Pierre had de gewoonte aangenomen de ochtenden, dat hij in den palazzo Boccanera bleef, uren door te brengen in den kleinen, verwaarloosden tuin, die vroeger in een soort loggia met zuilengaanderij eindigde, van waar men met een dubbele trap bij den Tiber kwam. Tegenwoordig was het daar een verrukkelijk, eenzaam hoekje, waarin het heerlijk rook naar de rijpe vruchten van de eeuwenoude oranjeappelboomen, welker symmetrische rijen alleen nog de reeds lang onder het onkruid verdwenen voetpaden aangaven. En hij vond er ook den geur der taxisboomen terug, die in het oude, door puin opgevulde middelste bekken opgeschoten waren.
Op die heldere, zoo heerlijk-zachte Octoberochtenden kon men zich hier geheel geven aan een eindelooze levensvreugde. Maar de priester bracht er zijn Noordelijk gepeins mede, zijn kommer om het lijden, zijn voortdurend door naastenliefde gekwelde ziel, die de liefkoozing van het heldere zonlicht in deze wellustige atmospheer voor hem nog zachter maakte. Hij ging gewoonlijk tegen den achtermuur op een stuk van een omgevallen zuil in de donkere, frissche schaduw van een grooten laurierboom zitten. Naast hem liet in de oude, verweerde sarcophaag, waarop wellustige faunen vrouwen schoffeerden, het dunne waterstraaltje, dat uit het in den muur gemetselde tragische masker viel, voortdurend zijn kristalheldere muziek weerklinken. Hij las daar de couranten, zijn brieven, een uitgebreide correspondentie met den goeden abbé Rose, die hem op de hoogte hield van zijn werk, van de ongelukkigen in het sombere, reeds door nevels kille en onder de modder liggende Parijs. O, hoe onbegrijpelijk klonken die berichten over de ellenden van het koude land, over de ellende van de moeders en van de kleinen, die weldra zouden rillen op hun slecht afgesloten dakkamertjes, van de mannen, die straks door de strenge vorst zonder werk zijn zouden, over dien doodsstrijd onder de sneeuw van al die arme menschen, hoe onbegrijpelijk klonken zij in deze warme, met heerlijke vruchtengeuren bezwangerde lucht, in dit land van den blauwen hemel en het dolce far niente, waar men zelfs ’s winters, beschut voor den wind, zoo lekker op de warme steenen slapen kon!
Maar op een ochtend vond Pierre Benedetta op het als bank dienende stuk zuil zitten. Zij gaf een gilletje van verbazing en was een oogenblik verlegen, want zij had toevallig het boek van den priester in haar hand. Het Nieuwe Rome, dat zij reeds eenmaal gelezen had, zonder het echter geheel te begrijpen. Dan echter wilde zij, dat hij naast haar kwam zitten, en vertelde hem met haar gewone openhartigheid, dat zij naar den tuin gekomen was, om alleen te zijn en als een onwetende leerling zijn boek te bestudeeren. Zij praatten als vrienden; het was voor Pierre een heerlijk uurtje.
Hoewel zij het vermeed over zichzelf te praten, voelde hij toch, dat haar verdriet haar nader tot hem bracht, als had het lijden haar hart grooter gemaakt, zoodat zij zich nu het lot van allen, die leden, aantrok. In haar patriciërstrots, die de hiërarchie als een goddelijke wet beschouwde, had zij nooit aan die dingen gedacht. De gelukkigen waren boven, de ongelukkigen beneden, zonder dat eenige verandering daarin mogelijk was. En met welk een verbazing had zij bij sommige bladzijden gevoeld, welk een moeite het haar kostte zich erin te denken! Wat? Zich interesseeren voor het mindere volk, gelooven, dat het dezelfde ziel, hetzelfde verdriet had, zich moeilijk maken voor zijn vreugde als voor die van een broeder? Toch trachtte zij het, maar zonder veel succes; heimelijk was zij bang een zonde te begaan, want het is het beste niets te veranderen aan de door God ingestelde en door de Kerk bekrachtigde maatschappelijke orde. Zeker was zij weldadig, gaf de gewone kleine aalmoezen, maar zij gaf niet haar hart; altruïsme en werkelijk medegevoel ontbraken haar te eenenmale. Zij was geboren en opgegroeid in het atavisme van een geheel ander ras, dat ook in den hemel zijn tronen boven het plebs der uitverkorenen bezit.
Nog menigmaal vonden zij elkaar in de schaduw van den laurierboom dicht bij de zingende fontein terug, en Pierre, die niets te doen had en het moe werd te wachten op een oplossing, die van uur tot uur uitgesteld scheen te worden, spande al zijn krachten in, om deze jonge, mooie, in haar liefde stralende vrouw met zijn bevrijdende naastenliefde te bezielen. In het bijzonder bleef één gedachte hem voortdurend ontvlammen—de gedachte, dat hij Italië zelf zou bekeeren, de in haar onwetendheid nog sluimerende koningin der schoonheid, die haar vroegere grootte terug zou vinden, als zij met een grootere ziel, vol medelijden voor de dingen en wezens, ontwaken zou tot het begrip der nieuwere tijden. Hij las haar de brieven van den goeden abbé Rose voor, hij deed haar beven onder den snik, die uit de groote steden opsteeg. Waarom zou zij, daar zij toch zulke diep-teedere oogen had, daar van haar geheele persoonlijkheid het geluk om te beminnen en bemind te worden uitstroomde, niet met hem erkennen, dat de wet der liefde het eenige heil der lijdende, door haat in doodsgevaar geraakte menschheid was? Zij erkende het, zij wilde hem het genoegen doen te gelooven aan de democratie, aan de broederlijke hervorming der maatschappij, maar bij de andere volkeren, niet te Rome. Onwillekeurig kwam een zacht glimlachje om haar lippen, zoodra hij het visioen voor haar opriep, dat wat er van Trastevere over was broederlijk samen gaan zou met wat er van de oude vorstelijke paleizen over was. Neen, neen! Dat was al sedert te lang zoo, aan die dingen moest men niets veranderen. In één woord de leerling maakte slechts weinig vorderingen, zij werd alleen getroffen door den hartstocht van lief te hebben, die in dezen priester zoo heftig brandde, en dien hij in zijn kuischheid afgewend had van het schepsel, om hem over te brengen op de geheele schepping. Gedurende die enkele zonnige Octoberochtenden werd er tusschen deze twee een kostelijke band gelegd; in de groote liefde, waardoor zij beiden verteerd werden, hadden zij elkaar lief met een diepe, reine liefde.
Dan op een dag begon Benedetta, die met haar elleboog op den sarcophaag leunde, te spreken over Dario, wiens naam zij tot dusverre vermeden had te noemen. O, wat had hij een berouw getoond na zijn aanval van brutalen waanzin. Eerst was hij, om zijn schaamte te verbergen, drie dagen naar Napels gegaan, waarheen, naar men beweerde, Tonietta, het aanminnige meisje met de ruikers witte rozen, die dol verliefd op hem geworden was, hem dadelijk gevolgd had. Na zijn terugkeer in het paleis vermeed hij het alleen te zijn met zijn nicht, zag hij haar eigenlijk alleen op de Maandagsche receptieavonden, wanneer zijn oogen haar om vergiffenis smeekten.
“Gisteren,” vertelde zij verder, “ben ik hem op de trap tegengekomen. Ik heb hem een hand gegeven, waaruit hij begreep, dat ik niet boos meer ben. Hij was er zoo gelukkig door … Och, wat zal ik u zeggen. Je moet niet zoo lang streng zijn. En bovendien ben ik bang, dat hij zich ten slotte compromitteeren zou, als hij zich, om afleiding te zoeken, te veel met haar afgaf. Hij moet weten, dat ik hem nog altijd liefheb, dat ik nog altijd op hem wacht … O, hij is van mij, van mij alleen. Hij zou dadelijk voor eeuwig in mijn armen liggen, als ik één woord zeggen kon. Maar onze zaak staat er slecht, heel slecht voor!”
Zij zweeg, twee dikke tranen stonden in haar oogen. Inderdaad scheen er in het proces tot nietigverklaring van het huwlijk geen voortgang te komen, daar zich steeds weer nieuwe hinderpalen voordeden.
Pierre werd zeer ontroerd door die tranen, welke bij haar zoo weinig voorkwamen. Dikwijls erkende zij met haar kalmen glimlach, dat zij niet huilen kon. Maar haar hart was nu week; een oogenblik leunde zij als vernietigd op den bemosten, door het water weggevreten sarcophaag, terwijl het dunne waterstraaltje met parelende fluittoontjes uit den open mond van het tragische masker stroomde. Maar voor den geest van den priester rees plotseling de gedachte aan den dood op, toen hij haar, de jonge, van schoonheid stralende vrouw half bewusteloos worden zag op den rand van den sarcophaag, waar de faunen, die zich in een razend bacchanaal op de vrouwen wierpen, de almacht der liefde verkondigden, het symbool waarvan de Ouden zoo gaarne op de graftomben beeldhouwden als een bewijs van de eeuwigheid des levens. Een licht, zacht briesje streek door de zonnige, stille eenzaamheid van den tuin en voerde den doordringenden geur der oranjeappelen en taxisboomen mede.
“Wanneer men liefheeft, is men sterk!” prevelde hij.
“Ja, ja, u hebt gelijk,” antwoordde zij, reeds weer glimlachend. “Ik ben nog maar een kind … Maar daar is uw boek de schuld van. Ik begrijp het pas goed, wanneer ik lijd … Maar toch maak ik vorderingen, niet waar? Laten, nu u het wilt, alle armen mijn broeders en alle vrouwen, die verdriet hebben als ik, mijn zusters zijn!”
Gewoonlijk ging Benedetta het eerst weer naar haar kamer terug en bleef Pierre dan, alleen onder den laurierboom, nog wat toeven in den zachten geur der jonge vrouw. Hij droomde dan verward van prettige en droeve dingen. Wat was het leven hard voor arme wezens, die door den eeuwigen dorst naar geluk gekweld worden! Over hem had de stilte zich nog uitgebreid, het geheele oude paleis met de binnenplaats, waarop het gras welig opschoot, en die omgeven was door haar doode zuilengaanderij, waarin de opgegraven marmeren beelden, een armlooze Apollo en de afgebroken romp van een Venus, verweerden, sliep zijn zwaren ruïne-slaap, en deze doodsche stilte werd slechts nu en dan verbroken door het plotselinge ratelen van den karos van een prelaat, die een bezoek kwam brengen aan den kardinaal.
Op een Maandag bevonden zich tegen kwart over tienen in den salon van donna Serafina slechts de jongelui. Monsignor Nani had slechts even zijn opwachting gemaakt, terwijl kardinaal Sarno juist vertrokken was. Bij den schoorsteen zat donna Serafina op haar gewone plekje als afgezonderd; haar blikken staarden naar de onbezette plaats van advocaat Morano, die nog steeds weggebleven was. Voor de canapé, waarop Benedetta en Celia zaten, stonden Dario, abbé Pierre en Narcisse Habert te praten en te lachen. Narcisse plaagde voortdurend den jongen prins, dien hij beweerde in gezelschap van een heel mooi meisje gezien te hebben.
“Maar ontken het toch niet, mijn waarde, zij was werkelijk een prachtstuk … Zij liep naast je en jullie gingt samen een verlaten straatje in, den Borgo Angelico geloof ik. Uit bescheidenheid ben ik jullie niet verder nagegaan.”
“Zeker, zeker, ik was het, ik ontken het niet … Maar het is toch heel iets anders dan je denkt.”
En zich tot Benedetta wendend, die eveneens zonder een zweempje van ongeruste jaloezie glimlachte:
“Het was dat arme meisje, je weet wel, dat ik onlangs in tranen gevonden heb, een week of zes geleden, denk ik … Ja, die parelenwerkster, die zoo huilde, omdat ze geen werk meer had, en toen ik haar wat geld wilde geven, hard voor me uit liep, om me naar haar ouders te brengen … Pierina, je herinnert je nog wel?”
“Pierina, ja zeker!”
“Welnu, stel je voor, na dien tijd ben ik haar een keer of vier, vijf op straat tegengekomen. En het is zoo, zij is zóó zeldzaam mooi, dat ik een oogenblikje met haar heb staan praten … Onlangs heb ik haar bij een fabrikant gebracht. Maar zij heeft nog geen werk kunnen vinden en zij begon weer te huilen, en waarachtig ik heb haar toen, om haar wat te troosten, een zoen gegeven … Zij was er zoo gelukkig door!”
Allen lachten om het verhaal. Celia was de eerste, die weer kalm werd. En met een zeer ernstige stem zeide zij:
“Dario, zij houdt van je, dat begrijp je toch. Je moet niet zoo slecht zijn.”
Ongetwijfeld was Dario van dezelfde meening, want hij keek opnieuw Benedetta aan en schudde vroolijk zijn hoofd, als wilde hij zeggen, dat, al mocht zij van hem houden, hij niet van haar hield. Een parelwerkster, een meisje uit het lagere volk, o, neen! Zij kon een Venus zijn, maar een maîtresse, neen, dat was niet mogelijk! Hij had zelf veel pleizier in het romantische avontuur, waarop Narcisse dadelijk een sonnet maakte: “De schoone parelwerkster wordt tot stervens toe verliefd op den jongen prins, die, mooi als de dag, voorbijkomt en die haar, geroerd door haar ongeluk, een geldstuk gegeven heeft; de schoone parelwerkster, diep in haar hart getroffen, daar hij even milddadig als mooi is, droomt nog slechts van hem, volgt hem overal, een vlammenband bindt haar aan zijn schreden; de schoone parelwerkster, die het geldstuk geweigerd heeft, vraagt met haar onderworpen, liefdevolle oogen als aalmoes het hart van den jongen man, dat hij haar op een avond genadig schenkt.” Het woordenspel viel zeer in den smaak van Benedetta, maar Celia, die er met haar engelachtig gezichtje als een klein meisje uitzag, dat eigenlijk nog niets weten moest, bleef zeer ernstig en herhaalde droevig:
“Dario, ze houdt van je, je moet haar niet laten lijden.”
Nu werd ook de contessina door medelijden bewogen.
“Zij zijn niet gelukkig, die arme menschen!”
“O,” riep de prins uit, “een ellende, om niet te gelooven! Den dag, dat zij me medegenomen heeft naar de Prati del Castello, dacht ik te zullen stikken. Het is verschrikkelijk, ongelooflijk verschrikkelijk!”
“Maar ik herinner me,” antwoordde zij, “dat wij het plan gemaakt hebben naar hen toe te gaan, het is heel slecht, dat we het nog niet gedaan hebben … U wilde immers met ons mede gaan, mijnheer de abbé, voor uw studies en om op die wijze de arme bevolking van Rome van nabij te zien.”
Zij keek op naar Pierre, die sedert eenige oogenblikken zweeg. Het trof hem zeer, dat deze barmhartige gedachte weer bij haar opkwam, want hij voelde aan het even beven van haar stem, dat zij daarmede ook wilde laten blijken, dat zij een gedweeë leerlinge was, die vorderingen maakte in de liefde tot de ongelukkigen en armen. Onmiddellijk trouwens had de hartstocht voor zijn apostolaat zich weer meester van hem gemaakt.
“O,” zeide hij, “ik zal Rome niet verlaten, voordat ik het lijdende, werk- en broodlooze volk gezien heb. Voor alle naties ligt daarin de ziekte, en redding kan slechts komen van de genezing der ellende. Wanneer de wortels van den boom geen voedsel krijgen, sterft de boom.”
“Welnu, we zullen dadelijk afspreken, u gaat morgen met ons naar de Prati del Castello … Dario zal ons er brengen.”
Deze, die met een verbijsterd gezicht naar den priester geluisterd had, zonder het beeld van den boom en zijn wortels goed te begrijpen, protesteerde.
“Neen, neen, waarde nicht, leid jij er mijnheer den abbé rond, als je daar lust in hebt … Ik ben er eens geweest, maar ik ga er nooit meer naar terug. Toen ik weer thuis kwam, moest ik bijna naar bed, zoo draaide alles in mij om … Neen, neen het is te vreeselijk, zulke afschuwlijkheden zijn gewoon ongelooflijk.”
Op dat oogenblik kwam een ontevreden stem uit het hoekje bij den schoorsteen. Donna Serafina verbrak haar lang stilzwijgen.
“Dario heeft gelijk! Zend er je aalmoes naar toe, beste kind, ik zal er graag de mijne bijvoegen … Er zijn heel wat bezienswaardiger plekken, waar je mijnheer den abbé kunt brengen … Je zult waarachtig zorgen, dat hij een mooie herinnering aan onze stad medeneemt!”
De Romeinsche trots klonk uit haar slechte luim. Waartoe diende het de wonden der stad te laten zien aan de vreemdelingen, die hier misschien alleen met een vijandige nieuwsgierigheid kwamen. Rome moest altijd mooi zijn, men moest Rome alleen in den praal van zijn roem laten zien.
Maar Narcisse had zich van Pierre meester gemaakt.
“Ja, mijn waarde, dat is waar ook, ik heb heelemaal vergeten u die wandeling aan te raden … U moet beslist de nieuwe wijk zien, die men in de Prati del Castello gemaakt heeft. Die is heel typisch en als het ware een samenvatting van de andere; u zult zien, dat het geen verloren tijd is, daar sta ik voor in, want niets ter wereld kan u een beteren indruk van het tegenwoordige Rome geven. Het is buitengewoon, buitengewoon.”
En zich dan tot Benedetta wendend:
“Is het afgesproken? Vindt u morgenochtend goed?… U zult den abbé en mij daar vinden, want ik sta erop hem eerst op de hoogte te brengen, zoodat hij alles goed begrijpt … Om tien uur, kunt u dan?”
Alvorens te antwoorden, wendde de contessina zich tot haar tante.
“Kom, tante, mijnheer de abbé heeft genoeg bedelaars in onze straten ontmoet; hij kan alles zien. En trouwens naar wat hij ons in zijn boek vertelt, zal hij te Rome niet meer zien, dan hij in Parijs reeds gezien heeft. Overal is, zooals hij ergens zegt, de honger dezelfde.”
Dan richtte zij zich kalm en zacht tot Dario.
“Weet je wel, Dario, dat je me een heel groot pleizier zoudt doen, als je met me meeging. Zonder jou zou het er te veel van hebben, alsof we uit den hemel kwamen vallen. We zullen een rijtuig nemen en dan de heeren daar aantreffen; het zal een heel aardige wandelrit zijn … We zijn in geen tijd samen uit geweest.”
Ongetwijfeld was dat het, waarom zij het zoo prettig vond: zij had nu een voorwendsel, om met hem samen te zijn en zich geheel met hem te verzoenen. Hij voelde dat, hij kon er zich niet aan onttrekken.
“O, lieve nicht,” zeide hij schertsend, “het is jouw schuld, als ik de geheele verdere week nachtmerries heb. Een dergelijk uitstapje bederft voor acht dagen je levensvreugde.”
Hij rilde al bij voorbaat. De anderen begonnen weer te lachen, en ondanks de zwijgende afkeuring van donna Serafina werd de samenkomst bepaald op den volgenden ochtend tien uur. Het speet Celia zeer, dat zij niet van de partij kon zijn. Maar zij met haar onschuld van een lelieknop, interesseerde zich slechts voor Pierina.
“Let goed op die schoonheid,” fluisterde zij in de antichambre haar vriendin in; “dan kan je me vertellen, of zij werkelijk zoo mooi is, mooier dan alle anderen.”
Toen Pierre den volgenden ochtend om negen uur Narcisse bij de Engelenburg vond, bemerkte hij tot zijn verbazing, dat deze weer in zijn smachtende kunstdweperij vervallen was. In den beginne was er geen sprake van de nieuwe wijken noch van den vreeselijken financieelen krach, die er het gevolg van geweest was. De jonge man vertelde, dat hij tegelijk met de zon was opgestaan, om nog een uur voor de Santa Teresia van Bernini te kunnen vertoeven. Wanneer hij die in acht dagen niet gezien had, zeide hij, leed zijn ziel daaronder, voelde hij zich verdrietig, als moest hij een dierbare geliefde missen. Hij had ook zijn uren, waarop hij haar op verschillende wijzen, anders liefhad, al naar gelang der belichting van het doek. ’s Morgens in het ochtendlicht, dat haar als in een wit kleed hulde, had hij haar lief met het mystieke élan van zijn ziel; ’s middags wanneer de schuine stralen der ondergaande zon op haar vielen, met den rooden hartstocht van het bloed der martelaren.
“O, mijn vriend,” zeide hij met zijn moe gelaat, terwijl zijn malvekleurige oogen bijna wegzonken, “ge kunt u niet voorstellen welk een heerlijk, ontroerend ontwaken het dezen ochtend was … Een onwetende, reine maagd, die, gebroken van wellust en nog zwijmelend van het geluk door Jezus bezeten te zijn, haar oogen kwijnend opslaat … Het is om erbij te sterven.”
Na een paar passen verder geloopen te hebben werd hij kalmer en ging hij op den beslisten toon van een praktisch man vol levenservaring voort:
“Kom laten we langzaam opwandelen naar de Prati del Castello, waarvan ge de gebouwen onder u ziet liggen; onderweg zal ik u vertellen, wat ik ervan weet. O, het is een buitengewoon verhaal, een van die krankzinnige aanvallen van speculatie, die mooi zijn als het monsterachtige en mooie werk van het een of andere waanzinnige genie … Ik heb het van familieleden van me gehoord, die hier gespeeld en, waarachtig, aanzienlijke sommen gewonnen hebben.”
Toen vertelde hij Pierre de zeldzame geschiedenis met de duidelijkheid en nauwkeurigheid van een financier, terwijl hij de technische termen met volkomen zekerheid gebruikte. Na de verovering van Rome, toen geheel Italië als uitzinnig van geestdrift was bij het denkbeeld eindelijk de zoo lang begeerde hoofdstad, de oude, roemrijke stad, de eeuwige, aan wie de wereldheerschappij was toegezegd, te bezitten, barstte een zeer goed te begrijpen jubel van vreugde en hoop los bij het jonge volk, dat eerst gisteren geboren was en nu zoo spoedig mogelijk zijn macht wilde bewijzen. Men moest Rome in bezit nemen, het tot een moderne, een groot rijk waardige hoofdstad maken, en daarvoor was het in de allereerste plaats noodig haar gezond te maken, haar te reinigen van het vuil, dat haar onteerde. Men kan zich niet voorstellen in welk een staat van verontreiniging het Rome der pausen, la Roma sporca, waar de kunstenaars nu nog naar terugverlangen, verkeerde: er bestonden zelfs geen bestekamers, de openbare straat diende voor alle behoeften, de verheven ruïnes waren in vuilnishoopen veranderd, de omgeving van de oude vorstelijke paleizen met excrementen bevuild; kortom, overal steeg een laag van afval, puin en tot verrotting overgegane stoffen op, die de straten in vergiftigde goten veranderden, welke telkens weer de vreeselijkste epidemieën veroorzaakten. Het was dringend noodig daarin van stadswege verbetering te brengen.
Deze maatregelen beteekenden inderdaad de redding, een verjonging, een veilig verder leven. Even gerechtvaardigd was de gedachte nieuwe huizen te bouwen voor de nieuwe bewoners, die van alle kanten zouden toestroomen. Na de totstandkoming van het keizerrijk Duitschland had men hetzelfde te Berlijn zien gebeuren: de stad had haar bevolking bliksemsnel zien toenemen met honderdduizenden zielen. Rome zou zich ook zeker verdubbelen, verdrie-, vervijfvoudigen, de levende krachten der provincies tot zich trekken, het centrum van het nationale bestaan worden. Ook de trots sprak een woordje mede: men moest aan de gevallen regeering van het Vaticaan toonen, waartoe Italië in staat was, in welken glans het nieuwe Rome stralen zou, het derde Rome, dat de beide andere, het keizerlijke en het pauselijke, zou overtreffen door de pracht van zijn straten en den overstroomenden vloed van zijn inwoners.
Toch bleef de eerste jaren de bouwbeweging binnen de grenzen der voorzichtigheid. Men was verstandig genoeg slechts te bouwen, wanneer daaraan behoefte was. Met één sprong was de bevolking verdubbeld, van tweehonderdduizend tot vierhonderdduizend zielen gestegen: de kleine wereld van ambtenaren en employés, die met de verschillende takken van algemeen bestuur kwamen, de geheele groote menigte, die van den staat leeft of ervan hoopt te leven, ongerekend de nietsdoeners en genotzoekers, die een Hof steeds na zich sleept. Dat was de eerste oorzaak van den roes, niemand twijfelde eraan, of die toeneming zou blijven doorgaan, ja zelfs sterker worden. Van af dat oogenblik was de stad van gisteren niet voldoende meer, men moest zonder talmen rekening houden met de eischen en behoeften van morgen, door Rome buiten Rome over alle verlaten, oude voorsteden uit te breiden. Men sprak ook van het Parijs van het tweede Keizerrijk, dat zooveel grooter geworden, in een stad van licht en gezondheid veranderd was. Doch het ongeluk wilde, dat er aan de oevers van den Tiber geen algemeen plan bestond, dat er geen man was met een ruimen blik, die den toestand overzag en op krachtige financieele instellingen steunen kon.
Wat nu de trots, de eerzucht om het Rome der Caesars en der Pausen in glans te overtreffen, de wil om van de eeuwige, gepraedestineerde stad het centrum en de koningin der aarde te maken, begonnen was, voltooide de speculatie, een van die buitengewone agiostormen, een van die orkanen, welke, zonder dat iets ze aankondigt of tegenhoudt, ontstaan, woeden, alles vernielen en met zich sleuren. Plotseling liep het gerucht, dat terreinen, die vijf francs den meter gekost hadden, voor honderd francs verkocht werden; toen brak de koorts uit, de koorts van geheel een door speculatiewoede verhit volk. Een zwerm van speculanten was uit Boven-Italië op Rome, de edelste en makkelijkst te krijgen buit, neergestreken.
Voor deze arme, hongerige bergbewoners begon in dit wellustige zuiden, waarin het zoo heerlijk is om te leven, de drijfjacht der begeerten, zoodat het verrukkelijke klimaat, op zichzelf reeds zoo verderfelijk, de moreele ontbinding verhaastte. Bovendien behoefde men zich in den beginne inderdaad slechts te bukken; het geld was tusschen de puinhoopen der eerste gesloopte wijken met schoppen vol op te rapen. Handige lieden, die het tracé der nieuwe straten als het ware roken, hadden zich meester gemaakt van de terreinen, die onteigend zouden moeten worden, en vertiendubbelden binnen twee jaar hun vermogen. Nu greep de besmetting nog verder om zich heen en vergiftigde langzamerhand de geheele stad; de bewoners werden op hun beurt ook medegesleept, alle standen door waanzin aangegrepen, de vorsten, de bourgeois, de kleine huiseigenaars tot winkeliers, slagers, kruideniers toe. Zoo vertelde men later van een eenvoudigen bakker, die een bankroet van vijf-en-veertig millioen geslagen had.
Het was niets meer dan een wanhopige, schandelijke, koortsachtige speculatie, die in de plaats van het geregelde pauselijke lotto gekomen was, een speculatie met millioenen, waarbij de terreinen en bouwwerken iets fictiefs, slechts een voorwendsel voor Beursoperaties werden. De oude atavistische trots, die van Rome de hoofdstad der wereld maken wilde, werd door deze speculatiekoorts opgezweept tot hoogmoedswaanzin; er werd gekocht en gebouwd, om weer te verkoopen, zonder maat, zonder ophouden, zooals aandeelen gelanceerd worden, zoolang de persen er drukken willen.
Nooit had een stad in haar evolutie een dergelijk schouwspel geboden. Wanneer men het thans tracht te begrijpen, staat men gewoonweg perplex. Het bevolkingscijfer was de vierhonderd duizend overschreden en scheen dan stationnair te blijven; maar dit belette niet, dat de nieuwe wijken steeds dichter uit den grond opschoten. Voor welk toekomstig volk bouwde men met zooveel woede? Door welke zinsverbijstering kwam men ertoe niet te wachten op de nieuwe bewoners, om duizenden woningen gereed te maken voor families, die misschien komen zouden? De eenige verontschuldiging was, dat bij voorbaat als vaststaande aangenomen werd, dat het derde Rome, de triompheerende hoofdstad van Italië, niet minder dan een millioen zielen tellen kon. Zij waren niet gekomen, maar zij zouden zeker komen; daaraan kon geen patriot twijfelen zonder vaderlandsschennis te begaan. En men bouwde, bouwde, bouwde zonder ophouden voor de vijfhonderdduizend onderweg zijnde burgers. Men bekommerde zich zelfs niet om den dag van hun aankomst, het was voldoende, dat men op hen rekende. In Rome waren ook maatschappijen tot het maken van groote wegen door de oude, ongezonde, gesloopte wijken gevormd en deze verkochten of verhuurden haar terreinen, waardoor zij groote winsten behaalden.
Doch naarmate de waanzin steeg, werden er meer maatschappijen opgericht, om den honger naar winst te bevredigen; zij hadden ten doel om buiten Rome nog meer nieuwe wijken, steeds weer nieuwe wijken, ware kleine steden, waaraan niet de minste behoefte bestond, te bouwen. Bij de Porta S. Giovanni, bij de Porta S. Lorenzo rezen de voorsteden als door een wonder op. Op de reusachtige terreinen der Villa Ludovisi, van de Porta Salaria tot aan de Porta Pia, ontstond het ontwerp van een stad, en op de Prati del Castello wilde men plotseling een stad met kerk, school en markt uit den grond doen oprijzen. En dat waren geen arbeiderswoningen, geen bescheiden huizen voor den middenstand en de ambtenaren, neen, het waren groote bouwwerken, ware paleizen met drie of vier verdiepingen, met gelijkvormige, overmatig groote gevels, welke van deze nieuwe, excentrieke wijken Babylonische stadsdeelen maakten, die alleen hoofdsteden met een krachtig industrieleven, zooals Parijs en Londen, zouden kunnen bevolken. Het zijn de monsterachtige voortbrengselen van den hoogmoed en van de speculatie. En welk een droeve bladzijde uit de geschiedenis, welk een bittere les, wanneer het thans ten gronde gerichte Rome zich bovendien nog onteerd ziet door dien leelijken gordel van groote, ledige, grootendeels onafgemaakte geraamten, welker puinhoopen nu reeds de met gras begroeide straten bedekken!
De onvermijdelijke instorting, de ramp was vreeselijk. Narcisse gaf de redenen daarvoor op en lichtte de diverse stadia zoo duidelijk toe, dat Pierre alles goed begreep. Natuurlijk waren talrijke financieele maatschappijen uit die humus der speculatie opgeschoten: de Immobiliere, de Società edilizia, de Fondiaria, de Tiberina, l’Esquilino. Bijna alle lieten bouwen, richtten groote huizen op, legden heele straten aan, om ze weer te verkoopen. Maar zij speculeerden ook in bouwterreinen, stonden die met groote winsten aan kleine speculanten af, die in de door de toenemende agiokoorts verwekte kunstmatige hausse overal opschoten en eveneens van ontzaglijke winsten droomden. Het ergste daarbij was, dat deze kleine burgers, deze onervaren winkeliers zonder geld, zoo door de speculatiewoede werden opgezweept, dat zij zelf ook lieten bouwen; zij leenden van de banken en wendden zich tot de maatschappijen, van wie zij de terreinen gekocht hadden, om het voor het voltooien der gebouwen noodige geld te krijgen.
In de meeste gevallen zagen de maatschappijen, om niet alles te verliezen, zich op een goeden dag genoodzaakt de terreinen en de gebouwen, zelfs al waren zij niet afgebouwd, terug te nemen, wat een ontzaglijke opstopping veroorzaakte, waaraan zij ten gronde moesten gaan. Wanneer het millioen inwoners de woningen, die men in een zoo vreemden droom van hoop voor hen gebouwd had, waren komen betrekken, dan hadden de winsten onberekenbaar kunnen zijn. Rome was in tien jaar rijk en een der bloeiendste hoofdsteden der wereld geworden. Maar de inwoners wilden niet komen, niets werd verhuurd, de woningen stonden leeg. En toen barstte de krach met een ongekende heftigheid los en wel om twee redenen. In de eerste plaats waren de door de maatschappijen gebouwde huizen veel te groot en veel te duur, waardoor het grootste gedeelte van de gewone, middelmatige renteniers, die hun geld in grondbezit willen beleggen, afgeschrikt werden. Het atavisme had zijn werk gedaan, de bouwers hadden in hun grootheidswaanzin een reeks prachtige paleizen opgericht, bestemd, om die van de twee vorige tijdperken in het niet te doen verzinken en welke nu triest en verlaten als de meest ongehoorde getuigen van den onmachtigen hoogmoed staan bleven.
Er waren dus geen particuliere kapitalen te vinden, die de plaats der maatschappijen durfden of konden innemen. Bovendien zijn elders, in Parijs en in Berlijn, de nieuwe wijken en de verfraaiingen met nationaal kapitaal, met gespaard geld gemaakt. In Rome daarentegen werd alles gebouwd met crediet, met wissels op drie maanden en vooral met buitenlandsch geld. Men schat de aldus verslonden som op bijna een milliard, waarvan vier vijfden Fransch geld was. Het was eenvoudig een zaken doen van bankier op bankier; de Fransche bankiers leenden tegen 3½ à 4 procent aan de Italiaansche, die op hun beurt aan de speculanten, aan de bouwers te Rome tegen 6, 7, ja zelfs 8 procent leenden.
Men kan zich dan ook de ramp voorstellen, toen Frankrijk, dat het verbond van Italië met Duitschland met leede oogen aanzag, binnen twee jaar zijn achthonderd millioen terugtrok. Er ontstond een reusachtige terugvloeiing, die de Italiaansche banken ledig maakte; de grondmaatschappijen en al die maatschappijen, welke in terreinen en bouwwerken speculeerden, werden nu eveneens genoodzaakt op haar beurt terug te betalen en moesten zich wenden tot de emissiemaatschappijen, die papier konden uitgeven. Tegelijkertijd dreigden zij den Staat de werken stil te zullen leggen en veertig duizend werklieden op straat te zetten, wanneer de Staat de emissiemaatschappijen niet dwong hun de vijf of zes millioen, die zij noodig hadden, te leenen, wat de Staat, bang voor een algemeen bankroet, ten slotte deed. Natuurlijk konden de vijf of zes millioen op de vervaldagen niet terugbetaald worden, omdat men de huizen niet kon verkoopen of verhuren, zoodat nu de debacle steeds verder om zich heen greep en de eene puinhoop op de andere stapelde: de kleine speculanten vielen op de bouwers, deze op de grondmaatschappijen, deze op de emissiemaatschappijen, deze op het openbaar krediet, wat de natie ruïneerde. Zoo kwam het, dat een eenvoudige stedelijke crisis een ontzettende financieele ramp, een nationaal gevaar werd. Een geheel milliard was zonder eenig nut in den afgrond verdwenen, Rome leelijk gemaakt; het droeg nu de last van zijn jonge, smadelijke ruïnes, van de gapende, ledige huizen voor de vijf of zeshonderd duizend gedroomde inwoners, die men nog steeds wacht.
Trouwens in den gierenden stormwind van den roem was ook de Staat zelfs door grootheidswaanzin aangegrepen. Alles werd erop ingericht om een triompheerend Italië te scheppen, om het land in vijf-en-twintig jaar die eenheid en die grootte te doen bereiken, waarvoor andere volkeren eeuwen hebben noodig gehad. Aan alle kanten werd dan ook met man en macht gewerkt, reusachtige uitgaven gedaan voor kanalen, havens, wegen, spoorwegen en openbare werken in alle groote steden. Men improviseerde, organiseerde de natie zonder te tellen. Na het verbond met Duitschland verslonden de oorlogs- en marinebudgetten noodeloos millioenen. En aan al die steeds stijgende behoeften werd slechts het hoofd geboden door emissies; de eene leening volgde op de andere. In Rome alleen kostte de bouw van het ministerie van Oorlog tien, die van het ministerie van Financiën vijftien millioen, terwijl meer dan tweehonderd millioen voor verdedigingswerken om de stad uitgegeven werden. Het was steeds en steeds weer het opvlammen van den noodlottigen hoogmoed, het sap van den grond, die slechts in al te groote plannen bloeien kan, de wil om de wereld te verblinden en te veroveren, die ontstaat zoodra men den voet op het Capitool zet—zelfs in het opgehoopte stof van alle menschenmachten, die daar na elkaar ingestort zijn.
“Ja, mijn waarde vriend,” vertelde Narcisse verder, “als ik wilde afdalen tot praatjes, die in omloop zijn, die men elkaar in het oor fluistert, als ik u enkele feiten noemde, dan zoudt u verbluft, versteld staan over den graad van waanzin, waarin deze in den grond der zaak zoo verstandige, zoo indolente en zoo zelfzuchtige stad door de vreeselijke, besmettelijke koorts van speculatiewoede gebracht is. Niet alleen de kleine luiden, de onwetenden en dommen hebben zich ten gronde gericht, maar ook de groote families, bijna de geheele Romeinsche adel heeft daarbij zijn oude vermogens, het goud, de paleizen en de verzamelingen kunstwerken, die hij aan de vrijgevigheid der pausen te danken had, verloren. Deze ontzaglijke rijkdommen, waarvoor eeuwen van nepotisme noodig geweest zijn, om ze in de handen van enkelen op te hoopen, zijn in nauwlijks tien jaar als was gesmolten.”
Dan vergat hij geheel, dat hij met een priester sprak, en vertelde hij een van die equivoque geschiedenissen.
“Laten we onzen goeden vriend Dario, prins Boccanera, even als voorbeeld nemen. Hij is de laatste van zijn geslacht en verplicht te leven van de kruimels van zijn oom, den kardinaal, die toch ook niet heel veel meer dan zijn salaris heeft. Nu, hij zou zeker nog in zijn karos rijden, als die vreemde geschiedenis van de villa Montefiori er niet tusschen gekomen was … Men zal u wel reeds op de hoogte gebracht hebben: de uitgestrekte terreinen van deze villa werden voor tien millioen aan een financieele maatschappij afgestaan; daarna werd prins Onofrio, de vader van Dario, door de speculatiewoede aangegrepen, kocht zijn eigen terreinen duur terug, speculeerde en liet bouwen; ten slotte sleurde de catastrophe behalve die tien millioen nog alles mede, wat hij zelf bezat, de overblijfselen van het eertijds zoo reusachtige fortuin der Boccanera’s …
“Maar wat men u ongetwijfeld niet verteld heeft, dat zijn de geheime oorzaken, die daartoe medegewerkt hebben, de rol, die graaf Prada—ja zeker, de gescheiden echtgenoot van de bekoorlijke contessina, op wie wij nu wachten—in deze zaak gespeeld heeft. Hij was de minnaar van prinses Boccanera, de mooie Flavia Montefiori, die de villa als huwlijksgift medebracht, o, een pracht van een vrouw, veel jonger dan haar man. Welnu, algemeen wordt beweerd, dat Prada den echtgenoot in zijn macht had door die vrouw, zoodat deze weigerde zich ’s avonds aan den ouden prins te geven, indien deze aarzelde zijn handteekening te zetten of zich verder in te laten in een avontuur, waarvan hij het gevaar van te voren inzag. Prada heeft er millioenen mede verdiend, die hij nu op een zeer verstandige manier verteert. En wat de mooie Flavia betreft, u weet, dat zij, na een klein vermogen uit de debacle gered te hebben, dapper afstand gedaan heeft van haar adellijken titel, om zich een knappen man te koopen, den tweeden, ditmaal jonger dan zij, van wien zij een markies Montefiori gemaakt heeft, die haar nu gezond en mooi houdt, hoewel zij de vijftig nu al gepasseerd is. In deze heele zaak is het eenige slachtoffer onze arme vriend Dario, die totaal geruïneerd is en vastbesloten met zijn nicht te trouwen, die niet veel rijker is dan hij. Weliswaar wil zij hem met alle geweld hebben en is hij niet in staat haar zoo lief te hebben als zij hem. Anders zou hij reeds lang de een of andere Amerikaansche genomen hebben, een millionnairsdochter, zooals zooveel andere vorsten gedaan hebben; ofschoon het ook zeer goed mogelijk is, dat de kardinaal en donna Serafina er zich tegen verzet zouden hebben, want dat zijn helden in hun genre, echte trotsche, koppige Romeinen, die hun bloed vrij willen houden van vreemde smetten … Enfin laten we hopen, dat die goede Dario en die bekoorlijke Benedetta samen gelukkig zullen zijn.”
Hij hield op, om na eenige passen, op bijna fluisterenden toon voort te gaan.
“Een van mijn bloedverwanten heeft met die affaire der villa Montefiori een kleine drie millioen verdiend. Wat heb ik er toch dikwijls spijt van gehad, dat ik pas na den heroëntijd van het agio gekomen ben! Wat zal het hier toen amusant geweest zijn en wat was er toen een boel te verdienen voor koelbloedige spelers!”
Plotseling echter zag hij, opkijkend, voor zich het nieuwe stadsdeel der Prati del Castello; zijn geheele gelaatsuitdrukking veranderde, hij werd weer de kunstenaarsziel, die in verzet kwam tegen de moderne gruwelen, waarmede men het pauselijke Rome bezoedeld had. De kleur van zijn oogen werd bleeker, zijn blik drukte de bittere minachting uit van den in zijn liefde voor de verdwenen eeuwen gewonden droomer.
“Kijk toch eens, kijk toch eens! O, stad van Augustus, stad van Leo X, stad van eeuwige macht en eeuwige schoonheid!”
Pierre zelf kwam ook onder den indruk. Op deze plek strekten zich vroeger langs den Tiber tot aan de hellingen van den Monte Marco de vlakke, hier en daar met populieren begroeide weiden van de Engelenburg uit, breede grasvlakten, die aan den Borgo en den verren dom van de St. Pieter een groenen voorgrond gaven en die de schilders graag vereeuwigden. Nu echter verhief zich midden op die omgewoelde, rotsachtige vlakte een geheele stad, een stad van massieve, reusachtige huizen, regelmatige steenen kubussen met breede, elkaar rechthoekig snijdende straten, precies een groot dambord met symmetrische vakken. Van het eene einde naar het andere zag men dezelfde gevels; men zou het geheel voor een rij kloosters, kazernes of ziekenhuizen hebben kunnen houden, waarvan de eenvormige lijnen zich tot in het oneindige voortzetten. Maar de pijnlijke indruk, dien dit schouwspel maakte, kwam hoofdzakelijk voort uit de in den beginne onverklaarbare catastrophe, die deze stad midden in haar aanbouw verstard had, alsof op een vervloekten ochtend een booze toovenaar zijn staf opgeheven, het werk tot stilstand gebracht, de drukke werkplaatsen geledigd, de gebouwen gelaten had in denzelfden droefgeestigen toestand als waarin zij op dit oogenblik verkeerden.
Alle stadia van aanbouw vond men nog terug—van het grondwerk, de voor de fundamenten gegraven diepe gaten, welke open gebleven waren en waarin onkruid woekerde, tot geheel voltooide en bewoonde huizen toe. Er waren huizen, waarvan de muren nauwlijks boven den grond uitkwamen; andere waren tot de tweede of derde verdieping gekomen, maar door hun houten plafonds en door de open vensters stroomde de regen naar binnen; andere, die geheel opgetrokken en met een dak voorzien waren, stonden daar als geraamten, ten prooi aan de gevechten der winden, en deden aan ledige kooien denken. Ook waren er geheel afgebouwde huizen, waarvan men echter de buitenmuren niet had kunnen pleisteren; bij nog andere ontbrak het houtwerk van de deuren en ramen; weer andere hadden wel deuren en ramen, maar waren dichtgespijkerd als doodkisten, in de doode kamers was geen levende ziel te ontdekken; andere tenslotte waren bewoond, de meeste gedeeltelijk, slechts weinige geheel, maar alle levend van een niet-verwachte bevolking. Niets kan de vreeselijke triestheid van die dingen weergeven; het was een Schoone-Slaapster-stad, die door een doodelijken slaap bezocht was, nog voor zij geleefd had, en nu in afwachting van een ontwaken, dat nooit scheen te zullen komen, in de heete zon ten gronde ging.
Pierre ging met zijn gids door de breede, verlaten straten, die de roerloosheid en stilte van een kerkhof hadden. Geen rijtuig, geen voetganger kwam erdoor. Sommige hadden zelfs geen trottoir, het gras woekerde op den nog niet bestraten rijweg als op een veld, dat tot den natuurstaat terugkeert; toch stonden er reeds overal sedert jaren voorloopige gaslantaarns. Aan beide zijden hadden de huiseigenaren de vensteropeningen van den rez-de-chaussée en de verschillende verdiepingen met dikke planken hermetisch gesloten, om geen deur- en vensterbelasting te betalen. Andere huizen, waarvan de bouw nauwlijks begonnen was, waren met staketsels afgesloten, uit vrees, dat de kelders verzamelplaatsen voor alle bandieten uit het land zouden worden. Maar den treurigsten indruk maakten toch de jonge ruïnes, hooge, trotsche, onvoltooide, zelfs nog niet gepleisterde gebouwen, die hun leven van steenen reuzen nog niet eens geleefd hadden en nu reeds aan alle kanten scheurden, zoodat men ze met allerlei gecompliceerde stellingen had moeten stutten, om te voorkomen, dat zij zouden instorten. Je hart kromp ineen als in een stad, waaruit de pest, de oorlog of een bombardement de inwoners weggevaagd heeft.
Maar men werd door een nog grootere melancholie, door een grenzenlooze wanhoop aangegrepen bij de gedachte, dat dit niet een dood, maar een miskraam was, dat de verwoesting haar werk voltooien zou voordat de gedroomde, vergeefs verwachte bewoners dezen doodgeboren huizen leven zouden inblazen. Daarbij kwam nog de vreeselijke ironie, dat men op iederen hoek marmeren platen met de straatnamen zag, beroemde, aan de Geschiedenis ontleende namen, de Gracchen, de Scipio’s, Plinius, Pompeius, Julius Caesar, die als een hoon, als een slag, dien het verleden de moderne onmacht in het gezicht gaf, op deze onvoltooide, instortende muren prijkten.
Wederom werd Pierre getroffen door de waarheid, dat ieder, die Rome bezit, verteerd wordt door den marmerwaanzin, door den ijdelen drang om te bouwen en aan de volkeren van morgen het gedenkteeken van zijn roem na te laten. Na de Caesars, die hun paleizen op den Palatinus ophoopten, na de pausen, die het Middeleeuwsche Rome weer opbouwden en hun wapens daarop drukten, is de Italiaansche regeering nauwlijks meester der stad, of zij wil haar onmiddellijk schitterender en grooter dan zij ooit geweest was, herbouwen. De bodem zelf suggereerde die gedachte; het bloed der Caesars steeg den nieuw aangekomenen naar het hoofd en bracht hen tot het waanzinnige denkbeeld om van het derde Rome de nieuwe koningin der aarde te maken. Vandaar de reusachtige plannen, de cyclopische kadewerken, de ministeries, die wedijveren met het Colosseum; vandaar die nieuwe wijken met hun reuzenhuizen, die als evenveel kleine stadjes om de oude stad opgeschoten zijn. Hij herinnerde zich den krijtachtigen gordel, welke de oude, rosachtige daken omgaf en dien hij vanaf den dom van de St. Pieter uit de verte als verlaten steengroeven gezien had; want niet alleen in de Prati del Castello, maar ook bij de Porta S. Giovanni, bij de Porta S. Lorenzo, bij de Villa Ludovisi, op de hoogten van den Viminalis en den Quirinalis vielen de onvoltooide en ledige wijken reeds in het gras der verlaten straten in. Ditmaal scheen het alsof na tweeduizend jaar van wonderbare vruchtbaarheid de bodem eindelijk uitgeput scheen, en de steen der monumenten daar niet meer groeien wilde.
Evenals in zeer oude boomgaarden de pruime- en kerseboomen, die men verplant, kwijnend opgroeien en sterven, zoo vonden blijkbaar de nieuwe muren geen levensvoedsel meer in dat door de eeuwenlange groei van een zoo groot aantal tempels, circussen, triomfbogen, basilica’s en kerken verarmde Romeinsche stof. De moderne huizen, die men getracht had hier opnieuw tot vruchtbaarheid te brengen, de tot niets nutte, al te groote, door hereditairen eerzucht opgeblazen huizen, hadden niet tot rijpheid kunnen komen; de halve, door geopende ramen doorboorde gevels bezaten geen kracht genoeg, om op te stijgen tot het dak, waren daar onvruchtbaar blijven staan als kwijnende struiken op een terrein, dat te veel voortgebracht heeft. Het verschrikkelijk trieste lag voornamelijk hierin, dat een voorbijgegane grootheid zóó vol scheppingskracht uitloopen moest op een dergelijke bekentenis van tegenwoordige onmacht, dat Rome, hetwelk vroeger de wereld met zijn onverwoestbare monumenten bedekt had, thans niets meer dan ruïnes baarde.
“Ze zullen eens wel afgebouwd worden!” riep Pierre uit.
Narcisse keek hem verbaasd aan.
“Voor wie dan?”
Dat was juist het verschrikkelijke. Waar waren op dit oogenblik die vijf of zeshonderd duizend inwoners, van wier komst men gedroomd had, op wie men nog altijd wachtte; waar waren zij, in welke nabije landstreken, in welke verafgelegen steden woonden zij? Waar in de eerste dagen na de verovering een vurige patriotische geestdrift alleen op een dergelijke bevolking had kunnen hopen, daar moest men thans wel bijzonder verblind zijn, om nog te kunnen gelooven, dat zij ooit komen zou. De proef scheen genomen te zijn, Rome’s bevolking bleef stationnair, er was geen enkele reden, die voorzien deed, dat het aantal inwoners verdubbeld zou worden, noch de genoegens, die de stad aanbood, noch de winst van een handel en van een industrie, die zij niet bezat, noch een intens maatschappelijk en intellectueel leven, waartoe zij niet meer in staat scheen. In ieder geval zouden er jaren en jaren mede heengaan. Hoe dus moest men de gereed zijnde, ledige huizen, die nog slechts op huurders wachtten, bevolken? Voor wie moest men de in geraamte-toestand gebleven woningen, die in de zon en in den regen afbrokkelden, afmaken? Zouden zij dus, gedeeltelijk vleeschloos en open voor alle winden, gedeeltelijk dichtgespijkerd en stil als graven, voor onafzienbaren tijd daar moeten blijven staan in hun vreeselijke, nuttelooze en verwaarloosde leelijkheid? Welk een verschrikkelijke getuigenis legden zij onder dien stralenden hemel af! De nieuwe heeren van Rome hadden een slecht begin gemaakt, maar zouden zij, indien zij thans wisten wat zij hadden moeten doen, ooit wat zij gedaan hebben ongedaan durven maken? Daar het milliard, dat hier ingestoken was, voorgoed verslonden en verloren scheen te zijn, begon men te verlangen naar een Nero met een onbeperkte en matelooze energie, die fakkel en spade grijpen en in naam van rede en schoonheid alles verbranden en met den grond gelijk maken zou.
“Ha!” riep Narcisse uit; “daar zijn de contessina en de prins!”
Benedetta had het rijtuig bij een kruispunt van de eenzame straten laten ophouden; en nu liep zij aan den arm van Dario door die breede, stille, met onkruid begroeide wegen, die als voor verliefde paren aangelegd zijn. Beiden waren verrukt over de wandeling, dachten niet meer aan het treurige, waarvoor zij waren gekomen.
“Wat een goddelijk weer!” zeide zij vroolijk, terwijl zij naar de twee vrienden toe ging. “Wat schijnt de zon heerlijk!… Het doet je goed een beetje te loopen net alsof je op het land bent!”
Dario was de eerste, die ophield te lachen tegen den blauwen hemel, zich te vermeien in de vreugde met zijn nicht aan zijn arm te wandelen.
“Omdat je bij je gril blijft, die zeker onzen geheelen mooien dag bederven zal, moeten we toch naar die menschen toe … Maar eerst moet ik me even oriënteeren. Ik weet nooit goed den weg op plaatsen waar ik niet gaarne kom … En bovendien is deze wijk met haar doode straten, haar doode huizen zoo moeilijk; je ziet niets dat je je herinnert, geen winkel, die je den weg aanwijst … Maar ik geloof, dat het hier is. Ga maar mee, we zullen wel zien.”
De vier wandelaars gingen naar het middelste gedeelte van de wijk, dat op den Tiber uitziet. Hier was zich een bevolking gaan vormen. De eigenaars van sommige afgebouwde huizen, hebben daar zoo goed als het kan voordeel van door ze tegen zeer lage prijzen te verhuren; ze werden zelfs niet boos, wanneer de huur eens wat lang op zich wachten liet. Ambtenaren met een klein inkomen en jonge huishoudens zonder geld hadden zich dus gevestigd en betaalden wel langzaam, maar toch altijd iets. Doch het ergste was, dat tengevolge van het sloopen van het vroegere Ghetto en van de doorbraken, waarmede men wat licht gebracht had in Trastevere, ware horden brood- en daklooze haveloozen, die zelfs bijna geen kleeren hadden, in de onafgemaakte huizen waren neergestreken en er met hun ellende en hun ongedierte bezit van genomen hadden. Men had de oogen wel moeten sluiten, deze brutale inbeslagneming moeten dulden, wanneer men niet wilde, dat deze verschrikkelijke ellende zich op de openbare straat ten toon spreidde. Aan deze vreeselijke gasten dus waren de groote gedroomde paleizen ten deel gevallen, de reuzengebouwen van vier of vijf verdiepingen, die men door monumentale deuren binnenging, en die versierd waren met groote standbeelden en langs welker gevels gebeeldhouwde, door cariatiden gesteunde balkons liepen.
Het houtwerk van deuren en ramen ontbrak; iedere van deze ongelukkige families had haar keuze gedaan, bewoonde of een geheele vorstelijke verdieping of gaf de voorkeur aan kleinere vertrekken, waarin ze zich konden ophoopen. De ramen waren meestal met planken dichtgespijkerd; de deuren met behulp van lompen dichtgestopt. Armzalige stukken linnengoed hingen op de gebeeldhouwde balkons te drogen, pavoiseerden met hun vuile vlaggen deze doodgeboren, in hun trots verdeemoedigde gevels. Een snelle slijtage, allerlei vuiligheden zonder naam bezoedelden reeds de mooie witte gebouwen, bespatten en bestreepten ze met smerige vlekken; door de prachtige deuren, die gemaakt waren voor het koninklijk uitrijden van equipages, stroomde een vieze beek van afval en drek, waarvan de poelen dan op den trottoirloozen rijweg vervuilden.
Tot tweemaal toe had Dario hen denzelfden weg al laten loopen. Hij verdwaalde steeds meer en meer en werd hoe langer hoe somberder.
“Ik had links moeten afslaan. Maar hoe kan je dat ook weten in zoo’n omgeving?”
Nu zagen zij heele troepen kinderen vol ongedierte in het stof kruipen. Zij waren buitengewoon vuil, bijna naakt; hun huid was heelemaal zwart, hun haren borstelig als bosjes paardenhaar. Vrouwen liepen rond in smerige rokken, haar openstaande jakken lieten borsten en heupen als van overwerkte lastdieren zien. Velen stonden krijschend met elkander te praten; anderen zaten, met haar handen op haar knieën, op oude stoelen en bleven, zonder iets te doen, urenlang in dezelfde houding zitten. Mannen zag men maar heel weinig. Slechts enkelen lagen op hun buik zwaar tusschen het rossige gras in de zon te slapen.
Maar vooral de geur was vreeselijk, een geur van vuile ellende; het menschelijke vee leefde daar in zijn drek en die stank werd nog erger door de uitwasemingen van een klein marktje, dat zij moesten oversteken: bedorven vruchten, gekookte, zure groenten, reeds den vorigen dag in gestolten en ranzig vet gebraden spijzen, die arme koopvrouwen van den grond af verkochten, terwijl een troep hongerige kinderen gulzig toekeek.
“Kort en goed, ik weet het niet meer,” zeide de prins tot zijn nicht. “Wees verstandig, we hebben er nu genoeg van gezien; laten we naar het rijtuig teruggaan.”
Inderdaad leed hij, en zooals Benedetta zelf gezegd had, hij kon niet lijden. Het scheen hem een monsterachtige misdaad toe zijn leven door een dergelijke wandeling somber te maken. Het leven was gemaakt, om het licht en prettig in de volle zon te leven. Men moest het alleen door mooie schouwspelen, gezang en dans opvroolijken. En in zijn naïef egoïsme had hij een waren afschuw van het leelijke, van de armoede, van het lijden, zoodat het zien alleen ervan hem reeds een onbehagelijk gevoel, een soort lichamelijke en moreele uitputting gaf.
Maar Benedetta, die evenals hij huiverde, wilde tegenover Pierre dapper zijn. Zij keek hem aan en daar zij zag hoe geïnteresseerd hij was, welk een hartstochtelijk medelijden zich van hem meester gemaakt had, wilde zij haar poging om deelneming met de armen en ongelukkigen te toonen, niet opgeven.
“Neen, neen, we moeten blijven, beste Dario … De heeren willen alles zien, niet waar?”
“Ja, het tegenwoordige Rome ligt hier,” zeide Pierre. “Dit hier zegt meer dan alle klassieke wandelingen door ruïnes en monumenten.”
“Nu overdrijft ge, mijn waarde,” zeide Narcisse op zijn beurt. “Maar ik stem toe, dat het interessant, zeer interessant is … Vooral de oude vrouwen zijn prachtig, vol uitdrukking …”
Op dat oogenblik kon Benedetta, die een buitengewoon mooi jong meisje voor zich zag, een kreet van gelukkige bewondering niet onderdrukken.
“O che bellezza!”1
Dario, die haar herkend had, riep met dezelfde verrukte uitdrukking uit:
“O, dat is Pierina … Zij zal ons den weg wijzen.”
Het kind liep de groep reeds een oogenblik na, zonder echter dichterbij te durven komen. Haar blikken, die straalden van de vreugde van een verliefde slavin, hadden zich vurig op den prins gericht; dan nam zij de contessina op, doch zonder eenigen haat, met een soort teedere onderworpenheid, een soort berustend geluk, dat ook zij heel mooi was. En zij was in waarheid zooals de prins haar afgeschilderd had: groot, sterk, met een godinnenhals, een echte antieke, een twintigjarige Juno met een ietwat te krachtige kin, een zeldzaam regelmatigen mond en neus, groote koeoogen en een stralend, als door de zon verguld gelaat onder een kroon van zware, zwarte haren.
“Wil jij ons den weg wijzen?” vroeg Benedetta vertrouwlijk glimlachend, reeds getroost over het vele leelijke bij het denkbeeld, dat er dergelijke wezens konden bestaan.
“Ja zeker, mevrouw, ja zeker, dadelijk!”
Zij liep voor hen uit met haar groote schoenen zonder gaten en in een oude bruinwollen japon, die zij blijkbaar kort geleden had gewasschen en gestopt. Men merkte aan alles, dat zij eenigszins coquet, dat zij op reinheid gesteld was, wat van de anderen niet gezegd kon worden, indien tenminste niet alleen haar groote schoonheid uit haar armzalige kleederen straalde en een godin van haar maakte.
“Che bellezza! che bellezza!” werd de contessina niet moede uit te roepen. “Het is werkelijk een genot, dat meisje aan te kijken.”
“Ik wist wel, dat zij in je smaak vallen zou,” antwoordde hij eenvoudig, gevleid over zijn vondst; hij sprak niet meer over heengaan, nu hij eindelijk zijn oogen kon laten rusten op iets, dat mooi was om te zien.
Achter hen kwam Pierre, eveneens verrukt, wien Narcisse, in wiens smaak het zeldzame en gekunstelde slechts viel, zijn bezwaren mededeelde.
“Zeker, zeker, zij is mooi … Maar in den grond der zaak is er niets plompers en zielloozers dan dit Romeinsche type … Achter haar huid is niets dan bloed, niets bovenaardsch.”
Maar Pierina was blijven staan en wees met een handbeweging op haar moeder, die voor de hooge deur van een onafgebouwd paleis op een half kapotte kist zat. Ook zij moest heel mooi geweest zijn, doch nu op haar veertigste jaar reeds was zij vervallen; haar oogen waren uitgedoofd door de ellende, haar mond met de zwarte tanden misvormd, haar gezicht doorploegd met diepe, slappe rimpels, haar boezem buitengewoon groot en afhangend. Bovendien was zij akelig-smerig; haar grijzende, ongekamde haren fladderden in verwarde lokken, haar rok en jak zaten vol vlekken en lieten het vuil op haar ledematen zien. Met haar beide handen hield zij een slapenden zuigeling, haar jongste kind, op haar knieën. Zij keek het wicht als terneergeslagen en moedeloos aan met de uitdrukking van een in zijn lot berustend lastdier, als een moeder, die kinderen op de wereld gebracht en gevoed heeft, zonder te weten waarom.
“Ja, ja!” zeide zij opkijkend; “dat is de mijnheer, die me een daalder is komen brengen, omdat hij je huilend aangetroffen had. En nu komt hij met zijn vrienden nog eens naar ons kijken. Ja, ja, er zijn toch nog goede zielen.”
Toen vertelde zij haar geschiedenis; maar onverschillig, zonder zelfs te trachten hun medelijden op te wekken. Zij heette Giacinta en was getrouwd met een metselaar, Tommaso Gozzo, bij wien zij zeven kinderen gehad had, Pierina, dan Tito, een grooten jongen van achttien jaar, en nog vier meisjes telkens na twee jaar, en nu eindelijk dit kind, een jongen. Heel lang hadden zij in dezelfde woning in Trastevere gewoond, een oud huis, dat echter gesloopt was. En het scheen, dat men tezelfdertijd hun bestaan gesloopt had, want sedert zij hun toevlucht gezocht hadden in de Prati del Castello, trof hen de eene ramp na de andere, de vreeselijke crisis in de bouwvakken, die Tommaso en haar zoon Tito werkeloos gemaakt had, de sluiting van de wasparelenfabriek, waar Pierina tenminste nog twintig centesimi verdiende, zoodat zij niet van honger behoefden om te komen. Maar nu werkte niemand, leefde de heele familie van het toeval.
“Als u soms liever naar boven wilt? Daar zult u Tommaso vinden met zijn broer Ambrogio, dien we bij ons genomen hebben; zij zullen beter met u kunnen praten en alles vertellen, wat gezegd moet worden … Wat zal ik u zeggen? Tommaso rust uit net als Tito, hij slaapt, omdat hij toch niets beters te doen heeft.”
Met haar hand wees zij naar een jongen, flinken kerel met een grooten neus, een harden mond en dezelfde mooie oogen als Pierina, die languit in het dorre gras lag. Al die menschen niet vertrouwend, had hij even opgekeken. Een toornige plooi kwam op zijn voorhoofd, toen hij merkte met welk een verrukten blik zijn zuster naar den prins keek. Hij liet zijn hoofd weer achterover vallen, doch sloot zijn oogleden niet, maar loerde eronder door naar hen.
“Pierina, wijs jij mevrouw en den heeren den weg eens.”
Enkele andere vrouwen, wier naakte voeten in afgeloopen pantoffels staken, waren dichterbij gekomen; troepen kinderen, halfgekleede meisjes, waarbij ongetwijfeld de vier van Giacinta waren, wriemelden om haar heen. Allen geleken met haar zwarte oogen onder de verwarde kroesharen zoo op elkaar, dat alleen de moeders ze onderscheiden konden; het was als een opschieten, als een kampeeren der ellende in de volle zon midden in deze majestueuse ongeluksstraat, die door onvoltooide en reeds in puin vallende paleizen omzoomd werd.
“Neen, ga niet mee naar boven,” zeide Benedetta zacht en met een glimlachende teederheid tegen haar neef; “ik wil je dood niet, beste Dario. Het is al heel lief van je, dat je tot hier meegegaan bent. Nu mijnheer de abbé en mijnheer Habert met me medegaan, kan je best hier buiten in de heerlijke zon wachten.”
Ook hij begon te lachen en gaf gaarne gevolg aan haar wensch; hij stak een sigaret aan en ging met kleine pasjes op en neer loopen.
Pierina was vlak onder de groote portiek doorgegaan. Deze had een hoog, met rosetvormige vakken versierd gewelf; maar in de vestibule bedekte een echte mestvaalt de marmeren tegels, die men reeds was begonnen te leggen. Dan kwam de monumenteele steenen trap met de gescheurde en gebeeldhouwde leuning; de treden waren reeds gebroken en met zulk een dikke laag vuil bedekt, dat zij wel zwart geleken. Overal hadden handen vettige sporen achtergelaten.
Op het groote portaal van de tweede verdieping bleef Pierina staan en riep door de opening van een groote, openstaande deur zonder lijst of vleugels:
“Vader, een dame en twee heeren willen u spreken.”
En zich dan tot de contessina wendend:
“Heelemaal achteraan, in de derde kamer!”
En zij maakte zich uit de voeten, liep veel vlugger de trap af dan zij hem opgegaan was; zij wilde Dario weer zien.
Benedetta en de twee heeren liepen twee zeer groote kamers door; de grond vertoonde heuveltjes van afgevallen kalk, de ramen stonden wijd open. Eindelijk kwamen zij in een kleineren salon, waar de geheele familie Gozzo, met wat zij nog aan meubelen over had, huisde. Op den grond lagen op de onbedekt gebleven ijzeren dwarsbalken vijf of zes vuile, door zweet verteerde stroozakken. Een lange, nog goede tafel stond in het midden, evenals een paar oude, met touwen vastgebonden stoelen, waaruit echter de stroozittingen verdwenen waren. Maar het zwaarste werk was toch geweest twee van de drie ramen met planken dicht te spijkeren, terwijl het derde en de deur gesloten waren met oud, vuil linnen vol gaten.
Tommaso, de metselaar, scheen verbaasd, blijkbaar was hij dergelijke liefdadigheidsbezoeken niet gewend. Hij zat met zijn beide ellebogen en zijn kin tusschen zijn handen aan de tafel uit te rusten, zooals zijn vrouw Giacinta gezegd had. Het was een flinke kerel van een vijf-en-veertig jaar met een zwaren haar- en baardgroei, een groot, lang gezicht en, ondanks zijn niets doen, de waardigheid van een Romeinsch edelman. Bij het zien van de twee heeren, in wie hij onmiddellijk vreemdelingen rook, stond hij met een plotselingen aanval van wantrouwen op. Maar zoodra hij Benedetta herkende, begon hij te glimlachen; en toen zij hem het doel van haar komst vertelde en zeide, dat Dario beneden gebleven was, viel hij haar in de rede:
“Ik weet het, ik weet het, contessina … Ik weet heel goed, wie u bent, want ik heb, toen mijn vader nog leefde, in den palazzo Boccanera eens een raam dichtgespijkerd.”
Dan liet hij zich gewillig uitvragen. Aan Pierre, die verbaasd luisterde, antwoordde hij, dat er wel geen geluk heerschte, maar dat zij toch zouden hebben kunnen leven, wanneer ze maar twee dagen per week konden werken. Het was heel goed aan hem te merken, dat hij heel graag de buikriem toehaalde, als hij maar op zijn gemak leven kon. Het was weer precies de geschiedenis van den slotenmaker, die, toen een reiziger hem liet roepen om het slot van een koffer te openen, waarvan de sleutel was weggeraakt, absoluut weigerde in zijn siësta-uurtje te komen. Daar er zooveel ledige paleizen voor de armen openstonden, behoefde men geen huur meer te betalen, en ze waren zoo gauw tevreden en stelden zulke lage eischen, dat enkele centisimi voor voedsel voldoende geweest zouden zijn.
“Ja, mijnheer, onder den paus ging alles beter … Mijn vader, die evenals ik, metselaar was, heeft zijn geheele leven in het Vaticaan gewerkt: trouwens, wanneer ik tegenwoordig nog werk heb, is het altijd daar … Ziet u eens, wij zijn allemaal verwend door die tien jaar, dat er zooveel werk was, dat je niet van den ladder kwam en verdiende wat je wilde. Natuurlijk kon je beter eten, je beter kleeden en behoefde je je geen pleiziertje te ontzeggen, en daarom is het des te harder dat nu wel te moeten doen … Maar als u ons onder den paus eens hadt kunnen zien! Geen belastingen, alles voor niets, je behoefde alleen maar te leven!”
Op dat oogenblik klonk van een der stroozakken in de schaduw der dichtgespijkerde ramen, een gebrom.
“Dat is mijn broer Ambrogio,” ging de metselaar op zijn gelaten, kalmen toon voort, “hij is het niet met me eens … In ’49, toen hij veertien was, heeft hij met de republikeinen medegedaan … Maar dat hindert niets, we hebben hem toch bij ons genomen, toen we hoorden, dat hij van honger en ellende in een kelder omkwam.”
De bezoekers doorhuiverde een rilling van medelijden. Ambrogio was vijftien jaar ouder dan zijn broeder en, hoewel hij nauwlijks zestig was, nog slechts een ruïne: hij werd door koorts verteerd en zijn beenen waren zóó mager, dat hij zijn dagen op zijn stroomatras doorbracht, zonder ooit uit te gaan. Hij was kleiner, magerder en drukker dan zijn broeder en vroeger schrijnwerker geweest. Maar ondanks zijn lichamelijk verval had hij nog een zeer helder hoofd, het edele en tragische gelaat van een apostel en een martelaar.
“De paus, de paus,” bromde hij, “ik heb nooit iets kwaads gezegd van den paus, maar het is toch zijn schuld, dat de tyrannie blijft voortduren. Hij alleen had ons in ’49 de republiek kunnen geven, en dan zou het met ons niet zoo gesteld zijn, zooals het nu het geval is.”
Hij had Mazzini gekend en koesterde nog steeds diens onbestemd ideaal van een republikeinschen paus, die vrijheid en broederschap op aarde zou doen heerschen. Maar later verwarde zijn hartstocht voor Garibaldi dit begrip; van af dat oogenblik hield hij het pausdom voor onwaardig en niet in staat om te werken aan de bevrijding der menschheid, zoodat hij zweefde tusschen het droombeeld van zijn jeugd en zijn harde levenservaring. Verder had hij altijd gehandeld onder den invloed van een heftige emotie en bleef het bij mooie woorden, bij vage, onbestemde verlangens.
“Ambrogio,” begon Tommaso, nog altijd even kalm, weer; “de paus is de paus, en wie verstandig is, kiest zijn partij, omdat hij altijd de paus zijn zal, dat wil zeggen de sterkste. Als we morgen stemmen moesten, zou ik voor hem stemmen.”
De oude werkman haastte zich niet met een antwoord. De bedachtzame voorzichtigheid van zijn ras had hem kalm gemaakt.
“Ik zou tegen hem stemmen, Tommaso, altijd tegen hem … En je weet heel goed, dat wij altijd de meerderheid zouden hebben. Met den paus-koning is het uit. De Borgo zelf zou daartegen in opstand komen … Maar dat wil niet zeggen, dat we ons niet met hem verstaan moeten, opdat de godsdienst van iedereen gerespecteerd wordt.”
Vol belangstelling luisterde Pierre. Hij waagde het een vraag te stellen.
“En zijn er in Rome veel socialisten onder het volk?”
Ditmaal liet het antwoord zich nog langer wachten.
“Socialisten, mijnheer de abbé, ja zeker, enkelen, maar lang zooveel niet als in andere steden … Dat zijn nieuwigheden, waarbij de ongeduldigen zich aansluiten zonder er heel veel van te begrijpen … Wij, ouderen, waren voor de vrijheid, wij zijn niet voor brandstichten en moorden.”
Waarschijnlijk was hij bang in tegenwoordigheid van die dame en die heeren te veel te zeggen, want hij begon te steunen, terwijl hij zich op zijn matras uitstrekte. Intusschen maakte de contessina, die last begon te krijgen van den stank, aanstalten om weg te gaan, na den priester gewaarschuwd te hebben, dat het beter zou zijn hun aalmoes beneden aan de vrouw te geven.
Reeds was Tommaso weer met zijn kin tusschen zijn handen aan de tafel gaan zitten en groette zijn gasten zonder zich om hun weggaan meer te bekommeren dan om hun komen.
“Tot ziens! Het was mij een groot genoegen u van dienst te kunnen zijn!”
Maar op den drempel kon Narcisse zijn geestdrift niet meer bedwingen. Hij keerde zich om, om nog eens den kop van den ouden Ambrogio te bewonderen.
“Mijn waarde abbé, wat een meesterwerk! Dat is heerlijk, dat is schoon! Hoeveel minder banaal is dat dan het gezicht van dat meisje … Hier ben ik er zeker van, dat een geslachtelijke valstrik mij niet in een onreine verleiding brengt. Ik geraak om lage redenen niet in verrukking … En bovendien, welk een oneindigheid is er in die rimpels, welk een mysterie in die diepe oogen, welk een geheimzinnigheid in die stoppelige haren en baard! Zoo stel je je een profeet, God den Vader voor!”
Beneden zat Giacinta nog met haar zuigeling op de half kapotte kist; eenige passen verder stond Pierina voor Dario en keek met een verrukt gezicht, hoe hij zijn sigaret oprookte, terwijl Tito nog als een dier in het gras op den loer lag en hen geen oogenblik uit het oog verloor.