Daar Benedetta Pierre had laten zeggen, dat zij hem gaarne wilde spreken, ging hij dien avond bij het invallen van de schemering naar beneden en vond haar in den salon in een druk gesprek met Celia.
“Ik heb jullie Pierina gezien,” riep het jonge meisje, juist toen hij binnenkwam, uit. “Ja, ja, en nog wel met Dario. Dat wil zeggen, zij moet hem opgewacht hebben; hij zag, dat zij in een laan van den Pincio op hem stond te loeren, en glimlachte tegen haar. Toen begreep ik het dadelijk … Wat een zeldzame schoonheid!”
Benedetta glimlachte zachtjes over haar geestdrift. Maar er kwam een pijnlijke, droevige plooi om haar mond, want, hoewel zij zeer verstandig was, begon deze hartstocht, die, zooals zij voelde, oprecht en sterk was, haar toch te hinderen. Dat Dario elders zijn genoegens zocht, kon zij begrijpen, daar zij zich niet aan hem geven wilde en hij jong en geen geestelijke was. Maar dit ongelukkige meisje hield te veel van hem en zij was bang, dat hij zich zou kunnen compromitteeren; een zoo groote schoonheid verontschuldigde alles. Zij verried dan ook het geheim van haar hart, door het gesprek een andere wending te geven.
“Ga zitten, mijnheer de abbé … U ziet, we zijn aan het kwaadspreken. Mijn arme Dario wordt ervan beschuldigd, dat hij alle schoonheden van Rome in het ongeluk stort … Zoo vertelt men ook, dat men in hem den gelukkige zien moet, die de witte rozen geeft, waarmede Tonietta de laatste veertien dagen op den Corso rondrijdt.”
Celia vatte dadelijk vlam.
“Maar dat is beslist zeker. In den beginne heeft men getwijfeld en den kleinen Pontecorvo en luitenant Moretti genoemd. Je kan je voorstellen, hoe er gekletst werd … Maar nu weet iedereen, dat de vlam van Tonietta Dario in eigen persoon is. Trouwens hij heeft in den Costanzi-schouwburg zijn opwachting in haar loge gemaakt.”
Toen Pierre haar zoo hoorde praten, herinnerde hij zich die Tonietta, die de jonge prins hem op den Pincio gewezen had, een der weinige demi-mondaines, waarover de hoogere Romeinsche kringen spraken. En hij herinnerde zich ook de galante bijzonderheid, die haar beroemd maakte, de onzelfzuchtige liefde, die zij meermalen voor een geliefde opvatte, van wien zij niets aannam dan iederen ochtend een ruiker witte rozen, zoodat, wanneer zij soms weken achtereen op den Corso met de reine bloemen rondreed, de dames der hoogere kringen brandend nieuwsgierig waren naar den naam van den uitverkoren en aangebeden man. Sedert den dood van den ouden markies Manfredi, die haar zijn klein paleis in de Via dei Mille nagelaten had, was Tonietta beroemd om haar onberispelijk rijtuig en haar elegante, maar eenvoudige toiletten, welke alleen door ietwat opzichtige hoeden ontsierd werden. De rijke Engelschman, die haar onderhield, was nu reeds sedert een maand op reis.
“Zij is werkelijk heel mooi, heel mooi,” herhaalde Celia overtuigd, met haar rein gezichtje van maagd, die zich slechts voor liefdeszaken interesseert. “En dan haar groote, zachte oogen; o, zij is niet zoo mooi als Pierina, dat is trouwens onmogelijk; maar toch prettig om naar te kijken, een echt feest voor je oogen!”
Met een onwillekeurig gebaar scheen Benedetta Pierina weer ter zijde te schuiven, terwijl zij daarentegen Tonietta aanvaardde; zij wist heel goed, dat zij maar een eenvoudige afleiding, een tijdelijke streeling voor zijn oogen was.
“Zoo,” zeide zij glimlachend; “mijn arme Dario ruïneert zich dus met witte rozen! Daar moet ik hem eens mee plagen … Wanneer onze zaken niet gauw in orde komen, zullen zij hem mij ten slotte nog ontstelen … Gelukkig heb ik uitstekende berichten. Ja, het proces zal weer beginnen; tante is juist daarvoor uitgegaan!”
Toen Celia opstond op het oogenblik dat Victorine een lamp bracht, wendde Benedetta zich tot Pierre, die eveneens opgestaan was.
“Blijf nog even, ik wou u graag spreken.”
Maar Celia bleef ook nog: zij was nu een en al belangstelling voor de echtscheiding van haar vriendin, wilde weten hoe het met de zaak stond en of het huwlijk nu gauw plaats zou hebben. Zij omhelsde haar hartstochtelijk.
“Dus heb je weer hoop? Geloof je, dat de Heilige Vader je je vrijheid terug zal geven? O, lieveling, wat ben ik blij voor je. Hoe heerlijk zal het zijn, als jij en Dario kunnen trouwen!… Ik van mijn kant heb ook geen reden tot klagen, want ik zie heel goed, dat mijn vader en mijn moeder genoeg krijgen van mijn koppigheid. Gisteren nog heb ik hun met mijn gewone kalmte gezegd: ‘Ik wil Attilio hebben en u zult hem mij geven!’ Toen is mijn vader verschrikkelijk woedend geworden, hij heeft me met beleedigingen overstelpt, me met zijn vuist gedreigd en geschreeuwd, dat, wanneer ik een even harden kop had als hij, hij den mijne toch zou breken. Plotseling begon hij woedend uit te varen tegen mijn moeder, die er zwijgend bij stond: ‘Geef haar dan haar Attilio, dan laat zij ons ten minste met rust …’ Neen, hoor, ik ben erg in mijn schik!”
Pierre en Benedetta konden hun lachen niet bedwingen, zoo straalde haar lelierein madonnagezichtje van onschuldige en hemelsche vreugde. Eindelijk ging zij weg met haar kamenier, die in den eersten salon op haar zat te wachten.
Zoodra zij alleen waren, vroeg Benedetta den priester weer te gaan zitten.
“Waarde vriend, men heeft mij opgedragen u een zeer dringenden raad te geven … Het schijnt, dat uw aanwezigheid te Rome algemeen bekend geworden is en dat er zeer verontrustende praatjes over u in omloop zijn. Uw boek zou een vurige oproep tot het schisma zijn, u zelf slechts een eerzuchtige en oproerige afvallige, die na zijn werk te Parijs uitgegeven te hebben, naar Rome gekomen is, om er een vreeselijk schandaal over te ontketenen en het op die manier te lanceeren … Indien u er nog steeds op staat Zijne Heiligheid te spreken, om uw zaak te bepleiten, raadt men u aan gedurende twee of drie weken geheel te verdwijnen, zoodat men uw aanwezigheid hier vergeet.”
Pierre luisterde met de grootste verbazing. Ze zouden hem nog krankzinnig maken; ze zouden hem nog op het denkbeeld brengen zich af te scheiden en een schandaal te maken, wanneer zij zijn geduld nog langer op de proef wilden stellen, daar misbruik van wilden maken. Hij wilde zich verzetten, protesteeren. Dan echter maakte hij een gebaar van moeheid. Waarom zou hij dat doen tegenover deze jonge vrouw, die toch in ieder geval oprecht en hem goed gezind was?
“Wie heeft u verzocht mij dien raad te geven?”
Zij gaf geen antwoord, glimlachte slechts. Dan kreeg hij een plotselinge ingeving.
“Het is monsignor Nani, niet waar?”
Nu begon zij, zonder blijkbaar een direct antwoord op de vraag te willen geven, den lof van den prelaat te zingen. Ditmaal had hij erin toegestemd haar leidsman te zijn in het eindelooze proces over de nietigverklaring van haar huwlijk. Hij had er lang over gesproken met haar tante, donna Serafina, die nu juist naar het paleis van den S. Offizio was, om hem rapport uit te brengen over enkele stappen, die zij hadden gedaan. Pater Lorenza, de biechtvader van de tante en van de nicht, zou ook bij het onderhoud tegenwoordig zijn, want dit heele echtscheidingsproces was eigenlijk zijn werk: hij had er de twee vrouwen steeds toe aan gezet, als wilde hij den band, dien de patriottische pastoor Pisoni gelegd had, weer losmaken. Zij werd steeds meer opgewonden en zeide hem, waarom haar verwachtingen zoo hoog gespannen waren.
“Monsignor Nani kan alles, juist daarom ben ik juist zoo gelukkig, dat mijn zaak in zijn handen is … Kom, beste vriend, wees ook verstandig, verzet u niet, laat u door hem leiden. Ik sta er u borg voor, dat gij u er goed bij bevinden zult!”
Met gebogen hoofd dacht Pierre na. Rome had hem in zijn boeien geslagen; hij kon er ieder uur zijn nog steeds toenemende weetgierigheid bevredigen, en de gedachte, nog twee of drie weken hier te blijven, had volstrekt niets afstootelijks voor hem. Ongetwijfeld voelde hij, dat al dat telkens weer uitstellen zijn wilskracht zou kunnen verminderen, een slijtage zou kunnen veroorzaken, waaruit hij verzwakt, ontmoedigd en tot niets meer nut te voorschijn zou komen. Maar waarom behoefde hij eigenlijk bang te zijn, daar hij zich plechtig gezworen had en steeds nog zwoer niets van zijn boek te zullen terugtrekken en den Heiligen Vader slechts te willen spreken, om zijn nieuw geloof nog krachtiger te verkondigen? Zacht legde hij dien eed nogmaals voor zichzelf af en gaf dan toe. En toen hij zich verontschuldigde, dat hij in het paleis lastig zou worden, riep zij uit:
“Neen, ik ben veel te blij u te hebben. Ik houd u vast; ik heb nu eenmaal de overtuiging, dat uw aanwezigheid hier ons aller geluk brengen zal, nu de kans schijnt te keeren.”
Zij spraken nu af, dat hij niet meer zou gaan ronddwalen om de St. Pieter en het Vaticaan, waar het voortdurend zien van zijn soutane de aandacht getrokken scheen te hebben. Hij beloofde zelfs de eerste acht dagen het paleis zoo goed als niet te zullen verlaten, daar hij toch nog gaarne enkele boeken in Rome zelf wilde lezen. Dan bleef hij nog een oogenblikje praten; hij voelde zich zoo gelukkig-kalm in de groote rust, die er in den salon heerschte, sedert de lamp hen met haar schemer verlichtte. Het had zes uur geslagen, op straat was het reeds geheel donker.
“Voelde Zijne Eminentie zich vandaag niet wel?” vroeg hij.
“Ja zeker,” antwoordde de contessina; “alleen wat moe, maar volstrekt niets verontrustends … Mijn oom heeft mij door don Vigilio laten zeggen, dat hij zijn kamer zou houden en daar zijn secretaris enkele brieven zou dicteeren … Neen, het heeft niets te beteekenen.”
Weer viel een stilte in, geen geluid kwam van de eenzame straat of uit het oude, ledige, als een graf zoo stomme paleis. Maar op dat oogenblik kwam iemand met fladderende rokken en hijgend van schrik den zacht sluimerenden, met de mildheid van een hoopvollen droom vervulden salon binnenstormen. Het was Victorine.
“Contessina, contessina …”
Benedetta was doodsbleek en koud, als was een ongelukswind binnengewaaid, opgestaan.
“Wat is er … Waarom loop je zoo hard en beef je zoo?”
“Dario, mijnheer Dario, beneden … Ik was gaan kijken of ze de lamp onder de poort wel aangestoken hadden, dat vergeten ze zoo dikwijls … En daar, onder de poort, ben ik in den donker over mijnheer Dario gestruikeld … Hij ligt op den grond, hij schijnt met een mes gestoken te zijn …”
Een kreet van wanhoop rees uit Benedetta’s borst op.
“Dood!”
“Neen, neen, gewond!”
Maar zij hoorde het niet, bleef steeds luider roepen:
“Dood! Dood!”
“Neen, neen, hij heeft tegen me gesproken … Om Godswil wees toch stil! Hij heeft mij ook bevolen te zwijgen, omdat hij niet wil, dat iedereen het weet; ik mocht alleen u, en niemand anders halen, maar nu mijnheer de abbé hier toch is, wil hij misschien wel helpen. We zullen hem best gebruiken kunnen.”
Pierre luisterde ontsteld. Toen zij de lamp wilde nemen, zagen zij, dat haar bevende rechterhand met bloed bevlekt was; blijkbaar had zij het op den grond liggende lichaam betast. Dat gezicht was zóó verschrikkelijk voor Benedetta, dat zij opnieuw begon te gillen.
“Wees toch stil, om Godswil, wees toch stil!… Laten we zoo zacht mogelijk naar beneden gaan! Ik neem de lamp alleen maar mee, omdat we toch moeten kunnen zien … Gauw, gauw!”
Beneden, dwars onder de poort, voor den ingang van den vestibule, lag Dario op de steenen, als had hij, na op straat aangevallen te zijn, nog slechts de kracht gehad enkele passen te doen, om daar neer te vallen. Hij was bewusteloos geworden en lag daar nu met een doodsbleek gezicht, op elkaar gedrukte lippen en gesloten oogen. Benedetta, die ondanks haar hevigen angst de energie van haar ras teruggevonden had, jammerde en gilde niet meer, doch keek, zonder te begrijpen, met haar groote, droge, wijdgeopende, waanzinnige oogen, naar hem. Het verschrikkelijke was het onverwachte, het onbegrijpelijke, het waarom en het hoe van dien moord te midden van de sombere stilte van het oude, verlaten, door het donker van den nacht vervulde paleis. De wond bloedde blijkbaar zeer weinig, want slechts zijn kleeren waren met bloed bevlekt.
“Gauw, gauw!” herhaalde Victorine fluisterend, nadat zij de lamp wat had laten zakken, om het lichaam beter te kunnen zien. “De portier is er niet, die zit altijd hiernaast gekheid te maken met de vrouw van den schrijnwerker. U ziet, dat hij de lantaarn nog niet aangestoken heeft, maar hij kan natuurlijk ieder oogenblik terugkomen … Mijnheer de abbé en ik zullen den prins gauw naar zijn kamer dragen.”
Alleen zij met haar prachtige kalmte hield haar hoofd bij elkaar. De twee anderen luisterden in hun verdooving, die maar niet wijken wilde, zonder een woord te kunnen vinden, en gehoorzaamden haar als zoete kinderen.
“U moet ons bijlichten, contessina. Houd de lamp een beetje laag, anders kunnen we de treden niet zien … Neem u hem bij zijn beenen, mijnheer de abbé, dan zal ik hem onder zijn armen dragen. Wees maar niet bang, de arme jongen is niet zoo zwaar!”
Gelukkig lag het uit drie vertrekken, een slaapkamer, een toiletkamer en een salon, bestaande appartement van Dario op de eerste verdieping, naast dat van den kardinaal, in den vleugel, die op den Tiber uitzag. Nadat zij de trap waren opgegaan, behoefden zij slechts zoo zachtjes mogelijk de gang af te loopen en konden dan tot hun groote verlichting den gewonde op zijn bed leggen.
Victorine kon een lachje van voldoening niet onderdrukken.
“Zoo, dat is alweer klaar … Zet u de lamp nu maar neer, contessina. Daar, op die tafel … En ik verzeker u, dat niemand ons gehoord heeft; het is maar gelukkig, dat donna Serafina uit is en Zijn Eminentie don Vigilio bij zich gehouden heeft … Ik heb zijn schouders in mijn rok gewikkeld, zoodat er geen droppeltje bloed is gevallen; en strakjes zal ik zelf met de spons den drempel schoonmaken.”
Zij zweeg even en ging naar Dario kijken.
“Hij ademt … Nu dan laat ik hem maar aan uw zorg over en ga ik gauw dien goeden dokter Giordano halen, die u op de wereld heeft zien komen en op wien we vertrouwen kunnen.”
Toen Benedetta en Pierre met den bewusteloozen gewonde alleen waren in deze half donkere kamer, waarin nu het vreeselijke schrikbeeld, dat in hen was, scheen te huiveren, bleven zij ieder aan een kant van het bed staan, zonder nog een woord te kunnen vinden. Zij had in de behoefte om haar smart te ontspannen en er lucht aan te geven, haar armen uitgebreid en steunde handenwringend. Dan boog zij zich voorover en keek op het bleeke gelaat met de gesloten oogen naar leven. Hij ademde inderdaad, maar zeer langzaam en nauwlijks merkbaar. Een flauwe blos kwam echter op zijn wangen en eindelijk sloeg hij zijn oogen op.
Onmiddellijk had zij zijn hand gegrepen en gedrukt, als wilde zij den angst van haar hart in dien druk leggen; en een gevoel van groot geluk maakte zich van haar meester, toen zij voelde, dat hij dien beantwoordde:
“Je ziet me toch, je hoort me toch?… Wat is er gebeurd, lieve God?”
Maar hij antwoordde niet, de aanwezigheid van Pierre scheen hem onrustig te maken. Toen hij hem herkend had, scheen hij er zich bij neer te leggen, maar hij keek angstig rond, of er nog niet iemand anders in de kamer was. Eindelijk prevelde hij:
“Niemand heeft het gezien; niemand weet …”
“Neen, neen, stel je gerust. Wij hebben je met Victorine boven kunnen brengen, zonder dat iemand het gezien heeft. Tante is uit en oom heeft zich in zijn kamer opgesloten.”
Hij scheen nu verlicht te zijn, glimlachte.
“Niemand mag het weten; het is zoo belachelijk.”
“Wat is er toch gebeurd, lieve God?” vroeg zij opnieuw.
“Ik weet het niet, ik weet het niet!”
Met een moe gebaar deed hij zijn oogen dicht, aldus trachtende aan de vraag te ontsnappen. Doch dan scheen hij te begrijpen, dat het beter was dadelijk een deel der waarheid te zeggen.
“Een man, die zich onder de donkere poort verborgen had en daar op mij wachtte … En toen ik thuis kwam, heeft hij me met een mes in mijn schouder gestoken …”
Bevend boog zij zich nog verder over hem heen, keek hem diep in zijn oogen en vroeg:
“Maar wie was die man?”
En toen hij met een steeds vermoeider stem stamelde, dat hij het niet wist, dat de man in het donker gevlucht was, zonder dat hij hem had kunnen herkennen, stiet zij een vreeselijken kreet uit.
“Het is Prada, het is Prada; zeg het maar, ik weet het immers toch.”
Zij kon zich niet bedwingen.
“Ik weet het, hoor je? Ik ben de zijne niet geweest en hij wil niet, dat ik de jouwe ben; hij zal je liever vermoorden op den dag, dat ik vrij zal zijn me aan jou te geven. Ik ken hem wel, nooit zal ik gelukkig zijn … Het is Prada, het is Prada!”
Doch een plotselinge kracht bezielde den gewonde, hij protesteerde opgewonden:
“Neen, neen, het is Prada niet en ook niet iemand, die het voor hem gedaan heeft … Dat zweer ik je. Ik heb den man niet herkend, maar het is Prada niet.”
Er lag zulk een klank van waarheid in Dario’s stem, dat Benedetta wel overtuigd moest zijn. Trouwens de angst maakte zich van haar meester; zij voelde zijn hand, die zij nog steeds in de hare hield, slap en klam en krachteloos worden. Uitgeput door de inspanning, was hij weer met doodsbleek gelaat en gesloten oogen in onmacht gevallen. Hij scheen te sterven.
Wanhopig bevoelde zij hem met haar handen.
“Kijk toch eens, mijnheer de abbé, kijk toch eens … Hij sterft! Hij sterft! Hij is reeds heelemaal koud … O, groote God, hij sterft!”
Pierre trachtte haar gerust te stellen.
“Hij heeft te veel gesproken en daardoor zijn bewustzijn weer verloren, precies als daareven … Ik verzeker u, dat ik zijn hart voel kloppen. Leg uw hand maar hier … Om Godswil, wind u niet zoo op; de dokter komt dadelijk en alles loopt goed af.”
Maar zij luisterde niet naar hem, en hij was nu getuige van een tooneel, dat hem met de grootste verbazing vervulde. Plotseling had zij zich op het lichaam van den aangebeden man geworpen, drukte hem als waanzinnig tegen zich aan, overstroomde hem met haar tranen en bedekte hem met haar kussen, terwijl zij hartstochtelijke woorden stamelde:
“O, als ik je verliezen moest, als ik je verliezen moest! En ik heb me niet aan hem gegeven, ik ben zoo dom geweest me aan hem te weigeren, toen het nog tijd was het geluk te kennen … Ja, om de Madonna, omdat ik dacht, dat zij maagdelijkheid op prijs stelde en dat men zich rein moet houden voor zijn echtgenoot, als men wil, dat zij het huwlijk zegent … Wat zou het haar gehinderd hebben, indien wij onmiddellijk gelukkig geweest waren? En dan, dan … als zij mij bedrogen had, wanneer zij je van mij wegnam, zonder dat we in elkaars armen gerust hadden, dan zou ik maar van één ding spijt hebben; dat ik niet gelijk met jou verdoemd ben! Ja, ja, liever de verdoemenis dan elkaar niet bezeten te hebben met ons bloed, met onze lippen!”
Was dat de zoo kalme, zoo verstandige vrouw, die geduld oefende, om haar geluk beter in te richten! Pierre kende haar in zijn verbijstering niet meer. Tot dusver had hij haar nooit anders gekend dan gereserveerd, zoo natuurlijk-kuisch, dat de bijna kinderlijke bekoring daarvan als het ware uit haar natuur zelf scheen voort te komen. Ongetwijfeld was onder de bedreiging van het gevaar en van den angst het verschrikkelijke bloed der Boccanera’s in haar ontwaakt, een geheel atavisme van heftigheid, hoogmoed, razende, wanhopige en ontketende begeerten. Zij wilde haar deel van het leven, haar deel van de liefde. Zij morde en raasde alsof de dood, wanneer hij haar haar geliefde ontnam, een stuk van haar eigen vleesch wegrukte.
“Maar ik smeek u, mevrouw, wees toch kalm,” herhaalde de priester. “Hij leeft, zijn hart klopt … U doet er u zelf zooveel kwaad mede.”
Maar zij wilde met hem sterven.
“O, lieveling, neem mij met je mede, neem mij met je mede, wanneer je weggaat … Ik zal me op je hart nederleggen, ik zal je zoo vast in mijn armen drukken, dat zij één zullen worden met de jouwe, en dat ze ons samen zullen moeten begraven … Ja, ja, wij zullen dood en toch getrouwd zijn. Ik heb je beloofd aan niemand anders te zullen toebehooren dan aan jou; ik zal ondanks alles de jouwe zijn, als het moet in de aarde … O lieveling, doe je oogen, doe je mond open, kus me, wanneer je niet wilt, dat ook ik sterf, wanneer jij dood bent.”
Door de donkere kamer met de oude, ingeslapen muren was een vlam van woesten hartstocht, van vuur en bloed gestreken. Maar de tranen overweldigden Benedetta, diepe snikken putten haar uit en wierpen haar verblind en krachteloos op den rand van het bed. Gelukkig maakte de dokter, dien Victorine medegebracht had, een einde aan het verschrikkelijk tooneel.
Dokter Giordano, die de zestig reeds voorbij was, was een klein, witharig, gladgeschoren mannetje met blozende wangen, wiens vaderlijke persoonlijkheid te midden van zijn kerkelijke praktijk de allures van een prelaat aangenomen had. Het was, naar algemeen beweerd werd, een goedhartig man, die de armen gratis behandelde en in delicate gevallen zoo gesloten en gereserveerd was als een priester. Sedert dertig jaar hadden al de Boccanera’s, vrouwen, kinderen, ja zelfs de kardinaal, zich aan zijn voorzichtige handen toevertrouwd.
Bijgelicht door Victorine en geholpen door Pierre, kleedde hij Dario, die door de pijn uit zijn bewusteloosheid ontwaakt was, zoo zachtjes mogelijk uit, onderzocht de wonde en verklaarde onmiddellijk glimlachend, dat er volstrekt geen gevaar bij was. Het zou niets beteekenen, hoogstens drie weken te bed, en voor complicaties behoefde men niet bang te zijn. Evenals alle Romeinsche artsen was hij een liefhebber van mooie messteken, die hij dagelijks onder het lagere volk te behandelen kreeg, hij bleef met welgevallen naar de wond kijken, bewonderde die als kenner en vond ongetwijfeld, dat het prachtig gedaan was. Hij fluisterde den prins in:
“Wij noemen dat een waarschuwing … De man heeft u niet willen dooden, de steek is van boven naar beneden toegebracht, zoodat het mes door het vleesch gegaan is, zonder zelfs het been te raken … Een knappe kerel, die zoo steken kan!”
“Ja, ja,” prevelde Dario; “hij heeft me gespaard, anders zou hij me door en door gestoken hebben.”
Benedetta hoorde er niets van. Toen de dokter verklaard had, dat er absoluut geen gevaar was en de zwakte en de bezwijming alleen het gevolg waren van den heftigen zenuwschok, was zij in een toestand van volkomen uitputting op een stoel neergevallen. Het was de ontspanning der vrouw na den vreeselijken wanhoopsaanval. Zachte, stille tranen begonnen langzaam uit haar oogen te stroomen; dan stond zij weer op en omhelsde Dario in een ontboezeming van hartstochtelijke, stille vreugde.
“Luister eens, beste dokter,” ging hij voort; “niemand behoeft er iets van te weten. Deze geschiedenis is zoo belachelijk … Niemand heeft het blijkbaar gezien, behalve mijnheer de abbé, aan wien ik geheimhouding vraag … En laat men vooral den kardinaal of mijn tante—kortom, geen van de huisvrienden ongerust maken!”
Dokter Giordano glimlachte kalm.
“Goed, goed! Dat spreekt van zelf, maak je daar maar niet druk over … Voor alle anderen ben je van de trap gevallen en heb je je schouder verrekt … En nu je verbonden bent, moet je trachten wat te slapen en geen koorts te krijgen. Morgenochtend kom ik nog eens kijken.”
Nu vloten langzaam dagen vol groote kalmte voorbij; voor Pierre ontwikkelde zich een geheel nieuw leven. De eerste dagen verliet hij zelfs het oude, ingeslapen paleis niet; hij las en schreef en had geen andere afleiding dan dat hij iederen middag tot het invallen van de schemering in de kamer van Dario zat, waar hij zeker was ook Benedetta aan te treffen. Na een vrij hooge koorts van acht-en-veertig uren was het herstel zijn gewonen gang gegaan; alles liep zoo goed mogelijk, de geschiedenis van den verrekten schouder werd door iedereen geloofd, zoodat de kardinaal van de spaarzame donna Serafina eischte, dat een tweede lantaarn op het portaal aangestoken zou worden, opdat een dergelijk ongeluk niet weer gebeuren zou. De weer ontstane, monotone vrede werd slechts gestoord door een laatsten schok, of liever door het dreigen van een moeilijkheid, waarin Pierre op een avond, dat hij wat langer bij den herstellende bleef, gemengd werd.
Toen Benedetta zich eenige oogenblikken verwijderd had, boog Victorine, die een kop bouillon was komen brengen, zich over den prins heen en fluisterde hem zacht in het oor:
“Een jong meisje, u weet wel Pierina, komt iederen dag huilend naar u vragen … Ik kon haar niet wegsturen, zij dwaalt maar om het huis rond; en ik vind het beter u maar te waarschuwen.”
Ondanks zichzelf had Pierre het gehoord; plotseling begreep hij alles. Dario, die hem aankeek, zag heel goed, wat hij dacht. En zonder Victorine antwoord te geven, zeide hij:
“Ja, abbé, het was die woesteling van een Tito … Nu vraag ik u, is het niet belachelijk?”
Maar hoewel hij beweerde niets gedaan te hebben, waarom de broeder hem een waarschuwing moest geven, zijn zuster niet aan te raken, glimlachte hij toch verlegen, zelfs een beetje beschaamd over een dergelijke geschiedenis. Het was blijkbaar een heele opluchting voor hem, toen de priester beloofde, als zij weer terugkwam, met haar te praten en te trachten haar aan het verstand te brengen, dat zij thuis moest blijven.
“Een belachelijke geschiedenis, belachelijk!” herhaalde de prins, terwijl hij, als om zichzelf te honen, zijn woede overdreef. “Het is waarachtig iets uit de vorige eeuw.”
Plotseling zweeg hij. Benedetta kwam terug en ging weer naast haar lieven zieke zitten. En het zoete waken duurde voort in de oude, slapende kamer, in het oude, doode paleis, waaruit geen zuchtje opsteeg.
Toen Pierre weer uitging, waagde hij zich, om een beetje frissche lucht te scheppen, nauwlijks in de wijk zelf. De Via Giulia interesseerde hem: hij kende haar vroegere pracht uit den tijd van Julius II, die haar in een rechte lijn aanlegde en met grootsche paleizen wilde omzoomen. Gedurende het carneval werden er wedrennen gehouden: men begon, te voet of te paard, bij het paleis-Farnese en eindigde bij de piazza S. Pietro. Hij had pas gelezen, dat de Fransche gezant, d’Estrée, markies van Couré, die in den palazzo Saccheti woonde, daar in 1630 met pracht en praal de geboorte van den dauphin gevierd had; hij liet drie wedrennen houden van de Sixtusbrug tot de S. Giovanni di Fiorentini, waarbij een buitengewone weelde tentoongespreid werd: de straten waren bestrooid met bloemen, alle vensters met de kostbaarste tapijten behangen. Den tweeden avond werd een groot vuurwerk op den Tiber ontstoken, het schip Argo, waarmede Jason uitvoer om het Gulden Vlies te veroveren. Een andermaal stroomde uit de Farnesische fontein, den Mascherone, wijn.
Hoe ver lagen die tijden nu al weg en wat waren zij veranderd! Hoe eenzaam en stil lag nu de straat in de treurige verwaarloosde grootschheid, breed en recht, door de zon beschenen of in diepe duisternis. Van ’s ochtends negen uur af blakerde de zon op het plaveisel van den vlakken, trottoirloozen rijweg, terwijl aan de beide, afwisselend van het felle licht in diepe schaduw overgaande kanten, de oude paleizen, de zware, oude huizen, de antieke, met schilden en spijkers bedekte poorten, de met groote ijzeren staven getraliede vensters, geheele verdiepingen met gesloten vensters sluimerden. Zij waren als dichtgespijkerd, om het daglicht niet meer binnen te laten. Wanneer de poortdeuren open stonden, zag men diepe overwelvingen, vochtige en kille, met groene vlekken bedekte binnenplaatsen, die evenals kloosters met zuilengangen omgeven waren. In de dépendances, in de lage gebouwen, die ten slotte vooral aan de Tiberzijde kleine steegjes gevormd hadden, waren kleine winkeltjes en werkplaatsen gekomen, een kleermaker, een boekbinder, vruchtenkeldertjes met vier tomaten en vier kropjes salade, kleine wijndebieten, die producten van Frascati en Genzano hadden, en waarin de drinkers gestorven schenen te zijn.
In het midden van de straat bracht de gevangenis met haar afschuwlijk gelen muur al heel weinig vroolijkheid. Een geheel net van telegraafdraden liep door deze lange grafachtige gang met haar weinige voorbijgangers, waarin het stof van het verleden neerviel, van het eene einde naar het andere, van de arcade van den palazzo Farnese tot aan het verre uitzicht over de rivier, over de boomen van het hospitaal van den Heiligen Geest. Maar vooral ’s avonds, wanneer de duisternis gevallen was, werd Pierre getroffen door de eenzaamheid, door de soort gewijden afschuw, dien de straat dan kreeg. Geen levende ziel, geen licht van de ramen, niets dan de dubbele rij lantaarns, die ver van elkander staande, wel op nachtlichtjes geleken, welke opgeslokt werden door de duisternis. De poorten waren gegrendeld en gebarricadeerd, geen geluid, geen ademtocht drong eruit door. Slechts hier en daar een verlicht wijnwinkeltje, doffe ramen, Waarachter in volkomen onbeweeglijkheid een lamp brandde, geen geroezemoes van stemmen, geen gelach echter was te hooren! Alles wat leefde waren de schildwachten voor de gevangenis; één voor de poort, één op den hoek van het steegje rechts, beiden stijf en strak in de doode straat!
Verder interesseerde hem het geheele stadsdeel, die oude, voorname wijk, welke nu in vergetelheid geraakt en ver van het moderne leven verwijderd was, en nu nog slechts een muffe kerklucht uitademde. Aan den kant van de S. Giovanni di Fiorentini, op de plek, waar de nieuwe Corso Victor Emanuele alles vernietigd heeft, bestond een groote tegenstelling tusschen de hooge, gebeeldhouwde, schitterende, nauwlijks voltooide huizen van vijf verdiepingen en de zwarte, ingezakte en armzalige hutten van de naburige steegjes. ’s Avonds glommen electrische bollen in verblindende witheid, terwijl de enkele lantaarns van de Via Giulia en de andere straten niet meer dan walmende lampions waren. Het waren vroeger beroemde straten: de Via dei Banchi Vecchi, de Via del Pellegrino, de Via di Monserrato, verder tallooze dwarsstraten, die er doorheen liepen en ze onderling verbonden, alle op den Tiber uitkwamen en zoo nauw waren, dat wagens er slechts met moeite door konden. Iedere straat had haar eigen kerk, een menigte bijna gelijkvormige, rijk versierde, zwaar vergulde en geschilderde kerken, die alleen op de uren van den dienst geopend, en dan vol zon en wierook waren. In de Via Giulia stond behalve de S. Giovanni di Fiorentini, behalve de S. Biagio della Pagnotta, behalve de Sant’ Eligio degli Orefici, achter den palazzo Farnese nog de Santa Maria delle Morte, waarin hij gaarne toefde, om te droomen van het onbewoonde Rome, van de boetepriesters, die den dienst in die kerk waarnamen en wier taak het was de hun gesignaleerde verlaten lijken in de Campagna te gaan halen. Op een avond woonde hij de zielemis van twee onbekende, reeds veertien dagen lang onbegraven lijken bij.
Maar zijn lievelingswandeling werd al heel gauw de nieuwe Tiberkade aan den achterkant van den palazzo Boccanera. Hij behoefde slechts het nauwe straatje uit te loopen en kwam dan op een eenzaam plekje, waar alles hem met eindelooze gedachten vervulde. De kade was niet geheel afgemaakt, het werk scheen zelfs stil te liggen, het was een ontzaglijke, met puin en gehouwen steenen bedekte werkplaats met half gesloten palissaden en ingevallen loodsen. Het rivierbed was steeds hooger geworden, terwijl de onophoudelijke opgravingen den bodem der stad lager gemaakt hebben. Om haar tegen overstroomingen te beschermen, had men het water in die reusachtige vestingmuren gevangen gezet. Voor dat doel had men ook de oude oevers zóó moeten ophoogen, dat het terras van den kleinen tuin der Boccanera’s met zijn dubbele trap, waaraan vroeger pleizierbootjes aanlegden, lager lag en gevaar liep begraven te worden en te verdwijnen, wanneer men weer aan het straatwerk beginnen zou. Er was nog niets genivelleerd, de aangevoerde aarde bleef er zoo liggen als de kipkarren die er uitstortten; te midden van het materiaal, dat was blijven liggen, was niets te zien dan modderkuilen en instortingen. Slechts armelui’s-kinderen kwamen spelen tusschen die puinhoopen, waarin het paleis wegzonk, werklooze arbeiders sliepen er zwaar in de warme zon, terwijl vrouwen haar wasch op de hoopen kiezelsteenen te drogen legden. Toch was het voor Pierre een gelukkig toevluchtsoord, waar hij zeker was rust te zullen vinden en ongestoord droomen kon, wanneer hij hier uren lang kwam zitten kijken naar de rivier, de kaden en de stad.
Van acht uur af verguldde de zon het onmetelijk gat met haar blond-geel licht. Wanneer hij naar links keek, zag hij in de verte de daken van Trastevere, die zich grijsblauw tegen den schitterenden hemel afteekenden. Rechts maakte de rivier voorbij de apsis van de S. Giovanni di Fiorentini een bocht. De populieren van het hospitaal van den Heiligen Geest drapeerden op den anderen oever hun donkergroen gordijn en lieten aan den horizont het duidelijke profiel van de Engelenburcht zien. Maar vooral kon hij zijn oogen bijna niet afhouden van den tegenoverliggenden oever, want daar was een stuk van het heel oude Rome ongeschonden gebleven. Van de Sixtusbrug tot de Engelenbrug bevond zich op den rechteroever het deel van den onvoltooid gebleven kade-aanleg, dat, wanneer deze eenmaal voltooid zou zijn, later de rivier in de reusachtig hooge en witte vestingmuren gevangen houden zou.
En inderdaad deze buitengewone bezwering van den ouden tijd, van dien met een heel stuk der oude pauselijke stad bedekten oever had iets verrassends en betooverends. Aan de Via della Longara waren de gelijkvormige gevels blijkbaar opnieuw gepleisterd, maar hier bleven de achterzijden van de tot aan het water loopende huizen zooals zij waren: gescheurd, rosachtig, met vuil bedekt, als oude bronzen beelden door de heete zon met een groenen tint bedekt. En welk een opeenhooping, wat een ongelooflijke opeenstapeling! Onder donkere gewelven, waarin de rivier binnendrong, heiwerk, dat de muren schraagde, stukken oud-Romeinschen bouw, die loodrecht naar beneden liepen; dan steile, uit hun voegen geraakte, groen geworden trappen, die uit het oeverzand opstegen, boven elkaar liggende terrassen, verdiepingen met haar lange rijen onregelmatige kleine vensters, huizen, die boven andere huizen uitstaken—en dat alles in een fantastisch gewemel van balcons, houten galerijen, dwars over binnenplaatsen geslagen bruggen, boomgroepen, die uit de daken schenen te groeien, en bijgebouwde dakkamertjes, die midden in de rose dakpannen gezet waren. Een goot liep met groot lawaai uit een versleten en vervuild steenen bekken. Overal, waar de oever door de meer achteruitgelegen huizen zichtbaar werd, was hij met een wilde vegetatie, met onkruid, struiken en mantels van klimop, die in koninklijke plooien op den grond sleepten, bedekt. De ellende, de vervuiling verdween onder de glorie der zon, de oude, ingezonken, opeengehoopte gevels werden als van goud; de voor de ramen te drogen hangende wasch pavoiseerde ze met het purper van de roode rokken en de verblindende sneeuw van het linnen, terwijl verder weg, boven de wijk uit, de Janiculus zich met het fijne profiel van de S. Onofrio tusschen pijnboomen en cypressen verhief in de schittering der dagvorstinne.
Dikwijls ging Pierre leunen over de borstwering van den reusachtigen kademuur en bleef daar dan lang met een hart, dat vol droefheid over de doode eeuwen was, staan kijken naar den onder hem stroomenden Tiber. Niets zou de groote moeheid van die oude wateren kunnen schilderen, hun somber langzaam voortkabbelen onder in die Babylonische gracht, die hen omsloot, tusschen de mateloos groote, rechte, gladde, kale, in hun nieuwe leelijkheid geheel grauwe gevangenismuren. In de zon nam de gele rivier een gulden tint aan en vlamde door de lichte schittering van zijn stroom in blauw en groen. Maar zoodra zij in het donker lag, werd zij ondoorzichtig, modderkleurig, zoo oud, zoo dik en zoo zwaar, dat de omringende huizen zich er niet eens in weerspiegelen konden. Welk een troostelooze verlatenheid, welk een rivier van stilte en eenzaamheid! Ook al mocht zij na de winterregens haar dreigenden vloed nog dikwijls voorwaarts stuwen, toch sliep zij gedurende de lange maanden, dat de hemel blauw is, en stroomde geruischloos door Rome.
Men kon daar den geheelen langen dag staan, zonder dat een bark of een zeil er leven aan gaf. De enkele booten, de twee of drie stoombootjes, die van de zeekust kwamen, de tartanes1, die wijn van Sicilië brachten, ankerden alle aan den voet van den Aventinus. Verder was het niet meer dan een woestijn, dood water, waarin hier en daar een onbeweeglijke visscher zijn hengel hangen liet. Pierre zag iets naar rechts onder aan den ouden oever nooit iets anders dan een soort oude, overdekte, platte schuit, een half verrotte Arke Noachs, misschien was het een waschschuit, maar hij zag er nooit een levende ziel. Verder lag er nog op een modderachtig punt een gestrande sloep met een gebarsten zijde als een armzalig symbool, dat alle scheepvaart hier onmogelijk en opgegeven was. O, deze rivierruïne, die even dood was als de beroemde ruïne, waarvan zij het stof zoovele eeuwen lang bespoeld had! Nu was zij het moede! En wat riep zij niet voor den geest op? Eeuwen van geschiedenis, zoovele dingen, zoovele menschen, die de gele wateren weerspiegeld hadden, wier moeheid en walging zij overgenomen hadden, tot zij, in hun vurig verlangen naar het Niet, zoo zwaar, zoo stil, zoo eenzaam geworden waren.
Hier was het, dat Pierre op een ochtend Pierina achter een der houten loodsen, die tot bewaring van gereedschappen gediend hadden, zag staan. Zij rekte haar hals uit en keek, nu al uren lang misschien, strak naar het raam van Dario’s kamer op den hoek van het steegje en de kade. Ongetwijfeld bang geworden door de strenge manier, waarop Victorine haar ontvangen had, had zij zich niet meer in het paleis durven vertoonen, om naar hem te informeeren, maar nadat zij van een knecht gehoord had, waar het raam was, ging zij daarheen en bracht er heele dagen door, om onvermoeibaar op een teeken van leven en redding te wachten. Alleen de hoop reeds dat te zullen zien deed haar hart woest kloppen. Diep ontroerd haar zich zoo ootmoedig, ondanks haar koninklijke schoonheid zoo bevend van aanbiddende vereering te zien verbergen, ging hij naar haar toe. In plaats van haar te beknorren en weg te jagen, zooals hem opgedragen was, praatte hij vriendelijk en opgewekt met haar, alsof er niets voorgevallen was, en richtte het gesprek zóó in, dat hij den naam van den prins kon noemen, om haar daarbij tevens te zeggen, dat hij binnen veertien dagen weer op den been zou zijn.
Eerst was zij, schuw en wantrouwend, opgesprongen en wilde vluchten. Maar toen zij hem begrepen had, schoten de tranen in haar oogen, en toch lachend, wierp zij hem gelukkig een kushand toe en riep hem “Grazie, grazie!”2 toe, terwijl zij zich zoo vlug mogelijk uit de voeten maakte. Nooit heeft hij haar meer teruggezien.
Op een anderen ochtend zag Pierre, toen hij in de S. Brigitta op de piazza Farnese zijn mis wilde gaan lezen, tot zijn groote verbazing Benedetta, ondanks het vroege uur, reeds uit de kerk komen. Zij had een klein fleschje olie in haar hand. Zij toonde in het geheel geen verlegenheid daarover en vertelde hem, dat zij om de twee of drie dagen bij den koster een paar druppeltjes ging halen van de olie, welke de eeuwige lamp voedde voor een oud, houten beeld der Madonna, waarin zij groot vertrouwen stelde. Zij bekende zelfs, dat zij alleen in deze vertrouwen stelde, want zij had nooit iets verkregen van andere, zelfs niet van zeer beroemde Madonna’s, van marmer of zilver, tot wie zij zich gewend had. In haar hart brandde dan ook voor dit heilige beeld, dat haar niets weigerde, een innige vereering, de eenige vereering, die zij in werkelijkheid bezat. En zij verzekerde heel eenvoudig, als ware het de natuurlijkste zaak van de wereld, waaraan geen twijfel mogelijk was, dat die enkele droppels olie, waarmede zij iederen ochtend en iederen avond de wond van Dario inwreef, de oorzaak waren van zijn zoo snelle, ja bijna wonderbaarlijke genezing. Een zoo kinderlijke vroomheid bij dit bewonderenswaardige wezen van verstand en hartstocht en aanminnigheid, trof Pierre diep en maakte hem wanhopig; glimlachen kon hij niet.
Iederen avond, wanneer hij van zijn wandeling thuis kwam en een uurtje ging doorbrengen in de kamer van den genezenden Dario, wilde Benedetta, dat hij, om den zieke wat afleiding te geven, vertelde hoe hij zijn dagen doorgebracht had; en alles wat hij vertelde, zijn verbazing, zijn ontroering en dikwijls ook de woede, die in hem opgekomen was, dat alles kreeg, te midden van de groote, gedempte stilte van de kamer, een droeve bekoring. Maar vooral toen hij de wijk weer durfde verlaten, toen hij een groote liefde had opgevat voor de Romeinsche parken, waarheen hij zich ’s morgens vroeg, wanneer de hekken geopend werden, reeds begaf, om zeker te zijn er niemand te zullen ontmoeten, bracht hij geestdriftige gevoelens mede naar huis—een verrukte liefde voor de mooie boomen, voor de fonteinen, voor de terrassen, vanwaar men zulk een heerlijk uitzicht had op breede horizonten.
En niet de grootste van die vele parken vervulden zijn hart met de meeste geestdrift. In de Villa Borghese, het Bois de Boulogne van Rome, was majestueus volwassen hout, waren koninklijke alleeën, waar ’s middags vóór den verplichten rit op den Corso de equipages kwamen defileeren, maar veel meer werd hij getroffen door den afgesloten tuin vóór de villa—deze villa vol verblindende pracht van marmer, waarin zich thans het mooiste museum der wereld bevindt. Daar was een eenvoudig, fijn tapijt van gras, een heel groot bekken in het midden, dat door de naakte blankheid van een Venus beheerscht wordt. Daar waren brokstukken van antieke vazen, beelden, zuilen, sarcophagen, symmetrisch in een vierkant opgesteld, en verder niets dan dat verlaten, bezonde, melancholieke gras. Op den Pincio, waarheen hij weer terugkeerde, bracht hij een heerlijken ochtend door; hij begreep thans de bekoring van dit smalle hoekje met zijn enkele, altijd-groene boomen, met zijn prachtig uitzicht: geheel Rome en de St. Pieter in de verte, in het zoo zachte, zoo helder, zoo bepoederde zonlicht.
In de villa Albani en in de villa Pamphili vond hij de heerlijke, trotsche, slanke piniepijnen, de krachtige steeneiken met hun kromme takken en hun bijna zwart loof terug. In de laatste vooral dompelden de eiken de lanen in een heerlijk halfdonker; het kleine meertje met zijn treurwilgen en riettouffes was vol droomen; het dieper gelegen bloemperk vormde een mozaïek van barokken smaak, een samengesteld dessin van rozetten en arabesken, dat door een rijke verscheidenheid van bloemen en bladeren gekleurd werd. Wat hem echter in den tuin, den edelste, grootste, best verzorgde van al deze tuinen, in het bijzonder opviel, was, dat hij, toen hij langs een klein muurtje liep, weer de St. Pieter zag, maar nu onder een zóó nieuw en zoo onverwacht aspect, dat het symbolische beeld voor altijd in zijn geest gegrift was. Rome was geheel verdwenen; tusschen de hellingen van den Monte Mario en een anderen heuvel, die de stad aan het oog onttrok, zag men niets dan den reusachtigen dom, welks groote massa op verspreide, witte en rossige blokken scheen te rusten. Met zijn overmatig grooten, tegen het helle blauw van den hemel matblauw afstekenden koepel beheerschte hij, drukte hij de huizeneilandjes van den Borgo, de opgehoopte gebouwen van het Vaticaan dood.
Maar Pierre voelde nog meer de ziel der dingen in de minder weelderige tuinen, die een meer gesloten lieftalligheid bezaten. O, die villa Mattei op de helling van den Coelius met haar terrasvormigen tuin, met haar intieme, door aloës, laurierboomen en groote kardinaalsmutsen omzoomde lanen, met haar priëelvormig geschoren taxisboomen, met haar oranjeappelen, haar rozen en haar fonteinen! Hij doorleefde er heerlijke uren! Een dergelijke bekoring vond hij alleen nog maar terug op den Aventinus, toen hij de drie kerken bezocht, die daar als verloren gingen in het groen; vooral in de S. Sabina, de wieg der Dominicanen, welker kleine, van alle kanten ingesloten tuin, zonder eenig uitzicht, in een lauwen, geurigen vrede slaapt, en beplant is met oranjeappelboomen, in het midden waarvan de eeuwenoude boom van den Heiligen Dominicus nog met rijpe vruchten beladen is. De tuin van de kloosterkerk der Malthezer ridders gaf een ruim uitzicht over een breeden horizont, die den loop van den Tiber, de gevels en daken, die zich langs de beide oevers ophoopen, tot aan den verren top van den Janiculus omvat. Overigens zag men in die tuinen van Rome steeds weer dezelfde geschoren taxisboomen, de eucalyptussen met hun witten stam en hun lichte, als menschenhaar zoo lange bladeren, de ineengedrongen, sombere steeneiken, de reusachtige pijnboomen, de groote cypressen, tusschen de rozenstruiken witte marmergroepen, onder de mantels van klimop ruischende fonteinen.
Een teederder, smartelijke vreugde smaakte hij eerst in de villa van paus Julius, welker in den tuin uitkomenden zuilengang met zijn geschilderde decoratie, zijn gouden, met bloemen omrankt latwerk, waardoor glimlachende zwermen van kleine Amortjes vliegen, het geheele leven van een beminlijk en zinnelijk tijdvak verhaalt. Den avond eindelijk, dat hij uit de villa Farnese thuiskwam, zeide hij, dat hij de doode ziel van het oude Rome medebracht; niet de naar kartons van Raffaël uitgevoerde schilderingen hadden hem echter zoo getroffen, neen, de mooie zaal aan den rand van het water met haar zacht-blauwe, zacht-lila, zacht-rose, volstrekt niet geniale, maar zoo bekoorlijke en zoo echt-Romeinsche versiering—en nog meer de verwaarloosde tuin, die vroeger tot den Tiber liep en nu door de nieuwe kade afgesloten werd. Hij was verwaarloosd, verwoest, met onkruid doorwoekerd als een kerkhof, maar toch rijpten er nog steeds de gouden vruchten der oranjeappel- en citroenboomen.
Nog eenmaal werd Pierre op een mooien avond, toen hij de villa Medici bezocht, door een hevige ontroering geschokt. Daar was hij op Franschen bodem. En welk een prachtige tuin was het weer met zijn taxisboomen, zijn pijnboomen en zijn alleeën vol pracht en bekoring! Welk een heerlijk toevluchtsoord voor droomerijen en gepeins over de Oudheid gaf dat oude en donkergroene bosch van steeneiken, waar de ondergaande zon gloeiende goudroode lichtstralen wierp in het glanzende brons der bladeren. Men moet een eindeloos hooge trap opgaan, om van uit de hoogte, van af den Belvédère met één blik geheel Rome te omvatten, als kon men het, wanneer men zijn armen uitbreidde, geheel nemen. Van uit de eetzaal, die de portretten van alle kunstenaars, die te Rome hun studies in de villa kwamen voortzetten, versieren, van uit de bibliotheek, een groote zaal vol diepe rust, heeft men hetzelfde bewonderenswaardige, grootste en medesleependste uitzicht, een uitzicht van mateloozen eerzucht welks oneindigheid den jongen daar verblijf houdenden mannen den wil moest ingeven de wereld te veroveren en te bezitten.
Hij, die met vijandige gevoelens tegen het instituut van den prix de Rome, tegen deze traditioneele, éénvormige en voor de oorspronkelijkheid zoo gevaarlijke opleiding naar Rome gekomen was, werd nu een oogenblik door dezen lauwen vrede, door deze zachte eenzaamheid van den tuin, door dezen verheven horizont, waarin de vleugels van het genie schenen te klapwieken, geheel gevangen genomen. Hoe heerlijk moest het zijn, om op zijn twintigste jaar drie jaar in dezen zachten droom, te midden van de mooiste kunstwerken der menschheid te mogen leven, zich te mogen zeggen, dat men nog te jong is om reeds te kunnen scheppen, zichzelf te mogen zoeken, te mogen leeren genieten, lijden en liefhebben! Maar dan overwoog hij weer, dat het smaken van het goddelijk genot van zulk een kunst-retraite niet de zaak der jeugd is, maar van den rijperen leeftijd, van reeds behaalde overwinningen, van de beginnende moeheid nadat het werk voltooid is. Hij sprak met de inwonende kunstenaars en merkte op, dat, al mochten ook droomerige en contemplatieve jonge zielen en de eenvoudige middelmatigheid zich in dit in de kunst van het verleden opgesloten leven schikken kunnen, iedere strijdbare kunstenaar, ieder persoonlijk temperament hier van ongeduld stierf en, verteerd door de begeerte om dadelijk midden in den vurigen haard van scheppen en strijden te zijn, zijn oogen gericht hield op Parijs.
En al die tuinen, waarvan Pierre hun ’s avonds met verrukking vertelde, riepen in Benedetta en Dario de herinnering wakker aan den tuin van de villa Montefiori, die thans verwoest, maar vroeger zoo groen en met de mooiste oranjeappelboomen van Rome, een geheel bosch van eeuwenoude boomen, beplant was, en waarin zij elkaar hadden leeren liefhebben.
“O, ik herinner het mij,” zeide de contessina, “in den bloeitijd rook het er zóó heerlijk, zóó sterk, zóó bedwelmend, dat ik eenmaal in het gras ben blijven liggen en niet opstaan kon … Weet jij het nog, Dario? Je hebt me toen in je armen genomen en naar de fontein gedragen, waar het zoo lekker frisch was.”
Zij zat, zooals gewoonlijk, op den rand van het bed en hield de hand van den herstellende, die was begonnen te lachen, in de hare.
“Ja zeker, ik heb je op je oogen gezoend en eindelijk heb je die geopend … Toen was je heel wat minder wreed, liet je me je oogen zoenen, zooveel als ik zelf wilde … Maar we waren kinderen, en indien we geen kinderen geweest waren, zouden we in dien grooten tuin, waarin het zoo heerlijk rook en we zoo vrij konden loopen, dadelijk man en vrouw geweest zijn!”
Zij knikte toestemmend, overtuigd, dat de Madonna alleen hen beschermd had.
“Dat is zoo, dat is zoo!… En welk een geluk, dat we nu elkander kunnen toebehooren, zonder de engelen te bedroeven!”
Steeds weer kwam het gesprek daarop terug. Het proces tot nietigverklaring van het huwlijk liet zich steeds gunstiger aanzien en Pierre was iederen avond getuige van hun verrukking, hoorde hen slechts praten over hun aanstaande echtverbintenis, over hun plannen, over hun vreugde van verliefden in het paradijs. Ditmaal door een almachtige hand bestuurd, moest donna Serafina de zaak met kracht leiden, want er ging bijna geen dag voorbij, dat zij niet de een of andere blijde tijding medebracht. Zij wilde de zaak ter wille van het voortbestaan en de eer van den naam zooveel mogelijk bespoedigen, aangezien Dario met niemand dan met zijn nicht trouwen wilde en anderzijds dit huwlijk alles zou verklaren, alles zou verontschuldigen, aan een onhoudbaren toestand een einde maken zou.
Het afschuwlijke schandaal, de vreeselijke kletspraatjes, die de zwarte en witte kringen opwonden, brachten haar geheel buiten zichzelf, te meer daar zij voor de eventueele mogelijkheid van een conclave, waarin zij wilde, dat de naam van haar broeder in onbevlekten, verheven glans schitteren zou, de noodzakelijkheid van een overwinning inzag. Nooit had de geheime eerzucht van haar geheele leven, de hoop er getuige van te zijn, dat haar geslacht een derden paus aan de Kerk schenken zou, haar met zulk een hartstocht vervuld; het was, alsof zij de behoefte voelde troost te zoeken voor haar koud celibaat, sedert haar eenige vreugde in deze wereld, advocaat Morano, haar zoo wreed in den steek gelaten had. Steeds in het donker gekleed, druk bezig en zóó slank en ingeregen, dat men haar, van achteren gezien, voor een jong meisje gehouden had, was zij als de donkere ziel van het oude paleis; Pierre ontmoette haar overal, terwijl zij als zorgzame huisvrouw door het huis sloop en ijverzuchtig over den kardinaal waakte.
Hij groette haar zwijgend; telkens werd het hem koud om het hart, wanneer hij het uitgedroogde, met diepe plooien doorgroefde gelaat met den grooten, eigenzinnigen familieneus zag. Maar zij beantwoordde nauwlijks zijn groet, keek nog steeds minachtend neer op dien kleinen vreemden priester, dien zij slechts in haar naaste omgeving duldde ter wille van monsignor Nani en van vicomte Philibert de la Choue, die zoovele mooie bedevaarten naar Rome gebracht had.
Langzamerhand begon Pierre, die iederen avond getuige was van de angstige vreugde en het liefde-ongeduld van Benedetta en Dario, met hen een spoedige oplossing te wenschen. Het proces zou weer gevoerd worden voor de concilie-congregatie, wier eerste beslissing ten gunste van de echtscheiding niet in kracht van gewijsde gegaan was, daar de verdediger van het huwlijk, monsignor Palma, in overeenstemming met zijn recht een aanvullend onderzoek geëischt had. Trouwens dat slechts met één stem meerderheid genomen besluit zou zeker niet door den Heiligen Vader bekrachtigd zijn. In het kort, het ging er nu om stemmen te krijgen onder de tien kardinalen, waaruit de congregatie samengesteld was, hen te overreden en een bijna volkomen eenstemmigheid te verkrijgen: een moeilijke taak, want de verwantschap van Benedetta met haar oom den kardinaal, welke alles makkelijker moest maken, compliceerde juist de zaak door al de intriges van het Vaticaan, al den wedijver, die door het doen voortduren van het schandaal ernaar streefde den mogelijken paus in hem te dooden.
Op die verovering van stemmen ging donna Serafina iederen middag uit, waarbij zij geleid werd door haar biechtvader, pater Lorenza, dien zij dagelijks ging opzoeken in het Collegium Germanicum, het laatste toevluchtsoord der Jezuïeten te Rome, sedert zij niet langer de meesters van Il Gesù zijn. De hoop op succes baseerde zich vooral op de omstandigheid, dat Prada, de zaak moede en geprikkeld, verklaard had, niet meer te zullen verschijnen. Hij antwoordde niet eens op de herhaalde dagvaardingen, zoo hatelijk en belachelijk scheen hem de aanklacht van impotentie, sedert Lisbeth, zijn erkende maîtresse voor de oogen der geheele stad, zwanger van hem was.
Hij zweeg dus, deed als was hij nooit getrouwd geweest, ofschoon de wond van zijn beleedigden mannetrots nog altijd bloedde en onophoudelijk door de praatjes, die bleven loopen, en den twijfel aan zijn vaderschap, welke in de zwarte kringen heerschen bleef, weder geopend werd. Daar dus de tegenpartij zich terugtrok en uit eigen beweging verdween, kon men de steeds toenemende hoop van Benedetta en Dario voorstellen, wanneer donna Serafina ’s avonds bij haar thuiskomst vertellen kon, dat zij meende weer de stem van een kardinaal gewonnen te hebben.
Maar de man, die hun den meesten angst bezorgde, was monsignor Palma, de door de congregatie van ambtswege aangestelde advocaat, om den heiligen band van het huwlijk te verdedigen. Hij bezat bijna onbeperkte rechten, kon nogmaals hooger beroep aanteekenen, in ieder geval het proces sleepende houden, zoolang als hij zelf wilde. Zijn eerste pleidooi in antwoord op dat van Morano, was reeds verschrikkelijk geweest, had den maagdelijken staat van Benedetta in twijfel getrokken, citeerde wetenschappelijk vastgestelde gevallen, waarin vrouwen nog de door vroedvrouwen beëedigde maagdelijke kenteekenen bezaten, eischte een nauwkeurig onderzoek van twee artsen en verklaarde ten slotte, dat, waar de eerste voorwaarde tot het verrichten van de daad gehoorzaamheid van de vrouw is, de eischeresse, zelfs al was zij maagd, niet gerechtigd was de nietigverklaring van het huwlijk te vragen, waarvan de volkomen voltrekking belemmerd was door haar herhaalde weigeringen. Het gerucht liep, dat het nieuwe pleidooi, hetwelk hij gereed maakte, nog onverbiddelijker en meedoogenloozer zou zijn, zóó vast stond zijn overtuiging. Het ergste zou zijn, dat tegenover die verheven energie van waarheid en logica de kardinalen, zelfs al waren zij nog zoo welwillend, het niet wagen zouden den Heiligen Vader tot nietigverklaring te adviseeren.
Benedetta begon dan ook reeds weer moedeloos te worden, toen donna Serafina haar na een bezoek aan monsignor Nani weer wat gerust stelde met de mededeeling, dat een gemeenschappelijke vriend beloofd had met monsignor Palma te zullen spreken. Maar dat zou ongetwijfeld veel geld kosten. Monsignor Palma, een in kanonische aangelegenheden zeer ervaren en uiterst rechtschapen theoloog, had in zijn leven een groot verdriet gehad: op lateren leeftijd was hij als waanzinnig verliefd geworden op een zeldzaam mooie nicht en had haar, om een schandaal te vermijden, moeten uithuwlijken aan een spitsboef, die haar van af het eerste oogenblik arm maakte en mishandelde. De schijn bleef gered, maar op dat oogenblik maakte de prelaat een moeilijke crisis door: hij was het moe zich nog langer te laten plukken en bezat niet het noodige geld, om zijn neef, die valsch gespeeld had, uit die moeilijkheid te redden. De gelukkige vondst nu bestond hierin, dat men den jongen man wilde redden door voor hem te betalen en hem dan een positie te bezorgen, zonder iets aan den oom te vragen, die op een avond, nadat de duisternis volkomen ingevallen was, als was hij een medeplichtige, weenend donna Serafina voor haar goedheid danken kwam.
Pierre was dien avond bij Dario, toen Benedetta dien avond lachend en in haar handen klappend van blijdschap de kamer binnenkwam.
“Het is zoover! Het is zoover! Hij is juist bij tante geweest en heeft haar eeuwige trouw gezworen. Nu is hij wel verplicht vriendelijk te zijn.”
“Maar heeft men hem iets laten onderteekenen, heeft hij zich formeel verbonden?” vroeg Dario, die wantrouwender was.
“Wel neen, hoe kon dat nu? Het is zoo’n delicate quaestie!… Men zegt, dat hij een buitengewoon eerlijk man is!”
Toch was ook zij weer door een onrust aangegrepen. Als monsignor Palma ondanks den grooten dienst, dien men hem bewezen had, onomkoopbaar zou blijken te zijn? Die gedachte liet hen niet meer los. Het in spanning wachten begon opnieuw.
“Dat heb ik nog niet verteld,” begon zij weer na een vrij lange stilte; “ik heb me tot dat beroemde onderzoek vermand. Ja, ik ben vanochtend met tante naar twee doktoren geweest.”
Zij glimlachte weer, scheen in het geheel niet verlegen.
“En?” vroeg hij met hetzelfde kalme gezicht.
“Natuurlijk hebben zij gezien, dat ik niet loog. Zij hebben allebei een soort certificaat opgemaakt … Het was, naar het schijnt, absoluut noodzakelijk ten einde monsignor Palma in staat te stellen zijn vroegere woorden te herroepen.”
En zich vervolgens tot Pierre wendend:
“O, dat vreeselijke Latijn, mijnheer de abbé!… Toch zou ik graag geweten hebben, wat erin stond, en daarom had ik gedacht, dat u zoo welwillend zoudt zijn het te vertalen. Maar tante heeft mij de stukken niet willen laten en ze onmiddellijk aan het dossier doen toevoegen.”
Heel verlegen knikte de priester slechts, want hij wist maar al te goed, dat die soorten certificaten een volledige beschrijving in technische termen waren van alle bijzonderheden van den toestand, tot van de kleur en den vorm toe. Zij schaamden zich er zonder eenigen twijfel niet voor, zóó natuurlijk en gelukkig zelfs scheen dit onderzoek, waarvan hun geheele levensgeluk afhing, hun toe.
“Enfin,” zeide Benedetta, “laten we hopen, dat monsignor Palma dankbaar zal zijn. En jij, Dario, maak nou maar gauw, dat je voor den mooien dag van ons geluk weer heelemaal beter bent.”
Maar hij was zoo onvoorzichtig geweest te vroeg op te staan, waardoor zijn wond weer open ging en hij nog eenige dagen het bed moest houden. Pierre bleef iederen avond bij hem komen en trachtte hem dan wat afleiding te bezorgen door hem van zijn wandelingen te vertellen. De laatste dagen was hij moediger geworden, doorkruiste hij geheel Rome en ontdekte met verrukking de merkwaardigheden, die in alle reisgidsen genoemd worden. Zoo begon hij op een avond met iets van ontroering in zijn stem te praten over de voornaamste pleinen der stad, die hij in den beginne banaal gevonden had, doch die nu in zijn oog zeer interessant waren en ieder hun eigenaardige bekoring hadden: de piazza del Popolo, zoo zonnig, zoo voornaam in haar monumentale symmetrie—de piazza di Spagna, de zoo drukke en levendige plaats van samenkomst der vreemdelingen met haar dubbele, door de zomerzon vergulde, breede en sierlijke trap van honderd twee-en-dertig treden—de groote, altijd van menschen wemelende piazza Colonna, de meest typisch Italiaansche door die nietsdoende en zorgelooze menigte, welke flaneert om de zuil van Marcus Aurelius in de hoop, dat het geluk hun wel uit den hemel in den schoot zal vallen—de lange, regelmatige piazza Navone, die stil en verlaten ligt, sedert er geen markt meer op gehouden wordt, doch de droefgeestige herinnering aan haar vroegere drukte bewaart—de piazza del Campo de’ Fiori, welke iederen ochtend met het lawaai van de vruchten- en groentenmarkt vervuld wordt, een ware plantage van groote parapluies, stapels tomaten, Spaansche pepers en druiven te midden van den stroom der steeds maar door ratelende koop- en huisvrouwen. Het meest echter werd hij getroffen door de piazza del Capitolio, waaraan hij altijd dacht als aan een bergtop, aan een de stad en de wereld beheerschende open plek; nu vond hij haar echter klein, vierkant, eng tusschen de drie paleizen ingesloten, terwijl zij slechts uitzag op een kleinen, door daken begrensden horizont. Niemand komt hierlangs, vindt het de moeite waard de met palmen omzoomde toegangstrap op te gaan; alleen vreemdelingen maken een omweg om er heen te rijden. De rijtuigen wachten, de touristen blijven een oogenblik staan kijken naar het prachtige, oude, bronzen ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius, dat in het midden staat. Tegen vier uur, wanneer de zon het paleis aan den linkerkant verguldt en de fijne beelden van het lijstwerk zich tegen den blauwen hemel afteekenen, zou men haar met haar vrouwen, die onder de zuilengaanderij zitten te breien en de troepen havelooze kinderen, die daar losgelaten zijn als een school op een speelplaats, voor een lauw en stil provinciepleintje houden.
Weer op een anderen avond gaf Pierre tegenover Benedetta en Dario uiting aan zijn bewondering voor de fonteinen van Rome, de stad, waar het water het rijkelijkst en overvloedigst in marmer en brons stroomt: van het “Scheepje” op de piazza di Spagna, den “Triton” op de piazza Barbarini, de “Schildpadden” op het pleintje, dat daarnaar genoemd is, af tot de drie fonteinen op de piazza Navona, waar in het midden het grootsche kunstwerk van Bernini prijkt, en de reusachtige en weelderige Fontana di Trevi, die door het tusschen de Gezondheid en de Vruchtbaarheid staande beeld van Neptunus beheerscht wordt, toe.
Een anderen avond kwam hij gelukkig thuis en vertelde, dat hij zich eindelijk den typischen indruk had kunnen verklaren, die de straten van het oude Rome om den Capitolinus en op den linkeroever van den Tiber, daar waar oude krotten als het ware gekleefd stonden tegen de zijden van groote, vorstelijke paleizen, op hem maakten: het kwam, omdat zij geen trottoir hadden en de voetgangers heel op hun gemak tusschen de voertuigen in liepen, zonder ooit op de gedachte te komen langs de huizen te gaan. Het waren oude wijken, zooals hij ze gaarne zag: eindeloos draaiende straatjes; nauwe, onregelmatige pleintjes; reusachtige, vierkante paleizen, die in de op elkaar gedrongen menigte kleine huizen, welke ze van alle kanten overstroomden, als het ware verdwenen. Ook de wijk van den Esquilinus was zoo: overal met grijs kiezel bedekte trappen, waarvan iedere trede met witten steen omrand was; plotselinge bochten makende hellingen; boven elkander liggende terrassen; seminaria en kloosters met gesloten ramen als waren het doode huizen; een groote kale muur, waarachter zich een reusachtige palm in het smettelooze blauw van den hemel verheft.
Weer een ander maal, nadat hij zijn wandeling nog verder uitgestrekt had tot in de Campagna, langs den Tiber, stroomopwaarts van af de Ponte Molli, kwam hij verrukt thuis, omdat hem een klassieke kunst, waarvoor hij tot dusverre geen gevoel gehad had, geopenbaard was. Langs den oever had hij zuivere Poussin’s3 gezien: de gele, langzaam stroomende rivier met haar met riet begroeide oevers; lage, gekartelde, rotsachtige oevers, waarvan de krijtachtige witheid afstak tegen den rosachtigen achtergrond van de eindelooze, golvende vlakte, die slechts door de blauwe heuvels van den horizont begrensd werd; enkele spichtige boomen; de ruïne van een zuilengaanderij; een troep achter elkaar loopende schapen, die gaan drinken, terwijl een herder, die met zijn schouder tegen den stam van een steeneik leunt, staat te kijken. Het was een speciale, vermetele en ruwe, uit niets bestaande, tot een rechte en vlakke lijn vereenvoudigde, maar door grootsche herinneringen veredelde schoonheid; steeds nog marcheerden de Romeinsche legioenen over de straatwegen door de kale Campagna, steeds nog was het de lange slaap der Middeleeuwen, dan het ontwaken der oude natuur in het Katholieke geloof, wat Rome voor de tweede maal tot den wereldheerscher gemaakt had.
Op een dag, dat Pierre den Campo Verano, het groote kerkhof van Rome bezocht had, vond hij ’s avonds aan het bed van Dario behalve Benedetta ook Celia.
“Vindt u het zoo prettig naar de dooden te gaan kijken?” riep de kleine prinses uit.
“O, die Franschen,” viel Dario, die alleen bij de gedachte aan een kerkhof al huiverde, haar bij; “die Franschen bederven door hun liefde voor treurige tooneelen met opzet hun leven.”
“Maar,” merkte Pierre zachtjes op, “je ontkomt nu eenmaal niet aan de werkelijkheid van den dood. Het beste is hem in het gezicht te zien.”
De prins werd plotseling boos.
“De werkelijkheid, de werkelijkheid! Wat beteekent dat? Als de werkelijkheid niet mooi is, kijk ik er niet naar. Ik probeer zelfs niet er aan te denken.”
Desniettemin vertelde Pierre op zijn kalme, vriendelijke manier, wat hem getroffen had: het prachtige onderhoud van het kerkhof; het feestelijke, dat de herfstzon erin bracht; de buitengewone marmerpracht; de tallooze marmeren beelden op de graven; de marmeren kapellen; de marmeren gedenkteekenen. Ongetwijfeld was dat de uitwerking van het oude atavisme; de weelderige mausolea van de Via Appia, een pronk en praal, een matelooze hoogmoed tot in den dood toe herleefden daar. In het bijzonder in het hooger gelegen gedeelte, waar de Romeinsche adel haar aristocratische wijk had, was het een opeenhooping van ware tempels, van reusachtige figuren, van uit verschillende personen bestaande groepen, meest alle getuigend van een vreeselijken wansmaak, maar waaraan millioenen ten koste gelegd moesten zijn. Vooral was tusschen de taxisboomen en cypressen het zuiver wit gehouden marmer van een groote bekoring. De warme zon verguldde het, er was geen mosvlek op te zien, geen door den regen veroorzaakte scheuren, welke de standbeelden in het Noorden zoo droefgeestig maken.
Benedetta, op wie het onbehagelijke gevoel van Dario aanstekelijk werkte, viel Pierre eindelijk in de rede door aan Celia te vragen:
“En is de jacht interessant geweest?”
Op het oogenblik, dat de priester binnenkwam, was de kleine prinses juist aan het vertellen over een vossenjacht, waarheen haar moeder haar medegenomen had.
“Je kan je niets interessanters voorstellen!… Om een uur zouden we bij elkaar komen bij het graf van Caecilia Metella, waar in een tent een buffet ingericht was. En een menschen—de geheele vreemdelingenkolonie, de jongelui van de gezantschappen, officieren, ongerekend nog de heeren in rood jachtcostuum en de vele dames als amazones … Het sein van vertrek is om half twee gegeven en de jacht heeft meer dan twee uur geduurd, zoodat de vos zich eerst heel ver weg heeft laten vangen. Ik heb niet heelemaal kunnen volgen, maar ik heb toch heel interessante dingen gezien: een groote muur, waar alles overheen moest, greppels, hekken, in het kort een dolle jacht achter de honden aan … Er zijn twee ongelukken gebeurd, o, niet heel erg, een heer heeft zijn pols verrekt en een ander een been gebroken.”