Hans, Flip en Rob sliepen op één kamer. Tegen drie van de vier muren stond een ledikant, de vierde wand had glazen deuren, die naar het balcon leidden.
Het was een verrukkelijke zomernacht geen windje suisde door het bosch, geen blaadje bewoog.
Flip sliep onrustig. Hij had de dekens van zich afgeworpen en draaide zich van de eene zijde op de andere.
Opeens schrok hij wakker en kwam overeind. Hij wreef zijn oogen eens uit en keek de kamer rond. De broers sliepen als marmotten, ’t was doodstil.
„Ben ik nou wakker of slaap ik?” mompelde Flip in zichzelven, „ik ben een olienoot als ik het weet. Hè … is me dat schrikken! Maar ik zou wel eens willen weten, waarvan ik eigenlijk geschrokken ben! Ik heb bepaald gedroomd, dat ik uit een vliegmachine viel en op de punt van de Gedenknaald terecht kwam. Enfin, ik geloof wel, dat ik nou wakker ben.”
Flip had altijd de gewoonte met zichzelven heele gesprekken te voeren. Hij deed dan precies of hij tegen een ander sprak en gaf zichzelf dan ook steeds antwoord.
„Komaan,” zei hij, „ik geloof, dat ik een beetje hoofdpijn heb. Het is dan ook verbazend warm in bed. Het zal een prachtige nacht zijn, weet je wat, ik ga een luchtje happen op het balcon, dan zal de hoofdpijn ook wel zakken.”
Daarop trok hij wat kleeren aan, stak zijn voeten in pantoffels en opende zoo zacht mogelijk de balcondeuren.
Inktzwart lag het bosch voor hem, wat lichter boven de boomen was de hemel met de flonkersterren als diamanten op fluweel. Doodsche stilte hing over heel de omgeving. Flip hoorde hier het tikken van de Friesche hangklok, beneden in de gang. Hij leunde een poosje over de balustrade van het balcon en genoot van den heerlijken zomernacht. Toen wandelde hij eens om het huis heen, wat gemakkelijk ging, daar het balcon de woning geheel omringde. Overal sliepen de kostleerlingen, overal was ’t geheel donker, alleen op de kamer van juffrouw Wieler sputterde een nachtlichtje. Van de jongenskamers stond één deur op een kier.
„Die hebben ’t ook bepaald warm,” mompelde Flip en wandelde onhoorbaar verder. Toen kwam hij weer bij zijn eigen kamer en bleef daar nog even naar de sterren kijken. Wat was dat toch een prachtig gezicht. Jammer dat de maan er vannacht niet was. Dan zou …
Er kraakten takken in het bosch, dichtbij het huis.
Wat nu?
Flip luisterde scherp.
Het kwam van de andere zijde van ’t huis.
Weer gekraak … toen voetstappen van iemand die voorzichtig over het grint van den tuin liep, om geen onnoodig leven te maken.
Maar in den stillen nacht toch duidelijk te hooren.
Flip was niet bang uitgevallen, om den drommel niet, en hij stond zijn man als ’t op een eerlijke vechtpartij aankwam. Maar in dit nachtelijk uur maakte het zonderlinge geluid hem toch wel wat zenuwachtig. Niettemin besloot hij voorzichtig te gaan zien, wie daar in den tuin wandelde.
Een andere gedachte stelde hem weer gerust. Wel, evengoed als hij kon toch ook iemand anders uit het huis de buitenlucht opgezocht hebben, omdat het binnen te benauwd was? Och wel ja, zoo zou ’t wel zijn.
Om den hoek van ’t balcon bleef hij staan en keek over de balustrade in den tuin.
Wat hij dáár zag, verschrikte hem opnieuw.
Het balcon werd door houten palen ondersteund. En nu klom er iemand tegen een der palen omhoog.
Flip kon maar ternauwernood in ’t duister de donkere gedaante onderscheiden.
Een hand greep de leuning, er verscheen een hoofd… en langzamerhand heesch de donkere gedaante zich over de balustrade.
Maar een vreemde jongen was het niet, hoewel Flip door de duisternis en den afstand onmogelijk kon onderscheiden, wiè het was. De jongen opende voorzichtig de balcondeur, die op een kier stond, en verdween in zijn slaapkamer, waarna hij de deur geheel sloot.
Daarna werd het weer doodstil.
Zonderlinge gevoelens en gedachten bekropen Flip.
Wat had dat te beteekenen? Waarom kwam die jongen zoo midden in den nacht op zulk een steelsche wijze het huis in?
En wie was het?
Flip wist maar niet, wat hij ervan denken moest. Tallooze vragen drongen zich herhaaldelijk aan hem op. Maar het eenigste, wat hij wist, was dat een der jongens van kamer No. 9, dit had hij goed gezien, in den nacht het huis binnenklom en er dus ook wel op dezelfde manier uitgegaan zou zijn. Nu was de vraag: deed hij dat elken nacht of was het slechts voor dezen éénen keer? Of gebeurde dat alleen des Zaterdags? Flip besloot om er voorloopig maar niets van te zeggen en liever eerst eens uit te kijken, of de jongen dat ook meer deed. Hij wachtte nog eenige minuten of misschien nog iets gebeuren zou, maar toen alles stil bleef en hij weer behoefte aan slaap begon te voelen, ging hij zijn slaapkamer binnen en strekte zich in zijn bed uit.
Nog even dacht hij over het gebeurde na, maar zijn jonge lichaam had nog te veel slaap noodig en het duurde niet lang, of hij snurkte weer even hard als zijn broers en droomde van Indianen en bleekgezichten en hofrijtuigen dat het een aard had.