Een aantal lichtschuwe Arthropoden worden onder den naam van Duizendpooten (Myriopoda) samengevat, hoewel geen van hen 1000 pooten heeft. Het aantal pooten loopt zeer uiteen: het is “onbepaald”, bij sommige zeer groot (de Braziliaansche Spirobolus maximus heeft 100 à 133 paar van deze organen), bij andere niet buitengewoon (9 paar bij Pauropus Huxleyi). Aan hun meestal zeer langwerpig, wormvormig (soms echter aan een Pissebed herinnerend) lichaam onderscheidt men duidelijk den kop en voorts een meer of minder groot aantal, nagenoeg gelijke, door harde chitine-platen beschutte leden. Het laatste lid (waaraan de aarsopening voorkomt) is steeds pootloos (soms ontbreken bovendien de ledematen aan het voorlaatste lid, soms daarentegen aan een der vier voorste rompsegmenten). Overigens draagt ieder lid na den kop één paar of twee paar gelede, in één klauw eindigende pooten (2 klauwen vindt men echter bij de Symphylen). Alle op den kop volgende leden zijn gelijkwaardig; de tegenstelling, die bij de Insecten wordt waargenomen tusschen de middelste (met pooten en vleugels uitgeruste) en de achterste (pootlooze) lichaamsafdeeling komt hier dus niet voor. De 2 sprieten, die aan of onder het voorhoofd ontspringen, zijn draad- of borstelvormig, zelden dikker. De oogen bevinden zich aan weerszijden van den kop, voorzoover zij niet geheel ontbreken, hetwelk niet zelden het geval is; de meeste hebben een meer of minder groot aantal enkelvoudige oogen, in 2 groepen gerangschikt; bij één geslacht (Scutigera) zijn zij door samengestelde oogen vervangen. Verreweg de meeste Duizendpooten hebben bijtende monddeelen (zuigende komen alleen bij de Polyzoniden voor). Deze bestaan over ’t algemeen uit diep in den mond aangehechte, haakvormige bovenkaken en een vierdeelige mondklep, waarvan de middelste deelen de onderlip, de zijstukken de onderkaken der Insecten vervangen.
Hoe weinig de Duizendpooten naar het uitwendige op de Insecten gelijken, des te grooter is de overeenkomst van het inwendig maaksel. De ademhaling geschiedt door een sterk vertakt luchtbuizenstelsel, dat door ademgaten met de buitenwereld in gemeenschap staat. Voor den bloedsomloop dient een ruggevat, dat, met uitzondering van de voorste segmenten, in ieder lid een kamer heeft. Het spijskanaal is doorgaans even lang als het lichaam en loopt dan recht door van den mond tot den aars. De buikzenuwstreng strekt zich van voren naar achteren door het geheele lichaam uit; het ineensmelten van gangliën blijft gewoonlijk tot de 3 voorste en de 3 achterste beperkt.
De Duizendpooten zijn deels dieren-, deels planteneters en zoeken hun voedsel ’s nachts of althans in de duisternis. Zij leven uitsluitend op het land en bewonen donkere, vochtige ruimten onder steenen, tusschen afgevallen bladen, in rottend hout, oude boomstammen, enz. Hier worden de eieren gelegd en door de wijfjes van sommige soorten met zorg bewaakt. De jongen van de Diplopoden en Pauropoden, die bij het verlaten van het ei pootloos zijn, verkrijgen bij de eerste vervelling 3 paar pooten; het aantal leden en pooten neemt bij iedere volgende vervelling toe, daar zich telkens nieuwe (aanvankelijk pootlooze) segmenten invoegen tusschen de reeds aanwezige, waaruit zij door deeling ontstaan. Ook het aantal oogen wordt allengs grooter. In hoofdzaken gelijkt deze ontwikkelingsgeschiedenis dus op die der Springstaarten. Sommige Chilopoden komen ter wereld met 6 à 8 paren pooten, de overige met evenveel ledematen als hunne ouders hebben.
De klasse der Duizendpooten, die minstens 800 soorten omvat, waarvan 200 in Europa gevonden zijn, heeft in de warme landen hare grootste vertegenwoordigers en vertoont hier de meeste verscheidenheid van vorm. Hare oudste, alleen als fossielen bekende leden leefden in de primaire periode en behooren tot 2 sinds dien tijd uitgestorven orden. Van 2 der 4 orden, waarin men de hedendaagsche soorten verdeelt (van de Chilopoden en de Diplopoden), weet men, dat zij reeds in de tertiaire periode bestonden; dit blijkt uit talrijke, door barnsteen omhulde overblijfselen. Van de beide overige (Symphylen en Pauropoden) is het bestaan vóór de tegenwoordige (quaternaire) periode niet bewezen.
Het lange lichaam der Duizendpooten i.e.z. is van boven naar onderen samengedrukt en bestaat uit een schildvormigen, recht vooruitstekenden kop en een meer of minder groot aantal gelijksoortige leden, die bijna zonder uitzondering ieder één paar ver zijwaarts gerichte pooten dragen. Onder den rand van ’t voorhoofd zijn de snoervormige, veelledige sprieten aangehecht. De middelmatig sterk ontwikkelde monddeelen worden krachtdadig geholpen door de beide voorste paren ledematen, die daarom kaakpooten heeten. Het voorste paar (fig. b: 1) is slechts zwak ontwikkeld; daar de heupen aaneengegroeid zijn, gelijkt het op een tweede onderlip met twee tasters. (Hierop berust de naam Chilopoda of Lippootigen.) De beide volgende kaakpooten (fig. b: 2) vormen een stevige tang; hun eindlid is een klauw, die de afvoerbuis van een gifklier bevat en door een fijne opening aan de spits gif laat vloeien in de wonde, die met dit wapen toegebracht wordt; bij den mensch veroorzaakt het wel niet den dood, maar toch een pijnlijke ontsteking. Alle overige pooten, te beginnen bij het derde paar, zijn, met uitzondering van de beide laatste paren, in den regel aan elkander gelijk en allengs meer naar achteren gericht. Wanneer de Chilopoden uit hunne schuilplaatsen opgeschrikt worden, kunnen de pooten en de slangsgewijze kronkelingen van het lichaam hen zeer vlug uit den weg helpen; dadelijk zoeken zij dan opnieuw de duisternis op. Hun voedsel bestaat voornamelijk uit Spinnen, Mijten en allerlei kleine Insecten, die in hun nabijheid leven en spoedig aan de gevolgen van hun giftigen beet bezwijken.
a) Bruine Nijperduizendpoot (Lithobius forficatus).—b) Kop, kaakpoten en voorste looppooten van den Reuzen-colopender (Scolopendra insignis), van boven en van onderen gezien.—Ware grootte.
In verschillende opzichten wijken de Schilddragers (Scutigera) van alle overige Duizendpooten af: zij hebben een betrekkelijk kort lichaam, buitengewoon lange, borstelvormige sprieten, groote, uitpuilende, samengestelde oogen en zeer slanke looppooten, die naar achteren allengs in lengte toenemen; de dunne, draadvormige achterpooten zijn achterwaarts gericht en langer dan het lichaam. Deze familie is over alle werelddeelen verbreid, hoewel zij slechts uit een twintigtal soorten bestaat; hiervan komen 2 ook in Europa, alle overige uitsluitend in warmere landen voor. Zij houden zich gaarne op in oud houtwerk; met groote behendigheid kruipen zij bij loodrechte wanden omhoog, wanneer zij ’s nachts hare schuilplaatsen verlaten.
Hoewel de Spinachtige Schilddrager (Scutigera coleoptrata, Cermatia araneoides) eigenlijk een bewoner van Zuid-Europa en Noord-Afrika is, heeft men dit 16 à 24 mM. lange diertje ook op verschillende plaatsen van Middel-Europa aangetroffen, zelfs in Groningen tusschen de balken der huizen (volgens Kriens en Karsten).
De Bandduizendpooten (Lithobiidae), die bij ons overal in rottende boomstammen of op vochtige, donkere plaatsen tusschen afgevallen bladen en onder steenen voorkomen, behooren tot het geslacht Lithobius; zij bewonen niet slechts de vlakte, maar ook hooge bergtoppen, o.a. in het Alpengebied. In volkomen ontwikkelden toestand bezitten de meer dan 100 soorten van dit geslacht 15 paar looppooten (de laatste medegerekend), sprieten, die een derde van de lichaamslengte hebben en meestal uit meer dan 20 leden bestaan, en drie tanden aan de middelbocht van de bovenlip. De meest verbreide soort is waarschijnlijk de Bruine Nijperduizendpoot (Lithobius forficatus of forcipatus), die in Europa, zoowel als in Noord- en Zuid-Amerika voorkomt; hij wordt 2 à 3 cM. lang en is op den kop glanzig bruin, op den rug en de sprieten meer roodachtig.
Langsprietige Aardduizendpoot (Geophilus longicornis), een Aardworm doodend.—Ware grootte.
De Scolopenders (Scolopendridae) hebben minder sprietleden en oogen, doch meer rompsegmenten dan de leden der vorige familie. De giftangen zijn bij hen buitengewoon krachtig ontwikkeld. Zij behooren voor ’t meerendeel in warme landen thuis, leven van roof en bereiken dikwijls een aanzienlijke grootte. Alexander von Humboldt zag in Afrika, hoe kinderen Scolopenders van 47 cM. en meer dan 13 mM. breedte uit den grond trokken en—opaten. Bij ons en in Duitschland komt geen enkel lid van deze familie voor; wel vindt men verscheidene soorten in Zuid-Europa, o.a. de Bijtende Scolopender (Scolopendra morsitans), die 50 à 90 mM. lang en 5 à 9 mM. breed wordt. Op Java worden deze “Kaki Sariboe” zeer gevreesd wegens hunne scherpe gifklauwen. Wallace zegt evenwel “dat men jaren lang kan leven te midden van Schorpioenen, Spinnen, en Duizendpooten, hoe leelijk en venijnig zij ook zijn, zonder er eenig nadeel van te ondervinden. Ofschoon ik 12 jaren in de tropische gewesten heb doorgebracht, ben ik nooit door een dezer dieren gebeten of gestoken.”
Zeer merkwaardig is de 9 cM. lange Ratelduizendpoot (Eucorybas crotalus) van Port-Natal door de bladvormige verbreeding van de 3 laatste leden der achterpooten; door deze over elkander te schuren kan het dier een ratelend geluid voortbrengen.
De lange, zeer smalle, bijna lijnvormige Aardduizendpooten (Geophilidae) hebben 40 à 90 rompsegmenten, 14-ledige sprieten en geen oogen. Eenige soorten verbreiden in ’t duister een phosphoresceerend licht. Andere, zooals Gabriël’s Aardduizendpoot (Himantarium Gabrielis)—een 95 à 190 mM. lange bewoner van de kustlanden der Middellandsche Zee, die meer dan 160 paren pooten heeft—werpen door fijne openingen der buikschubben een niet onbelangrijke hoeveelheid van een purperrood vocht uit. Behalve in Zuid-Afrika en op Madagascar, heeft men overal leden van deze familie gevonden, verscheidene ook in Europa. Bij ons is de langsprietige Aardduizendpoot een van de algemeenst voorkomende soorten. Dit gele, 78 mM. lange diertje heeft ongeveer 55 paar looppooten. Men vindt het aan de wortels en knollen van verschillende planten, o.a. in aardappels, pastinaken en peenen; naar men zegt, kunnen de Geophilen, wanneer zij in grooten getale voorkomen en in vleezige wortels in allerlei richtingen gangen graven, den dood van deze planten veroorzaken. Zij zullen daarbij trouwens wel geholpen worden door de Polydesmen en allerlei ander in den grond levend ongedierte; zoowel de wonde als de daarin achterblijvende drek brengt een snelle rotting van het plantendeel teweeg. Wanneer een regenbui den bodem heeft verfrischt, nadat alle levende wezens sinds geruimen tijd naar vocht gesmacht hebben, komt ook de Aardduizendpoot aan de oppervlakte. Dan kan het voorkomen, dat hij, hier een Aardworm ontmoetend, op dezen aanvalt, waarschijnlijk gedreven door de begeerte om aan zijne sinds lang tot rust gedoemde spijsverteringsorganen eenigen arbeid te verschaffen; hij omstrengelt de tienmaal grootere prooi ondanks haar hevig verzet, gelijk de Reuzenslang haar buit; van ’t dooddrukken van ’t slachtoffer is echter in zijn geval geen sprake; de Duizendpoot knijpt, bijt en vergiftigt den Worm, totdat deze door uitputting sterft.
De Chilognathen (“Kaaklippigen”) heeten zoo wegens hunne tot een mondklep of lip vergroeide onderkaken. Met zeer groote overdrijving worden zij gewoonlijk Millioenpooten (beter: Diplopoda of “Dubbelpootigen”) genoemd, omdat hunne rompsegmenten (welker aantal van 11 tot meer dan 100 afwisselt), te beginnen bij het 5e, ieder 2 paar gangpooten dragen. De 4 eerste leden hebben gezamenlijk slechts 3 paar niet tot grijpwerktuigen vervormde ledematen, daar één segment (gewoonlijk het 3e, zelden het 1e of het 4e) pootloos is. Uitwendig verschillen zij bovendien van de Chilopoden door den verticalen stand van den loop en door de soms nagenoeg cilindervormige, soms halfrolronde gedaante van het lichaam, dat overal dezelfde dikte behoudt. Het skelet van ieder segment bestaat uit één groot rugschild en 2 kleine, smalle buikschilden, die ieder één ademgat en één paar dicht bij elkander aangehechte pooten bezitten. Het aantal ringen wordt met toenemenden leeftijd grooter. De openingen aan de zijden van het rugschild van alle of enkele ringen werpen een als verdedigingsmiddel dienend vocht uit, wanneer het dier aangevallen wordt. De jongen zijn bij het verlaten van het ei niet aan hunne ouders gelijk; zij zijn aanmerkelijk korter en slechts van 3 paar pooten aan de 3 voorste segmenten voorzien, terwijl de achterste leden pootloos zijn; eerst na herhaalde vervellingen verkrijgen zij de gewone gedaante. Bij de Diplopoden (en Pauropoden), komt dus een larvetoestand en daarop volgende onvolkomen gedaantewisseling voor, bij de Chilopoden en Symphylen niet; deze behouden levenslang het larve-kenmerk van slechts 1 paar pooten aan ieder segment te bezitten; bij gene is de bedoelde eigenaardigheid slechts aan de voorste segmenten van blijvenden aard.
De Diplopoden zijn in alle werelddeelen vertegenwoordigd, doch bereiken in het onze en in den geheelen gematigden aardgordel over ’t algemeen slechts een geringe grootte, terwijl in de warme landen exemplaren leven van bijna een voet lang en een vinger dik, die dus sommige Slangen aanmerkelijk in grootte overtreffen. Hoewel zij lijken van dieren niet versmaden, geven zij aan plantaardig voedsel de voorkeur. Zij houden zich in de duisternis op, maar zijn, naar het schijnt, iets minder afkeerig van het licht dan de Chilopoden.
De Veelpooten (Julidae), die de soortenrijkste familie vormen, hebben een cilindervormig, uit 30 à 70 ringen samengesteld lichaam met korte, dunne pooten en sprieten; het tweede sprietlid is het langste.
Zand-veelpoot (Julus sabulosus). De beide exemplaren links vergroot.
De Zand-veelpoot (Julus sabulosus) wordt des zomers dikwijls op zonnige zandgronden aangetroffen en is over geheel Europa verbreid. Zij heeft een zeer glanzige huid en een van donkerbruin tot zwart afwisselende kleur; deze is bij de pooten meestal lichter en wordt op den rug door 2 gele, overlangsche strepen afgebroken. Het mannetje is 20 à 40, het wijfje 30 à 46 mM. lang; hun breedte bedraagt 1.8 à 4.8 mM. Als een Slang glijdt dit wormvormige dier over de oppervlakte van den grond of van een boomstam; bij nader onderzoek blijkt deze beweging tot stand te komen, doordat de pootjes bij groepen beurtelings zijwaarts gestrekt en weer teruggetrokken worden, zoodat zij in ’t eene geval met den romp een stompen hoek vormen, in ’t andere een loodrechten stand aannemen. Door het afwisselend naar binnen en naar buiten richten van kleine groepjes van pooten langs den geheelen stam ontstaat een zacht golvende beweging, die, van den kop uitgaande, zich allengs tot aan den staart voortplant en een langzame verplaatsing van het geheele lichaam teweegbrengt. Bij aanraking kronkelt dit dier zich ineen tot een spiraal, in welks middelpunt de kop gelegen is.
Platte Gordelveelpoot (Polydesmus complanatus). Vergroot.
Bij de Gordelveelpooten (Polydesmidae) bedraagt het aantal rompsegmenten gewoonlijk 20; deze zijn niet meer rolrond, maar aan beide zijden plaatvormig verbreed. Wegens den grooteren afstand tusschen de aanhechtingsplaatsen der linker en rechterpooten steken deze aan weerszijden van het lichaam verder uit. Oogen zijn niet aanwezig. Het wijfje bouwt een nestje van aarde om haar eierenhoopje heen en gaat intusschen met het leggen voort. De hiervoor noodige aarde wordt met den bek opgenomen, door het spijskanaal gevoerd en in den vorm van schubjes door het uitstulpen van de aarsopening naar buiten gestuwd; langzamerhand ontstaat op deze wijze rondom de eieren een ringvormige muur, die zich vernauwt tot een gewelf dat in een van boven geopende piramide eindigt. Dit huisje wordt met uitzondering van den korten, piramidevormigen schoorsteen van buiten met steentjes, mos en gruis van plantendeelen bekleed.
De Platte Gordelveelpoot (Polydesmus complanatus) wordt 18 à 28 mM. lang en 3 à 5 mM. breed; men vindt hem in geheel Europa, hetzij op den grond onder steenen of vochtige bladen, of achter boomschors, soms ook in den grond, knagend aan sappige wortels, o.a. van koolzaad. Bij ons werd zij in verschillende provinciën waargenomen. Evenals alle Julus-soorten, rollen ook de Polydesmen zich spiraalsgewijs op, wanneer een gevaar hen bedreigt. In warme landen bereiken de talrijke soorten van dit geslacht een aanzienlijker grootte.
Gezoomde Oproller (Glomeris marginata). Ware grootte.
De zuigende Veelpooten (Polyzonidae) onderscheiden zich van alle andere leden der klasse, doordat hun kegelvormig kopschild met de onderling vergroeide monddeelen een zuigbuis vormt. De eenige Europeesche soort van dit geslacht (Polyzonium germanicum) werd tot dusver nog niet in ons land, wel in Duitschland, Frankrijk, Polen, Oostenrijk-Hongarije en den Kaukasus waargenomen. Zij is hoogstens 13 mM. lang, eenigszins afgeplat, uit ongeveer 50 leden samengesteld en zeer week, van boven glad en licht roestkleurig, van onderen witachtig. De 3 laatste rompsegmenten zijn pootloos, de 3 eerste dragen 1 paar, de overige ieder 2 paar pooten. De ringen zijn op de dwarse doorsnede niet cirkelrond, maar elliptisch. Het voorhoofd draagt 2 groepen van 3 oogen; de zuigbuis is korter dan bij de overige leden der familie. Alle laten bij dreigend gevaar een melkachtige vloeistof door de verbindingsvliezen der ringen naar buiten treden.
De tot dusver behandelde Duizendpooten zijn geen aantrekkelijke wezens, houden door hun slang- of wormachtig uiterlijk den toeschouwer min of meer op een afstand; dit is niet of in mindere mate het geval met de leden der laatste familie, die men Oprollers (Glomeridae) noemt. Deze zonderlinge dieren zou men kunnen vergelijken met een Kogelgordeldier, dat den staart en den vooruitstekenden snuit mist, maar daarentegen met een grooter aantal pooten is uitgerust. De rugschilden zijn groot, hard en sterk gewelfd; de buikzijde is zwak uitgehold, week en van vele pooten voorzien. Deze beschrijving komt overeen met die van de Rolpissebedden (Armadillo), die echter van de Glomeriden verschillen door hare 4 sprieten, door een geringer aantal pooten en een stijlvormig aanhangsel aan ’t uiteinde van ’t lichaam. Als de Oprollers in gevaar verkeeren, krommen zij hun lichaam zóó, dat het een bol vormt; alle deelen passen zoo volkomen op en in elkander, dat nergens een opening overblijft in het harde pantser, dat de geheele oppervlakte van het lichaam beschut.
Twee leden van deze familie zijn in ons land gevonden (Glomeris pustulata en limbata). Van alle soorten van het geslacht Glomeris hebben de wijfjes 12 rompsegmenten met 17 paar pooten, de mannetjes 1 segment en 1 paar pooten meer. Men vindt deze volkomen onschadelijke dieren eenzaam of in kleine troepjes onder steenen of afgevallen bladen, op vochtige, humusrijke, onbebouwde terreinen, het meest dus in bosschen. Meestal vindt men ze ineengerold rustend in een schuilhoek: in lossen grond, in een holte, die er één of meer kan bevatten. Soms echter ziet men ze langzaam voortglijden op de wijze der Juliden, doch zonder de bij deze voorkomende, golvende beweging op hun aanmerkelijk korteren rug; steeds worden daarbij de sprieten tastend vooruitgestoken. Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit bladen en mos, die in rottenden toestand verkeeren.
Vooral in bergachtige streken van het westen van Duitschland, Frankrijk, Italië en Klein-Azië wordt de Gezoomde Oproller (Glomeris marginata) gevonden. Deze is 10 à 20 mM. lang, 5 à 9 mM. breed, grootendeels glanzig zwartbruin; de uitwendige zichtbare rand van ieder rugschild is geel, maar verkrijgt na den dood een andere kleur.—De Gestippelde Oproller (Glomeris pustulata) werd in de provincie Groningen op warme zonnige plaatsen aangetroffen. Zij is iets kleiner dan de vorige soort (4.5 à 13 mM. lang, 2.2 à 5.5 mM. breed), heeft nagenoeg dezelfde kleur; maar is geteekend met 4 geelroode stippels op den 1en ring en 2 op elken volgenden, met uitzondering van eenige ringen bij het uiteinde van ’t lichaam.
In tropische en andere warme gewesten van Azië en Afrika leven aanmerkelijk grootere Oprollers; sommige zijn meer dan 5 cM. lang. Zij behooren o.a. tot de geslachten Spaerotherium en Zephronia.
De orden der Symphylen (“Stamverwanten”,) en der Pauropoden (“Weinigpootigen”,) die een zeer gering aantal kleine en zeer kleine Myriopoden omvatten, staan in eenige opzichten tusschen de Chilopoden en de Chilognathen in. Met gene stemmen zij overeen, doordat geen der segmenten meer dan 1 paar pooten draagt, met deze door het bezit van slechts 1 paar onderkaken en het gemis van kaakpooten. De geslachtsopening, die bij de Chilopoden aan het voorlaatste segment gelegen is, komt bij de Symphylen, Pauropoden en Chilognathen aan het 2e of 3e rompsegment voor. De Symphylen, waarvan het belangrijkste geslacht (Scolopendrella) ook in ons land vertegenwoordigd is, zijn nader aan de Insecten verwant dan de overige Duizendpooten.