1) Verwante Netwants (Tingis affinis), 8-voudig vergroot.—2) Gewone Schorswants (Aradus corticalis), 6-voudig vergroot.—3) Bedwants (Cimex lectularius), sterk vergr.

Eenig in haar soort is de beruchte Bedwants, Wandluis of Weegluis, ook wel eenvoudig Wants genoemd (Cimix lectularius, fig. 3), reeds in overouden tijd bekend als “Koris” bij de Grieken, als “Cimex” bij de Romeinen. Een der belangrijkste eigenaardigheden van haar geslacht is de gewoonte om bij Zoogdieren en Vogels bloed te zuigen. De vleugels en de hechtlapjes tusschen de klauwen ontbreken; de sprieten zijn 4-ledig, de voorvoeten en de in een keelgleuf verborgen snavel 3-ledig; het sterk verbreede halsschild is halvemaanvormig, van voren met een inham voor den kop, van achteren door een insnoering gescheiden van het nagenoeg cirkelvormige achterlijf. Het buitengewoon platte lichaam wordt 5 à 6 mM. lang, is dicht begroeid met geelachtige haartjes en licht bruinrood van kleur (vandaar de naam “Roodrokjes”). De ronde lapjes aan weerszijden van het kleine schildje moeten als rudimentaire dekschilden beschouwd worden. Het wijfje legt in Maart, Mei, Juli en September telkens ongeveer 50 witte, 1.12 mM. lange, rolronde eieren in de fijnste reten van slaap- en woonvertrekken, vooral achter behangsels, in naden van planken beschotten, in de voegen van ledikanten en bedsteden. Op dezelfde plaatsen houden de Wantsen zich over dag verborgen. Het laatste gebroed blijft echter in den regel niet in ’t leven. Alleen de volwassen Wantsen overwinteren en kunnen zeer veel koude verdragen; voor haar volledige ontwikkeling wordt 11 maanden vereischt. Kort vóór de achterpooten zijn bij haar de openingen van 2 stinkklieren gelegen. De hatelijkste eigenschap van de Wants is echter de neiging om bloed te zuigen, die zij ’s nachts toont. Door een genieperigen steek, die, wegens het in de wonde doordringend, alkalisch speeksel, ontsteking veroorzaakt, verstoort zij de nachtrust van den slapenden mensch. Dit bloeddorstig Insect kan zeer lang zonder voedsel in ’t leven blijven. Leunis had een wijfje in een goed gesloten doos geborgen; toen hij deze na 6 maanden opende, bleek het gevangen dier omringd te zijn door een schaar van nakomelingen, die alle, evenals de moeder, levend, maar doorzichtig als glas waren. Wegens haar groote vruchtbaarheid en de velerlei wijzen, waarop zij toevallig van de eene plaats naar de andere kan worden overgebracht, behooren de Bedwantsen tot de lastigste van alle soorten van ongedierte, vooral in groote steden, waar de overbevolking der huizen een afdoende zuivering bemoeielijkt.

Op onvoldoende gronden beweert men soms, dat de Bedwants uit Oost-Indië naar Europa is overgebracht. Zeker is het, dat zij reeds in de 11e eeuw de bewoners van Straatsburg kwelde. Het vermoeden, dat zij in de bedden van de uit Frankrijk verdreven Hugenoten te Londen zijn gekomen, wordt te niet gedaan door het bericht, dat in 1503 een paar adellijke dames in genoemde stad de steken van Bedwantsen voor verschijnselen van de pest aanzagen. Wanneer men in ’t oog houdt, dat deze Insecten ook in hoenderhokken, duiventillen en zwaluwennesten gevonden zijn, zoo ligt het vermoeden voor de hand, dat zij oorspronkelijk in de vrije natuur bij de woningen van allerlei warmbloedige dieren leefden, met welker bloed zij zich voedden, en van hier langzamerhand naar menschelijke woningen zijn overgebracht. Niet onwaarschijnlijk is het, dat de ’s nachts vliegende Vleermuizen veel tot de snellere verbreiding van dit lastige ongedierte bijgedragen hebben.


Alle kleine, teere en zachthuidige Wantsen, die des zomers op bloemen en grassen een voor leden dezer orde opmerkelijke vlugheid van beweging ten toon spreiden, zoolang de zon schijnt bewijzen van geschiktheid en van lust tot vliegen geven door plotseling te komen en te verdwijnen, gaarne honig zuigen (hoewel kleine Insecten haar voornaamste voedsel uitmaken), behooren tot de familie der Bloemwantsen (Capsidae). In den gematigden aardgordel is zij sterker vertegenwoordigd dan in de warmere gewesten: geen andere familie van Wantsen bevat zoovele Europeesche soorten: men kent er 300, waarvan vele ook in ons vaderland gevonden zijn.—Aan den driehoekigen kop komen lange, borstelvormige sprieten, doch geen bijoogen voor.—Vele soorten zijn zeer fraai en bont gekleurd, o.a. geldt dit van die, welke het geslacht Calocoris vormen. Op distels, stalkruid, brandnetels, enz, vindt men niet zelden in grooten getale de geelachtig groene, 7 à 8 mM. lange Tweestippelige Weidewants (Calocoris bipunctatus), zoo genoemd wegens de beide zwarte stippels op het halsschild. Roodachtig zijn de sprieten en de top van de dij, bij ’t mannetje ook twee strepen op de dekschilden.


Vleugellooze Vuurwants (Pyrrhocoris apterus), 3-voudig vergroot.

De meeste zoogenaamde Lange Wantsen (Lygaeides) leven onder steenen, dorre, vergruisde bladen of onder het mos aan den voet van boomstammen; hier zijn zij druk bezig met haar voedsel te zoeken, dat uit het sap van planten of van doode Insecten bestaat; slechts weinige soorten komen voor den dag. Een van deze, de 10 mM. lange Vleugellooze Vuurwants (Pyrrhocoris apterus), is gemakkelijk te herkennen aan haar deels bloedroode, deels zwarte kleur, voorts aan het ontbreken van de achtervleugels en van het vliezige deel der dekschilden; soms, vooral in zuidelijker landen, komen echter ook exemplaren voor met goed ontwikkeld membraan aan de voorvleugels en zelfs met volledige vliegwerktuigen. Den geheelen zomer ontmoet men deze Insecten bij scholen aan den voet van oude linden of ijpen, of, zoo deze boomen ontbreken, ook wel bij een muur. Zoodra de winter voorbij is, in den regel reeds in Maart, verlaten zij allengs hare schuilplaatsen en sluipen eenzaam rond op beschutte, niet aan den kouden wind blootgestelde plaatsen. Hoe zachter het weer is, des te meer vallen zij in ’t oog. Na half April vindt men onder vochtige bladen of in den grond bij oude boomstompen parelwitte eieren, later jonge larven ter grootte van een speldekop, met rood achterlijf en zwarte vleugelstompjes. Na 3 vervellingen zijn zij volwassen. Op den rug van het achterlijf monden 3 stinkklieren uit. Zoodra het dier slechts even gestoord wordt, verbreidt zich een scherpe, aan vluchtige vetzuren herinnerende lucht en ziet men uit de middelste klier een drupje van een kleurlooze, langzamerhand verdampende vloeistof ontwijken. Na een sterken prikkel, b.v. als men de larve knijpt, haar een poot of een spriet afknipt, spuit uit de achterste en grootste klier een kleine vochtstraal, die de eigenaardige “wantsenlucht” verbreidt. Deze komt niet meer voor bij de volwassen Vuurwants, die integendeel uit andere vóór de achterpooten gelegen klieropeningen een aangenaam riekende stof uitwerpt.—Aan dierlijk voedsel, dat door het uitzuigen van lijken van Insecten verkregen wordt, geeft deze Wants de voorkeur; zij zuigt echter ook wel sap uit linden.


Van alle Landwantsen met een uit 4 leden bestaande snavelscheede en met een schildje, dat zich niet tot aan het midden van het achterlijf uitstrekt, vertoonen de Randwantsen (Coreidae) de grootste verscheidenheid van vorm. Zij kenmerken zich door de plaatsing van de sprieten aan den rand van de (2 bijoogen dragende) kruin boven de denkbeeldige rechte lijn, die het midden van ieder samengesteld oog met den snavelwortel verbindt, door het bezit van hechtlapjes aan den voet tusschen de klauwen en door de talrijkheid van de uitpuilende, dikwijls gaffelvormig vertakte aders in het vliezige deel van de dekschilden.—Het aantal Europeesche soorten bedraagt nauwelijks 60; veel grooter is het aantal Amerikaansche vertegenwoordigers dezer familie, die bovendien tot de grootste en fraaiste van alle Wantsen behooren.—De inheemsche vindt men des zomers op struiken en in het gras; zij vangen hier Insecten en maken bij zonnig weer ook zeer goed van hare vleugels gebruik. Als de gure herfstdagen gekomen zijn, verlaten zij, met andere Insecten, het schouwtooneel van haar werkzaamheid en vinden op beschutte plaatsen, vooral onder afgevallen bladen, een winterkwartier. Wanneer men op een zonnigen, voor dit seizoen nog mooien dag de nog niet verstijfde winterslapers verontrust, door in de hen bedekkende bladerenlaag te roeren, zal men een aantal groote Rand- en Schildwantsen te zien krijgen.

Bij de 12 à 13 mM. lange Zoomwants (Syromastes marginatus, fign. 1 en 2) heeft de kop tusschen de sprieten twee binnenwaarts gerichte, spitse uitsteekseltjes; fijne, zwarte putjes verschaffen aan de roodachtig grijze oppervlakte van het lichaam een donkerder tint; het donkerst is het laatste, het lichtst zijn de beide voorafgaande sprietleden; het rood is het zuiverst op den rug van het achterlijf; het vlies van de dekschilden heeft een bronskleurigen glans. Deze Wants leeft in geheel Europa (bij ons in de oostelijke provinciën) op struiken en overwintert in den volkomen staat. Zij verbreidt een onaangename lucht.

De Mugwants (Berytus tipularius, fig. 3) is een slank, staafvormig Insect met spichtige pooten en sprieten; haar lichtgrijze kleur is het donkerst op den buitenrand en op 5 kleine plekjes van ieder dekschild, op de knobbelige knieën en op het eindlid der sprieten. Schijnbaar gelijkt zij weinig op de Zoomwants; toch bestaat het eenige karakteristieke verschil tusschen beide soorten in de ongelijke verhouding tusschen de lengte van het 2e en het 3e sprietlid; het 3e is hier aanmerkelijk langer dan het 2e. Met nog eenige andere nauw verwante soorten vindt men dit fraaie, 9 à 10 mM. lange Insect bij ons op heide- en duingrond onder stalkruid, jeneverbessen, heide en andere laag groeiende struiken. Het schijnt door de lengte van de draadvormige pooten eerder gehinderd dan geholpen te worden bij zijn beweging; het verplaatst zich niet vlug en wordt gemakkelijk gevangen.

1, 2) Zoomwants (Syromastes marginatus) als imago (1) en als larve (2).—3) Mugwants (Berytus tipularius).—Ware grootte.


De Grootschilden of Schildwantsen (Scutati, Pentatomidae) heeten zoo wegens de groote lengte van het schildje, dat zich minstens tot voorbij het midden (soms zelfs tot aan de spits) van het achterlijf uitstrekt. Zij leven voor ’t meerendeel op laag groeiende planten; eenige houden zich hier min of meer verborgen; de meeste echter vertoeven aan de oppervlakte, waar zij door hare soms bonte kleuren licht in ’t oog vallen; de grootste bewonen boomen en struiken, die haar tot versnapering zoete bessen verschaffen en zijn in den regel grootendeels groen van kleur. Meer dan hare verwanten trekken zij de aandacht door haar weinig of niet verborgen levenswijze en door haar neiging om bij zonnig weer luid brommend rond te vliegen. Zij overwinteren in geslachtsrijpen toestand onder droge, afgevallen bladen. De eieren, die zich met een dekseltje openen, worden in ’t begin van de lente groepsgewijs naast elkander gelegd op de planten, waarop de Wantsen gewoonlijk leven. De larven zijn aanvankelijk bijna cirkelrond en bereiken na verscheidene vervellingen, die de kleur en den vorm langzamerhand doen veranderen, in den herfst haar volledige ontwikkeling; zij voeden zich bij voorkeur met plantensap, zonder evenwel dierlijk voedsel te versmaden.

De 6 à 7 mM. lange, fraaie Koolwants (Eurydema oleracea, fig. 3) is van boven groen of groenachtig blauw met metaalachtigen glans; het wijfje heeft roode, het mannetje witte randen, banden en vlekken. Deze Wants kan op plaatsen, waar zij in grooten getale voorkomt, schade aanrichten, daar zij sap zuigt uit jonge koolplanten; naar het schijnt, zijn echter allerlei andere (ook niet kruisbloemige) planten evenzeer van haar gading en voorziet zij bovendien voor een deel in haar onderhoud door het uitzuigen van Insecten, o.a. van de larven der schadelijke Kool-aardvloo. Tot de echte vijanden van den landbouw behoort zij dus niet.

Vooral aan den rand en de open plekken van bosschen, minder dikwijls op weiden en akkers, vindt men in een groot deel van ons land op grassen de Spitskoppige Wants (Aelia acuminata fig. 4), welker lichtgeelachtige oppervlakte door donkerder putjes een bruinachtige tint verkrijgt en op den rug witachtige banden heeft, die samen nagenoeg een ruit vormen.

De Roodpootige Boomwants [Pentatoma (Tropicoris) rufipes, fig. 1] heeft met hare naaste verwanten de zijwaartsche verbreeding van het halsschild gemeen. Haar geelachtig of roodachtig bruine huid is met talrijke, zwarte puntjes bezet en heeft een bronskleurigen weerschijn; de rug van het achterlijf is glanzig zwart; de sprieten, de pooten en de top van het schildje zijn meer of minder duidelijk rood. Deze zeer algemeen voorkomende soort geeft de voorkeur aan jonge berken, maar leeft ook op allerlei andere boomen en struiken, loopt op de stammen rond en voedt zich bijna uitsluitend met dierlijke stoffen; door het uitzuigen van rupsen maakt zij zich verdienstelijk.

1) Roodpootige Boomwants (Pentatoma rufipes).—2) Getande Stekelwants (Acanthosoma dentatum).—3) Koolwants (Eurydema oleraceum).—4) Spitskoppige Wants (Aelia acuminata).—Ware gr.

Een andere bewoner van jonge berken—de Getande Stekelwants (Acanthosoma dentatum)—is in fig. 2 van boven en ook van onderen afgebeeld, omdat hij zich van de overige inheemsche Wantsen onderscheidt door een kiel over de borst en een naar voren gerichten stekel aan het eerste buikschild. Fijne, zwarte putjes geven aan den rug van dit geelachtig groen Insect een donkerder tint; het donkerst zijn de beide laatste sprietleden; de buik vertoont fijne groefjes en is aan de spits rood.