Op plaatsen waar Vlookreeften gedijen, zal men in den regel ook Schelpkreeften of Schelpvlooien (Ostracoda) aantreffen. Het onduidelijk geleed, in een kort na-achterlijf eindigend lichaam, draagt 7 paar ledematen en is geheel omgeven door een ruime, tweekleppige, vliezige of verkalkte, min of meer eironde schelp, welke herinnert aan die der Mossels en Oesters. De kleppen zijn n.l. langs het middelste derde gedeelte van den rugrand vereenigd door een band, welks veerkracht de schelp zal openen bij het verslappen van de sluitspier, door welker samentrekking de randen der kleppen tegen elkander worden gedrukt. Dat de Ostracoden niet tot de Weekdieren behooren, blijkt duidelijk, zoodra zij zich bewegen en hunne gelede roeiriemen van voren en van achteren buiten de schelp steken. Zij zwemmen vlug door snel opeenvolgende slagen van de achterpooten en de sprieten (die dikwijls kwastvormig bezet zijn met talrijke zwemborstels). Ook voor ’t kruipen zijn deze organen geschikt. De in zee levende Cypridinen hebben 3 oogen (aan weerszijden één samengesteld en in ’t midden één enkelvoudig oog). Deze hebben zich bij de talrijke leden van het soortenrijke, uitsluitend in zoetwater voorkomende geslacht Cypris tot één centraal oog vereenigd. De 1.5 mM. lange, O.8 mM. hooge, lichtbruine Gewone Schelpvloo (Cypris fusca) kan men gedurende het grootste deel van ’t jaar in alle slooten en plassen in grooten getale vinden; zij plant zich gedurende den zomer en den herfst parthenogenetisch voort. De grootste soort van dit geslacht is nog geen 3 mM. lang.—Sommige leden van het geslacht Leperditia, dat in de Silurische periode leefde, bereikten een lengte van 20 à 22 mM. De zeer talrijke fossiele Ostracoden hadden een sterker verkalkte schaal dan de hedendaagsche; vooral de Cypridinen hebben uitgestrekte aardlagen gevormd.
Branchipus Grubii:—a) Mannetje, kenbaar aan het lobvormig (bij andere soorten draadvormig), aan den rand met franjes bezet aanhangsel van het wortellid der achterste sprieten.—b) Wijfje.—Beide in ware grootte.
c) Artemia salina: Mannetje (het wortellid van de achterste sprieten zonder aanhangsel).—Vergroot.
Ook de meeste leden van deze (uit meer dan 300 soorten bestaande) orde, hebben een schild- of schelpvormige schaal, een van de rug uitgaande huidplooi, die het lichaam in den regel tot aan de uiteinden der ledematen omhult. Behalve door dit niet bij alle geslachten voorkomend kenmerk, onderscheiden zij zich van de overige Schaaldieren door de minder duidelijke groepeering der segmenten in grootere afdeelingen, vooral door het meer of minder volslagen gemis van het borstgedeelte met de daarbij behoorende ledematen. De kaakpooten der Tienpootigen (dikwijls ook de onderkaken van het tweede paar) zijn bij hen niet vertegenwoordigd. De zeer talrijke ledematen van het achterlijf zijn plaatvormig (althans de voorste paren) om als kieuwen en vinnen dienst te doen.
Van de meeste soorten vindt men de wijfjes in grooten getale, de mannetjes daarentegen zelden. Van de Kieuwenpooten (Apus), een der meest voorkomende geslachten, zijn de mannetjes eerst sedert 1856 bekend. Die van andere geslachten bestaan slechts gedurende een kort deel van het jaar; in de overige maanden planten verscheidene opeenvolgende generatiën zich parthenogenetisch voort. De meeste leden van deze orde leven in zoetwater, althans in binnenwateren.
De onderorde van de Bladpootigen (Phyllopoda), kenbaar aan de talrijke ringen van het achterlijf, die 10 à 60 paar bladvormige zwempooten met als kieuwen dienende aanhangsels dragen, bevat de grootste, thans levende Branchiopoden. Men onderscheidt ze in Schelpdragende (Estheridae), Schilddragende (Apusidae) en Naakte (Branchiopididae), al naar een tweekleppige of een schildvormige of geen schaal haar dunne huid bedekt. De jongen missen zoowel de schaal als de rijke geleding van het lichaam en hebben bovendien een vreemdsoortig voorkomen door de als roeiorganen dienende groote sprieten, die bij de verdere ontwikkeling in meerdere of mindere mate achteruitgaan. Deze Schaaldieren zwemmen op den rug en wekken door in kolossale menigte te verschijnen op plaatsen, waar zij jaren achtereen niet werden opgemerkt, de verbazing van ieder, die onbekend is met het feit, dat hare eieren voor ontkieming geschikt blijven, zelfs wanneer zij verscheidene jaren in verdroogden toestand hebben verkeerd. Dit geldt vooral van de Naakte Bladpootigen, een kleine familie, die de geslachten Branchipus, Artemia en Polyartemia (met te zamen 18 soorten) omvat—o.a. van de inheemsche Branchipus (Chirocephalus) diaphanus, welke men na overstroomingen of na hevige regenbuien soms in zeer groote menigte in slooten, plassen en ander stilstaand water waarneemt. Voor het ontkiemen van de eieren van sommige soorten schijnt droogliggen volstrekt noodig. De meeste Naakte Bladpootigen leven in zoetwater. De kop draagt aan weerszijden, op een beweeglijk steeltje, een oog. De voorste sprieten zijn borstelvormig en dienen als zintuigen; de achterste zijn tweeledig, bij ’t wijfje klein, bij ’t mannetje tot krachtige grijporganen ontwikkeld. Op de 3 paar kaken volgen de zoowel voor ’t zwemmen als voor ’t ademen dienende pooten: 11 paar (bij Branchipus en Artemia) of 19 paar (bij Polyartemia). Het lange na-achterlijf bestaat uit pootlooze segmenten; het laatste eindigt in 2 beweegbare platen.
Merkwaardig door haar woonplaats is de 8 à 10 mM. lange Artemia salina; deze leeft in verbazend grooten getale, niet slechts in de zee, maar ook in kunstmatig aangelegde zouttuinen (b.v. in ’t zuiden van Frankrijk en bij Triëst), in natuurlijke salinen (b.v. die van Odessa en van Adana bij Tarsus) en in binnenlandsche zoute meren en plassen op grooten afstand van de kust, waarvan men mag onderstellen, dat zij vroeger met de zee vereenigd zijn geweest (b.v. in de natronmeren van Egypte). Belangrijke veranderingen van vorm ondergaat deze Branchiopodide in watersoorten van verschillend zoutgehalte.
Unger zegt in zijn beschrijving van het eiland Cyprus, dat „vooral op den heuvel, waar eertijds de uit schuim geboren godin Aphrodite vereerd werd, ieder jaar ten tijde van de winterstormen dichte, witte schuimmassa’s voorkomen, die de helft van de hoogte van een man bereiken”. Hij brengt dit verschijnsel in verband met de ontzaglijke hoeveelheid slijmerige overblijfselen van Artemiën en Cypridinen, die de strandmeren bedekken en een hoofdbestanddeel van dit schuim uitmaken.—Reeds vroeger werd melding gemaakt van het veelvuldig voorkomen van Artemia Oudenyi in de zoutmeren van Fezzan.
Kieuwenpoot (Apus productus). Vergroot.
De familie der Schilddragende Bladpootigen (Apusidae) bestaat uit het geslacht der Kieuwenpooten (Apus). Twee soorten van deze zoetwaterdieren komen in Middel-Europa voor, Apus cancriformis en Apus productus, de laatstgenoemde ook hier te lande. Zij zijn kenbaar aan den vorm van de staartklep, die bij de eerste soort zeer kort en ingekorven is. Achter de schildvormige schaal, die het lichaam dezer dieren aan de rugzijde bedekt, steekt alleen het lange na-achterlijf uit, welks laatste segment twee lange staartdraden draagt. Op het voorste deel van het rugschild ziet men de beide, bijna ineenvloeiende oogen. Er zijn 30 à 40 paar ledematen; het elfde vormt bij het wijfje 2 broedzakken voor het bewaren der eieren. Aan de rugzijde zijn alleen de 3 zweepvormige aanhangsels van het eerste paar pooten zichtbaar. De voorste sprieten zijn klein, 2-ledig, draadvormig, de achterste alleen in den larvetoestand aanwezig. De Kieuwenpooten leven in kleine plassen en ander stilstaand water; zij sterven, wanneer hun woonplaats uitdroogt. De eieren, die in het vastgeworden slijk achterblijven, behouden zeer lang de geschiktheid tot ontwikkeling.
De Watervlooien (Cladocera) staan als tweede onderorde naast de Bladpootigen. Des morgens vroeg, maar ook op warme, stille avonden en bovendien bij bewolkte lucht zwemmen deze diertjes, waarvan de grootste zelden langer zijn dan 6 mM., dicht bij den waterspiegel; zij begeven zich echter naar de diepte, zoodra de zon met eenige kracht op het water begint te schijnen. Sommige soorten houden zich trouwens altijd liever dicht bij den slijkerigen bodem dan in hoogere waterlagen op. Dat zij reeds voor lang de aandacht der natuuronderzoekers trokken, is niet te verwonderen, daar zij gewoonlijk in groote menigte stilstaand en langzaam stroomend water bevolken. De Cladoceren en Copepoden maken, volgens Leijdig, nagenoeg het eenige voedsel uit van de meest geschatte Visschen der Beiersche bergmeren en van de Bodensee, van de Roode Forellen (Salmo salvellinus) en Blauwe Houtingen (Coregonus Wartmanni), welker vangst een middel van bestaan is voor een groot aantal bewoners van de meerdistricten.
De belangrijkste familie is die der Echte Watervlooien (Daphinidae), waarvan de meest bekende—de Getakte Watervloo (Daphnia pulex)—in slooten, vijvers en andere ondiepe wateren bij ons zeer algemeen voorkomt, soms in zoo ontzettende menigte, dat vooral in ’t najaar, als nevens de geelachtige of groenachtige wijfjes ook roode mannetjes aanwezig zijn, het water in bloed veranderd schijnt, tot groote ontsteltenis van bijgeloovige lieden.
Watervloo van het geslacht Acanthocercus, dat zeer nauw verwant is met Daphnia. Sterk vergroot.
Swammerdam (1637–1680) heeft het eerst deze soort nauwkeurig onderzocht en haar in zijn „Bijbel der Natuur” beschreven en afgebeeld. Bij alle Echte Watervlooien steekt boven de tweekleppige schaal, die den romp omgeeft, een bollen, gesnavelden, door een afzonderlijken helm bedekten kop (A) uit. De binnenste sprieten, die fijne, zenuwrijke tastdraden dragen, zijn onder het uiteinde van den snavel gelegen. Onmiddellijk boven hun oorsprong bevindt zich het groote oog (O), dat door een aantal spieren gedraaid kan worden. De buitenste sprieten (T) zijn tot groote, getakte roeiorganen vervormd, door welker slagen het dier zich springend, als een Vloo, voortbeweegt. Zeer verborgen onder den kophelm en de voorste bocht van de schaalhelften liggen de monddeelen. De tweekleppige schaal (S) is een huidplooi van de lichaamsafdeeling, die de borst der Insecten vervangt. Er bestaat een zekere overeenkomst tusschen deze kleppen en de vleugels der Insecten, waarmede men ook, waarschijnlijk met evenveel recht, de zijstukken van het pantser der Tienpootigen vergeleken heeft. Slechts bij enkele doorzichtige Insecten-larven kan men aan het levende dier zoo nauwkeurig als bij de Watervlooien de werking van het hart (H) waarnemen. Het heeft meestal den vorm van een rondachtige blaas. Als ademhalingsorganen dienen de bladvormige aanhangsels van de 5 (zelden 6) paren pooten. Het na-achterlijf van deze Schaaldieren ligt vrij onder de schaal, eindigt in klauwen of in twee staartborstels (C) en is een krachtig roeiorgaan.—De mannetjes onderscheiden zich van de wijfjes door geringere grootte, bij de meeste soorten bovendien door den vorm der binnenste sprieten, bij sommige ook door een zeer fraaie, blauwe of roode kleur. Gewoonlijk verschijnen zij eerst in den herfst. In de lente en in den zomer treft men geen andere dan vrouwelijke individuën aan, die zich parthenogetisch voortplanten. Hare zoogenaamde „zomereieren” hebben een lichtgekleurde, dunne schaal en ontwikkelen zich zeer snel; verscheidene dergelijke generatiën volgen elkander op. De bevruchte eieren overwinteren en worden daarom „wintereieren” genoemd; zij zijn grooter, donkerder van kleur, harder van schaal en bovendien bij de meeste soorten besloten in een omhulsel, dat „zadel” (ephippium) heet. Dit ontstaat door het geheel of gedeeltelijk losgeraken van de schaal der moeder; zelden bevat het slechts 1 ei, gewoonlijk 2, in enkele gevallen verscheidene eieren, die op deze wijze tegen uitdroging en vorst beschut zijn.
De 4 familiën van Watervlooien (met 25 geslachten en ongeveer 200 soorten) onderscheiden zich van elkander door het aantal paren pooten en den vorm der roeisprieten. Bij één familie (Polyphemidae) dient de schaal eenvoudig tot berging der eieren en niet tot omhulling van den romp en de pooten.