Thysanura”) noemde Latreille een aantal kleine, behaarde of geschubde, volkomen ongevleugelde Insecten, die geen gedaantewisseling ondergaan, weinig ontwikkelde, bijtende monddeelen hebben en aan het achterlijf eigenaardige bewegingsorganen bezitten. Zij vervellen herhaaldelijk, ook nog gedurende den geslachtsrijpen toestand. Men verdeelt ze tegenwoordig in twee groepen, waaraan dikwijls den rang van orden wordt toegekend. De eene is die der Springstaarten (Collembola), aan de andere heeft men den naam van Franjestaarten (Thysanura) laten behouden.
De Springstaarten (Collembola), hebben niet meer dan 6 leden in ’t achterlijf, dat (bij enkele soorten slechts gedurende den kiemtoestand) aan de buikzijde van het 4e of 5e segment voorzien is van een eigenaardigen toestel (de springvork), die met geen der achterlijfsaanhangsels van andere Insecten vergeleken kan worden. Met de springvork kan het dier werkelijk reusachtige sprongen doen. In rust is zij naar voren omgeslagen en wordt in dezen toestand vastgehouden door een zeer klein “haakje”, dat tusschen hare beide tanden ingrijpt. Bij den sprong wordt de weerstand van het haakje overwonnen door de buitengewoon krachtige spieren, die de vork bewegen, haar met kracht tegen den bodem of tegen den waterspiegel drukken en het dier door de lucht doen schieten; bij het neerkomen is de vork reeds weer toegeslagen en voor een tweeden sprong geschikt. Van de andere lichaamsdeelen valt op te merken, dat aan elke zijde van den kop een 4- à 8-ledige spriet en een groep van hoogstens 8 enkelvoudige oogen voorkomt. Bijna alle Springstaarten leven op vochtige plaatsen, sommige zelfs tijdelijk of voortdurend aan de oppervlakte van ’t water. Zij voeden zich met zeer kleine zwammen of algen.
Hier te lande ziet men in de lente niet zelden in grooten getale aan de oppervlakte van stilstaand water de loodgrijze, 1 mM. lange Waterspringstaart (Podura aquatica).
Een van de bontste Europeesche soorten is de Ruige Springstaart (Orchesella villosa), wiens geelrood lichaam met zwarte banden prijkt. In gezelschap van den Loodgrijzen Springstaart (Podura plumbea) leeft hij in ’t kreupelhout onder afgevallen bladen. Beide zijn 3.37 mM. lang.
De 1.5 mM. lange, geelachtig grijze Sneeuwvloo (Degeeria nivalis) wordt ’s winters in het kreupelhout soms in zoo grooten getale op de sneeuw gevonden, dat deze er uitziet, alsof men haar met grof buskruit had bestrooid.
De 2 mM. lange, zwarte, ruig behaarde Gletschervloo (Desoria glacialis) bewoont gewesten, waar de zon niet anders beschijnt dan ijs, ijskoud water en rotsen en de onderste luchtlaag nauwelijks boven het smeltpunt kan verwarmen, maar waar toch nog kleine plantjes (algen) groeien, die aan dit diertje voedsel verschaffen.
De Franjestaarten i.e.z. (Thysanura) heeten zoo, omdat het laatste segment van ’t 10-ledige achterlijf 2 of 3 lange, veelledige, borstelig behaarde staarten draagt. Aan den achterrand van het buikschild van 2, 3, 6 of 9 der overige segmenten hebben zij een paar ongelede buikstiften, die als rudimentaire ledematen beschouwd en bij het loopen afwisselend naar voren en naar achteren bewogen worden, waardoor deze Insecten eenigszins aan de Duizendpooten en bijgevolg aan den oervorm der Gelede Dieren herinneren. (Stiften komen overigens alleen voor bij de mannetjes van vele echte Rechtvleugeligen en de wijfjes van de Glazenmakers, doch uitsluitend aan het voorlaatste segment.)