Als gevolg van een plotselinge gedachtenassociatie vroeg Pierre plotseling:
“Is monsignor Nani dan een Jezuïet?”
Die naam scheen don Vigilio weer geheel van streek te brengen; zijn hand beefde van opwinding.
“Hij? O, hij is veel te slim en veel te handig, om in de orde te gaan. Maar hij is een leerling van dat Collegium Romanum, waarop zijn generatie zijn opleiding gekregen heeft, en heeft daar het genie der Jezuïeten, dat zoo goed bij zijn eigen genie paste, ingedronken. Maar ook al heeft hij begrepen, hoe gevaarlijk het is zich in een impopulair en hinderlijk kostuum te steken, wanneer men vrij wil zijn, daarom is hij niet minder Jezuïet, o, Jezuïet in merg en been! Hij is blijkbaar de meening toegedaan, dat de Kerk niet kan triompheeren dan door de menschelijke hartstochten te exploiteeren; daarbij heeft hij haar oprecht lief; hij is in den grond der zaak heel vroom, een zeer goed priester en dient God zonder zwakheid om de onbeperkte macht, die Hij aan Zijn dienaren geeft. Bovendien is hij zeer charmant, niet in staat tot een ruwheid of een misstap, wordt hij begunstigd door de reeks adellijke Venetianen, die hij achter zich heeft, bezit hij door zijn wereldkennis, die hij in de nuntiaturen te Weenen en Parijs verkregen heeft, een breeden blik, weet hij alles, kent hij alles, dank zij de delicate functies, die hij hier, als assessor van het Heilig College, sedert tien jaar bekleedt … O, hij is almachtig en niet als een heimelijke Jezuïet, wiens zwart kleed te midden van het algemeene wantrouwen voortglijdt, maar als aanvoerder zonder een bepaalde uniform, als het hoofd, als het brein!”
Deze woorden brachten Pierre tot ernstige overdenkingen, want het ging nu niet meer om mannen, die zich in muren verborgen, niet meer over donkere complotten van een romantische secte. Ook al kwam zijn scepticisme tegen dergelijke verhaaltjes in verzet, daarom kon hij toch zeer goed aannemen, dat een opportunistische, uit de behoeften van den strijd om het bestaan geboren moraal, zooals die van de Jezuïeten, zich geoculeerd had op de geheele Kerk en daarin nu onbeperkt heerschte. De Jezuïeten zelf konden verdwijnen, hun geest zou hen overleven, omdat hij het strijdwapen, de hoop op de overwinning, de eenige taktiek was, die de volkeren onder de heerschappij van Rome zou kunnen terugbrengen. In werkelijkheid lag die strijd in deze poging tot aanpassing, die zich tusschen den godsdienst en de eeuw voltrok. Van nu af begreep hij, hoe mannen als monsignor Nani zoo’n belangrijke, beslissende rol konden spelen.
“O, als u het eens wist, als u het eens wist!” ging don Vigilio voort. “Hij is overal, heeft de hand in alles. Hier bij de Boccanera’s bijvoorbeeld is niets gebeurd, of ik heb hem achter de schermen gevonden, of hij verwarde of ontwarde, al naar het noodig was—wat hij alleen weet—de draden.”
En in de onuitputtelijke koorts van mededeelzaamheid, die hem geheel en al verteerde, vertelde hij, hoe monsignor Nani ongetwijfeld ook in de echtscheiding van Benedetta betrokken was. De Jezuïeten hebben ondanks hun verzoenlijken geest steeds een onverzoenlijke houding aangenomen ten opzichte van Italië, hetzij omdat zij niet aan de herovering van Rome twijfelen, hetzij omdat zij het oogenblik afwachten om met den werkelijken overwinnaar te onderhandelen. Nani, die sedert lang een vertrouwde van donna Serafina was, had haar dan ook geholpen om haar nicht weer bij zich te nemen en de breuk met Prada te bespoedigen, zoodra Benedetta haar moeder verloren had. Hij was het geweest, die, om abbé Pisoni, den patriotischen geestelijke en den biechtvader van het jonge meisje, wien men verweet, dat hij het huwlijk in de hand gewerkt had, te verdringen, Benedetta aangespoord denzelfden biechtvader te nemen als haar tante, den Jezuïetenpater Lorenza, een knappen man met heldere en vriendelijke oogen, wiens biechtstoel in de kapel van het Collegium Germanicum bestormd werd.
Het scheen vast te staan, dat deze manoeuvre over de heele quaestie beslist had: wat een pastoor voor Italië gedaan had, zou een pater tegen Italië weer ongedaan maken. Maar waarom scheen nu Nani, na eerst de breuk tot stand gebracht te hebben, een oogenblik zóó alle belangstelling in de zaak verloren te hebben, dat hij het verzoek om nietigverklaring van het huwlijk gevaar liet loopen? En waarom bemoeide hij er zich thans weer mede, door monsignor Palma te laten koopen, door donna Serafina aan het werk te zetten, door zelf zijn invloed op de kardinalen van de Conciliecongregatie te laten gelden? Er waren duistere punten in deze zaak, zooals in alle zaken, waarin hij betrokken was, want hij was vóór alles een man van verreikende combinaties. Maar men kon aannemen, dat hij het huwlijk van Benedetta en Dario wilde bespoedigen, om een einde te maken aan de schandelijke lasterpraatjes der witte kringen, die den neef en de nicht beschuldigden, dat zij in het paleis slechts één bed hadden, waarvoor hun oom, de kardinaal, welwillend zijn oogen sloot. Misschien was echter ook deze ten koste van veel geld en onder den druk van zeer bekende invloeden verkregen echtscheiding een met opzet uitgelokt, eerst op de lange baan geschoven en thans verhaast schandaal, om den kardinaal zelf te benadeelen, van wien de Jezuïeten voor een in de naaste toekomst liggende omstandigheid gaarne bevrijd wilden zijn.
“Ik voor mij voel het meest voor deze laatste veronderstelling,” ging don Vigilio voort; “te meer daar ik vanavond gehoord heb, dat de paus lijdende is. Bij een man van vier-en-tachtig jaar is ieder oogenblik het ergste te vreezen; de paus kan niet meer verkouden zijn, of het heele Heilige College en alle prelaten geraken in beweging … Nu hebben de Jezuïeten altijd de candidatuur van kardinaal Boccanera bestreden. Eigenlijk moesten zij om zijn rang, om zijn intransigente houding ten opzichte van Italië voor hem zijn, maar het denkbeeld zichzelf een dergelijken meester te geven, maakt hen bang; zij vinden, dat hij een te onstuimig karakter, een te heftig geloof heeft, te weinig soepel is in deze tijden, waarin de Kerk een diplomaat zoo hoog noodig heeft … En het zou me geen oogenblik verwonderen, wanneer men trachten zou hem in discrediet te brengen, zijn candidatuur door de gemeenste en schandelijkste middelen onmogelijk te maken.”
Een lichte rilling van vrees doorhuiverde Pierre. De besmetting van het onbekende, van de in het donker opgezette intriges werkte te midden van de nachtelijke stilte in het paleis aan den Tiber, in dat van legendarische tragedies zoo volle Rome nog sterker. En plotseling tot zichzelf, tot zijn persoonlijk geval terugkeerend, vroeg hij:
“Maar ik, wat heb ik met dat alles uitstaande? Waarom schijnt monsignor Nani zich voor mij te interesseeren? Wat heeft hij te maken met het proces, dat mijn boek aangedaan is?”
Don Vigilio maakte een groot gebaar.
“O, dat weet je nooit, dat weet je nooit precies!… Wat ik u met zekerheid zeggen kan, is, dat hij eerst van de zaak kennis gekregen heeft, toen de aanklachten der bisschoppen van Tarbes, Poitiers en Evreux zich al in handen bevonden van pater Dangelis, den secretaris der Indexcongregatie; eveneens heb ik gehoord, dat hij alle mogelijke moeite gedaan heeft om het proces tegen te houden, daar hij het blijkbaar onnoodig en onpolitiek vindt. Maar wanneer een zaak eenmaal bij de congregatie aanhangig gemaakt is, is het bijna onmogelijk den verderen loop tegen te houden, te meer daar hij in dit geval pater Dangelis tegenover zich had, die, als trouw Dominicaan, een hartstochtelijk tegenstander der Jezuïeten is. In dien stand van zaken heeft hij de contessina aan mijnheer de la Choue laten schrijven, die u zeggen moest, dat gij zelf in Rome uw boek verdedigen en gedurende uw verblijf alhier de gastvrijheid van dit paleis aannemen moest.”
Deze onthulling bracht Pierre in groote opwinding.
“Bent u daar zeker van?”
“O, beslist zeker, ik heb hem op een Maandagavond over u hooren spreken, en reeds heb ik u gezegd, dat hij zeer goed van u op de hoogte schijnt te zijn, alsof hij een nauwkeurig onderzoek naar u had ingesteld. Naar mijn meening had hij uw boek gelezen en was hij daardoor zeer gepreoccupeerd.”
“Gelooft u dus, dat hij het met mijn denkbeelden eens is? Dat hij oprecht is en dat hij zichzelf verdedigt, terwijl hij mij tracht te verdedigen?”
“O, neen, geen quaestie van … Hij vervloekt uw denkbeelden, uw boek en u zelf! U moest zijn minachting voor den zwakke, zijn haat tegen den arme, zijn liefde voor het gezag en de heerschappij eens kennen, die verborgen liggen onder zijn zoo beminnelijke vriendelijkheid. Lourdes zou hij u nog kunnen vergeven, hoewel dat een machtig wapen is. Maar nooit zal hij u vergeven, dat gij u aan de zijde der kleinen van deze wereld schaart en dat gij u tegen de wereldlijke macht verklaard hebt. Als u eens hoorde, met welk een aanminnig lijkende wreedheid hij zich vroolijk maakt over mijnheer de la Choue, dien hij de weemoedige treurwilg van het Neo-Katholicisme noemt.”
Pierre greep met beide handen naar zijn slapen en drukte zijn hoofd in wanhoop.
“Maar waarom dan, waarom dan? Zeg het me, ik bezweer het u … Waarom liet hij mij hier komen, waarom wil hij mij in dit huis tot zijn beschikking hebben? Waarom laat hij mij nu maanden in Rome rondloopen, waarom laat hij mij allerlei hinderpalen ontmoeten, waarom wil hij mij moe maken, terwijl het hem in het geheel geen moeite kost mijn boek, als het hem hindert, op den Index te laten plaatsen? Zeker, het zou dan niet zoo kalm in zijn werk gegaan zijn, want ik was voornemens mij niet te onderwerpen, mijn nieuw geloof luid uit te bazuinen, zelfs tegen de beslissingen van Rome in.”
De zwarte oogen in het gele gelaat van don Vigilio fonkelden.
“Misschien heeft hij dat juist niet gewild. Hij weet, dat u heel intelligent en vol geestdrift bent, en ik heb hem dikwijls hooren zeggen, dat men intelligentie en geestdrift niet van voren moet aanvallen.”
Maar Pierre was opgestaan en luisterde zelfs niet meer; als door zijn verwarde gedachten opgejaagd, liep hij in de kamer heen en weer.
“Luister, ik moet alles weten en alles begrijpen, als ik den strijd wil voortzetten. U zult mij den dienst bewijzen mij tot in de kleinste bijzonderheden in te lichten, omtrent ieder van de personen, die met mijn proces te maken hebben … Jezuïeten, Jezuïeten overal! Lieve God, ik zie het in, u hebt misschien gelijk. Maar u moet mij de verschillende nuances geven … Die Fornaro bijvoorbeeld?”
“Monsignor Fornaro? O, die is alles wat men wil. Maar hij heeft eveneens zijn opleiding in het Collegium Romanum gehad. U kunt ervan overtuigd zijn, dat hij een Jezuïet is, een Jezuïet door opvoeding, door zijn positie, door zijn eerzucht. Hij brandt van verlangen om kardinaal te worden, en wanneer hij eenmaal kardinaal is, zal hij van verlangen branden om paus te zijn. Allemaal candidaten naar het pausschap, van het seminarie af.”
“En kardinaal Sanguinetti?”
“Jezuïet, Jezuïet!… Laten we elkaar goed begrijpen: hij is het geweest, toen is hij het niet meer geweest, en nu is hij het ongetwijfeld opnieuw. Sanguinetti heeft met alle machten gecoquetteerd. Langen tijd heeft men gedacht, dat hij voor een verzoening tusschen den Heiligen Stoel en Italië was; daarna is de toestand in een ander stadium gekomen en heeft hij heftig partij gekozen tegen de overweldigers. Eveneens is hij dikwijls in onmin geweest met Leo XIII en heeft zich dan weer met hem verzoend, terwijl hij thans met het Vaticaan op diplomatiek gereserveerden voet staat. In één woord, hij heeft slechts één doel, de tiara, maar hij laat dat te veel blijken, wat voor een candidaat niet gewenscht is … Maar voor het oogenblik schijnt de strijd te gaan tusschen hem en kardinaal Boccanera. Daarom heeft hij zich met de Jezuïeten verzoend, exploiteert hij nu hun haat tegen zijn concurrent en rekent erop, dat zij in hun verlangen om dezen van den Heiligen Stoel verwijderd te houden, genoodzaakt zullen zijn hem te steunen. Maar ik voor mij twijfel daaraan, want ik weet, dat ze daarvoor veel te slim zijn, zij zullen zich wel tweemaal bedenken voor zij een candidaat, die zich al zoo gecompromitteerd heeft, hun steun zullen verleenen. Hij, een hartstochtelijk, hoogmoedig warhoofd, is er echter geen oogenblik bang voor, en daar hij, zooals u zegt, in Frascati is, ben ik ervan overtuigd, dat hij onmiddellijk na het bericht van het ziek worden van den paus om de een of andere reden van taktiek daarheen gegaan is, om zich op te sluiten.”
“En de paus, Leo XIII zelf?”
Don Vigilio aarzelde even en knipte met zijn oogleden.
“Leo XIII? Jezuïet, Jezuïet!… O, ik weet heel goed, dat men beweert, dat hij het met de Dominicanen houdt, en dat is in zeker opzicht waar, want hij gelooft door hun geest bezield te zijn, heeft den Heiligen Thomas van Aquino weer tot eer gebracht en de opleiding der geestelijkheid weer ingericht naar zijn leerstellingen … Maar men kan ook zonder het te willen of te weten Jezuïet zijn, en de tegenwoordige paus zal er het beroemde voorbeeld van zijn. Bestudeer zijn handelingen, geef u rekenschap van zijn politiek en u zult daarin de uitstrooming, de werkzaamheid zelf van de Jezuïetenziel zien. Dat komt, omdat hij daar onbewust van doordrenkt is, omdat alle invloeden, die, direct of indirect, op hem werken, uitgaan van dien haard … Waarom gelooft u mij niet? Ik zeg u nogmaals, dat zij alles hebben veroverd, alles hebben opgezogen, dat Rome hun toebehoort van af den nederigsten kapelaan tot aan Zijne Heiligheid zelf toe!”
Hij bleef iederen nieuwen naam, dien Pierre noemde, beantwoorden met denzelfden hardnekkigen en bijna waanzinnigen uitroep: Jezuïet, Jezuïet! Het scheen, alsof men in de Kerk niets anders meer zijn kon, alsof de waarheid van die bewering bewezen werd door een geestelijkheid, die gedwongen was zich te richten naar de nieuwe wereld, als zij God wilde redden. Het heldentijdvak van het Katholicisme was afgesloten, het kon voortaan slechts leven door diplomatie en listen, door concessies en schikkingen.
“En die Paparelli—Jezuïet, Jezuïet!” ging don Vigilio, terwijl hij onwillekeurig begon te fluisteren, voort. “O, dat is de verschrikkelijke, kruiperige Jezuïet, de Jezuïet in zijn afschuwlijksten vorm als spion en verklikker! Ik zou er een eed op willen doen, dat men hem hier in het paleis gebracht heeft om Zijne Eminentie na te gaan, en u moet zien met welk een geniale handigheid en slimheid hij erin geslaagd is zijn taak te vervullen: zijn wil is almachtig, hij laat binnen wie hem lust, gebruikt zijn meester als iets, dat hem toebehoort, oefent vaak druk uit op ieder van zijn besluiten, heeft hem langzamerhand ieder uur meer in zijn macht gekregen … Ja, die zoo eenvoudige, geringe abbé, de sleepdrager, wiens werk het is als een trouwe hond aan de voeten van zijn meester te zitten, maar die in werkelijkheid over hem heerscht en hem drijft waarheen hij wil—dat is de overweldiging van den leeuw door het insect, dat is het oneindig kleine, dat beschikt over het oneindig groote … O, die Jezuïet, die Jezuïet! Neem u voor hem in acht, wanneer hij met zijn slap en gerimpeld gezicht als een oude vrouw in een zwarte rok geruischloos in zijn armzalige soutane langs u sluipt. Pas op, dat hij niet achter een deur of in een kast staat of onder een bed ligt. Ik zeg u, dat zij u zullen opeten, zooals zij mij opgegeten hebben, en dat zij u ook de koorts, de pest zullen geven, wanneer u u niet in acht neemt!”
Plotseling bleef Pierre voor den priester staan. Hij verloor terrein. Vrees en toorn hadden zich van hem meester gemaakt. Waarom zouden ten slotte al die vreemde verhalen niet waar zijn?
“Maar geef mij dan toch een raad!” riep hij uit. “Ik heb u juist gevraagd even bij mij te komen, omdat ik niet meer wist, wat ik doen moest en ik behoefte gevoelde weer op den goeden weg gebracht te worden.”
Hij hield op en begon, als door zijn hartstocht voortgedreven, weer gejaagd de kamer op en neer te loopen.
“Of neen, zeg me toch maar niets. Het is uit, ik vertrek liever. Die gedachte is reeds eerder bij mij opgekomen, maar in een uur van lafheid, ik wilde toen verdwijnen, naar Parijs teruggaan, en in vrede in mijn eigen kring leven, terwijl ik, wanneer ik thans Rome verlaat, wegga als wreker, als rechter, om van Parijs uit te verkondigen, wat ik te Rome gezien, wat men er van het Christendom van Jezus gemaakt heeft—dat het Vaticaan op het punt staat ineen te storten, dat er reeds een lijkenlucht van uitgaat, dat het een belachelijke illusie is te hopen, eens uit dat graf, waarin de ontbinding van eeuwen slaapt, de moderne ziel herboren te zien opstaan … O, ik zal niet toegeven, ik zal mij niet onderwerpen, ik zal mijn boek door een nieuw boek verdedigen. En dat zal, daar sta ik u borg voor, in de wereld opzien baren, want het zal de doodsklok luiden over een stervenden godsdienst, dien men zoo spoedig mogelijk begraven moet, als men niet wil, dat zijn omhulsel de volkeren zal vergiftigen.”
Dit ging don Vigilio’s begrip te boven. De Italiaansche priester met zijn bekrompen geloof, zijn laffen angst voor nieuwe denkbeelden, werd weer in hem wakker. Hij vouwde zijn handen.
“Zwijg, zwijg, dat zijn godslasteringen … En bovendien u kunt niet zoo weggaan, zonder nog eenmaal getracht te hebben Zijne Heiligheid te spreken. Zij alleen is souverein. En ik weet wel, dat het u verbazen zal, maar pater Dangelis heeft, al schertsend, u nog den eenigen goeden raad gegeven: ga nogmaals naar monsignor Nani, hij alleen zal de deur van het Vaticaan voor u kunnen openen.”
Weer maakte een woede zich van Pierre meester.
“Wat, ik zou bij monsignor Nani begonnen zijn, om weer bij monsignor Nani te eindigen? Wat is dat voor een spel? Dacht u, dat ik me laat behandelen als een bal, die van den een naar den ander gekaatst wordt? Ze zouden me maar uitlachen!”
Uitgeput en wanhopig liet Pierre zich weer vallen op zijn stoel tegenover den abbé, die, met zijn door het lange opzitten vaalbleek gezicht en zijn altijd bevende handen, zich in het geheel niet bewoog. Er volgde een lange stilte. Dan kwam don Vigilio nog met een ander denkbeeld: hij kende den biechtvader van den paus, een zeer eenvoudigen Franciscaner monnik, en wilde Pierre bij dezen aanbevelen. Misschien zou die pater, ondanks zijn bescheiden op den achtergrond blijven, kunnen helpen. Het was in ieder geval te probeeren. Dan begon het zwijgen weer, en Pierre, wiens oogen strak op den muur gericht waren, onderscheidde ten slotte de oude schilderij, die hem op den dag van zijn aankomst zoo getroffen had. Langzamerhand zag hij haar in het schemerachtige licht als het ware naar voren treden en levend worden als de belichaming van zijn eigen geval, van zijn nuttelooze wanhoop voor de ruw gesloten deur der waarheid en der gerechtigheid. O, hoe geleek deze verstooten, in haar liefde volhardende vrouw, wier gezicht men niet zien kon, die, snikkend in haar haren, van smart op de treden van dit paleis, voor de meedoogenloos gesloten deur neergevallen was, op hem! In haar eenvoudig linnen kleed rilde zij van de koude, zij verried haar geheim, ongeluk of eigen schuld, haar groot verdriet, zoo verstooten te zijn, niet. En hij gaf haar achter die tegen haar gelaat gedrukte handen zijn gezicht, zij werd zijn zuster, evenals alle andere armen zonder dak en bescherming, die weenen, omdat zij naakt en alleen zijn, die het vel van haar vuisten rukken bij haar pogingen, om de deur der menschen te forceeren. Hij kon nooit naar haar kijken zonder medelijden met haar te krijgen, en dien avond werd hij zóó ontroerd, nu hij haar nog altijd onbekend, zonder naam en zonder gezicht, nog altijd badende in haar tranen terugvond, dat hij plotseling aan don Vigilio vroeg:
“Weet u van wie die oude schilderij is? Zij ontroert mij tot in mijn ziel als een meesterwerk.”
Verbaasd over die onverwachte vraag, die zoo zonder eenigen overgang gedaan werd, keek de priester op; hij verwonderde zich nog meer, toen hij het zwart geworden, verwaarloosde doek en de armzalige lijst zag.
“Weet u, waar die schilderij vandaan komt?” vroeg Pierre nogmaals. “Waarom heeft men het doek naar deze kamer verbannen?”
“O!” zeide hij met een onverschillig gebaar, “dat is niets. Zulke oude, waardelooze schilderijen vindt je hier overal … Dit doek zal wel altijd hier gehangen hebben. Maar ik weet het niet, ik heb er vroeger nooit op gelet.”
Eindelijk stond hij voorzichtig op. Doch die enkele beweging gaf hem zoo’n rilling, dat hij nauwlijks iets zeggen kon. Zijn tanden klapperden van koorts.
“Neen, ga niet mee, laat de lamp in deze kamer … En om nog even op ons gesprek terug te komen: het zal nog maar het beste zijn u toe te vertrouwen aan monsignor Nani, want dat is tenminste nog een hoogstaand iemand. Ik heb het bij uw komst hier al gezegd, of u wilt of niet, zult u ten slotte toch doen wat hij wil. Waartoe dient het dan eigenlijk nog te strijden?… En nooit één woord over ons gesprek van vannacht, dat zou mijn dood zijn!”
Hij opende de deuren geruischloos, keek wantrouwend rechts en links de donkere gang in, verdween en ging zoo zacht naar zijn eigen kamer terug, dat men zelfs te midden van de grafstilte van het oude paleis het schuifelen van zijn voet niet hoorde.
Den volgenden dag liet Pierre, die weer opnieuw door strijdlust bezield was en alles wilde probeeren, zich door don Vigilio een aanbeveling geven voor den biechtvader van den paus, den Franciscanerpater, dien de secretaris van den kardinaal kende. Maar deze monnik was een pijnlijk angstvallig man; blijkbaar had men een zeer bescheiden en eenvoudig iemand zonder eenigen invloed gekozen, die geen misbruik zou maken van zijn almachtige positie bij den paus. In de omstandigheid, dat deze slechts de deemoedigste orde, den vriend der armen, den heiligen bedelaar langs de wegen als biechtvader had willen hebben, lag ook een gehuichelde ootmoed. Toch stond deze pater bekend als een redenaar van groote geloofskracht; de paus zelf luisterde, volgens de etiquette achter een sluier verborgen, naar zijn preeken, want al kon de paus als onfeilbaar pontifex maximus van geen enkelen priester iets leeren, men erkende toch, dat hij, als mensch, voordeel kon trekken uit goede woorden. Afgezien van zijn natuurlijke welsprekendheid was deze goede monnik een eenvoudige bleeker van zielen, een biechtvader, die luistert en absolutie geeft, zonder zich de onreinheden, die hij in het water der boetedoening schoon wascht, te herinneren. Toen Pierre zag, dat hij werkelijk zoo onbeteekenend en zonder invloed was, drong hij niet aan op zijn bemiddeling, wat, zooals hij voelde, toch nutteloos zijn zou.
Dien dag vervolgde het beeld van den schuchteren minnaar der Armoede, van den verrukkelijken Franciscus, zooals Narcisse Habert hem noemde, Pierre tot den avond. Hij had zich dikwijls verwonderd over de komst van dezen nieuwen Jezus, die zoo zacht voor menschen, dieren en dingen was en wiens hart brandde van een zoo vurige liefde voor de armen, in dit zelfzuchtige en genotzuchtige Italië, waarin slechts de vreugde over de schoonheid koningin gebleven is. Ongetwijfeld zijn de tijden veranderd, maar hoeveel liefdekracht moet er in die oude tijden, gedurende het groote lijden der Middeleeuwen, noodig geweest zijn dat een dergelijke uit den volksbodem opgeschoten trooster der nederigen de overgave van het eigen ik aan anderen, het afstand doen van rijkdom, den afschuw voor ruw geweld, de gelijkheid en gehoorzaamheid begon te preeken, die den wereldvrede verzekeren moest.
Hij ging, gekleed als de armsten, langs de wegen; een touw hield het grijze kleed om zijn lendenen vast, zijn naakte voeten staken in sandalen; beurs of stok had hij niet. Hij en zijn broeders spraken een trotsche, vrije taal, vol verheven, poëtische kracht, vol dapper uitgesproken waarheid. Overal traden zij op als rechters, vielen zij de rijken en machtigen aan, waagden zij het de slechte priesters, de ontuchtige, zich aan simonie schuldig makende, meineedige bisschoppen, aan te wijzen. Met een langen kreet van verlichting werden zij ontvangen; het volk volgde hen in dichte scharen, zij waren de vrienden, de bevrijders van alle kleinen, die lijden.
In den beginne maakte Rome zich dan ook niet weinig ongerust over dergelijke revolutionnairen; de pausen aarzelden lang vóórdat zij de orde erkenden; en toen zij ten slotte toegaven, geschiedde dat ongetwijfeld met de gedachte, deze nieuwe macht tot hun voordeel, tot de verovering van de lagere volksklassen, van de reusachtige, onbestemde massa te gebruiken, wier heimelijk dreigen door alle eeuwen heen, zelfs in de meest despotische tijden, gegromd en gebromd heeft.
Van dat oogenblik af bezat het pausdom in de zonen van den Heiligen Franciscus een steeds overwinnend leger, een zwervend leger, dat zich overal, op alle wegen, in alle dorpen en steden verspreidde, dat doordrong tot den huiselijken haard van werkman en boer en de harten der eenvoudigen voor zich won. Dat men zich de democratische macht van een dergelijke orde, die uit het volk zelf voortgesproten was, voorstelle! Vandaar zijn zoo spoedig gevolgde bloei; het aantal broeders vermeerdert zich in enkele jaren aanzienlijk, overal worden scholen opgericht; de Franciscaner-orde trekt de leeken-bevolking zoo tot zich aan, dat zij haar doordrenkt en opzuigt.
En dat men hier te doen heeft met een voortbrengsel van den bodem, met een krachtigen wasdom van den plebeïschen stam, bewijst wel het feit, dat een nationale kunst eruit opbloeide: de voorloopers van de Renaissance in de schilderkunst, en Dante zelf, de ziel van het Italiaansche genie.
Sedert enkele dagen zag Pierre nu deze groote orde van vroeger en kwam met hen in het hedendaagsche Rome in aanraking. De Franciscanen en de Dominicanen, de door hetzelfde geloof bezielde mededingers, die zoo lang gemeenschappelijk voor de Kerk gestreden hadden, woonden nog altijd in hun groote, schijnbaar bloeiende kloosters tegenover elkaar. Maar het scheen, dat de Franciscanen op den langen duur door hun nederigheid op zijde gedrongen waren. Misschien kwam dat ook, omdat hun rol van volksvrienden en volksbevrijders uitgespeeld was, sedert het volk zich door zijn politieke en sociale veroveringen zelf bevrijdt.
In ieder geval ging de strijd alleen nog tusschen de Dominicanen en de Jezuïeten, de predikers en de opvoeders, die beiden de pretentie behouden hebben de wereld te kneden naar het beeld van hun geloof. Men hoorde de verschillende invloeden dof grommen; het was een strijd, die geen uur ophield en waarvan Rome, de oppermacht in het Vaticaan, de inzet was. Het was voor de eerste van weinig nut, dat de Heilige Thomas van Aquino aan hun zijde streed; zij voelden hoe hun oude dogmatische wetenschap instortte, zij moesten dagelijks wat meer terrein afstaan aan de tweeden, die met behulp van den geest der eeuw overwonnen. Verder waren er nog de Karthuizers in hun witte pijen, de heilige, reine, zwijgende en contemplatieve monniken, die zich uit de wereld terugtrekken in hun kloosters met de stille cellen, de wanhopigen en getroosten, wier aantal gering kan zijn, maar die eeuwig zullen leven, zooals smart en behoefte aan eenzaamheid eeuwig zijn.
Dan waren er de Benedictijnen, de kinderen van den Heiligen Benedictus, wiens bewonderenswaardige orderegel den arbeid geheiligd heeft, de hartstochtelijke letterkundige en wetenschappelijke werkers, die in hun tijd lang machtige werktuigen der beschaving waren en door hun reusachtigen historischen en kritischen arbeid zooveel bijgedragen hebben tot de algemeene ontwikkeling. Hen had Pierre lief, bij hen zou hij twee eeuwen vroeger zijn toevlucht en zijn troost gezocht hebben; maar toch verwonderde het hem ten zeerste, toen hij zag, dat zij op den Aventinus een groot huis voor zich bouwden, waarvoor Leo XIII reeds millioenen gegeven heeft, alsof de wetenschap van heden en morgen nog een veld was, waarop zij zouden kunnen oogsten. Waartoe diende dat? De arbeiders waren toch veranderd, de dogma’s versperren toch den weg aan ieder, die ze eerbiedig moet voorbijgaan, zonder ze geheel tegen den grond te werpen.
Verder krioelde het er nog van honderden minder beteekenende orden: de Carmelieten, de Trappisten, de Minnebroeders, de Barnabieten, de Lazaristen, de Eudisten, de Missionarissen, de Recoletten, de Broeders van de orde der Christelijke leer, de Bernardijnen, de Augustijnen, de Theatijnen, de Observantijnen, de Celestijnen, de Capucijnen, ongerekend de correspondeerende vrouwenorden, de Clarissen, de ontelbare nonnen, zooals de zusters van Maria Boodschap en van Golgotha. Iedere orde had haar meer bescheiden of meer weelderig ingericht huis, sommige wijken van Rome bestonden slechts uit kloosters, en achter die zwijgende gevels gonsde en intrigeerde dit volk in een voortdurenden strijd van belangen en hartstochten. De vroegere sociale evolutie, die hen voortgebracht had, werkte sedert langen tijd niet meer; toch bleven zij, steeds nutteloozer en zwakker wordend en als voorbestemd voor dien langen doodsstrijd, aan het leven hangen—tot den dag, waarop aan de borst der nieuwe maatschappij lucht en bodem voor hen ontbreken zou.
Maar bij zijn stappen en bezoeken, die weer begonnen waren, kwam Pierre niet veel met die monniken in aanraking; hij had voornamelijk te maken met den wereldlijken clerus, den Romeinschen clerus, dien hij al heel spoedig leerde kennen. Een nog zeer strenge hiërarchie hield de klassen en rangen in stand. Op den top, om den paus, heerschte de pauselijke huishouding, de kardinalen en prelaten, die zeer trotsch, zeer verheven en ondanks hun schijnbaar vertrouwelijkheid zeer laatdunkend waren. Onder hen vormde de clerus der parochiën als het ware een waardige, verstandige en gematigde bourgeoisie, waarin patriotische geestelijken zelfs niet zeldzaam waren. De Italiaansche occupatie had, doordat zij een geheele wereld van zedelijk hoogstaande ambtenaren aangesteld had, na een kwart eeuw het merkwaardige resultaat gehad, dat zij loutering gebracht had in het huiselijk leven der Romeinsche priesters, waarin de vrouwen vroeger een zoo overwegende rol speelden, dat Rome in den letterlijken zin des woords een regeering van huishoudsters was, die troonden in de woningen van jonggezellen.
Ten slotte kwam het plebs van den clerus, dat Pierre nauwkeurig bestudeerd had: een waar samenraapsel van ongelukkige, vuile, half naakte, als uitgehongerde dieren op een mis loerende priesters, die ten slotte met bedelaars en dieven in verdachte kroegen terecht kwamen. Maar nog meer interesseerde hem de menigte priesters, die uit de geheele Christenheid samengestroomd was, avonturiers, eerzuchtigen, geloovigen, krankzinnigen, die Rome aantrok, zooals ’s avonds een lamp de insecten uit het donker aantrekt. Alle nationaliteiten, alle standen, alle leeftijden zijn er vertegenwoordigd, galoppeeren onder de zweep van hun hartstochten, verdringen zich van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat om het Vaticaan, om te bijten in den buit, waarvoor zij gekomen zijn. Overal vond hij ze weer en hij zeide een weinig beschaamd tot zichzelf, dat hij een hunner was, dat hij door zijn persoon dat ongelooflijk aantal soutanen vermeerderde, die men in de straten aantrof. O, die voortdurende ebbe en vloed van zwartrokken, van pijen in allerlei kleuren in dat Rome.
De seminaries der verschillende naties met hun dikwijls uit wandelen gaande leerlingen zouden voldoende geweest zijn alle straten te pavoiseeren: de Franschen geheel in het zwart, de Zuid-Amerikanen in het zwart met een blauwe sjerp, de Noord-Amerikanen in het zwart met een roode sjerp; de Polen in het zwart met een groene sjerp, de Grieken in het blauw, de Duitschers in het rood, de Romeinen in het lila en al de anderen in op honderden manieren geborduurde en omzoomde soutanes. Verder waren er nog de broederschappen, de boetepriesters met witte, zwarte, blauwe, grijze pijen of mantels. Zoo scheen het pauselijke Rome nog dikwijls te herleven; men voelde, dat het nog levend en taai was, dat het streed om in het hedendaagsche kosmopolitische Rome niet te verdwijnen.
Maar hoe Pierre ook van den eenen prelaat naar den anderen liep, hoe hij omging met priesters en kerken bezocht, hij kon zich aan dezen eeredienst, aan deze Romeinsche vroomheid, die hem verwonderde, wanneer zij hem niet wondde in het diepst van zijn ziel, niet wennen. Toen hij op een regenachtige Zondagochtend de S. Maria Maggiore binnenging, meende hij zich in een wachtkamer te bevinden, weliswaar van een ongehoorden rijkdom met haar zuilen en zoldering als van een tempel, met den weelderigen baldakijn van haar pauselijk altaar, met het schitterend marmer van zijn confessie en vooral met haar Borghesische kapel, waarin God echter niet scheen te wonen. In het middenschip was geen stoel of geen bank te zien; het was een voortdurend komen en gaan van geloovigen als in een station, terwijl zij met hun slijkschoenen den kostbaren mozaïekvloer nat maakten; mannen en vrouwen zaten vermoeid op de voetstukken van de zuilen, zooals men ze in het groote gedrang op perrons op de aankomst van treinen ziet wachten.
Voor deze in het voorbijgaan binnengekomen, rondloopende, voornamelijk uit kleine luiden bestaande menigte las een priester een stille mis, achter in een zijkapel, waarvoor zich een lange, smalle rij gevormd had, die denken deed aan de queue voor een schouwburgloket. Bij de elevatie bogen allen zich met een vroom gebaar, dan verstrooide zich de menigte, de mis was afgeloopen. Overal, zoowel in de S. Paolo als in de S. Giovanni di Laterano, zoowel in alle oude basilica’s als in de St. Pieter zelf was hetzelfde te zien: de menigte was gehaast, hield er niet van te zitten, bracht God, behalve op groote receptiedagen, slechts korte, familiare bezoeken. Slechts in de Jezuïetenkerk woonde hij op een anderen Zondagochtend een hoogmis bij, die hem denken deed aan de vrome menigten uit het Noorden: daar zag men banken en vrouwen, die zaten, daar heerschte een menschelijke warmte onder den luxe der met goud, beeldhouwwerk en schilderwerk overladen gewelven, die een wondermooi vaalrooden tint bezaten, sedert de tijd den barokken, al te fellen stijl wat verzacht had. Maar hoeveel ledige kerken waren er zelfs onder de oudste en eerwaardigste! In de S. Clemente, in de S. Agnese, in de S. Cuore di Gerusalemme zag men tijdens de godsdienstoefeningen slechts enkele menschen uit de buurt!
Vierhonderd kerken te vullen was zelfs voor Rome te veel; verscheidene waren er, die slechts op bepaalde feestdagen bezocht werden; vele openden haar deuren slechts éénmaal per jaar, op den naamdag van haar Heilige. Andere leefden van de gelukkige omstandigheid, dat zij een fetisch, een afgodsbeeld bezaten, dat het menschelijk lijden verzachtte: de Aracoeli had een kleinen wonderdoenden Jezus “Il Bambino”, die de zieke kinderen genas; de S. Agostino had een “Madonna del Parto”, de Maagd, die zwangeren gelukkig verloste. Andere waren beroemd om haar wijwater, de olie van haar lampen, de macht van een houten heilige of een marmeren madonna. Andere schenen verwaarloosd, werden alleen bezocht door touristen, overgeleverd aan den kleinhandel van kosters, deden denken aan musea, die door doode goden bevolkt zijn. Nog andere waren storend, zooals de in het Pantheon ondergebrachte Santa Maria Rolanda, een ronde zaal, die op een circus gelijkt, en waarin de Heilige Maagd blijkbaar de huurster van den Olympus is.
Ook had Pierre zich geïnteresseerd voor de kerken in de volkswijken: de S. Onofrio, de S. Cecilia, de S. Maria in Trastevere, zonder daarin echter het verwachte levende geloof, de gehoopte groote menigte te vinden. Op een middag hoorde hij in deze laatste, volkomen ledige kerk de zangers met een luide stem te midden van deze woestijn een litanie zingen. Toen hij een andermaal de S. Crisogono binnentrad, vond hij de kerk, blijkbaar voor een den volgenden dag plaats hebbend feest, geheel bekleed: de zuilen met overtrekken van rood damast, de portieken met afwisselend gele en blauwe, witte en roode draperieën en gordijnen. Hij vluchtte voor deze afschuwelijke decoratie, die denken deed aan het klatergoud van kermissen. O, wat was hij ver verwijderd van de kathedralen, waarin hij in zijn jeugd geloofd en gebeden had! Overal vond hij dezelfde kerk terug, de oude, antieke basilica, die door Bernini en zijn leerlingen pasklaar gemaakt was voor den smaak van het Rome der achttiende eeuw.
In de S. Luigi de’ Francesi, die een helderen, elegant-soberen stijl heeft, werd hij slechts ontroerd door de groote dooden, de heiligen en helden, die in vreemde aarde onder de vloertegels sliepen. Daar hij Gotiek zocht, ging hij ten slotte naar de Santa Maria sopra Minerva, die, naar men hem verteld had, het eenige staal van Gotische kunst te Rome was. Maar deze met marmer overdekte halfzuilen, deze spitsbogen, die zich niet durfden opheffen, verstikt als zij werden in de zoldering, die zich rondende, tot de zware majesteit van een dom veroordeelde gewelven, vormden voor hem een laatste teleurstelling. Neen, neen! Het geloof, waarvan de warme asch hier nog lag, was niet meer hetzelfde, welks gloed de geheele Christenheid tot in de verste uithoeken had doen branden. Monsignor Fornaro, dien hij toevallig bij het verlaten van de S. Maria sopra Minerva zag, schold tegen de Gotiek, die hij zuivere haeresie noemde. De eerste Christelijke kerk was de uit den tempel ontstane basilica; het was een godslastering, wanneer men de werkelijke, Christelijke kerk zag in de Gotische kathedraal, want de Gotiek was niets meer dan de vloekwaardige Angelsaksische geest, het oproerige genie van Luther.
Pierre wilde den prelaat een heftig antwoord geven; dan zweeg hij uit vrees te veel te zullen zeggen. Was het in werkelijkheid niet het beslissende bewijs, dat het Katholicisme de vrucht van den Romeinschen bodem zelf was, het door het Christendom gemetamorphoseerde heidendom? Elders heeft datzelfde Christendom zich in een geheel anderen geest ontwikkeld, zoodat het in opstand gekomen is en zich op den dag van het schisma tegen de moederstad gekeerd heeft. Die afscheiding nam steeds grootere uitbreiding aan en in de evolutie der nieuwe maatschappijen teekenen zich ondanks de wanhopige pogingen om eenheid te verkrijgen, de geschillen steeds duidelijker af, zoodat het schisma nogmaals onvermijdelijk en nabij schijnt. Pierre, het vroeger zoo vrome en sentimenteele kind, had nog een anderen wrok tegen de basilica’s: haar ontbraken de klokken, de mooie, groote klokken, die aan de nederigen zoo lief zijn. Voor klokken zijn klokkentorens noodig, en er zijn in Rome geen klokkentorens, slechts dommen. O, er viel niet aan te twijfelen, Rome was de luidklinkende en klokkenluidende stad van Jezus niet, waaruit het gebed in welluidende klankgolven tusschen de zwevende zwermen kraaien en zwaluwen hemelwaarts steeg.
Toch bleef Pierre, aangegrepen door een heimelijke geprikkeldheid, die hem in zijn verzet stijfde, zijn bezoeken voortzetten; hij hield de belofte, die hij bij zichzelf gedaan had, en ging, ondanks de wonden, die zijn ziel er door geslagen werden, naar alle kardinalen der Indexcongregatie. En langzamerhand kwam hij ook met andere congregaties in aanraking, met de ministeries van de vroegere pauselijke regeering, welke heden ten dage minder talrijk zijn, maar nog steeds een buitengewoon gecompliceerd raderwerk bezitten, die ieder een kardinaal tot voorzitter, kardinalen tot leden hebben, vergaderingen houden en een groote menigte ambtenaren in dienst hebben. Hij moest meermalen naar de Cancellaria gaan, waarin zich de Indexcongregatie bevindt, en verdwaalde daar in het reusachtige labyrinth van trappen, gangen en zalen; dadelijk bij de zuilengaanderij van het binnenplein greep hem de ijzige rilling der oude muren aan; hij kon dat paleis, het meesterwerk van Bramante, het zuivere type der Romeinsche Renaissance, dat een zoo kale en kille schoonheid bezat, niet liefhebben.
De congregatie der Propaganda, waar kardinaal Sarno hem ontvangen had, kende hij reeds en op zijn talrijke bezoeken, op die jacht naar invloedrijke beschermers, waarbij hij van den een naar den ander gezonden werd, leerde hij ook de congregatie der bisschoppen en ordegeestelijken, de riten- en de Conciliecongregatie kennen. Zelfs zag hij vluchtig de consistoriecongregatie, de Dateria, het Heilige Boetgericht. Het was het reusachtige mechanisme van de administratie der Kerk. De geheele wereld moet beheerscht, de veroveringen uitgebreid, de zaken der veroverde landen bestuurd, de geloofs-, zeden- en personenquaesties beoordeeld, delicten onderzocht en gestraft, dispensaties verleend en gunsten verkocht worden. Men kan zich het reusachtige aantal zaken, die iederen ochtend op het Vaticaan inkomen, niet voorstellen. Het zijn de ernstigste, teerste, ingewikkeldste vragen, welker oplossing tot tallooze onderzoekingen en studies aanleiding geeft. De groote menigte van uit alle deelen der Christenheid saamgestroomde en Rome verstoppende bezoekers, al die verzoekschriften, al die dossiers, welker vloed zich in alle bureaux verspreidde en opstapelde, moesten natuurlijk beantwoord worden.
Wonderbaarlijk was de groote stilte, waarin dat reusachtige werk verricht werd; geen geluid drong tot de straat door; uit de gerechtshoven, de parlementen, de fabrieken, waarin men heiligen maakte, weerklonk zelfs niet het sidderen van het werk, het mechanisme was zóó goed geolied, dat het ondanks het roest der eeuwen, de groote en onherstelbare afslijting, functionneerde, zonder dat men vermoedde, dat het daar achter die muren aan het werk was.
Lag hierin niet de geheele politiek der Kerk? Zwijgen, zoo weinig mogelijk schrijven, afwachten! Maar hoe wonderbaarlijk was dit zoo oude en toch nog zoo machtige mechanisme! En hoe was Pierre zich bewust, dat hij te midden van die congregaties gevangen was in het ijzeren net van de meest onbeperkte macht, die men ooit georganiseerd heeft om de menschheid te beheerschen!
Hij kon scheuren en gaten en een hoogen ouderdom, die op een naderend einde wees, constateeren, dat nam niet weg, dat hij zichzelf niet meer toebehoorde, sedert hij er zich in gewaagd had: hij werd gegrepen, gekneusd, meegetrokken in dit onontwarbare net, in dit eindelooze labyrinth van invloeden en intriges, van ijdelheden en omkooperijen, van corruptie en eerzucht, van ellende en grootheid. Hoe ver was hij van het Rome, dat hij gedroomd had! Welk een toorn maakte zich meermalen van hem meester in zijn moeheid en zijn begeerte om zich te verdedigen!
Plotseling ging voor Pierre een licht op omtrent de dingen, die hij tot nog toe nooit begrepen had. Op een dag, dat hij weer naar de Propaganda gegaan was, sprak kardinaal Sarno op een zoo koud-woedenden toon over de Vrijmetselarij, dat hij alles in een helder licht zag. Tot dusverre had hij moeten glimlachen om de Vrijmetselarij; hij geloofde er even weinig aan als aan de Jezuïeten, hij vond de belachelijke verhalen, die er de rondte over deden, kinderachtig, verwees die geheimzinnige mannen, die in het donker werkten en wier geheime, onberekenbare macht de wereld regeeren zou, naar het rijk der legenden. Vooral verwonderde hij zich over den blinden haat, die sommige menschen bijna krankzinnig maakte, zoodra het woord vrijmetselaar op hun lippen kwam; een prelaat, en dat nog wel een van de meest intelligenten en de meest ontwikkelden, had hem met den grootsten ernst verzekerd, dat iedere vrijmetselaarsloge minstens éénmaal per jaar gepresideerd werd door den duivel in hoogst eigen persoon. Een eenvoudig menschenverstand stond daarbij stil. Doch nu begreep hij de rivaliteit, den verwoeden strijd van de Roomsch-Katholieke Kerk tegen de andere, haar vijandige Kerk. De eerste mocht zich de overwinnaresse wanen, zij voelde toch in de andere een concurrente, een zeer oude vijandin, die zelfs beweerde nog ouder te zijn dan zij en wier overwinning altijd mogelijk bleef.
De botsing kwam voornamelijk voort uit het feit, dat de beide secten hetzelfde eerzuchtige streven naar de wereldheerschappij, dezelfde internationale organisatie, hetzelfde net, dat over de volkeren geworpen werd, mysteriën, dogma’s en riten bezaten. God tegen God, geloof tegen geloof, verovering tegen verovering. Op die wijze hinderden zij elkaar, zooals twee concurreerenden, aan beide kanten van een straat opgerichte magazijnen, en de een moest ten slotte de ander dooden. Maar al scheen het hem toe, alsof het Katholicisme wankelde en met ondergang bedreigd werd, toch bleef hij ook sceptisch gestemd ten opzichte van de macht der Vrijmetselarij. Hij had gevraagd en een onderzoek ingesteld, om zich rekenschap te geven van het werkelijk bestaan dezer macht in dit Rome, waar de beide hoogste machten tegenover elkander stonden, waar de grootmeester troonde tegenover den paus.
Men had hem wel verteld, dat de laatste Romeinsche prinsen zich genoodzaakt voelden vrijmetselaars te worden, om hun leven niet al te zwaar te maken, hun toch al moeilijke positie niet te verergeren, de toekomst van hun zoons niet te bederven. Maar gaven zij daarbij niet alleen toe aan de onweerstaanbare macht der hedendaagsche sociale evolutie? Zou de Vrijmetselarij ook niet ondergaan in haar eigen triomf, den triomf der denkbeelden van gerechtigheid, waarheid en rede, die zij zoo lang te midden van de duisternis en de gewelddaden der geschiedenis verdedigd had? Het was een vaststaand feit, dat de zege van een idee de secte, die haar propageert, doodt en het apparaat, waarmede zij zich omgeven heeft, om de phantasie te treffen, nutteloos en eenigszins wonderlijk maakt. Het carbonarisme heeft de verovering der politieke vrijheden, die het eischte, niet kunnen overleven, en den dag, waarop de Katholieke Kerk, na haar beschavingswerk volbracht te hebben, ineenstort, zal óók de andere Kerk, de Vrijmetselaarskerk verdwijnen, daar haar bevrijdingstaak dan afgeloopen is. Thans zou de beroemde almacht der loges een armzalig, eveneens door tradities belemmerd, door een belachelijk ceremonieel bedorven veroveringswerktuig zijn, niets meer dan een band van onderlinge verstandhouding en hulpverleening, indien de sterke adem der wetenschap de volkeren niet wegrukte en medehielp aan de vernietiging van verouderde godsdiensten.
Uitgeput door zooveel bezoeken en noodelooze stappen, kreeg Pierre, niettegenstaande hij als de soldaat van een hoop, die niet aan de nederlaag gelooven wil, hardnekkig erbij bleef Rome niet te verlaten zonder tot het einde toe gestreden te hebben, weer angst. Hij had alle kardinalen bezocht, wier invloed hem van eenig nut kon zijn. Hij had den vicaris-generaal bezocht, die het diocees Rome bestuurde, een ontwikkeld man, die met hem over Horatius gesproken had, een politiek warhoofd, dat hem gevraagd had naar Frankrijk, naar de Republiek, naar de oorlogs- en marinebudgetten, zonder zich in het minst te bekommeren over het vervolgde boek. Hij had den groot-penitentiarius bezocht, den kardinaal, dien hij eenmaal vluchtig in den palazzo Boccanera gezien had, een mageren ouden man met een uitgeteerd ascetengezicht, van wien hij een lang verwijt en strenge woorden tegen de jonge priesters, die, door den geest der eeuw bedorven, vloekwaardige boeken schreven, te hooren kreeg. Ten slotte had hij in het Vaticaan den kardinaal-secretaris bezocht, in zekeren zin den minister van Buitenlandsche Zaken van Zijne Heiligheid, de groote macht van den Heiligen Stoel, van wien men hem tot dusverre verwijderd gehouden had door hem bang te maken voor de gevolgen van een ongelukkig uitvallend bezoek.
Hij had zich verontschuldigd, dat hij zich nu eerst tot hem wendde, en den beminlijksten man tegenover zich gevonden, die door een diplomatieke welwillendheid zijn eenigszins ruw uiterlijk optreden verzachtte, hem verzocht te gaan zitten, hem belangstellend uitvroeg, naar hem luisterde, hem moed insprak zelfs. Maar toen hij weer op het Sint Pietersplein stond, had hij heel goed begrepen, dat zijn zaak geen stap verder was gekomen en dat, wanneer het hem nog eens gelukken zou de deur van den paus te forceeren, dit zeker niet door toedoen van den kardinaal-secretaris geschieden zou. Dien avond keerde hij overspannen en overprikkeld, gebroken door de vele bezoeken aan zooveel menschen, naar de Via Giulia terug, zóó wanhopig, dat hij zich langzamerhand heelemaal door die machine met haar honderden raderen meegesleept voelde worden, dat hij zich met schrik afvroeg, wat hij den volgenden dag moest doen, daar hem niets meer overbleef dan gek te worden.
Toevallig ontmoette hij don Vigilio in een gang; hij wilde hem even raadplegen, nog een goeden raad van hem vragen. Maar deze legde hem met een ongerust gebaar, zonder dat hij wist waarom, het zwijgen op. Hij had weer zijn gewone angstoogen en fluisterde hem in:
“Hebt u monsignor Nani gesproken? Neen?… Ga dan naar hem toe, ga dan naar hem toe, ik zeg u nogmaals, dat u niets anders te doen hebt.”
Hij gaf toe. Waarom nog te weigeren? Afgezien van den hartstocht van vurige naastenliefde, die hem tot verdediging van zijn boek hierheen gevoerd had, was hij toch ook voor proefnemingen te Rome. Hij moest tot het einde toe volharden.
Den volgenden ochtend bevond hij zich te vroeg onder de zuilengang van de St. Pieter en moest dus vrij lang wachten. Nog nooit had hij de ontzaglijkheid van deze vier zuilenrijen, van dit woud van gigantische steenen stammen, waarin echter niemand wandelt, zoo sterk gevoeld. Het is een indrukwekkende, sombere woestijn. Men vraagt zich af waartoe een zoo majestueuse zuilengaanderij dient. Ongetwijfeld slechts voor de majesteit alleen, voor de pracht der decoratie; en ook daarin ligt weer Rome. Dan ging hij door de Via del S. Offizio en kwam bij den achter de sacristie gelegen palazzo del S. Offizio. Het is een eenzame wijk, welker stilte slechts zelden gestoord wordt door den stap van een voetganger of het rollen van een wagen. De zon, die haar schuine stralen op het wit geworden plaveisel werpt, is het eenige levende hier. Men ruikt er de nabijheid van de basilica, den geur van den wierook, den kloostervrede in den sluimer der eeuwen. Op een hoek staat de palazzo del S. Offizio drukkend en angstaanjagend kaal: een hooge, gele gevel, die slechts door een enkele rij ramen verbroken wordt, terwijl de andere gevel, die op het zijstraatje uitziet, met zijn kleine vensters—kijkgaatjes met bijna ondoorzichtige raampjes, er nog verdachter uitziet. Deze geweldige, modderkleurige, naar buiten bijna vensterlooze en als een gevangenis afgesloten een geheimzinnige kubus van metselwerk, schijnt in het verblindende zonlicht te slapen.
Een rilling, waarom hij dadelijk glimlachte als om een kinderachtigheid, doorhuiverde hem. De heilige, Romeinsche, algemeene Inquisitie, de heilige Congregatie van den S. Offizio, zooals men haar thans noemde, was niet meer die, waarvan de legende vertelt, de leverancier van brandstapels, het geheime gerecht, waartegen geen hooger beroep bestaat, dat recht had over de geheele menschheid de doodstraf uit te spreken. Toch bewaarde zij nog steeds het geheim van haar taak, kwam zij iederen Woensdag bijeen, oordeelde en veroordeelde, zonder dat er iets naar buiten van doordrong. Maar ook al bleef zij doorgaan de misdaad der haeresie te straffen, ook al bepaalde zij zich er niet alleen toe werken, maar ook menschen te treffen, toch bezat zij geen wapenen meer, geen kerker, geen zwaard en vuur; zij was beperkt tot protesteeren en kon zelfs den haren, den geestelijken, niets anders dan disciplinaire straffen opleggen.
Toen hij in den salon van monsignor Nani, die in zijn qualiteit van assessor in dit paleis woonde, gelaten werd, voelde Pierre een blijde verrassing. Het was een groot, op het Zuiden gelegen, door een vroolijk zonlicht overstroomd vertrek: er heerschte ondanks de stijve meubelen en de donkere kleur van het behang een heerlijke zachtheid, als had er een vrouw geleefd, die het wonder verrichtte iets van haar bekoorlijkheid in al die strenge dingen te leggen. Er waren geen bloemen en toch rook het er heerlijk.
Monsignor Nani met zijn blozend gezicht, de blauwe, levendige oogen en zijn blond, eenigszins grijzend haar, kwam hem met uitgestoken handen en glimlachend tegemoet.
“O mijn waarde zoon, hoe aardig van u, om me te komen opzoeken … Ga zitten en laten we als twee vrienden praten.”
En onmiddellijk begon hij met blijkbaar groote belangstelling te vragen:
“En hoe staat het met uw zaak? Vertel me eens precies wat u gedaan hebt!”
En Pierre, ondanks de vertrouwelijke mededeeling van don Vigilio getroffen door de sympathie, die hij meende te voelen, biechtte alles zonder iets weg te laten. Hij vertelde van zijn bezoeken aan kardinaal Sarno, aan monsignor Fornaro, aan pater Dangelis, zijn stappen bij de invloedrijke kardinalen, bij alle kardinalen van den Index, bij den groot-penitentiarius, den kardinaal-vicaris en den kardinaal-secretaris, weidde uit over zijn eindelooze tochten van den een tot den ander door den geheelen clerus van Rome, door alle congregaties, door dezen reusachtigen, drukken en stillen bijenkorf, waardoor zijn beenen moede, zijn ledematen gebroken, zijn hersens stomp geworden waren.
Maar Monsignor, die met verrukking naar hem scheen te luisteren, riep bij iedere lijdensstatie van dezen calvariënberg:
“Maar dat is prachtig, het kan niet mooier. Uw zaak marcheert uitstekend. Wondermooi staat zij ervoor!”
Hij jubelde, zonder eenige ongepaste ironie te doen blijken. Slechts zijn doordringende blik doorboorde den jongen priester, om te zien of hij hem eindelijk tot dat punt van gehoorzaamheid gebracht had, waarop hij hem wilde hebben. Was hij moe genoeg, had hij genoeg teleurstellingen ondervonden, wist hij voldoende hoe de toestanden in werkelijkheid waren, om tot de slotacte te kunnen overgaan? Waren drie maanden te Rome voldoende geweest, om van den overdreven dweper van de eerste dagen iemand te maken, die zijn verstand gebruikte of ten minste zich bij het onvermijdelijke neerlegde?
Plotseling vroeg monsignor Nani hem:
“Maar gij spreekt in het geheel niet over Zijne Eminentie, kardinaal Sanguinetti.”
“Zijne Eminentie is naar Frascati, ik heb hem niet kunnen spreken.”
Dan hief de prelaat, alsof hij met het heimelijke genot van een diplomaat de ontknooping nog wat uit wilde stellen, zijn kleine, mollige handen naar den hemel op op de ongeruste manier van iemand, die alles verloren waant, en riep uit:
“O, maar ge moet Zijne Eminentie spreken, ge moet Zijne Eminentie spreken. Dat is absoluut noodzakelijk. Bedenk toch eens, de praefect der Congregatie! Wij zullen niet kunnen handelen voor na uw bezoek, want u hebt niemand gesproken, als u hem niet gesproken hebt … Ga naar Frascati, mijn zoon.”
Pierre kon niet anders dan den raad opvolgen.