Groote Dennenpracht-kever (Chalcophora mariana) met larve. Ware grootte.
De Nederlandsche Prachtkevers behooren alle tot de onderfamilie der Agriliden. Het soortenrijke geslacht Smalbuik (Agrilus) wijkt door den vorm van het smalle, cilindrische, op den rug duidelijk afgeplatte lichaam van zijne verwanten af. Deze Kevers zijn over de geheele wereld verbreid en soms zoo talrijk, dat zij voor de houtkultuur nadeelig worden.
Een der grootste soorten is de 9 à 12 mM. lange Tweevlekkige Smalbuik (Agrilus bipunctatus), die in Duitschland op eiken niet bijzonder zeldzaam voorkomt en door Ritzema Bos in geringen getale op akkermaalshout aan de helling van den Wageningschen Berg gevonden werd. Het mannetje is blauwgroen, het wijfje groenachtig bruin; de door witte haren gevormde vlek op het achterste derde gedeelte van ieder dekschild dicht bij den naad heeft aanleiding gegeven tot den soortnaam; 3 dergelijke vlekjes komen voor op de randen van het achterlijf, die naast de dekschilden zichtbaar zijn.—De larve vreet onregelmatig gekronkelde, allengs breeder wordende gangen in de schors van eiken.
Andere soorten, die met de genoemde in levenswijze overeenstemmen, richten nu en dan, vooral in eiken- en beukenbosschen, schade aan; bij ons hebben zij op den houtteelt geen belangrijken invloed.
De Kniptorren of Springkevers (Elateridae) herinneren door hun vorm over ’t geheel genomen aan de Prachtkevers, maar verschillen er in andere belangrijke opzichten zoo zeer van, dat het noodig is gebleken, deze beide vroeger tot één familie vereenigde groepen scherper te scheiden. De diep in het halsschild opgenomen kop is sterk naar beneden gericht. De 11- (ook wel eens 12-) ledige sprieten zijn getand, bij het mannetje niet zelden kamvormig, soms echter draadvormig. Door een merkwaardige eigenschap verschillen de meeste leden dezer familie van alle overige Kevers. Wanneer zij op den rug gevallen zijn, kunnen zij opspringen en zich gedurende den sprong omkeeren, zoodat zij weer op de pooten te recht komen. Hierbij komen te pas: de zeer groote beweeglijkheid van het voorborststuk ten opzichte van de daarachter gelegen lichaamsdeelen, bovendien de achterwaarts gerichte “stekel” aan den achterrand van het borstschild van het eerste borstsegment, voorts de uitholling voor het bergen van dit uitsteeksel aan den voorrand van het middelborststuk. Als de Kever van deze inrichting wil profiteeren, maakt hij zijn rug hol door het halsschild en het achterste uiteinde der borstschilden tegen het ondersteuningsvlak en den voorborststekel tegen den voorrand van het middelborststuk te drukken; met de krachtige borstspieren wordt de “stekel” nu van den genoemden rand af en in het voor hem bestemde kuiltje geperst, hetgeen met een knappend geluid gepaard gaat; door de veerkracht van den “stekel” wordt het geheele lichaam omhoog geheven; in de lucht maakt het dier een wending en valt op zijne pooten neer. Indien dit doel wegens de ongunstige gesteldheid der steunpunten een eerste en een tweede maal niet bereikt wordt, herhaalt de Kever zijne sprongen zoo dikwijls, tot hij zijn gewonen stand herwonnen heeft. “Dat deze sprong noodig zou zijn wegens de kortheid der pooten, moet ik ontkennen,” zegt Claas Mulder. “Behalve dat ook bij andere Torren de lengte van de pooten naar evenredigheid niet grooter is, en zij zich toch herstellen, heb ik meer dan eens (bij twee soorten) door zijdelingsche wending het dier den gewonen stand zien hernemen, vooral bij jonge individu’s. Zeker is het, dat zij in ’t eerst de noodige hardheid niet hebben, om den sprong te kunnen doen, zooals ik 12 Juni l.l. waarnam, terwijl den 13en de rechte stand èn door sprong èn door keering kon herkregen worden.”
Bij verschillende soorten merkt men ongelijke gewoonten op. Sommige zwerven op den bodem rond en bezoeken bloemen om honig te lekken; andere kiezen struiken en hunne groene bladen tot haar verblijfplaats en komen daarom meer in bosschen dan op weiden en akkers voor. Als men ze te na komt, laten zij zich met opgetrokken pooten op den grond vallen en kunnen dan meestal, ondanks de zorgvuldigste nasporingen, niet meer teruggevonden worden. Nog andere verbergen zich over dag achter de schors of klemmen zich vast tusschen de harsachtige knopschubben van naaldboomen, kortom, zij zijn alleen voor een zeer geoefend oog te vinden.
De larven zijn wormvormig, rolrond of van boven naar onderen een weinig afgeplat; altijd hebben zij een stevig chitine-pantser en 6 pooten. In een groot gedeelte van ons land worden zij Ritnaalden of Ritwormen genoemd, terwijl zij langs den IJsel Hardwormen, op de Veluwe Stekwormen, bij Haarlem en elders in Noord-Holland Koperwormen heeten. Soms noemt men ze ook wel “meelwormen”, maar verwart ze dan blijkbaar met de larven van de Meeltor (Tenebrio molitor); waarmede zij bij oppervlakkige beschouwing eenige overeenkomst vertoonen. Zij zijn vlug ter been en leven verborgen in den grond of in vermolmd hout, of boren gangen in allerlei doode, maar ook in levende plantendeelen, die haar tot voedsel dienen, b.v. in paddestoelen, sappige wortels en knollen. Hierdoor brengen zij aan eenige landbouwplanten aanzienlijke schade teweeg. Ook zijn zij niet afkeerig van dierlijk voedsel en vreten elkander op, of dringen nu en dan borend in het lichaam van andere insectenlarven door.
De insecten-verzamelingen bevatten meer dan 3000 soorten van Kniptorren. Zij zijn over alle werelddeelen verbreid, in de warme en heete gewesten talrijker en ten deele aanmerkelijk grooter en fraaier van kleur dan in de gematigde, over ’t algemeen echter middelmatig groot en niet in ’t oogvallend gekleurd.
De Ruige Kniptor (Athous hirtus) behoort tot een geslacht, welks vertegenwoordigers vooral de koude en gematigde gewesten van het noordelijk halfrond bewonen en waarvan ook ons land een zestal soorten herbergt. (Hiertoe behooren de grootste inheemsche vormen, 15 mM. lang.) De Kever, die ’s zomers op bloeiende Schermbloemigen van weiden, akkerranden en greppels aangetroffen wordt, heeft bij een lengte van 13 een breedte van 4.5 mM. en is volkomen onschadelijk. De glans van zijn zwart lichaam wordt door de grijze beharing eenigszins getemperd; men ontmoet echter ook wel exemplaren met bruine dekschilden.
In tegenstelling met den volkomen onschadelijken Kever zal de larve, wanneer zij in grooten getale in een oord voorkomt, een aanzienlijke schade aan den landbouw veroorzaken. Zij leeft achter de schors van doode boomen, maar ook in den grond op verschillende planten, vooral op suikerbieten. Wanneer zij, gelijk de Engerling, aan den baard en de spits van den jongen wortel knaagt, begint de plant te kwijnen en levert een kleine biet van aanmerkelijk geringer suikergehalte.
Een zeer algemeen verbreide Kever van eenvoudig voorkomen, de Gestreepte of Graankniptor (Agriotes lineatus, A. segetis), heeft door de schade, die zijn larve aanricht, meer dan andere leden van zijn familie de aandacht getrokken. Zijn 8.5 à 9 mM. lang lichaam is minder afgeplat dan dat van de reeds besproken en zeer vele andere verwanten. De sprieten zijn draadvormig. Het halsschild is aan de rugzijde bij wijze van een kussen gezwollen, even breed als lang, donkerbruin, doch met stippels bezet, langs de randen lichter. Op ieder dekschild ziet men 8 overlangsche reeksen van zwarte stippels, de ruimten tusschen deze strepen zijn afwisselend geelachtig bruin en donkerbruin. De geheele bovenzijde van den stam en de pooten hebben door beharing een geelachtig grijze kleur, aan de onderzijde schemert de zwarte grondkleur meer door. Van Juli tot in de lente duurt de imago-toestand. De Kever zwerft op akkers, weiden en wegen overal rond.
Gestreepte Kniptor (Agriotes segetis) met larve (ritnaald), achter deze (links) het laatste segment van onderen gezien. Vergroot. De larven bij de wortels zijn in ware grootte voorgesteld.
De larve is rolrond, slank, bruinachtig geel; het aarslid heeft bij den voorrand aan weerszijden een ronde deuk met zeer donkeren rand, het is tamelijk lang, zwak behaard, in ’t midden gezwollen, overigens kegelvormig, in een zwartbruin stekeltje uitloopend (doch niet aan ’t einde in tweeën gesplitst, zooals bij de leden van ’t vorige geslacht); aan de buikzijde kan de aars uitgestulpt worden; dit uitsteeksel kan als “naschuiver” bij de voortbeweging dienst doen. Lengte 20, breedte 2 mM. De pop is wit met zwarte oogen.
Men vermoedt, dat bij deze en andere Kniptorren een 4-jarige generatie voorkomt; de larven, die uit de in Mei gelegde eieren komen, overwinteren 3-maal en gaan in ’t laatst van Juli van ’t 4e jaar vrij diep in den grond, zonder zich in te spinnen, in den poptoestand over; deze duurt tot in ’t begin van Augustus; de Kever overwintert, paart en legt in Mei eieren, waarschijnlijk even onder of even boven den grond tusschen den stengel en zijne onderste leden. De larven zijn vooral in April en Mei schadelijk voor teere, jonge planten door het af knagen van onderaardsche stengeldeelen. Van alle landbouwgewassen schijnt tarwe het meest van de Ritnaalden te lijden te hebben; ook andere graansoorten worden volstrekt niet gespaard, evenmin vlas, koolzaad, turnips, rapen, kool, aardappelen, mangelwortels, penen, uien, salade, hop, enz. Een afdoend middel tegen deze plaag is niet bekend.
*
De heete gewesten van Middel- en Zuid-Amerika herbergen ongeveer 100 soorten van Kniptorren, die, behalve de eigenschap waaraan de familie haar naam ontleent, ook nog het vermogen hebben om, evenals de Glimwormen, in ’t duister licht te verspreiden. Men herkent de groote en middelmatig groote “Vuurvliegen”—die meestal dof bruin van kleur, met grijsgele haren dicht bedekt zijn (het geslacht Pyrophorus)—gemakkelijk aan een gezwollen, wasgele plek in de nabijheid van iederen achterhoek van het halsschild, vanwaar bij het levende dier het tooverachtige licht uitgaat; bovendien bezitten zij een nog krachtiger lichtgevend orgaan aan de buikzijde, aan ’t voorste gedeelte van ’t achterlijf. Het licht ontstaat ten gevolge van een oxydatieproces.
Cucoejo (Pyrophorus noctilucus). Ware grootte.
Men mag aannemen, dat met den naam Cocoejo of Coecoejo, die men in Havana en waarschijnlijk ook op het Amerikaansche vasteland aan een “Vuurvlieg” geeft, de zeer verbreide Pyrophorus noctilucus wordt aangeduid. Volgens A. von Humboldt en Bonpland leeft zijn larve in de wortels van het suikerriet en richt hier soms een aanmerkelijke schade aan. Enkele malen werd deze Kever met Amerikaansch hout naar Europa overgebracht. “Voor ongeveer 15 jaren,” schrijft Snellen van Vollenhoven in 1870, “heb ik een dergelijken levenden Kever, die te Rotterdam in een pakhuis op Campèche-hout gevonden en waarschijnlijk daarmede aangevoerd was, gezien bij Prof. J. van der Hoeven te Leiden. Het groene licht was zoo helder, dat men er gemakkelijk gewone drukletters bij lezen kon. Reeds in 1766 had men een zoodanigen Kever—ook, zooals later bleek, in hout aangebracht—vliegend waargenomen in den Faubourg Saint-Antoine te Parijs, waar het dier een algemeenen schrik verspreidde. In de laatste jaren moeten er eenige met opzet levend uit Amerika naar Engeland overgebracht zijn; met vochtig gehouden suikerriet kunnen zij lang in het leven worden gehouden.”—Een van de grootste soorten, die men op Portorico Coecoebano noemt, vliegt van Maart tot Mei veelvuldig door de straten van dorpen en steden; zij komt voor in huizen en op plaatsen waar hout bewaard wordt, omdat ook haar larve gangen in het hout bewoont. De Indianen vangen deze Vuurvliegen door een gloeiende kool, aan een draad gebonden, door de lucht te zwaaien, waardoor de Insecten aangelokt worden. In Vera-Cruz vormen zij een handelsartikel. Men houdt ze in kooitjes van fijn ijzergaas, voedert ze met schijfjes suikerriet en—besprenkelt hen tweemaal daags met water, opdat zij ’s avonds voor den dienst geschikt zijn en door het verspreiden van veel licht het oog bekoren. Van het lichtgevend vermogen van de Vuurvliegen trekt men velerwege op verschillende wijzen partij. Eenige van deze dieren in een uitgeholde pompoen, die met kleine gaatjes voorzien is, vormen als ’t ware een natuurlijke lantaarn. Een zeer doelmatig gebruik wordt door de dames van deze Kevers gemaakt, n.l. als levende juweelen. Zij plaatsen er ’s avonds eenige in een zakje van fijne tulle; verscheidene van deze zakjes worden rozetsgewijs aan de kleederen bevestigd. Het fraaiste effect maakt deze opschik evenwel, naar men zegt, wanneer men hem te zamen met kunstbloemen, die van Kolibri-veeren vervaardigd zijn, en enkele brillanten als krans in het haar vlecht.
De familie van de Zachtschilden (Malacodermata) omvat thans ongeveer 2200 soorten, die bijna uitsluitend door de zachte, meer leder- dan hoornachtige geaardheid van de lichaamsbekleedselen en vooral door de buigzaamheid der dekschilden overeenstemmen. Zij hebben 5 leden in den voet, tenzij de voorvoet er slechts 4 heeft. De sprieten zijn meestal 11-ledig en doorgaans draad- of borstelvormig, soms echter gezaagd. De meeste Zachtschilden bezoeken bloemen, niet echter om hier honig te lekken, maar met het doel om te rooven. Evenals de Kevers, zijn ook de larven zeer verschillend; alle hebben 6 pooten en zijn vermoedelijk diereneters.
Evenals in West-Indië, leven ook bij ons “Vuurvliegen,” die echter van geheel anderen aard zijn. Wie heeft ze niet reeds gezien, de levende vonken, die in oorden, waar gras en struiken niet ontbreken, op een zomeravond, in de lucht zwevend of op bladen en grassen rustend, een groenachtig lichtschijnsel verspreiden? Ieder kind weet, dat dit “vuur” van Insecten uitgaat; zij worden Glimwormen (Lampyris) genoemd. Die welke rondvliegen, zijn mannetjes; want de wijfjes missen de vleugels, kruipen tusschen het gras rond en lokken door hun lichtschijnsel de mannetjes tot zich. De kop is bij hen en hunne verwanten geheel onder het platte, halfcirkelvormige voorborststuk verborgen.
In Nederland komen twee soorten van Glimwormen voor. Beide hebben lichtvoortbrengende organen aan de twee laatste buikringen van het achterlijf. Van den Kleinen Glimworm (Lampyris splendidula) is het 8 à 9 mM. lange, grijsbruine mannetje gemakkelijk te herkennen aan de beide glasachtige vlekken op het halsschild, het witachtig gele, 8 à 10 mM. lange wijfje aan de beide rudimentaire voorvleugels achter het halsschild. De wormvormige larve heeft 6 zijwaarts gerichte pooten en een zeer kleinen kop, die in den rusttoestand niet zichtbaar is. Zij voedt zich met Slakken.
De 11 mM. lange mannetjes van den Grooten Glimworm (Lampyris noctiluca) zijn kenbaar aan de uitstekende bovenkaken en aan het ontbreken van de “venstervlekken” op het halsschild; de lichtgevende organen zijn kleiner dan bij de vorige soort en verbreiden daarom minder licht. Het 15 à 17.5 mM. lange wijfje mist zelfs de dekschildstompjes en ziet er dus geheel als een larve uit. Deze soort komt bij ons veelvuldiger voor dan de vorige; over ’t algemeen schijnt zij in het westen van Europa (in Frankrijk) en ook in Zuid-Duitschland veelvuldiger te zijn dan in het midden van Duitschland.
Kleine Glimworm (Lampyris splendidula):—1) Mannetje, (a) rugzijde, (b) buikzijde.—2) Wijfje.—3) Larve.—Groote Glimworm (Lampyris noctiluca):—4) Mannetje.—5) Wijfje.—6) Larve.—De afbeeldingen 1, 2 en 4 zijn vergroot, de overige op ware grootte.
De larven overwinteren, verpoppen zich in Mei of Juni na korten rusttijd en gaan in den imago-toestand over; de Kevers worden van St. Jan (24 Juni) tot in September aangetroffen.
De lichtvoortbrengende organen bestaan uit talrijke dunwandige, veelzijdige cellen, waarvan sommige doorzichtig zijn, andere een fijne, korrelige stof bevatten; zij worden door een dicht netwerk van fijn vertakte luchtbuizen van lucht voorzien. Algemeen is men van oordeel, dat het voortbrengen van licht een gevolg is van de oxydatie der bestanddeelen der genoemde cellen door de zuurstof, die de luchtbuizen aanvoeren.
Vooral in Zuid-Amerika zijn de leden van deze in alle landen van de wereld vertegenwoordigende onderfamilie (Lampyridae) zeer talrijk. Hun vorm is zeer ongelijk; bij de meeste soorten zijn ook de wijfjes gevleugeld. Bij allen duiden lichte vlekken aan eenige achterlijfsringen den zetel van het lichtvoortbrengend vermogen aan.
*
Sommige onzer lezers herinneren zich misschien in couranten berichten te hebben gelezen over “Sneeuwwormen”, die, naar beweerd werd, gedurende een vroege wintersche regenbui op de sneeuw gevallen zouden zijn. Den 20en November 1672 werd dit verschijnsel in Hongarije opgemerkt en zorgvuldig aangeteekend; ditzelfde “wonder” kwam in Januari 1749 op verschillende plaatsen van Zweden voor. Bij het einde van een zeer strengen winter (11 Februari 1799) wekten voorvallen van gelijken aard in de Rijngau, aan de Bergstrasse, bij Offenbach, Bingen, enz. zooveel opzien, dat voor het kantongerecht te Stromberg een protocol werd opgemaakt van de verklaringen der personen, die op den bedoelden dag in de vrije natuur Insecten uit de lucht hadden zien regenen. Uit de mededeelingen over de omstandigheden waaronder dit verschijnsel plaats had, vloeit voort, dat zeer verschillende oorzaken de bedoelde “Wormen”—die wij aanstonds nader zullen leeren kennen en waarvan wij vooraf moeten mededeelen, dat zij onder steenen of bladen of op boomwortels overwinteren—in hun rust gestoord, uit hunne schuilhoeken verdreven hadden. Overal echter kwam een zeer hevige, op sommige plaatsen zelfs een orkaanachtige storm voor, die deze diertjes (tegelijk met vele andere) mede voerde en neerwierp op sneeuwvelden, waar zij gemakkelijk opgemerkt werden. Waarschijnlijk komt een samenloop van dezelfde omstandigheden ook dikwijls voor, wanneer het witte sneeuwkleed ontbreekt; men neemt dan geen “insectenregen” waar, hoewel het zeer wel mogelijk is, dat over een gelijke oppervlakte een even groot aantal van deze dieren verstrooid ligt. Men kan ze opsporen door aan den rand van een akker of van een bosch, bij een heg om een tuin of op een dergelijke plaats een niet al te kleinen steen om te keeren; ’s winters zien wij hier (onder meer) in een rond kuiltje met een weinig aarde bedekt, halvemaanvormig gekromd, een fluweelzwart diertje, dat in een toestand van verstijving verkeert; als wij het weldra volgende zachte weer hebben afgewacht, verrassen wij het misschien, terwijl het zich buiten zijn leger bezighoudt met het buitmaken van den een of anderen kleineren slaapkameraad; ook hebben wij kans het te ontmoeten op ons pad, waar het een zooeven vertreden kevertje uitzuigt. Waar wij het ook aantreffen, steeds is het dadelijk van alle andere Insecten te herkennen aan het donkere, fluweelachtige haarkleed, waarmede zijn bovenzijde dicht bedekt is en dat alleen de voorste helft van den kop vrijlaat. De korte pooten aan de 3 eerste op den kop volgende ringen bewijzen, dat wij hier geen Worm, maar een larve van een Kever voor ons hebben. Tegen het einde van Maart of in het begin van April treft men deze larven veelvuldig aan en kan men nu en dan een van haar een Aardworm of een Emelt (larve van Tipula) zien grijpen en zich zoo stevig vastbijten aan de ingewanden van zijn prooi, dat men bij het optillen van deze ook haar roover opheft. Het blijkt dan, dat zij nuttig zijn, dat zij den tuinman en den landbouwer helpen in den strijd tegen schadelijk gedierte. In April of Mei werpen zij haar huid af en veranderen in een lichtroode, eenigszins voorover gekromde pop met zwarte oogen.
Gewone Sint-Jansvlieg (Telephorus fuscus). Zwak vergroot.
Wanneer de lente haar geheelen rijkdom ten toon spreidt, als duizenden Insecten hunne winterkwartieren sinds lang verlaten hebben en duizenden andere uit de brooze pophuid te voorschijn zijn gekomen, ziet men ook een slanken, zwarten, niet door schoonheid uitmuntenden Kever rondzwerven en vooral op struiken de bloemen bezoeken, die thans in zoo grooten overvloed hare nectariën beschikbaar stellen voor de honigzuigende of -lekkende schare. Het is echter niet ter wille van den honig, maar van de hierdoor aangelokte Insecten, dat hij, door de zon gekoesterd, van de eene bloem naar de andere vliegt. Bij vochtig en winderig weer ziet men hem, evenals de Meikever, hier en daar aan de twijgen hangen. Deze Kever, de Gewone Sint-Jansvlieg (Telephorus fuscus), is grootendeels zwart en met fijne grijze haartjes bezet; roodachtig geel zijn de wortel van de elfledige, draadvormige sprieten, het voorste deel van den naar onderen gerichten kop, het halsschild, met uitzondering van een zwarte vlek bij den voorrand, en eindelijk de rand van het 7-ledige achterlijf. Verscheidene honderden soorten van dit geslacht, uit alle werelddeelen afkomstig, zijn ons bekend; zij behooren vooral in koude gedeelten van de aardoppervlakte, meer bepaaldelijk in bergstreken, thuis; hunne larven hebben aanleiding gegeven tot den hierboven besproken insectenregen.
Mierkevertje (Clerus formicarius) met larve en pop. Alle afbeeldingen vergroot.
Het Mierkevertje (Clerus formicarius) kan ons een denkbeeld geven van het voorkomen der Mierkeverachtigen (Cleridae), welke familie 600 voor ’t meerendeel uitheemsche soorten omvat. Deze Kevers worden bijna zonder uitzondering op oude stammen en takken van houtachtige planten gevonden en leven, evenals hunne larven, van roof. In ’t voorjaar en ’t begin van den zomer treft men het Mierkevertje veel in onze dennebosschen aan, vooral op afgehouwen of sterk door borende Insecten aangetaste, nog in den grond gewortelde stammen. Hier loopt het ijverig als een Mier af en aan (van daar zijn naam) en maakt vooral jacht op Schorskevers. Het halsschild en het wortelgedeelte der dekschilden tot aan de voorste van de beide witte dwarsbanden benevens de onderzijde zijn bij den overigens zwarten Kever rood van kleur. Het geslacht Clerus bestaat uit bijna 100 steeds bontgekleurde, over de geheele wereld verbreide soorten. Aan de monddeelen zijn op te merken het groote, bijlvormige eindlid aan den liptaster en de uitgesneden bovenlip. De 3 laatste van de 11 leden der sprieten vormen een gezaagd knotsje, welks laatste lid eivormig is en naar het uiteinde spits toeloopt. Het zeer korte eerste lid van den voet is onder het tweede verborgen, zoodat de voet 4-ledig schijnt.
De larve maakt zich nog verdienstelijker voor de boschkultuur dan de Kever, daar zij achter boomschors op de larven van allerlei schadelijke Insecten jacht maakt.
*
Krachtiger, maar voor ’t overige hoofdzakelijk op dezelfde wijze gebouwd, zijn de Bijenkevers (Trichodes). Deze voor ’t meerendeel sterk behaarde Insecten hebben een donkerblauwe of groenglinsterende kleur; hunne dekschilden zijn rood met blauwe of blauw met roode dwarsbanden. Het cilindervormige halsschild wordt naar achteren smaller; de dekschilden zijn, evenals bij het vorige geslacht, langwerpig en overal even breed. De 25 bekende soorten bewonen bijna uitsluitend het noordelijk halfrond; zij komen voor op bloemen, vooral van umbelliferen en spiraea-achtigen en maken jacht op andere Insecten.
De Gewone Bijenkever (Trichodes apiarius) is gemiddeld 12 mM. lang, glinsterend zwartblauw, dicht bezaaid met stippels en ruig behaard. De grof gestippelde dekschilden zijn grootendeels hoogrood; zwartblauw zijn echter de spits en twee dwarsbanden, waarvan de voorste zich in vlekken verdeelt. Men vindt dit kevertje en zijn naaste verwant (Trichodes alvearius) van Mei tot Juli niet zelden op bloemen.
De larve (de Bijenwolf) gelijkt op die van het Mierkevertje; zij bewoont van Juli tot April van het volgende jaar de gangen van de Houtwesp-larven, waarop zij jacht maakt, voorts de nesten van verschillende soorten van wilde Bijen, maar ook de korven van de Honigbij, waar zij larven, poppen en naar beneden gevallen, halfdoode Bijen verslindt. Men vindt haar vooral in spleten van den bodemplank van zwak bevolkte bijenkorven, die veel vuil bevatten. Wanneer zij zich eens gevestigd heeft in een raat met larven en poppen, dan vreet zij hierin gangen en verslindt natuurlijk ook de gave jongen.
De Dief of Gewone Houtboorder (Ptinus fur) behoort tot het gewone gezelschap van de Bonttorretjes, de Spektorren en dergelijke, onaangename huisgenooten, waarvan wij er reeds eenige hebben nagegaan; evenals deze houdt hij zich over dag verborgen, kruipt meestal niet anders dan ’s nachts bij de wanden omhoog en zoekt ijverig naar buit. Zijn grijsachtig witte, slechts 4.5 mM. lange larve heeft een bruinen kop zonder oogen, met zeer korte sprieten en stevige kaken, 6 pooten en een behaarde romp, die binnenwaarts gekromd gedragen wordt. Herbariën en insectenverzamelingen zijn hare liefste verblijfplaatsen; vooral in de gedroogde planten richt zij in korten tijd een groote verwoesting aan. In pakhuizen, waar gedroogde vruchten (appels, peren, pruimen, vijgen, enz.), tabak of graan wordt bewaard, in voorraadkamers van apotheken en van woonhuizen, in nesten van Zwaluwen en Wespen, kortom overal waar de een of andere eetbare stof voorhanden is, vinden de genoemde larven, die, naar het schijnt, bijna 2 jaren in dezen toestand blijven verkeeren, een voldoende hoeveelheid voedsel. In Augustus vereenigen zij kleine stukjes van de stof, waaraan zij knagen, met haar spinsel tot een soort van cocon; hier binnen veranderen zij in een pop, die reeds na 14 dagen een nauwelijks 4.5 mM. lange, weinig in ’t oog vallende Kever wordt. Het wijfje heeft eivormige dekschilden met witte vlekken; bij het mannetje zijn de dekschilden bijna cilindrisch, ongevlekt en met diepe, uit stippels bestaande, overlangsche strepen geteekend.
*
De Klopkevers of Doodskloppers (Anobium) boren als larven gangen in dood hout, vooral in dat van naaldboomen of van andere boomen met zacht hout; hierdoor richten zij op plaatsen, waar zij niet gestoord worden, zooals in kerken en onbewoonde kasteelen, aan beeldhouwwerk en oude meubels een zeer aanzienlijke schade aan. Gekromd en van 6 kleine pootjes voorzien, knagen zij gangen in ’t hout, maar laten aanvankelijk de buitenste laag ongeschonden; ’s avonds, zoodra alle andere geluiden verstomd zijn, hoort men het schrapend geluid, dat zij maken bij het vernielen van een oude kast, pooten van stoelen en tafels, enz. In Mei of later knagen zij zich hierin een iets ruimere ligplaats uit en veranderen in poppen, waaruit na eenige weken Kevers komen, die het werk van de larven voortzetten en zich door een cirkelrond vlieggat naar buiten begeven. Verscheidene van deze gaten, waarvan de larven later ook gebruik maken om het tot poeder vermalen hout uit te werpen, verraden mettertijd de aanwezigheid van den “houtworm” in het een of ander meubelstuk, in de balken of de kozijnen van het oude gebouw. Wanneer het zoover gekomen is, kan men weinig of niets meer doen tot behoud van de aangetaste voorwerpen. Gewoonlijk vliegen de Kevers in Juli uit. Aan het kapvormige, bultige rugschild van het voorborststuk, waarin de kleine kop grootendeels verborgen is, aan de sprieten, die in een smal knotsje eindigen, welks leden tusschenruimten overlaten en aan het rolronde lichaam kunnen zij zelfs met het ongewapende oog herkend worden. De pooten hebben alle een 5-ledigen voet en kunnen, evenals de sprieten, tegen het lichaam aangedrukt worden, want ook deze Kevers houden zich “dood” en laten dus alles met zich doen zonder hun gewonen stand te hernemen; van daar den naam “stijfkop”, die aan een van de soorten van dit geslacht gegeven is. Men kent er ongeveer 60, waarvan de helft uit Europa.
Bonte Klopkever (Anobium tesselatum). Vergr.
De Bonte Klopkever (Anobium tesselatum), de grootste Europeesche en inheemsche soort (8 mM. lang), leeft in eikenhout. Hij onderscheidt zich van zijne verwanten, doordat de zijden van het halsschild van onderen niet uitgehold en de dekschilden onregelmatig gestippeld zijn; bovendien herkent men hem aan den driehoekigen vorm van de voetleden en de kleine vlekjes van grauwe haren, waarmede de geheele oppervlakte van het donker kastanjebruine lichaam getijgerd is.
De Stijfkop, het Doodskloppertje (Anobium pertinax), is zwart of zwartbruin, 5 à 6 mM. lang; het halsschild is aan den zijrand en de hoeken afgerond en bij den achterrand met een ruitvormig kuiltje voorzien met aan weerszijden een dicht goudgeel behaard vlekje.
Deze Kevers veroorzaken nu en dan een kloppend gedruisch, dat door zijn regelmatigheid aan het tikken van een horloge herinnert. Volgens een oud bijgeloof kondigt dit getik, wanneer men het ’s avonds of ’s nachts in een stille ziekenkamer hoort, de laatste ure van den patiënt aan; dit heeft aanleiding gegeven tot den naam “Doodskloppertje”. Aanvankelijk schreef men het genoemde verschijnsel toe aan het rhytmische knagen van de larven en Kevers; het bleek echter, dat het hierdoor veroorzaakt geluid wel regelmatig is, maar volstrekt niet gelijkt op het tikken van een horloge. De kloppende Kever houdt de voorpooten en de sprieten tegen het lichaam aangedrukt, zoodat dit hoofdzakelijk op de middelpooten rust, en beweegt nu het voorste deel met rukken naar voren, waarbij het voorhoofd en de voorrand van het halsschild tegen het hout stooten. Met goed gevolg heeft men beproefd om door nabootsing van het kloppen het kevertje tot een antwoord te nopen. Dit geluid is een loktoon, waardoor de mannetjes en wijfjes elkander zoeken en vinden.
De genoemde en nog vele andere, voor een deel aanmerkelijk kleinere soorten van Diefkevers of Ptinoïden en Knaagkevers of Anobiën ontmoet men, behalve in menschelijke woningen en andere gebouwen, veelvuldig in de vrije natuur overal waar dood hout voorkomt. Uit deze en eenige andere groepen van Kevers bestaat de familie der Houtboorders (Xylophagi of Ptiniores), waarmede wij de reeks der Zaagsprietigen besluiten.
De vierde groep van Kevers, de Bladsprietigen (Lamellicornia), omvat de groote, gelijknamige familie, die gewoonlijk in 6 groepen wordt verdeeld. Een van deze wordt echter dikwijls onder den naam van Kamhoornkevers (Lucanidae) van de overige afgescheiden en als een afzonderlijke familie beschreven, die zich vooral kenmerkt door de knievormig gebogen sprieten, welke in een kamsgewijs ingesneden knotsje eindigen. Haar meest bekende vertegenwoordiger is het Vliegend Hert (Lucanus cervus), dat bij ons hier en daar op de Veluwe, niet zelden gevonden wordt. Het is een van de grootste en zwaarste Kevers van Europa; zijn lengte, gemeten van de bovenlip tot aan de spitsen der dekschilden, kan 52 mM. bedragen, zonder te rekenen de 22 mM. lange, als een gewei vóór den kop uitstekende, reusachtige bovenkaken van het mannetje.
Het geslacht Lucanus kenmerkt zich door een dwars gerichten kop, die breeder is dan het halsschild. De sprieten, waarvan het lange wortellid de “schaft” uitmaakt, hebben een kamvormigen “geesel” of “zweep” met 4 à 6 onbeweeglijke tanden. Van de monddeelen zijn eigenaardig: de benedenwaarts gebogen bovenlip, de diep uitgesneden aan de binnenzijde van de kin en de ongetande binnenste kaaklob der onderkaak; de bovenkaken van het mannetje zijn aan de binnenzijde vóór het midden van een grooten tand voorzien en eindigen in twee takken; bij het wijfje bereiken deze organen nauwelijks de lengte van den kop. Het Vliegend Hert is dofzwart van kleur, met uitzondering van de glanzig kastanjebruine dekschilden en bovenkaken.
In Juni vindt men dezen Kever in eikenbosschen, waar de mannetjes op mooie avonden onder sterk gegons en terwijl het lichaam een vertikalen stand behoudt, om de kroon van een boom vliegen; de wijfjes houden zich altijd meer verborgen. Over dag stoeien de Vliegende Herten soms onder droge bladen op den grond en verraden hun aanwezigheid door een ratelend geluid; soms zitten zij op gewonde (“bloedende”) boomstammen en lekken het hieruit vloeiende sap op. Van ernstiger aard is de strijd van de mannetjes om de wijfjes: diepe deuken en zelfs gaten vindt men in de dekschilden, aan den kop of aan het gewei van enkele mannetjes.
Het imago-leven is van korten duur. Tegen het einde van Juni of in de eerste dagen van de volgende maand is de korte zwermtijd voorbij, hebben de wijfjes eieren gelegd in het rottende hout van oude eiken en liggen de door Mieren of Vogels leeggevreten harde overblijfselen van de mannetjes verstrooid in ’t rond ten bewijze, dat hier Vliegende Herten verblijf hebben gehouden.
De larven, die uit de rondachtige eieren komen, groeien zeer langzaam en voeden zich met het rottende eikenhout (in Italië komen zij ook in jonge Wilgen voor); zij bereiken eerst in het vierde (of vijfde) levensjaar eene lengte van 105 mM. en de dikte van een vinger. Naar het uitwendige gelijkt de larve op die van de leden der volgende familie. Zij draagt aan den hoornachtigen kop 4-ledige sprieten, welker laatste lid zeer kort is. De drie eerste ringen na den kop dragen 6 krachtig ontwikkelde, oranjegele pooten, die in één klauw eindigen. Ook de kop is hooggeel, alleen de hoornachtig harde monddeelen zijn zwart of bruin, de overige ringen stroogeel.
De volwassen larve vervaardigt zich een nest ter grootte van een vuist, dat in den hollen boom gelegen is en uit vermolmde houtvezels bestaat, of diep onder in den stam van aarde vervaardigd wordt; de wand is van binnen glad. Na ongeveer drie maanden heeft de larve in het nest haar gedaantewisseling ondergaan en is eerst pop en later imago geworden; het mannetje houdt in dit tijdperk van zijn bestaan de lange bovenkaken naar den buik gebogen. De Kever blijft voorloopig in zijn wieg, wacht hier tot zijn uitwendig skelet de gewone hardheid en kleur verkregen heeft. Tegen het einde van Juni, in het vijfde (of zesde?) levensjaar, komt hij te voorschijn om gedurende niet meer dan ongeveer 4 weken in gevleugelden toestand te verkeeren. Zoo lang kan men hem ook als gevangene in ’t leven houden, wanneer men hem met suikerwater (of zoete bessen) voedt.
Vliegend Hert (Lucanus cerrus): 1) Mannetje, 2) Wijfje.—Groote Eikenboktor (Cerambyx heros): 3) Mannetje, 4) Larve (rugzijde).
Het verbreidingsgebied van deze soort omvat geheel Middel- en Noord-Europa en de aangrenzende deelen van Azië; zij ontbreekt natuurlijk in gewesten waar geen eiken groeien.
De familie van de Bladsprietigen (Scarabaeidae) is in alle werelddeelen vertegenwoordigd, het minst in Australië, het sterkst in Afrika; ongeveer 6600 soorten zijn bekend, waarvan 385 Europa bewonen. Behalve door rijkdom aan soorten, die van een groote verscheidenheid van uitwendig voorkomen getuigt, munt deze familie uit door de grootte, den fraaien vorm en de prachtige kleur van hare leden, waarbij ook de grootste van alle Kevers voorkomen. Bovendien merkt men in geen andere familie zulk een groot verschil op tusschen het mannetje en het wijfje van een soort. De mannetjes onderscheiden zich niet slechts door uitwassen aan den kop of aan het halsschild of aan beide te gelijk, maar in enkele gevallen ook door de kleur en de skulptuur van het chitine-skelet zoo belangrijk van de leden der andere sekse, dat men zou kunnen twijfelen aan de tusschen hen bestaande betrekking. Wel is het opmerkelijk, dat dit verschil het duidelijkst is bij de grootste soorten, geringer wordt en bijna geheel wegvalt, naarmate zij kleiner zijn.
Bij al hun verscheidenheid stemmen deze duizenden Kevers overeen door de samenstelling van de sprieten. Deze zijn middelmatig lang; ieder der 3 à 4 laatste, zeer korte sprietleden loopt uit in een dun plaatje, een naar voren gericht aanhangsel, dat bij het mannetje dikwijls langer is dan bij het wijfje. In den toestand van rust voegen deze plaatjes zich aaneen tot een bladerige knots. Zoodra de Kever zich gereed maakt om te vliegen of een anderen inspannenden arbeid te verrichten, spreidt hij de plaatjes als een waaier uit. Juist in de beweeglijkheid der sprietleden is het voorname verschil tusschen de Bladsprietigen en de Kamhoornkevers gelegen. De voet bestaat altijd uit 5 leden, maar biedt veel verschil aan, wat de ontwikkeling der klauwen betreft. Wegens het maaksel van hun voet zijn alle Bladsprietigen slecht ter been; zij richten bij ’t loopen de pooten sterk zijwaarts; vele van hen kunnen goed graven; de meeste zijn ondanks hun plompen lichaamsbouw door de krachtige ontwikkeling van de vleugels geschikt om vlug en lang achtereen te vliegen.
De larven, die zich meest onder den grond ophouden of op andere plaatsen, waar het licht geen toegang heeft, zijn dik, rolrond, gekromd, zoodat zij niet op een platte oppervlakte kunnen kruipen, maar hier op een zijde blijven liggen. Zij hebben een hoornachtigen kop zonder oogen, maar met tamelijk lange, 4-ledige sprieten, aan ieder der 3 volgende segmenten één paar tamelijk lange pooten, nu eens met, dan weer zonder klauwtjes; het laatste achterlijfssegment, waaraan de dwarsgerichte aarsopening voorkomt, is dikwijls zakvormig uitgezet. De naam “Engerling”, die aan de larve van den Meikever toekomt, wordt ook wel gegeven aan de larven van de overige Bladsprietigen, die over het algemeen met de genoemde in vorm overeenkomen. Evenals de Kevers voeden hunne larven zich uitsluitend met plantaardige stoffen: sommige veroorzaken niet zelden groote schade aan onze landbouwplanten; andere bepalen zich tot het gebruik van doode plantendeelen en bespoedigen hierdoor de vorming van teelaarde. Er zijn echter ook Bladsprietigen, die als larve en als Kever zich met aas voeden. Naar den aard van het voedsel kan men de familie in twee afdeelingen splitsen: de Mesteters (Mestkevers en Graafkevers) en de Planteneters (Bladkevers, Reuzenkevers en Bloemenkevers).
Bij de Mestkevers (Coprophaga) zijn de bovenlip, de bovenkaken en de tong vliezig; het bladerige knotsje is uit 3 leden samengesteld. De meeste Kevers van deze groep zijn klein of middelmatig groot. Zij leven, evenals hunne larven, in mest, vooral van Hoefdieren, komen, door hun uitmuntenden reukzin geleid, van heinde en ver aanvliegen, zoodra zich ergens een drekhoop bevindt en maken, dat deze na zeer korten tijd van deze dieren wemelt.
De Heilige Tor (Ateuchus sacer), een bewoonster van de kustlanden der Middellandsche Zee, wordt zoo genoemd, omdat zij een zekere rol speelde in de godsdienstige voorstellingen en gebruiken van de oude Egyptenaars, die in de werkzaamheid en den vorm van dezen Kever aanleiding vonden om hem te beschouwen als het zinnebeeld van de aarde, van de zon en van den moedigen krijgsman; daarom prijkt zijn beeltenis op hunne gedenkteekenen, en sieren kolossaal vergroote, in steen gehouwen nabootsingen van zijn gestalte (de zoogenaamde Scarabeën) hunne tempels.
Heilige Tor (Ateuchus sacer). Ware grootte.
Dit dier behoort tot het geslacht der Drekrollers, Balrollers of Pillenkevers, kenbaar aan den half kringvormigen kop met zestandigen voorrand, de samengestelde oogen, die door een dwarsstrook verdeeld zijn in een bovenste en een onderste helft en de 9-ledige sprieten, voorts aan het ontbreken van den voet aan den vingervormig getanden voorscheen en aan den doorn, die naast den smallen voet aan het einde van den scheen der overige pooten voorkomt. De dekschilden zijn aan ’t einde afgeknot en hebben geen binnenwaarts gerichte bocht aan den buitenrand; er zijn 6 leden in ’t achterlijf. De kenmerken van de genoemde soort zijn: kerfjes aan de binnenzijde van den wortel der voorscheenen, een glad rugschild op den laatsten achterlijfsring, zwak overlangs gevoorde dekschilden; de haren langs den rand van kop, halsschild en pooten zijn bij het mannetje zwart, bij het wijfje aan den achterscheen roodbruin; het breede, platte lichaam heeft een zwak glanzige, zwarte kleur.
Alle Pillenkevers ontleenen hun naam aan de op pillen gelijkende mestbolletjes, die zij voor hun kroost vervaardigen. Zoowel het mannetje als het wijfje houden zich met het pillendraaien bezig. Het voor dit doel bestemde materiaal, bij voorkeur koemest, wordt met het getande kopschild van een drekhoop los gemaakt en met de pooten gefatsoeneerd. Het wijfje legt een ei in ’t midden van deze kluit, die vervolgens door beide Kevers gerold wordt: de eene trekt er met de voorpooten aan; de andere duwt haar met met den kop van onderen op. Door het rollen wordt de oorspronkelijke week en oneffene massa langzamerhand veranderd in een harden, gladden kogel. Het werkstuk van de Heilige Tor heeft een middellijn van nagenoeg 5 cM., dat van hare kleinere verwanten heeft een geringeren omvang. De Kevers graven vervolgens een diepe buis, waarin zij den nu voltooiden bal laten zakken. Het dichtwerpen van deze holte is het laatste bedrijf van den moeitevollen arbeid, die noodig was voor de uitrusting van één der jongen. Daar dezelfde toebereidselen noodig zijn voor ieder volgend ei, nemen de genoemde werkzaamheden den geheelen korten levenstijd in beslag; zij duren voort, totdat de Kevers, uitgeput door den arbeid, stervend op het schouwtooneel hunner daden neerstorten. Voor de ontwikkeling van de larve zijn verscheidene maanden noodig; niet voordat het opnieuw lente geworden is, verlaat zij in den toestand van Kever haar geboorteplaats.
*
Andere leden van dezelfde onderfamilie houden zich bij troepen in den mest op en graven hieronder gaten, bestemd tot berging van de drekkluit, waarin zij eieren leggen. Zij behooren o.a. tot het over alle werelddeelen verbreide geslacht Ontophagus (waarvan een viertal soorten hier te lande in koemest en menschelijke uitwerpselen gevonden zijn; algemeen is de donker bronskleurige, 7 à 9 mM. lange O. fracticornis),—tot het alleen in Australië ontbrekende geslacht Copris (langwerpig van gestalte, aan de rugzijde zeer bol en zuiver zwart van kleur; inheemsch is de in koemest levende 15 à 20 mM. lange C. lunaris),—tot het Zuid-Amerikaansche geslacht Phanaeus (waarvan sommige soorten een prachtigen metaalglans en een blauwe, groene, goudgele of roode kleur vertoonen). Van zeer vele soorten is het mannetje kenbaar aan één hoorn op den kop (b.v. Odontophagus nuchicornis) of aan 2 hoornen, welke als die van een stier geplaatst zijn (b.v. Odontophagus taurus), of aan 2 hoornen op het halsschild, gepaard met één hoorn op den kop (b.v. Copris lunaris).
*
Meer bepaaldelijk geeft men den naam van Mestkevers (Aphodius) aan soorten, die met de zooeven genoemde door het maaksel van de monddeelen en van de sprieten overeenstemmen, doch zich kenmerken door 5 ringen aan het achterlijf, 2 doornen aan het einde van den achterscheen en dekschilden, die van achteren afgerond zijn en het uiteinde van ’t lichaam niet onbedekt laten. Verscheidene honderden van deze soorten, uit alle oorden van de aardoppervlakte afkomstig, zijn bekend; het talrijkst heeft men ze gevonden in de gematigde en koude gewesten van ons werelddeel (in Europa 120 soorten, waarvan 21 in Nederland). Zij zijn het, die men op fraaie zomeravonden, of bij zonneschijn over dag, bij duizenden ziet rondvliegen, als Honigbijen een hoop drek omzwermend, die dikwijls in een bont gezelschap van deze kevertjes omgetooverd schijnt te zijn. Zij geven zich niet zooveel moeite als hunne vroeger genoemde verwanten, graven geen gaten in den grond, draaien geen pillen voor hunne jongen, maar leggen de eieren onmiddellijk in de mest. Bijna alle hebben een nagenoeg rolrond lichaam van geringe grootte en zwarte of vuilbruine kleur. De halfcirkelvormig afgeronde kop is in het midden van den voorrand ondiep uitgesneden en draagt onverdeelde oogen. De grootste inheemsche soort (8 à 11 mM. lang), de Gravende Mestkever (Aphodius fossor), is glanzig zwart van kleur; soms zijn de dekschilden echter bruinrood.
*
De grootste inheemsche vertegenwoordigers van de onderfamilie der Graafkevers (Arenicolae) zijn de Paardenmestkevers (Geotrupes), gewoonlijk eenvoudig “Mestkevers” genoemd. Dikwijls ziet men ze op velden of in bosschen wijdbeens op plompe wijze over den weg sluipen of hoort men ze op een zomeravond met luid gebrom voorbij suizen. De bovenlip en de bovenkaken zijn hoornachtig en niet door het kopschild bedekt, de oogen in een bovenste en een onderste helft verdeeld. De zwarte, soms met metaalachtigen glans schitterende Paardenmestkevers zijn beperkt tot de gematigde gewesten van Europa en Noord-Amerika, het Himalaja-gebergte in Azië, Chili in Zuid-Amerika en de noordkust van Afrika.
De Paardenmestkevers, zoo genoemd, omdat sommige soorten bij voorkeur paardenmest tot verblijfplaats kiezen, zijn logge, plompe Insecten, door lichaamsbouw minder geschikt tot voetreisjes dan tot graven. De uitwerpselen van Hoefdieren, die zij op hun weg ontmoeten, in een lateren tijd van ’t jaar ook Paddestoelen, die aan zoovele Insecten en Slakken voedsel verschaffen, zijn voor alle Geotrupen zeer aanlokkelijke verschijnselen. De Kever dringt in den drekhoop of in den Paddestoel door, niet slechts om zijn eigen honger te stillen, maar vooral om in nagenoeg verticale richting een gat te graven, dat soms wel 30 cM. diep is, en dit tot broedplaats geschikt te maken door een deel van het bij den ingang gelegen voedsel naar den bodem van het kuiltje te vervoeren, waarna het wijfje er één ei in legt. Voor ieder ei moet een nieuw kuiltje gegraven en meestal ook eene andere drekhoop opgezocht worden. Gedurende zijn verblijf te midden van het vuil, en terwijl hij hieronder in den grond wroet, komt de Paardenmestkever in aanraking met allerlei ongedierte. De lastige parasieten, die de Doodgravers kwellen, worden ook op andere in dergelijke omstandigheden verkeerende Kevers gevonden. Dikwijls zijn zij behept met Kevermijten (Gamasus coleopterarum), die vlug op hun borst en buik rondloopen; het aantal dezer kwelgeesten neemt toe, naarmate de krachten van den Mestkever verminderen en hij zijn einde nadert. In den herfst vindt men hem nu en dan op den weg liggen met alle 6 pooten stijf zijwaarts gestrekt als een uitgedroogd lijk, dat zelfs door het ongedierte gemeden wordt. Vele van zijne soortgenooten zijn niet als hij een natuurlijken dood gestorven, maar werden door een Klauwier gegrepen en levend aan een doorn gestoken; hetzelfde lot valt vele Aardhommels ten deel.
De Vroege Paardenmestkever (Geotrupes vernalis), de kleinste inheemsche soort, wordt slechts 13 à 15 mM. lang; hij heeft een fraaie, staalblauwe kleur en een zeer gladde, glanzige rugzijde.
De Gewone Paardenmestkever (Geotrupes stercorarius), die minstens 19.5 mM. lang wordt, heeft diep gegroefde dekschilden; hij is op den rug zwart met blauwen of groenen weerschijn, van onderen fraai violet.