Spaansche Vlieg (Lytta vesicatoria); rechts: haar “eerste” larve. Vergroot.


De Voelersnuitkevers (Bruchidae) zijn in alle werelddeelen, doch vooral in Amerika en Europa vertegenwoordigd; men kent er ruim 400 soorten van. Zij hebben een kort snuitje met duidelijken bovenlip en goed ontwikkelde, vóór den bek uitstekende, draadvormige tasters aan de onderkaak en de bovenlip (bij de overige Snuitdragers zijn zij zeer kort en kegelvormig). De sprieten zijn recht (niet, gelijk bij de Echte Snuitkevers “gebroken”, d.w.z. in een schaft en een zweep verdeeld), uit 11 leden samengesteld, vrij (niet, zooals die der Echte Snuitkevers, in een groeve van den snuit aangehecht), in den regel onmiddellijk vóór de oogen geplaatst, soms meer of minder duidelijk knotsvormig, dikwijls getand, soms ook kamvormig. De levenswijze der larve is verschillend, sommige (Anthribus) ontwikkelen zich in vermolmend hout, andere (Brachytarsus) in voor de houtteelt schadelijke Schildluis-wijfjes, welker eieren zij verslinden, verreweg de meeste echter in zaden.

De laatstgenoemde ontwikkelingswijze vindt men vooral bij het soortenrijke geslacht der Zaadkevers (Bruchus). Deze zijn van geringe grootte, nagenoeg eirond, van onderen boller dan van boven. Achter de groote, hoefijzervormige oogen is de benedenwaarts gerichte kop tot een onduidelijken hals versmald. Onmiddellijk vóór de opening van dit “hoefijzer” zijn de geleidelijk in dikte toenemende sprieten aangehecht. Van de 5 buikringen is de eerste, die naar voren meestal in een spits uitloopt, langer dan alle overige; de dekschilden laten het groote stuitschild nagenoeg geheel onbedekt. Hunne larven, voor zoover bekend, leven in zaden, vooral van vlinderbloemige planten. In tegenstelling tot de overige Snuitkevers, die meestal traag zijn, loopen de Zaadkevers snel, en vliegen nu en dan. Als zij verschrikt worden, laten zij zich snel op den grond vallen.

1) Erwtenkever (Bruchis pisi), vergroot; (a) uit de erwt komend, ware grootte.— 2) Boonenkever (Bruchus rufimanus); (b) voorste deel van ’t lichaam; beide vergroot.—3) Wikkenkever (Bruchus granarius); (c) zijn larve; beide vergroot.

De 5 mM. lange Erwtenkever (Bruchus pisi) is zwart, dicht bedekt met korte, geelachtig grijze en witte, aanliggende haren en op het halsschild aan weerszijden, dicht bij het midden, van een onder de beharing verborgen tandje voorzien; op ieder dekschild komt dicht bij het breed afgeronde einde een uit witte vlekken samengestelden dwarsband voor; de stuit draagt 2 eivormige, onbehaarde, groote vlekken. De 4 eerste leden van de knotsvormige sprieten zijn roodachtig geel, de voordijen zuiver zwart, de scheen en de voet van de voorpooten, de top van den scheen en de voet van de middelpooten roodachtig geel. Deze soort schijnt in Noord-Amerika en Zuid-Duitschland veelvuldiger voor te komen dan elders, maar werd ook hier te lande velerwege waargenomen. De Kever blijft, nadat zijn gedaantewisseling afgeloopen is, den geheelen winter in de erwt en verlaat eerst in ’t voorjaar door een cirkelrond gaatje zijn winterkwartier.

De Boonenkever (Bruchus rufimanus) gelijkt veel op de vorige soort, van welke hij zich onderscheidt door een betrekkelijk langer halsschild met onduidelijker zijtandjes, ook door kortere dekschilden, die eenigszins anders geteekend zijn. De voordijen zijn roodachtig geel. De larve leeft in paardenboonen en groote boonen, waarschijnlijk niet in erwten.

Veelvuldiger dan deze komt hier te lande de Wikkenkever (Bruchus granarius, B. seminarius) in de genoemde boonen voor. Ook in Middel- en Noord-Duitschland is hij de algemeenste van de drie. Naar het schijnt, blijft hij minder tot een enkele soort van zaden beperkt; men heeft hem ook uit wilde wikken en verschillende lathyrus-soorten verkregen; hij overwintert niet in deze kleine zaden, maar op den grond; de boonen verlaat hij echter eerst in de lente.—De Linzenkever (Bruchus lentis) leeft als larve in linzen, andere uitheemsche soorten in gleditschia-, mimosa-, acacia- en palmzaden, enz.


De familie der Attelabiden (Attelabidae) is merkwaardig door de bij Kevers zoo zelden voorkomende bewijzen van moederlijke zorg, die vele harer leden geven. Door de rechtheid der meestal knotsvormige sprieten gelijken zij op de leden der vorige familie, door de kortheid der tasters op die der volgende. Zij hebben een snuit van zeer verschillende lengte. Kort en dik is deze bij den 3 à 5 mM. langen, inheemschen Eikenbladroller (Attelabus curculionides), die van Engeland tot Spanje en van Siberië tot den Kaukasus verbreid is. De kop en de onderzijde zijn donker zwart, het halsschild en de dekschilden bloedrood. Het wijfje maakt een nest voor haar ei door een blad, op de middelnerf na, dwars door te knippen en het bovenste stuk, bij den top te beginnen, rugwaarts op te rollen. Door het binnenwaarts vouwen van de eene helft verkrijgt het nest, een deksel, welks rand door de middelnerf wordt gevormd. Het blad is meestal van een eik, soms van een echten kastanje of van een els. De larve vindt in het “rolletje” voedsel en een winterkwartier, doch verpopt zich in den grond.

Kort en dik is de snuit ook bij den Hazelaardikkopkever (Apoderus coryli), wiens geslacht zich o.a. van het vorige onderscheidt, doordat de kop achter de uitpuilende oogen sterk verlengd en door eene dunne, halsvormige insnoering verbonden is met het halsschild, dat van voren evenzeer in een dun steeltje uitloopt. Dit kevertje welks lengte van 6,5 tot bijna 9 mM. afwisselt, is glanzig zwart; het halsschild, de met overlangsche reeksen van stippels bezette en daartusschen gerimpelde dekschilden en de dijen, met uitzondering van de spits, zijn rood. Het komt bij ons, in geheel Duitschland en verder noordwaarts tot in Zweden, vooral in sommige jaren, veelvuldig voor. Meestal verschijnt het tegen het midden van Mei op hazelaars, laag eikenhakhout, elzen, beuken en hangbeuken, voor zoover deze struikachtig groeien. De schade, die het op bedoelde boomen aanricht, is gering. In ’t oogvallend zijn echter de door het wijfje vervaardigde rolletjes, die den vorm hebben van een klein geldrolletje, waarvan er 2, 3 en soms nog meer aan één groot blad gevonden worden en die dit volkomen ongeschikt maken voor zijne gewone verrichtingen. Het wijfje snijdt te dien einde op eenigen afstand van de bladsteel de eene bladhelft en de middelnerf door en zet de insnijding nog over een deel van de andere bladhelft voort; de schielijk door verwelking slap wordende lap wordt opgerold, zoodat de middelnerf de lengteas van de rol vormt en deze aan weerszijden gesloten wordt door de spits van het blad en van de gedeeltelijk afgesneden slip. De plooien van de rol beschutten het barnsteengele eitje, soms 2 of 3 eieren, die stellig gedurende het wikkelen en niet eerst na voltooiing van het nestje gelegd worden. De larve voedt zich met het binnenste van zijn nest en verandert het langzamerhand in een slangsgewijs gekronkeld drekdraadje van zwarte kleur. In de meeste gevallen zal waarschijnlijk de rol door het afvallen van het beschadigde blad op den grond te recht komen, voordat de larve volwassen is.

De beide genoemde Kevers zijn niet de eenige Attelabiden, die door het oprollen van bladen nesten voor hunne eieren maken. Dit bedrijf wordt ook uitgeoefend door een aantal andere soorten, die hieraan den naam van Bladrollers (Rhynchites) danken, hoewel deze niet voor allen letterlijk juist is. De Rhynchiten zijn in alle werelddeelen, met uitzondering van Australië vertegenwoordigd, vooral echter in het noordelijke halfrond en meer bepaaldelijk in de Oude Wereld. Gemiddeld zijn zij even groot als de leden van het vorige geslacht; hun kleur is meestal blauw, groen, koperrood of bronsbruin, met metaalglans, doch zonder teekening. Hun kegelvormige kop is niet tot een hals versmald; de oogen komen vooraan den wortel van den snuit; deze is verschillend van lengte en draagt ongeveer in ’t midden de rechte sprieten, welker leden, geleidelijk dikker wordend, aan den top een van achteren bladerige, drieledige knots vormen.

De 5 à 6 mM. lange Staalblauwe Druivensteker (Rhynchites betuleti, R. alni) is blauw, soms goudgroen, glanzig en onbehaard. Deze Kever voegt op allerlei boomen en struiken verscheidene bladen tot een rolletje bijeen en kan, als hij in grooten getale optreedt, in perenboomgaarden, vooral echter in wijngaarden, aanzienlijke schade aanrichten. Hij verschijnt in Mei of Juni: in het woud op beuken, espen, linden, eenige soorten van wilgen en berken, daarbuiten op Canadeesche populieren, perenboomen, kweeën en wijnstokken. Hij eet het liefst sappige, kruidachtige plantendeelen, maakt zijne bladrollen bij voorkeur van jonge bladen, en bepaalt zich daarom niet tot één boomsoort. Als er geen jonge bladen meer zijn, schaaft hij, over de bovenzijde van een blad loopend en den snuit er tegen aan drukkend, smalle strookjes van de opperhuid en het bladmoes af, zoodat alleen de opperhuid van de onderzijde overblijft. Het aantal bladen, dat voor het maken van een der sigaarvormige bladrollen vereischt wordt, hangt af van de boomsoort: van kleine bladen zooals van beuken, perenboomen, wilgen, zijn verscheidene noodig; van groote, zooals van kweeën en wijnstokken, is één voldoende; het gat, dat de Kever in een spruit of in een bladsteel boort, stuit den toevoer van sappen naar het hooger gelegen plantendeel, dat, als het verwelkt is en slap naar beneden hangt, gemakkelijk opgerold kan worden. In het voltooide rolletje wordt één ei gelegd; soms bevat het verscheidene eieren, hoogstens 6. De larven, die na 8 à 12 dagen uitkomen, vreten gangen in het binnenste van haar woning, blijven hier, tot zij volwassen zijn, banen zich vretende een weg naar buiten en verpoppen zich in den grond. Van Mei tot in het begin van Juli vindt men op pas gerolde bladen Kevers, die daarna verdwijnen. In September ziet men er opnieuw eenige verschijnen, die zich uit de vroegst gelegde eieren van het loopende jaar ontwikkeld hebben; deze kruipen in den grond, overwinteren en komen in ’t volgende jaar weer voor den dag.

De 4 à 5 mM. lange Populierensteker (Rhynchites populi) gelijkt veel op de vorige soort, maar heeft de dekschilden minder dicht met stippels bezet en is tweekleurig: van boven koperrood of groen met goudglans, van onderen, op den snuit en de pooten staalblauw. Hij draait de bladen van verschillende soorten van populieren ineen.

De nog kleinere, nauwelijks 4.5 mM. lange, zuiver zwarte en zeer weinig behaarde Zwarte Berkensteker (Rhynchites betulae) leeft op berken, elzen en beuken en maakt zijn broedrol steeds van één blad.

Nog andere soorten leven als larven in onrijpe vruchten; een voorbeeld hiervan is de fraaie Pruimenboorder (Rhynchites cupreus). Deze is even groot als de Populierensteker, bronskleurig, op den rug een weinig lichter, zwak grijs behaard, heeft een slanken snuit, op de dekschilden duidelijke stippelreeksen, met eveneens gestippelde tusschenruimten; de larve vindt men in jonge pruimen en kersen, ook in vruchten van Sorbus aria en Sorbus torminalis.

“De eenige soort, die in ons land noemenswaardige schade heeft veroorzaakt,” zegt Ritzema Bos, “rolt geen bladeren samen om er eieren in te leggen, maar deponeert deze in dunne twijgjes, die door middel van den snuit ten deele afgesneden, ten deele afgestoken worden. Naar deze gewoonte heb ik aan Rhynchites conicus den naam Takafsteker gegeven. Dit kevertje is zonder den snuit 3 mM. lang, donkerblauw met groenachtigen metaalglans; de pooten en de snuit zijn zwart. In Mei en Juni vindt men het in tuinen en boomgaarden op alle mogelijke ooftboomen. Het bevruchte wijfje zoekt een jong takje op, duidt door een inkerving met den snuit de plaats aan, waar het naderhand het scheutje denkt af te bijten, klimt hooger, boort, gewoonlijk niet ver van den top van het twijgje, een gaatje tot in het merg en legt er een ei in, dat met den snuit op de rechte plaats wordt geschoven. Deze arbeid duurt dikwijls een vol uur. Daarna gaat de moederkever over tot het afsnijden van den scheut. Eerst wordt deze afgezaagd: de Kever drukt op een bepaalde plaats van den tak zijn snuit stevig vast en beweegt hem heen en weer. Heeft hij op deze wijze een insnijding van eenige diepte gemaakt, dan steekt hij daarin zoolang zijn snuit, tot het takje geheel doorgestoken wordt en eindelijk afvalt.” De larve verlaat na 8 dagen het ei, voedt zich met het inwendige, vooral met het merg van het takje, is na 4 weken volwassen, kruipt, hoogstens 1 dM. diep, in den grond en komt hieruit in ’t volgende voorjaar als Kever te voorschijn.

*

De Spitsmuiskevertjes (Apion) worden zoo genoemd naar den vorm van den kop, die in een dunnen, rolvormigen snuit eindigt. Het peervormige lichaam is zwart, blauw of groen, soms menierood; het vertoont metaalglans, doch geen vlekken; de dekschilden bedekken het geheele achterlijf en zijn gewoonlijk diep gevoord. Deze kleine, fraaie kevertjes zijn over de geheele wereld verbreid en vormen omstreeks 400 soorten; hiervan zijn ongeveer 60 inheemsch; eenige kan men gedurende het geheele jaar waarnemen.

Het Klaverspitsmuisje (Apion apricans, A. fagi) heeft een nagenoeg overal even dikke, weinig gebogen snuit, die bij het midden de knotsvormige sprieten draagt. Het van voren versmalde halsschild is dicht met stippels bezet; deze vormen in de voren der dekschilden overlangsche reeksen. Het glanzig zwarte kevertje heeft het onderste deel der sprieten, de voorpooten en de dijen der overige pooten roodachtig geel; de knieën en de voeten van alle pooten zijn echter zwart. Het wijfje legt verscheidene eieren op de hoofdjes van klaver; tegen den tijd van ’t eerste maaien zijn de larven volwassen en verpoppen zich tusschen de bloemen van het hoofdje.

Klaverspitsmuisje (Apion apricans) met larven. Ware grootte. Rechts onder: de Kever, vergroot.

Dezelfde levenswijze hebben Apion assimile en Apion trifolii. Van andere soorten leven de larven en poppen in zaden, vooral van Vlinderbloemigen, of in stengels, b.v. van malva.

*

Een hoogst zonderlinge gedaante hebben de Langlijfkevers (Brenthidae); bij geen andere leden der orde vertoonen alle deelen van den stam zoo duidelijk het streven om zich te verlengen. De horizontaal gerichte kop loopt uit in een geleidelijk dunner wordenden snuit, die al naar de soort zeer veel verschil in lengte vertoont en bij het mannetje dikwijls veel langer is dan bij het wijfje. Met uitzondering van een Zuid-Europeesche soort (Amorphocephalus coronatus) zijn alle Brenthiden bewoners van andere werelddeelen. De hiernaast afgebeelde Brenthus anchorago leeft in Brazilië. De donker roodbruine grondkleur wordt op de vleugelschilden door 2 bloedroode (of geelachtige), overlangsche strepen afgebroken. Dergelijke teekeningen, ook vlekken, komen bij vele leden dezer familie voor.


Bij de Echte Snuitkevers (Curculionidae) draagt de tot een snuit verlengde kop aan den top monddeelen, waaraan de bovenlip steeds ontbreekt en de tasters zeer klein en kegelvormig zijn. De 8- à 12-ledige sprieten zijn aangehecht in een groeve van den snuit, altijd “gebroken” (in een schaft en een zweep verdeeld) en meestal knotsvormig. De voeten hebben meestal een sponsachtige zool; het derde lid is gewoonlijk in twee lobben verdeeld.

Alle Snuitkevers, met uitzondering van eenige weinige soorten van slechts middelmatige grootte, leven van planten; de verbreiding van deze hangt ten nauwste samen met die van gene, daar vele Keversoorten aan bepaalde planten gebonden zijn. De wijfjes blijven bij het leggen der eieren aan de oppervlakte van de plant, die aan hunne larven voedsel zal verschaffen, dringen er niet met het geheele lichaam in door, gelijk de Schorskevers doen. Geen enkel plantendeel, van den top van den wortel tot aan dien van den stengel, knoppen zoomin als bladen, bloemen zoomin als vruchten, is veilig tegen de Snuitkeverlarven. Zij gelijken het meest op die van de Diefkevers, maar hebben een ronden, benedenwaarts gerichten kop en een pootloozen, min of meer behaarden romp. De sprieten zijn slechts in den vorm van wratjes, de oogen niet of in beperkten getale aanwezig. De familie der Snuitkevers overtreft alle andere keverfamiliën door rijkdom aan soorten. Alleen in het Europeesch-Kaukasisch faunistisch gebied heeft men niet minder dan 204 geslachten met 2664 soorten van deze familie gevonden. Het overwicht van de Snuitkevers over de andere Keverfamiliën neemt toe, naarmate men den evenaar nadert. In Amerika zijn zij nog sterker vertegenwoordigd dan in de Oude Wereld. Vooral het zuiden schijnt onuitputtelijk te zijn aan nieuwe soorten. Er zijn er bij, die door hare prachtige kleuren en door de wijze waarop deze samengevoegd zijn, wedijveren in schoonheid met de kostbaarste kleinodiën, die ooit een kunstenaarshand schiep. En aantal Snuitkevers zijn merkwaardig door hun schadelijken invloed op landbouw en houtteelt. In de meeste gevallen is het de larve, in eenige de Kever, zelden echter het Insect in beide ontwikkelingstoestanden, waardoor het nadeel veroorzaakt wordt.

Voor het verkrijgen van een algemeen overzicht van deze familie, verdient het aanbeveling haar naar de lengte van den snuit, die zulk een belangrijken invloed oefent op het voorkomen dezer Insecten, te verdeelen in Kortsnuitkevers (Curculionides) en Langsnuitkevers (Rhynchaenides), zoo genoemd naar de beide groote geslachten Curculio en Rhynchaenus, die sinds lang in een groot aantal kleinere, scherp begrensde groepen gesplitst zijn.

Bij de Kortsnuitkevers is de snuit kort en breed. De sprieten hebben een lange schaft, die achterwaarts gebogen minstens tot de oogen reikt; zij zijn dichter bij de spits van den snuit dan bij de rondachtige oogen aangehecht in een groeve, die zich uitstrekt tot aan de dikke bovenkaken; de onderkaken zijn meestal bedekt door de kin van de onderlip. Deze onderfamilie wordt in twee groepen verdeeld, waarvan de eerste uit soorten met vleugels, de tweede uit ongevleugelde vormen met langs den naad vergroeide dekschilden bestaat. Van elke groep zullen wij een voorbeeld geven.

Brenthus anchorago.

Wijfje. Mannetje.

De 3.5 à 4.5 mM. lange Gestreepte Grijze Snuitkever (Sitones lineatus) is grootendeels met grijze of groenachtig grijze schubben dicht bedekt; de kop, drie overlangsche strepen op het halsschild en drie ondiepe groeven tusschen de reeksen van stippels op ieder dekschild, zijn echter met lichtere, meer geelachtige schubben bekleed. Deze Kevers loopen snel; bij helderen zonneschijn vliegen zij ook. Bij aanraking laten zij zich als dood op den grond vallen, waar men ze wegens hun kleur niet licht wedervindt. Met verscheidene andere soorten, die ten deele moeielijk onderscheiden kunnen worden, kruipen zij na het ontwaken uit den winterslaap in grooten getale op den grond en tusschen lage planten rond. Als voedsel schijnen zij vlinderbloemige planten te verkiezen boven alle andere, zooals af te leiden valt uit hun talrijkheid op akkers, waar erwten, paardenboonen, lucerne en dergelijke voederplanten verbouwd worden. De Kever vreet den rand der bladen van pas ontkiemde zaden of nog jonge plantjes af; de larve knaagt aan hunne wortels.

De 9 à 11 mM. lange Zwarte Dikbeksnuitkever, de Groote Zwarte Snuittor der houttelers (Otiorhynchus niger), is glanzig zwart; de pooten zijn, met uitzondering van de knieën en de voetleden, geelachtig rood; de dekschilden vertoonen overlangsche reeksen van groefjes, ieder groefje draagt een grijsachtig haartje. Men vindt hem het geheele jaar door in de naaldhoutbosschen van de gebergten; ook in de vlakten ontbreekt hij niet geheel; het gemis van vleugels bindt hem aan zijn geboorteplaats, noopt hem te blijven, waar hij zich eens vestigde. Omstreeks Pinksteren zijn de Kevers in de sparrebosschen het talrijkst; zij beknagen dan de jonge stammetjes onmiddellijk boven den grond. Langzamerhand gaan zij al hooger en hooger en eten met smaak van de in Mei groeiende spruitjes. De larven beknabbelen de wortels van de naaldboomen op de wijze van de engerlingen en worden meestal in kleine troepjes bijeen gevonden.

Groote Zwarte Snuittor (Otiorhynchus niger) met larven en pop. Ware grootte.—1) Kever, 2) Voet, 3) Linkerhelft van den snuit met spriet, van boven gezien. Vergroot.

Deze soort kan een denkbeeld geven van de gedrongen gestalte der Dikbeksnuitkevers, een grootendeels Europeesch geslacht, dat ook in de overige landen om de Middellandsche Zee en in Azië voorkomt. Het bestaat uit niet minder dan 444 soorten, die voor ’t meerendeel bergstreken bewonen; eenige worden uitsluitend in de Alpen op struikgewas gevonden.

De 9 mM. lange Gegroefde Dikbeksnuitkever (Otiorhynchus sulcatus), kenbaar aan de overlangsche groeve op het midden van den snuit, vindt men hier te lande algemeen in moestuinen, waar hij o.a. aan aardbezieplanten, primula’s, sedums, cineraria’s, klimop en wijnstokken knaagt.

*

De Langsnuitkevers (Rhynchaenides) hebben een langen, meestal rolronden snuit, sprieten met betrekkelijk korte schaft, die, achterwaarts gericht, het oog in den regel niet bereikt, aangehecht in een niet naar voren verlengde groeve, midden tusschen de spits van den snuit en de meestal langwerpige, dwars geplaatste oogen. De bovenkaken zijn afgeplat, de onderkaken gewoonlijk niet door de kin bedekt. De rand van het halsschild strekt zich meestal tot aan de oogen uit en bedekt deze dikwijls voor een deel.

Het zeer langwerpige, rolronde lichaam van de Stengelboorders (Lixus) is bedekt met een door uitzweeting gevormd, geel poeder, dat tot op zekere hoogte vernieuwd kan worden, wanneer het door afschuring verloren is gegaan. Dit geslacht is in alle werelddeelen vertegenwoordigd. De larven van de inheemsche soorten leven in stengels van verschillende kruiden, vooral van Schermbloemigen.

De Verlammende Stengelboorder (Lixus paraplecticus) heeft na verwijdering van het hem bedekkende, gele poeder een grijsbruine kleur; het halsschild is uiterst fijn rimpelig gestippeld en langs den voorrand bij de oogen met lange wimpers bezet. De soortnaam berust op de ongegronde meening, dat een Paard lam zou worden, indien het een larve van dezen Kever inslikte bij het opeten van de door haar bewoonde plant. Daar deze (de breedbladige water-eppe, Sium latifolium) in ’t water groeit en volstrekt niet begeerd wordt door de Paarden, is er weinig kans, dat de bedoelde larve in een paardenmaag verdwaalt.

De Kever overwintert in een veiligen schuilhoek in de nabijheid van plaatsen, waar de plant, die tot voeding van de larve dient, in de lente zal ontspruiten. Wanneer zijn woning bij hoogen waterstand overstroomd wordt, geeft hij bewijzen van bekwaamheid als schipper of zwemmer. Dat deze Kever zich in ’t water weet te redden, toont het wijfje ook bij het eieren leggen. Dit moet geschieden in een tijd, als de meeste van de door haar begeerde planten den stengel nog niet boven den waterspiegel verheven hebben. Zij daalt langs de bedoelde plant in het water af, boort met den snuit een gat in den stengel, legt hierin één ei en herhaalt deze bezigheid, totdat alle eieren gelegd zijn.

Zeer nauw verwant aan de bonte Heilipen (Heilipus) in Zuid-Amerika zijn de Naaldhoutsnuittorren (Pissodes), die hen in de gematigde en koude gewesten van het noordelijk halfrond vervangen. Deze bruine Kevertjes, welker lichter gekleurde vlekjes door bijeengeplaatste, haarvormige schubjes gevormd worden, leven, evenals de buitengewoon veel op hen gelijkende Hylobiën (Hylobius), ten koste van naaldboomen, die zij verzwakken door in de lente in de jonge spruitjes gaatjes te bijten, om het hieruit vloeiende sap machtig te worden. De schors geraakt los van de gewonde tak en deze sterft. Twee van de Kevers, die op deze wijze groote schade aan de houtteelt veroorzaken, zijn op de volgende bladzijde afgebeeld.

De Groote Dennensnuitkever (Hylobius abietis) geeft aan dennen de voorkeur en is grooter dan de andere soort; vandaar zijn naam. De dwarsbanden vormende vlekken op de meer of minder donkere, kastanjebruine grondkleur van de dekschilden worden door roestgele, borstelige haartjes voortgebracht. Door drie belangrijke eigenaardigheden onderscheidt deze Kever zich van de volgende soort: de sprieten zijn dichter bij den mond aan den dikkeren snuit gehecht; het schildje is vlak en driehoekig; de voorrand van het halsschild vertoont een tamelijk diepen inham. De voornaamste vliegtijd van den Kever (en bijgevolg ook het paren) valt in de maanden Mei en Juni; enkele paartjes ontmoet men echter nog in September. Zooals reeds gezegd werd, is deze Kever nadeelig voor de houtteelt, daar hij jonge dennen, overal waar de stam geen korstvorming vertoont, van onderen tot boven beknaagt.

Groote Dennensnuitkever (Hylobius abietis) met larven en pop. Ware grootte. In den linker benedenhoek de Kever vergroot.

De vuilwitte eieren worden in spleten van de schors van ’t onderaardsche gedeelte van boomstompen gelegd, ook wel aan boven den grond uitstekende wortels, vooral echter aan de uiteinden van afgehouwen wortels. Dennen- en sparrenkappingen zijn daarom ware broeinesten voor deze Kevers.

De Rood- en Witbonte Dennensnuitkever (Pissodes notatus) verschilt van de vorige soort, die hij in schadelijkheid evenaart, doordat de sprieten aan het midden van een dunneren snuit zijn gehecht, door een rond en bol schildje en door den rechten, niet uitgesneden voorrand van het halsschild. Ook bij hem is de kleur bruin en zweemt nu eens meer naar geel, dan weer meer naar rood. De lichtkleurige, bijna witte bundeltjes van borsteltjes, waarvan er eenige op het gekielde halsschild voorkomen, vormen vóór het midden van de dekschilden groote vlekken, daarachter dwarsbanden. Onze soort verschilt van verscheidene andere leden van zijn geslacht door de ongelijkheid van de stippels der dekschilden.

Evenals de Groote Dennensnuitkever, vertoont ook zijn kleinere beroepsgenoot zich in Mei, maar in grooter aantal en op een uitgestrekter gebied. Aanvankelijk is het verkrijgen van voedsel zijn eenige zorg; hij maakt gaatjes in de schors van den groven den en den Weymouthspijn, minder dikwijls in die van den lork en den spar, haalt uit ieder slechts weinig voedsel en richt dus veel schade aan. De talrijke wonden, die hij aan de plant toebrengt, gelijken op naaldeprikken en veroorzaken door het uitvloeien van hars, een schurftig uitzicht van de oppervlakte. Meestal zoekt de Kever 4- à 8-jarige boompjes op; indien deze ontbreken, worden oudere, zelfs 30-jarige stammen niet versmaad. Het eierenleggende wijfje vindt men niet slechts op ziekelijke boomen van 15- à 18-jarigen leeftijd en nog oudere achterlijke stammen, maar ook op gave exemplaren en slechts bij uitzondering op boomstompen en reeds gevelde stammen.

Omdat de Kever bij voorkeur op denzelfden boom voedsel zoekt en eieren legt, wordt zijn werkzaamheid vooral voor jonge planten spoedig noodlottig.

*

De Hazelnootsnuitkever (Balaninus nucum) en de andere leden van zijn geslacht hebben van alle inheemsche soorten der familie den langsten snuit. Ieder kent den Hazelnootworm; nog beter trouwens het gaatje, waardoor deze larve den noot verliet om in den grond van gedaante te wisselen, daar zij in geen der wormstekige noten nog aanwezig is; de half of geheel uitgevreten zaadkern en de hier achtergebleven drekkruimels zijn de eenige sporen van haar vroegere aanwezigheid. Tegen het einde van Juli (of ook wel vroeger) boort het wijfje tot in het hart van den half-volwassen Hazelnoot een gaatje en legt hierin een ei, dat met den snuit zoover mogelijk naar binnen geschoven wordt. Daar dit zoo vroeg geschiedt, groeit de opening weer dicht, of sluit zich althans in zoover, dat men goed toekijken moet om haar te vinden. Van Mei af kan men den 8 mM. langen Kever op hazelaars en eiken zien. Hij heeft een zeer langen, borstelvormigen, aan den wortel gestreepten en gestippelden snuit van roodbruine kleur, die een weinig vóór het midden de slanke, knievormig gebogen sprieten draagt; de schaft past juist in een groeve, die zich tot aan het oog uitstrekt; de zweep eindigt in een bijna knopvormige knots. Het eivormige, zwarte lichaam is overal met geelachtig grijze haartjes begroeid; het bolle, ronde schildje en de schouders dragen lichtere haartjes, waardoor op de dekschilden, welke gezamenlijk een hart vormen, een teekening ontstaat, die aan de verdeeling van een dambord herinnert.

Rood- en Witbonte Dennensnuitkever (Pissodes notatus) aan den arbeid op een den, waarvan het onderste deel ontschorst is om de plaats van vasthechting der poppen aan te duiden. Afzonderlijk: Kever, larve en pop, eenigszins vergroot.

Andere soorten van dit geslacht—de Groote Eikelsnuitkever (Balaninus glandium) en de Kleine Eikelsnuitkever (Balaninus turbatus)—leven als larve in eikels. Geen van beide komt op de lijst van inheemsche Balaninen voor.

Van de 18 Europeesche soorten van dit geslacht werden 6 in Nederland gevonden. Ook in andere werelddeelen is het vertegenwoordigd.

*

Hazelnootsnuitkever (Balaninus nucum) met larve. Afzonderlijk: Kever en kop met het voorste gedeelte van het halsschild vergroot.

De Bloesemsnuitkevers (Anthonomus) zou men wegens hun vorm voor groote, plompe Apioniden kunnen houden; zij verschillen er echter duidelijk van door hunne gebroken sprieten en door de lichte vlekken of strepen, die op de overigens bruine dekschilden voorkomen op plaatsen waar lichter gekleurde haartjes groeien. Andere kenmerken leveren de dunne, rechte snuit, de kleine, ronde oogen, de dunne sprieten met 7-ledige zweep en het groote schildje. Ook dit geslacht is over de geheele wereld verbreid, doch in Amerika minder sterk vertegenwoordigd dan elders. De grootste Europeesche soorten, hoewel niet langer dan 4 mM., zijn zeer nadeelig voor de vruchtboomen. In het begin van de lente boort het wijfje gaatjes in de blad- en bloemknoppen, schuift in ieder één of twee eieren, waaruit larven geboren worden, die door het leegvreten van den knop, hem niet tot ontwikkeling laten komen. Daar de buitenste schubben van de aangestoken knoppen een bruine kleur verkrijgen, ziet de appel- of perenboom, die veel van deze en dergelijke Insecten te lijden heeft gehad, er “verbrand” uit. De 4 mM. lange Appelbloesemkever (Anthonomus pomorum) heeft twee onduidelijke, scheeve, door grijze haartjes veroorzaakte strepen op elk der beide dekschilden, waardoor deze gezamenlijk twee V-vormige figuren vertoonen. Bij den iets kleineren Perenbloesemkever (Anthonomus pyri) loopen deze strepen recht en bereiken den rand der dekschilden niet geheel.

*

De larve van de Bladschavers (Cionus) komen voor op de bloemen en jonge vruchten van sommige planten en gelijken, wanneer op hun hoornachtigen kop niet gelet wordt, wel eenigszins op slakjes. Om zich vast te houden maken zij gebruik van de knobbeltjes aan de buikzijde van de voorste segmenten en overigens van een kleverig vocht, dat door een terugtrekbaar buisje aan ’t voorlaatste segment ontwijkt en het geheele lichaam bedekt. De plompe, bijna bolvormige kevertjes zijn fraai geteekend; regelmatige, door een lichtere beharing gevormde vlekjes doen een mozaïek ontstaan op den anders gekleurden grond. De rolronde snuit wordt in den rusttoestand teruggebogen tegen de borst, die echter geen duidelijke groeve vertoont. De zweep van de sprieten bestaat uit slechts 5 leden.

De Helmkruid-bladschaver (Cionus scrophulariae) leeft in talrijke troepen op het van Mei tot Augustus bloeiende knoopige helmkruid (Scrophularia nodosa). Deze 4 à 5 mM. lange Kever is zwart en dicht met schubben bedekt; de zijden van de borst en het voorborststuk zijn sneeuwwit, de dekschilden donker leikleurig, de uitpuilende strooken tusschen de strepen fluweelachtig zwart; ieder van deze is met witte dambordvlekken, het voorste en achterste deel van den naad met een fluweelzwarte vlek geteekend. In de laatste helft van Juli verpopt de larve zich; de gedaantewisseling wordt voorafgegaan door een zeer overvloedige afscheiding van kleverig vocht; het inkrimpen van ’t lichaam brengt een scheiding teweeg tusschen de huid en de haar bedekkende laag en doet een glasachtige, eivormige cocon ontstaan, waarbinnen de beide laatste vervellingen plaats hebben. Uit deze cocon, die aan een steeltje van de bloeiwijze vastgehecht is, komt ongeveer 3 weken later de Kever te voorschijn.

Behalve de genoemde, komen hier te lande nog 5 andere Cioniden voor, die nagenoeg alle op Toortskruid en Helmkruidsoorten leven.

*

De Wilgensnuitkever (Cryptorhynchus lapathi) is de eenige Europeesche vertegenwoordiger van een 200 soorten omvattend Zuid-Amerikaansch geslacht. De snuit van dezen Kever wordt in den toestand van rust geborgen in een diepe groeve van de borst, die tusschen de heupen der middelpooten eindigt. Het lichaam is met een dicht schubbenkleed bedekt en schijnt hierdoor zwartbruin en wit, op het laatste derde gedeelte van de dekschilden krijtwit. Bundels van overeindstaande, zwarte schubben vormen op het halsschild en de dekschilden talrijke oneffenheden. Dit fraaie, 7.5 à 9 mM. lange Insect leeft op wilgenhakhout en elzen; het knaagt niet aan de bladen, wel aan de schors, doch zonder veel schade te veroorzaken. Het wijfje legt de eieren één voor één op den stam of de takken van de genoemde planten. De larve voedt zich aanvankelijk met de houtlaag, die onmiddellijk onder de schors gelegen is; de plekken waar dit geschiedt, zijn dikwijls kenbaar aan de talrijke gaatjes, die hier aan de oppervlakte voorkomen; daarna boort zij een recht naar boven stijgende gang in ’t hout. Het meest vindt men haar in de knoestige stammen van knotwilgen, die door haar werkzaamheid en die van andere in ’t hout borende Insecten eerder sterven dan anders het geval zou zijn. Meer schade richten de larven aan in jonge elzenaanplantingen en elzenhakhout: zij boren in jong en oud hout gangen, waardoor de boompjes sterven.

*

De Snuitkever van de koolzaadknobbels (Ceuthorhynchus sulcicollis) is donkerzwart, niet zeer glanzig, met grijze schubjes bekleed, die aan de bovenzijde fijn en niet talrijk zijn, van onderen, vooral bij de schouders, dichter bijeenstaan. Lichtere plekken, zooals bij andere soorten door sterke opeenhooping van dergelijke schubjes ontstaan, komen bij deze niet voor. De gemiddelde lengte bedraagt nauwelijks 3 mM. bij 2 mM. breedte over de schouders. Het wijfje legt eieren op het onderste gedeelte van den nog jeugdigen bovenaardschen, of dicht bij de oppervlakte van den grond op den onderaardschen stengel van het koolzaad of van allerlei als groente gekweekte koolsoorten, maar ook van de herik, een op akkers veelvuldig voorkomend onkruid. Op de plaats waar het ei onder de opperhuid gelegd werd, ontwikkelt zich langzamerhand, ten gevolge van den prikkel door de knagende larve teweeggebracht, een knobbel of gal. Het hierdoor aan de plant toegebrachte nadeel is echter niet groot. Als de larve volwassen is, begeeft zij zich door een ronde opening naar buiten in den grond, waar de volgende gedaantewisselingen plaats hebben. De Kever knaagt aan de bloemen en hauwen en richt hierdoor eenige schade aan. Van veel beteekenis is ook deze echter niet.

*

Het soortenrijke geslacht der Muizentandsnuitkevers (Baridius, vroeger Baris) is over de geheele wereld verbreid. De Kever is kenbaar aan zijn langwerpig eivormige gedaante en aan de zwarte, dikwijls met een metaalachtig groenen of blauwen glans prijkende kleur van zijn zeer hard uitwendig skelet. Ook kent men hem aan de gewoonte om de dijen met de daartegen aanliggende scheen en voet loodrecht naar onderen te richten en den snuit met de spits tegen de voorste dijen te drukken, als hij, om aan vervolgingen te ontkomen, zich dood houdt. De kop is bolvormig; de oogen zijn klein en onmiddellijk bij den wortel van den snuit geplaatst. Deze is rolrond, dik, een weinig gekromd, aan de spits van onderen scheef afgesneden, als de knaagtand van een Muis; vóór het midden zijn de sprieten aangehecht; de schaft is in den toestand van rust in een diepe groeve verborgen.

De Raapzaad-muizentandsnuitkever (Baridius chloris) is glinsterend groen, soms met blauwachtigen weerschijn, zonder den snuit 4 mM. lang; het halsschild heeft verspreide stippels, doch is in het midden bijna glad; de ruimten tusschen de stippels zijn veel grooter dan deze; de dekschilden zijn eenvoudig gestreept. Zijn witte larve boort in het onderste deel van den stengel van koolzaad, raapzaad en andere kruisbloemige planten gangen, die zich tot aan de uiterste spitsen van de wortels uitstrekken; hierin ondergaat zij ook haar gedaantewisseling. Soms legt de Kever eieren op het winterkoolzaad; de larven, die zich hieruit ontwikkelen, komen reeds in Juni als Kevers voor den dag. Andere exemplaren overwinteren in den grond, paren eerst in ’t volgende jaar en brengen eieren voort, die in den nazomer Kevers worden en dan dadelijk in den grond kruipen om te overwinteren. Hier te lande werd deze schadelijke soort nog niet waargenomen.


Eenige geslachten van Snuitkevers gelijken door den lichaamsbouw van het volkomen Insect, maar nog meer door den vorm en de levenswijze der larve, zoo zeer op de Schorskevers, dat sommige schrijvers gemeend hebben hen niet met de Echte Snuitkevers vereenigd te mogen laten. Zij zijn onder den naam van Kossoniden (Cossonidae) tot een afzonderlijke familie verheven, die met de vorige groep den langen snuit en de knievormig gebogen sprieten gemeen heeft. Alle pooten hebben een hoornachtigen haak aan ’t einde van den scheen. De spriet eindigt in een niet of onduidelijk geleden, meestal eivormigen knop. Vooral bij de Echte Kossoniden (Cossonidini) gelijken de op (of bij) het midden van den snuit aangehechte sprieten (die een van boven steeds sponsachtigen eindknop dragen) door hun kortheid en vorm veel op die der Schorskevers. Beide hebben bovendien het achterlijf geheel verborgen onder de langwerpige dekschilden, die gezamenlijk een halven cilinder vormen, welks breedte vrij wel die van het langwerpige, van voren versmalde, van achteren ingesnoerde halsschild evenaart. De Echte Kossoniden zijn kleine, zwarte, voor ’t meerendeel smalle en gladde kevertjes, waarvan 2 soorten (Cossonus linearis en Rhyncolus elongatus) hier te lande onder boomschors leven.

Bij de overige leden der familie, bij de Klanderkevers (Calandrini), blijft het stuitschild onbedekt en zijn de niet zeer bolle dekschilden meestal niet veel langer dan hun gezamenlijke breedte bedraagt; hunne sprieten zijn betrekkelijk lang en aan den wortel van den snuit, bij sommige zelfs onmiddellijk vóór de oogen ingeplant. Met uitzondering van eenige kleine, Zuid-Europeesche soorten, behooren zij uitsluitend in warme landen thuis, daar men aanneemt, dat de beruchte, thans over de geheele wereld verbreide Klanders, waaraan zij hun naam ontleenen, oorspronkelijk tot de heete luchtstreek beperkt waren en met bezendingen graan naar gewesten met meer gematigd klimaat overgebracht zijn.

De grootste soorten vereenigt men in het geslacht der Palmenboorders (Rhynchophorus), waarvan hierachter een in den Oost-Indischen archipel vertegenwoordiger is voorgesteld. Het zeer harde pantser is zeer dikwijls zwart of roodbruin, maar ook wel rood, geel of grijs, effenkleurig of gevlekt. De wijfjes verschillen meestal duidelijk van de mannetjes door den vorm van snuit, pooten, sprieten, enz. Van slechts enkele soorten zijn de larven bekend; deze houden zich bij voorkeur op in eenzaadlobbige planten (palmen, bananen, suikerriet) en in cycadeeën; dikwijls komen zij in grooten getale voor en richten dan een aanzienlijke schade aan.

Bij het mannetje van de hierachter afgebeelde soort is het voorste gedeelte van den snuit van boven, bij wijze van een kam, dicht bezet met zwarte borstels; bij het wijfje is de snuit kaal. Het schild is zeer lang; de dekschilden zijn overlangs gegroefd. De kleur is zwartbruin, dikwijls als met een waas bedekt en op sommige plaatsen, vooral op het halsschild, sterk naar rood zweemend.

De kleinste soorten van de geheele onderfamilie behooren tot het geslacht Calandra. Twee daarvan zijn met handelswaren, waarschijnlijk uit het oosten, niet slechts naar alle oorden van Europa, maar zelfs naar alle deelen van de wereld overgebracht. De Korenklander (Calandra granaria), wiens larve bekend is onder den naam van “Zwarte Korenmot”, bewoont graanpakhuizen en korenzolders, omdat hij en zijn larve van meel en graankorrels leven; de larve bepaalt zich tot den eenen korrel, waarin haar moeder een gaatje boorde en een ei legde. De larve vreet den korrel uit en heeft haar volle grootte bereikt, wanneer van zijn woonplaats nog maar alleen het schilletje over is, waarbinnen zij in den poptoestand overgaat. 5 à 6 weken na het leggen van het ei, in het begin van Juli, komt de eerste Kevergeneratie voor den dag. 14 dagen later beginnen ook deze jonge Kevers zich voort te planten, zoodat vóór den winter een tweede generatie het levenslicht aanschouwt, om weldra in spleten en naden van vloeren en balken en in andere hoeken van den graanzolder te overwinteren. Sedert lang weet men, dat zindelijkheid en een flinke luchtverversching de beste beveiligingsmiddelen zijn tegen dezen gevaarlijken vijand. In den laatsten tijd heeft men met goed gevolg een doelmatige handelwijze toegepast tot het verdrijven van den Klander; door den graanhoop worden op ruim 3 M. afstand van elkander draineerbuizen gelegd, die als luchtkokers dienen; zij staan ieder afzonderlijk met de buitenlucht in gemeenschap, maar kunnen ook met elkander verbonden worden, zoodat zij gezamenlijk één uitgang hebben. Hierdoor zal in den hoop dezelfde temperatuur heerschen als in de buitenlucht en worden de kevertjes, die van warmte houden en veel warmte noodig hebben om zich te ontwikkelen, genoopt om den hoop te verlaten. Deze inrichting heeft bovendien nog het voordeel, dat zij gelegenheid geeft om (zonder nadeel voor het graan, zonder het gevaar voor broeiing te vergrooten) het graan hooger opeen te stapelen, dan anders mogelijk zou zijn geweest.