Duikende Draaikever (Gyrinus mergus). Vergroot.
Meer nog dan de Water-roofkevers moeten de Draaikevers (Gyrinus) de aandacht trekken van iemand, die slechts eenige oogenblikken zijne blikken onderzoekend over stilstaand water laat weiden: de staalblauwe, in ’t zonlicht letterlijk schitterende kevertjes kunnen niet onopgemerkt blijven. Licht zou het denkbeeld in hem kunnen opkomen, dat er geen vroolijker, gelukkiger schepseltjes bestaan dan deze. Slechts kort blijft een klein gezelschap op één punt vereenigd, ieder diertje schiet heen en weer, het eene beschrijft een grooten kring, een tweede volgt, een derde voltooit den boog in tegengestelde richting, een vierde teekent spiraalvormige of andere kromlijnige figuren, de telkens afwisselende bewegingen brengen de zwemmers soms nader bij elkander, soms verder uiteen. Zoo gaat het bij zonneschijn of ook wel zonder dat de zon hare stralen schiet, wanneer de lucht slechts warm en zoel is; op gure, onaangename dagen ziet men van de Draaikevertjes geen spoor; zij houden zich verborgen tusschen planten aan den waterkant of op den bodem van ’t water. Om hunne handelingen in deze omstandigheden na te gaan is hun natuurlijke verblijfplaats niet zeer geschikt; beter kan dit geschieden in een aquarium. Wanneer de Draaikever duikt, neemt hij een luchtbel naar de diepte mede, die als een zilverachtig glinsterend pareltje aan de spits van ’t achterlijf hangt. Deze luchtbel is ongetwijfeld door het een of ander vettig omhulsel van het water gescheiden, daar men haar plat drukken kan. Onder water gaat de Kever op een plant zitten, waaraan hij zich vooral met de middelpooten vasthoudt en steekt de lange voorpooten herhaaldelijk naar voren uit, evenals een mensch bij ’t zwemmen de armen beweegt; soms strijkt hij zich hiermede over den kop en het voorste deel van den rug, zooals andere Insecten doen om zich te “poetsen”. Bovendien dienen de voorpooten voor het beklimmen van een waterplant of om zich eenvoudig hieraan vast te houden, als de Kever tot afwisseling het overige lichaam wil laten zweven. Evenals de Water-roofkevers kunnen ook de Draaikevers vliegen; zonder dit vermogen zouden zij in sommige omstandigheden niet in ’t leven kunnen blijven. Voordat zij opvliegen, kruipen zij bij een waterplant omhoog, bewegen, terwijl zij de dekschilden oplichten, het achterlijf vlug heen en weer, maken ten slotte de pooten van hun steunpunt los en verheffen zich gonzend in de lucht.
De Duikende Draaikever (Gyrinus mergus), een der meest verbreide soorten, verschaft ons gelegenheid om de eigenaardigheden van het geheele geslacht te leeren kennen. Ovaal van omtrek als de leden der vorige familie, is hij echter aan de buikzijde meer platgedrukt, aan de rugzijde boller; de dekschilden zijn van achteren afgeknot en laten de spits van het achterlijf onbedekt. De voorpooten hebben een vrijen, kegelvormigen heup en zijn bij wijze van armen verlengd; de beide volgende paren, welker heupen onbeweeglijk vergroeid zijn met het borstpantser en welker scheen en voet gezamenlijk een ruitvormige plaat uitmaken, zijn echte vinnen geworden. De sprieten zijn slechts kleine stompjes. Een hoogst eigenaardige inrichting vertoonen de oogen, daar ieder door een breede dwarsstrook in een bovenste en een onderste helft verdeeld is, zoodat de Kever bij het zwemmen aan de oppervlakte tegelijk naar onderen in het water en naar boven in de lucht, doch waarschijnlijk niet in de richting van den waterspiegel kan kijken. Tot nadere aanduiding van de bovengenoemde soort moet hier nog bijgevoegd worden, dat aan het zeer glanzige, staalblauwe lichaam de omgeslagen rand van het halsschild en van de dekschilden, benevens de pooten roestrood zijn en dat de tot overlangsche reeksen vereenigde fijne stippeltjes in de nabijheid van den naad door fijnheid uitmunten boven die, welke overigens op de dekschilden voorkomen. De larve is lang, smal en van boven plat; haar lichaam bestaat uit een tamelijk grooten kop en 12 segmenten, die veel smaller zijn en waarvan de 3 eerste elk een paar schrale pootjes, de overige aan weerszijden een lang, smal, doorschijnend uitsteeksel dragen, dat als tracheeënkieuw voor de ademhaling dient. Zij herinnert eenigermate aan een Gewonen Duizendpoot. Evenals de larven van de Water-roofkevers heeft zij holle, als een knijptang werkende kaken om haar slachtoffer uit te zuigen. Vóór den overgang in den poptoestand, vervaardigt zij zich een aan beide einden spits toeloopenden, perkamentachtigen cocon, die aan een waterplant of aan een ander boven ’t water uitstekend voorwerp vastgehecht is. Naar het schijnt, geschiedt dit, nadat de larve den winter rustend heeft doorgebracht. Gemiddeld duurt de ontwikkeling van de pop tot imago één maand; gedurende den zomer zijn de Kevers druk in beweging; in het het begin van Augustus worden de eieren gelegd.
Tot de bevolking van de poelen, die de Water-roofkevers en Draaikevers herbergen, behoort ook nog de familie der Watertorren (Hydrophilidae); wegens de groote lengte der draadvormige tasters (palpen), welke die der sprieten evenaart of overtreft, zou men ze ook wel Voelertorren (Palpicornia) kunnen noemen. Bovendien stemmen deze Kevers overeen, doordat de dikke, behaarde, meestal breede buitenste lob van de onderkaak de getande binnenste lob als een kap bedekt. De sprieten hebben 6 à 9 korte leden; het eerste is langwerpig en onder den zijrand van den kop in een groeve ingeplant; de laatste vormen een knotsje, dat tusschenruimten overlaat. De Watertorren openen de reeks der Knotssprietigen (Clavicornia).
Pekzwarte Watertor (Hydrophilus piceus). Ware grootte.
Larve. Mannetje. Wijfje met eierenzakje.
De Pekzwarte Watertor (Hydrophilus piceus) behoort tot een nagenoeg over de geheele wereld verbreid geslacht, welks leden door grootte uitmunten; hun ovaal, van onderen min of meer gekield, van boven tamelijk bol lichaam is plomper van gestalte dan dat van eenigen anderen Kever. Het eerste van de 9 leden der sprieten is gebogen en roestrood, de 4 laatste vormen gezamenlijk een bruine, bladerige knots. Evenals bij de Dyticiden, zijn ook bij de Hydrophilen de voeten van de beide achterste paren pooten roeiriemvormig verbreed en aan den binnenrand met borstels gewimperd; het eerste lid is klein en ziet er bij oppervlakkige beschouwing eenvoudig als een aanhangsel uit; het tweede is langer dan alle overige voetleden; deze inrichting van den voet levert een eerste kenmerk voor het geheele geslacht. Het mannetje kan men van het wijfje gemakkelijk onderscheiden aan het platgedrukte, bijlvormige, laatste lid van den voorvoet. Een tweede kenmerk van het geslacht, dat bij de bovengenoemde soort zeer duidelijk uitkomt, bestaat hierin, dat het borstschild van het middel- en achterborststuk gezamenlijk een (hier platgedrukte en van voren sterk gegroefde) kiel vormen, die zich als een scherpe lanspunt over de achterheupen uitstrekt. De dekschilden zijn overlangs gestreept, en in verband hiermede bij de spits een weinig geribbeld; aan den naad loopen zij in een fijn tandje uit. De groenachtig glinsterende, pekzwarte Kever leeft in stilstaand en stroomend zoetwater. Merkwaardig zijn sommige details van het inwendig samenstel van dit dier. Een ballonvormige luchtzak (verwijding van het tracheeënstelsel) van aanzienlijke grootte, welke uit een uiterst dun vlies bestaat en op de grens tusschen borststuk en achterlijf voorkomt, is met de andere, zeer talrijke opzwellingen van de luchtbuizen geschikt om als zwemblaas dienst te doen. Ook het spijskanaal verschilt aanmerkelijk van dat der overige Waterkevers en verraadt een uit plantaardige stoffen bestaande voeding. De “algen”, die vele poelen met een viltachtige massa vullen, schijnen hiervoor zeer geschikt; hiermede heeft men verscheidene Pekzwarte Watertorren in een aquarium gedurende geruimen tijd met goed gevolg gevoederd.
In April zorgt het wijfje door het leggen van eieren voor haar nakomelingschap; zij doet dit op een wijze, die een nadere bespreking verdient en die men bij geen anderen Kever, tenzij bij de naaste verwanten van den bovengenoemden, waargenomen heeft. Zij gaat aan de oppervlakte van ’t water op den rug liggen onder het drijvende blad van een plant, dat zij met de voorpooten tegen haar buik drukt. Uit 4 buizen, waarvan 2 verder buiten het achterlijf te voorschijn komen dan de beide andere, vloeien witachtige draden, die door het heen en weer bewegen van de spits van het achterlijf tot een spinsel vereenigd worden, dat den geheelen buik van de spinster bedekt. Zij keert zich om, zoodat de nu voltooide plaat haar op den rug komt te liggen, vervaardigt op dezelfde wijze een tweede plaat en voegt beide langs den rand aaneen. Hiermede gaan ongeveer vijf kwartier voorbij. In het van voren geopende zakje, dat nu het achterlijf omgeeft, worden, naarmate het dier zich er voorzichtig uit terugtrekt, ongeveer 50 eieren gelegd. Het duurt een paar uren, voordat de spits van het achterlijf vrij geworden is. De Tor omvat nu het geopende einde van het nestje met de achterpooten en begint het te sluiten door draden rondom de opening te leggen, die hierdoor al kleiner en kleiner wordt. De sluiting wordt nog versterkt door eenige van boven naar beneden en van beneden naar boven gesponnen draden, waardoor een driehoekig plaatje ontstaat, dat de grondslag vormt voor een soort van mastje. Ook hiervoor leveren de spinklieren de bouwstof. De Kever vervaardigt dit gekromde hoorntje van op en neer loopende draden, maakt eerst het breedere benedeneinde en verhoogt dit vervolgens langzamerhand, totdat de gewenschte lengte bereikt is. Het geheele werkstuk is in 4 à 5 uur voltooid; dan schommelt het kunstig gebouwde hulkje op den plas tusschen de bladen der waterplanten. Als het door een te sterke beweging van ’t water omkantelt, richt het zich onmiddellijk weder op; het mastje wijst altijd omhoog, omdat het achterste gedeelte van ’t nestje de eieren bevat en dus zwaarder is dan het voorste, waarin lucht is opgesloten.
Na verloop van 11 à 18 dagen verlaten de kleine larven de eischaal; zij blijven echter nog eenigen tijd in haar gemeenschappelijke wieg, waarschijnlijk, totdat de eerste vervelling afgeloopen is. Over de wijze waarop de larve zich voedt, zijn de meeningen verdeeld. Volgens sommigen eet zij in haar jeugd plantaardige stoffen en wordt eerst na verscheidene vervellingen een gulzig roofdier. Volgens anderen is zij dit reeds van den aanvang af; men zegt, dat allerlei Waterslakken, welker huisjes zij aan de rugzijde opent, haar liefste spijs uitmaken. Wanneer zij gegrepen of door den snavel van een Watervogel getroffen wordt, houdt zij zich dood: haar lichaam hangt dan naar weerszijden als een ledige, slappe zak naar beneden. Als deze list niet baat, maakt zij het water in hare omgeving troebel met een zwart, stinkend vocht, dat door den aars ontwijkt; dit middel beveiligt haar dikwijls tegen vervolging. De larve neemt gaarne den in onze afbeelding aangeduiden stand aan. Haar kop is plat en draagt geen oogen; de stevige bovenkaken zijn in ’t midden met een tand voorzien; de steel van de onderkaken is lang; deze steken dus ver vooruit en kunnen goed bewogen worden. De pooten zijn kort en eindigen ieder in één klauw; het spitse eindlid van ’t achterlijf draagt van onderen een paar draadvormige aanhangsels. De volwassen larve verlaat het water en maakt aan den waterkant in de vochtige aarde een hol, waarin zij zich verpopt. Tegen het einde van den zomer werpt de Kever de pophuid af; hij blijft echter op zijn geboorteplaats, totdat de chitine-laag van zijn huid hard geworden is en begeeft zich eerst daarna te water.
Tot de Kortschilden (Staphylinidae, Brachelytra) brengt men thans meer dan 4000 soorten van Kevers, die over de geheele aardoppervlakte verdeeld zijn, maar in Europa het talrijkst voorkomen. Het kenmerk, waaraan zij hun naam ontleenen, is geschikt om hen zonder moeite van andere Kevers te onderscheiden; overigens vertoonen zij een bijzonder groote verscheidenheid, zoowel wat hun houding en levenswijze betreft, als door het maaksel van enkele voor andere familiën zeer karakteristieke lichaamsdeelen. De meeste Kortschilden hebben 5-ledige voeten; soorten met 4 of zelfs met niet meer dan 3 leden zijn in deze familie echter niet zeldzaam. De sprieten zijn in den regel draadvormig. Hoewel het lichaam over ’t algemeen een langwerpige gedaante heeft, zijn er toch ook Kortschilden, welker achterlijf als een rolronde staart aan het rechthoekige voorstuk vastzit, andere van spoelvormige gedaante, nog andere, die aan de langhalzige Loopkevers herinneren; naast volkomen cilindrische vormen komen gestalten voor, die als ’t ware van boven naar onderen platgedrukt zijn. De meeste inheemsche soorten hebben een geringe grootte en een sombere of vuilgele kleur, waarop nagenoeg geen teekening voorkomt, en vallen daarom weinig in ’t oog; sommige uitheemsche soorten trekken door haar helderen, metaalachtigen glans een weinig meer de aandacht.
Voor ’t meerendeel leven zij op den grond en houden zich gezellig onder rottende stoffen op, vele vestigen zich in mest, op krengen, in veeljarige houtige zwammen en in snel afstervende paddestoelen, onder boomschors of steenen of op zandige plaatsen, waar ook vele Loopkevers voorkomen. Sommige soorten bewonen mierenhoopen en blijven hier levenslang; slechts enkele scheppen geen behagen in een vochtige, met de uitwasemingen van modder en rottende stoffen vervulde verblijfplaats en laten een meer gekuischten smaak blijken door bloemen op te zoeken en honig te lekken. De meeste worden door den invloed der zonnestralen zeer opgewekt en toonen dit door op een zonnigen middag, de grootste soorten ook op heldere zomeravonden, een druk gebruik van hunne vleugels te maken. Hun voedsel bestaat uit rottende plantaardige en dierlijke overblijfselen, doch ook uit levende dieren. Bij enkele geslachten en soorten merkt men een bij de Kevers zeldzaam voorkomend verschijnsel op, n.l. 1 of 2 enkelvoudige oogen op het voorhoofd. Een nog merkwaardiger uitzondering op den regel vormen eenige Zuid-Amerikaansche Kortschilden van de geslachten Spirachta en Corotoca door levende jongen ter wereld te brengen.
Meer dan de larven van andere Kevers gelijken de larven der Staphylinen op de volkomen Insecten, omdat deze zoowel door den langwerpigen vorm van ’t lichaam als door de kortheid hunner dekschilden, die men licht over ’t hoofd ziet, zelve eenige overeenkomst met larven vertoonen. De grootste soorten maken in dit levenstijdperk jacht op andere larven en kunnen met vleesch gevoederd worden, als men ze gevangen houdt. De pop bewoont een hol in den grond en gaat na een rust van weinige weken in den imago-toestand over.
Als vertegenwoordigers der familie noemen wij eenige soorten, die door bonte kleuren of een ongewone grootte de aandacht trekken of door haar algemeene verbreiding opmerkelijk zijn.
De Geelgestreepte Modderkever (Staphylinus caesareus) is grootendeels zwart van kleur; de kop en het halsschild zijn metaalachtig groen, de sprieten, de behaarde pooten en de dekschilden bruinrood; de reeksen van lichte vlekken op het achterlijf en de lichte zoom van den kraag aan het halsschild worden gevormd door goudgele, aanliggende, zijdeachtige haren.
Deze Kever houdt zich het meest in bosschen op, waar hij zijn voedsel verzamelt in de bladerenlaag, die den bodem bedekt, maar ook wel op de wijze van de Klimloopkevers jaagt. Hem en de grootste van zijne verwanten ziet men soms bij warm weer zoekend op de wegen rondloopen en daarbij een zonderlinge, zeer bevallige houding aannemen. Zij heffen n.l. hun onbedekt, buitengewoon beweeglijk achterlijf ver omhoog en krommen het zóó, dat de opening van den boog naar voren gericht en boven het borststuk gelegen is. Deze aan het pronken van een Pauw herinnerende beweging schijnt een buitengewonen graad van opgewektheid aan te duiden, althans een behaaglijke stemming, gelijk af te leiden valt uit de flinke, fiere wendingen van het lichaam, dat nu gemakkelijker draaien kan.
De Kortharige Modderkever (Staphylinus pubescens) heeft eigenlijk een roestbruine kleur, die op het halsschild en de dekschilden het donkerst, op het kopschild het lichtst is; de zijdeachtige haren, die het geheele lichaam dicht bedekken, kaatsen echter het licht met verschillende kleuren terug, de buikzijde van het achterlijf en van het naborststuk is grootendeels zilvergrijs; de rug schijnt oneffen door de zwarte, fluweelachtige vlekken, die er op voorkomen.
De Stinkende Vlugpoot (Ocypus olens) is een van de grootste en plompste leden van zijn familie; met uitzondering van de roestbruine spits der sprieten is hij geheel en al zwart, welke kleur door de viltachtige beharing dof schijnt. Veelvuldig is deze soort niet; men vindt haar vooral in bosschen, meestal bij paren.
1) Stinkende Vlugpoot (Ocypus olens), 2) Kortharige Modderkever (Staphylinus pubescens), 3) Bronskleurige Mestzoeker (Philonthus aeneus), 4) Roode Zwamzoeker (Oxyporus rufus), 5) Oever-Ametystkever (Paederus riparius), 6) Geelgestreepte Modderkever (Staphylinus caesareus) Fign. 3–5 zwak vergroot (zie de bijgevoegde streepjes).
Een 30-tal inheemsche soorten behooren tot het geslacht der Mestzoekers (Philonthus), o.a. de hierboven afgebeelde Bronskleurige Mestzoeker (Philonthus aeneus). Zij bewonen allerlei vochtige humus-rijke plaatsen en niet uitsluitend of bij voorkeur mest, gelijk haar naam zou doen vermoeden.
De onderste van de beide bontgekleurde Kortschilden, die in onze afbeelding op een paddestoel loopend zijn voorgesteld—de Roode Zwamzoeker (Oxyporus rufus)—is ongetwijfeld een van de fraaiste leden der geheele familie. De glanzig zwarte heerschende kleur wordt op het halsschild en op het achterlijf, dat alleen aan de spits zwart is, door helder rood vervangen; elk dekschild prijkt met een groote schoudervlek van dezelfde kleur, die ook de pooten (met uitzondering van hun zwarten wortel), de basis der knotsvormige sprieten en alle monddeelen (behalve de bovenkaken) versiert. Deze soort leeft in vleezige en houtachtige zwammen en is hier volstrekt niet zeldzaam.
De Oever-Amethystkever (Paederus riparius) is rood, behalve aan den kop en de spitsen der sprieten, de knieën, de beide achterste borstringen en de spits van den staart, die zwart zijn, terwijl de grofgestippelde dekschilden een blauwe kleur hebben. Deze Kever houdt zich gaarne op aan den rand van stroomend en stilstaand water, kruipt ook wel bij de daar groeiende struiken omhoog en vormt meestal kleine gezelschappen.
De Dwergkevers (Pselaphidae), die, ondanks hun zeer geringe grootte, in vele opzichten merkwaardig zijn, leven verborgen onder mos, vochtige afgevallen bladen, boomschors, steenen en—in nesten van Mieren. Zij zijn nauw verwant aan de Staphylinen, daar ook bij hen de dekschilden het achterlijf voor een groot deel onbedekt laten. Verwarring is echter onmogelijk, daar zij het achterlijf niet kunnen omhoog richten of op eenigerlei wijze bewegen, welk vermogen aan de Staphylinen in hooge mate eigen is. De 5 achterlijfsringen zijn n.l. onbeweeglijk met elkander vergroeid. De Dwergkevers, welker bestaan niet aan dat der Mieren verbonden is, vliegen ’s avonds rond. Bij hoogen waterstand in den zomer worden zij dikwijls bij honderden met tal van lijdensgenooten uit hunne schuilplaatsen weggespoeld en aan zandige oevers gedreven, waar de verzamelaar een rijken oogst kan houden van deze diertjes, die op een andere wijze zoo moeielijk te verkrijgen zijn.
Tot dusver heeft men ongeveer 500 soorten van Dwergkevers leeren kennen; zij worden in alle werelddeelen gevonden, met uitzondering van Azië, waar zij ongetwijfeld door de verzamelaars over ’t hoofd zijn gezien. In ons vaderland heeft men slechts weinige soorten aangetroffen. De larven van deze Kevers kent men nog niet.
De bij ons nog niet waargenomen Gele Knotskever (Claviger testaceus, C. foveolatus) behoort tot een geslacht, welks leden volkomen afhankelijk zijn van de Mieren, en zonder deze niet kunnen bestaan. Zij kenmerken zich door het gemis van oogen, door vergroeiing der dekschilden, die ieder een bundel van haren dragen en door het bezit van een diepe groeve op den rug aan den wortel van het achterlijf.
De genoemde soort bewoont het onder steenen aangelegde nest van de Gele Mier (Lasius flavus). Dat de Mieren hoogen prijs stellen op het bezit van deze gasten, blijkt, wanneer men de orde in het nest verstoort door den steen op te heffen, waaronder het verborgen is; men ziet dan de eigenaars van het nest de Dwergkevers met dezelfde zorg aanvatten als hare eigene poppen en hiermede de wijk nemen naar veiliger gedeelten van het gebouw. Om de oorzaak van deze vriendschappelijke verhouding te leeren kennen, plaatste P. W. J. Müller een mierennest in een glazen vischkom. Toen de bevolking tot rust was gekomen, liepen de kevertjes rustig tusschen de Mieren rond. Zoo dikwijls een Mier een Knotskever tegenkwam, streelde zij hem met de sprieten; na het ontvangen van een op gelijke wijze gegeven antwoord, sperde de Mier de bovenkaken open en zoog met de overige monddeelen de bosjes gele haren uit, die zich boven den buitensten achterhoek van de dekschilden verheffen, lekte het sap op, dat deze organen afscheiden en dat zich in het kuiltje op den rug van het achterlijf verzamelt. Ongeveer alle 8 of 10 minuten herhaalde zich dit tooneel. Tevens werd opgemerkt, dat de Mieren de Knotskevers voederen, en dat deze niet in staat zijn zelfstandig in hun onderhoud te voorzien. Als een verzadigde Mier een nog hongerigen Knotskever tegenkwam, stak deze, alsof hij het voedsel rook, den kop en de sprieten omhoog naar den mond van zijn gastvrouw. Na eenige plichtplegingen openden beiden den bek en gaf de Mier, terwijl zij de monddeelen ver uitstak, een deel van den inhoud van haar maag ten beste. Deze handeling duurde ongeveer 12 seconden en werd gewoonlijk gevolgd door het reeds genoemde aflikken der haarbosjes. Levenslang blijven de Knotskevers in dezen afhankelijken toestand. Zij planten zich in de mierennesten voort en sterven er.
In de familie der Aaskevers (Silphidae) komt een zoo groote verscheidenheid van vormen voor, dat in een voor al hare leden geldende beschrijving slechts weinige punten aangeroerd kunnen worden. Men kan wijzen op den vorm der sprieten, die gewoonlijk uit elf leden bestaan, naar de spits allengs in dikte toenemen of hier een scherp begrensden eindknop dragen; de dekschilden reiken bij eenige tot aan het einde van ’t achterlijf, dat bij andere voor een deel onbedekt blijft. Door de vrij uitstekende, kegelvormige heupen der 4 voorste pooten en door de 6 vrije achterlijfsringen verschillen de Aaskevers van alle overige Kevers met 5-ledigen voet en knotsvormige sprieten.
Verschillende inheemsche Doodgravers en larve van den Gewonen Doodgraver (Necrophorus vespillo). Ware grootte.
Alle leden van deze familie zoeken krengen op, die hun zelf tot voedsel dienen of waarin zij hunne eieren leggen; alle werpen, wanneer men ze aanvat, een stinkend vocht uit door den aars of den mond of door beide tegelijk. Bij gebrek aan lijken van dieren, verslinden zij ook plantaardige stoffen of maken jacht op levende Insecten, waarbij zij hunne soortgenooten niet verschoonen. Hunne bewegingen zijn flink; het reukzintuig is zeer gevoelig; hierdoor geleid, komen zij van groote afstanden aanvliegen naar plaatsen, waar het een of ander dood dier ligt te rotten. Ongeveer 500 soorten van deze Kevers bevolken de geheele aardoppervlakte; vier tienden hiervan behooren in de koude en gematigde aardgordels thuis.
De larven stemmen in levenswijze met de geslachtsrijpe dieren overeen, doch zijn, gelijk deze, zeer verschillend van gedaante.
De Gewone Doodgraver (Necrophorus vespillo) heeft met zijne ruim 40 geslachtsgenooten, die voor ’t meerendeel Europa en Noord-Amerika bewonen, de volgende kenmerken gemeen: De 4 laatste van de 10 sprietleden vormen een bolvormigen knop. De groote, van achteren bij wijze van een hals versmalde kop is gedeeltelijk weggedoken onder het bijna cirkelronde, breed gerande halsschild. De afgeknotte dekschilden laten de 3 laatste ringen van het achterlijf onbedekt. De genoemde soort kenmerkt zich door gebogen achterscheenen, door de goudgele beharing van het halsschild, de gele kleur van den knop der sprieten, 2 oranjegele dwarsbanden op de dekschilden en een zwarte grondkleur. Opmerkelijk is voorts het afgebroken, ratelend geluid, dat deze Kever kan voortbrengen, door de beide lijsten, waarmede de rug van den vijfden achterlijfsring voorzien is, langs den achterrand der dekschilden te wrijven.
Op plaatsen, waar een kreng ligt, verzamelen de Doodgravers zich; elders zal men deze hoofdzakelijk ’s nachts arbeidende Kevers niet dikwijls aanschouwen. De eerstaangekomene ziet achtereenvolgens 1, 2, 3, 4 of 5 soortgenooten bij den door hem ontdekten schat verschijnen; aanvankelijk bepalen zij zich tot het onderzoek van het lijk en van den bodem, die niet altijd voor begraafplaats geschikt is. Als de Kevers van oordeel zijn, dat de arbeid kan aanvangen, begeven allen zich onder het doode dier, b.v. een Muis. Zij groepeeren zich op zulk een wijze, dat de eene den anderen niet in den weg staat, en graven in schuinsche richting met de pooten de aarde weg, die zij onder hun lichaam door naar achteren werpen; hierdoor zal om de Muis, die langzamerhand door haar eigen zwaarte naar beneden zakt, een wal ontstaan. Nu en dan hapert er iets aan den vooruitgang van het werk: bijna altijd zal het eene deel schielijker zakken dan het andere; in dit geval ziet men nu eens den eenen dan weer den anderen arbeider aan de oppervlakte komen om met nadenkend opgeheven kop en sprieten als een deskundige den stand van zaken na te gaan, het werk aan alle zijden in oogenschouw te nemen; weldra ziet men dan ook het achtergebleven deel allengs zakken, daar alle krachten zich nu op één punt vereenigen. Ongeloofelijk snel verrichten de Doodgravers hun arbeid; na verloop van betrekkelijk korten tijd is de Muis van de oppervlakte verdwenen en ziet men op de plaats, waar zij gelegen heeft, nog slechts een kleine verhevenheid; ook deze verdwijnt later. Volgens een ooggetuige begroeven 4 Doodgravers in 50 dagen 2 Mollen, 4 Kikvorschen, 3 kleine Vogels, de ingewanden van een Visch, 2 Sprinkhanen en twee stukken runderlever. In vasten bodem worden de lijken slechts even onder de oppervlakte gebracht, in zeer mullen grond komen zij soms op een diepte van wel 30 cM. te liggen. Dat de Doodgravers bij het verrichten van hun arbeid soms groote bezwaren met goed gevolg overwinnen, blijkt uit de volgende proef. Aan een touw, dat aan een in den grond gestoken stok bevestigd was, werd het aas op zulk een wijze opgehangen, dat het den bodem niet aanraakte. Nadat de Kevers zich overtuigd hadden, dat zij hier op de gewone wijze hun taak niet konden volbrengen, bereikten zij hun doel door den stok zoover te ontgraven, tot hij omviel. Zij weten zeer goed, dat andere Insecten, niet slechts Aaskevers, maar vooral ook groote Vleeschvliegen, hetzelfde doel beoogen en werken daarom met inspanning van al hunne krachten om de overige liefhebbers voor te zijn. Zij begraven het aas niet om voor zich zelf een lekker hapje te behouden, zooals de verzadigde Hond, die een overgeschoten been verbergt; zij arbeiden met het vooruitzicht op het eieren leggen, uit teedere zorg voor hun kroost, waaraan zij een voldoende voeding en gelegenheid tot ongestoorde ontwikkeling willen verschaffen. Binnen 14 dagen komen de larven uit, die in korten tijd, na verscheidene vervellingen haar grootsten omvang bereiken (zie de vorenstaande afbeelding). Grootendeels zijn zij vuilwit; de 6 zwakke, ieder in één klauw eindigende pooten en de kop met zijne 4-ledige sprieten en middelmatig groote bovenkaken zijn geelachtig bruin; dezelfde kleur hebben de kroonvormige rugschilden, die aan den voorrand der leden gehecht zijn en bij het kruipen door een gang met de uitsteeksels tegen den wand gedrukt worden. Om zich te verpoppen begeeft de larve zich eenigszins dieper in den grond en maakt hier een hol, welks wand zij door een lijmerige stof stevig maakt; de aanvankelijke witte, later gele pop wordt voortdurend donkerder, naarmate de tijd van de laatste gedaantewisseling nadert. Waarschijnlijk levert ieder jaar slechts één generatie op, hoewel de ontwikkeling snel genoeg plaats vindt om twee generaties mogelijk te maken.
*
Het geslacht der Aaskevers (Silpha), waaraan de geheele familie haar naam ontleent, onderscheidt zich door een plat gedrukt lichaam van eivormige gedaante. De 11-ledige sprieten worden nader bij de spriet allengs dikker en vormen hier een 3- à 5-ledige knots. De 67 bekende soorten zijn met weinige uitzonderingen geheel en al zwart en door haar voedingswijze bijna geheel aan den bodem gebonden; zij bewonen alle werelddeelen met uitzondering van Australië.
De Zwarte Aaskever (Silpha atrata), een van de meest verbreide soorten, is o.a. hierdoor merkwaardig, dat zijn larve soms op de suikerbiet- en mangelwortelakkers groote schade aanricht. De Kever vertoeft gedurende den geheelen zomer op akkers of wegen, onder steenen of aardkluiten, bij voorkeur trouwens onder het lijk van een dier. Hij is elliptisch van omtrek en glinsterend zwart van kleur; de loodrecht naar onderen gerichte kop, wordt, evenals bij al zijne soortgenooten, aan de bovenzijde door het grof gestippelde halsschild bedekt. De dekschilden zijn aan den buitenrand sterk naar boven gebogen en ieder in 4 velden van gelijke breedte verdeeld door drie stompe, overlangsche lijsten en den op gelijke wijze uitpuilenden naad. Deze velden zijn met grove rimpels of knobbels bezet.
Zwarte Aaskever (Silpha atrata) met larve.
De larve is van boven zwart, van onderen licht gekleurd; aan de rugzijde merkt men 12 harde schilden op; het lichaam wordt van den kop tot aan het
midden breeder en verderop allengs veel smaller. Het laatste lid draagt aan ’t einde twee vleezige aanhangsels. Gewoonlijk blijven deze larven en die der overige soorten verborgen onder doode dieren en nemen na iedere vervelling snel in grootte toe. Tijdelijk komen zij echter in zoo groote menigte voor, dat haar gewone voedsel niet meer in voldoende hoeveelheid voorhanden is en zij, merkwaardigerwijze, planteneters worden. Zij zijn zeer vraatzuchtig, groeien snel, vervellen intusschen 4-maal, zijn bij het verlaten van de oude larvehuid volkomen wit, maar hebben reeds één uur later op den rug haar oorspronkelijke, zwarte kleur herkregen. De volwassen larve kruipt tamelijk diep in den grond, maakt hier een hol en verandert in een witte, als een vraagteeken gekromde pop. Na een rusttijdperk van ongeveer 10 dagen komt de Kever te voorschijn. Deze overwintert als imago. Er kunnen ieder jaar twee generaties optreden.
Op plaatsen waar Doodgravers en Aaskevers zich gaarne ophouden, is gewoonlijk ook de familie der Krengtorren (Histeridae) door eenige soorten vertegenwoordigd. Hun lichaam is gedrongen van bouw, zijdelings verbreed, soms zelfs volkomen plat en omgeven door een sterk glanzig, buitengewoon hard pantser. De kleine, smalle kop is zeer diep in het halsschild verborgen en kan bij vele soorten naar onderen teruggetrokken worden, zoodat men hem bijna niet meer zien kan. De korte, 11-ledige sprieten zijn knievormig gebogen en eindigen in een drieledigen knop. De pooten zijn terugtrekbaar en plat, d.w.z. kunnen op zulk een wijze in ondiepe groeven aan de buikzijde van ’t lichaam geborgen worden, dat een ongeoefend oog hun aanwezigheid ternauwernood opmerkt. De Krengtorren hebben een langzamen gang; door geheel hun voorkomen wordt men eenigszins aan een Schildpad herinnerd. Veel draagt hiertoe bij de eigenaardige gewoonte om, zoodra hun iets buitengewoons overkomt, de toch reeds trage beweging te staken, den kop en de pooten in te trekken en zich dood te houden. Op warme zomeravonden, minder dikwijls in de heete middagzon, maken zij van hunne vleugels gebruik om spoediger een grooten weg af te leggen; waarschijnlijk geschiedt dit met het doel om voedsel op te sporen. Zij verslinden niet slechts rottende dierlijke stoffen, maar maken even gaarne gebruik van plantaardige rottingsproducten; men vindt ze daarom veelvuldig in mest en ook in snel rottende, vleezige zwammen, sommige soorten achter boomschors, enkele in mierenhoopen. Behalve zwart met een blauwen of paarsen, dikwijls zeer sterken metaalglans komt in hun kleed geen andere kleur voor dan rood. De 1200 soorten van deze familie zijn over de geheele aarde verbreid, het minst talrijk over Afrika, Indië en Australië.
De langwerpige larven bestaan uit een harden kop en 12 leden, waarvan alleen het voorste een hoornachtig hard omkleedsel heeft. Door het bezit van gladde aanhangsels aan ’t uiteinde van ’t lichaam en door het vermogen om den aars naar buiten te stulpen, waardoor een wratvormige “naschuiver” ontstaat, die tot steun voor het lichaam dient, gelijken zij op larven van Staphylinen.
Koolzaad-glanskever (Meligethes aeneus). Ware grootte en sterk vergroot.
De Mest-krengtor (Hister fimetarius, H. sinuatus) is een van die soorten, welke den kop in een afgerond uitsteeksel van het voorborststuk kunnen terugtrekken. Onder den voorhoofdsrand zijn de knievormig gebogen sprieten, die in een ovale, 3-ledige knots eindigen, ingeplant; deze kan verborgen worden in een groeve aan den voorrand van het voorborststuk. De lange, scheef naar beneden gerichte, in ’t midden getande bovenkaken steken dreigend voor den kop uit. Een der kenmerken van den genoemden Kever is, dat hij aan den achterrand van het voorborststuk een klein, afgerond uitsteeksel heeft, dat in een uitholling van het middelborststuk past. Het halsschild heeft slechts één randstreep; de dekschilden hebben op den omgeslagen zijrand een duidelijk gestippelde groeve, op de zijde zelf drie van voren tot achteren reikende strepen, naast den naad een halverwege eindigende streep en op het midden een groote, roode vlek. Men vindt deze soort vooral in droge, zandige streken in mesthoopen en ontmoet hem ook wel eens op een veldweg, langzaam voortstrompelend, vaker evenwel platgetrapt, omdat hij door het “dood liggen” niet beveiligd is tegen den voetzool van den niet op hem lettenden wandelaar.
Tot de familie van de Glanskevers (Nitidulariae) brengt men ongeveer 800 soorten van kleine Insecten, die in zeer grooten getale over geheel Amerika en Europa verspreid zijn; slechts enkele behooren hier en daar in Afrika en verder oostwaarts tot op de Australische eilanden thuis. Hun vorm komt in hoofdzaken overeen met dien der Krengtorren, van welke zij echter door de geringere hardheid en de minder eentonige kleur van de lichaamsbekleeding afwijken. De dekschilden zijn meestal een weinig korter dan het achterlijf; ook de pooten zijn kort; de niet knievormig gebogen sprieten loopen uit in een 3- of 4-ledigen knop.
Deze Kevertjes komen in zeer verschillende omstandigheden, hetzij in kleinen getale of tot groote gezelschappen vereenigd, voor; men vindt ze op allerlei bloemen, achter boomschors, in het gistende en hierdoor brijachtig wordende sap, dat uit wonden van de boomen (eiken, berken, beuken) vloeit, in paddestoelen, in dierlijke overblijfselen, enz.
De Koolzaad-glanskever (Meligethes aeneus) trekt de aandacht, wanneer hij, zooals niet zelden het geval is, in aanzienlijken getale bloeiend raapzaad, koolzaad en andere kruisbloemige planten en later ook bloemen van allerlei struiken bewoont; een afzonderlijk levend exemplaar wordt licht over ’t hoofd gezien, daar het slechts 2.25 mM. lang is; deze Kever heeft een metaalachtig groene kleur, is, van boven gezien, afgerond vierhoekig en vertoont aan de buikzijde een smal, van achteren spits toeloopend voorborststuk.
Na den winter verlaten de Glanskevers hun (waarschijnlijk in den grond gelegen) slaapplaats, zoeken de genoemde planten op en voeden zich met hare knoppen en bloemen, zwermen in den warmen zonneschijn vroolijk rond en paren. 3 of 4 dagen later, liefst bij volkomen stil weder, steekt het wijfje haar voor uitstulping geschikte achterlijfsspits tot onder in den knop en laat hier een langwerpig rond, wit eitje achter. In 8 à 14 dagen ontwikkelt zich de larve, die zich voedt met de bloemdeelen, welke dan nog in den knoptoestand verkeeren, of reeds uitgebot zijn, en later aan de jonge hauwen knaagt, waardoor zij nog meer schade aanricht dan de Kever. Met tusschenruimten van 8 à 10 dagen hebben achtereenvolgens 3 vervellingen plaats; na de laatste gaat het Insect in den poptoestand over en leeft bijgevolg gemiddeld één maand. Kort voor de verpopping is het hoogstens 4.5 mM. lang, rolvormig, geelachtig wit van kleur en gelijkt veel op de larve van een Aardvloo. Wanneer men opmerkzaam de bovenste gedeelten van de bloeiwijzen der koolzaadplanten onderzoekt, vindt men deze larven in grooten getale tusschen de bloemen zitten; het is dan niet moeielijk te begrijpen, dat de lange, over een grooten afstand kale stengeltoppen ten tijde van de rijpheid der vruchten, gedeeltelijk althans op haar rekening komen.
Om zich te verpoppen, laat de larve zich op den grond vallen en omgeeft zich hier, op korten afstand van, doch onder de oppervlakte, met een los spinsel, waarin men weldra het witte, bij aanraking zich sterk krommende popje vinden kan, welks lichaam van achteren in twee vleezige spitsen eindigt. Na 12 à 16 dagen, in ’t begin van Juli derhalve, komt de Kever voor den dag. Deze zoekt zijn voedsel op de bloemen, maar plant zich eerst in ’t volgende jaar voort.
In systematische werken over Kevers volgen op de zooeven behandelde familiën een aantal groepen, die den verzamelaar veel moeite veroorzaken, veel inspanning van zijne gezichtsorganen vergen, daar zij uit kleine diertjes bestaan, die voor een deel zeer moeielijk op te sporen zijn. Met voorbijgang van deze, zullen wij eenige Keversoorten beschrijven, die in onze woningen schade aanrichten en ijverig vervolgd moeten worden. Zij vormen met een zeer groot aantal verwanten de familie der Spektorren (Dermestidae), zoo genoemd naar den grootsten van hare vertegenwoordigers.
1, 2) Museumkever (Anthrenus museorum).—3–5) Dief (Ptinus fur).—6, 7) Spektor (Dermestus lardarius).—8, 9) Bonttorretje (Attagenus pellio) Iedere soort met haar larve. Alle afbeeldingen vergroot. ♂ mannetje, ♀ wijfje.
Men merkt bij deze Kevers geen zeer duidelijke scheiding van kop, borst en achterlijf op, maar treft overigens bij hen zeer verschillende vormen aan. De naar beneden gerichte, terugtrekbare kop draagt meestal één enkelvoudig oog op de kruin; dit kenmerk en het bezit van 5 leden in den voet en van een uit 5 ringen samengesteld achterlijf, hebben alle Spekkevers met elkander gemeen. Ook in levenswijze en gewoonten vertoonen zij een zeer groote overeenkomst. Alle trekken de pooten op, verbergen de sprieten, buigen den kop terug en blijven geruimen tijd voor dood liggen, wanneer zij verontrust worden en gevaar duchten. Voorts onderscheiden zij zich door hun rondzwervende levenswijze; het is hun vrij wel onverschillig, in welk gezelschap of in welke omgeving zij verkeeren, of zij naast een eleganten Vlinder in een geurige bloem zitten, of in vereeniging met liefhebbers van de duisternis en vieze kameraden in de overblijfselen van een stinkend kreng rondwroeten; zoowel in het rottende hout van een ouden boomstam als in den hoek van een eetzaal treft men ze aan; als verblijfplaats is hun de bontrand van een afgedankten voetenzak of de bekleeding van een sofa even welkom als de lichaamsholte van een grooten Kever, die het sieraad uitmaakt van een insecten-verzameling; toch leven sommige hoofdzakelijk op deze, andere meestal op gene plaats. Daar de Spektorren, en in meerdere mate nog hare larven, zich met dierlijke stoffen van allerlei aard voeden, en bij voorkeur de droge bestanddeelen hiervan verslinden, treft men ze overal aan,—buiten in de vrije natuur, in onze woningen, op schepen, enz.; zij maken reizen om de wereld; sommige worden wereldburgers in de volste beteekenis van ’t woord. Voorzoover zij een verborgen leven leiden en zich in de verborgenheid sterk vermenigvuldigen, kunnen zij in sommige gevallen een gevoelige schade aan onze bezittingen toebrengen. Dit geldt in de eerste plaats van de vraatzuchtige larven. Zij zijn voorzien van een goed gevuld kleed van overeindstaande haren, die meestal naar achteren op sommige plaatsen dichte bundels vormen en zich ook bij wijze van een ster kunnen uitspreiden; zij hebben korte, 4-ledige sprieten, meestal 6 enkelvoudige oogen aan iedere zijde van den kop en korte pooten, die in één klauw eindigen. Bij de gedaantewisseling komt er over den rug een scheur in de huid, die daarna nog voor de pop een beschermend omhulsel levert.
De Spektor (Dermestes lardarius) wordt te midden van zijne geslachtsgenooten, die alle gemiddeld 7.6 mM. lang zijn, gemakkelijk herkend aan den lichtbruinen, met eenige zwarte stippels geteekenden dwarsband, die zich over de wortelhelft van de dekschilden uitstrekt en scherp afsteekt bij de zwartbruine kleur der overige lichaamsdeelen.
De langwerpige larve wordt bijna dubbel zoo lang als de Kever, is op den buik wit en op den bruinen rug met tamelijk lange, bruine haren bezet; de langste haren vormen aan het achtereinde van het lichaam een soort van kwast. De larve wordt van Mei tot in September waargenomen, vervelt gedurende dezen tijd 4-maal en verraadt haar aanwezigheid door de achterblijvende, ledige velletjes op plaatsen waar deze niet door luchtstroomingen worden weggevoerd, b.v. in insectenverzamelingen. Tegen den tijd van haar gedaantewisseling, wordt de larve allengs trager, korter en kaler. Ten slotte verbergt zij zich zoo goed of zoo kwaad als zij kan op haar verblijfplaats; in de huid van den rug ontstaat, evenals bij de vorige vervellingen, een overlangsche scheur, waardoor de pop, die met het grootste deel van haar lichaam in de larvehuid steken blijft, zichtbaar wordt. Zij is van voren wit, van achteren bruin gestreept en beweegt zich sterk, wanneer men haar verontrust. Meestal is de ontwikkeling van de pop tot imago in September afgeloopen; de huid barst open en de Kever blijft, evenals vroeger de pop, geruimen tijd in het nu dubbele hulsel zitten. Op warme plaatsen komt hij eerder, in koudere later te voorschijn.
De Spektor en zijne verwanten leven niet uitsluitend in proviand-bergplaatsen, maar overal waar dierlijke overblijfselen te vinden zijn, in huizen, op duiventillen, in de vrije natuur onder lijken, op pelterijen en in verzamelingen van naturaliën.
De overige Dermesten zijn muiskleurig grijs of zwart op de rugzijde, witachtig of zelfs krijtwit op den buik. al naar deze meer of minder dicht begroeid is met tegen het lichaam aanliggende haren. Men ontmoet deze Kevers meestal in de vrije natuur onder aas, maar ook in allerlei natuurvoortbrengselen, die een lange zeereis afgelegd hebben en niet goed ingepakt waren.
Het Bonttorretje (Attagenus pellio), komt in vorm met de Spektor overeen; maar is aanmerkelijk kleiner (gemiddeld 4 mM.), ook heeft het een minder bollen rug; deze is zwartachtig grijs en op het midden van ieder dekschild met een zilverwit behaard plekje geteekend.
Het Bonttorretje houdt zich veel in de vrije natuur op en heeft tot zomerkwartier de bloemen van hagedoorn, spiraea, schermbloemigen en andere planten, waar hij met zijn goeden vriend, het Museumtorretje, en menig ander Insect in de beste verstandhouding verkeert en hier, dikwijls zoo overvloedig bedekt met stuifmeel, dat men het ternauwernood herkent, een zeer vreedzaam leven leidt. Meer gelegenheid heeft men om dezen Kever in onze woningen op te merken, wanneer de lentezon hem uit zijn stoffigen schuilhoek te voorschijn lokt en tot een wandeling over den vloer of tot een tochtje door de lucht naar de helder verlichte vensterruiten verleidt. Grijp hem zonder mededoogen, wanneer hij op deze voor hem gevaarlijke plaatsen vertoeft en knijp hem tusschen de vingers dood om te verhoeden, dat hij nakomelingen verkrijgt. Want al richt hijzelf geen noemenswaarde schade aan, zijn larve doet dit des te meer. Zij verdient den haat, dien men haar toedraagt; het is echter veel moeielijker haar te dooden dan de Kever.
De larve van het Bonttorretje gelijkt veel op die van de Spektor, maar verschilt er van door haar geringere grootte in den volwassen toestand en het gemis van hoornachtige haken aan het einde van het naar achteren smaller wordende achterlijf. De kop is groot en met borstels begroeid; ook de rug draagt geelachtig bruine, korte, naar achteren gerichte haren; aan ’t einde van ’t achterlijf zijn zij langer en vormen een ijle kwast. Wanneer zij kiezen kan, bestaat het voedsel van deze larve hoofdzakelijk uit haar en wol van dierenhuiden; zij wordt hierdoor in menschelijke woningen gelokt, waar pelswerk, met haar gevulde zittingen van meubels, wollen tapijten, enz. haar een des te veiliger verblijfplaats verschaffen, naarmate zij minder vaak worden uitgeklopt, gelucht en afgeschuierd. Mei, Juni en Juli zijn de maanden, waarin de larve de grootste vraatzucht toont en het bont meestal opgeborgen is; het herhaaldelijk luchten en uitkloppen van deze goederen is dan zeer noodig.
*
Een derde lid van dezelfde gauwdievenbende is het Museumtorretje (Anthrenus museorum), een rond kevertje, van onderen grijs behaard, van boven donkerbruin met 3 banden over de dekschilden, die hun kleur danken aan grijsgele haartjes, welke dikwijls op sommige plaatsen afgesleten zijn, waardoor deze teekening onduidelijk wordt. Dit diertje is 2.25 mM. lang en komt, evenals de vorige soort, op bloemen en in huizen voor, hier vooral in insecten-verzamelingen, die niet zeer zorgvuldig tegen zijn indringerigheid beschermd en niet vaak genoeg nagezien worden. De Kever zou men nog kunnen dulden, zijn eenigszins plat gedrukte, bruin behaarde larve evenwel met haar in een langen, afgeknotten haarbos eindigend achterlijf, is een booze klant. Hoe goed de insectenkasten ook gesloten zijn, toch vertoont zich hierin nu en dan zulk een vijand, die er misschien als ei met een niet volkomen gaaf lijk van een Insect gebracht werd, of op de een of andere wijze naar binnen heeft weten te sluipen. Welk een vernieling een enkele van deze vraatzuchtige larven teweeg kan brengen, kan hij, die er schade door leed, het best beoordeelen. Van de vacht der opgestopte Zoogdieren vreten de larven op sommige plaatsen de haren af; van Vogels knagen zij de schaften der veeren, de huid om de neusgaten en van de pooten stuk, kortom zij maken zich aan soortgelijke misdrijven schuldig als hunne reeds genoemde verwanten. Men vindt bijna het geheele jaar door larven van deze soort, waaruit men kan afleiden, dat de ontwikkelingsgang zeer ongelijkmatig is of dat ieder jaar verscheidene generaties oplevert. In Mei of in ’t begin van Juni heeft na herhaalde vervellingen de verpopping in de laatste larvehuid plaats. Evenals zijne verwanten, heeft de Kever de gewoonte om weken lang te blijven in de huiden, die bij de 2 laatste vervellingen afgeworpen zijn.
De Lievenheersbeestjes, in Gelderland Onzenlievenheerskuikentjes, in Friesland Koffie-engeltjes genoemd (Coccinellidae) hebben van alle Kevers het geringste aantal voetleden; zij hebben er althans aan de achterpooten slechts 3.
Ten tijde dat de natuur zich gereed maakt voor een algemeenen winterslaap, is er bijna geen opgerold, droog blad aan den boom te vinden, in welks holte niet minstens 3, 4 of 5 roode Kevertjes met zwarte stippels op den rug (of zwarte met lichte vlekken) het oogenblik afwachten, waarin zij met hun woonplaats afvallen zullen om onder de later los gerakende bladeren begraven te worden. Opeengedrongen zitten andere aan de uiterste toppen van de jonge dennen in de nauwe tusschenruimten der naalden, of achter losgeschilferde stukken schors van een ouden eik verborgen, of verzameld onder een graspol aan de naar ’t oosten gerichte helling van een sloot; op de laatstgemelde plaats vindt men vooral het kleine, houtkleurige Twaalfstippelige Lieveheersbeestje (Micraspis duodecimpunctata), welks met een zwarten naad geteekende dekschilden met talrijke zwarte vlekjes bezaaid zijn. Wij vinden hen thans in grooten getale verzameld in hunne winterkwartieren; enkele exemplaren ziet men ook wel gedurende den winter binnenshuis en in den geheelen zomer overal in de vrije natuur, altijd echter het talrijkst daar waar Bladluizen de planten bedekken en uitzuigen, want met deze schadelijke Insecten voeden zich bijna alle Lievenheersbeestjes; hunne vraatzuchtige larven richten onder dit weerlooze wild een nog grootere slachting aan. De namen, die zij in verschillende talen van het volk ontvingen—Sonnenkäfer, Sonnenkälbchen, Marienwürmchen, Herrgottskühlein, Gottesschäflein (in Duitschland), Bêtes-à-bon-Dieu, Vaches-à-Dieu (in Frankrijk), Lady-birds, Lady-cows (in Engeland)—getuigen van de achting, die men hun toedraagt; wegens de reeds genoemde voedingswijze hebben zij aanspraak op onze dankbaarheid. Hoewel men de inheemsche Lievenheersbeestjes wegens hun half-eivormig of halfbolrond lichaam, welks achterlijf geheel onder de dekschilden verborgen is, niet licht met andere Kevers zal verwarren, vermelden wij hier nog de hoofdkenmerken der geheele familie. De korte kop draagt korte, in een smal knotsje eindigende sprieten, die naar beneden teruggeslagen kunnen worden en vóór de oogen, onder den zijrand van den kop ingeplant zijn. Ook de pootjes kunnen zij verbergen in groefjes, waarbij de scheen in een sleuf van de dij komt te liggen. De kaaktasters eindigen bijlvormig.
De langwerpig eironde, platte, van achteren spitse larven, welker lederachtige huid dikwijls met wratjes bedekt is, gelijken naar het uitwendige veel op de larven der Bladkevers, van welke zij zich echter duidelijk onderscheiden door hare vluggere bewegingen en bontere kleur.
De familie der Coccinellen omvat ongeveer 1000 soorten en is over de geheele wereld verbreid.
*
Bij het geslacht Coccinella is het halfeivormige of halfbolronde lichaam naakt, de dichte knots aan ’t einde van de elfledige sprieten afgeknot, het tweede lid van den voet hartvormig, het derde verborgen; de beide klauwen zijn bij sommige in ’t midden gespleten, bij andere aan hun basis van een driehoekigen tand voorzien.
Het Zevenstippelige Lievenheersbeestje (Coccinella septempunctata) is een van de grootste en meest verbreide inheemsche soorten. Van de zwarte grondkleur wijken af 2 voorhoofdsvlekken en de hoeken van het halsschild, die geelachtig wit zijn, en de menieroode, van voren witte dekschilden, die gezamenlijk 7 ronde, zwarte vlekken dragen. In ’t begin van de lente, zoodra de natuur herleeft, verlaat dit kevertje zijn winterkwartier en paart; reeds in het einde van Mei kan men nagenoeg volwassen larven zien; in Juni en Juli wordt het gezelschap talrijker. Aanvankelijk blijven de larven, die in haar eerste jeugd zuiver zwart zijn, bij elkander in de nabijheid van de verdroogde eischalen; ook later gaan zij niet ver uiteen. De zorgzame moeder had de eieren gelegd op plaatsen, waar hare jongen in de Bladluis-koloniën een overvloed van voedsel konden verkrijgen; zij maken hiervan een goed gebruik en groeien snel, vervellen verscheidene malen en worden allengs blauwachtig leikleurig; de zijden van het eerste, vierde en zevende lid, benevens een overlangsche reeks van fijne stippels op ’t midden van den rug, zijn rood. Voordat de larve in een pop verandert, hecht zij zich met de spits van ’t achterlijf vast, kromt zich naar voren, trekt den kop in en verliest de haren; ten slotte scheurt de huid van den rug, de pop kruipt er uit, maar zit op de teruggeschoven larvehuid als op een kussen; haar kleur is zwart. Als men haar door aanraking verontrust, heft zij het voorste deel van ’t lichaam omhoog en laat het weer vallen, dikwijls zoo geregeld als de hamer van een slaande klok. Ongeveer 7 dagen duurt dit rusttijdperk.
Van de lange reeks van familiën, die nu zouden moeten volgen, indien wij al deze groepen moesten noemen, bespreken wij slechts met weinige woorden de Pilkevers (Byrrhidae) en meer bepaaldelijk het geslacht Byrrhus, waaraan deze familie haar naam ontleent. De bedoelde Insecten, hoewel meer gezwollen en daarom juist met “pillen” vergeleken, komen met de Krengtorren in vele opzichten overeen, vooral door de gewoonte van zich dood te houden in tijden van gevaar. Wanneer deze kleine, eivormige, zeer bolle kevertjes hunne ledematen teruggetrokken hebben, kost het werkelijk moeite in hen dieren te herkennen. Meestal zijn zij met een fluweelachtig kleed van bruine haren bedekt. Zij voeden zich uitsluitend met plantaardige stoffen, met mos en droge overblijfselen. Dikwijls vindt men ze in groote gezelschappen op door de zon verbrande berghellingen, onder steenen, maar ook op groote hoogten in bergstreken, waar de temperatuur in den regel laag is. Met onwissen tred bewegen zij zich in den zomer langzaam over de weiden en wachten, naar het schijnt, liefst den nacht af om van hunne vleugels gebruik te maken. Daar zij overigens de aardoppervlakte nooit verlaten, ontbreken sommige soorten nooit onder de aangespoelde Kevers, die door de wateren, welke in de lente buiten hunne oevers treden, medegevoerd worden.
Een derde groep van Keverfamiliën noemt men Zaagsprietigen (Serricornia), hoewel het in dezen naam uitgedrukte kenmerk niet bij alle even duidelijk voorkomt. Het ontbreekt dikwijls bij de wijfjes van soorten, welker mannetjes het bezitten, soms bij beide seksen; bij deze zijn de sprieten dan meestal draad- of kamvormig. Het lichaam is meestal langwerpig; het borststuk en het grootste gedeelte van ’t achterlijf zijn nagenoeg overal even breed. De dekschilden bedekken gewoonlijk het geheele achterlijf. De voet is vijfledig.
De Prachtkevers (Buprestidae) leven als larven in gangen, die zij in het hout knagen, als imago op bloemen. Hun lichaam is meestal langwerpig en loopt naar achteren spits toe; het is van boven naar onderen eenigszins afgeplat, zelden meer rolvormig; de bekleedende chitine-laag is zeer hard. De kleine kop draagt korte, 11-ledige sprieten; de leden beginnen bij het derde of vierde—of niet vóór het zevende—lid den vorm van meer of minder lange zaagtanden aan te nemen. Het halsschild en de ongeveer even breede dekschilden, die het achterlijf geheel bedekken, zijn nauw aaneengesloten. Dat de meeste soorten metaalglans vertoonen, verhoogt niet weinig hun stijf, metaalachtig voorkomen. Het voorborststuk loopt naar achteren uit in een plat uitsteeksel, dat in een gleuf van het middelborststuk en soms ook nog van het achterborststuk opgenomen wordt. De Prachtkever verlaat de gang, waarin de pop vertoefde, door een elliptische opening, die in vorm overeenstemt met de dwarse doorsnede van het dier, en stelt zich vervolgens gaarne, op boomstammen of liever nog op boomstompen of gehakt hout zittend, aan de zonnestralen bloot; hij laat zich, zoodra iemand dicht bij hem komt, voor dood naar beneden vallen, of vliegt zeer snel weg. Zijne vleugels worden niet overdwars, maar alleen overlangs opgevouwen; hij heeft ze dus schielijk ontplooid en even snel weder onder de nagenoeg even lange dekschilden geborgen.
Slechts van weinige soorten zijn de larven bekend; zij leven achter de schors van gezonde of ziekelijke boomen en zijn bij den eersten oogopslag te herkennen aan den vorm van ’t voorste deel van ’t lichaam. De 3 eerste segmenten na den kop zijn tot een groote schijf verbreed, waarop de meestal rolvormige achterlijfsleden ten getale van 9 volgen. Aan den kop ontbreken de oogen; de sterk ontwikkelde borstringen dragen in den regel geen pooten.
De familie van de Prachtkevers omvat ongeveer 2700 soorten en is in alle werelddeelen vertegenwoordigd. Vele van hare leden zijn ook in den letterlijken zin van ’t woord Prachtkevers. Verreweg de meeste bewonen de tropische gewesten; daar hoofdzakelijk behooren de soorten thuis, die door schitterenden glans en prachtige kleuren boven alle andere uitmunten.
De grootste soorten behooren tot de onderfamilie der Koperruggen of Chalcophoriden, o.a. de 6 à 7 cM. lange Reuzen-prachtkever (Eudroma gigantea) van Brazilië en Columbia, koperrood van kleur met groenen zoom en geel bestoven, met 2 groote, zwarte spiegelvlekken op het gladde halsschild; de overlangs geribde en in de tusschenruimten grof gestippelde dekschilden worden door de inboorlingen als versierselen gebruikt.
De niet zeer talrijke Europeesche soorten, waarvan geen enkele in Nederland voorkomt, zijn veel kleiner. Een van de grootste en eenige Duitsche, de Groote Dennen-prachtkever (Chalcophora mariana), is 26 à 30 mM. lang, bronskleurig bruin, wit-bestoven, met 5 overlangsche verhevenheden op den rug van het voorborststuk en 3 gladde, stompe, overlangsche ribben op ieder dekschild. Deze soort bewoont de dennenbosschen van zandige vlakten in Noord-Duitschland, waar zij echter geen schade aanricht, daar de larve slechts in de doode takken en in de stammen van doode boomen gangen boort.
De Echte Buprestiden komen in vorm met de leden der vorige groep overeen. Tot het geslacht der Bontruggen (Poecilonota, Lampra) behoort de fraaiste Duitsche soort, n.l. de smaragdgroene Lindenprachtkever (Poecilonota rutilans). De dekschilden zijn (evenals het halsschild) langs den buitenrand koperrood en bovendien met zwarte dwarsstreepjes en vlekjes bezaaid; daar de rug van het achterlijf een fraaie, metaalachtig blauwe kleur heeft, vertoont de 11 à 13 mM. lange Kever zich gedurende het vliegen in zijn volle pracht. De larve bewoont gangen, die zij deels in de schors, deels in het splint van linden knaagt.