Indische Palmenboorder (Rhynchophorus Schach). Mannetje. Ware grootte.
De kleur van den Korenklander wisselt af van roodbruin tot zwartbruin; de sprieten en de pooten zijn iets lichter; zonder den snuit is hij 3.75 mM. lang en, over de schouders gemeten, 1.5 mM. breed. De dunne, kromgebogen snuit is ongeveer zoo lang als het halsschild, en draagt aan zijn wortel, onmiddellijk vóór de oogen, de “gebroken” sprieten, welker zweep uit een 6-ledigen steel en een langwerpig eivormigen eindknop bestaat. Het platte, van voren slechts weinig versmalde halsschild is dicht bezet met diepe, langwerpige putjes, die slechts één glanzige, overlangsche strook in het midden vrij laten. De dekschilden, die gezamenlijk even breed zijn als het halsschild en welker zijranden evenwijdig loopen met den naad, zijn vóór den stuit gezamenlijk afgerond en zijn bedekt met diepe reeksen van putjes, die gladde tusschenruimten overlaten.
Gelijk deze Kever van rogge, tarwe en maïs leeft, voedt zich de veel op hem gelijkende Rijstklander (Calandra oryza) met rijst; men vindt hem in rijstpakhuizen, waar hij wel in leven blijft, maar zich niet meer voortplant.
De Schorskevers (Scolytidae, Bostrychidae) stemmen door de kleinheid van hun rolrond lichaam, door den dikken kop, die vooruitstekende bovenkaken draagt, maar waaraan de overige monddeelen een meer verborgen stand hebben, door de “gebroken” sprieten, die in een dikken knop eindigen, en door den langwerpigen vorm der oogen met elkander overeen. Zij verschillen van de leden der vorige familiën door de kortheid van den kop, van de tasters, sprieten en pooten. De larven vertoonen een zeer groote overeenkomst met die van de Snuitkevers, maar zijn minder ineengedrongen en hebben een meer rolronde gedaante. Ook uit de wijze waarop, zoowel larven als Kevers, tot gezelschappen vereenigd, in de boomschors of onmiddellijk daaronder, in de bast, gangen knagen, blijkt de verwantschap dezer Insecten. Het wijfje knaagt een “boorgat” in de schors; het onderste gedeelte van deze meestal eenigszins naar boven loopende gang, die tot in de bast en soms zelfs tot in het spint doordringt, is dikwijls tot een “paringskamer” verwijd. Zij legt, van hier uitgaande, in de schors, of zoowel in de schors als in het hout, of zelfs hoofdzakelijk in ’t hout een meestal evenwijdig aan de oppervlakte gerichte “moedergang” aan, die aan weerszijden op onderling gelijke afstanden kleine uithollingen vertoont, welke ieder met een ei worden bedeeld. De kleine larven, die uit deze eieren komen, boren nu op haar beurt ter rechter- en ter linkerzijde van de moedergang, wanneer deze een loodrechte of schuinsche richting heeft, bovenwaarts en onderwaarts, wanneer zij nagenoeg horizontaal loopt, de meer of minder slangswijs gekronkelde “larvegangen” of “zijgangen”, die allengs breeder worden, naarmate de larve in omvang toeneemt. Aan het einde van ieder dezer gangen komt een verwijding of “wieg” voor, waarin de larve van gedaante wisselt, eerst pop en later Kever wordt. De Kever werkt zich door de bast en de schors heen regelrecht naar buiten, waardoor dus een gaatje aan de oppervlakte ontstaat. Op deze wijze komen merkwaardige, vertakte figuren tot stand, welker grondvorm voor de verschillende soorten ongelijk is. Wanneer men bedenkt, hoe vruchtbaar deze kleine boomvernielers zijn en dat vele van hen in den loop van een jaar twee generaties voortbrengen, wordt het verklaarbaar, dat de Schorskevers in sommige jaren honderden en duizenden hectaren van de prachtigste bosschen vernielen, zooals b.v. tusschen de jaren 1870 en 1880 in het Bohemerwoud geschiedde. Verreweg de meeste Europeesche soorten tasten uitsluitend naaldboomen aan.
De Dennenscheerder (Blastophagus piniperda, Hylesinus piniperda) kan als voorbeeld dienen van het geslacht der Bastkevers, dat zich kenmerkt door een vertikalen, van boven zichtbaren kop, oogen met fijn gekorrelde oppervlakte, sprieten met eivormigen eindknop, die ringen vertoont en door zes leden met de schaft verbonden is, een voorborstring, welks rug- en flankgedeelte aaneengegroeid zijn, en een in twee lobben eindigend derde voetlid. De pekzwarte grondkleur van de genoemde soort gaat alleen op de sprieten en de pooten in roestrood over; kort na het verlaten van de pophuid is de kleur roestgeel of bruin. Bij gunstige weersgesteldheid vertoont deze Kever zich reeds in Maart; gewoonlijk echter heeft de paring eerst in April plaats. De broedplaatsen bevinden zich in sinds kort gevelde boomen, in boomstompen of onder de dikke schors aan het onderste gedeelte van nog overeindstaande stammen; op het boorgat volgt een eenigszins gebogen gang, die in de diepste lagen van de schors doordringt en verder hierlangs in verticale richting opstijgt. De zijwaarts uit de moedergang ontspruitende larvegangen zijn op korten afstand van elkander gelegen en kunnen een lengte van 8 cM. bereiken. Om zich te verpoppen knaagt de volwassen larve een weinig dieper in de schors een wieg. De pop is geelachtig wit, evenals de larve, en verandert weldra in een Kever, die zich in ’t laatst van Juli of in ’t begin van Augustus door de schors heen een weg naar buiten baant. Nu eerst verricht de Dennenscheerder zijn schadelijksten arbeid. De jonge Kever houdt n.l. niet van reeds gevelde of kwijnende boomen, maar zoekt volkomen gave, liefst jonge dennen op, boort op een afstand van 1 dM. of meer van den top van een jonge, soms reeds kegels dragende loot een gat tot in het merg, vreet dit, steeds verder naar boven doordringend, uit en spaart ook het omliggende hout niet. Hij begeeft zich zóó tot boven in de twijg, of keert onderweg om en vreet nog een eind onder het boorgat verder. Soms blijft hij in dezelfde loot; meestal echter verlaat hij deze, om een tweede twijg op gelijke wijze te behandelen. Om het boorgat vormt zich een wal door het uitvloeien van hars; het takje breekt licht op deze plaats, zoodat in het najaar na harden wind de bodem vaak met jonge takjes bedekt is. Soms blijven de eindstandige kransen van twijgjes staan en worden de uitgevreten eindknoppen vervangen door nieuwe, die een dichte, struikachtige vertakking veroorzaken. Daar de boom hierdoor het uitzicht verkrijgt, alsof men hem kunstmatig gesnoeid heeft, wordt de Kever, die deze verandering teweegbracht, in Duitschland soms “woudtuinier” genoemd. Om te overwinteren verlaat hij in den regel den top van den boom en verschuilt zich onder een schorsschilfer aan het onderste gedeelte van den stam of boort hier nogmaals een gat, dat hem tot Maart van ’t volgende jaar tot schuilplaats dient. De Dennenscheerder, die, behalve den groven den, ook den verwanten zeepijn en den Weymouthspijn aantast, wordt in Middel-Europa gevonden overal waar dennen voorkomen, in Noord-Europa tot in Zweden en Rusland.
De Kleine Dennenbastkever (Blastophagus minor) gelijkt veel op de vorige soort en komt er in levenswijze mede overeen, doch is minder algemeen verbreid, wordt meer plaatselijk gevonden. De moedergang is tweearmig, accolade-vormig (Liggende accolade); het middelste gangetje leidt naar het boorgat; iedere arm is hoogstens 5 cM. lang; de larvegangen zijn zelden langer dan 2.5 cM. Het geheele gangenstelsel is diep in ’t spint ingesneden in het met gladde schors bedekte, bovenste deel van den stam van een staanden of gevelden, gaven boom. De poppen wiegen liggen soms 6 à 7 cM. diep in ’t hout.
*
De Schorskevers i.e.z. (Bostrychus of Tomicus) hebben een bolvormigen kop, waarvan men aan de rugzijde niets of bijna niets kan zien, daar hij als een muts bedekt is door het halsschild; hiervan is de voorste helft dicht bezet met fijne knobbeltjes. De schaft van de spriet en de ronde, 4-ledige eindknop (welks eerste lid onbehaard is en de overige leden, die behaard zijn, van boven omsluit) zijn verbonden door een 5-ledigen steel. De dekschilden zijn gewoonlijk aan de spits afgeknot en naar binnen gedrukt; de zijranden van deze uitholling zijn meer of minder sterk getand.
Een van de grootste soorten van dit geslacht, de 5.5 mM. lange Letterzetter (Bostrychus typographus), richt groote verwoestingen aan in sparrenbosschen; deze worden door hem boven iedere andere soort van naaldhout verkozen. Ook in andere opzichten schijnt hij zeer kieskeurig te zijn; oud hout valt meer in den smaak dan jong, gevelde boomen heeft hij liever dan staande; ook de ligging van het oord is hem niet onverschillig. Kort na het eierenleggen sterven de wijfjes in hare gangen, of nadat zij deze met moeite verlaten hebben. De tot Kevers ontwikkelde jongen blijven nog een tijdlang op hun geboorteplaats en knagen van hier uit onregelmatige gangen. Deze soort is kenbaar aan de vier tandjes, die zich aan weerskanten van het indruksel aan het achtereinde van de dekschilden bevinden en waarvan het derde de overige in dikte overtreft. Het rood- of pekbruine pantser is ruig, geel behaard; de dekschilden vertoonen reeksen van groote stippels.
1) Dennenscheerder (Blastophagus piniperda); stuk schors van de binnenzijde gezien, waarin een moedergang en larvegangen, kever en larven in ware grootte. Links: boorgat met de hierdoor teweeggebrachte hartsuitvloeiing. Rechts: Kever en larve; vergroot.—
2) Kleine Dennenbastkever (Blastophagus minor): Moedergang en larvegangen met kevers en larven; de tweede arm van de moedergang is onvoltooid, maar verkrijgt dezelfde gedaante als de eerste; ware grootte. Uitgehold dennentakje. Kever; vergroot.
De familie, waarmede wij ons nu zullen bezighouden, omvat meer dan 7000 soorten en hieronder de fraaiste en grootste van alle Kevers met 4 leden in den voet; fraai zijn zij zoowel door hun edelen vorm, die kracht en zelfvertrouwen verraadt, als door de verdeeling van de heldere kleuren, waarmede zij prijken, maar vooral door de in alle richtingen beweegbare sprieten, waaraan zij hun naam ontleenen. Ondanks hun vreedzamen aard, die geheel in overeenstemming is met hun voedingswijze—daar zij geen roovers zijn, maar planteneters—, maken de leden dezer familie, althans die van enkele harer afdeelingen, wegens hun slanken, bevalligen en tevens krachtigen lichaamsbouw te midden van de Insecten een soortgelijken indruk als de Adelaars te midden van de Vogels. Aan een zeer weinig hiermede harmonieerende vergelijking is de naam ontleend, dien zij bij het volk dragen. Toch zal men den naam Boktorren (Capricornia of Longicornia) niet kwaad gekozen achten, wanneer men hun kop van ter zijde beziet en meer bepaaldelijk let op hunne sprieten. Evenals de meeste familiën van de vorige groep zich duidelijk van alle overige Kevers onderscheiden door den tot een “snuit” verlengden kop, zoo vallen de Boktorren dadelijk in ’t oog door hunne lange, dikwijls het overige lichaam in lengte overtreffende, borstel- of draadvormige sprieten, die uit 11 leden samengesteld zijn, waarvan het tweede zeer kort is. De bovenkaken loopen meestal uit in een scherpen tand; de tamelijk korte tasters hebben een bijl- of spoelvormig eindlid. Het achterlijf, dat vijf beweegbare buikringen heeft, is geheel verborgen onder de dekschilden; er zijn echter ook geslachten, waar het, evenals bij de Kortschildigen, grootendeels onbedekt blijft (Necydalis, Molorchus).
Over ’t algemeen mag men de Boktorren bedrijvige dieren noemen. Bij zonnig weer of op warme, stille dagen ziet men ze vlug rondvliegen, om hun voedsel te zoeken op bloemen of op boomstammen, uit welker wonden sap vloeit; daarom treft men ze veelvuldig aan op houtmijten in bosschen. Andere achten de avonduren den meest geschikten tijd voor hunne uitstapjes. Vele brengen, wanneer men ze tusschen de vingers vasthoudt, een eentonig, sjirpend gedruisch voort door den achterrand van het rugschild van het voorborststuk tegen het korte, hierin doordringende uiteinde van het middelborststuk te wrijven.
De larven van de Boktorren gelijken op die van de Prachtkevers; verreweg de meeste leven in ziekelijk hout en hebben stellig voor ’t meerendeel meer dan 1 jaar noodig voor haar ontwikkeling. Vele larven van kleinere soorten leven echter in de stengels en vooral in de wortelstokken van kruidachtige planten (wolfsmelk, hondstong, graanhalmen, enz.) en kunnen in enkele gevallen voor den landbouw nadeel opleveren.
De 2 onderfamiliën, waarin men de Boktorren verdeelt, zijn o.a. kenbaar aan de richting van den kop. Deze is bij de Scheefkopbokken (Cerambycitae) schuins naar voren gericht: het meest bij de Langkopbokken (Cerambycini), minder bij de Breedlijfbokken (Prionini) en de Smallijfbokken (Lepturini). Bij de Steilkopbokken (Lamiitae) daarentegen heeft de rugzijde van den kop een loodrechten of althans zeer steilen stand. Bovendien kenmerken zich de beide hoofdgroepen door de oogen, die bij deze min of meer niervormig, bij gene rondachtig zijn, door den vorm van het eindlid der kaaktasters, dat bij deze spits, bij gene afgeknot is en door de aanwezigheid of het gemis van een groeve op den voorscheen. Bij de Cerambyciten-larve is de kop breeder dan lang, en hebben de borstringen duidelijke pootjes; het omgekeerde komt voor bij de Lamiiten-larve.
Tot de Breedlijfbokken (Prionini) behooren de breedste, plompste en grootste leden der familie; het ruggedeelte van het halsschild is bij hen door een scherpen rand van de zijstukken gescheiden. Zij missen het vermogen om door het tegen elkander wrijven der reeds genoemde lichaamsdeelen geluid voort te brengen. De voorheupen zijn rolvormig en dwars gericht; de bovenlip is zeer klein of ontbreekt. Het aantal soorten van Breedlijfbokken is aanmerkelijk geringer dan dat der overige groepen, vooral in Europa. Twee daarvan komen, hoewel zeldzaam, ook in Nederland voor.
De Looier of Lederbok (Prionus coriarius) is een groote Kever van 35 à 40 mM. lengte, met 3 dikke doornen aan den scherpen zijrand van ’t halsschild, met dikke, bij ’t mannetje 12-, bij ’t wijfje 11-ledige sprieten, welker 9 laatste leden betrekkelijk kort en als peperhuisjes in elkander geschoven zijn; bij ’t mannetje overtreft hun lengte die van ’t halve lichaam, bij ’t wijfje is zij geringer. Het halsschild is minder breed dan de gezamenlijke breedte van de beide lederachtig gerimpelde dekschilden, welker lengte ongeveer tweemaal zoo groot is. Het skelet is pekzwart en op de borst met grijze haartjes dicht bedekt. Deze Insecten ziet men omstreeks half Juli en Augustus aan ’t duistere, onderste gedeelte van oude stammen of stoven van eiken, beuken en andere breedgebladerde boomen nagenoeg roerloos zitten. Als de schemering invalt, ontwaken zij en vliegen log en brommend rond; het mannetje zoekt dan het wijfje. De eieren worden gelegd in vermolmd hout; dit dient tot voedsel voor de larve en verschaft haar na voleindigden groei het materiaal voor den cocon, waarbinnen zij slechts korten tijd in den poptoestand verkeert.
1) Looier (Prionus coriarius) met achterwaarts gestrekten legboor. Wijfje.—2) Timmerman (Ergates faber). Mannetje. Ware grootte.
De Timmerman (Ergates faber) is langwerpiger en meestal langer dan de vorige soort. De scherpe zijrand van het halsschild is fijn getand of gekerfd en draagt achter het midden een doorn. De lengte van de borstelige sprieten overtreft bij het 40 mM. lange mannetje de geheele, bij ’t 50 mM. lange wijfje de halve lichaamslengte een weinig. Deze Kever is pikbruin of iets rooder; de larve, die een lengte van 60 à 65 mM. kan bereiken, houdt zich op in vermolmd hout van naaldboomen.
Tot de Langkopbokken (Cerambycini) behooren de edelst gevormde vertegenwoordigers der familie, die, welke met de langste sprieten en de fraaiste metaalkleuren prijken. Van het halsschild gaan het ruggedeelte en de zijstukken ongevoelig in elkander over en zijn niet, zooals bij de Prioninen, door een scherpen rand gescheiden. Het sjirporgaan is bij hen aanwezig. De voorheup is meestal bolvormig; de bovenlip goed ontwikkeld.
Vrij zelden vindt bij ons de Groote Eikenboktor [Cerambyx (Hammaticherus) heros]. Het door haar vertegenwoordigde (thans meestal Hammaticherus genoemde) geslacht, bevat groote, somber gekleurde, over de geheele wereld verbreide Kevers. Hun kop is ver naar voren gericht; de voorrand van het oog vertoont een diepe, tot voorbij het midden reikenden inham; de 11-ledige sprieten hebben het 3e, 4e en 5e lid aan den top sterk knotsvormig gezwollen, eindigen in een lang, dun, platgedrukt, schijnbaar verdeeld lid en zijn bij het mannetje aanmerkelijk langer, bij het wijfje niet korter dan het lichaam; het halsschild is overdwars gevoord of knobbelvormig gerimpeld, in het midden het breedst wegens een afgeronden of spitsen knobbel aan den zijrand; de lengte van de dekschilden is grooter dan hun gezamenlijke breedte. De genoemde soort is 40 à 45 mM. lang en glanzig zwart; de pekbruine dekschilden worden naar achteren smaller en roodachtiger; zij eindigen in een nauwelijks merkbaar spitsje aan den naad en worden verder naar voren al meer gerimpeld; de onderzijde en de pooten hebben door zijdeachtige beharing een zilverwitten weerschijn.
De meeste segmenten van de larven van deze en andere Boktorren hebben aan de rugzijde een hoornschild met korrelige oppervlakte. Hierdoor wordt de beweging in nauwe gangen gemakkelijker gemaakt. Deze larve leeft 3 à 4 jaar lang in gangen, die zij in het hout van oude eiken boort.
In Juli verlaat de Kever de pophuid. Overdag komt hij niet te voorschijn en steekt hoogstens het uiteinde van de sprieten door het vlieggat naar buiten. Na zonsondergang verlaat hij zijn schuilplaats en vliegt op betrekkelijk geringe hoogte bedrijvig rond.
De Tuinboktor [Cerambyx (Hammaticherus) cerdo] is als ’t ware een verkleind evenbeeld van de vorige soort (20 of hoogstens 30 mM. lang), ook zwart van kleur en door zijdeachtige haartjes op sommige plaatsen als zilver glinsterend, doch met stomp eindigende dekschilden. In levenswijze verschilt zij aanvankelijk van haar grootere verwante: bij zonnig weer ziet men haar bedrijvig rondvliegen, om hagedoorns, sneeuwballen, kornoeljes en andere bloeiende struiken te bezoeken en zich aan hun honig te laven. Haar larve leeft achter de schors en in het hout van eiken-, appel-, kersen- en andere boomen, maar tast ze alleen dan aan, wanneer ze reeds ziekelijk zijn.
De Rozenboktor of Muscusboktor [Cerambyx (Aromia) moschata] heeft staalblauwe sprieten en pooten, metaalachtig groene of bronskleurige bovendeelen, een glanzig halsschild en nagenoeg doffe dekschilden. Het halsschild is zeshoekig, breeder dan lang, op de schijf zwak gerimpeld en grof gestippeld, aan den scherpen zijrand van een doorntje voorzien; op ieder der zeer fijn en dicht gerimpelde dekschilden komen 2 onduidelijke ribben voor. Deze 15 à 25 mM. lange Kever leeft als larve in, en als imago op wilgen (in Juni en Juli). Men herkent hem reeds op eenigen afstand aan den reuk, dien hij verbreidt en waarop de bovenstaande namen doelen.
Verscheidene Boktorren leven als larven in oud timmerhout en worden daarom nu en dan in balken, daksparren, enz. van oude huizen aangetroffen. Waarschijnlijk geldt dit van geen soort in meerdere mate dan van de Huisboktor [Callidium (Hylotrupes) bajulum]. Deze is pikzwart of bruin van kleur en met grijze haartjes begroeid, vooral op het halsschild. Opmerkelijk is het verschil in grootte van de leden dezer soort: 6.5 à 19.5 mM. Het wijfje steekt in Juni of Juli haar langen legboor in spleten van allerlei houten voorwerpen. De groote boorgaten, die soms in deurposten, tuinpalen, raamkozijnen, tuingereedschap, enz. aangetroffen worden, moeten, althans voor een deel, aan deze Tor toegeschreven worden.
Zeer talrijk en over de geheele wereld verbreid zijn de leden van het geslacht der Pronkboktorren (Clytus). Deze langpootige, kortsprietige Kevers, die flink loopen kunnen en, als de zon schijnt, gaarne van hunne vleugels gebruik maken, zijn meestal kenbaar aan de bonte, grootendeels gele teekening, die zij vertoonen. De borstel- of draadvormige sprieten zijn steeds korter dan het lichaam; hun aanhechtingsplaats ligt tusschen den inham in het oog en het daarvoor gelegen deel van de voorhoofdslijst, die zich over den sterk afgeronden kop uitstrekt. De dekschilden zijn verschillend van vorm, soms rolrond, soms afgeplat en van achteren versmald. Veelvuldig ontmoet men in den zomer op tuil- en schermvormige bloeiwijzen de Gewone Pronkboktor (Clytus arietis), kenbaar aan het bolvormig halsschild, de naar voren allengs dikker wordende dijen en de rolronde dekschilden, die ieder afzonderlijk aan de spits afgerond zijn. Haar lengte wisselt af van 10 tot ruim 15 mM. De goudgele teekening wordt veroorzaakt door dicht bijeenstaande, aanliggende haren; zij bedekken den voor- en den achterrand van het halsschild, het schildje, vier dwarsbanden op de dekschilden, den achterrand van de buikringen en eenige vlekken op de borst. De sprieten en de pooten zijn rood, de voorpooten althans van den scheen af.—De larve houdt zich op achter de schors van omgehouwen stammen of achtergebleven stompen van verschillende breed gebladerde boomen, o.a. eiken en beuken.
*
De Smallijvige Boktorren (Lepturini) zijn gemakkelijk te herkennen aan een halsvormige insnoering, gevormd door het smaller worden van het achter de oogen gelegen deel van den kop, welks voorste deel tot een soort van snuit verlengd is en nagenoeg ronde oogen draagt; hiervoor of hiertusschen zijn de korte, meer of minder van elkander verwijderde sprieten aangehecht.
De meeste Lepturinen vliegen bij zonnig weer bedrijvig rond; zij bezoeken bloeiende struiken en kruiden, vooral scherm- en tuilvormige bloeiwijzen, niet slechts in bosschen, maar ook op weiden en randen van akkers, dikwijls op grooten afstand van houtige planten. Zij worden over vele geslachten verdeeld, die door allerlei tusschenvormen verbonden zijn. De kenmerken, waardoor zij zich onderscheiden, zijn daarom niet gemakkelijk toe te passen. Zij berusten vooral op eigenaardigheden van het halsschild en de dekschilden (die door hun vorm, door oneffenheden aan hun oppervlakte en door de verhouding tusschen hunne breedten van elkander kunnen verschillen), voorts op de meer of minder fijne verdeeling der oogen. De larven voeden zich met rottend hout.
1) Korthoornige Tangbok (Rhagium indigator) met larven en pop.—2) Dubbelgestreepte Tangbok (Rhagium bifasciatum) Ware grootte.
Op bloeiwijzen van schermbloemigen vindt men des zomers niet zelden den 16 mM. langen Sporendragenden Smalbok [Leptura (Strangalia) armata]. Deze is grootendeels zwart van kleur; de drie eerste buikringen zijn echter geel met zwarte vlekken, de sprieten, pooten en dekschilden wasgeel, behoudens zwarte ringetjes op de sprieten en den voet (benevens zwarte vlekken op de binnenzijde der achterdijen en 4 zwarte getakte banden op de dekschilden); deze zijn scheef afgesneden en hebben aan den buiten-achterhoek een doorntje, dat aanleiding gaf tot den soortnaam. De larve bewoont stammen van berken en andere boomen.
In de eerste dagen van Juni ziet men op heldere dagen de mannetjes van den Veranderlijken Schutterbok (Toxotes meridianus) druk rondvliegen langs bloeiende heesters en kruiden, steeds bereid om zich te laten vallen, zoodra men tevergeefs naar hem grijpt; de wijfjes zijn gewoonlijk trager en houden zich meer verborgen. Zij vertegenwoordigen een geslacht van langpootige en langsnuitige Kevers met van voren en van achteren ingesnoerd halsschild en langwerpige dekschilden, die naar achteren bij het wijfje sterk, bij ’t mannetje echter weinig smaller worden. De draadvormige sprieten zijn bijna altijd even lang als het lichaam. De kleur van de genoemde soort varieert binnen wijde grenzen: sommige exemplaren zijn effen zwart, andere geheel en al roodachtig geelbruin. De grootte wisselt af van 13 tot 22 mM.
De Tangbokken (Rhagium) zijn kenbaar aan hun dikken, bijna vierzijdigen kop met korte, parelsnoervormige sprieten, die de helft van de lichaamslengte bereiken. Het halsschild draagt aan weerszijden een spitsen doorn.
De Korthoornige Tangbok (Rhagium indigator) heeft licht geelachtig bruine dekschilden, dicht bedekt met een witachtig vilt, dat slechts op enkele plaatsen ontbreekt en het zwartachtige chitine-pantser blootlaat, n.l. op de drie uitpuilende, overlangsche lijsten van elk der dekschilden en op twee meer of minder regelmatige dwarsbanden van beide te zamen. De larven houden zich op achter de schors van naaldboomen.—Op dezelfde wijze leeft de zeldzame Dubbelgestreepte Tangbok (Rhagium bifasciatum).
De Steilkopbokken (Lamiitae) heeten zoo wegens den verticalen stand van den kop: de hoek, die voorhoofd en kruin met elkander vormen, is minstens recht, soms zelfs scherp.
Voorbeelden van deze onderfamilie levert het geslacht der Aardbokken (Dorcadion) dat 70 Europeesche, doch (voor zoover bekend) geen inheemsche soorten bevat. Sommige hebben de dekschilden langs den naad vergroeid. Deze zijn ongevleugeld. Het waas van fluweelachtige haren, dat hun zwart of bruin chitine-pantser ten deele bedekt, is gemakkelijk te verwijderen. De zijrand van het halsschild draagt een doorn. De larven leven bij wijze van “engerlingen” in den grond en zijn soms schadelijk door het afknagen van wortels van landbouwgewassen. De Kevers vertoonen zich meestal reeds in de lente, loopen op droge plaatsen op den bodem, of op muren rond en verbergen zich bij ongunstige weersgesteldheid onder steenen. De wijfjes verschillen soms zoozeer van de mannetjes, dat men ze voor leden van verschillende soorten zou houden.
Een van de kleinste en sierlijkste is de 10 mM. lange Kruisdragende Aardbok (Dorcadion crux), die in Klein-Azië, o.a. bij Smyrna, in Turkije en Zuid-Rusland gevonden wordt en er, naar ’t schijnt, niet zeldzaam is. Witte, zijdeachtige haren bedekken een groot deel van het fluweelachtig zwarte lichaam, en vormen hierop het kruis, waaraan de soort haar naam ontleent, doordat zij een diepe, overlangsche groeve van kop en halsschild, den achterrand van het halsschild en een smal streepje aan weerszijden van den naad bekleeden. Zwarte gedeelten van de grootendeels witte dekschilden zijn: de zijrand, een streep langs den naad en een hiermede vereenigde middelvlek.
Het verst noordwaarts leeft de 4 mM. lange Zwarte Aardbok (Dorcadion atrum), die in sommige jaren in Thuringen en in de Hartz vrij talrijk is.
Een zeldzamer bewoner van dezelfde streken is de in ’t zuiden meer algemeene Grijze Aardbok (Dorcadion fuliginator), de meest gewone soort rondom Parijs. (Lengte 16 mM.)
*
De 26 à 32 mM. lange Segryn-weverbok (Lamia textor) heeft een uit fijne, geelachtige haren samengesteld kleed, met zwartachtige knobbels als glinsterende stipjes er tusschen, waardoor het geheel een vuilbruine kleur verkrijgt. Men ontmoet dezen plomp gebouwden Kever op wilgen, in welker merg zijn larve gangen boort, die zij aan ’t einde verwijdt, wanneer de tijd om van gedaante te wisselen nadert. Hier omhult zij zich met een uit houtvezels geweven cocon. Pooten heeft zij niet, wel een rolvormige knobbel aan ’t einde van ’t achterlijf. In Nederland komt zij te zeldzaam voor om belangrijke schade te veroorzaken.
Van alle inheemsche Insecten heeft de Langhoornige Dennenboktor (Acanthocinus aedilis) de langste sprieten; deze zijn borstelvormig, bij het mannetje 5-maal, bij het wijfje 2-maal zoo lang als het lichaam. De 11 sprietleden zijn met uitzondering van den top met donkere ringen versierd. Het wijfje heeft een langen achterwaarts gestrekten legboor. De lengte der dekschilden is ongeveer het dubbele van hun gezamenlijke breedte; zij zijn grijs door het dichte, viltachtige haarkleed, dat ook het overige lichaam bedekt, korrelig gestippeld en met 2 meer of minder duidelijke, naakte (en daarom bruine) dwarsbanden geteekend. De lange sprieten zijn bij de pop eerst naar achteren en daarna weer naar voren gebogen.
Vroeg in ’t jaar vertoont deze Kever zich op omgehouwen dennenstammen en de hiervan achtergebleven stompen. Bij zonnig weer vliegt hij rond en bezoekt dan ook houtstapels en nog staande stammen. Soms ziet men het langsprietige Insect ook binnenshuis verschijnen, waar het als larve met timmerhout is binnengekomen.
*
De Groote Populierboktor (Saperda carcharias) is grijsachtig geel (het wijfje meer okergeel) door het viltachtige haarkleed, dat alleen ontbreekt op de spitsen der meeste sprietleden (die hierdoor zwart zijn) en op de korrelige verhevenheden der dekschilden. Men ziet dezen 24 à 30 mM. langen Kever van Juni tot Augustus aan den zonkant op stammen en takken van verschillende soorten van populieren en wilgen zitten. Uit de trage rust, waarin hij dan verkeert, ontwaakt hij waarschijnlijk eerst tegen den avond door den drang tot voortplanting. De eieren worden zoo diep mogelijk geborgen in spleten aan den voet van den stam, bij voorkeur van boomen van 6- à 20-jarigen leeftijd. De larven, die in ’t eerste jaar dicht onder de schors gangen knagen, dringen na den winter dieper in het hout door en banen zich regelrecht een weg naar boven. In den tweeden zomer kort voor den overgang in den poptoestand zijn zij soms 39 mM. lang. Waar zij in grooten getale voorkomen, kunnen zij veel schade doen aan jonge populieren: de stam, waarvan ’t onderste deel vele larven herbergt, zal bij een eenigzins belangrijke vermeerdering van de windkracht afbreken.
De Kleine Populierboktor (Saperda populnea) is 10 à 12 mM. lang en dankt aan de viltachtige beharing haar groenachtig of geelachtig grijze kleur, die op het halsschild door drie gele, overlangsche strepen, op ieder dekschild door een overlangsche reeks van gele vlekjes wordt afgebroken; de sprieten zijn, evenals bij de vorige soort, afwisselend zwart en grijs. In Mei of Juni ziet men haar op de bladen van den ratelpopulier; zij is veel beweeglijker dan haar grootere verwante. Op de plaats waar de larve omstreeks Juli onder de schors doordringt, ontstaat een kringvormige opzwelling. In den eersten zomer houdt zij zich onder de schors op; na de overwintering begeeft zij zich door den mergcilinder omhoog. In den regel vestigen zich verscheidene larven in één boom; in het aangetaste stammetje of takje merkt men daarom een aantal zwarte, overlangsche gangen op, die in den regel zijn dood ten gevolge hebben.
1) Segrijn-weverbok (Lamia textor).—2, 3) Langhoornige Dennenboktor (Acanthocinus aedilis): 2) Wijfje met achterwaarts gestrekten legboor, 3) Mannetje.—4) Groote Populierboktor (Saperda carcharias); bij * de gangen, die haar larve boort.—5) Kleine Populierboktor (Saperda populnea): bij ** de knobbelvormige opzwellingen, die door de gangen van de larve in takken van den ratelpopulier veroorzaakt worden. Ware grootte.
De familie van de Bladkevers (Chrysomelidae) omvat ongeveer 10000 soorten van kleine en zeer kleine, hoogstens middelmatig groote Kevers, die zoowel in den larve- als in den imago-toestand weeke plantaardige stoffen, vooral bladen, eten. Enkele van deze Kevers komen soms zoo overvloedig voor, dat de gekweekte planten groote schade door hen lijden. Zij hebben over ’t algemeen een rolrond of half bolvormig, ineengedrongen lichaam, dat met heldere, bonte, dikwijls prachtige, metaalglanzige kleuren prijkt; vele inheemsche soorten worden daarom “Goudhaantjes” genoemd. De kop is meer of minder diep onder het halsschild verborgen en niet tot een snuit verlengd. De 11-ledige, korte, ongebroken sprieten zijn draad- of borstel-, bij uitzondering knotsvormig. De larven zijn meestal duidelijk gekleurd, hebben 3 paar korte, maar goed ontwikkelde pootjes en leven gewoonlijk, evenals hare ouders, aan de oppervlakte van de planten, waaraan beide voedsel ontleenen. De meeste Bladkevers hebben een naar voren of loodrecht naar onderen afhellend voorhoofd, zoodat de monddeelen de gewone plaats innemen; bij andere is het voorhoofd sterk naar onderen en naar achteren gebogen, zoodat ook de monddeelen achterwaarts gedrongen, min of meer verborgen zijn. De laatstbedoelde inrichting is een kenmerk van de vierde der 4 groepen, waarin men de familie verdeelt, en die men naar den vorm harer vertegenwoordigers “lange”, “korte”, “ronde” en “platronde” Bladkevers zou kunnen noemen.
Knotspootige Rietkever (Donacia clavipes) met larven en cocons. Ware grootte.
De eerste onderfamilie, die der Eupoden, nadert door den langwerpigen lichaamsvorm tot de Boktorren; de kop is achter de oogen ingesnoerd; hierdoor en door de meerdere breedte der dekschilden is het smalle halsschild duidelijk begrensd; scherpe zijranden komen er niet aan voor.
De duidelijkste overeenkomst met de Smallijvige Boktorren merkt men op aan de fraaie Rietkevers (Donacia), waarvan vele soorten in Europa en Noord-Amerika gevonden worden. Men ziet ze in het laatst van Mei of in het begin van Juni, sommige soorten eerst in Juli, dikwijls in grooten getale op riet, zeggen en andere grasachtige, aan den waterkant groeiende planten of op de drijvende bladen van plompen en dergelijke gewassen, welker onder water gelegen deelen tot woonplaats gediend hebben aan hunne larven. Opmerkelijk is bij alle Rietkevers de eerste buikring door zijn groote lengte, welke die van alle overige buikringen te zamen genomen overtreft.
De Knotspootige Rietkever (Donacia clavipes, D. menyanthidis) is een van de langwerpigste leden van zijn geslacht en een van de weinige, welks wijfje (11 mM. lang) alleen door haar meerdere grootte van het mannetje verschilt. De bovenzijde is goudgroen, de onderzijde met zilverwitte haartjes dicht bedekt; de draadvormige, dicht bijeenstaande sprieten zijn zoo lang als het lichaam, de pooten roodachtig en aan ’t einde van 2 enkelvoudige (niet getande) klauwen voorzien. De dekschilden zijn met reeksen van diepe putjes bezet, zeer fijn gerimpeld en van achteren ieder afzonderlijk afgerond. Men vindt deze Kevers, behalve in Mei en het begin van Juni, ook in October op het gewone riet.
Het wijfje begeeft zich over dag onder water om de eieren ieder afzonderlijk op de dikke wortels van de voederplanten te leggen. De larve, die na 10 à 20 dagen de eischaal verlaat, voedt zich aanvankelijk met de fijnste wortelvezeltjes, later met dikkere en na de derde vervelling met de buitenste laag van de dikke stokspruiten. Ten slotte vervaardigt zij een perkamentachtige, zwartachtig paarse, eivormige cocon, die aan den wortel van de voederplant vastgehecht is en de pop gedurende haar rusttoestand van 20 à 25 dagen volkomen tegen het water beschut. De Kever komt er vóór den winter uit, houdt zich eenigen tijd vast aan de moederplant, laat zich vervolgens door het water naar de oppervlakte vervoeren en klimt hier bij de eerste de beste plant omhoog.
In de tropische gewesten van Azië en Afrika worden onze Rietkevers vervangen door grootere, 12 à 35 mM. lange soorten met een boller lichaam.
*
Bij het zoeken naar de oorzaak van de beschadiging, die men soms aan de bladen der witte leliën (Lelium candidum) onzer tuinen opmerkt, zal men glinsterend zwarte vochtige lichaampjes waarnemen, die langzaam bij den stengel opkruipen of druk bezig zijn de bladen af te knagen. Wat men van deze diertjes te zien krijgt, is de dreklaag, waarin zij zich hullen en die alleen aan de buikzijde ontbreekt. Bij nader onderzoek vertoonen zich dikke, naar voren dunner wordende, zespootige larfjes, die zich gedurende den zomer met de genoemde bladen voeden, daarna in den grond kruipen en hier in den poptoestand overgaan. In ’t volgende voorjaar komen de algemeen bekende Leliekevertjes (Crioceris merdigera) te voorschijn. Met uitzondering van het halsschild en de dekschilden, die rood zijn, hebben zij een glanzig zwarte kleur. Hun gestalte gelijkt wel eenigszins op die van de Rietkevers, maar is meer gedrongen; hunne snoervormige sprieten, die slechts de halve lichaamslengte bereiken, en de pooten zijn dikker. De driehoekige kop verkrijgt door de uitpuilende oogen zijn grootste breedte; het halsschild heeft bij de schouders rechte hoeken. Dit 6.6 mM. lange Kevertje kan een sjirpend geluid voortbrengen, dat in verhouding tot de grootte van ’t Insect zeer krachtig is; dit geschiedt door het uitsteken en terugtrekken van den laatsten achterlijfsring, die een in ’t midden afgebroken en geribde ruglijst draagt, die tegen de talrijke chitine-schubjes aan de spitsen der dekschilden wrijft.
*
De leden van de tweede onderfamilie, de Camptosomaten, kenmerken zich door hun, in vergelijking met de Eupoden, meer gedrongen gestalte, die rolvormig, op de dwarse doorsnede nagenoeg cirkelrond is, door het ontbreken van een halsachtige insnoering aan den kop, die zich onmiddellijk tegen (het zijwaarts scherp gerande) halsschild aanvoegt, en door de vergroeiing van den 4en met den 5en achterlijfsring. De dekschilden zijn niet of slechts weinig breeder dan den achterrand van het halsschild. De larven houden het buikwaarts gekromde achterlijf verborgen in een meer of minder stevig, van haar drek vervaardigd huisje, dat, den kop en de borst vrijlatend, bij de beweging medegevoerd wordt. Zij toonen dus een iets grootere kunstvaardigheid dan de Leliekevertjes, die zich eenvoudig den rug met een dreklaag bedekken.
De kop van de Zaag- of Zakkevers (Clythra) is tot aan de oogen in het halsschild opgenomen; wegens de breedte van het voorhoofd zijn de meestal gezaagde, korte, vóór de oogen aangehechte sprieten ver van elkander verwijderd. De dekschilden reiken tot aan de spits van ’t achterlijf.
De Viervlekkige Zakkever (Clythra quadripunctata) is 3.5 à 5 mM. lang, glanzig zwart, van onderen fijn grijs behaard; ieder dekschild heeft twee zwarte vlekken op glanzig geelrooden grond. Men ziet dit bij ons niet veelvuldig Kevertje des zomers op gras en kreupelhout, vooral op wilgen; het ontwikkelt zich in den tijd van één jaar uit een larve, die zich in een zwart zakje ophoudt. De larve vervaardigt dit zakje van hare uitwerpselen, spint het van boven dicht en ergens aan vast, als zij winterslaap gaat houden, en doet dit na den winter nogmaals, voordat zij in den poptoestand overgaat. Men heeft deze larve dikwijls gevonden in mierennesten o.a. in die van den Rooden Boschmier (Formica rufa).
*
Veelvuldiger dan de Zakkevers vindt men hier te lande een tiental soorten van Valkevers (Cryptocephalus), kenbaar aan de lange, draadvormige sprieten (bijna de langste, die bij eenigen Bladkever voorkomen) en aan de dekschilden, die een deel van het stuitschild onbedekt laten. Evenals de leden der vorige soort, laten zij zich met opgetrokken pooten en achterwaarts gerichte sprieten van hun rustplaats naar beneden vallen en houden zich gedurende geruimen tijd dood, als men hen niet met de noodige voorzichtigheid nadert.
De Zijdeharige Valkever (Cryptocephalus sericeus), 6 à 8 mM. lang, is in Augustus en September in duinstreken vrij algemeen, vooral op de hoofdjes van leeuwentand (Leontodon) en havikskruid (Hieracium). Hij heeft een fraaie, goudgroene, paarsblauwe of purperroode kleur met zijdeachtigen glans; de sprieten zijn zwart; het halsschild en de dekschilden vertoonen verwarde en grove, ingedrukte putjes, de dekschilden bovendien onduidelijke, grove, overlangsche strepen.
*
De meest typische vertegenwoordigers van de onderfamilie der Goudhaantjes (Cyclica) zijn maar weinig langer dan breed en kunnen overigens, wat vorm betreft, zeer goed met een plat-bolle (planconvexe) lens vergeleken worden: het platte vlak stelt de min of meer eivormige buikzijde van ’t lichaam voor; het halsschild heeft scherpe zijranden, is niet door een halsvormige insnoering van den kop gescheiden en stemt van achteren in breedte met de dekschilden overeen; zijn bovenzijde vertoont dezelfde kromming als de daarvoor en daarachter gelegen afdeelingen en ligt er meestal gaafrandig tegen aan. De larven van de meeste soorten leven vrij aan de oppervlakte van bladen; de overige maken gangen in het bladmoes.
Bij de Goudhaantjes i.e.z. (Chrysomelini) strekt het halsschild, dat meestal een weinig breeder is dan lang, zich over den kop tot aan de oogen uit; de aanhechtingsplaatsen van de draadvormige, naar de spits een weinig dikker wordende sprieten zijn een weinig onder het midden van den binnenrand der oogen gelegen en dus door een tusschenruimte gescheiden. De Kevers prijken dikwijls met fraaie, metaalglanzige kleuren; de vrij op bladen levende larven zijn gekleurd, van boven met vele duidelijk zichtbare, donkere wratten bezet, van 3 pootjes aan de borst en van een als naschuiver dienenden, benedenwaarts gerichten, gezwollen aarsrand voorzien.
Het 9 à 12 mM. lange, 5 à 6 mM. breede Populierhaantje (Lina populi) is zwart met groenen of blauwen weerschijn, zijn halsschild is aan de zijden zacht afgerond en eenigszins knobbelig gezwollen; de uiterste spits van de roode, na den dood sterk verbleekende dekschilden is zwart. Deze zwarte spits ontbreekt bij het 9 mM. lange Kleine Populieren-goudhaantje (Lina tremulae), dat overigens dezelfde kleur heeft. Beide soorten komen op wilgen- en populieren-hakhout, vooral op jonge ratelpopulieren, dikwijls naast elkander voor. Zij vertoonen zich na hun winterslaap, zoodra de bladen groen beginnen te worden. Evenals hunne kort daarna verschijnende larven (kenbaar aan de sterk behaarde, zwarte wratten aan de zijden van het lichaam), laten zij van de bladen slechts de nerven over. De pop hangt met benedenwaarts gerichten kop aan het blad.