Brem-bladvloo (Psyllagenistae). Ware grootte.
De 2.25 mM. lange Biezenvloo (Livia juncorum) heeft den kop en het borststuk roestgeel, doch is overigens bruin. Zij leeft in de bloeiwijzen van bloembiezen en veroorzaakt hier de vorming van gallen. Evenals de meeste van hare verwanten, overwintert zij in den imago-toestand onder bladen. De Appelbladvloo (Psylla mali) is een van de weinige soorten, die in den eitoestand den winter doorbrengen. Evenals de Perenbladvloo (Psylla piri), richt zij soms schade aan door te zuigen aan de knoppen en twijgen van de vruchtboomen, waaraan zij haar naam ontleent. Beide zijn 2.5 à 3.5 mM. lang. De laatstgenoemde soort is bruin, het mannetje van de Appelbladvloo groen met gele strepen of vlekken, het wijfje rood met groengele en bruine strepen.
Hoeveel verscheidenheid van vorm de onderorde der Cicaden (Cicadina, Homoptera) ook moge bieden, door het bezit van korte, altijd in een fijnen borstel eindigende sprieten (die licht onopgemerkt blijven), van een dikken snavel, die achter aan den kop ontspringt en van vier vleugels, die al of niet gelijksoortig, maar steeds over hun geheele lengte op gelijke wijze ontwikkeld zijn, stemmen al hare leden overeen. Zij voeden zich met plantensappen, evenals de Plantenluizen, maar hechten zich nooit, gelijk deze, voor geruimen tijd met den snavel vast. Door nu eens hier, dan weer daar haar zuigorgaan in de plant te boren, brengen zij in den regel geen belangrijk nadeel teweeg, vooral omdat zij slechts zelden tot groote scholen vereenigd voorkomen. Dikwijls wordt deze groep in 4 familiën verdeeld; de Kleine Cicaden, de Bultcicaden, de Lantaarndragers en de Zingende Cicaden.
De Kleine Cicaden (Cicadellidae) hebben een vrij vooruitstekenden kop met bovenwaarts gerichte kruin; het breede, naar voren gerichte voorhoofd draagt vóór de samengestelde oogen sprieten, die uit 2 leden en een eindborstel bestaan; sommige hebben 2 bijoogen, andere missen deze organen. De eerste borstring reikt tot aan het schildje van den tweeden, maar laat dit onbedekt. De voorvleugels zijn perkamentachtige dekschilden. De achterpooten, welker scheen verlengd is, stellen deze vlugge diertjes tot springen in staat; een sprong is meestal voor hen de voorbereiding tot het vliegen. In Europa is deze familie goed vertegenwoordigd. Geen van hare leden maakt geluid.
Tot de fraaist gevormde en geteekende soorten behooren die, welke Germar ten onrechte Blindkoppen (Typhlocyba) heeft genoemd, daar de bijoogen, hoewel dikwijls onduidelijk, niet ontbreken. Deze Cicaden zijn zelden langer dan 2 mM.; zij worden in Noord-Amerika en Noord-Azië, doch vooral in Europa veelvuldig aangetroffen. Sommige soorten komen vaak in grooten getale op één plant voor, o.a. de Rozencicade (Typhlocyba rosea) op rozenstruiken. Men ziet deze diertjes als licht citroengele, van achteren bruine, streepjes rustig zitten; zoodra echter aan den struik geschud wordt, springen zij alle naar beneden, vliegen in kringen om de plant heen en keeren spoedig naar haar woonplaats terug. Bij zonnig weer maken zij deze half springende, half vliegende bewegingen ook wel tot tijdverdrijf, zonder noodzaak.
Door een nagenoeg halvemaanvormigen, scherprandigen kop met weinig uitpuilend voorhoofd onderscheiden zich de Geoorde Cicaden (Ledra), die haar naam danken aan het oorvormig uitsteeksel aan weerszijden van het halsschild. Hiertoe behoort de grootste inheemsche vertegenwoordiger der familie, de 13 à 18 mM. lange Europeesche Geoorde Cicade (Ledra aurita, fign. 1 en 2), die men als imago van September tot November (bij ons echter niet dikwijls) op verschillende boomen (eiken, beuken, populieren, elzen) kan aantreffen. In Europa komen geen andere soorten voor dan deze; talrijk zijn zij echter in Zuid-Azië.
Een zeer eigenaardige levenswijze hebben de larven en nimfen van de Schuimcicaden (Aphrophora), die op zeer verschillende plaatsen zich ophouden in hoopjes wit schuim, door haar gevormd uit het sap, dat uit de plant in het spijskanaal opgezogen en voor een deel in den vorm van bellen door de aarsopening verwijderd wordt; zij handelen dus op gelijke wijze als de Plantenluizen bij het veroorzaken van den honigdauw. Dit schuim heeft niet ten doel andere Insecten aan te lokken, maar om de bewoonsters (één of meer), die er geheel door omhuld zijn, te beveiligen tegen vijanden. Het wordt bij ons “koekoeksspeeksel” of “koekoeksspog” genoemd; dezelfde beteekenis hebben de in Engeland en Duitschland gebruikelijke namen; in Zweden spreekt het volk van “kikkerspeeksel”, in Frankrijk van “lenteschuim”. Als vele van deze diertjes bij elkander voorkomen op een ouden wilg, ziet men, vooral wanneer de onbewolkte lucht warm, droog weer voorspelt, de talrijke schuimbellen (zooals in de afbeelding bij 3) tot druppels ineenvloeien en naar beneden vallen; men zegt dan, dat “de wilgen tranen”. De 20 mM. lange Aphrophora Goudoti, die op Madagaskar leeft, veroorzaakt bij brandende zonnehitte een formeele regenbui van sapdroppels onder den door haar bewoonden moerbezieboom, welker krachtigste twijgen door groote scholen van larven omgeven zijn.—Door de wonden, die onze Schuimcicaden aan de bast en het jonge hout van wilgen toebrengen, worden de twijgen, vooral de tweejarige, broos en voor vlechtwerk ongeschikt. Later droogt het schuimhoopje een weinig uit; het bestaat dan uit een door luchtbelletjes omgeven holte, waarbinnen het Insect van gedaante verwisselt, tegen het einde van Juni (na de voorlaatste vervelling) vleugelscheeden verkrijgt en dus in den nimf-toestand overgaat. Kort voor de laatste vervelling verlaat de nimf haar woning om op struiken en grassen te gaan rondzwerven; het schuim verdwijnt dan door uitdroging.
In Juli, na de laatste vervelling, vertoonen de Schuimcicaden zich in gevleugelden toestand. De beide algemeenste soorten zijn het Gewone Schuimbeestje (Aphrophora spumaria, fign. 3 en 4), dat 2 lichte dwarsbanden op de dekschilden heeft en het Wilgenschuimbeestje (Aphrophora salicis) dat iets langwerpiger en effen geelachtig grijs is. In den herfst leggen de wijfjes eieren in schorsspleten van boomen of op onderaardsche stengeldeelen van overblijvende kruiden. In de volgende lente, dikwijls reeds in April, komen hieruit grasgroene larven, welker achterlijf spits eindigt en aan de buikzijde afgeplat is. Zij beginnen dadelijk sap te zuigen en schuimhoopjes te vormen, die in den zomer bij zonnig weer zeer talrijk kunnen zijn. Een eigenaardige schade richten zij aan door den dood te veroorzaken van jonge Fazanten, die deze larven inslikken en dan door het gekrieuwel der levend in den krop gekomen diertjes beangst worden en uitgeput raken. Vooral wanneer de jonge Vogels niet door hunne moeders of door Tamme Hoenderen uitgebroed zijn en gehoed worden, maar aan de zorgen van domme Kalkoenen zijn overgelaten, overkomt hun dit leed.
1, 2) Europeesche Geoorde Cicade (Ledra aurita):—1) van boven, 2) van ter zijde. (In fig. 2 ziet men aan den achterrand van den naar boven gerichten, langs den rand gewimperden kop een samengesteld oog, aan het halsschild 2 oorvormige uitsteeksels en een voorpoot, verder achterwaarts een deel van het rechter dekschild.) 3, 4) Schuimbeestje (Aphrophora spumaria):—3) Imago. 4) Larve op het door haar gevormde, “koekoeksspeeksel”.—Fign. 1–3 zwak vergroot.
Andere soorten, die gemiddeld niet grooter zijn dan de reeds genoemde en meestal geen sprekende (maar een groene of sombere) kleur hebben, worden onder den naam van Bultcicaden (Membracidae) in een familie vereenigd, omdat aan haar halsschild allerlei dikwijls zeer zonderlinge, van het midden of van de zijden uitgaande uitgroeisels voorkomen, soms zoo groot, dat zij in ’t eene geval het geheele lichaam overschaduwen, in ’t andere de voorvleugels bedekken. Evenals de leden der vorige familie, kunnen de Membraciden springen, doch geen geluid maken. Slechts weinige komen in Europa voor. Het geslacht der Doorncicaden (Centrotus) is merkwaardig, doordat het in alle werelddeelen vertegenwoordigers heeft. Verreweg de meeste geslachten van Membraciden worden uitsluitend in de tropische gewesten van Amerika gevonden. In Nederland vindt men vrij zeldzaam, in den herfst bij voorkeur op hazelaars, de 8 à 9 mM. lange, grootendeels zwarte Gehoornde Doorncicade (Centrotus cornutus). Bij Triëst noemt men haar “Wijnduivel”, wegens de schade, die zij, naar men zegt, in wijngaarden aanricht en wegens de beide zijwaarts gerichte, driekantige, aan hoornen herinnerende spitsen op het halsschild. Bovendien is dit schild naar achteren verlengd tot een lang en smal uitsteeksel, dat het achterlijf voor drie vierden van zijn lengte overwelft en ongeveer in ’t midden een benedenwaartsche bocht maakt, zoodat men er van ter zijde op twee plaatsen onder door kan zien.
De Knobbelcicaden (Heteronotus), die uitsluitend in Zuid-Amerika gevonden worden, hebben een naar boven en achteren verlengd halsschild, dat holle, op verschillende wijzen vertakte en versierde knobbels of een blaasvormig uitgroeisel draagt. Bij de Netaderige Knobbelcicade (Heteronotus reticulatus) is het in ’t midden knobbelvormig gezwollen en van achteren in 3 (aan een gewei herinnerende) takken gesplitst. Bij de dofzwarte, in Columbia levende Hypsauchenia balista zijn het voorste en het achterste uiteinde van het halsschild zoowel in de lengte als in de breedte uitgegroeid; zij naderen elkander als een Slang, die zich in den staart wil bijten.
Bij de Zuid-Amerikaansche Helmcicaden (Membracis) verheft het halsschild zich meestal tot een soms zeer hoog uitsteeksel met wigvormigen bovenrand, dat bij de Hooge Helmcicade (Membracis elevata) in den vorm van een steek vóór den kop uitsteekt en zich tot boven de spits van het achterlijf uitstrekt.
De Geaderde Elzencicade (Cixius nervosus) wordt hier te lande van Mei tot Augustus veelvuldig op weiden en struikgewas, vooral op elzen, gevonden. De kop is hoekig; het voorhoofd door hooge randen omgeven en door een overlangsche lijst middendoor gedeeld, doch niet naar boven verlengd. Het mannetje is 6, het wijfje 8 mM. lang. De doorzichtige vleugels hebben 2 bruine dwarsbanden en zijn op de aders bruin gestippeld; de overige lichaamsdeelen zijn zwart, behalve de randen van den kop, een deel van de borst en de pooten.—Vergroot.
Niet minder grillig van vorm dan het halsschild der Membraciden is de kop van de Lantaarndragers (Fulgoridae), niet minder belangrijk zijn invloed op de gestalte van vele leden dezer familie; nooit speelt hij de rol van lichtgevende lantaarn, die men hem eertijds algemeen heeft toegedicht. Scherpe lijsten, die bij de overige Cicaden niet voorkomen, scheiden bij de Lantaarndragers de kruin (en meestal ook het voorhoofd) van de wangen en verschaffen aan den kop een hoekige gedaante (zie bovenstaande afbeelding); deze treedt steeds als hoofdkenmerk op den voorgrond, waar zij niet door andere wijzigingen van den vorm onduidelijk is geworden. Bij sommige soorten ontbreken de bijoogen; de overige hebben er twee: een bij den binnenrand van ieder samengesteld oog. Alle hebben op elke wang, dus onder het oog, een korte, 3-ledige spriet, die licht onopgemerkt zou kunnen blijven. De sneeuwwitte, wasachtige stof, die door vele Lantaarndragers tusschen de ringen van het achterlijf wordt uitgescheiden en dit lichaamsdeel bij wijze van rijp bedekt, neemt, wanneer zij in grootere hoeveelheid voorkomt, den vorm van draden aan, die aan de spits van ’t achterlijf als een pluim uitsteken en na afschuring door nieuwe vervangen worden. Van een in China levende soort (Flata limbata) is het witte Chineesche was (Pe-la-tsjong) afkomstig. Ook de Lantaarndragers zijn voor ’t meerendeel bewoners van de keerkringsgewesten; de weinig talrijke Europeesche soorten o.a. de beide hier afgebeelde, blijven, ondanks haar bevallig uiterlijk, wegens haar geringe grootte veelal onopgemerkt.
De grootste soorten met sterkst ontwikkelden kop behooren tot het geslacht Fulgora, o.a. de 30 mM. lange Chineesche Lantaarndrager (Fulgora candelaria), wiens sabelvormig naar voren en naar boven verlengde kop bijna even lang is als het overige lichaam. Het lichaam is menierood, de dekschilden zijn Spaansch groen met goudgele vlekken; de steenroode achtervleugels hebben een breede, zwarte spits.
De 65 à 70 mM. lange Surinaamsche Lantaarndrager (Fulgora Laternaria) trekt zeer de aandacht door het dik, blaasvormig gezwollen kopuitsteeksel, dat van achteren, ongeveer in ’t midden, een zadelvormige, door twee knobbels begrensde deuk vertoont. Hij is op groenachtig gelen grond zwart geteekend; de achtervleugels hebben een citroengele, donkerbruin gezoomde oogvlek. Aan het lichtgevend vermogen van dit dier gelooft thans geen enkele onderzoeker meer. Even ongegrond is de meening van de Brazilianen, die dit Insect (dat zij Jitirana Boïa noemen) voor zeer vergiftig houden en het zorgvuldig ontwijken.
De Zingende Cicaden (Stridulantia, Cicadidae) verdienen tot op zekere hoogte den naam, dien haar in onze taal gegeven wordt, door de tonen, welke de mannelijke leden der familie voortbrengen. Van ongelijke waardeering dezer geluiden getuigen de namen “zingen, sjirpen, gonzen, knarsen, vijlen”, waarmede verschillende hoorders ze hebben aangeduid. Op echt dichterlijke wijze vertolkten de Grieken der Oudheid de stemming, waarin de Cicaden hem brachten. Volgens een hunner sagen hadden twee toonkunstenaars Eunomus en Ariston een wedstrijd aangegaan. De eerstgenoemde behaalde de overwinning, omdat een Cicade zich op zijn harp had neergezet en het gemis vergoedde van een snaar, die gedurende den strijd gesprongen was. Daarom was bij de Grieken de op een harp zittende Cicade het zinnebeeld der muziek. Door de dichters der oudheid werden de Cicaden verheerlijkt; zij prezen haar de gelukkigste en onschuldigste van alle aardsche schepselen. De berichtgevers uit lateren tijd zijn minder met haar ingenomen. Dit blijkt o.a. uit het oordeel, dat Shaw over deze Insecten velt: “In de heete zomermaanden,” schrijft hij, “vooral van den middag tot tegen den avond, sjirpen de Cicaden zeer schel en veroorzaken een helsch rumoer, dat de ooren pijnlijk aandoet. In dit opzicht zijn zij lastiger en onbeschaamder dan eenig ander Insect; op een twijg zittend, schetteren zij dikwijls 2 of 3 uren achtereen door zonder op te houden; zij storen hierdoor de overpeinzingen of de korte rust, waaraan men zich in deze heete luchtstreken (Barbarije) omstreeks den genoemden tijd pleegt over te geven. Stellig heeft de Tettix der Grieken geheel andere tonen voortgebracht, zachter en welluidener, daar men toch niet onderstellen kan, dat de voortreffelijke redenaars, die Homerus met Cicaden vergeleek, vervelende, schetterende schreeuwers zijn geweest.”
1–3) De Europeesche Lantaarndrager (Pseudophana europaea) vertoont zich in fig. 1 in ware grootte op een bloeiwijze van het duizendblad. Dit 8.75 mM. lange Insect is grasgroen met groen geaderde dekschilden; het komt hier te lande niet voor, wel in Zuid-Duitschland, op droge weiden met veel duizendblad en ganzebloemen. Het behoort tot een geslacht, dat in alle werelddeelen, behalve Nieuw-Holland, vertegenwoordigd is, welks leden zich kenmerken door hun groene kleur en door het uitgroeien van het voorhoofd en de kruin (die beide drie lijsten vertoonen) tot een kegelvormig, naar boven gericht uitsteeksel. (Zie de fign. 2 en 3, die den kop en het voorste gedeelte van het borststuk vergroot voorstellen: fig. 2 van voren, fig. 3 van terzijde gezien.)
Het muziekorgaan van de Cicaden maakt deel uit van haar achterlijf. Twee groote, lederachtige schubben (fig. 2), verlengstukken van het borstschild van het achterborststuk, bedekken de voorste buikschilden van het achterlijf. Onder het achterste gedeelte van elke schub bevindt zich een groote en ovale plek, de zoogenaamde “spiegel”, het strak gespannen, dunne verbindingsvlies van het eerste en tweede buikschild. De beide spiegels nemen nagenoeg de geheele breedte van ’t achterlijf in en zijn in ’t midden slechts door een betrekkelijk dun strookje gescheiden; van ter zijde gezien schitteren zij met regenboogskleuren. Vóór de beide spiegels aan elke zijde van het eerste achterlijfssegment komt een kleinere schub voor, die van het rugschild uitgaat en een nagenoeg driehoekige holte bedekt, welker bodem gevormd wordt door een dun, overlangs geplooid vlies, dat aan fijn perkament herinnert; dit “trommelvlies” is bevestigd in een hoornachtig raam. Een krachtige spier, die aan het buikschild van ’t eerste achterlijfssegment ontspringt, werkt door middel van een pees op den naar den rug gekeerden rand van het raam. Door hare samentrekkingen geraakt het “trommelvlies” in trillende beweging; het hierdoor voortgebrachte geluid, versterkt door de als klankbodems dienende spiegels en andere vliezige organen, is het “gezang” der Cicaden. Daar de wijfjes het “trommelvlies” missen, kunnen zij geen geluid geven. Men heeft een tijdlang gemeend, dat de ademgaten bij het voortbrengen van het geluid der Cicaden een soortgelijke rol zouden spelen als bij het brommen der Vliegen; dat dit niet het geval is, bleek, toen men met een druppel olie de lucht afsloot; op het geluid had dit geen invloed.—Met welk orgaan de wijfjes den loktoon der mannetjes waarnemen, weet men niet.
De kop is bij de Cicaden zelden naar voren verlengd; twee gelijke bogen begrenzen gewoonlijk van voren en van achteren de kruin, welker smalle oppervlakte (fig. 2) door 2 overlangsche groeven in 3 velden is verdeeld, waarvan het middelste 3 bijoogen draagt. Van voren grenst dit veld aan den bovenrand van het blaasvormig gezwollen voorhoofd, dat met talrijke dwarsgroeven doorploegd is (fig. 3).
Van de 4 vleugels, die daksgewijs over het kegelvormige achterlijf liggen, bereiken de voorste een grootere lengte dan de achterste; zij zijn soms doorzichtig en onbehaard, soms gekleurd en behaard.
Van de pooten valt alleen op te merken, dat de voordij dik aan de onderzijde met eenige tanden gewapend is; deze eigenaardigheid is een erfstuk van de plompe, gladde, met een harde huid bekleede larven. De larven n.l. gebruiken de voorpooten om in den grond te graven. Sommige brengen haar geheele leven, d. i. eenige jaren, in den grond door; andere houden zich hier slechts in ’t laatste tijdperk van den larvetoestand op; nog andere brengen er alleen den winter door; zij zuigen dan sap uit de wortels van houtige planten.
De Cicaden zijn schuwe en trage dieren, die alleen door de stralen van de brandende middagzon tot een iets vluggere beweging opgewekt worden. Zij steken den snavel in jonge twijgen van houtige planten en voeden zich met het hieruit opgezogen sap. Ook nog na het terugtrekken van den snavel vloeien er druppels uit de wonde, die, aan de lucht opdrogend, den tak bedekken met een korst, welke men van sommige planten inzamelt en onder den naam van “manna” gebruikt. Met den legboor, die in rust teruggetrokken wordt in een overlangsche spleet van den buik, boort het wijfje gaten tot in het merg van jonge twijgen en legt in ieder gat een ei. De hieruit komende larve verlaat onmiddellijk haar geboorteplaats en begeeft zich in den grond, waar zij sap uit de wortels zuigt. Eerst na verscheidene jaren gaat zij in den imago-toestand over. Zoo dankt een Noord-Amerikaansche, vooral op eiken levende soort, die gevreesd wordt wegens de schade, welke de wijfjes met den legboor, de jongen met den snavel aanrichten, den naam Cicada septemdecim aan haar 17-jarige generatie. Dit maakt, dat de buitengewone talrijkheid van deze Insecten zich om de 17 jaar herhaalt, gelijk in Pennsylvanië b.v. in 1834, 1851 en 1868 gebleken is.
1) Manna-cicade (Cicada orni).—2–4) Gewone Zingende Cicade (Cicada plebeja). 4) Larve.—Vergroot.
Het aantal bekende soorten van Zingende Cicaden bedraagt 400 à 500, waarvan 18 in Zuid-Europa voorkomen; de meeste bewonen den tropischen aardgordel; op ongeveer 40° ZB. bereikt deze familie de grens van haar verbreidingsgebied; noordwaarts verwijderen enkele soorten zich aanmerkelijk verder van den evenaar. In Nederland vindt men geen Zingende Cicaden. In Duitschland zijn er 4 waargenomen: Cicada haematodes (bij Würzburg), Cicada plebeja (fign. 2–4) (bij Regensburg), Cicada atra (o.a. bij Heidelberg, Erlangen en in de Fränkische Schweiz) en Cicada montana, die nagenoeg geheel Europa en Noord-Azië bewoont.
Een van de merkwaardigste Zuid-Europeesche soorten is de 28 mM. lange, geelachtige, zwart gevlekte Manna-cicade of Kleine Esschen-cicade (Cicada orni fig. 1), die voornamelijk uit bladen en jonge spruiten van den manna esch (Ornus europaea) sap zuigt; hierdoor geeft zij aanleiding tot het winnen van een product, dat manna heet, grootendeels uit een eigenaardige suikersoort bestaat en o.a. als purgeermiddel dient; het meeste manna wordt echter verkregen uit wondjes, die niet door Cicaden, maar opzettelijk door menschen in den boom gemaakt worden.
De vierde onderorde van de Snavelinsecten is die der Wantsen (Heteroptera); zij kenmerkt zich door den bouw der vleugels, die in rust horizontaal op het achterlijf liggen; de achterste, de eigenlijke vliegwerktuigen, zijn waaiersgewijs geplooid onder de voorste; deze heeten halve dekschilden of halfschilden (hemielytra), omdat hun dikwijls uit verscheidene stukken (corium, clavus, cuneus, emboleum) bestaande wortelhelft lederachtig, de eindhelft (membrana) daarentegen vliezig is. De wortelhelft ligt met den binnenrand tegen een zijrand van het steeds sterk ontwikkelde schildje aan, zoodat de zijstukken van het achterlijf hier slechts één bedekking hebben; de vliezige eindhelften bedekken elkander en verschaffen een dubbele bedekking aan het achterste deel van ’t achterlijf. Op den bouw der voorvleugels berust de naam Halfvleugeligen (Hemiptera), die vroeger verkeerdelijk op de geheele orde werd toegepast. Uitzonderingen vormen o.a. de Vuurwantsen en de Waterloopers, welker voorvleugels geheel en al lederachtig zijn. Slechts weinige soorten missen de achtervleugels of zijn geheel ongevleugeld.
1) Bootsmannetje (Notonecta glauca), vliegend en zwemmend.—2–4) Platte Waterschorpioen (Nepa cinerea): 2) Imago bij het uitzuigen van een Agrioniden-larve; 3) larve; 4) Eieren.—5) Gewone Zwemwants (Naucoris cimicoides).—6)Geoffroy’s Duikerwants (Corisa Geoffroyi).—7) Lange Waterschorpioen (Ranatra linearis).—8) Vijverlooper (Limnobates stagnorum).—9) Moeraswaterlooper (Hydrometra paludum).—10) Eieren en larven van een Waterlooper.—11) Beeklooper (Velia currens): Vleugellooze variëteit.—Ware grootte.
Verreweg de meeste Wantsen onderscheiden zich door de eigenaardige lucht, die zij verbreiden en op voorwerpen, waarmede zij in aanraking zijn geweest, overdragen; op deze wijze maakt de Frambozenwants (Pentatoma baccarum) verschillende vruchten onsmakelijk en verpest de Bedwants (Cimex lectularius) de door haar bewoonde ruimten. Hare stinkklieren monden uit bij de plaats van aanhechting der achterpooten.
De snavel, die bij de Wantsen niet aan de keel, zooals bij de vorige onderorden, maar aan de spits van den kop ontspringt, is hierdoor beter geschikt voor het rooversbedrijf; werkelijk voeden de meeste Wantsen zich met de sappen van andere dieren, vooral van Insecten. Voor ’t meerendeel zijn zij landdieren; eenige houden zich, evenals de Bedwants, over dag verborgen en zoeken des nachts voedsel; die, welke over dag wakker zijn, maken echter de meerderheid uit; verscheidene vliegen bij zonnig weer snel rond, om op weiden en akkers en in bosschen haar beroep uit te oefenen, waarbij zij in den regel niet sterk de aandacht trekken. Andere Wantsen mag men waterdieren noemen, hetzij omdat zij flink zwemmen; de laatstgenoemde verlaten dikwijls ’s avonds het water om te vliegen.
Waarschijnlijk komt bij alle Wantsen een éénjarige generatie voor. De eieren, die in de lente buiten op een plant gelegd worden, openen zich meestal met een deksel. Uitwendig verschillen de larven van de volwassene alleen door het gemis van vleugels, waarvan zich bij de voorlaatste vervelling (in den nimftoestand) beginseltjes vertoonen. In levenswijze komen de larven en nimfen met hare ouders overeen. In den nazomer zijn zij volkomen ontwikkeld; na de overwintering heeft de voortplanting plaats. Kort daarna sterven de volwassen Insecten.
Schadelijk zijn alleen de weinig talrijke soorten, die zich met het bloed van Gewervelde Dieren voeden, benevens eenige van plantensap levende vijanden van gekweekte gewassen. Nuttig zijn eenige Roofwantsen door het verdelgen van schadelijke Insecten.
Gewoonlijk wordt deze onderorde in twee groepen verdeeld: de Landwantsen (Geocores) en de Waterwantsen (Hydrocores). De leden der eerste groep, waaraan men ook toevoegt de Wantsen, die aan de oppervlakte van ’t water of op waterplanten leven, onderscheiden zich door duidelijk zichtbare, vóór den kop uitstekende sprieten. Bij de overige zijn de 3- of 4-ledige sprieten uiterst kort en in een groeve onder de oogen aan de onderzijde van den kop verborgen.
Zoowel de gestalte als de kleur van de Waterwantsen vertoont betrekkelijk weinig afwisseling. Zelfs die, welke de keerkringsgewesten bewonen, munten boven hare in koudere streken levende verwanten niet uit door kleurenpracht en verscheidenheid van vormen, maar hoogstens door een aanzienlijker grootte. Zij maken jacht op de kleine dieren, die in de door hen bewoonde wateren in overvloed voorkomen, spietsen ze aan haar snavel en zuigen ze uit. Gedurende den winter rusten zij, verborgen in den modder, op den bodem van ’t water. Tot deze groep behooren de familiën der Rugzwemmers en der Waterschorpioenwantsen.
Door den grooten, breeden, scheef naar onderen en naar achteren gerichten kop met stomp afgerond voorhoofd, den langwerpig ovalen romp en de meer of minder afgeplatte, aan weerszijden (of alleen aan de binnenzijde) door wimpers verbreede achterpooten kenmerken zich de Roeipootigen (Pediremi), die men ook wel Rugzwemmers (Notonectidae) noemt, hoewel alleen op de leden van het geslacht Notonecta deze naam letterlijk toepasselijk is. De voorpooten zijn geen roofpooten, hoewel zij bij de Duikerwantsen (Corisa) voor het vasthouden van de prooi dienen.
Als voorbeeld van het laatstgenoemde, ook bij ons door talrijke soorten vertegenwoordigde geslacht moge de (fig. 6) Geoffroy’s Duikerwants (Corisa Geoffroyi) dienen. Op de sterk glimmende, platte rugzijde van het 13 mM. lange Insect heeft zwartgroen de overhand; deze kleur wordt op het halsschild door gele golflijnen, op de dekschilden door gele stippels afgebroken. De onderzijde is geel met zwarte vlekken. De wijfjes leggen in het voorjaar hare tot platte scholen vereenigde eieren op waterplanten. Die van twee Mexicaansche soorten (Corisa mercenaria en Corisa femorata) worden ingezameld en op verschillende wijzen als voedsel gebruikt.
De 14 à 15 mM. lange Gewone Rugzwemmer (Notonecta glauca, fig. 1), die meesterlijk de kunst van zwemmen verstaat, verdient ten volle zijn naam, daar men hem gewoonlijk in de rugligging ziet zwemmen. Met de gele, platte borst naar boven, den stomp gekielden rug naar beneden gericht, de krachtige, elastische achterpooten als roeiriemen uitslaande, schiet deze Wants door het water; haar vorm, waaraan zij en hare verwanten den naam van Bootsmannetjes danken, herinnert aan dien van een boot. Uit eigen beweging kruipt zij, als de zon schijnt, bij het een of ander voorwerp omhoog om te gaan vliegen. Haar buikzijde is dicht bedekt met haartjes, waartusschen zij de lucht medeneemt, die voor ’t ademhalen onder water vereischt wordt; af en toe vernieuwt zij dezen voorraad door de spits van het achterlijf boven den waterspiegel te verheffen. De met lucht bedekte buikzijde vertoont onder water, door totale terugkaatsing van het licht, een zilverachtigen glans. In ’t begin van de lente worden de ovale, lichtgele, aanvankelijk kleverige eieren bij reeksen op het onderste deel van een waterplant of op den bodem gelegd, zoodat zij gezamenlijk een schijf vormen. De larven gelijken in vorm en levenswijze op hare ouders, maar zijn okergeel en natuurlijk ongevleugeld. Vóór Augustus vervellen zij 3-maal en zijn daarna in het bezit van zeer korte vleugelstompjes. Na de vierde vervelling is het Insect volkomen ontwikkeld, hoewel er nog eenigen tijd verloopt, voordat de huid verhard is en de normale kleur vertoont. Het overwintert in verstijfden toestand in den modder.—Rugzwemmers, die veel op de onze gelijken, worden door de Mexicanen Moschitos genoemd en in gedroogden toestand als vogelvoeder gebruikt. Van de eieren wordt een soort van koek gebakken, welk gerecht onder den naam van “haoetle” bekend is en naar visch smaakt.
Een kleine, smalle kop en tot vangwerktuigen vervormde voorpooten kenmerken de familie der Waterschorpioenwantsen of Roofvoetigen (Nepidae of Pedirapti), waarin 2 groepen te onderscheiden zijn, die soms als onderfamiliën, soms als familiën worden beschouwd. De Zwemwantsen (Naucorinae) herinneren door den lichaamsbouw en door de beharing van de soms lederachtig gewimperde achterpooten aan sommige Dytisken onder de Kevers en zwemmen even behendig als de Roeipootigen. Een voorbeeld hiervan is de Gewone Zwemwants (Naucoris cimicoides, fig 5), een 11 à 13 mM. lang, van boven naar onderen afgeplat Insect van eironden omtrek, dat bij ons algemeen in stilstaand en langzaam stroomend water voorkomt en zich zwemmend tusschen de waterplanten beweegt. Deze soort heeft een zwak gewelfde rugzijde, welker glanzig groenachtig bruine kleur op het schildje en de dekschilden het donkerst is. Het wijfje legt de eieren, evenals de vorige soort, tot schijven vereenigd op waterplanten.
Tot een nauw verwant geslacht behoort de Zuid-Amerikaansche Reuzenzwemwants (Belostoma grande), het grootste dier van de geheele orde, daar het 105 mM. lang wordt.
Sommige uitheemsche soorten, o.a. de Oostindische Zwemwants (Diplonychus rusticus), onderscheiden zich door de zonderlinge gewoonte van de wijfjes om hare tot een schijf vereenigde eieren op den rug te dragen.
*
De Echte Waterschorpioen-wantsen (Nepinae) loopen langzaam aan den ondiepen waterkant over den modderigen bodem en steken van tijd tot tijd de lange, dunne adembuis, waarin haar achterlijf eindigt, boven den waterspiegel. Hiertoe behoort de trage, lang- en dunpootige Gewone of Platte Waterschorpioen (Nepa cinerea, fig. 2). Met uitzondering van den helder menierooden rug van het achterlijf, die men eerst na het wegnemen der vleugels te zien krijgt, is het buitengewoon platte lichaam zwartbruin en gewoonlijk door het aanhangende vuil wankleurig. In de lente legt het wijfje de eieren, die aan ’t eene einde 7 straalsgewijs gerangschikte uitsteeksels hebben (fig. 4), op waterplanten. De hieruit komende larven hebben een aanmerkelijk kortere adembuis dan hare ouders.
De Lange Waterschorpioen (Ranatra linearis, fig. 7) schijnt een met steentjes bezaaiden boven een met modder bedekten bodem te verkiezen. Zijn rolrond lichaam is grootendeels geelachtig grijs, het achterlijf van boven rood, aan de zijden geel; de achtervleugels zijn melkwit. Evenals hare verwanten, wandelt ook deze langpootige Wants, loerend op roof, over den bodem van ondiep water. De peervormige lichaampjes van verschillende grootte, waarmede zij niet zelden bezet is, zijn parasieteerende Watermijten (Hydrachna). Het wijfje doorsteekt met den legboor het blad van een waterplant om in de wonde een ei te leggen, dat aan twee haarvormige uitsteeksels blijft hangen.
De Waterloopers (Hydrometridae, Ploteres), die wegens hun lichaamsbouw bij de Landwantsen worden gerekend, vertoonen eenige overeenkomst in levenswijze met hunne in ’t water wonende verwanten, maar staan toch tot deze in een soortgelijke betrekking als de Draaikevers tot de Dytisken, daar zij niet in, doch uitsluitend op het water verblijf houden. Aan een vroolijk gezelschap van vlugge schaatsenrijders op een spiegelgladde ijsbaan herinneren deze lang- en dunpootige Wantsen, terwijl zij elkander op den zonnigen waterspiegel in verschillende richtingen najagen en plotseling naar alle zijden uiteenstuiven om op een ander punt weer bijeen te komen. Hier rusten zij soms een tijdlang, zonder eenige beweging te maken, maar schijnen slechts op een aanleiding te wachten om het zooeven gestaakte spel te hervatten. Den naderenden mensch ontwijken zij bij voorkeur door stroomopwaarts te loopen, indien een langzaam vlietende beek hun tot speelplaats dient. Dat zij ook hunne vleugels weten te gebruiken, bleek o.a. uit het vinden van enkele exemplaren in door regen gevulde wagensporen. Niet slechts op stilstaand, maar ook op de minst bewogen deelen van stroomend water komen zij veelvuldig voor, sommige kleine soorten—de Zeeloopers (Halobates)—zelfs op tropische zeeën, tot op grooten afstand van de kust. De voorpooten van de Waterloopers blijven bij het gaan werkeloos, doch doen meestal dienst bij ’t grijpen van de prooi, hoewel hun maaksel niet van dat der overige pooten verschilt. Het lichaam is lang en smal, nooit op in ’t oog loopende wijze afgeplat. De onderzijde heeft in den regel een fraaien, aan zilver of messing herinnerenden glans, omdat zij dicht begroeid is met fluweelachtige haren. De eieren zijn langwerpig van vorm, worden in reeksen op waterplanten gelegd en met spinsel omgeven.
Bij de meeste waterloopers zijn de voorpooten aanmerkelijk korter dan de middel- en achterpooten. Een uitzondering op dezen regel vormt de Vijverlooper (Limnobates stagnorum, fig. 8), wiens pooten alle nagenoeg gelijke lengte hebben. Men vindt dit Insect in geheel Europa en ook bij ons zeer algemeen op stilstaand water tusschen het riet; zijn 13 mM. lang, onbehaard lichaam en zoo dun als een naald; de snavel steekt weinig uit vóór den langen, van voren knotsvormig verdikten kop, die achter het midden de zijwaarts uitpuilende, bolvormige oogen draagt. Behoudens een deel van den kop en van het halsschild, die beide van achteren roestrood zijn, is de stam zwartbruin; de pooten zijn vuilbruin of meer geelachtig; de dekschilden hebben overlangsche ribben met lichtere groeven er tusschen.
De 6 mM. lange Beeklooper (Velia currens, fig. 11) levert een voorbeeld van de bij sommige Wantsen voorkomende veranderlijkheid van de lengte der vleugels; bij ons werd uitsluitend de ongevleugelde variëteit gevonden; in Duitschland treft men bovendien ook gevleugelde exemplaren aan. Deze soort is veel minder slank dan de vorige: de kop is kort, het halsschild groot, nagenoeg even breed als lang. De rug is zwartbruin en heeft op het achterlijf roestroode randen, welke sterk bovenwaarts uitpuilen; dezelfde kleur hebben de zijden van het borststuk en de geheele buik. Het loopen op het water geschiedt zonder medewerking van de korte voorpooten en wordt telkens afgebroken door rustpauzen.
De als inleiding dienende levensschets geldt meer bepaaldelijk voor de Echte Waterloopers (Hydrometra, Gerris), waarvan in Europa een 12-tal soorten voorkomen, die gedeeltelijk ook in onze poelen en plassen niet zeldzaam zijn. Zij leven in troepen bijeen. De voorpooten zijn kort en tamelijk dik; het voorborststuk is vele malen langer dan breed, met den kop er bij ongeveer even lang als het achterlijf; dit is smal, van onderen uitgehold, van boven plat en door nagenoeg evenwijdige, niet sterk uitpuilende lijsten begrensd.—De 10 mM. lange Gewone Waterlooper (Hydrometra thoracica) is van boven grootendeels donkerbruin of zwart, van onderen wit, zijdeachtig behaard. Door de roestgele kleur van ’t achterste deel van het halsschild en door een kort, priemvormig uitsteeksel aan weerszijden van den 6en achterlijfsring onderscheidt hij zich van verwante soorten, o.a. van den in fig. 9 afgebeelden Moeras-waterlooper (Hydrometra paludum).
De Oeverwantsen (Saldidae Riparii) vormen door haar woonplaats een overgang van de Waterloopers tot de echte landdieren der onderorde. Zij houden zich uitsluitend aan den waterkant op, zoowel aan de zeekust als aan de zandige, vochtige oevers van binnenwateren. Zij loopen zeer snel, kunnen met de lange, gedoornde achterpooten vlug springen en maken bovendien licht van hare vleugels gebruik; zij laten zich dus niet gemakkelijk vangen. Daar zij zich vlug bewegen en in de nabijheid van ’t water van roof leven, stemt haar levenswijze meer met die der Waterloopers dan met die der tragere, voor ’t meerendeel plantensap zuigende Echte Landwantsen overeen.—De zwarte, 4 mM. lange Springende Oeverwants (Salda saltatoria) is de meest verbreide inheemsche soort.—Tot de kleinste vertegenwoordigers der familie behoort de Sierlijke Oeverwants (Salda elegantula), die 3 mM. lang, dof zwart en van boven met geelachtige, neerliggende haren bekleed is; de pooten zijn geel; gele ringen versieren het 2e en het 3e sprietlid; de dekschilden hebben een gelen rand en twee witte vlekken.
De Loop- of Roofwantsen (Reduviidae) zijn het gemakkelijkst te herkennen aan de halsvormige insnoering van den kop achter de uitpuilende oogen en aan de dwarse groeve, die het halsschild in twee deelen scheidt: het voorste is meestal smal, het achterste veel grooter. Hoewel deze Wantsen lange pooten hebben, is haar gang langzaam en afgemeten. Over dag houden zij zich meestal schuil; kleine Insecten, vooral Vliegen, die ’s nachts worden buitgemaakt, verschaffen haar voedsel. Eenige uitheemsche soorten zijn berucht wegens de voorkeur, die zij toonen voor het bloed van warmbloedige dieren, ook voor dat van menschen. Haar steek is zeer pijnlijk; die van de over geheel Amerika verbreide Radwants (Arilus serratus) wordt met een electrischen schok vergeleken. De meeste (ook de grootste) leden van deze familie bewonen de tropische gewesten.
Vermomde Wants (Reduvius personatus) met larven. Ware grootte.
De Vermomde Wants (Reduvius personatus) heet zoo wegens de zonderlinge wijze, waarop haar langpootige, borstelig behaarde, in stoffige hoeken levende larve zich onkenbaar maakt: een laag stof en vuil, die nagenoeg alle lichaamsdeelen omhult, dient haar tot masker en verschaft waarschijnlijk het voordeel, dat zij een buit ongemerkt kan besluipen. De geslachtsrijpe Wants vertoont zich in haar ware gedaante. In beide toestanden zal zij het kleine Insect, een Vlieg b.v., dat men haar voorhoudt, met langzamen, telkens door oogenblikken van rust afgebroken gang naderen, tastend de sprieten bewegen, het slachtoffer eindelijk bespringen, met de voorpooten omvatten en het den snavel in ’t lijf boren. De Vermomde Wants, die bij ons als larve overwintert, komt ook in Afrika voor, maar wisselt hier misschien wegens de hoogere temperatuur, op een anderen tijd van gedaante. Zij leeft eenzaam, gewoonlijk in huizen, vooral op weinig bezochte zolders. Dat zij zich verdienstelijk zou maken door Wandluizen te dooden, is niet waarschijnlijk; de vochten van deze magere en dorre parasieten zullen haar wel niet tot de jacht verlokken; het bloed, waarmede hun spijskanaal soms gevuld is, kan zij zonder hun bemiddeling ook wel verkrijgen.
Een aantal voor ’t meerendeel zeer kleine, platte Wantsen, welker 4- of 3-ledige snavelscheede in een groeve aan de keel verborgen is, worden Vliezige Wantsen (Membranacei) genoemd wegens de gewoonlijk vliezige, dikwijls echter gezwollene uitsteeksels en verhevenheden op het halsschild, de dekschilden en het achterlijf, die aan sommige soorten een zeer zonderling voorkomen verschaffen. De dekschilden zijn bij sommige geslachten geheel en al vliezig en in cellen verdeeld. Grootmazig zijn deze bij de Netwantsen (Tingis), die zich kenmerken door een knobbelige of blazige verhevenheid midden op het halsschild, dat evenals de buitenzijde van ieder dekschild, bladvormig verbreed is, en door het knopvormig uiteinde van de dunne sprieten. De hiernevens afgebeelde soort (Tingis affinis, fig. 1) kan een denkbeeld geven van het sierlijk voorkomen der Netwantsen. Zij leeft gezellig op zandgrond, sap zuigend uit de wortels van averuit (Artemisia campestris) of van grassen. De doorzichtige zoom van het bruine lichaam is bruin geaderd. De sprieten hebben een donkeren top en de dekschilden ieder een stervormige vlek in ’t midden. Evenals de meeste leden van dit geslacht, heeft zij 5 lange stekels op het voorhoofd.
De niet veel grootere Schorswantsen (Aradus), welker zeer sterk afgeplat lichaam somber gekleurd is en een rimpelige oppervlakte heeft, leven verborgen achter de schors van doode boomen. De Gewone Schorswants (Aradus corticalis, fig. 2) is grootendeels zwart; de wortel van het dekschild is geelachtig wit, het achterste deel van het rugschild en de hoeken der achterlijfsleden zijn vuilgeel.