Deze orde omvat, evenals de vorige, Insecten van zeer verschillenden vorm, die alleen door het maaksel der monddeelen en door de onvolkomen gedaantewisseling overeenstemmen. De monddeelen vormen een voor ’t zuigen geschikten snavel. De larven verschillen uitwendig alleen door het gemis van vleugels van de geslachtsrijpe Insecten, voor zoover zij n.l. vleugels hebben, hetgeen bij verscheidene niet het geval is. Bij vleugellooze Snavelinsecten,—o.a. bij alle Luizen (Pediculina) en bij de wijfjes van de meeste Schildluizen—kan men eigenlijk niet meer van gedaantewisseling spreken. Bij een groot aantal Snavelinsecten zijn de voor- en achtervleugels gelijksoortig en dan in den regel samengesteld uit een dun vlies, welks vleugeladers voor ’t meerendeel een overlangsche richting hebben. Zij vormen de onderorden der Plantenluizen (Phytophthires) en der Cicaden (Cicadina), die men ook wel Gelijkvleugeligen (Homoptera) noemt. De nog overige leden der orde, die gezamenlijk Wantsen mogen heeten, verdienen den naam van Ongelijkvleugeligen (Heteroptera) of van Halfvleugeligen (Hemiptera), daar hunne voorvleugels, hoewel aan de spits meestal vliezig, overigens de noodige stevigheid hebben om als dekschilden te dienen voor de achtervleugels, welke den gewonen vliezigen bouw vertoonen.—De sprieten zijn bij de Landwantsen (Geocorisae) duidelijk zichtbaar, bij de Waterwantsen (Hydrocorisae) uiterst kort en in een groeve aan de onderzijde van den kop verborgen. Bij de Luizen en de meeste Schildluizen komen geen andere dan enkelvoudige oogen voor. De overige Snavelinsecten hebben samengestelde oogen en bovendien dikwijls bijoogen. Afwijkend gebouwd zijn de monddeelen van de Pediculinen. Bij de overige is een echte snavel aanwezig, welks zichtbaar deel (behalve bij de Schildluizen) hoofdzakelijk uit de als scheede dienende, in leden verdeelde, harde onderlip bestaat. Het achterlijf is uit 6 à 9 leden samengesteld. Bij alle Snavelinsecten zijn de pooten vrij gelijkmatig ontwikkeld; hoewel in den regel voor ’t loopen geschikt, komen bij sommige ook roof-, spring- en zwempooten voor.

Men kent nagenoeg 14000 over alle werelddeelen verbreide Snavelinsecten, het geheele aantal wordt echter door Brauer op 50000 geschat; in ons land heeft men er 657 gevonden. Fossiel komen zij reeds in de Jura-formatie voor; veelvuldiger en talrijker in soorten vindt men ze echter in de tertiaire periode, vooral in het barnsteen.


De Luizen of Dierenluizen (Pediculina)—die men niet moet verwarren met de reeds vroeger beschrevene, eveneens op Zoogdieren en Vogels parasieteerende, doch geen bloed zuigende Vachtluizen—hebben draadvormige, meestal vijf-ledige sprieten en 2-ledige voeten, welker laatste lid, dat haakvormig is en naar het voorlaatste teruggeslagen kan worden, haar in staat stelt om te klimmen. De oogen ontbreken bij Haematopinus; de overige Luizen hebben één paar enkelvoudige oogen. De monddeelen zijn nagenoeg voor aan den kop geplaatst en slechts gedurende het gebruik zichtbaar; zij bestaan uit een zachten, korten kegel, die uitgestulpt en teruggetrokken kan worden en aan den voorrand door reeksen van haakjes omgeven is.—De Luizen vermenigvuldigen zich snel. Hare eieren, de zoogenaamde “neten”, zijn peervormig, worden door de moeder aan het onderste deel van een haar vastgekleefd en door de warmte van den gastheer in acht dagen uitgebroed. Door een dekseltje aan den top verlaat de larve haar eerste woning, volgt onmiddellijk de levenswijze harer ouders, groeit, naar men zegt, zonder te vervellen en wordt na betrekkelijk korten tijd geslachtsrijp. Leeuwenhoek heeft berekend, dat één wijfje na 8 weken getuige kan zijn van de geboorte van 5000 nakomelingen. Een groot aantal Zoogdieren, Zwijnen, Herkauwers, Eenhoevigen, Knaagdieren, Apen, worden door Luizen bewoond, ieder door een bepaalde soort, sommige zelfs door verscheidene soorten: bij den mensch b.v. kunnen 3 soorten van Luizen voorkomen.

De Hoofdluis (Pediculus capitis, fig. 1) komt bijna uitsluitend tusschen de hoofdharen, vooral van kinderen voor. Zij is grijsachtig geel van kleur, aan den rand der achterlijfsringen donkerder, het borststuk is nagenoeg vierhoekig.

1) Hoofdluis (Pediculus capitis).—2) Kleederluis (Pediculus vestimenti). 3 Neten (eieren van de hoofdluis).

Een tweede, iets slankere en grootere soort, welker achterlijfsringen aan den rand niet bruinachtig zijn, de Kleederluis (Pediculus vestimenti, fig. 2) houdt zich op aan den romp van den mensch (hals, rug en borst) en verbergt zich in zijne kleederen. Vooral door deze parasieten worden de soldaten te velde en in de kazernes gekweld. Zij zijn gevaarlijker dan de Hoofdluizen, daar zij aanleiding geven tot het ontstaan van gezwellen en korsten op het lichaam, die haar dan tot woonplaats dienen (luisziekte). Het wijfje legt eieren tusschen de naden der onderkleeren; daarom vestigt zich dit ongedierte vooral bij menschen, die niet zoo dikwijls van onderkleeren verwisselen, als de zindelijkheid vereischt.

De Platluis (Phthirius inguinalis, Phthirius pubis) behoort tot een geslacht, dat zich van ’t vorige vooral door den breeden en platten vorm van ’t lichaam onderscheidt; bovendien bestaat de voorvoet slechts uit één lid. De genoemde, hoogstens 1.5 mM. lange soort ligt met wijd uitgespreide pooten plat op de huid van den mensch, waarin zij met den kop doordringt en hierdoor een zeer gevoelige jeukte veroorzaakt. Zij kan op alle sterk behaarde lichaamsdeelen, met uitzondering van het hoofd, voorkomen.


De onderorde van de Plantenluizen (Phytophthires) omvat 4 familiën: de Schildluizen (Coccidae) de Bastaardbladluizen (Phylloxeridae), de Echte Bladluizen (Aphididae) en de Bladvlooien (Psyllidae). Alle zijn klein, leven gezellig en vormen dikwijls zeer talrijke scholen; haar teer en week lichaam is voorzien van een aan de keel ontspringenden snavel, die met het voorborststuk vergroeid is; de vleugels, voorzoover aanwezig, hebben een weinig ontwikkeld aderstelsel.

Bij de Schildluizen (Coccidae) doet zich het opmerkelijke verschijnsel voor, dat de mannetjes en wijfjes niet slechts in vorm, maar ook in ontwikkelingswijze zeer verschillen. De larven zijn plat, van boven gezien min of meer elliptisch: die, waaruit mannetjes zullen ontstaan, iets kleiner en slanker dan die, welke wijfjes zullen worden. Zij zijn duidelijk gesegmenteerd, maar hebben den kop, het borststuk en het achterlijf onduidelijk begrensd. Aan den kop ziet men 2 éénlenzige oogen, 2 veelledige, cilindervormige sprieten en een meestal één- (soms twee-)ledigen snavel. Deze is kort en bevat 4 zeer lange steekborstels, die in rust lusvormig gebogen in een tot in het achterlijf zich uitstrekkenden zak geborgen zijn. Ademgaten komen alleen aan de beide voorste borstsegmenten voor. De pooten zijn goed ontwikkeld en voorzien van een éénledigen voet, die in één klauw eindigt. Het 7-ledige achterlijf draagt aan ’t einde dikwijls 2 groote, borstelvormige staarten. De jonge larven loopen vlug op de voederplant rond, totdat zij een geschikt plaatsje hebben gevonden, waar zij zich door het boren met den snavel vasthechten.

De larven van de meeste Echte Schildluizen—de Schelpschildluizen (Aspidiotus) en de Holbuikschildluizen (Lecanium)—blijven, voorzoover zij zich tot wijfjes ontwikkelen, gedurende haar geheele leven op dezelfde plaats vastgehecht, verkrijgen dus geen vleugels, verliezen zelfs allengs de sprieten en de pooten (men noemt dit teruggaande gedaantewisseling) en behouden alleen den snavel: zij gelijken in geslachtsrijpen toestand zeer weinig op Insecten, daar zelfs de segmentatie van den stam onduidelijk wordt. Hierbij komt nog, dat de wasklieren van de huid witte wasdraden leveren, die (bij Aspidiotus in vereeniging met de afgeworpen larvehuid) een stevig rugschild vormen, dat ook nog na den dood van de moeder hare talrijke eieren beschut (bij Lecanium bestaat de schildvormige bedekking van de eieren niet uit was, maar uit het geheele, aan de buikzijde uitgeholde lichaam van het wijfje). De wijfjes van de niet inheemsche Kokerluizen (Dorthesia) en die van de Karmijnluizen (Coccus), welke men bij ons niet anders dan op warme kasplanten aantreft, behouden de ledematen, blijven beweeglijk, zijn niet onder een schild verborgen, maar wel gedeeltelijk met wasdraden bedekt.

Bastaardschildluizen noemt men de Cocciden, welker wijfjes, evenals de mannetjes, goed ontwikkelde vleugels hebben. Een voorbeeld hiervan levert de inheemsche Motschildluis (Aleurodes chelidonii), die als larve aan de onderzijde van de bladen van de stinkende gouwe (Chelidonium majus), onder een schild verborgen, leeft en in volwassen toestand door het bezit van 4 vleugels van alle overige familieleden afwijkt.

Bij de mannetjes van alle Echte Schildluizen (d. z. die, welker wijfjes ongevleugeld blijven) zijn alleen de voorvleugels aanwezig; de plaats van de achtervleugels wordt meestal door “kolfjes” ingenomen. De larven, die zich tot mannetjes zullen ontwikkelen, hullen zich in een zak- (bij Aspidiotus schild-)vormig waskleed, dat vroeger (ten onrechte, volgens Nitsche) als een cocon werd beschouwd. Hierdoor beschut, ondergaan zij een aantal vervellingen en veranderen intusschen langzamerhand in een gevleugeld Insect. Ten onrechte (volgens Nitsche) noemt men deze verandering “volkomen gedaantewisseling”. Hiervan mag alleen gesproken worden, wanneer de vorming van nieuwe organen als ’t ware plotseling geschiedt, beperkt blijft tot de periode tusschen de voorlaatste en de laatste vervelling, en niet, wanneer (zooals hier) de nieuwe organen langzamerhand ontstaan in een tijdperk, dat door verscheidene vervellingen wordt afgebroken. Reeds bij de eerste vervelling gaan de monddeelen, de sprieten en de ledematen verloren. Gedurende zijn geheele overige leven gebruikt het mannetje geen voedsel meer, ook niet, nadat hij in geslachtsrijpen toestand de larvewoning heeft verlaten. De stam is dan duidelijk in kop, borststuk en achterlijf verdeeld. De kop mist den snavel, maar draagt 2 lange, meestal 10-ledige sprieten, bovendien enkelvoudige oogen (in den regel 4 à 10; bij Orthezia en Monophlebas zijn 2 uit weinige facetten samengestelde oogen aanwezig). De pooten zijn goed ontwikkeld, evenals de voorvleugels. Het achterlijf eindigt in 2 lange, draadvormige staarten (bij Aspidiotus één). De mannetjes leven slechts kort, zijn bij vele soorten niet talrijk en van de meeste nog geheel onbekend.

Sedert eenige jaren worden de Californische vruchtenkweekerijen gebrandschat door een zeer schadelijk Insect, dat met een bezending planten uit Chili naar Noord-Amerika schijnt te zijn overgebracht. Men noemt het de San-José-schildluis (Aspidiotus perniciosus). In betrekkelijk korten tijd heeft het zich over een groot deel van de Vereenigde Staten en van Britsch Noord-Amerika verbreid. Daar er gevaar bestaat, dat het zich ook in Europa zal vestigen, waar het misschien een soortgelijke rol zou spelen als de Druifluis, worden overal maatregelen beraamd en toegepast, om de verdere verbreiding van het Insect te stuiten. Reeds is het in Duitschland waargenomen op een bezending Californische vruchten, die onmiddellijk vernietigd zijn, waarna de verdere invoer van Amerikaansche vruchten in Duitschland verboden werd.

De San-José-Schildluis tast, naar het schijnt, bij voorkeur allerlei ooftplanten aan (amandels, perziken, abrikozen, pruimen, kersen, frambozen, aalbessen, kweeën, peren, appels, enz.); maar leeft ook op vele andere houtige gewassen (linden, acacia’s, ijpen, walnoten, elzen, wilgen, enz.). Sap zuigend uit verschillende bovenaardsche organen, veroorzaakt zij vermindering van de hoeveelheid en van de kwaliteit der vruchten en weldra den dood van de plant. Daar zij zich snel vermenigvuldigt, zijn niet zelden de takken geheel met stof bedekt, dat bij nader onderzoek uit dicht opeengedrongen schilden (cirkelvormige van de talrijke wijfjes, meer ovale van de veel zeldzamere mannetjes) blijkt te bestaan. Gene hebben een middellijn van hoogstens 2 mM., deze zijn iets kleiner en donkerder van kleur. Het volwassen wijfje is 0.8 à 1 mM. lang, het 2-vleugelige mannetje 0.6 mM. (de staart aan ’t einde van ’t achterlijf 0.2 mM.). Beide overwinteren in den imago-toestand. De mannetjes ontwaken in ’t begin van April. De wijfjes beginnen tegen het midden van Mei jongen voort te brengen, die in tegenstelling met de overige Schildluizen als larven het lichaam van de moeder verlaten; zij zijn 0.24 mM. lang, bleek oranjekleurig met purperroode oogen, 5-ledige sprieten en kaken, welker lengte bijna 3-maal die van het lichaam overtreft. Aanvankelijk vrij rondloopend, hechten zij zich weldra met den snavel vast en blijven, zoo zij zich tot wijfjes ontwikkelen, levenslang op dezelfde plaats. Bij de 1e vervelling (12 dagen na de geboorte) verliezen alle larven de sprieten en de pooten; de 2e vervelling heeft voor de mannetjes 6, voor de wijfjes 8 dagen later plaats. De voortbrenging van jongen duurt den geheelen zomer voort; de eerste koude dagen van Augustus maken er een einde aan.

Cochenille (Coccus cacti): Op den nopal-cactus wasuitzweetingen, waarin zich de jonge larven bevinden; op de voorste schijf: twee wijfjes (vergroot); op de overige schijven: jonge en oude wijfjes in ware grootte; naast de schijven: vliegende mannetjes.—1) Mannetje. 2) Wijfje. Vergroot volgens den daarnevens aangeduiden maatstaf.

Kermes, kermesbessen, alkermes, karmozijnbessen noemt men een uit Frankrijk en Spanje, doch vooral van Kreta en andere eilanden van den Griekschen Archipel afkomstig handelsartikel, dat uit de schelpvormige, bruinachtige lichamen van de drachtige wijfjes de Kermesschildluis (Lecanium ilicis) bestaat. Het neemt na behandeling met azijn een roode kleur aan, was reeds aan de Grieken en Romeinen bekend en werd vroeger veelvuldig gebruikt voor het verven van de hoofddeksels der Grieken en Turken, waarvoor thans bijna uitsluitend goedkoopere, uit teer bereide, roode kleurstoffen dienen. Het genoemde Insect leeft op den meer heesterachtig dan boomachtig groeienden kermes-eik (Quercus coccifera).

De beroemdste van alle Schildluizen zijn die, welke in gedroogden toestand onder den naam van Cochenille (Coccus cacti) in den handel komen. Alleen de 2.2 mM. lange, ongevleugelde half-eivormige wijfjes dienen voor dit doel; zij zijn donker karmijnrood, doch met een wit poeder bedekt; naar voren steken twee borstelig behaarde sprieten, naar achteren twee zeer korte staarten uit. Al naar de wijze waarop zij gedood en gedroogd worden (in de zon, in doeken gewikkeld in een oven, op metalen platen of in kokend water), behouden of verliezen zij het witte poeder op de huid en worden bruinrood of zelfs zwart; de zilverwitte vormen de beste kwaliteit; gestampt leveren zij een bruinrood poeder. Wegens den verschrompelden toestand waarin de gedroogde Insecten verkeeren, is het verklaarbaar, dat zij vroeger voor gedroogde bessen werden gehouden; de onderzoekingen ingesteld naar aanleiding van een weddenschap, die de Amsterdamsche koopman Melchior de Ruuscher had aangegaan, brachten in 1728 de waarheid aan ’t licht. Zelfs bij gedroogde exemplaren is trouwens de geleding van het lichaam nog wel te onderscheiden; beter evenwel, nadat zij in warm water geweekt zijn en hun halfbolvormige gedaante herkregen hebben; de minst beschadigde vertoonen dan duidelijk pootjes en sprieten. Door drukking komen uit het lichaam de talrijke, roode eieren te voorschijn. Het zuiver karmijnroode, 1.5 mM. lange, betrekkelijk slanke mannetje heeft 2 melkwitte vleugels, geen kolfjes, 2 tienledige sprieten en 2 zeer lange staarten. De Cochenille is oorspronkelijk een Mexicaansch Insect, dat op verschillende soorten van Nopal-cactussen (Opuntia vulgaris, coccinellifera, Hernandezi, enz.) leeft en gekweekt wordt. Sedert 1526 is zij een belangrijk handelsartikel. In de vorige eeuw, toen Mexico nog het eenige cochenille-voortbrengende land was, bedroeg de jaarlijksche uitvoer 880000 pond ter waarde van 7.5 millioen gulden. In ’t begin van deze eeuw voerde Amerika, volgens Alexander von Humboldt, voor 6 millioen gulden cochenille uit. Mexico heeft echter het monopolie van dit artikel niet kunnen behouden. In 1809 werd de Cochenille-schildluis met haar voederplant naar eenige Westindische eilanden (San-Domingo en Guadeloupe) overgebracht, in 1826 naar Malaga, Valentia en andere plaatsen in Zuid-Spanje, in 1827 naar de Kanarische eilanden (Teneriffa), in 1828 naar Java, in 1831 naar Algiers.

Het gebruik van cochenille voor het roodverven van zijden en wollen goederen en voor het bereiden van karmijn en karmijnlak is in de laatste jaren door de concurrentie van sommige uit steenkolenteer bereide kleurstoffen aanhoudend afgenomen. In de landen, die de grootste hoeveelheid van dit artikel op de markt brachten, Guatemala, Mexico en de Kanarische eilanden, verkeert de cochenille-kultuur in kwijnenden toestand. De prijs van het product is gedaald van f 8 per KG. in 1867, tot ruim f 3 in 1880 en tot ruim f 1 in 1888. De Kanarische eilanden, die in 1880–1881 nog 2557000 KG., ter waarde van ruim 8 millioen guldens, uitvoerden, leverden in 1888 slechts 482000 KG. ter waarde van ongeveer 530000 gulden. De invoer te Londen bedroeg in 1882 1121310 KG., in 1890 slechts 368280 KG.

Behalve in het regenseizoen, vindt men op de nopal-cactussen voortdurend Cochenille-schildluizen van verschillenden leeftijd; sommige gedeelten van de plant zijn geheel bedekt met de witte wasuitscheidingen, waarin de larven leven; het wijfje sterft kort na het leggen van de eieren. De jongen, die na 8 dagen uitkomen, gelijken op de moeder, maar zijn met een wollig washulsel bedekt, dat bij de oudere wijfjes vervangen is door een poedervormige bekleeding. Binnen 2 weken zijn zij volwassen. De mannelijke larven zijn verborgen in een van achteren open, uit wasdraden samengesteld kokertje. De mannetjes sterven dadelijk na de paring; de wijfjes blijven nog ongeveer 14 dagen leven om eieren te leggen. Daar voor den geheelen ontwikkelingsgang slechts weinige weken noodig zijn, levert ieder jaar verscheidene generaties van Insecten op; evenveel malen kan men een aantal larven en volwassene wijfjes inzamelen. In Augustus ontwikkelt zich de laatste generatie; de bevruchte wijfjes overwinteren en leggen eerst in Februari eieren. De Mexicaansche cochenille-kweekers brengen kort voor den aanvang van het regenseizoen alle Insecten, die zij als fokdieren in ’t leven willen houden, met de zeer lang frisch blijvende cactus-schijven, waarop zij zich bevinden, binnenshuis in veiligheid; zoodra de regenbuien ophouden, wordt alles weer teruggebracht naar de nopal-plantage. Deze kan per hectare 400 KG. cochenille opleveren. Hoeveel diertjes men hiervoor moet inzamelen, kan berekend worden na de mededeeling, dat 140000 gedroogde exemplaren gezamenlijk 1 KG. wegen.—Ook de in ’t wild levende Cochenille-schildluizen, door de Mexicanen grana silvestra genoemd, worden ingezameld, welk bedrijf echter veel meer bezwaren oplevert.—

Het Chineesche was, een niet onbelangrijk uitvoerartikel van het Hemelsche rijk, wordt voortgebracht door een Schildluis-soort (Coccus ceriferus), die op verschillende planten, doch vooral op de Chineesche esch (Fraxinus chinensis) gevonden wordt. De mannetjes onderscheiden zich door ongewone grootte. Dit was is zuiver wit of eenigszins geelachtig, broos en kristallijn; het herinnert eenigszins aan spermaceti en smelt bij 81 à 82° C.

Een soortgelijk product levert de in Oost-Indië levende Ceroplastus ceriferus.

De Manna-Schildluis (Coccus manniparus) leeft in de omstreken van den berg Sinaï op de manna-tamarisk en veroorzaakt door haar steek het uitvloeien van een suikerhoudend sap, dat aan de lucht spoedig verdroogt en dan afvalt, of door het regenwater opgelost in groote druppels op den bodem vloeit. De Bedoeïnen verzamelen het in de vroege morgenuren en bewaren het voor eigen gebruik of brengen het in den handel.

De Lakschildluis (Coccus lacca) bewoont verscheidene boomen en struiken, die op het Indische vasteland en de naburige eilanden groeien. Men vindt haar op vijgeboomen (Ficus religiosa, Ficus indica), op den Oostindischen croton (Aleurites laccifera), op den Malabarschen lakboom of Plaso (Butea frondosa), op verscheidene mimosa’s, bij Bombay op den Peruaanschen kaneelappelboom (Anona squamosa), enz. Zoodra het wijfje zich met den snavel vastgehecht heeft, zwelt haar lichaam op en verkrijgt een peervormige of nagenoeg bolvormige gedaante, terwijl de pooten en de sprieten verloren gaan. Onmiddellijk na de vasthechting vloeit uit de hierdoor veroorzaakte wonde een harsachtige stof; deze omgeeft het dier op één opening na, waardoor de ademhaling zal plaats hebben. Gewoonlijk omgeeft de harsmassa het takje als een ring, waarin verscheidene cellen voorkomen, ieder door een Schildluis bewoond. Het geslachtsrijpe mannetje verschijnt later dan het wijfje; al naar het jaargetijde vertoont het zich in twee verschillende gedaanten: in September is het ongevleugeld, in Maart heeft het vleugels en gelijkt het veel op de mannelijke Cochenille-schildluis. Met het eierenleggen schijnt het uitwerpen van een roode kleurstof gepaard te gaan, waardoor het omringende hars een donkerroode kleur aanneemt. Het wijfje sterft spoedig daarna en hare jongen verlaten de moederlijke woning. De met hars bedekte takken worden afgebroken en komen onder den naam van “stoklak” in den handel. Door het verwijderen van het takje houdt men het “gekorrelde lak” over, waaruit de kleurstof, die veel op die van de Cochenille gelijkt, afgezonderd wordt en onder de namen “lak-lak” of “lack-dye” een handelsartikel vormt. Het overblijvende hars wordt gesmolten en heet “schellak”.—Op Java verzamelt men het van de takjes afgeschraapte hars in dunne bamboestokken en verhit deze boven het vuur, totdat hun inhoud smelt en zwarte pijpen vormt, die onder den naam van “gala-gala” in den handel komen. Dit zwarte schellak dient voor het vasthechten van kapmessen en dergelijke werktuigen in hunne handvatsels en ook wel als zegellak.

Reeds lang voordat men in Europa de Amerikaansche Cochenille kende, maakte men er voor het roodverven gebruik van een Schildluis, die Poolsch Grein (Porphyrophora polonica) wordt genoemd en ook wel Sint-Jansbloed heet, omdat zij omstreeks Sint-Jans-dag ingezameld werd. Dit Insect, dat in vroegeren tijd een belangrijk handelsartikel vormde, leeft op den wortel van eenige algemeen verbreide, op zandgrond groeiende kruiden—Glaskruid (Parietaria), Duizendgraan (Herniaria), Muizenoor (Hieracium pilosella), Hardbloem (Scleranthus), enz.—en komt o.a. voor bij Dresden, in Brandenburg, Mecklenburg, Pommeren, Zweden, Oost- en West-Pruisen, Polen, Rusland en Hongarije. Het mannetje heeft 2 tot over het midden behaarde vleugels; de achtervleugels zijn door kolfjes vervangen; het achterlijf eindigt in een langen haarbos. Het wijfje is ongevleugeld, half bolvormig en 2.25 à 3.37 mM. lang.

In vele streken van Duitschland vindt men in Juli en Augustus niet zelden op de groote brandnetel (Urtica dioica) de hierna afgebeelde wijfjes van de Brandnetel-Kokerluis (Dorthesia urticae). Men zou ze licht kunnen verwarren met de larven van een tot de Lieveheerbeestjes behoorende Keversoort (Scymnus), zoo zeer wijkt haar uiterlijk van dat der meeste Schildluizen af. Zij hechten zich niet voor goed vast, zijn niet bedekt door een schild, maar omgeven door een kokertje, dat de zwartachtige sprieten en pooten vrij laat, en haar niet belet van plaats te veranderen.


De Valsche of Bastaardbladluizen (Phylloxeridae) zijn Plantenluizen met korte, dikke, ringvormig geschubde, hoogstens 5 ledige sprieten, op welker laatste lid (of laatste leden) ovale reukgroefjes voorkomen. De ongevleugelde vormen hebben in rijpen toestand geen andere dan 2 drielenzige, de gevleugelde bovendien 2 grootere, samengestelde en ook nog éénlenzige oogen. De snavel is gewoonlijk goed ontwikkeld en samengesteld uit een 3-ledige scheede (de onderlip) met 4 borstelvormige kaken, die soms (bij Chermes-soorten) 5- à 8-maal zoo lang zijn als het geheele lichaam, en dan, evenals bij de Schildluizen, in rust lusvormig gekromd in het lichaam teruggetrokken worden. De scheede is natuurlijk veel korter dan de kaken en, evenals bij alle Plantenluizen, met het voorborststuk vergroeid. De pooten zijn kort, maar krachtig, minder dan die der Echte Bladluizen voor ’t loopen geschikt en van een 2-ledigen, in 2 klauwen eindigenden voet voorzien. De ontwikkelingskring der Bastaardbladluizen is samengesteld uit een aantal verschillende generaties, die voor ’t meerendeel uit onbevruchte eieren ontstaan (parthenogenesis). In den regel verwisselt een bepaalde generatie de plantensoort of het plantendeel, waarop zij oorspronkelijk woonde, voor een andere, die nu aan een reeks van generaties voedsel verschaft, voordat een verhuizing in omgekeerde richting volgt. De wijfjes met parthenogenetische voortplantingswijze zijn in de eene generatie van vleugels voorzien, in een andere er van verstoken. Zoowel de mannetjes als de wijfjes van de generatie, die bevruchte eieren voortbrengt, kenmerken zich door het gemis van vleugels en door geringe grootte. Alle Valsche Bladluizen komen als eieren ter wereld, geen harer vormen verlaat als larve het lichaam der moeder. Steeds missen zij de “rugpijpjes” (siphunculi), die bij de Echte Bladluizen zoo veelvuldig voorkomen.—Elk der beide geslachten (Chermes en Phylloxera), waaruit de familie bestaat, zal door een zijner vertegenwoordigers het bovenstaande overzicht verduidelijken.

Brandnetel-Kokerluis (Dorthesia urticae). Wijfje. Ware grootte.

Volgens de nieuwste onderzoekingen heeft de Groene Sparrenbladluis (Chermes viridis) den volgenden ontwikkelingskring. De eerste generatie bestaat uit ongevleugelde wijfjes, die men “stammoeders van de sparregallen” kan noemen. Op den rug heeft zij duidelijke chitine-plaatjes met wasporiën, waardoor draden naar buiten treden, die haar lichaam met een witte, wollige laag bedekken. Haar plomp lichaam, waaraan de grenzen van pop, borststuk en achterlijf niet scherp zijn aangeduid, de korte pooten, de langzame beweging en het wasbekleedsel verschaffen haar eenige overeenkomst met een Schildluis. In den herfst zit de larve met den langen snavel vastgehecht aan het onderste gedeelte van den sparreknop, die bestemd is om zich in de volgende lente tot een zoogenaamde “meiloot” te verlengen. Zij overwintert op de genoemde plaats en begint hier na haar ontwaken in de lente opnieuw te zuigen; dit geeft aanleiding tot het kort blijven van de loot, welker onderste naalden in vliezige schubben veranderen en de fraaie “gal”, waarin de Luizen van de tweede generatie zich zullen ontwikkelen. Deze ontstaan uit de eieren, die de “stammoeder van de sparregal” achtereenvolgens ten getale van ongeveer 200 legt, nadat zij driemaal haar huid afgeworpen en het daarop voorkomend wollig bekleedsel telkens op uitgebreider schaal vernieuwd heeft. De eieren komen voor een deel in de harige wasdraden te liggen, die bij de vervelling afgestooten worden; zij ontstaan natuurlijk zonder voorafgaande paring, d.i. parthenogenetisch. Als de “stammoeder” sterft, zijn sommige van hare eieren reeds uitgekomen. Tegen het midden van Mei hebben alle larven de eischaal verlaten en is de verandering van den aangestoken knop reeds zoo ver voortgeschreden, dat hij op een kleinen dennekegel gelijkt. De naalden zijn nauw aaneensluitende schubben geworden en gedeeltelijk vergroeid. De hiertusschen overblijvende holten of “galkamers” zijn echter nog toegankelijk voor de kleine, lichtgele larven van de tweede generatie, die, nadat zij zich hier gevestigd hebben (soms ten getale van 20 in één kamer) door haar voortdurend zuigen de misvorming voltooien, waarvan de grondslag gelegd werd door de “stammoeder”. Tot groote schade voor de ontwikkeling van den boom zit de kroon van jonge sparren soms vol van zulke gallen.

Groene Sparrenbladluis (Chermes viridis):—“Gevleugelde verhuister”: a) als larve, b) als nympha (larve na de voorlaatste vervelling, in ’t bezit van vleugelstompjes), daarachter de afgeworpen huid, c) als imago, d) Dennekegelvormige gal, die nog gesloten en dus nog niet door de nympha’s (b) verlaten is. Vergroot.

De larven, die in de gal leven, zijn slanker dan de stammoeder, beweeglijker dan deze en eveneens met witte, wollige wasdraadjes bekleed, die echter korter zijn. Na het verkrijgen van vleugelstompjes, na de voorlaatste vervelling dus, blijven zij met opgetrokken pooten, vastgehecht door den snavel, stil op dezelfde plaats zitten, totdat in den kegel door het verdrogen van de naalden regelmatige dwarsspleten zijn ontstaan. Hierdoor komen zij (gewoonlijk in de eerste helft van Augustus) in zeer grooten getale naar buiten, begeven zich op de naburige naalden en veranderen in gevleugelde Luizen van groenachtig gele kleur met zwartachtige vlekken op den rug van het borststuk. Deze worden “gevleugelde verhuisters” genoemd, daar zij, de spar verlatend, overgaan op de naalden van den lork. Hier leggen zij parthenogenetisch eieren, waaruit in den herfst geelachtige jongen komen, die slechts korten tijd aan de naalden zuigen, daarna onder schorsschilfers of in spleten van de schors overwinteren en in ’t voorjaar volwassen worden. Deze derde generatie bestaat uitsluitend uit ongevleugelde wijfjes, die “onechte stichters” heeten. Parthenogenetisch leggen zij eieren, waaruit gele larven komen, die door haar zuigen een knievormige kromming van de sinds kort uitgekomen lorknaalden teweegbrengen. Deze ontwikkelen zich schielijk tot de gevleugelde wijfjes van fraaie, lichtgele of groene kleur, die vroeger onder den naam van Lorkenbladluis (Chermes laricis) beschreven werden, maar nu als de vierde generatie van de Groene Sparrenbladluis bekend zijn. Zij worden “gevleugelde wederkeersters” genoemd, omdat zij in Mei terugkeeren naar den boom, die door hare gevleugelde grootmoeders in den vorigen zomer verlaten werd. Van deze tweede gevleugelde generatie zijn de parthenogenetisch gevormde eieren afkomstig, die zich op voorjarige sparrenaalden ontwikkelen tot gele, ongevleugelde mannetjes en wijfjes. Uit de bevruchte eieren, die de leden van de vijfde generatie voortbrengen, komen de Luizen, die wij reeds als “stammoeders van de sparregallen” hebben leeren kennen; zij beginnen den nieuwen ontwikkelingskring.

Volledigheidshalve moet hier nog bijgevoegd worden, dat uit de eieren van de “onechte stichters”, behalve “gevleugelde wederkeersters”, ook ongevleugelde “ballingen” kunnen voortkomen, die, op den lork blijvend, hier het aanzijn geven aan verscheidene generaties van ongevleugelde wijfjes, die zich parthenogenetisch voortplanten.

Van de Gewone Sparrenbladluis (Chermes abietis), die veel op de vorige gelijkt en er tot dusver gewoonlijk mede verward werd, is de ontwikkelingskring samengesteld uit twee generaties van wijfjes, die zich parthenogenetisch voortplanten. De eene generatie bestaat uit ongevleugelde, de andere uit gevleugelde Luizen, welker levenswijze slechts in zooverre verschilt van die der beide eerste generaties van de vorige soort, dat de gevleugelde wijfjes niet naar den lork verhuizen, doch weinige dagen na haar verschijning in haar gewone houding, maar—dood, op de naalden van den spar zitten met een door de vleugels overdekt hoopje van hoogstens 40 eieren achter zich. Uit deze eieren komen de larven voort, die aan den voet van de sparrenknoppen overwinteren.

Druifluis (Phylloxera vastatrix): 1–4) Wortelluis: 1) Rugzijde, 2) buikzijde, 3) zuigend op een wortel, 4) snavel.—5) Gevleugelde Luis.—6) Stuk van een wijnstokwortel met opzwellingen, die door het zuigen van de Wortelluizen veroorzaakt zijn.—7) Oudere wortel, waarop (bij 8) overwinterende Luizen.—Fign. 1–5 sterk vergroot.

De Druifluis of Wortelluis van den Wijnstok (Phylloxera vastatrix) heeft sedert 1863 door de ontzaglijke verwoestingen, die zij in de Fransche wijnbouwdistricten aanrichtte, groote ontsteltenis veroorzaakt. Dit schadelijk Insect, in 1854 door Asa Fitch in Noord-Amerika ontdekt, vertoonde zich in Europa het eerst in de omstreken van Avignon, hoewel het niet voor 1868 door Planchon bij St. Rémy (dept. Hérault) herkend werd. Het volgde bij zijn verdere verbreiding vooral de rivierdalen, zoowel in boven- als in benedenwaartsche richting, legde gemiddeld in den loop van één jaar een weg van 20 à 25 KM. af en had op 1 October 1882 van de 2 415 986 HA. wijngaarden, die Frankrijk bezat, 763 799 HA. (d. i. nagenoeg het derde gedeelte) totaal vernield, bovendien nog 642978 HA. aangetast en zwaar beschadigd. De door haar veroorzaakte schade wordt op meer dan 5 milliarden francs begroot. Toen de Druifluis zich plotseling in 1869 bij Genève en in 1873 in de proeftuinen van Annaberg bij Bonn en van Klosterneuburg bij Weenen vertoonde, kwam men tot de overtuiging, dat zij met Amerikaansche stekken naar Europa was overgebracht.

Ongevleugelde, nog onvolwassen Druifluizen van bruinachtige kleur (de wintervorm van de Wortelluis) overwinteren, zoodra de bodemtemperatuur beneden 10° C. daalt, in spleten van wijnstokwortels, bij voorkeur in die, welke ongeveer de dikte van een vinger hebben (fig. 7) en kunnen dan gedurende geruimen tijd een temperatuur van -8 à -10° C. verdragen. Zoodra in de lente de bodemtemperatuur boven 10° C. gestegen is, ontwaken de Wortelluizen, hechten zich met den snavel vast aan de wortelvezels (fign. 1–3), veroorzaken hier galachtige opzwellingen (fig. 6) en bereiken weldra haar volle grootte (0.75 mM. of weinig meer). Parthenogenetisch legt ieder 30 à 40 eieren, waaruit in ongeveer 8 dagen (bij warm weer spoediger) gele jongen te voorschijn komen. Deze zuigen zich eveneens vast, groeien snel, vervellen intusschen 3-maal en planten zich gemiddeld na 20 dagen op dezelfde wijze als hare moeders voort. In den loop van het jaar kunnen 6 à 8 generaties zich ontwikkelen, waaruit men kan afleiden, dat het aantal nakomelingen van iedere overwinterende Wortelluis in één jaar verscheidene millioenen kan bedragen.

Bij de zomer- en herfst-generaties van Wortelluizen merkt men (voor het eerst in Juni) enkele exemplaren op, die van de overige verschillen door een slankere gedaante, en bovendien reeksen van wratjes op den rug, een langer eindlid aan de sprieten en zwartachtige vleugelscheeden aan weerszijden van het borststuk bezitten. Daar deze diertjes zich tot gevleugelde Luizen ontwikkelen, heeft men ze nymphen (poppen) genoemd. Zij kunnen zich goed bewegen en gaan in den regel vóór de laatste vervelling van de wortels op de bovenaardsche deelen van den wijnstok over. Door de vierde vervelling ontstaat uit de nymphe de gevleugelde Druifluis (fig. 5). Deze is geel, op het borststuk donkerder; de lichtgrijze vleugels zijn horizontaal gericht en steken voorbij de spits van het achterlijf uit. Vooral door luchtstroomingen kan het in dezen toestand verkeerende Insect op grooten afstand van zijn geboorteplaats worden vervoerd; uit eigen beweging vliegt het zoo ver niet. Het sterft, nadat het 2 à 4 eieren gelegd heeft op allerlei bovenaardsche deelen van den wijnstok, vooral in de gaffelpunten der bladnerven. De op bladeren liggende eieren verschillen o.a. door hun vorm van die, welke op de wortels voorkomen en zijn van tweeërlei grootte. Na gemiddeld 12 dagen komen uit de kleinste eieren roodachtige mannetjes, uit de grootste geelachtige wijfjes. Beide missen de vleugels, den snavel en het spijskanaal. Men treft ze van Augustus tot October aan op oude gedeelten van den stam, waar het wijfje na de paring één betrekkelijk zeer groot, zoogenaamd “winterei” in een spleet of achter een schilfer van de schors verbergt. Sommige van de ongevleugelde wijfjes, die in het laatst van April of in het begin van Mei uit de wintereieren komen, blijven boven den grond en leiden—evenals verscheidene generaties van nakomelingen, die met haar in vorm en voortplantingswijze overeenkomen—een parasitisch leven op de bladen; deze vertoonen overal, waar zij door den snavel van het Insect gewond zijn, galachtige, van boven geopende opzwellingen, die aan de onderzijde uitpuilen. Ieder van deze zakjes bevat een 200-tal eieren. In den herfst begeven de bladgallen-vormende wijfjes zich naar de wortels, waar de overige uit wintereieren ontstaande Luizen kort na haar geboorte begonnen zijn te zuigen. In Duitschland zijn de “bladgallen” nog niet waargenomen; geregeld vertoonen zij zich in Amerika; ook in sommige streken van Frankrijk en Zwitserland komen zij voor.

Phylloxera vastatrix tast geen andere planten aan dan de wijnstok; de fijne, in de lente ontsproten wortels, waaraan deze Insecten zuigen, vertoonen blaasvormige knobbels (nodositeiten, fig. 6), die spoedig tot rotting overgaan; iets later geschiedt dit met de langzamerhand toenemende schurftige, sponsachtige opzwellingen (tuberositeiten) van de dikkere wortels, die daarna de schors verliezen en broos worden. Boven den grond neemt men meestal in het tweede jaar de eerste ziekteverschijnselen waar: de bladen worden geel vóór den tijd en vallen af, nadat de randen zich omgekruld hebben. In ’t volgende jaar is de aangestoken plant achterlijker dan de gezonde, vormt kortere loten en draagt minder trossen, welker slecht rijpende bessen een flauwen smaak hebben. In warme gewesten sterven de aangetaste wijnstokken reeds in het derde of vierde jaar. Langer blijven zij leven in Duitschland, waar de Druifluis zich minder snel vermenigvuldigt.—Sommige Amerikaansche soorten van wijnstokken zijn door hunne buitengewoon krachtige wortels aanmerkelijk beter tegen de Druifluizen bestand dan de Europeesche; met goed gevolg heeft men pogingen gedaan om door het enten van inheemsche soorten op de uitheemsche Vitis riparia en Vitis solonis wijnstokken te verkrijgen, die weinig beschadigd worden.—Ook is de toestand aanmerkelijk verbeterd door het opvolgen van de bepalingen der internationale Druifluisconventie van 17 Sept. 1878, door betere bemesting van den bodem en door het aanwenden van Insectendoodende middelen, vooral van kaliumsulfocarbonaat.


De Echte Bladluizen (Aphididae) zijn kleine, teere, betrekkelijk slanke, al of niet gevleugelde Plantenluizen, die het vermogen om te springen missen en geen in ’t oog vallende kleur vertoonen. Zij hebben draadvormige sprieten, die bij de volwassen Insecten uit 6 leden bestaan. De snavel is goed ontwikkeld, dikwijls lang of zeer lang (vooral bij Lachnus en Schizoneura, waar hij in rust als een staart van onderen achter het lichaam uitsteekt). De pooten zijn gewoonlijk slank en hebben een 2-ledigen, in 2 klauwen eindigenden voet. In den samengestelden ontwikkelingskring dezer Luizen treden achtereenvolgens talrijke generatiën op van dieren, die parthenogenetisch levende jongen ter wereld brengen, en eindelijk een generatie van mannetjes en wijfjes, die zich door bevruchte eieren voortplanten.

De Bloedluis (Schizoneura lanigera), zoo genoemd, omdat zij bij het platdrukken een roode vlek achterlaat, is een van de ergste vijanden van den appelboom. Tot meer of minder groote scholen vereenigd, of op reeksen zittend, zuigen deze Insecten sap uit de schors en het spint van het jonge hout; hierdoor veroorzaken zij schurftige plekken, die langzamerhand den geheelen boom doen sterven. De kleur van de ongevleugelde Luizen wisselt af van honiggeel tot roodachtig bruin; de rug is, vooral van achteren, met witte, wollige wasuitscheidingen bekleed, die reeds op eenigen afstand in ’t oog vallen. Tegen den nazomer ontstaan ook gevleugelde individuën, welker zwarte kleur op het achterlijf in chocoladebruin overgaat; zij zijn wit berijpt en voor een deel met witte, wollige haren bekleed. Zij hebben grootere oogen en nog kortere sprieten dan hunne vleugelooze voorouders. In plaats van 30 à 40 levende jongen, zooals deze, brengen zij 5 à 7 eieren voort, die gedurende het leggen of kort daarna uitkomen en dwergachtige, ongesnavelde geslachtsdieren opleveren, welker bevrucht ei overwintert. Door de Bloedluizen wordt het hout knoestig en broos, zoodat de boom spoedig duidelijke verschijnselen van achteruitgang vertoont.

Het soortenrijkste geslacht is dat der Bladluizen i.e.z. (Aphis), kleine, dunpootige Insecten, die op bladen, knoppen en jonge spruiten van kruidachtige en houtige planten leven. De sprieten hebben steeds meer dan de halve lichaamslengte en zijn 6- (schijnbaar 7-) ledig; het laatste lid heeft n.l. in ’t midden een reukgroeve, wordt hier plotseling dunner en blijft dun tot aan den top. Aan weerszijden van het op 2 na laatste achterlijfssegment komt een goed ontwikkeld “rugpijpje” voor (dat bij andere geslachten rudimentair is), waaruit een wasachtige (niet honigachtige) stof ontwijkt, die, naar het schijnt, als beschuttingsmiddel dient. Het is niet op deze stof, dat verschillende Insecten, vooral mieren, verzot zijn, maar op een ander, zeer suikerrijk vocht, dat door de aarsopening wordt verwijderd en uit onverteerde overblijfselen van het opgezogen plantensap bestaat.

De Aphis-soorten leven gezellig, dikwijls in groote scholen bijeen; zij brengen geen gallen voort, hoewel door hun zuigen de bladen dikwijls een gekroesden vorm verkrijgen. Dikwijls leven zij niet uitsluitend op de plant, waaraan zij haar soortnaam ontleenen, maar ook op allerlei andere planten. Zoo vindt men b.v. op appel- en pereboomen en op den sleedoorn de Groene Appelbladluis (Aphis mali), op appelboomen en lijsterbessen de Roodachtige Appelbladluis (Aphis sorbi), op erwten, wikken, blazenstruik (Colutea) en verscheidene in ’t wild levende vlinderbloemigen de Erwtenbladluis (Aphis ulmaria), enz.

In ’t voorjaar (vroeger of later, al naar het weer is) komen uit de eieren, die onder bladen en op andere beschutte plaatsen overwinterden, ongevleugelde Bladluizen. Zij vervellen 4-maal, kunnen in 10 à 12 dagen volwassen zijn en brengen daarna parthenogenetisch levende jongen ter wereld. Deze hechten zich met den snavel vast en gedragen zich vervolgens geheel op dezelfde wijze als haar moeder. Verscheidene aldus gevormde generaties van Bladluizen kunnen gedurende het voor haar gunstige deel van ’t jaar het levenslicht aanschouwen. Bonnet heeft uit een enkele Bladluis 15 generaties verkregen. Daar ieder individu, naar men aanneemt, 30 à 40 jongen oplevert, is haar aantal ten slotte ontzaglijk groot, zoodat er een getal van 20 cijfers noodig zou zijn om het voor te stellen. Wanneer de bladluiskolonie talrijk is geworden, verandert haar uitzicht eenigszins, daar tusschen de ongevleugelde enkele gevleugelde individuën rondloopen en afwisseling brengen in het eenvormige gezelschap. Zij werden geboren als ongevleugelde larven, maar krijgen later vliegwerktuigen, die zij gebruiken om ver van haar vaderland nieuwe volkplantingen te stichten. Op de plaats waar zij zich gevestigd hebben, merkt men dezelfde verschijnselen op, als in de oorspronkelijke kolonie; want ook de gevleugelde dieren zijn wijfjes, die zich parthenogenetisch voortplanten en levende jongen baren. Aanvankelijk ontstaan geen andere dan ongevleugelde individuën; bij volgende generatiën komen ook gevleugelde Bladluizen voor.

Langzamerhand zal in den herfst het voedsel, dat vroeger in overvloed voorhanden was, schaarscher worden; in dezelfde verhouding neemt het aantal geboorten af. Ook de aard van de jongen wijzigt zich: de meeste worden ongevleugelde echte wijfjes; tot dezelfde generatie behooren kleinere, in den regel gevleugelde mannetjes, die echter veel minder talrijk zijn. Na de paring leggen de wijfjes eieren op den stengel van de voederplant of op andere beschutte plaatsen (dit hangt van de soort af). De parende en eierleggende Bladluizen verschillen in lichaamsbouw aanmerkelijk van de wijfjes, die levende jongen ter wereld brengen.

Evenals andere Insecten nu en dan in tallooze menigte voorkomen en door de vorming van zwermen de algemeene opmerkzaamheid trekken, hebben ook de teere Bladluizen soms ware wolken in de lucht doen ontstaan; dit deed o.a. de Populierbladluis (Pemphigus bursarius) den 7en October 1846 in Zweden. Tusschen Brugge en Gent verschenen den 28en September 1834 wolken van Bladluizen, die zich den volgenden dag te Gent van ’s morgens 7 uur tot in den avond in zulke groote scharen vertoonden, dat het daglicht er door verduisterd werd; den 5en October was de geheele straatweg van daar tot Antwerpen er zwart van. Ter zelfder tijd trokken zij naar Eeclo en noopten de menschen zich te beveiligen door een bril voor de oogen en een zakdoek voor den mond en den neus te houden. Den 9en October zag men te Aalst een grooten zwerm van Perzikbladluizen (Aphis persicae), welker afdeelingen door den wind in alle richtingen verspreid werden en 3 dagen later ook Brussel aandeden. Tusschen 17 en 21 Juni 1847 vertoonden zich in verschillende streken van Engeland zwermen van de Boonenbladluis (Aphis fabae). Een verklaring van dit verschijnsel, dat vele malen waargenomen werd, heeft men nog niet kunnen geven.

Daar de Bladluizen zeer groote hoeveelheden sap aan de door haar bewoonde planten onttrekken, zijn zij voor land- en tuinbouw zeer nadeelig. Bovendien gaan zij zeer kwistig met het door haar opgenomen voedsel om. De meeste soorten werpen voortdurend door de aarsopening druppels uit van een vocht, dat zeer rijk is aan oplosbare koolhydraten, vooral aan suiker; dikwijls wordt dit vocht ver weggespoten en geeft dan aanleiding tot het verschijnsel, dat “honigdauw” wordt genoemd en uit een fijne regen van zoete, kleverige drupjes bestaat, die niet slechts de voorwerpen onder den boom, maar ook zijne bladen als met een vernis bedekken. Het is uitgemaakt, dat de excrementen van de Plantenluizen hiervan de eenige oorzaak zijn. Boussingault vond bij het berekenen van de hoeveelheid honigdauw van een linde, dat iedere vierkante meter bladen-oppervlakte 22–34 gram, de geheele boom dus 2 à 3 KG. koolhydraten verliest d. i. zooveel als noodig is, voor de vorming van 4000 bladen of ⅙ van het geheele getal. Een groote hoeveelheid Bladluizen op een boom veroorzaakt dus een sterke vertraging van den groei, zelfs wanneer deze Insecten niet, gelijk zoo dikwijls voorkomt, misvormingen van bladen en loten en galvorming teweegbrengen. Hier staat tegenover, dat zulk een boom bezocht wordt door Mieren, die hem beveiligen tegen allerlei schadelijk gedierte. Daar ook de Bijen op den honigdauw azen, levert deze den imker voordeel op. Op de met honigdauw bedekte plantendeelen groeien echter dikwijls zwarte, van afval levende (saprophytische) zwammen (voor ’t meerendeel Fumago-soorten) welk verschijnsel “roetdauw” heet. Hoewel deze schimmelplantjes zich uitsluitend met het kleverige korstje op de plant voeden en hare weefsels niet aantasten, benadeelen zij deze toch indirect, door het zonlicht af te schutten en de huidmondjes te verstoppen. Ook is het gebleken, dat de honigdauw de vestiging van sommige andere zwammen, die een parasitische levenswijze hebben en dus wel degelijk de plant zelf aantasten (o.a. van Erisyphe), bevordert en op deze wijze aanleiding geeft tot “meeldauw”. Men moet deze ziekte niet verwarren met het gelijknamige verschijnsel, dat tot oorzaak heeft het vastkleven van de witachtige huidjes, die door de Bladluizen bij de vervelling afgeworpen worden.


Een klein aantal Plantenluizen van geringe grootte—die men wegens haar gestalte voor Houtluizen zou kunnen houden, indien zij niet een duidelijken, 3-ledigen met het voorborststuk sterk vergroeiden snavel bezaten—kenmerken zich door voor ’t springen geschikte (doch niet bijzonder dikke) achterpooten, die, evenals de vleugels, zoowel bij de mannetjes als bij de wijfjes voorkomen. Deze Insecten—de Bladvlooien (Psyllidae)—zijn door de genoemde bewegingsorganen, door het betrekkelijk goed ontwikkelde vleugeladerstelsel en door de uitsluitend gamogenetische ontwikkelingswijze het naast verwant aan de Cicadelliden, van welke zij echter door de lange, in 2 fijne borstels eindigende, 8- à 10-ledige sprieten verschillen. De korte kop draagt 2 samengestelde en 3 enkelvoudige oogen. De pooten zijn bij de volwassene Insecten kort, bij de platte larven nog korter. Deze leven, evenals hare ouders, op de bladeren en twijgen van verschillende planten, sommige ook op bloemen. Niet zelden brengen zij door haar zuigen misvormingen van de moederplant teweeg. Sommige zijn in boomgaarden lastig, zonder evenwel groote schade aan te richten. Zij dragen bij tot de vorming van den honigdauw en zijn in den larvetoestand langs den rand van ’t lichaam met wasdraden bezet.