“O, mevrouw,” begon Giacinta met haar berustende en temende stem; “nu hebt u het zelf gezien, het is bijna niet bewoonbaar! Het eenige goede ervan is, dat je er werkelijk wat ruimte hebt. Maar aan den anderen kant tocht het er altijd zóó, dat je er ieder oogenblik van den dag een doodelijke kou kan vatten. En dan ben ik altijd bang voor de kinderen met het oog op de gaten.”
Zij deed het verhaal van een vrouw, die, toen zij op het portaal wilde gaan, een raam voor een deur aangezien had, op straat gevallen en onmiddellijk dood was. Een meisje had haar armen gebroken door van een trap te vallen, die geen leuning had. Bovendien zou je er kunnen sterven, zonder dat iemand het wist of op het denkbeeld komen zou je op te rapen. Den vorigen dag nog had men achter in een afgelegen kamer het lijk van een ouden man gevonden, die minstens een week geleden van honger gestorven moest zijn; hij zou er zeker nog langer blijven zijn liggen, als de vreeselijke stank den buren zijn aanwezigheid niet verraden had.
“En als je nu nog maar te eten hadt!” ging Giacinta voort. “Maar wanneer je niet eet en je een kind voeden moet, dan heb je geen melk. De kleine zuigt je gewoon je bloed uit je lichaam! Hij wordt boos, wil wat hebben—och, en dan begin ik te huilen, want het is mijn schuld niet, dat er niets is.”
Inderdaad waren er tranen in haar oogen gekomen. Maar een plotselinge woede maakte zich van haar meester, toen zij merkte, dat Tito nog steeds als een beest in het zonnetje lag, wat zij al heel onbeleefd vond voor die hooge dame en heeren, die haar zeker een aalmoes zouden geven.
“Hei, Tito, luilak, kan je niet opstaan, wanneer er menschen zijn?”
Hij hield zich eerst doof, maar stond toch eindelijk kwaadgehumeurd op. Pierre, die belang stelde in den jongen, trachtte hem aan het praten te krijgen, zooals hem dat boven met den vader en den oom gelukt was. Doch hij kreeg slechts korte, wantrouwende, gemelijke antwoorden uit hem. Als je geen werk hadt, was slapen het eenige, dat er overbleef. Met kwaad worden veranderde je de dingen toch niet. Het beste was te leven zoo goed en zoo kwaad als het ging, zonder het je moeilijk te maken. Wat de socialisten betreft, ja misschien waren er enkelen, maar hij kende ze niet. En uit zijn indolente, onverschillige houding bleek heel duidelijk, dat, ook al mocht de vader voor den paus en de oom voor de republiek zijn, hij, de zoon, voor niets was. Pierre voelde daarin het einde van een volk of liever gezegd den slaap van een volk, waarin nog geen democratie ontwaakt was.
Maar toen de priester door bleef vragen, hoe oud hij was, op welke school hij geweest was, in welke wijk hij geboren was, viel Tito, terwijl hij met zijn vinger op zijn borst wees, hem met een ernstige stem in de rede:
“Io son Romano di Roma!”
Inderdaad, was dat niet het antwoord op alles? “Ik ben een Romein uit Rome!” Pierre glimlachte droevig en zweeg. Nooit had hij beter den hoogmoed van het ras, het oeroude, zoo zwaar op de schouders drukkende erfdeel van den roem gevoeld. In dezen gedegenereerden jongen, die nauwlijks lezen of schrijven kon, herleefde de onbeperkte ijdelheid der Caesars. Deze hongerlijder kende de stad, zou instinctmatig de mooiste bladzijden uit haar geschiedenis kunnen vertellen. Hij was vertrouwd met de namen der groote keizers en groote pausen. Waarom te werken, nadat men de meester der wereld geweest was? Waarom zou men in de mooiste stad, onder den mooisten hemel, niet in voornaam nietsdoen leven?
“Io son Romano di Roma!”
Benedetta had haar aalmoes in de hand der moeder laten glijden en Pierre en Narcisse, die haar voorbeeld volgden, deden hetzelfde, toen Dario, die Pierina niet wilde vergeten, maar haar toch geen geld durfde geven, op een aardig denkbeeld kwam. Hij bracht zacht zijn vingers aan zijn lippen en zeide met een vriendelijk lachje:
“Voor de schoonheid!”
Dit kushandje, dat eenigszins ermede spottende lachje, deze zoo vertrouwlijke prins, dien de zwijgende vereering van de mooie parelwerkster als in een liefdesgeschiedenis uit vroeger tijden trof, dat alles had werkelijk iets bekorends en liefs.
Pierina kreeg een kleur van blijdschap; zij raakte heelemaal haar hoofd kwijt, nam plotseling de hand van Dario, drukte er haar warme lippen op in een onberedeneerde opwelling, waarin zoowel groote dankbaarheid als verliefde teederheid lag. Maar de oogen van Tito fonkelden van woede; hij greep zijn zuster ruw bij haar rok en stiet haar met zijn vuist op zijde, terwijl hij dreigend bromde:
“Pas op hoor, ik vermoord jou en hem ook!”
Het werd hoog tijd, om weg te gaan, want ook andere vrouwen, die het geld blijkbaar geroken hadden, kwamen naderbij, staken haar hand uit en lieten haar huilende kinderen zien. Een groote opwinding had zich van de ellendige wijk met haar groote verwaarloosde gebouwen meester gemaakt, een noodkreet rees op uit de doode straten met de op marmeren bordjes prijkende namen. Wat te doen? Ze konden toch niet aan allen geven. Er bleef niet anders over dan weg te vluchten.
Toen Benedetta en Dario weer bij haar rijtuig waren, stapten zij vlug in en drukten zich, blij aan deze nachtmerrie ontsnapt te zijn, dicht tegen elkaar. Toch streelde het haar eigenliefde, dat zij zich in tegenwoordigheid van Pierre dapper gehouden had, en drukte hem de hand als een dappere leerling, toen Narcisse gezegd had, dat hij met den priester wilde gaan dejeuneeren in het kleine restaurant op de piazza S. Pietro, vanwaar men zoo’n interessant gezicht op het Vaticaan had.
“Drinkt een glas witten Genzano,” riep Dario, die zijn oude vroolijkheid weer teruggekregen had, hun na. “Er bestaat niets beters om zwartgallige ideeën te verjagen.”
Maar Pierre was onverzadigbaar, wilde meer bijzonderheden weten. Onderweg vroeg hij Narcisse naar het volk van Rome, naar zijn leven, zijn zeden en gewoonten. Het onderwijs beteekende zoo goed als niets. Industrie en handel was er bijna niet te vinden. De mannen oefenden de enkele nog bestaande handwerken uit, terwijl het voortgebrachte alleen maar in Rome zelf verkocht werd. Onder de vrouwen waren enkele parelwerksters en borduursters, terwijl religieuze artikelen, medailles en rozenkransen, en het vervaardigen van lokale snuisterijen altijd een zeker aantal menschen van werk voorzagen. Maar zoodra de vrouw trouwde en moeder werd van een als door een wonder opschietende kinderzwerm werkte zij niet meer. In het kort gezegd, de bevolking leefde, zoo goed en zoo kwaad als het ging, werkte juist genoeg om te eten, was tevreden met groenten, pap en een beetje schapenvleesch, kwam niet in opstand, was zonder eenige eerzucht voor de toekomst, zorgde slechts voor den dag van heden. De twee eenige ondeugden waren het spel en de roode en witte wijn van de Romeinsche Castelli, wijnen, die tot moord en doodslag aanzetten, wijnen, die op avonden van feestdagen na het sluitingsuur der kroegen de straten vulden met reutelende, met messteken doorboorde mannen. De meisjes waren over het algemeen zeer fatsoenlijk; zij, die zich voor het huwelijk aan een man overgaven, waren te tellen. Dat vond vooral zijn oorzaak in het feit, dat de familieband zeer sterk was en het vaderlijk gezag nog onbeperkt heerschte.
De broers waakten over de eer van haar zusters, zooals Tito, hoewel hij zoo ruw tegenover Pierina was, over haar waakte met een woeste zorg, en dat niet om de een of andere geheime ijverzucht, maar voor den goeden naam en de eer der familie. En toch heerschte er geen werkelijke godsdienstigheid, maar wel een zeer kinderlijke afgoderij: aller harten gingen uit tot Maria en de heiligen; dezen alleen bestonden, tot hen alleen werd gebeden met achterstelling van God, aan wien het niemand inviel te denken.
Uit dit alles was het stilstaan van het lagere Romeinsche volk zeer goed te verklaren. Eeuwen van aangemoedigd niets doen, gestreelde ijdelheid en verweekelijkt leven lagen achter hen. Wanneer zij geen metselaars, schrijnwerkers of bakkers waren, dan waren zij bedienden; zij dienden bij priesters en waren daardoor min of meer aan den invloed van het Vaticaan onderworpen. Vandaar twee streng gescheiden partijen: de vroegere carbonari, de latere Mazzinianen en Garibaldianen, die ongetwijfeld de meerderheid en de elite van Trastevere vormden; en de aanhangers van het Vaticaan, al degenen, die van de Kerk leefden en naar den paus-koning terug verlangden. Maar aan beide kanten bleef het altijd bij denkbeelden, waarover men sprak, zonder dat ooit de gedachte opkwam, zich eens voor het een of ander in te spannen, zich bloot te stellen aan een gevaar. Er zou een zeer sterke hartstocht voor noodig geweest zijn, om het koele verstand van het ras weg te vagen en hen tot den een of anderen waanzin te brengen. Waartoe ook? De ellende duurde al zooveel eeuwen, de hemel was zoo blauw, de siësta tijdens de warmste uren was meer waard dan al het overige. Slechts een ding scheen erbij gekomen te zijn, een fond van vaderlandsliefde.
De meerderheid was beslist voor Rome als hoofdstad, voor dezen heroverden roem, zelfs in dien mate, dat er in de Leostad bijna een oproer uitgebroken was, toen er sprake was van een accoord tusschen Italië en den paus, dat als grondslag het herstel van de wereldlijke macht over die stad had. Dat de ellende toch grooter scheen geworden te zijn en de Romeinsche werkman meer klaagde, vond zijn oorzaak hierin, dat hij in werkelijkheid niets gewonnen had bij de reusachtige werken, die de laatste vijftien jaar in zijn stad waren uitgevoerd. In de eerste plaats hadden veertig duizend arbeiders Rome overstroomd, arbeiders, die voor het grootste gedeelte uit het Noorden gekomen waren, voor minder loon werkten, moediger waren en meer weerstandsvermogen bezaten. In de tweede plaats had hij, toen hij zelf zijn deel in het werk kreeg, beter geleefd, zonder echter iets op zijde te leggen, zoodat, toen de crisis uitgebroken was en men de veertig duizend arbeiders weer naar hun provincies had moeten terugzenden, hij weer in dezelfde positie verkeerde als vroeger: in een doode stad, waarin alle werkplaatsen ledig stonden en voorloopig geen kans op werk was. Aldus viel hij weer terug tot zijn oude indolentie, in den grond der zaak blij, dat hij niet door al te veel werk geplaagd werd, en ging weer zoo goed mogelijk samenwonen met zijn oude liefde, de ellende—zonder een cent, maar als een groote mijnheer.
Vooral werd Pierre getroffen door het groote verschil in karakter tusschen de ellende te Parijs en die te Rome. Ongetwijfeld was hier de ontbering nog grooter, het voedsel nog vuiler, de smerigheid nog afstootender. Maar hoe kwam het dan, dat deze verschrikkelijk-arme menschen meer echte vroolijkheid bezaten, hun leed opgewekter droegen? Wanneer hij zich een winter te Parijs, de krotten, die hij zoo dikwijls bezocht had, waarin de sneeuw binnendwarrelde en heele families zonder vuur of brood zaten te rillen, voor den geest riep, dan werd zijn hart aangegrepen door een medelijden, dat hij in de Prati del Castello lang niet zoo levendig gevoeld had. Nu eindelijk begreep hij het: de ellende te Rome was een ellende, die geen koude leed. Welk een heerlijke en eeuwige troost was die altijd warme zon, die weldoende hemel, die uit medelijden met die ongelukkigen, steeds blauw bleef. Wat beteekende een krot van een verblijf, wanneer men buiten kon slapen en zich laten liefkoozen door de zoele winden? Wat beteekende zelfs honger, wanneer het huishouden in zonnige straten, in het droge gras op het geluk van het toeval wachten kon? Het klimaat maakte de menschen sober: er waren geen nevels, die men met alcohol trachtte te overwinnen. Het goddelijke nietsdoen vermeide zich in de gulden avonden, de armoede werd in deze heerlijke lucht, waarin het enkele levensgeluk voor het schepsel voldoende scheen te zijn, een vrij genot.
Te Napels, vertelde Narcisse, leefde in de nauwe, stinkende, met te drogen hangend waschgoed gepavoiseerde straten aan de haven en in Santa Lucia de bevolking heelemaal buiten. De vrouwen en de kinderen, die niet beneden op straat waren, leefden op lichte houten balcons, die voor alle ramen aangebracht waren. Hier werd genaaid, gezongen, gewasschen. Maar de straat was eigenlijk de gemeenschappelijke woonkamer; hier trokken de mannen hun broeken aan, reinigden halfnaakte vrouwen haar kinderen van ongedierte en kamden zichzelf; hier was voor het hongerige volk de tafel altijd gedekt. Op kleine tafeltjes, op wagens werd een doorloopende markt gehouden van goedkoope eetwaren, te rijpe granaatappels en watermeloenen, gekookte knoedels, afgekookte groenten, gebakken visch, mosselen, alle heelemaal klaar en gereed, zoodat men altijd in de open lucht kon eten, zonder ooit vuur behoeven aan te maken. En wat voor een wriemelende menigte! De vrouwen gesticuleerden aan één stuk door, de vaders zaten in een lange rij langs de trottoirs, kinderen renden heen en weer te midden van een oorverdoovend lawaai, geschreeuw, gezang, muziek. Ruwe stemmen barstten in luid gelach uit, bruine, niet mooie gezichten hadden prachtige oogen, die onder het inktzwarte, verwarde haar van levensvreugde schitterden. O, arm, vroolijk, kinderlijk, onwetend volk, welks eenige wensch zich tot de enkele centesimi bepaalde, die noodig waren, om op deze eeuwigdurende markt zijn honger te stillen!
Zeker, nog nooit was een democratie zich minder zichzelf bewust geweest. Waar zij, zooals men zeide, terugverlangden naar de oude monarchie, onder welke hun rechten op dit leven van zorgelooze armoede beter verzekerd schenen te zijn, moest men zich wel afvragen, of het noodzakelijk was zich om hunnentwil zooveel moeite te geven, voor hen, tegen hun zin, meer kennis en bewustzijn, meer welvaart en waardigheid te veroveren. Toch steeg in Pierre’s hart bij deze vroolijkheid van hongerlijders, die door de bedwelming van de zon in het leven geroepen werd, een eindelooze droefheid op. Ja de mooie hemel, niets dan de mooie hemel bewerkte deze langdurige jeugd van dat volk, verklaarde, waarom de democratie niet vlugger ontwaakte. O, zeker, de armen van Rome en Napels leden gebrek aan alles; maar in hun hart bleef niet de wrok, dat zij van koude gerild hadden, terwijl de rijken zich warmden voor groote vuren; zij kenden niet de woeste droomen in de door sneeuw koude krotten voor een dun stukje kaars, dat dadelijk uitgebrand zou zijn; zij kenden niet den dan opvlammenden drang, om zichzelf gerechtigheid te verschaffen, kenden niet den plicht van opstand, om vrouw en kinderen van de tering te redden, om zelf ook een warm nestje te hebben, waarin leven mogelijk was. Ja, de ellende, die koude lijdt, is het toppunt, neen het exces van sociale onrechtvaardigheid, de vreeselijke school, waarin de arme zijn lijden leert kennen, ertegen in opstand komt en zweert er een einde aan te zullen maken, ook al moet de oude wereld daardoor ten gronde gaan!
En in dezen milden hemel vond Pierre ook een verklaring voor den Heiligen Franciscus van Assisi, dien goddelijken bedelaar uit liefde, die langs de wegen trok en de heerlijke bekoring der armoede bezong. Hij was ongetwijfeld een onbewust revolutionnair en protesteerde, door dezen terugkeer tot de liefde voor de armen, tot den eenvoud van de oorspronkelijke Kerk, op zijn wijze tegen de overmatige weelde van het Romeinsche Hof. Maar nooit zou zulk een ontwaken van onschuld en matigheid kunnen plaats hebben in een Noordelijk land, dat verstart onder de December-vorsten. Daarvoor is de betoovering der natuur, de matigheid van een door de zon gevoed volk, de door de lauwe wegen steeds gezegende bedelarij noodig. Slechts op die wijze had hij tot volkomen zelfvergetelheid en zelfverloochening kunnen komen. En toen drong zich een eerst onoplosbaar schijnende vraag aan hem op: hoe had een Heilige Franciscus, een ziel, die alle schepselen, de dieren en de dingen, met een zoo vurige broederliefde liefhad, eens kunnen ontstaan op deze aarde, die tegenwoordig zoo liefdeloos, zoo hard voor de armen is, haar mindere volk veracht en niet eens haar paus haar aalmoes geeft? Had de oude hoogmoed de harten uitgedroogd of leidde de ervaring van zeer oude volkeren ten slotte tot egoïsme, dat de ziel van Italië ingesluimerd scheen te zijn in haar dogmatisch en pronkzuchtig Katholicisme, terwijl de terugkeer tot het Evangelische ideaal, de liefde tot de armen en ongelukkigen, in onze dagen ontwaakte in de sombere vlakten van het Noorden, onder de van zon beroofde volkeren? Dat alles werkte samen, maar vooral was het de reden, waarom de Heilige Franciscus, nadat hij zijn dame, de Armoede, zoo vroolijk getrouwd had, haar blootsvoets en nauwlijks gekleed in de heerlijke lente kon leiden te midden van bevolkingen, waarin toen een vurige behoefte aan medelijden en liefde brandde.
Al pratende waren Pierre en Narcisse op het plein voor de St. Pieter gekomen. Zij gingen zitten voor de deur van het restaurant, waarin zij reeds eenmaal gedejeuneerd hadden, aan een der kleine tafeltjes, die met haar smoezelig linnengoed langs het trottoir stonden. Maar het uitzicht was prachtig: tegenover hen de basilica, rechts boven de majestueuze zuilengaanderij het Vaticaan. Dadelijk had Pierre opgekeken naar het Vaticaan, dat hem als het ware niet losliet, vooral naar die tweede verdieping met de altijd gesloten ramen, waar de paus woonde, waar nooit iets levends te zien was. Toen de kellner de hors-d’oeuvre, finocchi en ansjovis bracht, gaf de priester een klein gilletje, om de aandacht van Narcisse te trekken.
“Kijk toch eens, waarde vriend … Daar aan het raam, dat, naar men zegt, dat van den Heiligen Vader is … Ziet u daar niet een witte, onbeweeglijke gestalte staan?”
De jonge man begon te lachen.
“Dat moet de Heilige Vader in eigen persoon zijn, u verlangt zoo zeer hem te zien, dat uw wensch hem als het ware bezweert.”
“Maar ik verzeker u,” zei de Pierre nogmaals, “dat erachter de ramen een witte gestalte staat, die naar ons kijkt.”
Narcisse, die trek had, at, maar bleef onder het eten door schertsen. Dan plotseling ernstig:
“Daar de paus naar ons kijkt, is het het geschikte oogenblik, om nog eens over hem te praten … Ik heb u beloofd u te zullen vertellen hoe hij de millioenen van het erfdeel van den Heiligen Petrus verloren heeft in die verschrikkelijke financieele catastrophe, waarvan u de puinhoopen zooeven gezien hebt, en een bezoek aan de nieuwe wijk in de Prati del Castello zou niet volledig zijn, als het niet besloten werd met dat verhaal.”
En zonder zich iets van het dejeuner te laten ontgaan, vertelde hij de lange geschiedenis. Bij den dood van Pius IX bedroeg het erfgoed van den Heiligen Petrus meer dan twintig millioen. Lang had kardinaal Antonelli, die speculeerde en over het algemeen goede zaken maakte, dat geld gedeeltelijk bij Rothschild en gedeeltelijk in de handen van sommige nuntii gelaten, die in opdracht hadden het in het buitenland goed te beleggen. Maar na den dood van kardinaal Antonelli vroeg zijn opvolger, kardinaal Simeoni, het geld aan de nuntii terug, om het in Rome te plaatsen. In dien tijd, onmiddellijk na zijn troonsbestijging, riep Leo XIII met het doel het erfgoed te besturen, een commissie van kardinalen in het leven, waarvan monsignor Folchi tot secretaris benoemd werd. Deze prelaat, die gedurende twaalf jaar een belangrijke rol speelde, was de zoon van een ambtenaar aan de Daterie2, die bij zijn dood een door handige speculatie bij elkaar gekregen millioen naliet. Monsignor Folchi was in vele opzichten het evenbeeld van zijn vader en liet zich weldra als een financier van de eerste kracht kennen, zoodat de commissie hem langzamerhand alle macht in handen gaf, hem volkomen de vrije hand liet en er zich toe bepaalde het rapport, dat hij in elke zitting indiende, goed te keuren. Het erfgoed gaf niet veel meer dan een millioen rente, en daar de uitgaven tot zeven millioen opliepen, moesten de zes andere elders gevonden worden. De paus gaf jaarlijks drie millioen van den St. Pieterspenning aan monsignor Folchi, die gedurende de twaalf jaar, dat hij het financieele beheer voerde, het wonder verrichtte die te verdubbelen door zijn handige speculaties en beleggingen, zoodat men den uitgaven het hoofd kon bieden zonder het erfgoed aan te spreken.
Zoo behaalde hij in de eerste tijden groote winsten door zijn grondspeculaties te Rome. Hij nam aandeelen in alle nieuwe ondernemingen, speculeerde in molens, omnibussen en waterleidingen, afgezien van een in overeenstemming met een Katholieke bank, de Banca di Romana, gevoerden wisselhandel. De paus, die tot dusverre zijnerzijds ook gespeculeerd had door bemiddeling van een vertrouwensman, een zekeren Sterbini, was over monsignor Folchi’s handigheid zóó verbaasd, dat hij Sterbini ontsloeg en den kardinaal opdroeg ook met zijn geld te speculeeren, zooals hij het met dat van den Heiligen Stoel gedaan had. Dit was de tijd, dat monsignor Folchi op het toppunt van zijn macht stond. Dan begonnen de slechte dagen: de bodem kraakte reeds en als met donderslagen stortte alles in.
Ongelukkigerwijze bestond een der operaties van Leo XIII hierin, dat hij aan den Romeinschen adel, die, verteerd door den hartstocht voor het spel en in grond- en bouwspeculaties gewikkeld, geen geld had, groote sommen leende; deze gaf hem als borgstelling aandeelen, zoodat, toen de debacle kwam, hij niets dan vodjes papier in handen had. Bovendien was er nog een geheel andere, zeer rampspoedige geschiedenis, n.l. de poging, om te Parijs een bank op te richten, met het doel om obligaties, die Italië zelf niet hebben wilde, te plaatsen onder de vrome, aristocratische clientèle in Frankrijk; als lokaas zeide men, dat de paus daarin betrokken was, en het ergste was inderdaad, dat hij bij die zaak drie millioen verloor. Kort en goed, de toestand werd des te kritieker, daar hij ten slotte de millioenen, waarover hij beschikte, in de vreeselijke speculatiepartijen gestoken had, die in Rome onder de vensters van het Vaticaan afgespeeld werden.
Ongetwijfeld werd ook hij door de speelwoede verteerd, misschien ook koesterde hij heimelijk de hoop om door het geld de stad, die men hem met geweld ontrukt had, terug te winnen. De geheele verantwoordelijkheid van dat alles rustte op hem, want nooit stak monsignor Folchi geld in een belangrijke onderneming, zonder hem te raadplegen. Zoo was hij door zijn hebzucht en door zijn zedelijk hooger staanden wensch, om aan de Kerk de moderne almacht van het grootkapitaal te geven, de werkelijke bewerker van de ramp geworden. Maar, zooals het altijd gaat, de kardinaal werd de eenige zondenbok. Hij had een heerschzuchtig en moeilijk karakter; de kardinalen van de commissie sympathiseerden niet met hem, vonden de zittingen volmaakt overbodig, omdat hij als onbeperkt heerscher handelde en men alleen bijeenkwam, om goed te keuren, wat hij wel zoo goed was omtrent zijn operaties mede te deelen. Toen de catastrophe losbrak, werd een complot gesmeed: de kardinalen maakten den paus bang met de praatjes, die de ronde deden en dwongen daarna monsignor Folchi aan de commissie rekening en verantwoording af te leggen. De toestand was buitengewoon zorgwekkend, reusachtige verliezen konden niet meer vermeden worden.
Zoo viel hij in ongenade; van af dat oogenblik heeft hij steeds weer vergeefs om een audiëntie bij Leo XIII gevraagd, die, hardvochtig, steeds geweigerd heeft hem te ontvangen als om hem te straffen voor hun gemeenschappelijke fout, de hebzucht van hen beiden. Maar monsignor Folchi heeft zich nooit beklaagd: vroom, onderworpen en berustend heeft hij zijn geheim bewaard. Niemand zou het cijfer van de millioenen, die het erfgoed van den Heiligen Petrus in de catastrophe van het in een speelhol veranderde Rome gelaten heeft, met juistheid kunnen zeggen; sommigen beweren tien, anderen weer dertig millioen. Het meest aannemelijk is echter, dat er vijftien millioen verloren gegaan zijn.
Na de coteletten met tomaten bracht de kellner een gebraden kip.
“Het gat is nu gestopt,” eindigde Narcisse zijn verhaal, “ik heb u al verteld van de reusachtige sommen, die de St. Pieterspenning opgebracht heeft en waarvan de paus, die over het geheele bedrag beschikt, alleen het juiste cijfer kent … De les is niet voldoende geweest om hem te verbeteren, want ik hoor uit goede bron, dat hij nog altijd speculeert, al is het dan ook voorzichtiger. Zijn vertrouwensman is thans weer een prelaat, monsignor Marzolini, geloof ik, die zijn geldzaken regelt … En hij heeft groot gelijk, je moet met je tijd medegaan.”
Pierre had met toenemende verbazing geluisterd, waarin zich een soort schrik en droefheid mengde. Dit alles was zeer natuurlijk, zelfs gerechtvaardigd, maar in zijn droom van een zielenherder, die hoog boven, ver en vrij van alle wereldlijke zorgen troonde, had hij nooit geloofd, dat zoo iets had kunnen bestaan. Wat, de paus, de geestelijke vader van armen en ongelukkigen, had gespeculeerd met bouwterreinen, met Beurswaarden! De opvolger van den Apostel, de pontifex van Christus, van den Jezus van het Evangelie, den goddelijken vriend der lijdenden, had gespeculeerd, zijn kapitaal belegd bij Joodsche bankiers, zooveel mogelijk geld uit zijn geld willen slaan! En dan, welk een pijnlijke tegenstelling: zooveel millioenen daarboven in de kamers van het Vaticaan, weggesloten in het een of andere geheime meubelstuk—zooveel millioenen, die vruchtdragend werkten, die onophoudelijk belegd en weer teruggenomen werden, om steeds maar meer op te brengen, die als gouden eieren met de hartstochtelijke teederheid van een vrek uitgebroed werden! En daar vlak bij, beneden, in de afschuwlijke, onvoltooide gebouwen van het nieuwe stadsgedeelte zooveel ellende, zooveel arme menschen, die in hun vuil van honger stierven, moeders zonder melk voor haar zuigelingen, mannen, door gebrek aan werk tot nietsdoen gedoemd, grijsaards, die zich afbeulden als lastdieren, welke men doodslaat, als zij tot niets meer nut zijn! O, God van barmhartigheid, God van liefde, was dat mogelijk? Ongetwijfeld had de Kerk materieele behoeften, zij kon niet zonder geld leven en het was een verstandige en zeer politieke gedachte om voor haar een schat bijeen te brengen, die haar in staat stellen zou haar tegenstanders te overwinnen! Maar hoe vernederend, hoe bezoedelend was dat alles! Zij daalde van haar goddelijke hoogte af, om niet meer te zijn dan een partij, een groote internationale vereeniging, die georganiseerd was met het doel om de wereld te veroveren en te bezitten!
En deze zeldzame geschiedenis bracht Pierre tot nog grooter verbazing. Wie zou ooit een onverwachter, pakkender drama hebben kunnen uitdenken? Deze paus, die zich in zijn paleis opsloot, dat ongetwijfeld een gevangenis was, maar een gevangenis, waarvan de honderd ramen uitzagen op een eindelooze ruimte, op Rome, de Campagna, de ver verwijderde heuvels; deze paus, die uit zijn raam op alle uren van den dag en van den nacht het geheele jaar door, met één oogopslag zijn stad omvatten kon—zijn stad, die men hem ontstolen had, waarvan hij de teruggave met een ononderbroken jammerklacht eischte; deze paus, die van het begin der werken af, van dag tot dag, de veranderingen, die zijn stad onderging, aanschouwd had: het neerhalen van de oude wijken, het verkoopen van terreinen, het geleidelijk oprijzen van nieuwe gebouwen, die langzamerhand een witten gordel om de oude rossige daken vormden; deze paus, die bij het dagelijks zien van deze bouwwoede, welke hij van zijn opstaan tot zijn naar bed gaan volgen kon, ten slotte zelf medegesleept werd door den hartstocht voor het spel, die als een roes uit de geheele stad opsteeg; deze paus, die uit zijn op zoo stoïcijnsche manier gesloten kamer met de verfraaiingen van zijn oude stad begon te speculeeren, die trachtte zich te verrijken met de door de Italiaansche regeering, die hij voor roover uitmaakte, in het leven geroepen stadsuitbreiding en ten slotte plotseling in een geweldige catastrophe, die hij had moeten wenschen, maar die hij niet voorzien had, millioenen verloor! Neen, nooit nog had een onttroonde koning aan een vreemdere ingeving toegegeven, zich gewaagd in een tragischer avontuur, dat hem als een straf trof. En dit was geen koning, dit was de afgezant Gods, dit was God zelf, de onfeilbare in de oogen der aanbiddende Christenheid!
Het dessert, geitenkaas en vruchten, was gebracht, en Narcisse was juist met een trosje druiven klaar, toen hij opkeek en uitriep:
“Maar ge hebt groot gelijk, waarde vriend, ik zie nu ook die witte schim daarboven achter de ramen in de kamer van den Heiligen Vader heel duidelijk.”
Pierre, die zijn blikken niet van het raam af had, antwoordde langzaam:
“Ja, zij was verdwenen, maar toen weer teruggekomen, en nu staat zij er nog steeds, wit en roerloos.”
“Maar wat zoudt ge dan willen, dat hij deed?” vroeg de jonge man op zijn kwijnenden toon, waaruit men niet opmaken kon, of hij spotte of niet. “Hij doet als iedereen en kijkt eens naar buiten, wanneer hij zich wat verzetten wil, en dat des te eerder, omdat hij werkelijk iets ziet, waarnaar je nooit moede wordt te kijken.”
Dat was het juist, wat Pierre in een toenemende opwinding bracht. Men sprak altijd van een gesloten Vaticaan, en hij had zich een somber, door hooge muren omgeven paleis voorgesteld, want niemand had hem gezegd, niemand scheen te weten, dat dit paleis Rome beheerschte en dat de paus van uit zijn raam de wereld zag. En de onmetelijkheid van dat uitzicht kende Pierre, hij had het gezien van af den top van den Janiculus; van uit de loggia’s van Raffaël, van af den dom der Basilica. En waar Leo XIII, roerloos en wit achter zijn ramen, naar keek, dat riep Pierre voor zijn geestesoog op, zag het met hem. In het midden van de uitgestrekte vlakte der Campagna, die de Sabijnsche en Albaansche heuvelen begrensden, zag Leo XIII de zeven beroemde heuvels: den door de boomen der villa Pamphili gekroonden Janiculus; den Aventinus, waarvan niets overgebleven was dan de drie half in het groen schuil gaande kerken; dan iets verder afgelegen, den door zijn rijpe oranjeappelen der villa Mattei doorgeurden Coelius; den Palatinus, die een dunne, daar als op het graf der Caesars opgeschoten rij cypressen omzoomde; den Esquilinus, waarop zich de slanke klokkentoren van de Santa Maria Maggiore verhief; den Viminalis, die met zijn verwarde en witachtige opeenhooping van nieuwe gebouwen op een openliggende steengroeve geleek; den Capitolinus, dien de vierkante campanile van het Senatorenpaleis nauwlijks aanwees; den Quirinalis, waarop het paleis van den koning fel-geel afstak tegen de donkere schaduwen der tuinen. Hij zag behalve de Santa Maria Magggiore alle basilica’s, S. Giovanni in Laterano, de wieg van het pausdom, S. Paola fuori le mura, S. Croce in Gerusalemme, S. Agnese, de dom van Il Gesù, van S. Andrea della Valle, van S. Carlo, van S. Giovanni del Fiorentini en al de vierhonderd kerken van Rome, die de stad in een met kruisen beplant, heilig veld veranderen. Hij zag de beroemde monumenten, de getuigen van den eeuwenouden hoogmoed, de Engelenburg, een in een pauselijke vesting veranderd keizersgraf, de witte lijn der andere graven langs de Via Appia, dan de verspreid liggende ruïnen van Caracalla, van het paleis van Septimius Severus, zuilen, gaanderijen, triomfbogen, de paleizen en de villa’s van prachtlievende kardinalen der Renaissance, den palazzo Farnese, den palazzo Borghese, de villa Medicis en alle, alle andere—een gewemel van daken en gevels.
Maar voor alles zag hij links, vlak onder zijn raam, den gruwel van de nieuwe, onvoltooide wijk der Prati del Castello. Wanneer hij ’s middags in zijn tuinen wandelde, die als een citadel door den muur van Leo IV ingesloten was, had hij het vreeselijke uitzicht op het dal, dat men in den koortsachtigen tijd der bouwwoede in den voet van den monte Mario gegraven had, om er steenbakkerijen op te richten. De groene hellingen zijn opengehaald, geelachtige gangen loopen naar alle kanten, terwijl de thans gesloten fabrieken met haar hooge, doode schoorsteenen, waaruit geen rook meer opstijgt, niets meer dan armzalige ruïnes zijn. Op geen uur van den dag kon hij bij een raam komen zonder die verwaarloosde gebouwen, waarvoor zooveel steenbakkerijen gewerkt hebben, voor oogen te hebben, deze gebouwen, die dood waren voor zij geleefd hadden, waarin op dat oogenblik niets was dan de wriemelende ellende van Rome, dat hier als het cadaver van oude maatschappijen tot ontbinding lag over te gaan.
Vóór alles echter beeldde Pierre zich in, dat Leo XIII, de witte schim daar boven, ten slotte de geheele overige stad vergat, om zijn droomenden blik op den Palatinus te richten, die nu ontkroond is en nog slechts zijn zwarte cypressen in den blauwen hemel opricht. Ongetwijfeld bouwde hij in gedachten de paleizen der Caesars weer op, en voor zijn blik verrezen dan hooge, geheel roode, met het purper bekleede schimmen op, zijn voorvaderen, de keizers en de pontifices, die hem alleen konden zeggen, hoe men als onbeperkt heerscher der wereld, over de wereld regeeren kon. Dan gingen zijn blikken naar den Quirinalis en bleven daar uren lang rusten in de aanschouwing van het koningschap tegenover hem. Welk een zonderling toeval, dat deze beide paleizen, het Quirinaal en het Vaticaan, elkaar aankijken, dat zij naast elkander boven het Rome der Middeleeuwen en der Renaissance uitsteken, welks door de gloeiende zon verbrande en vergulde daken aan den oever van den Tiber zich ophoopen en samenvloeien. Met een eenvoudigen verrekijker kunnen de paus en de koning, wanneer zij voor hun ramen gaan staan, elkander duidelijk zien. Zij zijn niets dan onbeteekenende, in de grenzenlooze ruimte verloren gaande punten; en welk een afgrond ligt er tusschen hen, hoeveel eeuwen van geschiedenis, hoeveel generaties, die gestreden en geleden hebben, hoeveel doode grootheid, hoeveel zaad voor de geheimzinnige toekomst! Zij zien elkaar en strijden nog steeds om het volk, dat voor hun oogen op- en neergolft. Wien zal de onbeperkte macht ten deel vallen, den pontifex, den herder der zielen, of den monarch, den meester der lichamen?
Pierre vroeg zich af aan welke overpeinzingen, aan welke droomerijen Leo XIII zich over zou geven achter die ramen, waar hij nog altijd zijn bleeke, spookachtige schim meende te zien. Bij het zien van het nieuwe Rome, van de oude, gesloopte wijken, van de door een ongeluksstorm met den grond gelijk gemaakte stadsdeelen, moest hij zich ongetwijfeld verheugen over de reusachtige mislukking der Italiaansche regeering. Men had hem zijn stad ontstolen, men had hem als het ware willen laten zien, hoe men een groote hoofdstad in het leven roept, en dat was uitgeloopen op die catastrophe, op zooveel leelijke, nuttelooze bouwwerken, die men niet eens wist hoe af te maken. Het kon niet anders of hij moest zich verheugen in die vreeselijke ongelegenheden, waarin het usurpatorische gezag geraakt was, in de politieke, in de financieele crisis, in de steeds verder om zich heen grijpende nationale malaise, waarin dat gezag binnen niet al te langen tijd ten gronde dreigde te gaan; en toch, sloeg ook niet in zijn borst het hart van een patriot, was ook niet hij een liefhebbende zoon van dat Italië, welks genie en eeuwenoude eerzucht ook in zijn aderen stroomde? O neen, niets tegen Italië; integendeel, alles wilde hij doen, om te bewerken, dat het weer de wereldbeheerscher werd! Ongetwijfeld steeg te midden van zijn blijde hoop een smartelijk gevoel in hem op, wanneer hij zag hoe Rome ten gronde gericht, met een bankroet bedreigd werd, hoe het als het ware zijn onmacht in het openbaar ten toon stelde. Maar wanneer de dynastie van Savoye eens mocht worden weggevaagd, was hij er dan niet, om haar te vervangen en eindelijk weer in het bezit te treden van zijn stad, die hij sedert vijftien jaar slechts uit zijn venster zag, overgeleverd aan sloopers en metselaars? Dan werd hij weer de meester, regeerde hij over de wereld, troonde hij in de gepraedestineerde stad, waaraan de propheten de eeuwigheid en de wereldheerschappij toegezegd hadden.
De horizont breidde zich uit en Pierre vroeg zich af wat Leo XIII wel aan gene zijde van Rome, aan gene zijde van de Campagna Romana, aan gene zijde van de Sabijnsche en Albaansche bergen, in de geheele Christenheid zag. Sedert achttien jaar had hij zich in zijn Vaticaan opgesloten, zag hij de wereld slechts door de ramen van zijn kamer. Wat aanschouwde hij van daarboven, welke waarheden en welke zekerheden drongen uit onze moderne maatschappijen tot hem door? Dikwijls toch moest van de hoogten van den Viminalis, waar het station lag, het langgerekte gefluit der locomotieven in zijn ooren klinken: dat was onze wetenschappelijke beschaving, de toenadering der volkeren, de vrije menschheid, die de toekomst tegemoet ging. Droomde hij zelf van vrijheid, wanneer hij zijn blik naar rechts wendde en daar in de verte, aan gene zijde van de graven aan de Via Appia, de zee vermoedde? Had hij ooit den wensch in zich voelen opkomen weg te gaan, Rome en zijn verleden te verlaten, om elders het pausdom der nieuwe democratieën te stichten?
Men beweerde, dat hij zulk een scherpen, doordringenden blik had; dan had hij moeten begrijpen, dan had hij moeten beven, wanneer uit zekere strijdlustige landen een ver geluid tot hem doordrong—uit Amerika bijvoorbeeld, waar revolutionnaire bisschoppen op het punt stonden het volk te veroveren. Werkten zij voor hem of voor zichzelf? Was een breuk niet onvermijdelijk, wanneer hij hen niet volgen kon, wanneer hij, aan alle kanten door het dogma en de traditie gebonden, zich hardnekkig in zijn Vaticaan bleef opsluiten? Van uit de verte woei een dreigende, het schisma voorspellende wind, streek hem over zijn gelaat en vervulde zijn hart met steeds grooter wordenden angst. Om die reden waarschijnlijk was hij de verzoeningsdiplomaat geworden, die alle verspreide krachten der Kerk in zijn hand verzamelen wilde, die zijn oogen sloot voor de vermetelheid van sommige bisschoppen, voor zoover dat ten minste mogelijk was, die zelf het volk trachtte te veroveren, door zich aan zijn zijde tegen de gevallen monarchen te verklaren. Maar zou hij ooit verder gaan? Was hij niet ingemetseld achter de bronzen deur van het Vaticaan, in de strenge Katholieke formule, waaraan de eeuwen hem vastketenden? Hij moest daar blijven, het zou hem onmogelijk zijn zich tot zijn werkelijke almacht, tot die zuiver geestelijke macht, tot die moreele autoriteit van het hiernamaals te beperken, die de menschheid aan zijn voeten bracht, die bewerkte, dat de pelgrims neerknielden en vrouwen in onmacht vielen. Rome opgeven, afstand doen van de wereldlijke macht zou gelijk staan met het middelpunt der Katholieke wereld te veranderen. Dan zou de paus de paus niet meer zijn, niet meer het hoofd van het Katholicisme, maar een ander, het hoofd van iets anders. Welke onrustige gedachten moesten, terwijl hij daar aan het raam stond, door zijn brein gaan, wanneer de avondwind menigmaal het onduidelijke beeld van dien andere, de vrees voor den nieuwen, nog onbestemden godsdienst met zich bracht, die zich voorbereidde in het doffe stappen der voorwaarts marcheerende naties!
Maar op dat oogenblik voelde Pierre, dat de witte, roerlooze schim achter de ramen staande gehouden werd door den trots, door de voortdurende zekerheid, dat hij zou overwinnen. Wanneer menschenhanden daartoe niet in staat zouden zijn, dan zou het wonder tusschenbeide treden. Hij had de vaste overtuiging, dat hij weer in het bezit zou komen van Rome; en zoo niet hij, dan zijn opvolger. Had de Kerk in haar onbedwingbare levenskracht en levensenergie niet de eeuwigheid voor zich? Trouwens, waarom zou hij zelf niet in het bezit van Rome komen? Vermocht God zelfs niet het onmogelijke? Morgen, als God het wilde, zou ondanks alle menschelijke redeneeringen, ondanks alle schijnbare logica der feiten, zijn stad hem door de een of andere plotselinge wending in de geschiedenis teruggegeven worden. O, welk een feestelijke ontvangst zou hij de verloren dochter, wier dubbelzinnige avonturen hij met zijn door tranen vochtige vaderoogen steeds gevolgd had, bereiden! Hoe gauw zou hij de uitspattingen vergeten, waarvan hij achttien jaar lang op alle uren en in alle jaargetijden getuige geweest was! Misschien peinsde hij, over wat hij doen zou met die nieuwe wijken, waarmede men haar bezoedeld had: zou hij ze sloopen of zou hij ze daar laten staan als een getuigenis van den waanzin der overweldigers? Zij zou weer de verheven en doode stad worden, die een souvereine minachting had voor alle ijdele zorgen van zindelijkheid en materieel welzijn, die als een reine ziel in den overgeleverden roem der vervlogen eeuwen over de wereld stralen zou.
En hij peinsde verder, hij stelde zich voor hoe alles, ongetwijfeld reeds morgen, in zijn werk zou gaan. Alles was beter dan het Huis van Savoye, zelfs een republiek. Waarom niet een federatieve republiek, die Italië volgens de oude, nu afgeschafte, politieke indeeling verbrokkelen, hem Rome teruggeven, hem tot den beschermer van den op die wijze herstelden staat kiezen zou? Dan strekte zijn blik zich verder dan Rome, verder dan Italië uit; zijn droom breidde zich uit, steeds verder uit, omvatte het republikeinsche Frankrijk, Spanje, dat het weer worden kon, ja, zelfs Oostenrijk, dat eenmaal gewonnen zou worden—al de Katholieke naties, die dan de Vereenigde Staten van Europa worden en onder het hooge voorzitterschap van den Pontifex Maximus vreedzaam en in broederschap leven zouden. En dan de hoogste triomf, wanneer ten slotte alle andere Kerken verdwijnen, alle andersdenkende volkeren tot hem komen zouden als tot den eenigen herder, wanneer Jezus in zijn persoon over de universeele democratie regeeren zou.
Plotseling werd Pierre in zijn droom, dien hij aan Leo XIII toeschreef, gestoord.
“Mijn waarde abbé, kijk toch eens naar den toon van de standbeelden op de zuilengaanderij,” zeide Narcisse.
Hij had zich een kop koffie laten brengen en rookte, zich weer geheel overgevend aan zijn geraffineerde aesthetica, langzaam een sigaret
“Zij zijn rose, niet waar? Een rose, dat langzaam overgaat in mauve, alsof het blauwe bloed der engelen in hun steenen aderen vloeide … Het is de zon van Rome, die hun dat bovenaardsche leven verleent, want zij leven, ik heb gezien hoe ze op sommige mooie avonden tegen me glimlachten en de armen naar mij uitstrekten … Ach, Rome, het wonderbare en verrukkelijke Rome! Men zou hier arm als Job willen leven in de bestendige vreugde zijn bekoring in te ademen!”
Ditmaal kon Pierre zijn verbazing niet bedwingen, nu hij zich zijn nuchtere stem, zijn zoo helderen en drogen zakengeest herinnerde. Dan keerden zijn gedachten terug naar de Prati del Castello en een eindelooze droefheid maakte zich van hem meester, toen hij zich zooveel ellende en zooveel lijden voor den geest riep. Hij zag weer de schandelijke vuilheid, waarin zooveel schepsels ten gronde gingen, die vreeselijke sociale onrechtvaardigheid, welke de groote meerderheid veroordeelt tot een bestaan van vervloekte, vreugde- en broodlooze dieren. En toen zijn blikken weer teruggingen naar de vensters van het Vaticaan en hij meende te zien, hoe achter de ramen een witte hand zich ophief, dacht hij aan den pauselijken zegen, dien Leo XIII van deze hoogte over Rome, over de Campagna en de bergen aan de geloovigen der geheele Christenheid gaf. Maar deze zegen scheen hem plotseling belachelijk en onmachtig toe, daar hij in zoovele eeuwen niet in staat geweest was, één enkele smart der menschheid te onderdrukken, omdat hij zelfs niet in staat geweest was een weinig rechtvaardigheid te scheppen voor de ongelukkigen, die daar beneden, onder zijn venster, in doodsstrijd verkeerden.