Toen Pierre ’s avonds uit den Borgo voor het Vaticaan kwam, liet in de diepe stilte van de donkere en reeds sluimerende wijk de klok één luiden, zwaren slag weerklinken: half negen. Hij was te vroeg en hij besloot nog een twintig minuten te wachten, om niet voor negen uur, het uur der audiëntie, boven bij de deur der appartementen te zijn.
In de groote ontroering en droefheid, die zijn keel nog toesnoerden, was dit uitstel een verlichting voor hem. Met gebroken ledematen en totaal uitgeput door den tragischen middag, dien hij doorgebracht had in die doodenkamer, waar Dario en Benedetta thans in elkanders armen hun eeuwigen slaap sliepen, was hij hierheen gekomen. Hij had niet kunnen eten, het wreed-smartelijke beeld van deze twee geliefden liet hem geen oogenblik los en vervulde hem zóó, dat steeds weer onwillekeurige zuchten aan zijn borst ontsnapten en tranen in zijn oogen kwamen. O, hoe gaarne had hij zich ergens verborgen, om zijn tranen, die hem verstikten en benauwden, den vrijen loop te kunnen laten. Het was een ontroering, die al zijn denken beheerschte; de jammerlijke dood van deze twee gelieven voegde zich in zijn geest bij de klacht, die oprees uit zijn borst en doorhuiverde hem met een nog grooter medelijden, met een bijna angstwekkende liefde voor alle ongelukkigen dezer wereld. Deze bezwering van zooveel lichamelijke en moreele wonden in Parijs, in Rome, waar hij zooveel onrechtvaardig en monsterachtig lijden gezien had, maakte hem zóó wanhopig, dat hij bang was bij iederen stap in snikken uit te barsten.
Om zich wat te kalmeeren, begon hij langzaam op de piazza S. Pietro heen en weer te wandelen, die op dit uur van den avond één onmetelijke duisternis en eenzaamheid was. Toen hij er kwam, meende hij verdwaald te zijn in een zee van donkerte. Maar langzamerhand geraakten zijn oogen er aan gewend. De reusachtige ruimte was slechts verlicht door de vier lantaarnpalen met zeven branders op de vier hoeken van de Obelisk en de enkele lantaarns rechts en links langs de naar de basilica loopende gebouwen. Onder de dubbele porticus van de zuilengaanderij brandden eveneens lantaarns met een geel licht om het groote bosch der vier rijen zuilen, welker voetstukken zich vreemd afteekenden.
Op het plein was niets zichtbaar dan de kleurlooze, als een spookgestalte oprijzende obelisk. Ook de gevel van de St. Pieter dook, nauwlijks herkenbaar, als gesloten, uitgestorven, in een vreemde, sluimerende, onbeweeglijke, zwijgende grootschheid op. Den dom zag hij niet, het was nauwlijks een blauwachtige, groote ronding, die zich even tegen den hemel afteekende. Zonder ze te zien, had hij ergens in de diepte van dit onbestemde donker het ruischen der fonteinen gehoord; eindelijk onderscheidde hij het dunne en bewegelijke spookbeeld der voortdurend opspuitende waterstralen, die weer als regendroppels naar beneden vielen. En boven het wijde plein welfde zich de wijde hemel, maanloos, als donkerblauw fluweel, waarin de sterren de grootte en de schittering van karbonkels schenen te hebben. De Wagen met zijn gouden wielen en zijn gouden dissel lag omgekeerd op het dak van het Vaticaan, en daaronder boven Rome, in de richting van de Via Giulia stond de prachtige, met de drie gouden sterren van zijn bandelier opgesmukte Orion.
Pierre sloeg zijn blikken op naar het Vaticaan. Maar daar was slechts een opeenhooping van verwarde gevels te zien, waarin slechts op de verdieping der pauselijke appartementen het schijnsel van twee lampen òplichtte. Alleen in het inwendig verlichte Damasiushof blonken helder de achter- en linkervleugel in den witten weerschijn van hun groote serre-ramen. En steeds geen geluid, geen beweging, zelfs niet de verplaatsing van een schaduw. Twee personen staken de uitgestrektheid van het plein over; dan een derde, die ook weer verdween, waarna er niets meer overbleef dan in de verte de cadans der rhythmische stappen. Het was een volmaakte woestijn, geen voorbijgangers, geen wandelaars, zelfs niet de schim van een nachtelijk zwerver onder de colonnade in het zuilenbosch, dat even leeg was als de eeuwenoude oerwouden der eerste eeuwen. En welk een plechtige woestijn, welk een trotsch-troostelooze stilte! Nog nooit had hij den indruk van een zoo onmetelijke, zoo donkere sluimering vol van den majestueusen adel des doods gekregen.
Om tien minuten voor negen vermande Pierre zich en ging naar de bronzen deur. Nog slechts één der vleugels aan het einde van de rechtsche zuilengang stond open. Hij herinnerde zich de nauwkeurige instructies, die monsignor Nani hem gegeven had: aan iedere deur naar mijnheer Squadra vragen en er geen woord aan toevoegen—en iedere deur zou zich openen; hij behoefde zich slechts te laten leiden. Nu Benedetta niet meer leefde, wist niemand, dat hij hier was. Toen hij de bronzen deur doorgegaan was en voor den onbeweeglijken soldaat der Zwitsersche garde stond, die in een slapende houding de toegang bewaakte, zeide hij eenvoudig het afgesproken woord:
“Mijnheer Squadra.”
Daar de soldaat zich niet bewoog en hem doorliet, liep hij door en sloeg dadelijk rechts af de groote vestibule van de Scala Pia in, naar de steenen trap, die naar het Damasiushof leidt. En geen levende ziel, niets dan de verstikte echo der stappen, niets dan het slapende licht der vleermuizen, welker matglazen bollen het licht zacht temperden.
Toen hij boven het Damasiushof door liep herinnerde hij zich, dat hij dat reeds van uit de loggia’s van Raffaël gezien had met zijn porticus, zijn fontein, zijn wit, toen in de brandende zon liggend plaveisel. Maar nu zag hij zelfs de vijf of zes rijtuigen niet, die daar stonden met hun onbeweeglijke paarden en hun op hun bokken als verstijfde koetsiers. Het was een woestijn, een groot, kaal, kleurloos vierkant, als in de sluimering van een graf liggend onder het droeve licht der lantaarns, welker weerkaatsingen de hooge vensters der drie gevels verlichtten. Eenigszins onrustig en door een lichte rilling van het leege en stille aangegrepen, liep hij snel verder in de richting van het door een marquise beschermde bordes, dat met enkele treden naar de trap van de appartementen leidde.
Daar stond een reusachtige gendarm in groot tenue.
“Mijnheer Squadra.”
Met een eenvoudig gebaar, zonder één woord, wees de gendarme op de trap.
Pierre ging naar boven. Het was een zeer breede trap met witmarmeren leuning en lage treden. Het licht in de matglazen bollen scheen uit wijze spaarzaamheid reeds laag gedraaid te zijn. Op ieder portaal hield een soldaat der Zwitsersche garde met zijn hellebaard de wacht; in den zwaren, diepen slaap, die het paleis bevangen had, hoorde men niets dan de regelmatige stappen van deze mannen, die ongetwijfeld steeds zoo op en neer liepen, om ook niet door de verdooving der omgeving overmeesterd te worden.
Aan het beklimmen van die trap te midden van de diepe, huiverende stilte en de toenemende duisternis scheen geen einde te komen. Toen hij eindelijk op het portaal der tweede verdieping kwam, was het alsof hij reeds honderd jaar die trap opklom. Voor de glazen deur der Sala Clementina, waarvan alleen de rechterdeurvleugel openstond, hield een laatste soldaat der Zwitsersche garde de wacht.
“Mijnheer Squadra.”
De man trad ter zijde en liet den jongen priester binnengaan.
De reusachtige Sala Clementina scheen op dit uur in het schemerdonker der lampen grenzenloos te zijn. De zoo rijke decoratie, de beeldhouwwerken, de schilderijen, het verguldsel, alles zonk weg en was niets meer dan een vage, vale massa, spookachtige muren, waarop de terugkaatsingen van kleinoodiën en edelgesteenten sliepen.
Eindelijk meende Pierre aan het andere einde van de zaal op een bank gedaanten te onderscheiden. Het waren drie dommelende soldaten der Zwitsersche garde.
“Mijnheer Squadra.”
Langzaam stond een der mannen op en verdween. Pierre begreep, dat hij moest wachten. Hij durfde zich niet bewegen: het geluid van zijn stappen op de tegels maakte hem bang. Hij keek om zich heen en trachtte zich de menigten voor den geest te roepen, welke deze zaal bevolkt hadden. Thans nog was het een zaal, die voor allen toegankelijk was, die allen moesten doorgaan, een eenvoudige zaal voor de wachtposten, steeds vervuld door het lawaai van tallooze stappen, van het onophoudelijke komen en gaan. Maar hoe zwaar drukte de dood erop, wanneer de nacht haar in bezit had genomen—hoe moe en uitgeput was zij door het voorbij zien gaan van zoovele dingen en menschen.
Eindelijk kwam de soldaat terug en achter hem verscheen op den drempel van het nevenvertrek een geheel in het zwart gekleede man van omstreeks veertig jaar, die het midden hield tusschen den knecht van een groot huis en den koster van een kathedraal. Hij had een mooi, gladgeschoren gezicht met een eenigszins grooten neus tusschen een paar groote, strakke en heldere oogen.
“Mijnheer Squadra,” zeide Pierre nogmaals.
De man maakte een buiging, als om te zeggen, dat hij dat was. Met een tweede buiging noodigde hij den priester uit hem te volgen. Achter elkaar gingen zij dan de eindelooze reeks zalen door.
Pierre, die, doordat hij er meermalen met Narcisse over gesproken had, het ceremonieel kende, herkende de verschillende zalen, herinnerde zich de bestemming daarvan, vulde ze in zijn geest met de personen, die het recht hadden zich er op te houden. Iedere dignitaris mocht, volgens zijn rang, niet verder dan een bepaalde deur gaan, zoodat de personen, die door den paus ontvangen moeten worden, van hand tot hand gaan, van die der bedienden in die der edelgarden, dan in die van de eerekamerheeren, vervolgens in die der geheime kamerheeren. Maar van acht uur af waren de zalen ledig; slechts weinige lampen branden op de wandtafeltjes; het is niet meer dan een reeks verlaten, half donkere, in slaap gevallen vertrekken, ingesloten in het verheven Niet, waarin het geheele paleis verzinkt.
Eerst kwam de zaal der bedienden, van de bussolanti, de eenvoudige deurwachters, die, gekleed in rood, met het pauselijk wapen geborduurd fluweel, de bezoekers tot aan de deur der eerekamer brengen. Op dit late uur zat er nog slechts één op een bank in een zóó donker hoekje, dat zijn purperen tunica zwart scheen. Hij keek op en liet hen doorgaan in de donkerte, waarin de geheele verblindende pracht van de zaal verdween. Dan gingen zij door de zaal der gendarmen, waar de secretarissen van de kardinalen en andere hooge personnages op de terugkomst van hun meesters wachtten; zij was nu geheel leeg, geen enkele der mooie blauwe uniformen met het witte lederwerk, geen enkele der fijne soutanes, die zich hier gedurende de receptie-uren vermengden, was te zien. Leeg ook was de volgende, iets kleinere, voor de Palatijnsche garde bestemde zaal; deze uit de Romeinsche bourgeoisie gerecruteerde militie draagt een zwarte tunica met gouden epauletten en een door een roode pluim bekroonden schako.
Vervolgens sloegen zij rechtsaf in een nieuwe reeks zalen; ook de eerste, die zij betraden, de tapijtenzaal was leeg; dit is een wachtkamer met een prachtig geschilderd plafond en bewonderenswaardige gobelins van Audran, den wonderdoenden Jezus en de Bruiloft van Kanaän voorstellend. Leeg ook was de zaal der edelgarden met haar lage, houten stoeltjes, haar wandtafeltje, waarboven een hoog crucifix tusschen twee lampen hangt, haar breede deur op den achtergrond, die toegang geeft tot een ander klein vertrek, een soort alkoof met een altaar, waarvoor de paus geheel alleen de mis leest, terwijl de aanwezigen op de marmeren tegels van de zaal der edelgarde geknield liggen. Leeg ten slotte was ook de eere-antichambre, de troonzaal, waar de paus twee- en driehonderd personen tegelijk in openbare audiëntie ontvangt. Tegenover het venster staat op een lage estrade de troon, een vergulde fauteuil van rood fluweel onder een rood-fluweelen baldakijn. Daarnaast ligt het kussen voor den voetkus. Rechts en links staan twee wandtafeltjes; op het eene ziet men een pendule, op het andere een crucifix tusschen hooge, kaarsendragende armluchters met verguld-houten voeten. Het behang van rood damast met de groote Louis XIV-palmen loopt tot aan de prachtige fries, die het plafond met allegorische attributen en figuren omlijst; de schitterende, koude marmeren vloer is alleen voor den troon met een Smyrna-tapijt bedekt. Maar bij particuliere audiënties, wanneer de paus in de kleine troonzaal of zelfs in zijn kamer ontving, was de troonzaal eenvoudig de eere-antichambre, waar de prelaten en andere hoogwaardigheidsbekleeders, gezanten en andere hooge persoonlijkheden wachtten.
De dienst werd waargenomen door twee eerekamerheeren, die de tot de hooge eer van een particuliere audiëntie toegelaten personen van de bussolanti overnamen, om ze zelf te brengen naar de deur der geheime antichambre, waar zij ze overdragen aan de geheime kamerheeren. Dit was de weelderigst ingerichte en levendigste zaal zoowel door de schittering der uniformen als door de ontroering, die al grooter en grooter werd naarmate men dichter kwam bij den door den Uitverkorene en Eenige bewoonden tabernakel door die eindelooze reeks zalen, waarin het hart steeds luider en luider klopte en tot stikkens toe samengeperst werd door die handig aangebrachte stijging van geringere tot steeds meer toenemende pracht. Op dit late uur echter was er geen levende ziel te zien, geen beweging, geen stem te hooren—niets was er dan de stilte, die van het donkere plafond over den rood-fluweelen troon afdaalde; niets dan een walmende lamp, die in de ledige, sluimerende zaal op den hoek van een wandtafeltje brandde.
Mijnheer Squadra, die zich nog niet omgedraaid had, maar langzaam en zwijgend verder schreed, bleef een oogenblik voor de deur der geheime antichambre staan als om den bezoeker gelegenheid te geven zich wat te herstellen, alvorens het heiligdom te betreden. Alleen de geheime kamerheeren hadden het recht zich daar op te houden, slechts de kardinalen mochten hier wachten tot het den paus behagen zou hen te ontvangen. Aan zijn lichte, zenuwachtige huivering bemerkte Pierre, nadat mijnheer Squadra hem er binnen gebracht had, dat hij de andere zijde van deze lage, menschelijke wereld betrad. Overdag bewaakte een op wacht staand edelgarde de deur; doch op dit uur was deze vrij en het vertrek, evenals alle andere, ledig. Het was iets te smal en gangvormig; twee ramen zagen uit op de nieuwe wijk der Prati del Castello, een derde aan het einde dicht bij de naar de kleine troonzaal leidende deur op het Pietersplein. Daar tusschen die deur en dat venster zat gewoonlijk aan een klein tafeltje een thans afwezige secretaris. En ook nu weer kwam hetzelfde wandtafeltje met hetzelfde crucifix tusschen hetzelfde paar lampen terug. Een groot uurwerk in een ebbenhouten met koper beslagen kast sloeg zwaar het uur. De eenige merkwaardigheid onder het plafond met de gouden rosetten was het roode, met gele schilden bezaaide, damasten behang. De twee sleutels en de tiara wisselden af met den leeuw, die zijn klauw op den aardbol legt.
Maar mijnheer Squadra had bemerkt, dat Pierre, in strijd met de etiquette, nog steeds zijn hoed, dien hij in de zaal der bussolanti had moeten achterlaten, in zijn hand hield. Alleen de kardinalen hebben het recht hun hoofddeksel bij zich te houden. Met een bescheiden gebaar nam hij hem zijn hoed af en legde dien zelf op het wandtafeltje, als wilde hij zeggen, dat hij tenminste daar moest blijven. Dan, nog steeds zonder een woord te zeggen, gaf hij Pierre met een eenvoudige buiging te kennen, dat hij den bezoeker bij Zijne Heiligheid zou aandienen, en hij een oogenblik in deze kamer wachten moest.
Toen Pierre alleen was, haalde hij diep adem. Hij stikte, zijn hart klopte, alsof het breken zou. Toch bleef zijn verstand helder; hij had in dit halfdonker deze beroemde, deze prachtige pauselijke vertrekken zeer goed beoordeeld.
De ebbenhouten klok sloeg negen uur. Hij keek verbaasd op. Wat, waren er pas tien minuten verloopen, sedert hij de bronzen deur doorgegaan was? Hij had een gevoel, alsof hij al dagen en dagen geloopen had. Nu wilde hij deze zenuwachtige drukking, die hem benauwde, bestrijden; want hij was nog steeds niet zeker van zichzelf, was nog steeds bang zijn kalmte, zijn rede in een tranenvloed te zien verdwijnen. Hij liep op en neer en kwam langs de ebbenhouten klok, wierp een blik op het crucifix van het wandtafeltje en keek naar den bol van de lamp, waarop de vette vingers van een knecht hun sporen achtergelaten hadden. Zij gaf een zóó geel en zóó zwak licht, dat hij de lust in zich voelde opkomen haar wat op te draaien, maar hij durfde niet. Dan stond hij, met zijn gezicht tegen het raam gedrukt, voor het venster, dat op het St. Pietersplein uitzag. Even werden zijn gedachten geheel in beslag genomen. Door de slechtsluitende jaloezieën strekte het reusachtige Rome zich voor hem uit, Rome, zooals hij het reeds eenmaal gezien had van uit de loggia’s van Raffaël, zooals hij het zich gedacht had op den dag, dat hij van uit het kleine restaurant op het paleis Leo XIII voor het raam van zijn kamer had meenen zien te staan.
Maar nu was het het nachtelijke Rome, het door de duisternis nog grooter lijkende Rome, grenzenloos als de bestarde hemel. In deze grenzenlooze zee met haar zwarte golven kon men slechts met zekerheid de groote, door het witte licht der electrische verlichting in melkwegen veranderde straten: den Corso Victor-Emanuele, de Via Nazionale, den Corso, die ze rechthoekig sneed en zelf werd doorsneden door de Via del Tritone, welke zich voortzette in de Via San Nicola da Tolentino. Aan de andere zijde van den corso Victor-Emanuele en de Via Nazionale in de richting van het oude Rome vlamden nog eenige pleinen en eenige straatdeelen, maar de duisternis overstroomde reeds alles. Overigens was het niets meer dan een gewemel van kleine, gele lichtjes, van kleine brokjes van een half uitgedoofden hemel, die over de aarde geveegd is. Enkele sterrenbeelden, enkele fonkelende, mysterieuse en edele figuren vormende sterren trachtten vergeefs zich los te maken.
De zenuwachtige angst van Pierre werd ondanks dezen oceaan van donkerte en verheven vrede, ondanks de pogingen, die hij deed om kalm te worden, van seconde tot seconde grooter. Hij verwijderde zich van het venster en huiverde over zijn geheele lichaam, toen hij een zacht geschuifel van voetstappen hoorde en dacht, dat men hem kwam halen. Het geluid kwam uit het vertrek ernaast, de kleine troonzaal, waarvan, zooals hij nu merkte, de deur op een kier was blijven staan. Daar hij verder niets meer hoorde, waagde hij zich in zijn koortsachtig ongeduld wat dichter bij en rekte zijn hals uit om wat te zien. Het was weer een met rood damast behangen zaal met een vergulden, roodfluweelen fauteuil onder een rood-fluweelen baldakijn; ook hier vond men het onvermijdelijke wandtafeltje, het hooge, ivoren crucifix, de klok, het paar lampen, de kandelabres, twee groote vazen op sokkels en twee andere van geringere grootte met het portret van den Heiligen Vader, afkomstig uit de fabriek te Sèvres. Toch voelde men hier meer comfort, het Smyrna-tapijt bedekte den geheelen vloer, enkele fauteuils stonden er tegen den muur.
De paus, wiens kamer in deze zaal uitkwam, ontving hier gewoonlijk de personen, die hij met bijzondere onderscheiding behandelen wilde. Pierre’s zenuwachtigheid nam toe bij de gedachte, dat hij nog maar één vertrek behoefde door te gaan, dat zoo dicht bij hem, achter die eenvoudige houten deur, Leo XIII was. Waarom liet men hem wachten? Maakte men zich gereed om hem in dat vertrek te ontvangen, ten einde hem in een niet al te groote intimiteit toe te laten? Men had hem verteld van geheimzinnige bezoeken op dit uur, van onbekenden, die op dezelfde wijze zwijgend binnengelaten werden. Dat waren hooge persoonlijkheden, wier namen men heel zacht fluisterde. Hem scheen men voor compromitteerend te houden, dat men met hem buiten weten der omgeving, kalm met hem wenschte te praten, zonder zich tot iets te verbinden.
Dan kon hij zich plotseling de oorzaak van het geritsel, dat hij zooeven gehoord had, verklaren, hij zag op het wandtafeltje naast de lamp een klein houten kistje, een soort diep bord met handvaten, waarin zich het overschot van een avondmaaltijd, vaatwerk, een courant, een flesch en een glas bevonden. Hij begreep, dat mijnheer Squadra, nadat hij die overblijfselen in de kamer gezien had, deze in dit vertrek gebracht had en toen weer naar binnen gegaan was, om verder de tafel af te nemen. Hij wist, dat de paus zeer matig was; wist, dat hij zijn maaltijden aan een klein tafeltje gebruikte, waarbij alles tegelijk in dit kleine houten kistje binnengebracht werd: één vleesch, één groente, een paar slokjes bordeaux op voorschrift van den geneesheer, en voor alles bouillon, koppen bouillon, die hij gaarne aan oude kardinalen, die tot zijn vrienden behoorden, aanbood.
De gewone maaltijden van Leo XIII kostten niet meer dan acht francs per dag. O, zwelgerijen van Alexander VI! O, festijnen en feestgelagen van Julius II en Leo XI. Maar weer kwam er een geritsel uit de kamer, dat hij niet uitleggen kon; hij schrok van zijn onbescheidenheid en trok zijn hoofd terug, toen hij meende de geheele roode troonzaal in den dooden vrede, waarin zij sliep, te zien opvlammen.
Daar hij te zenuwachtig was, om onbeweeglijk te blijven, begon hij met zachte stappen op en neer te loopen. Die mijnheer Squadra—hij herinnerde zich nu plotseling het van Narcisse gehoord te hebben—was een voorname persoonlijkheid, een zeer invloedrijk man, de lievelingsdienaar van Zijne Heiligheid, de eenige, die hem ertoe kon overhalen op ontvangdagen een schoone witte soutane aan te trekken, wanneer degene, die hij droeg, vuil was van het vele snuiven. Zijne Heiligheid stond er beslist op zich iederen nacht geheel alleen in zijn kamer op te sluiten en niemand bij zich te laten slapen; dit geschiedde uit een gevoel van onafhankelijkheid, maar ook, naar men zeide, uit den angst van een vrek, die met zijn schat alleen slapen wil. Dit gaf voortdurende reden tot ongerustheid, want het was allesbehalve verstandig, dat een man van dien leeftijd zich zoo barricadeerde; mijnheer Squadra sliep in een aangrenzend vertrekje, steeds luisterend en gereed om bij het eerste alarm toe te snellen. Hij was het ook, die, zij het met grooten eerbied, er Zijne Heiligheid op wees, wanneer Zijne Heiligheid te laat op bleef zitten of te veel werkte. Op dat punt echter was hij moeilijk tot rede te brengen; dikwijls stond hij, wanneer hij niet slapen kon, weer op, liet door Squadra een secretaris wekken, om hem een paar aanteekeningen te dicteeren of een ontwerp-encycliek op papier te brengen. Wanneer hij met een encycliek bezig was, zou hij er dag en nacht mede bezig kunnen zijn, evenals vroeger, toen hij er zich nog op voor liet staan mooie Latijnsche verzen te kunnen maken, de dageraad hem dikwijls bij het schaven van een strophe verraste. Hij sliep heel weinig, daar zijn hersenen steeds werkzaam waren en zijn geest altijd bezig was, met de verwezenlijking van het een of ander oud plan. Alleen zijn geheugen was in den laatsten tijd wat zwakker geworden. Misschien had mijnheer Squadra Zijne Heiligheid weer minder goed gevonden tengevolge van overmatig werken, daar hij, naar men zeide, den vorigen dag nog vrij ernstig ziek geweest was en hij zich nooit ontzag.
Terwijl Pierre zachtjes heen en weer bleef loopen, werd zijn geest langzamerhand geheel door deze hooge en verheven figuur in beslag genomen. Na de weinig beteekenende bijzonderheden van het dagelijksch leven overdacht hij nu het intellectueele leven, de rol van den grooten paus, die Leo XIII toch zeker wilde spelen. In de S. Paolo fuori le Mura had hij den eindeloozen fries gezien, waarop de portretten der tweehonderd twee-en-zestig pausen afgebeeld zijn; en hij vroeg zich af op welken van die lange reeks middelmatige, heilige, misdadige en geniale pausen Leo XIII het liefst zou willen gelijken.
Was het een der eerste zoo nederige pausen, een van hen, die elkaar gedurende de drie eerste eeuwen van verborgen leven opgevolgd waren, die eenvoudige leiders van begrafenisvereenigingen, broederlijke herders der Christelijke gemeenschap waren? Was het paus Damasius, de eerste groote bouwmeester, de geleerde, die behagen schepte in de dingen van den geest, den geloovige met zijn vurig geloof, die voor de vromen de katakomben opende? Was het Leo III, wiens vermetele hand door de zalving van Karel den Groote de breuk met het Oosten, dat het groote schisma reeds afgescheiden had, voltooide, die krachtens den eenigen en almachtigen wil van God en Zijne Kerk aan het Westen de heerschappij gaf en van af dat oogenblik over kronen beschikte? Was het de verschrikkelijke Gregorius VII, den tempelreiniger, den beheerscher der koningen; was het Innocentius III, was het Bonifacius VIII, de meesters van zielen, volkeren en tronen, die met de grimmige banbliksems gewapend, met zulk een macht over de Middeleeuwen heerschten, dat het Katholicisme nooit dichter bij de verwezenlijking van zijn droom geweest is dan toen? Was het Urbanus II, was het Gregorius IX of een der andere pausen, in wier hart de brandende hartstocht voor de kruistochten, de drang naar heilige avonturen opvlamde, welke de menigte medesleepte en aanzette tot de verovering van het onbekende en het goddelijke? Was het Alexander III, die het pausdom tegen het keizerrijk verdedigde, tot het einde toe streed om niets af te staan van het hoogste gezag, waarmede God hen bekleed had en ten slotte overwon door zijn voet triompheerend op den nek van Frederik Barbarossa te zetten? Was het Julius II, die lang na de treurige tijden van Avignon het pantser droeg en de politieke macht van den Heiligen Stoel bevestigde? Was het Leo X, de prachtlievende, roemrijke beschermer der Renaissance, van een groot kunsttijdperk, maar die een bekrompen, niet vooruitzienden geest bezat en Luther als een eenvoudigen, opstandigen monnik beschouwde? Was het Pius V, de zwarte, wrekende reactie, de brandstapelvlam, die de weer heidensch geworden aarde tuchtigde? Was het een der andere pausen, die na het Concilie van Trente regeerden, toen het geloof in zijn integriteit weer hersteld, de Kerk door haar trots, haar onverdraagzaamheid, haar volharden in een volkomen eerbied voor de dogma’s gered was? Was het een paus uit den tijd van het verval van het pausdom, toen het niet meer was dan een ceremoniemeester, die de galafeesten der groote Europeesche monarchieën leidde? Was het Benedictus XIV, de groote geest, de scherpzinnige theoloog, die, daar zijn handen gebonden waren en hij niet meer over de koninkrijken dezer wereld beschikken kon, zijn schoon leven doorgebracht had met het regelen der hemelsche zaken?
Op die wijze ontrolde zich voor hem de geschiedenis van het pausdom, de wonderbaarlijkste geschiedenis, die er bestaat: het had alle wisselvalligheden der fortuin, de laagste en ellendigste zoowel als de hoogste en schitterendste tijden, gekend; het bezat een hardnekkigen wil om te leven, die het ondanks alles te midden van branden, bloedbaden en instortingen staande gehouden heeft, steeds strijdvaardig in den persoon van zijn pausen. Zij vormen een buitengewone reeks van onbeperkte, veroverende en gebiedende heerschers. Allen, zelfs de zwakke en nederige, waren de meesters der wereld, allen straalden in den onvergankelijken roem van den hemel, wanneer men ze zich voor den geest riep in dit eeuwenoude Vaticaan, waar hun schimmen ’s nachts ongetwijfeld ontwaakten en te midden der doodelijke stilte door de eindelooze gangen, door de reusachtige zalen slopen.
Maar dan zeide Pierre tot zich zelf, dat hij den grooten paus, die Leo XIII wilde zijn, kende. Het was, geheel in het begin der Katholieke macht, Gregorius de Groote, de veroveraar en de organisator. Deze stamde af uit een oud Romeinsch geslacht; iets van het oude keizerbloed bruiste nog in zijn aderen. Hij bestuurde het van de barbaren geredde Rome, liet de Kerkelijke domeinen bebouwen en verdeelde de goederen dezer aarde: één deel voor de armen, één deel voor de geestelijkheid en één deel voor de Kerk. Hij stichtte de Propaganda, zond zijn priesters uit om de volkeren te beschaven en te pacificeeren, onderwierp zelfs Groot-Brittannië aan de goddelijke wet van Christus. Ook was het, na een tusschentijd van vele eeuwen, Sixtus V, de financier en politicus, de tuinmanszoon, die zich onder de tiara als een der meest omvattende en soepele geesten van een aan diplomaten rijk tijdperk kennen deed. Hij vergaarde schatten en was hard en gierig, om te regeeren als een vorst, die in zijn schatkist steeds het voor oorlog en vrede noodige goud liggen heeft. Jaren lang onderhandelde hij met koningen, nooit wanhoopte hij aan zijn triomf. Evenmin verzette hij zich tegen den tijdgeest; hij aanvaardde dien zooals hij was, en trachtte hem dan te wijzigen in het belang van den Heiligen Stoel; hij was verdraagzaam in alles tegenover allen en droomde reeds van een Europeesch evenwicht, waarvan hij het centrum en de meester wilde worden. Bij dat alles was hij een zeer vrome paus, een vurige mysticus, maar een paus, die de meest absolute, meest onbeperkte geest en tevens een tot handelen vastbesloten staatsman was, om het koninkrijk Gods op deze aarde te verzekeren.
Maar in zijn geestdrift, die ondanks zijn wil om kalm te zijn, weer in hem opsteeg en alle voorzichtigheid en allen twijfel wegvaagde, vroeg Pierre zich af, waarom hij zoo het verleden naging. Was dan de ware Leo XIII niet die van zijn boek, de groote paus, die zich aan hem geopenbaard had, dien hij geschilderd had naar zijn hart, zooals de zielen hem wenschten en verwachtten? Ongetwijfeld was het geen sprekend gelijkend portret, maar de groote lijnen ervan moesten toch juist zijn, wilde de menschheid niet wanhopen aan haar redding. En talrijke bladzijden van zijn boek vlamden voor zijn oogen op; hij zag Leo XIII weer voor zich, den wijzen staatsman, den verzoenenden bemiddelaar, die aan de eenheid der Kerk werkte, haar krachtig en onoverwinlijk maken wilde voor den nabijën dag van den onvermijdelijken strijd. Hij zag hem weer voor zich, bevrijd van de zorgen over de wereldlijke macht, grooter geworden, gelouterd, schitterend in moreele pracht, als de eenige, boven de volkeren staande autoriteit, die het doodelijke gevaar ingezien heeft, dat erin gelegen is, de socialistische oplossing te laten in de handen van de vijanden van het Christendom, en vanaf dat oogenblik vast besloten was om in den hedendaagschen strijd, zooals Jezus vroeger, in te grijpen ter verdediging van de armen en de lijdenden.
Hij zag hem zich plaatsen aan de zijde der democratieën, de republiek in Frankrijk erkennen, de van hun tronen gestooten koningen in ballingschap laten, de voorspelling verwezenlijken, die Rome opnieuw de wereldheerschappij zou verzekeren, wanneer het pausdom het geloof weer één gemaakt hebben en aan de spits van het volk marcheeren zou. De tijden gingen in vervulling: de Caesar was verpletterd, de paus alleen bleef nog over. En zou het volk, het groote zwijgende volk, dat de twee machten elkander zoo lang betwist hadden, zich niet geven aan den Vader, nu het wist, dat deze rechtvaardig en liefderijk was, dat deze de broodelooze arbeiders en de bedelaars van de straat met een van liefde brandend hart en een uitgestoken hand tegemoet kwam? Bij de vreeselijke catastrophe, die de verrotte maatschappij bedreigde, bij de afschuwlijke ellende, die de steden teisterde, was geen andere oplossing mogelijk als Leo XIII, de gepraedestineerde, de noodwendige verlosser, de herder, gezonden om zijn schapen te redden door de wederinstelling der Christelijke gemeenschap, de vergeten gouden eeuw van het oorspronkelijke Christendom! Eindelijk heerschte de gerechtigheid, schitterde de waarheid als de zon, waren alle menschen verzoend, vormden slechts één volk, dat in vrede leefde en gehoorzaamde aan de allen gelijkmakende wet van den arbeid onder de hooge bescherming van den paus, den eenigen band van barmhartigheid en liefde!
Nu werd Pierre als opgelicht, gedragen, voortgedreven door een vlam. Eindelijk, eindelijk zou hij hem zien, zijn hart lucht geven, zijn ziel openen! Reeds sedert zoo vele dagen snakte hij vurig naar deze minuut, streed hij met al zijn moed om die te verkrijgen. En hij herinnerde zich de hinderpalen, welke men hem sedert zijn aankomst te Rome telkens weer in den weg gelegd had; en deze lange strijd, dit ongehoopte succes maakten zijn koorts heftiger, prikkelden zijn wensch om te overwinnen. Ja, ja, hij zou overwinnen, hij zou de tegenstanders van zijn boek doen verstommen en ten schande maken. Kon, zooals hij tegen monsignor Fornaro gezegd had, de paus zijn boek desavoueeren? Had hij niet zijn geheime denkbeelden uitgesproken? Misschien te vroeg, maar dat was toch een vergeeflijke fout? En hij herinnerde zich ook wat hij tegen monsignor Nani gezegd had op den dag, dat hij gezworen had nooit uit eigen beweging zijn boek te zullen terugtrekken, want dat hij nergens berouw over had, niets loochende.
In deze minuut ging hij nogmaals met zichzelf te rade, en in de heftige, zenuwachtige opwinding, waarin het wachten hem na zijn eindeloozen gang door dit reusachtige Vaticaan, bracht, geloofde hij in het volle bezit van zijn moed, van zijn geheele wilskracht te zijn. Toch geraakte hij hoe langer hoe meer in verwarring, kwam er toe zijn gedachten bij elkaar te zoeken, vroeg hij zich af, hoe hij zou binnengaan, wat hij zeggen zou en in welke bewoordingen.
Verwarde en zware dingen moesten zich in hem opgehoopt hebben, want hun gewicht droeg veel tot zijn beklemming bij, zonder dat hij zich daarvan rekenschap wilde geven. Feitelijk was hij reeds gebroken en uitgeput, had hij geen veerkracht meer dan de vlucht van zijn droom en zijn kreet van medelijden met de afschuwlijke ellende. Ja, ja, hij zou vlug naar binnen gaan, zou op zijn knieën vallen, spreken zooals zijn hart hem ingeven zou. En ongetwijfeld zou de Heilige Vader glimlachen, hem laten gaan met de woorden, dat hij niet de veroordeeling van een werk teekenen zou, waarin hij zichzelf met zijn dierbaarste gedachten teruggevonden had.
Pierre voelde zich zóó zwak worden, dat hij opnieuw naar het raam liep, om zijn brandend voorhoofd tegen het koude glas te drukken. Zijn ooren suisden, zijn knieën knikten, terwijl het bloed met zware slagen in zijn hersens klopte. Hij trachtte aan niets meer te denken, keek naar het in donkerte gedompelde Rome en vroeg het een weinig van zijn slaap te schenken, waarin het zelf wegzonk. O, om kalm te zijn, om eindelijk niet meer te denken, moet het nacht zijn, een volkomen nacht, de nacht, waarin men, van ellende en lijden genezen, voor eeuwig slaapt! Plotseling had hij het duidelijke gevoel, dat er iemand onbeweeglijk achter hem stond; hij schrok en keerde zich om.
Achter hem stond inderdaad mijnheer Squadra in zijn zwarte livrei te wachten. Hij maakte weer een buiging als om den bezoeker uit te noodigen hem te volgen. Dan ging hij weer voorop loopen, schreed langzaam door de kleine troonzaal, opende zacht de deur van de kamer, trad ter zijde, liet den bezoeker binnengaan, sloot de deur geruischloos.
Pierre was in de kamer van Zijne Heiligheid. Hij was bang geweest voor een van die plotselinge gemoedsbewegingen, die krankzinnig maken of verlammen; men had hem verteld, dat vrouwen stervend, in onmacht, als dronken binnenkwamen, of wel als door onzichtbare vleugelen gedragen, dansend binnenstormden. Maar plotseling eindigde de angst, die hem tijdens het wachten aangegrepen had, zijn koorts van zooeven in een soort reactie, die hem kalm maakte, hem alles met heldere oogen deed zien.
Toen hij binnentrad, was hij zich van de beslissende beteekenis van deze audiëntie bewust geworden: hij, de eenvoudige priester, verscheen voor den hoogepriester, het hoofd der Kerk, den heerscher der zielen. Zijn geheele religieus en moreel leven zou van deze audiëntie afhangen. Misschien was het deze gedachte, die hem op den drempel van het heiligdom, waarnaar hij zoo bevend gegaan was als het ware tot ijs verstarren deed, het heiligdom, dat hij gedacht had slechts met een bevend hart en zijn kindergebeden stamelend te kunnen betreden.
Toen Pierre later zijn herinneringen classeeren wilde, herinnerde hij zich, dat hij Leo XIII het eerst gezien had, maar in de omlijsting, die hem omgaf, in die groote, met geel damast behangen kamer met het zoo diepe alkoof, dat het bed er in verdween, evenals een heel klein meubilair, een chaise longue, een kast, koffers, de beroemde koffers, waarin zich, naar men zeide, achter een driedubbel slot de schat van den Pieterspenning bevond. Een meubelstuk, in Louis XIV-stijl, een soort schrijfbureau met koper beslag stond tegenover een groote, vergulde en beschilderde wandtafel, waarop naast een hoog crucifix een lamp brandde.
Verder was de kamer kaal; slechts drie fauteuils en vier of vijf stoelen met trijp van lichte zijde, moesten de groote ruimte vullen. Op den vloer lag een reeds zeer versleten tapijt. Op een dier fauteuils zat naast een klein tafeltje, waarop men een tweede lamp met een kap gezet had, Leo XIII. Op het tafeltje lagen drie couranten, twee Fransche en een Italiaansche: deze laatste half opengevouwen, als had de paus haar even neergelegd om met een lang verguld-zilveren lepeltje een glas limonade, dat naast hem stond, om te roeren.
Zooals Pierre de kamer gezien had, zag hij ook het costuum, de witte soutane met witte knoopen, het witte kalotje, de witte pèlerine, de witte ceintuur met gouden franje, waarvan de einden met gouden sleutels geborduurd waren. De kousen waren wit, de pantoffels van rood, eveneens met gouden sleutels geborduurd, fluweel. Het meest werd Pierre echter getroffen door het gezicht, door de geheele persoonlijkheid, die hem kleiner voorkwam en die hij nauwlijks herkende. Dit was nu de vierde maal, dat hij den paus zag: de eerste maal op een mooien avond in een heerlijken tuin, glimlachend en vertrouwelijk luisterend naar het gebabbel van een lievelingsprelaat, terwijl hij met zijn kleine oude-heeren-pasjes als een gewond vogeltje voorttrippelde. Hij had hem gezien in de Sala dei Beatificazione als geliefd en ontroerd paus, wiens wangen bloosden van tevredenheid, terwijl vrouwen hem beurzen en met goud gevulde witte kalotjes brachten, haar juweelen afrukten om ze aan zijn voeten te werpen. Hij had hem in de St. Pieter gezien—hoog op het schild gedragen, in al zijn heerlijkheid van zichtbaren God, dien de Christenheid aanbidt als een in zijn gouden en met edelgesteenten versierde kast opgesloten afgod, terwijl zijn strak gelaat onbeweeglijk als uit steen gehouwen bleef. En nu zag hij hem hier in dezen fauteuil, in de intimiteit van zijn eigen kamer terug, en hij vond hem zoo mager, zoo teer, dat hij een onrust voelde, waaraan zich ontroering paarde. De hals vooral was onwaarschijnlijk dun als een draad, de hals van een heel ouden, witten vogel. Het albasten, bleeke gelaat was karakteristiek doorschijnend, men zag het schijnsel van de lamp door den grooten, gebiedenden neus, als was al het bloed daaruit weggevloeid. De groote mond met de sneeuwwitte lippen doorsneed met een dunne lijn het onderste gedeelte van het gelaat, de oogen alleen waren mooi en jong gebleven, prachtige, donkere, als zwarte diamanten fonkelende, krachtige, doorborende oogen, die de zielen openden en dwongen de waarheid met luide stem te bekennen. Het weinige haar kwam in dunne, witte lokken uit het witte kapje te voorschijn en legde een witte kroon om het magere, witte gezicht, welks leelijkheid door al het wit gelouterd werd.
Maar bij den eersten blik had Pierre opgemerkt, dat mijnheer Squadra hem niet had laten wachten, omdat hij den Heiligen Vader had willen dwingen een schoone soutane aan te trekken, want degene, die hij droeg, was vuil door de vele snuif, die langs de knoopen gevallen was. En echt burgerlijk had de Heilige Vader een zakdoek op zijn knieën, om zich af te vegen. Verder scheen hij zeer welvarend en geheel hersteld van zijn ziekte van den vorigen dag; hij was trouwens gewoonlijk gauw beter, want hij leefde zeer sober en matig en had geen enkel organisch gebrek. Door een natuurlijke uitputting verminderde hij dagelijks iets, zooals een fakkel door het voortdurende branden eenmaal uitgaat.
Reeds bij de deur had Pierre de twee fonkelende oogen, de twee zwarte diamanten oogen op zich voelen rusten. De stilte was angstaanjagend, de lampen brandden met een onbeweeglijke, bleeke vlam in deze grenzenlooze rust van het ingeslapen Vaticaan, zonder dat men iets anders hoorde dan in de verte het oude, in den nacht weggezonken oude Rome. Hij moest naderbij komen, maakte de drie kniebuigingen en boog zich dan voorover om de op een kussen rustende rood-fluweelen pantoffel te kussen. Geen woord, geen beweging, geen gebaar van den paus. Toen Pierre zich weer oprichtte, zag hij de twee zwarte diamanten, de fonkelende oogen, nog steeds op zich gericht.
Eindelijk begon Leo XIII, die hem den ootmoed van den voetkus niet had willen besparen en hem nu liet staan, te spreken, zonder echter zijn blik, die tot in het diepst van zijn ziel doordrong, van Pierre af te wenden.
“Mijn zoon, gij hebt vurig verlangd mij te spreken, en ik heb erin toegestemd aan uw wensch gevolg te geven.”
Hij sprak Fransch, een eenigszins onzeker Fransch, dat hij op zijn Italiaansch uitsprak, en zoo langzaam, dat men de zinnen als bij een dictee had kunnen opschrijven. De nasale stem was sterk, een van die zware, diepe stemmen, die men bij zulke zwakke, schijnbaar bloed- en ademlooze lichamen niet verwacht.
Pierre had zich wederom gebogen om zijn dankbaarheid te betuigen, hij wist, dat de eerbied eischte, dat men niet sprak voor een direkte vraag gedaan werd.
“Gij woont te Parijs?”
“Ja, Heilige Vader.”
“Behoort ge tot een der groote stedelijke parochieën?”
“Neen, Heilige Vader, ik ben kapelaan in de kleine kerk te Neuilly.”
“O ja, ik weet al waar … dicht bij den Bois de Boulogne … En hoe oud zijt gij, mijn zoon?”
“Vier-en-dertig, Heilige Vader!”
Er volgde een korte stilte. Leo XIII had eindelijk zijn oogen neergeslagen. Met zijn teere, ivoorkleurige hand nam hij het glas limonade weer, roerde er met den langen lepel in en dronk een slok. Hij deed het langzaam, voorzichtig en bedachtzaam, zooals alles, wat hij moest doen en denken.
“Ik heb uw boek gelezen, mijn zoon. Ja, voor het grootste gedeelte. Gewoonlijk legt men mij slechts brokstukken voor. Maar iemand, die zich voor u interesseert, heeft mij het boek gegeven en gesmeekt het door te lezen. Op die wijze heb ik er kennis van kunnen nemen.”
Hij maakte een klein gebaar, waarin Pierre een protest meende te moeten zien tegen de afzondering, waarin zijn omgeving hem hield—die vloekwaardige omgeving, die er, volgens de woorden van monsignor Nani zelf, goed voor waakte, dat niets verontrustends van uit de buitenwereld hier doordrong.
“Ik dank Uwe Heiligheid voor de zeer groote eer, die het haar behaagd heeft mij te bewijzen,” waagde de priester te zeggen. “Geen grooter eer, geen vuriger verlangd geluk kon mij ten deel vallen.”
Hij was zoo gelukkig! Hij verbeeldde zich, dat zijn zaak reeds gewonnen was, nu de paus kalm en zonder eenigen toorn, op dien toon met hem sprak over zijn boek als iemand, die hem nu door en door kende.
“Ge gaat veel om met mijnheer den vicomte Philibert de la Choue, niet waar, mijn zoon? De overeenkomst tusschen sommige van uw denkbeelden en die van dezen zeer toegewijden dienaar, die ons anderzijds kostbare bewijzen van zijn goede gezindheid gegeven heeft, is mij opgevallen.”
“Inderdaad, Heilige Vader, mijnheer de la Choue is wel zoo goed belang in mij te stellen. Wij hebben veel samen gepraat, zoodat het niet te verwonderen is, dat ik verscheidene van zijn dierbaarste denkbeelden weergegeven heb.”
“Natuurlijk, natuurlijk. Zoo bijvoorbeeld die quaesties van de corporaties, waarmede hij zich veel, zelfs wel wat te veel, bezighoudt. Bij zijn laatste reis heeft hij daar met grooten aandrang met mij over gesproken; evenals trouwens een andere landgenoot van u, een der beste en eminentste mannen, die ik ken, baron de Fouras, die onlangs de mooie bedevaart van den Pieterspenning hier gebracht heeft, niet rustte, voordat ik hem ontving, om er dan bijna een uur lang over te praten. Maar men kan moeilijk zeggen, dat zij het eens zijn, want de een smeekt mij te doen wat de ander niet wil, dat ik doe.”
Dadelijk bij het begin dwaalde het gesprek op zijpaden af. Pierre voelde, dat het met zijn boek niets te maken had, maar hij herinnerde zich zijn belofte aan den vicomte, dat hij, wanneer hij den paus zou spreken en de gelegenheid zich daarbij voordeed, een poging wagen zou een beslissende uitspraak te krijgen over de beroemde vraag of de corporaties vrij of verplichtend, open of gesloten moesten zijn. Sedert hij te Rome was, had hij brief op brief van den armen vicomte gekregen, die door zijn jicht Parijs niet verlaten kon, terwijl zijn tegenstander, de baron, van de prachtige gelegenheid der bedevaart, waarvan hij de leider was, gebruik maakte om te trachten van den paus een goedkeurend woord te krijgen, dat hij triompheerend mee kon nemen naar Frankrijk. En de priester stond erop zijn belofte consciëntieus te houden.
“Uwe Heiligheid weet beter dan wij allen wat wijsheid is. Mijnheer de Fouras gelooft, dat het heil, de oplossing der arbeidersquaestie eenvoudig gelegen is in het weder in het leven roepen der oude, vrije corporaties, terwijl mijnheer de la Choue die verplichtend wil onder bescherming van den Staat en aan nieuwe regelen onderworpen. En ongetwijfeld is deze laatste opvatting veel meer in overeenstemming met de tegenwoordige sociale denkbeelden … Indien het Uwe Heiligheid mocht behagen zich in dien zin uit te spreken, dan zou de jonge Katholieke partij in Frankrijk daarmede zeker de schitterendste resultaten weten te bereiken, een geheele arbeidersbeweging tot roem van de Kerk.”
“Maar dat kan ik niet,” zeide Leo XIII op zijn gewone kalme manier. “Men vraagt mij uit Frankrijk altijd dingen, die ik niet kan en niet wil doen. Het eenige, wat ik u veroorloof uit mijn naam tegen mijnheer de la Choue te zeggen is, dat, al kan ik hem in dezen niet ter wille zijn, mijnheer de Fouras evenmin zijn wensch bevredigd ziet. Ook hij heeft van mij slechts de verzekering gekregen van mijn welwillendheid ten opzichte van de Fransche arbeiders, die zooveel vermogen voor de wederopleving van het geloof. Maar men moet bij u te lande ten slotte toch eens begrijpen, dat er detailquaesties, die per slot van rekening toch de organisatie betreffen, zijn, waarmede ik mij onmogelijk kan inlaten zonder mij bloot te stellen aan het gevaar daaraan een gewicht te geven, dat zij niet hebben, en sommigen een groote teleurstelling te bezorgen, indien ik anderen een groot genoegen doe.”
Om zijn lippen verscheen een flauw glimlachje, waaruit duidelijk de conciliante, bedachtzame politicus sprak, die vastbesloten is zijn onfeilbaarheid niet in gevaar te brengen door onnoodige avonturen. Hij dronk weer een slok limonade en veegde zich met zijn zakdoek af als een heerscher, die nu zijn gala-dagtaak afgeloopen is, zich op zijn gemak zet en dit uur van stilte en eenzaamheid gekozen had om langzaam en zoo lang als hij er zelf lust in had, te spreken.
Pierre trachtte het gesprek op het boek te brengen.
“Mijnheer de vicomte Philibert de la Choue is zoo hartelijk voor mij, hij wacht met even groote ontroering op het lot van mijn boek als had hij het zelf geschreven. Daarom zou het mij zoo gelukkig gemaakt hebben, wanneer ik hem een aanmoedigend woord van Uwe Heiligheid had kunnen overbrengen.”
Maar de paus antwoordde niet.
“Ik heb hem leeren kennen bij Zijne Eminentie, kardinaal Bergerot, wiens vurige naastenliefde voldoende zijn moest, om weer een geloovig Frankrijk te scheppen.”
“O ja, kardinaal Bergerot! Ik heb zijn brief, die als voorrede in uw boek staat, gelezen. Hij was wel slecht geïnspireerd op den dag, dat hij dien schreef, en gij, mijn zoon, hebt u met het publiceeren daarvan aan een groote zonde schuldig gemaakt … Ik kan nog niet gelooven, dat de kardinaal sommige van uw bladzijden gelezen heeft, toen hij u zijn volkomen toestemming en goedkeuring gaf. Ik wil liever aannemen, dat het een gevolg van onwetendheid en lichtzinnigheid is. Hoe zou hij anders uw aanvallen tegen het dogma, uw revolutionnaire theorieën, die tot de totale vernietiging van onzen heiligen godsdienst leiden, hebben kunnen goedkeuren? Als hij uw boek gelezen heeft, heeft hij geen ander excuus dan een plotselinge, onverklaarbare, onvergeeflijke afdwaling … Weliswaar heerscht in een deel der Fransche geestelijkheid een kwade geest. De Gallicaansche denkbeelden schieten steeds meer als onkruid op, een bedilziek liberalisme, dat zich tegen ons gezag verzet en niets liever wil dan vrij onderzoek en andere sentimenteele avonturen.”
Hij geraakte opgewonden, Italiaansche woorden mengden zich onder zijn aarzelend Fransch; zijn zware neusstem kwam luid-klinkend als een koperinstrument uit zijn tenger, als uit sneeuw en was gemaakt lichaam.
“En laat kardinaal Bergerot het goed weten: den dag, dat wij in hem niet meer kunnen zien dan een opstandigen zoon, zullen wij hem breken. Hij is ons het voorbeeld van gehoorzaamheid verschuldigd; wij zullen hem onze misnoegen te kennen geven en hopen, dat hij zich zal onderwerpen. Ongetwijfeld zijn ootmoed en naastenliefde groote deugden en wij hebben die steeds gaarne in hem geëerd. Maar zij moeten niet de toevlucht van een opstandig hart worden, want zij beteekenen niets, indien niet gehoorzaamheid daarmede gepaard gaat, gehoorzaamheid, het mooiste sieraad der groote heiligen!”
Verbijsterd en ontsteld luisterde Pierre naar hem. Zichzelf vergat hij; hij dacht alleen nog maar aan den man vol goedheid en verdraagzaamheid, op wien hij dezen almachtigen toorn had doen nederdalen. Dus had don Vigilio gelijk gehad: de beschuldigingen der bisschoppen van Poitiers en Evreux zouden over zijn hoofd heen den tegenstander van hun ultramontaansche onverdraagzaamheid, den zachtmoedigen, goedhartigen Bergerot, de ziel, welke open stond voor al de ellende en al het lijden der armen en der nederigen, treffen.
Hij was er wanhopig onder: de aanklacht van den bisschop van Tarbes, het werktuig van de Paters der Grot, welke slechts hem trof als een antwoord op zijn bladzijde over Lourdes, kon hij nog begrijpen en desnoods goedkeuren, maar de geniepige oorlog der beide anderen verbitterde hem en vervulde hem met een pijnlijke verontwaardiging. Den zwakken grijsaard met zijn dunne vogelhals, die kalm zijn limonade dronk, zag hij een vertoornden, zoo grimmigen grijsaard worden, dat hij ervan beefde. Hoe had hij zich bij zijn binnenkomen door den schijn kunnen laten beetnemen, hoe had hij kunnen gelooven, dat dit slechts een arme, door ouderdom uitgeputte man was, die naar vrede verlangde en alles wilde toegeven? Een ademtocht was door de sluimerende kamer gestreken en bracht weer zijn twijfel, zijn angst mede. O, deze paus was precies zóó als men hem in Rome schilderde, zooals hij hem zich niet had willen voorstellen, meer geest dan gevoel, mateloos trotsch, van zijn jeugd af met den grootsten eerzucht vervuld, zoodat hij aan zijn familie den triomf beloofd had, ten einde van haar de noodige opofferingen te verkrijgen. Sedert hij den pauselijken troon beklommen had, toonde hij overal en in alles slechts één wil: heerschen, tot iederen prijs heerschen, als onbeperkt, almachtig meester heerschen! De werkelijkheid drong zich met onweerstaanbare kracht aan hem op; toch verzette hij zich, bleef hij hardnekkig trachten zijn droom weer te grijpen.
“O, Heilige Vader, het zou mij zoo vreeselijk verdrieten, indien tengevolge van mijn ongelukkig boek Zijne Eminentie ook maar één oogenblik in moeilijkheden zou moeten verkeeren! Ik, de schuldige, kan voor mijn fout verantwoordelijk zijn—maar Zijne Eminentie, die slechts gehoorzaamd heeft aan de ingeving van zijn hart, die slechts door zijn te groote liefde voor de onterfden dezer wereld gezondigd zou hebben! O, ik smeek u, Heilige Vader, wanneer er een waarschuwend voorbeeld gesteld moet worden, straf dan geen ander dan mij. Ik ben gekomen, hier ben ik, beslis over mijn lot, maar maak mijn straf niet nog zwaarder door de wroeging een onschuldige in het verderf gestort te hebben.”
Zonder te antwoorden bleef Leo XIII hem met zijn vurige oogen aankijken. En Pierre zag nu niet meer Leo XIII, den tweehonderd drie-en-zestigsten paus, den Stedehouder van Jezus Christus, den opvolger van den prins der Apostelen, den souvereinen pontifex der algemeene Kerk, den patriarch van het Oosten, den primaat van Italië, den aartsbisschop en metropoliet der Romeinsche provincie, den heerscher over de domeinen der Heilige Kerk—neen, hij zag Leo XIII, zooals hij hem zich gedroomd had, als den verwachten Messias, als den redder, gezonden om de vreeselijke sociale catastrophe te bezweren, waarin de oude, verrotte maatschappij onderging. Hij zag hem met zijn veelomvattenden, soepelen geest, met zijn broederlijke verzoeningstaktiek, schokken vermijdend, met zijn van liefde overvloeiend hart werkend aan de eenheid, direct sprekend tot het hart der menigten, nog eenmaal, ten teeken van den nieuwen band, zijn beste bloed gevend. Hij stelde zich hem voor als de eenige moreele autoriteit, als den eenig mogelijken band van naastenliefde en vrede, als den Vader, die alleen een einde maken kan aan de ongerechtigheid onder zijn kinderen, de ellende dooden, de bevrijdende wet van den arbeid weer instellen kan door de volkeren terug te brengen tot het geloof der oorspronkelijke Kerk, tot de zachtheid en wijsheid der Christelijke gemeenschap. En deze verheven gestalte nam in de diepe stilte der kamer een onoverwinlijke almacht, een zeldzame majesteit aan.
“Om Gods wil, Heilige Vader, verhoor mij! Straf zelfs mij niet, straf niemand, o, niemand, geen levend wezen, geen ding, niets, dat op aarde lijden kan! Wees goed, o, wees goed met al de goedheid, die het lijden der wereld in u gelegd moet hebben.”
Toen hij zag, dat Leo XIII nog steeds bleef zwijgen en hem voor zich liet blijven staan, viel hij op zijn knieën, als verpletterd door smart, een naamlooze smart, die geen bepaalde oorzaak had, een smart om niemand en niets, een algemeene, onbegrensde smart, waarin hij zich voelde ondergaan en verdrinken; misschien de smart te leven.
“O, Heilige Vader, ik besta niet, mijn boek bestaat niet. Ik heb, o, vurig en hartstochtelijk verlangd door Uwe Heiligheid ontvangen te worden, om uitleg te geven van mijn gedrag, om mij te verdedigen. Maar nu weet ik niets meer, ik vind niets meer van alles, wat ik had willen zeggen, en ik heb slechts tranen, tranen, die mij verstikken … O, ik ben maar een armzalig mensch, die geen anderen drang in zich voelt dan om met u over de armen te spreken. O, die armen, die ongelukkigen, die ik twee jaar lang in onze ellendige en treurige Parijsche voorsteden gezien heb, arme kleinen, die ik in de sneeuw ging zoeken, arme kleine engeltjes, die in geen twee dagen gegeten hadden; vrouwen, die door de tering weggeknaagd worden en zonder brood of vuur in vuile krotten hokten; mannen, die door het sluiten der werkplaatsen op straat geworpen werden en het moe waren om werk te bedelen, zooals men bedelt om een aalmoes, die dronken van woede naar hun donkere woningen terugkeerden, alleen vervuld met de wraakgedachte de stad aan de vier hoeken in brand te steken! En de avond, de verschrikkelijke avond, dat ik een jammerkamer binnentrad, waarin ik een moeder vond, die zich juist met haar vijf kinderen gedood had: de moeder was, haar jongste nog zogend, op een matras gevallen, de twee kleine meisjes, lieve aardige, jonge blondines, sliepen eveneens daar haar laatsten slaap, de twee jongens lagen iets verder—de eene tegen den muur, de andere op den grond, zich nog wringend in een laatst verzet … O, Heilige Vader, ik ben niets meer dan hun afgezant, gezonden door hen, die lijden en snikken, de deemoedige afgevaardigde der deemoedigen, die onder de misdadige hardheid, onder de vreeselijke sociale onrechtvaardigheid van ellende sterven. Ik breng aan Uwe Heiligheid hun tranen, ik leg aan uwe voeten hun martelingen, ik laat u hun noodkreet hooren als een kreet, die opstijgt uit den afgrond, die vraagt om gerechtigheid, als men niet wil, dat de hemel instort … O wees goed, Heilige Vader, wees goed!”
Hij had zijn armen uitgestrekt, hij smeekte hem met een gebaar, waarmede men het goddelijke medelijden aanroept. Dan ging hij voort:
“En is, Heilige Vader, de ellende in dit eeuwige en schitterende Rome ook niet verschrikkelijk? Sedert weken dwaal ik, wachtend, op goed geluk af, door het beroemde stof van zijn ruïnen en ik heb niets gezien dan ongeneeslijke kwalen, die mij met schrik vervullen. O, alles stort ineen, alles verdwijnt. Het is de doodsstrijd van zooveel glorie, van de vreeselijke zwaarmoedigheid eener wereld, die sterft van uitputting en honger!… Heb ik onder de ramen van Uwe Heiligheid niet een angstaanjagende wijk gezien, onvoltooide paleizen, welke met een jammerlijke erfelijke ziekte belast zijn als rhachitische kinderen, die niet door kunnen groeien, reeds in puin gevallen paleizen, welke de toevluchtsoorden geworden zijn voor de geheele beklagenswaardige ellende van Rome? En wat een vreeselijk lijdend volk, precies als in Parijs! Maar hier spreidt zich dat lijden met nog meer onbeschaamdheid in de open lucht ten toon en legt in zijn vreeselijke onbewustheid de geheele sociale wonde, den wegvretenden kanker bloot. Geheele families leven haar hongerig leven van nietsdoen onder de heerlijke zon. De ouden zijn gebrekkig geworden, de vaders wachten tot er een beetje werk voor hen uit den hemel vallen komt, de zoons slapen in het droge gras; de moeders en dochters, voor haar tijd verwelkt, lanterfanten en houden buurpraatjes … O, Heilige Vader, open morgen dadelijk bij het aanbreken van den dag uw venster en wek met uw zegen dit groote kind-volk, dat nog in zijn onwetendheid en armoede slaapt! Geef het de ziel, die het mist, een ziel, die zich de geheele menschelijke waardigheid, de noodzakelijke wet van den arbeid, het vrije en broederlijke, alleen door rechtvaardigheid bestuurde leven bewust is. Ja, Heilige Vader, maak een volk uit dit samenraapsel van ongelukkigen, wier eenige verontschuldiging is, dat zij lichamelijk en geestelijk zoo lijden, dat zij leven als het vee, dat leeft en sterft zonder iets te weten of te begrijpen, en dat men met slagen ranselt!”
Langzamerhand verstikten de snikken zijn stem; slechts met schokken kon hij, medegesleept door zijn hartstocht, spreken.
“En moet ik mij uit naam van die ellendigen niet wenden tot u, Heilige Vader? Zijt gij de Vader niet? Moet de afgezant van de armen en ongelukkigen niet neerknielen voor den Vader, zooals ik thans voor u neergeknield lig? Moet het den zwaren last van zijn smarten niet brengen tot den Vader en eindelijk medelijden, hulp en steun, en gerechtigheid, ja vooral gerechtigheid vragen? O, open, waar gij de Vader zijt, wijd de deur, opdat iedereen kan binnentreden, tot het ongelukkigste, van uw kinderen toe—de geloovigen, de toevallig voorbijkomenden, zelfs de opstandigen, de verdwaalden, zij, die misschien binnen zullen treden, die Uwe Heiligheid zal redden van algeheele verlatenheid. Wees het toevluchtsoord van de slechtbefaamde wegen, wees de liefderijke ontvangst, die den reiziger wordt geboden, wees de altijd brandende, van verre zichtbare, in den storm reddende lamp der gastvrijheid … Wees, o Vader, waar gij de macht zijt, de redding, het heil. Gij vermoogt alles, gij hebt eeuwen van macht achter u, gij zijt heden ten dage gestegen tot een moreele autoriteit, die u tot den scheidsrechter der wereld gemaakt heeft; gij staat hier voor mij als de majesteit der licht en vruchtbaarheid gevende zon zelf! O, wees de ster van goedheid en barmhartigheid, wees de verlosser, neem het werk van Jezus weer op, dat men in den loop der eeuwen bedorven heeft door het te laten in de handen der rijken en machtigen, die ten slotte uit het Evangelie het vloekwaardigste monument van hoogmoed en tyrannie gemaakt hebben. Begin het werk, nu het mislukt is, opnieuw, stel u weer aan de zijde van de kleinen, de ongelukkigen, de armen, breng ze terug tot den vrede, de broederliefde, de gerechtigheid der Christelijke gemeenschap … En zeg, Vader, zeg, dat ik u begrepen heb, dat ik slechts uitdrukking aan uw dierbaarste gedachten, aan den eenigen vurigen wensch van uw regeering gegeven heb. De rest, de rest, mijn boek, wat beteekent dat? Ik verdedig mij niet, ik wil slechts uw roem en het geluk der menschen. Zeg, dat gij uit de diepte van het Vaticaan het doffe kraken van de oude, verrotte maatschappijen gehoord hebt. Zeg, dat een siddering van medelijden en ontroering u doorhuiverd heeft; zeg, dat gij de verschrikkelijke catastrophe wilt verhinderen door uw met krankzinnigheid geslagen kinderen aan het Evangelie te herinneren, door hen terug te voeren naar de eeuw van eenvoud en reinheid, toen de eerste Christenen als broeders samenwoonden … Ja, daarom hebt gij u alleen weer aan de zijde der armen gesteld, niet waar, Heilige Vader, daarom slechts ben ik hier, om met mijne geheele ziel, ja met mijn geheele arme menschenziel, aan u medelijden, goedheid, gerechtigheid te vragen!”
Toen werd zijn ontroering hem te machtig en sloeg hij, uitbarstend in luide snikken, tegen den grond. Zijn hart brak. Het was een diep, een eindeloos snikken, een vreeselijke deining van snikken, die uit zijn geheele wezen kwam, die van nog verder kwam, van alle ongelukkige wezens, die kwam uit de wereld, wier aderen tegelijk met het levensbloed de smart met zich voeren. Daar lag de afgezant van het lijden, zooals hij zichzelf genoemd had, in zijn plotselinge zwakte als van een zenuwachtig kind. En aan de voeten van den onbeweeglijken, zwijgenden paus lag hij daar als de belichaming van de geheele menschelijke, weenende ellende.
Leo XIII, die graag sprak en wien het een groote zelfbeheersching kostte anderen te hooren spreken, had in den beginne tweemaal een van zijn bleeke handen opgeheven, als om hem tot zwijgen te brengen. Doch langzamerhand door verbazing aangegrepen en zelfs door ontroering bevangen, had hij Pierre in den onweerstaanbaren drang, die dezen voortdreef, uitspreken, zijn noodkreet uitschreeuwen laten. Een weinig bloed was opgestegen naar zijn sneeuwwit gelaat, zijn lippen en zijn wangen hadden een lichtroode kleur gekregen, terwijl zijn donkere oogen nog schitterender fonkelden. Toen hij hem sprakeloos en geschokt door die diepe snikken, welke zijn hart schenen uit te rukken, aan zijn voeten liggen zag, boog hij zich ongerust over hem heen.
“Wees kalm, mijn zoon, sta op …”
Maar het snikken hield niet op, sleepte, als de wanhoopsklacht van een gewonde ziel, die lijdt en worstelt met den dood, alle verstand en allen eerbied mede.
“Sta op, mijn zoon, zoo iets past niet … Hier, neem dezen stoel!”
En met een gebiedend gebaar noodigde hij hem eindelijk uit te gaan zitten.
Moeilijk stond Pierre op en ging zitten, om niet te vallen. Hij streek de haren van zijn voorhoofd, veegde, als waanzinnig, met zijn handen zijn brandende tranen af en trachtte zich weer te beheerschen. Wat er gebeurd was kon hij niet begrijpen.
“Gij doet een beroep op den Heiligen Vader. O zeker, wees overtuigd, dat zijn hart vol medelijden en liefde is voor de ongelukkigen. Maar dat is op het oogenblik de quaestie niet, het gaat om onzen heiligen godsdienst … Ik heb uw boek gelezen, een slecht boek, dat wil ik u dadelijk zeggen, het gevaarlijkste en vloekwaardigste boek, dat bestaat, juist om zijn goede eigenschappen en om de bladzijden, die mij zelf geïnteresseerd hebben. Ja, ik ben dikwijls onder de bekoring ervan gekomen, en ik zou het niet verder gelezen hebben, als ik mij niet meegesleept gevoeld had door den vurigen adem van uw geloof en van uw geestdrift. Het onderwerp is zoo mooi en trekt mij zoo aan! Het Nieuwe Rome! O, ongetwijfeld zou met dien titel een prachtig boek geschreven kunnen worden, maar dan moet het in een geheel anderen geest geschieden … Ge denkt, dat ge mij begrepen hebt, mijn zoon, dat ge u zóó ingeleefd hebt in mijn geschriften en in mijn daden, dat ge aan mijn dierbaarste denkbeelden uitdrukking gegeven hebt. Neen, neen, gij hebt mij niet begrepen, en daarom heb ik u willen spreken, om u op de hoogte te brengen, om u te overtuigen.”
Nu luisterde Pierre zwijgend en onbeweeglijk. Toch was hij slechts gekomen om zich te verdedigen; hij had sedert drie maanden zoo koortsachtig naar dit onderhoud verlangd en, zeker van zijn overwinning, zijn argumenten gereed gemaakt. En nu hoorde hij zijn boek gevaarlijk, vloekwaardig noemen, zonder dat hij protesteerde, zonder dat hij alle goede gronden, waartegen hij meende, dat niets in te brengen was, naar voren bracht. Een vreemde moeheid drukte hem neer, als was hij door zijn tranen uitgeput. Straks zou hij weer dapper zijn, zou hij zeggen, wat hij besloten had te zeggen.
“Ik word niet begrepen, ik word niet begrepen,” herhaalde Leo XIII geprikkeld en ongeduldig. “In Frankrijk vooral niet. Het is ongelooflijk zooveel moeite als het mij kost, mij daar begrijpelijk te maken!… Daar heb je bijvoorbeeld de wereldlijke macht! Hoe hebt gij kunnen gelooven, dat de Heilige Stoel ooit op dat punt tot een schikking bereid zou zijn? Het is een taal, die een priester onwaardig is, het is de hersenschim van een onwetende, die zich geen rekenschap geeft van de voorwaarden, waaronder het pausdom tot nog toe geleefd heeft en waarin het moet blijven voortleven, als het niet van de wereld verdwijnen wil. Ziet ge niet in, dat het een sophisme is, wanneer ge beweert, dat het des te hooger staat, naarmate het meer bevrijd is van de zorgen van een aardsch rijk? Ja zeker, het zuiver geestelijke koningschap, de souvereiniteit door barmhartigheid en liefde is een prachtige phantasie. Maar wie zal ons doen eerbiedigen? Wie zal ons een steen geven, om ons hoofd op neer te leggen, wanneer we verjaagd zijn en langs de wegen zwerven? Wie zal onze onafhankelijkheid verzekeren, wanneer wij aan de genade van alle Staten overgeleverd zijn?… Neen, neen, de Romeinsche bodem behoort ons toe, want wij hebben dien als erfdeel van een lange reeks van voorvaderen ontvangen; hij is de onverwoestbare, eeuwige bodem, waarop de Heilige Kerk gebouwd is; hem opgeven staat gelijk met den wensch de Roomsch-Katholiek-Apostolische Kerk ineen te zien storten. Trouwens wij zouden het niet kunnen, wij zijn gebonden door onzen eed voor God en voor de menschen.”
Hij zweeg een oogenblik, om Pierre gelegenheid tot antwoorden te geven. Maar tot zijn groote verwondering voelde Pierre, dat hij niets te antwoorden wist, want hij besefte, dat deze paus sprak, zooals hij spreken moest. De verwarde en zware dingen, die zich in hem opgehoopt hadden en die hij zooeven in de geheime antichambre op zich had voelen drukken, verschenen nu voor hem in een helder licht, teekenden zich met een steeds grootere duidelijkheid af. Het was alles, wat hij sedert zijn aankomst in Rome gezien en begrepen had, de ophooping van zijn desillusies, van de bestaande werkelijkheid, waaronder zijn droom van een terugkeer tot het oorspronkelijke Christendom reeds half gestorven, verpletterd was. Alles was ingestort in hem, toen het ware Rome zich aan hem geopenbaard had, de eeuwenoude stad van hoogmoed en heerschzucht, waarin het pausdom niet zou kunnen bestaan zonder de wereldlijke macht. Te veel banden, het dogma, de traditie, het milieu, de bodem zelf maakten het voor eeuwig onveranderlijk. Het kon slechts schijnbaar toegeven; ondanks alles zou het uur komen, waarop die concessies zouden moeten ophouden, onmogelijk als het was verder te gaan zonder zelfmoord te plegen.
Het nieuwe Rome zou mogelijk eenmaal werkelijkheid kunnen worden buiten Rome; slechts daar zou het Christendom weder ontwaken, want het Katholicisme moest te Rome sterven, wanneer de laatste paus, vastgenageld aan dezen bodem van puinhoopen, onder het laatste kraken van den dom van de St. Pieter verdwijnen zou, die instorten moest, zooals de tempel van Juppiter Capitolinus ingestort was. Wat den tegenwoordigen paus betreft, hij mocht zonder koninkrijk zijn, hij mocht de ziekelijke zwakheid van zijn hoogen ouderdom, de kleurlooze bleekte van een oud afgodsbeeld van was hebben, desniettemin brandde de rood oplaaiende hartstocht naar de wereldheerschappij in hem, was hij de halsstarrige zoon van den voorvader, den Pontifex Maximus, den Caesar Imperator, in wiens aderen het bloed van Augustus, den wereldheerscher, stroomde.
“Het vurige verlangen naar eenheid, dat ons altijd bezield heeft, hebt gij zeer goed ingezien,” ging Leo XIII voort. “Den dag, dat wij eenheid gebracht hebben in den ritus, door den Romeinschen ritus aan de geheele Katholieke wereld op te leggen, waren wij zeer gelukkig. Dat is een van onze dierbaarste overwinningen, omdat zij veel bijdraagt tot ons gezag. Ik hoop ook, dat onze bemoeiingen in het Oosten ten slotte onze lieve, verdwaalde broeders van de dissidente gemeenten tot ons zullen terugbrengen, evenals ik er niet aan wanhoop de Anglicaansche secten te overtuigen—afgezien van de Protestantsche secten, die in den schoot van de Eenige Roomsch-Katholiek-Apostolische Kerk terugkeeren moeten, zoodra de door Christus voorspelde tijden in vervulling zullen gaan … Maar wat ge niet gezegd hebt, is, dat de Kerk niets van het dogma kan opgeven. Integendeel schijnt gij gedacht te hebben, dat een schikking tot stand zou kunnen komen door van beide zijden tot concessies bereid te zijn; welnu, dat is een zeer te veroordeelen gedachte, een taal, die een priester niet bezigen kan, zonder misdadig te zijn. Neen, de waarheid is absoluut, geen steen van het gebouw mag veranderd worden. O, in den vorm—zooveel als men wil. Wij zijn tot de grootste toegeeflijkheid bereid, als het er slechts om gaat om zekere moeilijkheden uit den weg te gaan, om zich voorzichtig uit te drukken, ten einde het accoord te vergemakkelijken … Het is als met onze rol in het hedendaagsche socialisme: wij moeten elkaar begrijpen. O zeker, zij, die gij zoo terecht en juist de onterfden dezer wereld genoemd hebt, zijn het voorwerp van onze voortdurende zorg. Indien het socialisme eenvoudig een verlangen naar gerechtigheid, een wil, om den zwakken te hulp te komen is, wie werkt er dan krachtiger en met meer energie aan dan wij? Is de Kerk niet altijd de moeder der bedroefden, de weldoenster der armen geweest? Wij zijn alleen voor verstandigen vooruitgang, wij aanvaarden alle nieuwe maatschappelijke vormen, die zullen medewerken tot den vrede en de broederschap … Maar het socialisme, dat begint God weg te jagen, om het geluk der menschheid te verzekeren, kunnen wij niet anders dan veroordeelen. Dat is eenvoudig een toestand van woestheid, een afschuwlijke achteruitgang, waarbij catastrophen, bloedbaden en brandstichtingen schering en inslag moeten zijn. Dat is ook iets, dat gij niet met voldoenden nadruk gezegd hebt, want gij hebt niet aangetoond, dat buiten de Kerk geen vooruitgang mogelijk is, dat alles van haar uit moet gaan, dat zij de eenige leidster is, aan wie men zich zonder vrees toevertrouwen kan. Zelfs, en dat is nog een zeer groote fout van u, zelfs komt het me voor, dat gij God geheel ter zijde stelt, dat de godsdienst voor u alleen een zielstoestand, een opbloeien van liefde en barmhartigheid is. Een verfoeilijke ketterij! God is altijd tegenwoordig, meester van de zielen en van de lichamen; de godsdienst is en blijft de band, de wet der menschheid, zonder welke er in deze wereld slechts barbaarschheid en verdoeming in het hiernamaals mogelijk is. En nogmaals zeg ik u, de vorm beteekent niets, indien het dogma slechts blijft bestaan. Zoo bewijst bijvoorbeeld onze erkenning van de Republiek in Frankrijk, dat wij het lot van den godsdienst niet binden willen aan een regeeringsvorm, zelfs al is die eerbiedwaardig en oud. De dynastieën mogen haar tijd gehad hebben, God is eeuwig! Mogen de koningen ten gronde gaan, God leve! Trouwens de republikeinsche staatsvorm heeft niets anti-Christelijks; integendeel, het schijnt, dat hij iets heeft van een weder ontwaken der Christelijke gemeenschap, waarover gij in werkelijk betooverende bewoordingen geschreven hebt. Het jammere is, dat vrijheid dikwijls dadelijk in losbandigheid overslaat en dat men meestal onzen wensch, om een verzoening tot stand te brengen, zoo slecht beloont … O, mijn zoon, welk een slecht boek hebt gij geschreven; o, met de beste bedoelingen, dàt neem ik gaarne aan. En wat is uw zwijgen een bewijs, dat gij de noodlottige en rampzalige gevolgen van uw fout begint in te zien!”