Driehoornige Paardenmestkever (Geotrupes typhoeus). Mannetje. Ware grootte.
De Driehoornige Paardenmestkever (Geotrupes typhoeus), die hier te lande nog niet gevonden werd, onderscheidt zich door de drie naar voren gerichte hoornen, waarmede het halsschild van het mannetje versierd is. De dekschilden zijn iets platter dan bij de vorige soorten, zuiver zwart van kleur en, evenals het overige lichaam, zeer glanzig.
*
De Druivensnijder (Lethrus cephalotes), die door zijn lichaamsbouw duidelijk verwant is aan de vorige geslachten, verschilt er echter van door het maaksel der sprieten; de beide laatste leden zijn in het vorige, dat afgeknot is, op soortgelijke wijze verborgen als het binnenste van een bol in de bolschubben. Door de dicht bijeengeplaatste, fijne stippeltjes schijnt de zwarte kleur van dit dier dof; zijn dekschilden vormen gezamenlijk bijna een halven bol. In droge, zandige, gewesten van Zuidoost-Europa leven de Druivensnijders in drogen mest en bij de wortels van overblijvende planten. Zij bewonen hier bij paren gaten in den grond en hebben reeds voor lang door hun beslist nadeeligen invloed op den wijnstok de aandacht op zich gevestigd.
Vooral in de morgenuren en des namiddags na drieën komen deze Kevers uit hunne gaten te voorschijn, kruipen, wanneer zij niet gestoord worden, haastig bij de wijnstokken op, bijten knoppen, jonge loten met en zonder druiven van de plant af en keeren, met dezen buit beladen, achtereenvolgens ieder naar zijn hol terug. Nadat deze en andere plantendeelen, onder den grond verwelkt zijn, vormen zij waarschijnlijk het voedsel der Kevers, stellig echter in de eerste plaats dat hunner jongen.
Bij de Plantenetende Bladsprietigen laten de dekschilden minstens den laatsten ring van het achterlijf en de laatste paren ademgaten onbedekt. Deze groep omvat drie onderfamiliën, waarvan wij die der Bladkevers (Phyllophaga)—met 264 geslachten en 2770 soorten—het eerst zullen nagaan. Hun kopschild is in den regel door een naad van het voorhoofd gescheiden, niet er mede vergroeid; de bovenkaken zijn hoornachtig en driehoekig van vorm; de bovenlip puilt meestal naar voren uit.
Bij een aantal Bladkevers, die naar onzen Meikever Melolonthiden heeten, is de scheen der voorpooten, vooral bij het wijfje, krachtig en voor het graven geschikt, ook zijn de klauwen van alle voeten gelijk. Hunne larven, voor zoover men ze kent, voeden zich met de wortels van levende planten, terwijl de Kevers bladen eten. Sommige kunnen ons buitengewoon veel schade veroorzaken, wanneer zij, gelijk nu en dan op sommige plaatsen geschiedt, in zeer grooten getale optreden. Europa onderhoudt het kleinste aantal soorten van Melolonthiden (94), Afrika het grootste (361).
De Meikevers (Melolontha) verschillen van hunne naaste verwanten, doordat de voetklauwen aan den wortel bij beide seksen van een klein spits tandje zijn voorzien; het mannetje heeft een uit 7 lange, het wijfje een uit 6 veel kortere platen bestaanden “waaier” aan ’t einde der sprieten; de laatste achterlijfsring eindigt in een langen, benedenwaarts gerichten “griffel”. De meest bekende van de 3 inheemsche soorten—de Gewone Meikever (Melolontha vulgaris)—is kenbaar aan de driehoekige, krijtwitte vlekjes aan de zijden van het achterlijf en aan den schuins naar beneden wijzenden, tamelijk breeden, gelijkmatig smaller wordenden “griffel”; de sprieten, pooten en dekschilden zijn rood, de grondkleur van de overige deelen is zwart; de geheele Kever is meer of minder duidelijk wit behaard, vooral als hij pas den grond verlaten heeft; hij wordt daarom ook wel Mulder of Molenaar genoemd.
Gewone Meikever (Melolontha vulgaris). 1) Wijfje, 2) Mannetje, 3) Pop, 4) Larve. Ware grootte.
“Wanneer in Holland en westelijk Utrecht Meikevers worden gevangen,” schrijft Ritzema Bos, “dan behooren zij zonder uitzondering tot de soort, die ik Hollandschen Meikever (Melolontha hippocastani) genoemd heb. De leefwijze van deze soort schijnt met die van de vorige overeen te stemmen. De wijze, waarop zij schade teweegbrengt, is ook volkomen dezelfde; maar zij komt (althans in ons land) niet in die menigte voor. In Holland ziet men nooit, zooals in Gelderland, Meikevers op één avond bij millioenen den grond verlaten.” Van den Gewonen Meikever onderscheidt zich deze een weinig kleinere soort, doordat haar veel kortere achterlijfspits niet schuins, maar loodrecht naar beneden gericht is, plotseling dunner wordt en zich dikwijls aan het einde weer eenigszins verbreedt. De kop en het halsschild hebben een roodachtige kleur en zijn slechts bij uitzondering zwart. In Gelderland betitelt men deze soort soms “Koning van Rome”, sterk grijs behaarde Gewone Meikevers “Keizer van Rome”.
Duinkever (Polyphylla fulla). Mannetje. Ware grootte.
De Meikever wordt zoo genoemd, omdat hij gewoonlijk in Mei verschijnt, waaruit men echter niet moet afleiden, dat hij in geen andere maand vliegt. Een buitengewoon zacht voorjaar lokt de Kevers reeds in April uit den grond; in ’t tegengestelde geval wachten zij de maand Juni af; in zoogenaamde “meikeverjaren” kan men ze soms van Mei tot in het midden van Juli aantreffen. Soms vertoonen enkele Kevers zich in de een of andere maand vóór den gewonen vliegtijd, tusschen September en Maart; dit zijn uitzonderingen, die waarschijnlijk steeds toegeschreven moeten worden aan het losmaken van den grond door het ploegen. Hun verschijning is meestal aan bepaalde plaatsen gebonden: in buitengewoon grooten getale ziet men ze hier na bepaalde tijdruimten. Men heeft opgemerkt, dat in de meeste streken van Duitschland deze voor den landman en houtteler hoogst nadeelige gebeurtenis zich om de vier jaren herhaalt. Daarentegen heeft men steeds om de drie jaren een meikeverjaar waargenomen in Zuid-Duitschland, in Zwitserland, in Frankrijk en ook in Duitschland en Nederland aan den Rijn. Plaatselijke omstandigheden brengen teweeg, dat de ontwikkeling van dezelfde diersoort in sommige streken een jaar langer duurt dan in andere; een verschil van eenige graden tusschen de gemiddelde jaartemperaturen der bedoelde gewesten heeft hierop waarschijnlijk een overwegenden invloed.
Zoodra de Kevers uit den grond gekropen zijn en niet door ongunstige weersgesteldheid aan de oppervlakte teruggehouden worden, vliegen zij bedrijvig rond om voedsel te zoeken, waarbij zij zelf dikwijls een lekker hapje leveren aan de Vleermuizen en eenige Nachtroofvogels; niet slechts op warme avonden, maar ook over dag bij warm, stil weer en zonneschijn zijn zij druk bezig. Eerst laat in den nacht begeven zij zich ter ruste; des morgens vroeg (en bij guur weer den geheelen dag) hangen zij met opgetrokken pooten losjes aan de boomen en struiken. Zij begunstigen vooral de pruimen- en kersenboomen onzer tuinen en de breedgebladerde boomen der bosschen. Door tegen den boom te stooten, niet door schudden, kan men ze zeer goed naar beneden doen tuimelen om ze vervolgens op te zoeken.
Het wijfje kruipt in den grond en legt hier op een diepte van 5 à 7 cM. eenige hoopjes van 12 à 20 stuks langwerpige, een weinig afgeplatte, witte eieren, in ’t geheel een 40-tal. Na het verrichten van dezen arbeid keert zij dikwijls niet naar de oppervlakte terug, maar sterft; ook zij, die weer boven den grond verschijnen, volgen, door de inspanning uitgeput, spoedig de reeds vroeger bezweken mannetjes na. Vier à zes weken na het leggen der eieren worden de larven geboren; gewoonlijk noemt men ze “engerlingen”, in sommige streken van Gelderland ook wel “elften”. De jonge larven, die soms nog in het laatst van September bezig zijn met het verslinden van de fijne wortelvezels in haar omgeving, voeden zich in ’t eerste levensjaar voornamelijk met rottende organische stoffen en begeven zich daarna een weinig dieper in den grond om winterslaap te houden. In de volgende lente komen zij weer nader bij de oppervlakte en gaan opnieuw aan ’t vreten. Tusschen den langsten dag en den 21en September ligt de tijd, waarin zij de grootste schade aanrichten. Nogmaals zoeken zij hare winterslaapplaatsen op en gedragen zich in het nu volgende jaar geheel op dezelfde wijze als in het vorige. Na de derde lente en zomer van haar leven is de groei der larve afgeloopen en kruipt zij dieper in den grond; men mag aannemen, dat alle engerlingen in Augustus of op zijn laatst in ’t begin van September de gedaante van pop hebben verkregen en vóór den aanvang van den winter in den imago-toestand overgegaan zijn. De Kevers blijven echter, wanneer men ze niet stoort, nog den geheelen winter rustig op de plaats, waar zij als poppen vertoefden. Al naar de diepte, waarop deze zich bevindt, en de vastheid van de aardlagen, die haar bedekken, heeft de Kever een meer of minder langen tijd noodig om aan de oppervlakte te komen; steeds kiest hij de avonduren uit om den grond te verlaten en zich in de lucht te verheffen. Telkens als het dier wil gaan vliegen, moeten de luchtzakken volgepompt worden, nadat door het persen van lucht in de vleugeladers de vleugels gestrekt zijn; dit gaat gepaard met eigenaardige, hijgende bewegingen van het achterlijf, het opheffen der dekschilden en het uitspreiden der sprietleden, welke verschijnselen men trouwens ook bij andere Kevers waarneemt.
*
De Duinkever (Polyphylla fullo), de grootste van alle Europeesche Melolonthiden (25 à 35 mM. lang), wordt als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht beschouwd wegens het ontbreken van den “aarsgriffel”; het knotsje aan ’t einde van de sprieten bestaat bij ’t mannetje uit 7, (soms wel 10 mM. lange), bij ’t wijfje uit 5 veel kortere (1.5 mM. lange) plaatjes. Het gemakkelijkst herkent men hem echter aan de wit gemarmerde, roodbruine dekschilden. Bij ons houdt hij zich het meest in duinstreken op, waar hij door ’t vernielen van helm-aanplantingen nadeelig kan zijn. Hij is over een groot deel van Europa verbreid, maar geeft aan zandige, met naaldboomen begroeide vlakten de voorkeur boven alle andere oorden; van deze zoowel als van andere daartusschen groeiende boomen vreet hij de bladen, terwijl de larve, die aanmerkelijk grooter is dan de gewone engerling, hunne wortels beschadigt. Men ziet hem ieder jaar in nagenoeg gelijken getale in de eerste helft van Juli verschijnen. Een geregeld wederkeerende buitengewone talrijkheid van deze Kevers werd nog niet waargenomen; meestal is de aangerichte schade daarom niet zeer belangrijk.
*
De Junikever (Rhizotrogus solstitialis) kan als voorbeeld dienen van een in zuidelijker streken zeer sterk vertegenwoordigd geslacht, waarvan in ons land nagenoeg alleen deze soort, die in de provinciën Gelderland, Utrecht en Noordbrabant op sommige plaatsen volstrekt niet zeldzaam is, aangetroffen wordt. Evenals bij het vorige geslacht, ontbreekt hier de aarsgriffel; de knop van den spriet bestaat uit slechts 3 leden. De Junikever is ongeveer half zoo groot als de Meikever, op de rugzijde geelachtig bruin, op den achterkop, de schijf van het halsschild en de geheele onderzijde donkerder van kleur; de voorrug, het schildje en de borst zijn met lange haarbundels begroeid; de beharing van den buik is iets minder sterk.
De levenswijze en de ontwikkelingsgeschiedenis van den Junikever verschillen in vele opzichten van die van den Meikever. Zooals zijn naam aanduidt, vliegt hij altijd later, tegen het laatst van Juni, rond; men ziet hem dan slechts gedurende ongeveer 14 dagen, binnen zeer enge grenzen echter soms in grooten getale. Zoodra de zon onder de kim gedaald is, vliegen deze Kevers bedrijvig over de graanvelden en de naburige lage boomen en struiken rond; men zou zeggen, dat zij het er op aanleggen om den niets kwaads bedoelenden wandelaar zooveel last te veroorzaken als mogelijk is, daar zij zich niet storen aan afwerende bewegingen en hem altijd weer om het hoofd vliegen. De wijfjes leggen hare eieren bij de wortels van allerlei planten; de wortels van het koren en van andere grassen en kruiden schijnen echter het meest van de vraatzucht der larven te lijden te hebben.
*
De Bladkevers met twee klauwen van ongelijke grootte aan den voet vormen de groep der Ruteliden. Van de 600 hiertoe behoorende soorten vindt men er slechts betrekkelijk weinige in Europa en Nieuw-Holland, de meeste (200) in Azië, vele (183) in Zuid-Amerika; Noord-Amerika en Afrika zijn ongeveer even ruim bedeeld.
De Anisopliën (Anisoplia) zijn gemiddeld 9 à 11 mM. lang; men vindt ze in Europa en Azië op verschillende planten, vooral echter op grassen, dus ook op graangewassen; in Afrika komen slechts weinige soorten voor; in Amerika ontbreken zij geheel. Hun kopschild is naar voren verlengd en vormt vóór den kop een aan de spits bovenwaarts gebogen uitsteeksel.
Het fraaie Roggekevertje (Anisoplia fruticola) is bronsgroen van kleur, van onderen met een dicht vilt bedekt, op het halsschild van een geel haarkleed voorzien; de dekschilden hebben bij het mannetje een roestroode, bij het wijfje een meer geelachtige kleur; bij haar vindt men op de dekschilden, als omlijsting van het groene schildje, een zwarte vlek. Deze Kevers bezoeken ten tijde van den bloei, of kort daarna roggearen om de bloemdeelen of het eerste beginsel van de vrucht af te vreten en richten op deze wijze, wanneer zij in grooten getale voorkomen, een niet onbelangrijke schade aan. De larve gelijkt veel op een jonge engerling en wordt voor onschadelijk gehouden, ofschoon zij misschien ook wel de wortels van de graangewassen afvreet.
Soms hebben de rozen in onze tuinen veel te lijden van het Rozenkevertje (Phyllopertha horticola). Dit Insect, dat de fraaiste bloemen vernielt, komt in vorm met het vorige overeen, doch is een weinig platter, 9 à 11 mM. lang, glanzig blauwgroen en sterk behaard. Op zijne donkerbruine of zwarte dekschilden wisselen onregelmatige, overlangsche lijsten met reeksen van onregelmatige stippels af.—De larve leeft op de wortels van verschillende overblijvende planten en verschoont ook de potplanten niet.
*
De Reuzenkevers (Dynastidae) verschillen door de gelijkheid der beide klauwen aan iederen voet van de leden der vorige groep, door dwars gerichte, in een groeve van het borstschild verborgen voorheupen van de volgende onderfamilie. Zij verdienen hun naam, daar men onder hen de grootste en zwaarste leden, niet slechts van de familie der Bladsprietigen, maar van de geheele orde der Kevers aantreft. Bij hen ontwaart men de grootste afwijkingen tusschen het mannetje en het wijfje van dezelfde soort. De mannetjes zijn meestal, hetzij alleen op den rug van het voorborststuk, hetzij hier en op den kop, met hoornen en spitsen van de meest zonderlinge gedaante uitgerust, die eenvoudig beschouwd moeten worden als een tooi van het mannetje, welke bij het wijfje ontbreekt en bij het zoeken van een legplaats voor de eieren voor haar zelfs in de hoogste mate hinderlijk zou zijn. De meeste houden zich over dag verborgen in rottend hout, in gaten van boomen, onder dorre bladen en op dergelijke schuilplaatsen, worden des nachts wakker en gebruiken dan hunne vleugels; zij vliegen op een logge, ver hoorbare wijze, heffen daarbij de dekschilden slechts weinig op en richten ze niet zijwaarts.
De weinige larven van Reuzenkevers, die tot dusver bekend zijn, leven in rottend hout en gelijken veel op die van de Bladkevers door de dwarse rimpels op de huid en de zakvormige verwijding van het laatste achterlijfssegment. Vóór de gedaantewisseling, waaraan een veeljarig leven in den larvetoestand voorafgaat, vervaardigen de larven zich een stevig, dikwandig nest van de haar omgevende stof; de Kever blijft hierin, totdat hij na het verharden van zijn uitwendig skelet in staat is om zijn gevangenis te verbreken.
Deze onderfamilie omvat nagenoeg 500 soorten, die bijna uitsluitend den heeten aardgordel bewonen; verreweg de grootste helft behoort in Amerika thuis; eenige minder kolossale soorten komen over alle werelddeelen verspreid voor.
Roggekevertje (Anisoplia fruticola). Ware grootte.
Het mannetje van den Herkules-kever (Dynastes hercules) is beroemd wegens zijn grootte en vorm. Het bereikt een lengte van 157 mM., waarvan de kleinste helft komt op den hoorn, die de rugzijde van het voorborststuk versiert. Deze is aan de onderzijde geel behaard en loopt van voren in twee takjes uit; hij overdekt den veel korteren hoorn, die van het voorhoofd uitgroeit. Beide hoornen zijn glanzig zwart, evenals het geheele overige lichaam, met uitzondering van de licht olijfgroene, met zwarte vlekken geteekende dekschilden.
Een meer bescheiden vorm heeft het mannetje van den inheemschen Neushoornkever (Oryctes nasicornis); hij heeft slechts één hoorn van middelmatige lengte op den kop en drie gelijke knobbels op de dwars gerichte lijst, waardoor het halsschild in twee afdeelingen is gescheiden; de grootste of voorste afdeeling is in het midden uitgehold. Op de dekschilden neemt men reeksen van fijne stippels waar; de kleur is zwartbruin, doch zweemt aan de onderzijde sterk naar rood. Het wijfje mist den hoorn; een stompe knobbel wijst de plaats aan, waar haar echtgenoot dit onderscheidingsteeken draagt. Lengte 36 à 37 mM.—Deze fraaie soort wordt vooral in de noordelijke helft van Europa gevonden en wel in de uitgeloogde run, het zoogenaamde “kif”, waarmede de broeibakken der bloemkweekers gevuld zijn en die ook wel op tuinpaden wordt gestrooid. Op plaatsen waar zij zich eens gevestigd heeft, is zij gewoonlijk niet zeldzaam.—De larven van een andere soort (Oryctes simias) richten in de kokoswouden van Madagaskar door het knagen van gangen in den stam soms aanzienlijke schade aan. Men vindt stammen met holten ter dikte van een arm, die door honderden van larven bewoond worden.
Mannetje van den Neushoornkever (Oryctes nasicornis). Ware grootte.
*
De laatste onderfamilie van de Plantenetende Bladsprietigen omvat de Bloemkevers (Melitophila); zij volgt, wat rijkdom aan soorten betreft, op de groepen der Bladkevers en der Mestkevers, maar overtreft deze door de verscheidenheid van vorm en kleur harer leden. De Bloemkevers behooren voor ’t meerendeel thuis in landstreken, waar de zon loodrecht hare stralen werpt; zij zoeken de geurige bloemen van kruiden en houtige planten op om in gezelschap van schuwe Vlinders, vroolijke Vliegen en altoos bezige Bijen hun maal te doen met stuifmeel; bovendien eten zij de organen, waardoor dit poeder wordt voortgebracht, voorts bloembladen en andere bloemdeelen; zij lekken ook wel het sap, dat uit de wonden van boomen vloeit. In den regel is het heupblad van het achterborststuk van boven zichtbaar door een uitsnijding van het dekschild onmiddellijk achter den schouder; hiernaar wordt deze onderfamilie verdeeld in de soortenrijke afdeeling van de Bloemkevers i.e.z. (Cetonidae) en de soortenarme van de Kwastkevers (Trichiidae).
Meer dan ⅓ van de geheele groep bewoont Afrika, nauwelijks 1⁄25 Europa; in alle werelddeelen is zij vertegenwoordigd; de prachtigste vormen zijn echter bewoners van tropische gewesten.
*
Een prachtig Insect is de mannelijke Grootste Goliath (Goliathus giganteus, G. Druryi) uit Opper-Guinea. De scheef naar voren afhellende kop draagt naast de oogen twee stompe, naar boven gerichte lappen en loopt van voren uit in een breed, kort, hoornachtig, gaffelvormig uitsteeksel met afgeknotte spitsen. Fluweelachtig zwart is de hoofdkleur; de kop, het halsschild, met uitzondering van 6 langwerpige vlekken, het schildje, een groote, driehoekige vlek op de dekschilden, die door de naad middendoor wordt gedeeld, en de buitenrand der dekschilden zijn krijtwit. De lengte kan 98 mM. bedragen. Het iets kleinere wijfje heeft meer glans, geen uitsteeksel op den kop, maar 3 tanden aan den buitenrand der voorscheenen. In 1770 leerde men dezen Kever voor ’t eerst in Europa kennen; de verzamelaars stellen zooveel prijs op zijn bezit, dat zij soms voor het paar meer dan 50 gulden betalen. Van dit uitsluitend in Afrika levend geslacht heeft men later nog 5 andere soorten ontdekt. Een daarvan is de Gaffelneus [Goliathus (Dicranorrhina) Smithii] van Port-Natal, die niet door grootte, maar wel door andere eigenaardigheden aan de vorige herinnert. Dit fraaie Insect is bronsgroen; de schenkels, de scheenen, het schildje en de achterrand van het halsschild zijn rood, de dekschilden bruingeel met zwarte randen, een onduidelijke vlek op de schijf van het halsschild en twee vlekken op ieder dekschild zwart; aan de onderzijde is het achterlijf rood, het borststuk bruin. Het mannetje heeft voor op den kop een gaffelvormigen hoorn, die bij het wijfje ontbreekt; bij haar zijn daarentegen de voorscheenen aan den buitenrand met drie scherpe tanden gewapend.
*
1) Gaffelneus (Dicranorrhina Smithii).—2) Gouden Tor (Cetonia aurata).—3) Gestreepte Kwastkever (Trichius fasciatus). Ware grootte.
De Gouden Tor (Cetonia aurata) is een typische vertegenwoordiger van de geheele groep. Wie kent hem niet, den goudgroenen Kever, getooid met eenige geschubde dwarsgroeven op de achterste helft van de dekschilden, die bij warm, zonnig weer met luid gegons naar de bloeiende struiken en kruiden van tuinen, bosschen en weiden vliegt, waarbij de dekschilden gesloten blijven. Wanneer men hem aanvat, verweert hij zich door het uitwerpen van een vuilwit, vettig vocht van onaangenamen reuk uit den aars en tracht hierdoor waarschijnlijk zijn vrijheid te herkrijgen. Op oude eiken of andere boomen, die wonden hebben, waaruit sap vloeit, zitten de Gouden Torren dikwijls in troepen dicht bijeen en vallen op een afstand door hun aan goud herinnerenden glans in ’t oog. Schadelijk zijn zij eigenlijk niet; wanneer zij echter in grooten getale voorkomen in een tuin, waar rozebottels gekweekt worden, is de verminderde opbrengst aan hen te wijten; bovendien verminken zij door het opvreten der bloemdeelen de rozen (vooral witte) van menigen anderen struik, die ter wille van de bloemen geplant werd.
De genoemde soort onderscheidt zich van hare naaste verwanten door een streep op de dekschilden aan weerszijden van den naad, waardoor deze den indruk maakt van een groeve; het bij alle leden van haar geslacht aan het middelste borstschild voorkomend uitsteeksel eindigt bij haar knopvormig. De larve leeft in rottend hout en werd dikwijls gevonden onder in de nesten van de Roode Boschmier (Formica rufa), waar zij zich voedde met de allengs verrottende stukjes hout, die de Mieren bijeenbrengen.
*
Behalve het gemis van de uitsnijding der dekschilden achter den schouder hebben de soorten, die zich om de Kwastkevers (Trichius) scharen, nog andere eigenaardigheden gemeen, die hun vorm aanmerkelijk wijzigen: het halsschild is meer kringvormig, dikwijls aan den achterrand lijstvormig gezwollen en schijnt smaller te zijn dan de dekschilden.
De Eremiet of Lederkever (Osmoderma eremita) verdient in de eerste plaats vermelding als de grootste Europeesche soort; zij vervangt in deze afdeeling als ’t ware de Goliathkevers. Haar lengte bedraagt 26 à 33 mM. Bij ons is zij zeer zeldzaam; men vond haar in Gelderland in vermolmd hout. Zij is kenbaar aan haar glanzig zwartbruine kleur met paarsen weerschijn, de overlangsche groef op ’t midden van het halsschild, de rimpelig gestippelde dekschilden en de lucht van juchtleer, die zij verbreidt en waaraan haar geslachtsnaam ontleend is. Daar de wilgen vaak rottende gedeelten vertoonen, leveren deze dikwijls een verblijfplaats aan den Lederkever. Men vindt hem eveneens in eiken, beuken, berken, linden en vruchtboomen, die ongezond, week hout bevatten; dit is het voedsel van de gedrongen gebouwde larve, die zich waarschijnlijk eerst na verscheidene jaren verpopt.
Een prettiger indruk dan de Eremiet maakt de Gestreepte Kwastkever (Trichius fasciatus). Evenals bij alle echte Trichiën, is het kopschild langer dan breed en van voren uitgesneden; het draagt, gelijk de kop en het halsschild, een ruig kleed van talrijke gele haren; die van de onderzijde en van de achterlijfsspits hebben een meer witte kleur; de beide aan den naad ineenloopende dwarsbanden op de dekschilden zijn geel. Bovendien verdienen de achterheupen vermelding, daar zij elkander aanraken. Deze soort, die in sommige jaren hier te lande, vooral op maandrozen, veelvuldig aangetroffen wordt, kruipt, evenals de Rozenkever, diep in de bloem, blijft hier bewegingloos zitten en vreet de binnenste bloemdeelen op. De larve leeft, evenals die van alle andere Trichiën, in rottend hout.
Een merkwaardige Bloemkever van Amboina is de Langarmige Kwastkever (Enchirus longimanus). Wanneer het mannetje, wiens lichaam 65 mM. lang is, de voorpooten uitstrekt, bedraagt de afstand van de spits van het achterlijf tot het einde van den voet niet minder dan 131 mM.
De reeks van de Ongelijkledige Kevers (Heteromera), kenbaar aan de 5-ledige voor- en middelvoeten en 4-ledige achtervoeten, vangt aan met de familie der Zwartlijven (Melasomata). Hoewel de 600 geslachten, waarover men de ruim 4500 bekende soorten van deze familie verdeeld heeft, een zeer verschillenden lichaamsvorm hebben, merkt men in andere opzichten tusschen hen (en meer nog tusschen hunne larven) een zoo groote overeenstemming op, dat alle gezamenlijk een goed afgerond geheel uitmaken. De kop is voor de helft verscholen onder het halsschild; de tamelijk korte sprieten zijn meestal uit 11 leden samengesteld en parelsnoer- of draadvormig. De heupen van ieder paar pooten zijn bijna altijd op zekeren afstand van elkander geplaatst; de kogelvormige voorheupen draaien in gesloten pannen; de voetklauwen zijn meestal enkelvoudig, slechts zelden gespleten. Aan het achterlijf onderscheidt men duidelijk 5 vrije ringen. Daar de meeste dezer “zwartrokken” de vleugels missen en zelfs hunne dekschilden dikwijls langs den naad vergroeid zijn, ontbreekt hun niet slechts de aandrift, maar over ’t algemeen ook de geschiktheid om zich in de lucht te verheffen; zij mijden daarom het licht, vestigen zich bij voorkeur op een vochtigen bodem, onder steenen, achter rottende wortels en schorsschilfers, in vuile hoeken van huizen, enz. en nemen van hun vieze omgeving ook een onaangename lucht over; in alle opzichten zijn deze liefhebbers van de duisternis dus hoogst onbeminnelijk. Hoewel verreweg de meeste zich kenmerken door sombere kleuren en een lichtschuwe levenswijze, behooren tot deze familie ook eenige soorten, die met lichtere kleuren en met metaalglans prijken, van goed ontwikkelde vleugels gebruik maken en op boomstammen verblijf houden.
Gewone Rouwkever (Blaps mortisaga) met larve. Ware grootte.
De weinige larven van Zwartlijven, die men kent, gelijken alle op den Meelworm; het langwerpige, wormvormige, van boven naar onderen eenigszins samengedrukte lichaam loopt uit in één spits of in 2 aanhangsels en is geheel met een glad, hard, meestal licht gekleurd pantser bedekt; het wordt gesteund door zes 5-ledige pooten; de kop draagt 4-ledige sprieten en aan iedere zijde 2 of 5 oogen.
*
In de eerste plaats bespreken wij een over geheel Europa verbreide, bij voorkeur kelders en dergelijke donkere hoeken van huizen bewonende duisterling, den Gewonen Rouwkever (Blaps mortisaga). Alle leden van zijn geslacht hebben een min of meer vierhoekig halsschild, een langwerpig eivormig achterlijf, dat door de vergroeide, ieder in een spits eindigende dekschilden geheel bedekt is, twee doornen aan ’t einde der voorscheenen en weinig samengedrukte, kort bewimperde voeten, die steeds veel korter zijn dan de scheen. Bij de genoemde soort onderscheidt het mannetje zich van het wijfje door een bosje geel vilt in ’t midden van den achterrand van den eersten buikring; de spitsen der dekschilden zijn bij beide even lang.
Tusschen muren van overoude bouwvallen in Yucatan vindt men een Kever (Zopherus Bremei), waaraan een geheimzinnige macht wordt toegeschreven. In zijn vaderland wordt hij beschouwd als een middel om booze geesten te verdrijven en, aan een kettinkje bevestigd, door vrouwen op de borst gedragen: men beweert, dat hij op deze wijze zonder voedsel twee jaar kan blijven leven. Taschenberg heeft zulk een talisman levend te Halle gezien. Het halsschild was donker, het linker dekschild rood, het rechter dekschild lichtgroen; zij hadden deze kleur niet van nature, maar waren met fluweelachtige lapjes zoo zorgvuldig beplakt, dat de kunstbewerking niet in ’t oog viel; het lichaam was omgeven met een smal gouden plaatje, dienende tot bevestiging van een fijn gouden kettinkje.
De Vetkevers (Pimelia) komen vooral aan de zeekusten voor, waar zij zich onder steenen, in ledige slakkenhuizen, tusschen hoopen aangespoelde wieren verborgen houden en ruimschoots de rottende stoffen vinden, die hun tot voedsel dienen, 40 soorten van dit geslacht vindt men in Zuid-Europa, een nog grooter aantal in Noord-Afrika en Voor-Azië tezamen genomen.—Pimelia distincta uit Spanje kenmerkt zich door een glinsterend glad, aan de zijden met fijne knobbeltjes bezet halsschild en doffe, rimpelig gestippelde dekschilden, ieder voorzien van glanzige naadlijsten en van 4 glanzige, overlangsche ribben, die tusschenruimten van gelijke breedte overlaten.
Ten slotte moeten wij nog een soort gedenken, het eenige lid van de familie misschien, waarmede men te huis kennis kan maken zonder in meer dan één opzicht onaangenaam getroffen te worden. De Meeltor (Tenebrio molitor) wordt zoo genoemd, omdat haar larve, de “Meelworm”, die een gezocht voedsel is voor Nachtegalen en andere insectenetende kamervogels, bij voorkeur op den vloer van meelbewaarplaatsen, enz. verblijf houdt. Deze Insecten nemen echter ook wel minder zindelijke woonplaatsen voor lief. Een vogelliefhebber, die voor zijne Zangvogels Meelwormen fokte in een ouden pot, waarin gewoonlijk oud brood, zemels en lompen werden geworpen, liet door hen kleine Zoogdieren en Vogels skeletteeren; zorgvuldig knaagden zij er alle aan rotting onderhevige bestanddeelen af. Meelwormen komen voorts niet zelden voor in duiventillen, in mest, in reten van vloeren; uit alles blijkt, dat zij niet kieschkeurig zijn, zoomin op hun spijs als op hun woonplaats, indien deze slechts droog en gene in overvloed voorhanden is. De Meelwormen zijn glanzig geel, 28 mM. lang en veranderen in Juli in teere, witte poppen. Na eenigen tijd komt de 15 mM. lange Kever uit de pophuid te voorschijn; zijn aanvankelijk gele kleur verandert langzamerhand in donkerbruin; de lichter gekleurde buik heeft een roodachtigen weerschijn. Dit Insect is tamelijk plat en met uitzondering van den kop bijna overal even breed; de drie hoofddeelen van den stam hangen los aaneen. Zijn geheele oppervlakte is dicht bedekt met fijne stippels; de dekschilden zijn fijn gevoord.
De soortenarme familie van de Waaierdragers (Rhipiphoridae) is merkwaardig door haar afwijkende ontwikkelingswijze; zij omvat slechts kleine, weinig in ’t oogvallende kevertjes, welker vertikaal geplaatste kop als door een steel aan het halsschild bevestigd is en bij ’t mannetje pluim- of kamvormige, bij ’t wijfje meestal eenvoudig gezaagde sprieten draagt.
De Zonderlinge Waaierdrager (Metoecus paradoxus), een van de grootste leden der familie (7.6 à 10 mM. lang), is zwart; de zijden van het halsschild en de buik zijn geelrood, de dekschilden van het mannetje geheel of ten deele geel; de sprietleden dragen, te beginnen bij het vierde, ieder 2 lange, wimpelvormige aanhangsels, terwijl die van het wijfje ieder slechts één tand bezitten.
Deze Kever heeft het nest van de gewone Wesp, die in gaten van den grond huist, tot geboorteplaats. De larve gelijkt veel op die van de Spaansche Vlieg en is 5 mM. lang; de dop draagt 3-ledige sprieten en enkelvoudige oogen, elk der drie volgende segmenten één paar gelede pooten, welker drie voetleden bladvormig verbreed zijn en aan ’t einde 2 of 3 klauwen bezetten benevens een hechtschijf, die in vorm overeenkomt met de eindlobben van een vliegensnuitje. Waarschijnlijk begeeft de Metoecus-larve zich uit eigen beweging naar een nog niet met een deksel gesloten broedcel van het wespennest en kruipt in het lichaam van de hier aanwezige larve door een aan de rugzijde gemaakte wonde. Nadat de parasiet zich eenigen tijd gevoed heeft met de sappen van zijn gastheer, zonder diens edele deelen te beschadigen, dringt hij nogmaals door de huid heen, maar nu van binnen naar buiten, vervelt en wordt een made; in deze gedaante zuigt hij zich aan de wespenlarve vast en vlijt zich tegen haar eenigszins uitgeholde buikvlakte aan. Zoodra nu de Metoecus-larve 6 mM. lang geworden is, vervelt zij nogmaals, zuigt vervolgens haar gastheer geheel uit en gaat in diens cel in den poptoestand over. Twee dagen nadat de Wespen de naburige cellen verlaten hebben, komt ook de jonge Kever voor den dag; voor de geheele gedaantewisseling zijn 12 à 14 dagen noodig geweest. In kleinen getale vindt men deze Kevers in het einde van Augustus of het begin van September op bloemen.
De nu volgende familie is die der Blaartrekkers (Vesicantia of Cantharidae), zoo genoemd, omdat de meeste soorten een eigenaardige stof (cantharidine) voortbrengen, die, op de huid gebracht, blaren veroorzaakt, daarom voor het maken van trekpleisters dient en bij enkele ziektegevallen inwendig als geneesmiddel wordt gebruikt. Behalve door de zooeven genoemde eigenschap, die echter niet bij alle leden der familie voorkomt, stemmen deze in de volgende opzichten overeen: de kop, die zich door een zeer bolle kruin onderscheidt, is loodrecht geplaatst ten opzichte van de lichaamsas, van achteren tot een hals versmald en geheel en al zichtbaar; op het voorhoofd of vóór de oogen draagt hij de 9 à 11-ledige sprieten. Het halsschild is aan den voorrand smaller dan aan den kop, aan den achterrand veel smaller dan de buigzame dekschilden. De 4 voorste pooten hebben 5, de achterste slechts 4 leden. De meeste van de ruim 800 soorten behooren in de warme gewesten thuis.
Bonte Oliekever (Meloë variegatus). Op den voorgrond een eierleggend wijfje; op de Bijen en in de bloemen: de larve in den eersten toestand; in den tweeden toestand is zij voorgesteld op de cocons aan de linkerzijde. Ware grootte.
Van de Weeklijfkevers of Oliekevers (Meloë) kent men een zeventigtal soorten, waarvan slechts enkele Amerika, de overige het oostelijk halfrond, met uitzondering van Australië, bewonen. De bovenstaande afbeelding maakt een uitvoerige beschrijving overbodig. De dekschilden voegen zich niet volgens een rechte naad aaneen, maar de wortel van het eene is over dien van het andere gelegen, gelijk dit regel is bij de Rechtvleugeligen.
De Oliekevers vertoonen zich vroeg in ’t jaar, kruipen in ’t gras en op de wegen rond, zijn het talrijkst in de maand Mei en nemen daarna weer in aantal af, zoodat er tegen het einde van Juni waarschijnlijk geen enkele van over is. Hun voedsel bestaat uit laaggroeiende planten, o.a. boterbloemen en jonge grassen, die zij des morgens en tegen den avond gretig verslinden. Bij aanraking trekken zij de pooten en de sprieten op en laten door alle kniegewrichten druppels van een olieachtig, geel vocht ontwijken. Het wijfje legt in gaten, die zijzelf in den grond graaft, meer dan 1000 eieren. Na 28 à 42 dagen komen de larven uit, die men wegens hare 3 voetklauwen “Triangulinen” heeft genoemd, en zoeken bloemen op, die door Bijen druk bezocht worden, bij voorkeur boterbloemen, madeliefjes en dergelijke. In dichte zwarte hoopen kan men de Meloë-larven hier zien zitten. Zij zoeken er echter geen voedsel gelijk andere pas uit de eischaal ontsnapte larven; haar eenig doel is op den rug van het honingzoekende Insect te klauteren. Het kleine diertje zal, als het zich tusschen de haren van de Bij bevindt, deze geen kwaad doen, maar haar eenvoudig als middel van vervoer gebruiken. De Bij is, evenals ieder rechtschapen vrouwelijk Insect, uitsluitend bedacht op het instandhouden van haar soort, bouwt een cel, vult deze met zoeten proviand en legt hierop haar ei. Op dit oogenblik heeft de gewaande “Bijenluis” gewacht. Zij laat zich van haar weldoenster afglijden en gaat op het ei zitten, welks moeder na het sluiten van de cel al het noodige meent gedaan te hebben, om aan haar kroost een goede toekomst te verzekeren. Voor onze larve begint nu eigenlijk eerst het leven. Zij verslindt den inhoud van het ei, haar eerste voedsel, legt de vermomming af, die zij tot dusver droeg, gaat in den weekhuidigen toestand over en ziet er nu geheel anders uit dan vroeger. Nu is de honig voor haar een geschikt voedsel; zij groeit als kool en bereikt weldra de vereischte grootte. Het op een Engerling gelijkende diertje op de linkerzijde van onze afbeelding stelt een Meloë-larve in haar tweeden toestand voor.
Men zou kunnen meenen, dat de larve nu, nadat zij de honig verbruikt heeft en geheel volwassen is, zich op de gewone wijze verder ontwikkelen en in den poptoestand overgaan zal. Toch is dit niet het geval. Haar huid geraakt los, zonder te barsten, en hierbinnen bevindt zich een van buiten hoornachtige pop, die bij oppervlakkige beschouwing veel op de vorige larve gelijkt. Deze “schijnpop” of “pseudochrysalide” gebruikt geen voedsel. Binnen de nogmaals losgerakende huid ondergaat het Insect een nieuwe gedaantewisseling en wordt een weekhuidige (tweede) pop, die na verloop van korten tijd in de echte (derde) pop verandert. Dit zijn de opeenvolgende phasen van de meest volledige metamorphose; bij sommige soorten komt zij eenigszins gewijzigd en afgekort voor.
De bij ons zeldzame Bonte Oliekever (Meloë variegatus, M. majalis) is over geheel Europa, het noordwesten van Azië en den Kaukasus verbreid en schijnt in Duitschland bijzonder overvloedig te zijn. Hij heeft een metaalachtig groene of blauwachtige kleur, vertoont in meerdere of mindere mate een purperen weerschijn en is met groote stippels en rimpels bezet; zijn dwars gericht halsschild wordt naar achteren een weinig smaller en heeft zeer flauw bovenwaarts gebogen randen. Zijn lengte wisselt af van 11 tot 36 mM., al naar de eerste larve (die 2 à 3 mM. lang en glanzig zwart is) in de cel van de Bij een geringe of een groote hoeveelheid honig vond.
De Gewone Oliekever (Meloë proscarabeus) wordt, zooals de naam te kennen geeft, (ook ten onzent) veelvuldiger aangetroffen dan de vorige soort; hij bewoont dezelfde landen als deze, is zwartblauw met paarsen weerschijn; fijne puntjes tooien den kop en het bijna vierkante halsschild; de dekschilden vertoonen wormvormige dwarsrimpels; bij het mannetje zijn het 6e en 7e lid van de sprieten schijfvormig verbreed, aan de onderzijde als ’t ware afgeknaagd. De grootte is even veranderlijk als de vorige soort; bij kleine exemplaren steken de dekschilden zelfs een weinig voorbij het achterlijf uit.
*
De Spaansche Vlieg (Cantharis vesicatoria, Lytta vesicatoria) komt bij ons zelden voor, naar ’t schijnt alleen in de provincie Gelderland. In Duitschland is zij in sommige jaren hier en daar buitengewoon talrijk en verraadt dan op grooten afstand haar tegenwoordigheid door het verbreiden van een sterk riekende uitwaseming. Esschen, ligusters, seringen en andere planten worden kaalgevreten door zulk een keverzwerm, die zoodra alles op is, verder trekt. De fraai groene, met vele rimpeltjes bezette dekschilden vertoonen ieder twee fijne, overlangsche ribben; bij het mannetje zijn zij smaragdgroen en langwerpiger, bij ’t wijfje lichter goudgroen en breeder. De draadvormige sprieten bereiken bij het mannetje de helft van de lengte van ’t geheele lichaam en zijn tweemaal zoo lang als die van het wijfje. De kop is hartvormig; het dwars gerichte halsschild heeft 5 stompe hoeken. Lengte 17 à 19.5 mM. De Spaansche Vlieg komt vooral in ’t zuiden van Europa, doch ook in Zweden en Rusland voor. Fijngewreven en met de een of andere kleefstof vermengd, levert zij het materiaal voor de bekende trekpleisters; een alkoholisch aftreksel heet cantharidentinctuur.
Men kent meer dan 250 Cantharis-soorten; de meeste bewonen Afrika en Amerika.
Bij een groot aantal Kevers, (meer dan 11000 soorten) is de kop uitgegroeid tot een meer of minder langen “snuit”, die aan zijn top de monddeelen draagt. Men noemt ze daarom Snuitdragers (Rhynchophora). Zij hebben aan iederen voet 4 leden (dikwijls een verborgen vijfde lid). Ook gedurende den larvetoestand komen zij in vorm overeen; zij zijn dan witachtige, meestal blinde maden, met duidelijk begrensden, door een hard chitine-pantser omhulden kop en buikwaarts gekromd lichaam, waaraan de pooten ontbreken of slechts door nietige stompjes aangeduid zijn. Deze Kevers gebruiken uitsluitend plantaardig voedsel. Het wijfje legt de eieren hetzij aan de oppervlakte van de plant, waarmede hare larven zich voeden, òf in een van buiten af hierin geboord gat, waarin het echter nooit met het geheele lichaam doordringt. Van eenige soorten leven de larven in den grond, de meeste vestigen zich in, slechts enkele aan de oppervlakte van de plant, waaraan zij haar voedsel ontleenen; dikwijls ondergaan zij alle gedaantewisselingen op deze plaats, en baant het Insect zich eerst als imago een weg naar buiten. Enkele larven parasiteeren in het lichaam van andere Insecten. Men kan in deze groep 4 familiën onderscheiden, die, naar typische geslachten, welke er toe behooren, Voelersnuitkevers (Bruchidae), Rechthoornsnuitkevers (Attelabidae), Echte Snuitkevers (Curculionidae) en Klanderkevers (Cossonidae) heeten. De laatstgenoemde vormen den overgang van de Echte Snuitkevers tot de Schorskevers (Scolytidae), die, ondanks den meestal niet tot een snuit verlengden, maar stomp eindigenden kop, zóó na verwant zijn met de Insecten, welke ook in dit opzicht den naam van Snuitdragers verdienen, dat men ze in deze groep als 5e familie moet opnemen, vooral ook, omdat zij met de overige gedurende den larvetoestand nagenoeg volkomen overeenstemmen. De vrouwelijke Schorskevers gedragen zich bij ’t eieren leggen op een geheel andere wijze dan de overige leden der groep, daar zij met het geheele lichaam doordringen in de plant, die tot voeding van de larve bestemd is.