Plotseling bleef Narcisse staan.
“Kijk, ik wist het wel … Daar is de Heilige Vader … Maar wij hebben geen geluk. Hij zal ons zelfs niet zien. Hij stapt weer in zijn rijtuig.”
Inderdaad was de koets tot den rand van het kreupelhout gereden en de kleine stoet, die uit een smalle allée kwam, liep erheen.
Pierre had een schok in zijn hart gekregen. Onbeweeglijk stond hij met Narcisse half verborgen achter den hoogen pot van een citroenboom en kon slechts uit de verte den witten grijsaard, zoo tenger in de fladderende plooien van zijn witte soutane, zeer langzaam loopend met kleine pasjes, die over het zand schenen te glijden, zien. Nauwlijks kon hij het magere, als uit oud, doorzichtig ivoor gesneden gezicht, waarin vooral de groote neus boven de dunne lippen opviel, onderscheiden. Maar de zeer donkere oogen glansden nieuwsgierig glimlachend, terwijl hij zijn oor naar rechts gewend hield, naar monsignor Gamba del Zoppo, die, dik en kort, met een bloem in het knoopsgat en waardig, ongetwijfeld bezig was een verhaal te vertellen. Aan de andere zijde liep een der edelgarden, terwijl twee andere prelaten volgden.
Het was slechts een alledaagsch tooneeltje; reeds stapte Leo XIII in de gesloten koets. En te midden van dien grooten, brandend heeten, met geuren bezwangerden tuin vond Pierre weer dezelfde vreemde ontroering terug, die zich in de Galleria dei Candelabri van hem meester gemaakt had, toen hij zich voor den geest had geroepen, hoe de paus tusschen de hun triomphantelijke naaktheid ten toon spreidende Venussen en Apollo’s gedragen werd. Daar vierde slechts de heidensche kunst de eeuwigheid van het leven, de prachtige en almachtige krachten der natuur. Hier echter zag hij hem baden in de natuur zelf, in de mooiste, wellustigste, hartstochtelijkste natuur.
O, deze paus, deze witte grijsaard, die zijn God, den God van smarten, ootmoed en verzaking, door de lanen van dezen liefdetuinen leidde, wanneer na heete dagen mat de avond valt en de geuren van pijnboomen en eucalyptussen, van rijpe oranjeappelen en taxisboomen hem liefkoozen! Geheel en al omgaf Pan hem hier met de machtige uitstroomingen van zijn manlijke kracht. Hoe heerlijk zou het zijn daar te leven te midden van de pracht van den hemel en van de aarde, de schoonheid van de vrouw er lief te hebben en zich te verblijden in de algemeene vruchtbaarheid. Plotseling werd hij zich van de waarheid bewust, dat uit het land van licht en vreugde slechts een wereldlijke, op verovering en politieke macht beluste godsdienst kon ontsproten zijn en niet de mystieke en lijdende godsdienst van het Noorden, de religie der ziel.
Maar Narcisse liep met den jongen priester verder, terwijl hij hem nog meer bijzonderheden vertelde: over de gulle eenvoudigheid van Leo XIII, die dikwijls bleef staan om met de tuinlieden te praten en te vragen naar den stand der boomen, naar den verkoop der oranjeappelen; over de liefde, welke hij gehad had voor twee gazellen, die hij uit Afrika ten geschenke gekregen had, mooie, teere dieren, die hij graag streelde en bij wier dood hij geweend had. Maar Pierre luisterde niet meer; en toen zij zich weer op het plein voor de St. Pieter bevonden, keerde hij zich om en keek nogmaals naar het Vaticaan.
Zijn blikken vielen op de bronzen deur en hij herinnerde zich, hoe hij zich ’s ochtends afgevraagd had, wat er achter die metalen, met groote spijkers beslagen spijlen verborgen was. Hij durfde zich nog geen antwoord geven op die vraag; hij durfde nog niet te beslissen, of de nieuwe, naar broederschap en gerechtigheid smachtende volkeren er den door de toekomstige democratieën verwachten godsdienst zouden vinden, want hij nam nog slechts een eersten indruk met zich mede. Maar hoe sterk was die indruk en welk een beginnende ramp voor zijn droom! Een bronzen deur—ja, het was een harde, onbedwingbare deur, die het Vaticaan met haar oude paneelen dichtmetselde, het zoo streng van de overige wereld scheidde, dat er sinds drie eeuwen niets binnengekomen was. Zoo even had hij daarachter de oude eeuwen, tot aan de zestiende toe, zien herleven. De tijd was er als het ware stil blijven staan. Niets was er meer, dat leefde; de uniformen zelfs der Zwitsersche garde, van de edelgarden, van de prelaten waren niet veranderd; men vond er de wereld van driehonderd jaar geleden terug met haar zelfde etiquette, haar zelfde kleeding, haar zelfde denkbeelden. Want ook al sloten de pausen zich, als een hautain protest, de laatste vijf-en-twintig jaar vrijwillig op, dat nam niet weg, dat die inmetseling in het verleden, in de traditie van veel langer geleden dateerde en een op andere wijze ernstig gevaar vormde.
Het geheele Katholicisme was er evenals zij opgesloten, hardnekkig vasthoudend aan zijn dogma’s, in zijn starre onbeweeglijkheid nog slechts levend door zijn wijde hiërarchische organisatie. Kon dan het Katholicisme ondanks zijn schijnbare soepelheid in niets toegeven zonder gevaar te loopen geheel medegesleept te worden? En dan—wat voor een vreeselijke wereld vol trots, vol eerzucht, vol haat en strijd! En welk een vreemde gevangenis, welke vreemde toenaderingen daar achter die sloten en grendels: de Christus in gezelschap van Juppiter Capitolinus, de geheele Christelijke Oudheid verbroederd met de Apostelen, de herder van het Evangelie, die in naam der armen en eenvoudigen regeert, omgeven door de geheele pracht der Renaissance! Op het plein voor de St. Pieter ging de zon onder, de zachte wellust van den Romeinschen avond zonk neer van den helderen hemel; en de jonge priester bleef wanhopig na dien mooien dag, doorgebracht met Michelangelo, Raffaël, de Oudheid en den Paus in het grootste paleis der wereld.
“En nu moet ik mij verder excuseeren, mijn waarde abbé!” zeide Narcisse. “Ik wil u niet verhelen, dat ik bang ben, dat mijn dappere neef zich niet in uw zaak wil compromitteeren … Ik zal nog wel eens naar hem toe gaan, maar u zult verstandig doen niet te veel meer op hem te rekenen.”
Het was bijna zes uur toen Pierre in den palazzo Boccanera terugkwam. Gewoonlijk ging hij bescheiden door het steegje en liep hij de kleine trap op, waarvan hij een sleutel had. Maar hij had dien ochtend een brief van vicomte Philibert de la Choue ontvangen, waarvan hij den inhoud aan Benedetta wilde mededeelen. Dus ging hij de groote trap op. Tot zijn verwondering vond hij echter niemand in de antichambre. Op gewone dagen ging Victorine, wanneer Giacomo uit moest, daar aan een handwerkje zitten naaien. Haar stoel stond er wel, hij zag zelfs op een tafeltje het linnen, dat zij aan het verstellen was, liggen, zij was dus ongetwijfeld weggegaan. Hij nam de vrijheid den eersten salon binnen te gaan. Het was er bijna reeds donker, de schemering stierf er zacht weg. De priester bleef staan, durfde niet verder gaan, toen hij uit den salon ernaast, den grooten gelen salon, een stemmengeruisch, geritsel, bonsen hoorde. Eerst klonk een dringend smeeken, dan woedend gebrom. Plotseling aarzelde hij niet meer; hij werd ondanks zichzelf als medegesleept door de zekerheid, dat iemand zich in dat vertrek verdedigde en op het punt stond het onderspit te delven.
Toen hij het vertrek binnenvloog, zag hij daar tot zijn groote verbijstering Dario als dol, in een uitbarsting van wilden hartstocht, waarin het ongebreidelde bloed der Boccanera’s, ondanks de elegante uitputting van het ras, weer boven kwam: hij hield Benedetta bij haar schouders, had haar achterover op een canapé geworpen, wilde haar met geweld bezitten, terwijl hij haar gezicht met zijn heete woorden verzengde.
“Om Gods wil, lieveling … Om Gods wil, als je niet wilt, dat ik en jij sterven … Je zegt het toch zelf … het is uit … dat huwlijk zal nooit vernietigd worden … Laten we toch niet langer ongelukkig zijn, heb mij lief zooals ik jou liefheb … en laat mij je liefhebben, laat mij je liefhebben!”
Maar weenend, met een gelaat vol onuitsprekelijke liefde en onuitsprekelijke smart stootte de contessina hem met haar uitgestrekte armen van zich af.
“Neen, neen, ik heb je lief, ik wil niet, ik wil niet!”
Op dat oogenblik had Dario, terwijl hij een wanhopig gebrom uitstiet, het gevoel, dat iemand binnenkwam. Hij richtte zich heftig op en keek Pierre met een waanzinnig-starenden blik aan, zonder hem goed te herkennen. Dan streek hij met zijn handen over zijn gezicht, over zijn door tranen overstroomde wangen, over zijn met bloed doorloopen oogen en vluchtte, terwijl hij een vreeselijk: “Ach” uitbrulde, waarin zijn bedwongen begeerte nog in tranen en berouw streed.
Benedetta was hijgend op den canapé blijven zitten; haar moed en haar kracht waren gebroken. Maar toen Pierre, verlegen met zijn rol en geen woorden kunnende vinden, zich ook wilde verwijderen, vroeg zij hem met een stem, die al kalmer begon te worden:
“Neen, neen, mijnheer de abbé, ga niet weg … Neem plaats wat ik u smeeken mag, ik wou graag even met u praten.”
Hij meende zich echter voor zijn plotseling binnenkomen te moeten verontschuldigen, zeide haar, dat de deur van den eersten salon half open stond en hij in de antichambre alleen maar het verstelgoed van Victorine gezien had.
“Dat is waar!” riep de contessina uit; “Victorine moest er zijn, ik heb haar zooeven nog gezien. Toen mijn arme Dario zijn zelfbeheersching verloor, heb ik haar geroepen. Waarom is zij niet gekomen?”
Dan voegde zij in een opwelling van vertrouwelijkheid, terwijl haar gezicht nog brandde van den strijd, eraan toe:
“Luister eens, mijnheer de abbé, ik zal u alles vertellen, want ik wil niet, dat u een te laag idee van mijn armen Dario krijgt. Dat zou me veel leed doen … Kijk u eens, wat er zooeven hier gebeurd is, is ook eenigszins mijn eigen schuld. Gisteravond heeft hij mij om een onderhoud in deze kamer gevraagd, om eens rustig en kalm te kunnen praten; en daar ik wist, dat mijn tante op dit uur niet thuis zou zijn, heb ik hem gezegd te komen … Het is heel natuurlijk, niet waar, dat wij na het groote verdriet, dat het bericht, dat mijn huwlijk ongetwijfeld nooit vernietigd zal worden, ons veroorzaakt heeft, elkaar even spreken wilden? Wij lijden te veel, er moet een besluit genomen worden … En toen hij kwam, begonnen wij te huilen, hebben wij lang in elkaars armen gelegen, elkaar geliefkoosd en onze tranen vermengd. Ik heb hem wel duizendmaal gekust en hem gezegd, dat ik hem aanbad, dat ik er wanhopig onder was hem zoo ongelukkig te maken, dat ik zeker aan mijn verdriet hem zoo ongelukkig te zien, sterven zou. Misschien heeft hij daarin een aanmoediging gezien, en bovendien hij is toch ook geen engel, ik had hem niet zoo lang aan mijn hart moeten drukken … U begrijpt, mijnheer de abbé, ten slotte is hij als dol geworden en heeft hij datgene gewild wat ik aan de Heilige Maagd gezworen heb alleen aan mijn echtgenoot te geven.”
Zij zeide het kalm, eenvoudig, zonder eenige verlegenheid. Een flauw glimlachje speelde om haar lippen, toen zij voortging:
“O, ik ken mijn armen Dario heel goed. Maar dat belet niet, dat ik hem liefheb, integendeel. Hij ziet er teer, ja zelfs een beetje ziekelijk uit, maar in den grond der zaak is hij hartstochtelijk, moet hij zijn zinnen bevredigen. Ja, het oude bloed bruist nog in hem, en ik weet wat dat zeggen wil, want als klein meisje had ik soms aanvallen van woede, waarin ik op den grond lag te stampen; en ook nu nog moet ik, wanneer ik dergelijke aanvallen krijg, tegen me zelf strijden, me pijnigen, om niet de grootst mogelijke dwaasheden uit te halen … Mijn arme Dario! Hij kàn zoo moeilijk leed verdragen! Hij is precies een klein kind, dat zijn luimen dadelijk ingewilligd zien wil; maar in den grond der zaak is hij toch ook heel verstandig, wacht hij op mij, omdat hij begrijpt, dat het ware geluk voor hem bij mij is, die hem aanbid.”
Nu kreeg Pierre een helder inzicht in het karakter van den jongen prins, dat hij tot nog toe niet volkomen begrepen had. Hoewel hij doodelijk veel van zijn nicht hield, had hij toch steeds door elders zijn vermaken gezocht. Een volmaakte egoïst, maar toch een vriendelijke, aardige jongen. Vooral was hij niet in staat leed te verdragen, had hij een afschuw van lijden, leelijkheid en armoede, zoowel bij hem als bij anderen. Met hart en ziel was hij voor vreugde, schittering, uiterlijken schijn en leven in de open, vrije lucht. En bovendien was hij uitgeput, bezat hij nog slechts kracht voor dit leven van niets doen, kan hij zelfs niet meer denken of willen, zoodat het nooit zelfs in hem opgekomen was zich aan te sluiten bij het nieuwe regime. Daarbij kwam nog de matelooze Romeinsche trots, een met scherpzinnigheid en een steeds levendig, praktisch begrip der werkelijkheid verbonden luiheid, en bij de zachte lieftalligheid van zijn eindigend geslacht, bij zijn voortdurende behoefte aan een vrouw, aanvallen van woedende begeerte, een dierlijke, menigmaal losbarstende zinnelijkheid.
“Mijn arme Dario! Laat hij naar een andere vrouw gaan, ik neem het hem niet kwalijk,” voegde Benedetta er met haar mooi glimlachje zacht aan toe. “Je moet niet het onmogelijke aan een man vragen, niet waar?”
Toen Pierre, wiens denkbeelden omtrent Italiaansche jaloezie geheel geschokt werden, haar verbaasd aankeek, riep zij, brandend van hartstochtelijke aanbidding:
“Neen, neen, daar ben ik niet jaloersch op. Hij vindt er genot in en mij hindert het niet. Ik weet heel goed, dat hij steeds tot mij zal terugkeeren, dat hij alleen nog maar aan mij zal toebehooren, wanneer ik dat willen, wanneer ik dat kunnen zal.”
Er volgde een stilte. De salon begon zich in duisternis te hullen, het goud aan de groote wandtafeltjes doofde uit, een eindelooze droefgeestigheid viel van de hooge, donkere zoldering en het oude gele behang met zijn herfsttinten. Spoedig daarna trad door een toevallige belichting een schilderij boven den canapé, waarop de contessina zat, uit de duisternis te voorschijn: het portret van het jonge, mooie meisje, van Cassia Boccanera, die in haar liefde gerechtigheid geoefend had. Weer trof hem de gelijkenis en hij dacht hardop:
“De verzoeking is sterker dan de menschen, er komt altijd een oogenblik, waarop men bezwijkt. Als ik daareven niet binnengekomen was …”
Heftig viel zij hem in de rede:
“Ik, ik!… O, u kent mij niet. Ik zou liever gestorven zijn.”
En in een vreemde, vrome exaltatie, geheel opgeheven door haar liefde en als had het bijgeloof den hartstocht tot extase opgevoerd, voegde zij eraan toe:
“Ik heb de Madonna gezworen mijn maagdelijkheid te geven aan den man, dien ik liefheb, doch eerst op den dag, dat hij mijn man zal zijn; en dien eed heb ik gehouden ten koste van mijn geluk, en ik zal hem houden ten koste van mijn leven, als het moet … Ja, Dario en ik zullen desnoods sterven, maar de Heilige Maagd heeft mijn woord en de engelen in den hemel zullen niet weenen.”
Zij gaf zich geheel in al haar oprechtheid, met een eenvoud, die eerst ingewikkeld, onverklaarbaar schijnen kon. Ongetwijfeld werd zij beheerscht door die zonderlinge voorstelling van menschelijken adel, welke het Christendom gelegd heeft in verzaking en reinheid, die een protest is tegen de eeuwige materie, de krachten der natuur, de oneindige vruchtbaarheid van het leven. Maar in haar was het nog iets meer: voor haar had de maagdelijkheid een onschatbare waarde, was zij een kostbaar goddelijk geschenk, dat zij aan den door haar hart uitverkoren geliefde geven wilde, die, zoodra God hen verbonden zou hebben, ook de meester van haar lichaam was. Voor haar bestond er buiten het door den priester gewijde huwlijk slechts doodzonde en gruwel. Dat alles verklaarde haar langen tegenstand aan Prada, dien zij niet liefhad; haar wanhopigen, pijnlijken tegenstand aan Dario, dien zij aanbad, maar aan wien zij zich slechts geven wilde in een wettig huwlijk. Welk een marteling moest het voor die in liefde ontvlamde ziel zijn weerstand te bieden aan die liefde! Welk een niet eindigende strijd van haar plichtsgevoel en haar eed aan de Heilige Maagd met den hartstocht, dien hartstocht van haar geslacht, welke soms, zooals zij zelf bekende, in haar woedde als een storm!
Pierre keek haar in de wegstervende schemering aan en het was hem, alsof hij haar nu voor het eerst zag, voor het eerst begreep. Haar dualiteit verried zich in haar eenigszins krachtige en zinnelijke lippen, in haar groote, zwarte, ondoorgrondelijke oogen, in haar zoo kalm, zoo verstandig, zoo kinderlijk-teer gezicht. Achter deze vurige oogen, onder die lelie-reine huid raadde men de innerlijke spankracht van de bijgeloovige, trotsche en eigenzinnige vrouw, die zich hardnekkig bewaarde voor haar liefde, die slechts werkte, om daarvan te genieten en er in haar beredeneerde bedachtzaamheid steeds op voorbereid was, dat een hartstochtelijke dwaasheid haar mede zou kunnen sleepen. O, hoe kon hij zich nu begrijpen, dat men haar liefhad! Hoe voelde hij, dat een zoo aanbiddelijk wezen met haar heerlijke oprechtheid, haar onstuimige terughouding, om zich beter te kunnen geven, het leven van een man vervullen kon! Zij kwam hem voor als de jongere zuster van die liefelijke en tragische Cassia, die met haar voortaan nuttelooze maagdelijkheid niet langer leven wilde en zich in den Tiber geworpen had, terwijl zij haar broeder Ercolo en het lijk van Flavio, haar geliefde, met zich trok!
In een liefdevolle opwelling greep Benedetta de beide handen van Pierre.
“Mijnheer de abbé, u bent nu een veertien dagen hier, en ik heb al een groote genegenheid voor u opgevat, omdat ik voel, dat u een vriend bent. Indien u ons niet dadelijk begrijpt, moet u toch niet te slecht over ons oordeelen. Ik zweer u, dat ik, hoe onwetend ik ook ben, altijd tracht zoo goed mogelijk te handelen.”
Hij werd diep geroerd door haar beminlijkheid en hij dankte haar daarvoor, terwijl hij een oogenblik haar mooie handen in de zijne nam, want ook hij had een groote genegenheid voor haar opgevat. Weer sleepte een droom hem mede: haar opvoeder zijn, als hij den tijd daarvoor had, in ieder geval niet weer te vertrekken, zonder deze ziel gewonnen te hebben voor de denkbeelden van naastenliefde en broederschap, die de zijne waren. Was dit bewonderenswaardige, indolente, onwetende, niets omhanden hebbende schepseltje, dat slechts haar liefde wist te verdedigen, niet het Italië van gisteren? Het zoo mooie, sluimerende Italië van gisteren met haar uitstervende lieftalligheid, zoo betooverend in haar sluimering, in wier diepe, donkere, hartstochtelijk brandende oogen nog zoo veel ongekends verborgen lag? Welk een heerlijke taak haar te wekken, haar te onderrichten, haar te veroveren voor de waarheid, het volk der lijdenden en der armen, het verjongde Italië van morgen, zooals hij zich dat droomde!
In dat rampzalige huwlijk met graaf Prada, in dien breuk met hem, wilde hij zelfs een eerste mislukte poging zien: het moderne Noord-Italië ging te vlug te werk, was te ruw in zijn poging om het zachte, achtergebleven, nog groote en trage Rome lief te hebben en te hervormen! Maar kon hij de taak niet opnieuw opvatten, had hij niet gemerkt, dat zijn boek na de verbazing, die de eerste lezing in haar gewekt had, in de leegte van haar slechts door haar verdriet gevulde dagen, haar gedachten bezig gehouden had, haar belang inboezemde. Wat, zich voor anderen, zich voor de minderen dezer wereld, voor het geluk der ongelukkigen te interesseeren? Was het mogelijk, dat daarin een verzachting van eigen leed lag? Zij was reeds ontroerd; en hij nam zich voor haar tranen te doen vloeien, terwijl hij zelf naast haar beefde bij de gedachte aan de eindelooze liefde, die zij geven zou, wanneer zij zou liefhebben.
De nacht was geheel gevallen en Benedetta stond op om een lamp te vragen. Toen Pierre afscheid nam, hield zij hem nog even terug in de donkerte. Hij zag haar niet meer, hoorde haar nog slechts met haar ernstige stem zeggen:
“U zult toch geen al te slechte opinie van ons meenemen, mijnheer de abbé? Dario en ik hebben elkaar lief, en dat is geen zonde, wanneer men verstandig is. Ja zeker, ik heb hem al zoo lang lief! Stel u voor, ik was nauwlijks dertien en hij achttien, toen we al zoo heel veel van elkaar hielden in dien grooten tuin van de villa Montefiori, welken men heelemaal verwoest heeft … O, wat voor dagen hebben wij daar doorgebracht—heele middagen onder de boomen, uren lang in onvindbare schuilhoekjes—en wat hebben wij elkaar als cherubijnen gekust! Wanneer de tijd kwam, dat de oranjeappelen rijp werden, bedwelmde ons de geur der vruchten. En de groote taxisboomen, wat omhulden ze ons met hun geur, die onze harten sneller deed kloppen! Thans kan ik dien niet meer inademen, zonder duizelig te worden.”
Giacomo bracht de lamp en Pierre ging naar zijn kamer. Op de kleine trap vond hij Victorine, die even schrok, alsof zij daar was gaan staan, om hem op te wachten, als hij uit den salon kwam. Zij volgde hem, praatte, hoorde hem uit. En plotseling ging de priester een licht op.
“Waarom ben je niet gekomen, toen je meesteres je riep? Je zat toch in de antichambre te naaien?”
Eerst wilde zij verbaasde oogen opzetten, zeggen, dat zij niets gehoord had. Maar haar open, gul gezicht kon niet liegen, lachte ondanks alles. Ten slotte bekende zij dapper en vroolijk.
“Wat ging mij dat aan? Waarom moest ik tusschenbeide komen? En bovendien voelde ik mij heel rustig, ik weet, dat de prins veel te veel van haar houdt, om mijn kleine Benedetta kwaad te doen.”
In werkelijkheid had zij, begrijpend waar het om ging, bij den eersten hulproep haar werk op de tafel neergelegd en was zoo zacht mogelijk weggeslopen, om de lieve kinderen, zooals zij ze noemde, niet te moeten storen.
“De arme kleine,” begon zij weer, “hoe dom van haar om zich om het hiernamaals zoo te kwellen. Groote God, wat voor kwaad zou erin steken, wanneer zij elkaar wat geluk gaven, daar zij elkaar toch liefhebben? Zoo lollig is het leven toch niet! En wat een wroeging later, wanneer het te laat zou zijn!”
Toen Pierre alleen in zijn kamer was, voelde hij zich duizelig worden. De groote taxisboomen! Evenals hij, had zij bij hun scherpen, krachtigen geur gehuiverd. En zij kwamen terug en riepen hem dien der pauselijke tuinen in herinnering, de wellustige, verlaten en in de hoogstaande zon brandende, Romeinsche tuinen. De beteekenis van den geheelen dag werd hem nu duidelijk. Het was de vruchtbare ontwaking, het eeuwige protest van de natuur en van het leven, de Venus en de Hercules, die men gedurende eeuwen in den grond heeft kunnen begraven, maar die er toch eens weer uit oprijzen; die men diep in het heerschzuchtige, starre en koppige Vaticaan kan willen opsluiten, maar die zelf daar regeeren en onbeperkt de wereld beheerschen.