Gebroken van aandoening en brandend van koorts, was Pierre eerst tegen het aanbreken van den dag in een lichte sluimering gevallen. Bij zijn terugkeer in het paleis Boccanera in den laten avond had hij daar den vreeselijken rouw om den dood van Dario en Benedetta teruggevonden. En toen hij tegen negen uur opgestaan was, wilde hij, na ontbeten te hebben, onmiddellijk naar het appartement van den kardinaal gaan, waar men de twee lijken op een baar gelegd had, opdat de familie, de vrienden en de protégés daar hun tranen en gebeden zouden brengen.

Onder het ontbijt kwam Victorine, die, ondanks al haar wanhoop dapper en flink, niet naar bed geweest was, hem de gebeurtenissen van den nacht en van den ochtend vertellen. Donna Serafina had uit een soort preutsch respect voor de convenance een nieuwe poging gedaan om de beide lijken te scheiden. Deze naakte vrouw, die in den dood den eveneens ontkleeden man omhelsde, kwetste haar schaamtegevoel. Maar het was te laat geweest: de stijfheid des doods was ingetreden, en wat men in het eerste oogenblik niet had kunnen doen, kon nu niet meer geschieden zonder een vreeselijke ontheiliging. Hun liefdesomhelzing was zoo krachtig, dat men, om hen van elkaar los te maken, hun vleesch van hun lichaam had moeten rukken, hun ledematen breken. En de kardinaal, die reeds niet gewild had, dat men hun slaap, hun één-zijn voor eeuwig, stoorde, had bijna woorden gekregen met zijn zuster. Onder zijn priesterkleed voelde hij zich een zoon van zijn ras, trotsch op vroegere hartstochten, op de mooie, heftige liefde, op de mooie dolksteken. Al had de familie twee pausen geteld, toch hadden ook groote veldheeren en groote minnaars haar beroemd gemaakt. Nooit zou hij toelaten, dat men aan deze, in hun smartvol leven zoo rein gebleven kinderen, die het graf alleen vereenigd had, raken zou. Hij was heer en meester in zijn paleis, men zou hen in hetzelfde doodshemd naaien, hen in dezelfde kist bijzetten. Vervolgens zou de lijkdienst plaats hebben in de nabijgelegen San Carlokerk, waarvan hij den kardinaalstitel bezat en waar hij dus ook heer en meester was. Als het noodig was, zou hij zelfs naar den paus gaan. En zoo souverein was zijn op luiden toon uitgesproken wil, dat iedereen in het huis zich had moeten buigen, zonder zich een gebaar of een woord te veroorloven.

Toen had donna Serafina zich bezig gehouden met het laatste toilet der dooden. Volgens het gebruik was het dienstpersoneel daarbij aanwezig; Victorine, als de oudste, had de familie geholpen. Men had de beide geliefden eerst in het losgeraakte haar van Benedetta moeten hullen, het geurige, dikke, lange, op een koninklijken mantel gelijkende haar; daarna had men hen in dezelfde witzijden lijkwade gewikkeld, die vastgemaakt werd onder den hals en in den dood één enkel wezen van hen gemaakt had. En weer had de kardinaal geëischt, dat zij naar zijn vertrekken gebracht en in het midden der troonzaal op een praalbed gelegd zouden worden, om hun daardoor een laatste eerbewijs te geven, hun, den laatsten van hun naam, den tragischen geliefden, met wie de eertijds zoo groote roem der Boccanera’s tot het stof terugkeerde. Donna Serafina had zich dadelijk bij dat plan neergelegd, want zij vond het weinig passend, dat haar nicht, zelfs als doode, in deze kamer op het bed van een jongen man gezien zou worden. De door den kardinaal gemaakte voorstelling der feiten was reeds in omloop: het plotselinge verscheiden van Dario, die in enkele uren door een infectiekoorts weggerukt was; de waanzinnige smart van Benedetta, die op zijn lijk den laatsten adem uitgeblazen had, toen zij hem voor een laatste maal in haar armen drukte; de koninklijke eer, die men hun bewees; de prachtige doodenbruiloft, die men hun bereidde, terwijl zij beiden op hetzelfde eeuwige rustbed lagen. Geheel Rome zou, door deze geschiedenis van liefde en dood geschokt, gedurende twee weken over niets anders praten.

In zijn haast, die hij had, om deze stad, waar hij het laatste overschot van zijn geloof had verloren, te verlaten, zou Pierre nog dienzelfden avond naar Frankrijk vertrokken zijn. Maar hij wilde de begrafenis medemaken en had daarom zijn vertrek tot den volgenden avond uitgesteld. Den geheelen dag nog zou hij hier doorbrengen In dit paleis, dat instortte, dicht bij deze dooden, die hij had liefgehad, en hij zou trachten voor hen de gebeden in de diepte van zijn leege, gemartelde ziel terug te vinden.

Toen hij voor de receptievertrekken van den kardinaal op de eerste verdieping stond, kwam de herinnering in hem op aan den eersten dag, dat hij zich hier voor de audiëntie bij den kerkvorst aangemeld had. Het was dezelfde indruk van een oude, nu versleten en door het stof van het verleden bedekte, vorstelijke pracht. De deuren der drie groote antichambres stonden wijd open; de vertrekken met hun hooge donkere plafonds waren in dit vroege ochtenduur nog geheel ledig. In het eerste stond slechts Giacomo, onbeweeglijk in zijn zwarte livrei, tegenover den ouden, rooden kardinaalshoed, die met zijn half vergane kwasten, waartusschen de spinnen hun netten weefden, onder den baldakijn hing. In het tweede, waarin zich vroeger de secretaris ophield, wachtte abbé Paparelli, de sleepdrager, die ook de functie van kamerheer vervulde, de bezoekers af en liep met kleine, bijna onhoorbare passen heen en weer: nog nooit had hij met zijn innemenden ootmoed, zijn verdacht uiterlijk van kruipende almacht, meer op een oude, door al te strenge godsdienstige oefeningen vale en gerimpelde, jongejuffrouw in een zwarten rok geleken. Ten slotte had in de derde antichambre, de eere-antichambre, waar de baret op een tafeltje tegenover het groote, gebiedende portret van den kardinaal in gala-costuum lag, don Vigilio zijn schrijftafel verlaten en stond nu aan de deur der troonzaal, om de personen, die deze betraden, met een buiging te begroeten. En op dezen somberen winterochtend schenen deze zalen nog droefgeestiger en meer vervallen; de behangsels hingen aan flarden, de enkele meubelen waren vuil door het stof, het oude houtwerk brokkelde af onder het aanhoudende knagen der wormen, alleen de zolderingen behielden nog haar pronk van triomphantelijke verguldingen en beschilderingen.

Maar Pierre, dien abbé Paparelli met een overdreven diepe buiging gegroet had, waarin een ironisch soort afscheid, zooals men dat aan een overwonnene geeft, niet te miskennen viel, werd vooral getroffen door de droefgeestige grootschheid van deze drie groote, in puin vallende zalen, die dezen dag naar de in een doodsvertrek veranderde troonzaal leidden, waarin de twee laatste kinderen des huizes sliepen. Welk een prachtige en troostelooze doodenpraal! Al deze wijd geopende deuren, al het ledige van deze te groote vertrekken, nu zij niet meer door de vroegere menigten bevolkt werden, en die thans leidden tot den diepen rouw over het einde van een geslacht! De kardinaal had zich opgesloten in zijn studeerkamer, waar hij de familieleden en intieme vrienden ontving, die erop stonden hem hun deelneming te betuigen, terwijl donna Serafina harerzijds een vertrek ernaast gekozen had, om haar vriendinnen te ontvangen. Pierre, die door Victorine van het ceremonieel op de hoogte gebracht was, moest ertoe besluiten onmiddellijk naar de troonzaal te gaan, waar hij opnieuw begroet werd met een diepe buiging, ditmaal door don Vigilio, die, bleek en zwijgend, hem zelfs niet scheen te herkennen.

Hier wachtte den priester een verrassing. Hij had zich een volkomen donkere chapelle ardente gedacht, waarin honderden kaarsen branden zouden om een katafalk, die midden in de met zwarte draperieën behangen zaal zou staan. Men had hem gezegd, dat de lijken hier op het praalbed gelegd waren, omdat de oude kapel van het paleis, die op den rez-de-chaussée lag, sedert vijftig jaren gesloten en buiten gebruik was en de kleine particuliere kapel van den kardinaal te klein voor een dergelijke plechtigheid zijn zou. Men had dan ook een altaar in de troonzaal moeten oprichten, waar sedert den ochtend de eene mis op de andere volgde. Bovendien moesten er eveneens den geheelen dag missen gelezen worden in de particuliere kapel, evenals men twee andere altaren opgeslagen had, een in een klein naast de eere-antichambre gelegen vertrek en een in een soort alkoof, dat uitkwam op de tweede antichambre. Zoo kwam het, dat priesters, voornamelijk Franciscanen, en tot arme orden behoorende monniken op deze vier altaren onafgebroken het heilige misoffer celebreerden. De kardinaal had gewild, dat het goddelijk bloed geen oogenblik zou ophouden in zijn huis te vloeien voor de verlossing der twee hem zoo dierbare zielen. In het treurende paleis klonken onophoudelijk door de rouwzalen de bellen bij de elevatie, zweeg het gemompel der Latijnsche woorden geen oogenblik; hosties werden gebroken, kelken geledigd, zoodat God zich geen oogenblik uit deze zware, naar den dood ruikende atmospheer kon verwijderen.

Tot zijn verbazing vond Pierre de zaal, zooals hij haar op den dag van zijn eerste bezoek gezien had. De gordijnen der vier groote vensters waren zelfs niet dichtgetrokken, de sombere winterochtend viel met een zwak, vaal en koud licht binnen. Onder het plafond van gebeeldhouwd en verguld hout waren nog het roode behang, een door het lange gebruik verteerd brokaat met groote palmen, de oude troon, de naar den muur gekeerde fauteuil, die vergeefs wachtte op den paus, die nooit komen zou. Alleen het naast dien troon opgeslagen altaar veranderde eenigszins den aanblik van het vertrek, waaruit de stoelen, tafeltjes en wandtafeltjes verwijderd waren. In het midden had men op een lage estrade het praalbed geplaatst, waarin Benedetta en Dario onder een rijkdom van bloemen lagen. Aan het hoofdeinde brandden eenvoudig twee kaarsen. Verder niets—niets dan bloemen en nog eens bloemen, een zoo groote oogst van bloemen, dat men niet wist in welken chimerischen tuin die geplukt konden zijn; vooral witte rozen, rozenruikers op het bed, rozenruikers, die van het bed afvielen, rozenruikers op de estrade, rozenruikers, die van de estrade op de prachtige vloertegels der zaal vielen.

Met een door een diepe ontroering geschokt hart was Pierre nader bij het bed getreden. Die twee kaarsen, waarvan het gele licht half gedempt werd door het vale daglicht, die voortdurend fluisterende, klagende tonen van de mis, die doordringende, de atmospheer zwaar makende geur der rozen vervulden de groote, ouderwetsche, stoffige zaal met een grenzenlooze troosteloosheid. Geen beweging, geen ademhaling was te hooren—niets anders dan van tijd tot tijd een zacht geluid van verstikte snikken van een der weinige aanwezigen. De bedienden van het huis wisselden elkaar onophoudelijk af; steeds stonden er vier als trouwe en vertrouwde wachters onbeweeglijk aan het hoofdeinde. Nu en dan kwam de kerkelijke advocaat Morano, die zich sedert den ochtend met alles belastte, haastig en stil door het vertrek. Op de estrade knielden allen, die binnenkwamen, neer, baden en weenden. Pierre zag er drie dames, die haar gezicht in haar zakdoek drukten. Ook was er een oude priester; hij beefde van verdriet en hield zijn hoofd diep gebogen, zoodat men zijn gezicht niet onderscheiden kon. Maar vooral werd hij ontroerd door den aanblik van een jong, armoedig gekleed meisje, dat hij voor een dienstbode hield; het verdriet had haar zoo verpletterd, dat zij, daar op de vloer, niet meer was dan een armzalig hoopje ellende en leed.

Nu knielde ook hij neer en trachtte in het beroepsmatig geprevel van zijn lippen de Latijnsche woorden der heilige gebeden terug te vinden, die hij, als priester, zoo dikwijls aan het doodsbed gebeden had. Zijn steeds grooter wordende ontroering bracht zijn geheugen in de war; hij ging geheel op in den heerlijken en vreeselijken aanblik der beide gelieven, van wie hij zijn oogen niet afwenden kon. Onder de bloemen waren de lijken in hun omhelzing bijna niet te onderscheiden, doch de twee hoofden kwamen uit het aan den hals toegeknoopte doodskleed te voorschijn. En hoe mooi waren zij nog, zooals zij daar, hun haar vermengend, op hetzelfde kussen rustten. Het was de schoonheid van eindelijk bevredigden hartstocht. Benedetta, liefhebbend en trouw tot in de eeuwigheid, verrukt, omdat zij haar laatsten ademtocht in een liefdeskus uitgeblazen had, had haar goddelijk lachend gelaat behouden. Dario had, ondanks zijn laatste opperste geluk, een smartelijker uitdrukking. Hun oogen, die tot in het diepst van elkaars zielen blikten, stonden nog steeds open en bleven elkaar aankijken met een liefkoozing, die nooit meer gestoord zou worden.

God, was het dan waar, dat hij deze Benedetta liefgehad had met een zoo reine, zoo van iedere zelfzuchtige gedachte vrije liefde? En Pierre werd tot in het diepst van zijn ziel ontroerd door de heerlijke uren, welke hij in een zoo reine vriendschap, die even zoet was als liefde, in haar nabijheid had doorgebracht. Zij was zoo mooi, zoo verstandig, zoo brandend van hartstocht! Hij zelf had zoo’n heerlijken droom gedroomd: zijn bevrijdende broederliefde zou dit wonderbare wezen met haar vurige ziel en haar indolente wijze van optreden tot leven brengen: hij zag in haar het oude Rome, dat hij wilde wekken en veroveren voor het Italië van morgen. Hij droomde ervan haar hart en haar geest grooter te maken door haar liefde voor armen en ongelukkigen te geven. Nu zou dit hem doen glimlachen, wanneer zijn oogen niet door tranen overstroomd werden. Hoe bekoorlijk was zij geweest, toen zij trachtte zijn zin te doen ondanks de onoverwinnelijke hinderpalen, als afkomst, opvoeding en omgeving, die haar beletten hem te volgen. Eén dag echter scheen zij nader tot hem gekomen te zijn, alsof het lijden haar ziel voor alle barmhartigheid geopend had! Dan kwam de illusie van het geluk en zij had de ellende der armen niet meer begrepen, was geheel opgegaan in de zelfzucht van haar eigen hoop en vreugde. Groote God, moest dit tot verdwijnen veroordeelde ras daarom zoo eindigen, omdat het geheel gesloten was voor de liefde tot de armen, voor de wet van barmhartigheid en gerechtigheid, die door de regeling van den arbeid, voortaan alleen de wereld redden kon?

Maar ook een andere wanhoop nog deed Pierre stamelen, zonder dat de gebeden over zijn lippen kwamen. Hij dacht aan de gewelddaad, die de beide kinderen door een verpletterende revanche der natuur weggerukt had. Welk een hoon, dat zij de Heilige Maagd beloofd had haar maagdelijkheid slechts te geven aan den uitverkoren echtgenoot; welk een hoon, dat zij haar geheele leven onder dezen eed als onder een boetegordel gebloed had, om zich ten slotte in den dood, wanhopig door berouw, brandend van verlangen, om zich geheel te geven, in de armen van den geliefde te werpen. En zij had zich gegeven in de razernij van een laatste protest—het brutale feit der dreigende scheiding, dat haar op haar vergissing opmerkzaam maakte en tot het instinct der universeele liefde terugbracht, was voldoende daarvoor geweest. Dat was een nieuwe nederlaag der Kerk, dat was Pan, de zaaier der kiemen, die de paren met zijn voortdurend bevruchtend gebaar vereenigt. Al mocht in den tijd der Renaissance de Kerk niet bezweken zijn onder den aanval van de uit den ouden Romeinschen bodem opgegraven Venussen en Herculessen, de strijd werd daarom niet minder verbitterd voortgezet en ieder uur dreigden de nieuwe, van sap overloopende, naar het leven snakkende volkeren in den strijd tegen een godsdienst, die slechts een zucht naar den dood is, het oude Katholieke gebouw, welks muren reeds aan alle kanten van onvruchtbaren ouderdom wankelen, neer te rukken.

En op dat oogenblik had Pierre de gewaarwording, dat de dood van deze aanbiddelijke Benedetta de grootste ramp was. Hij keek haar nog steeds aan en tranen brandden in zijn oogen. Zij vernietigde zijn droombeeld geheel. Evenals den vorigen avond in het Vaticaan bij den paus voelde hij zijn hoop, zijn laatste hoop, de zoo vurig verlangde wederopstanding van het oude Rome in een nieuw, jeugdig, heilbrengend Rome, ineenstorten. Ditmaal was het voor goed uit: Rome, het Katholieke, het vorstelijke Rome was dood, lag daar als een marmeren beeld op het doodsbed. Het had niet kunnen gaan tot de armen, tot de lijdenden van deze wereld; het was verscheiden in den onmachtigen kreet van zijn zelfzuchtigen hartstocht, toen het te laat was om lief te hebben en te baren. Nooit meer zou het kinderen krijgen; het oude Romeinsche huis was voortaan ledig, onvruchtbaar, zonder kans op herleving. En Pierre, wiens ziel de dierbare doode tot weduwe gemaakt en in rouw om een zoo grootschen droom achtergelaten had, werd, nu hij haar daar zoo onbeweeglijk en verstard liggen zag, door een zoo groote smart aangegrepen, dat hij zich een onmacht nabij gevoelde. Hij was bang dwars op de estrade te vallen, stond moeilijk op en verwijderde zich.

Toen hij in een vensternis vluchtte, om weer zichzelf meester te worden, vond hij daar tot zijn verbazing Victorine, die op een half verscholen bankje zat. Donna Serafina had het haar bevolen; zij waakte van uit dat hoekje over haar dierbare kinderen, zooals zij ze noemde, en had geen oog af van de personen, die kwamen en gingen. Toen zij zag, dat de jonge priester zoo bleek en een flauwte nabij was, liet zij hem onmiddellijk op haar plaats zitten.

“O,” zeide hij heel zacht, na diep adem gehaald te hebben; “mogen zij tenminste het geluk smaken elders samen te zijn, in een andere wereld herleven tot een nieuw leven.”

Zij haalde haar schouders op en zeide dan, ook op zacht fluisterenden toon:

“Herleven, mijnheer de abbé? Waarvoor? Kom, wanneer men dood is, is het het beste nog maar dood te zijn en te slapen. De arme kinderen hebben op aarde genoeg verdriet gehad, om nog te wenschen, dat zij ergens anders opnieuw daarmede beginnen!”

Dit zoo naïeve en diepe woord der onontwikkelde ongeloovige joeg Pierre een rilling door zijn leden. Hij, hij had zoo dikwijls ’s nachts bij de plotselinge gedachte aan het Niet geklappertand! Zij kwam hem in haar niet bang zijn voor de eeuwigheid en de oneindigheid heldhaftig voor. O, als iedereen die kalme ongodsdienstigheid, die zoo verstandige, zoo vroolijke zorgeloosheid van het gewone mindere Fransche volk had, welk een plotselinge kalmte, welk een gelukkig leven zou er dan onder de menschheid heerschen!

En toen zij merkte hoe hij rilde, voegde zij eraan toe:

“Wat wilt u dan toch, dat er na den dood is? Men heeft zijn slaap heusch wel verdiend, en slapen is toch het meest begeerlijke en troostende. Als God de goeden beloonen en de slechte straffen moest, dan zou hij heusch veel te veel te doen hebben. Is een dergelijk gericht mogelijk? Is het goede en het slechte in ieder onzer niet zoo vermengd, dat het dan nog maar het beste zijn zou iedereen vrij te spreken?

“Maar die beiden daar,” prevelde hij, “die zoo beminlijk waren en zoo bemind werden, hebben niet geleefd. Waarom zou men zich dan niet het geluk geven te gelooven, dat zij herleven en in elkaars armen elders beloond worden?”

Weer schudde zij haar hoofd.

“Neen, neen!… Ik heb het immers altijd gezegd, dat Benedetta verkeerd deed zich zoo te martelen met die gedachten aan een andere wereld, en met zich niet te willen geven aan Dario, naar wien zij toch zoo vurig verlangde! Als zij maar gewild had, dan zou ik hem wel in haar kamer gebracht hebben, zonder burgemeester en zonder pastoor! Het geluk is zoo zeldzaam! Later, wanneer het te laat is, heb je er des te meer berouw over … Dat is de heele geschiedenis van die twee arme lievelingen. Het is nu te laat voor hen; zij zijn dood en het helpt niets, of je ze nu al in de sterren zet—want als je dood bent, ziet u, dan ben je dood; en van al dat omhelzen worden zij niet koud of warm meer.”

Nu werd zij op haar beurt door haar tranen overmand en snikte zij:

“De arme lievelingen! De arme lievelingen! Te moeten denken, dat zij niet eenmaal een gelukkigen nacht gehad hebben en dat nu de groote nacht er is, die niet meer eindigen zal! Kijk toch eens hoe bleek zij zijn. En stel u voor, wanneer er op het kussen niets meer over zijn zal dan de beenderen van hun hoofden en wanneer alleen nog maar de beenderen van hun armen elkaar zullen omhelzen?… O, laten zij slapen, laten zij slapen! Dan weten zij tenminste, dan voelen zij tenminste niets!”

Een lange stilte volgde. In de huivering van zijn twijfel, in zijn angstig willen, dat een leven hiernamaals bestaat, keek hij die vrouw, die van de priesters “niets moest hebben”, die ondanks haar nederige positie van huishoudster sedert vijf-en-twintig jaar in een vreemd land, welks taal zij zelfs niet had kunnen leeren, haar Beauceronneesche vrijmoedigheid behouden had, die er zoo tevreden en gelukkig uitzag in het bewustzijn, dat zij haar plicht gedaan had. O, zoo te zijn als zij, haar heerlijk evenwicht te bezitten van gezond, bekrompen wezen, dat tevreden is met de aarde, dat ’s avonds, na volbrachte dagtaak volkomen rustig slapen gaat en zich niet bang maakt, niet meer wakker te zullen worden.

Maar Pierre, die zijn blik weer op het doodsbed richtte, herkende nu den ouden priester, die daar op de estrade geknield lag, en wiens gezicht hij daareven niet had kunnen onderscheiden.

“Is dat abbé Pisoni niet, de pastoor van de S. Brigitta, waar ik een paar maal de mis gelezen heb? Wat heeft die arme man een verdriet!”

“Daar heeft hij ook wel reden voor,” antwoordde Victorine kalm, maar met iets spijtigs in haar stem. “Den dag, dat hij op het denkbeeld gekomen is mijn arme Benedetta met graaf Prada te laten trouwen, heeft hij waarachtig wat moois uitgehaald. Er zou van al die ellendige dingen niets gebeurd zijn, als men het lieve kind dadelijk haar Dario gegeven had. Maar zij zijn in deze idiote stad met hun politiek allemaal even gek; en deze, die toch werkelijk een heel braaf man is, dacht een echt wonder te doen en de wereld te redden door den paus en den koning samen te laten trouwen, zooals hij zeide met zijn zacht lachje van een ouden geleerde, die nooit van iets anders dan van oude steenen gehouden heeft! Kom, u weet wel, al die antikiteitenrommel, hun patriottische ideeën van honderdduizend jaar geleden. En nu ziet u het zelf, vandaag heeft hij geen tranen genoeg. Nog geen twintig minuten geleden is die andere hier ook geweest, pater Lorenza, de Jezuïet, die na abbé Pisoni de biechtvader van de contessina geweest is en ongedaan gemaakt heeft, wat de ander gedaan had. Ja, een mooie kerel, zoo’n echte knoeier, die haar belet heeft om gelukkig te zijn door al die gemeene complicaties, die hij in de echtscheiding gebracht heeft!… Het zou me wat waard zijn, als u er bij geweest was, om te zien, hoe hij eerst neerknielde en dan een groot teeken des kruises maakte … Hij heeft niet gehuild, geen traan heeft hij gelaten. Het was, alsof hij zeide, dat de zaak zoo slecht eindigde, omdat God er zich heelemaal uit teruggetrokken had. Daar komen de dooden wat verder mee!”

Zij sprak zacht, aan één stuk door, als gaf het haar verlichting na de vreeselijke uren van drukte en beklemdheid, die zij sedert den vorigen dag doorgemaakt had, haar hart eens uit te kunnen storten.

“En die daar,” ging zij nog zachter voort; “herkent u haar niet?”

Zij wees met haar blik op het armoedig gekleede jonge meisje, dat hij voor een dienstbode gehouden had, en dat, verpletterd door haar verdriet, voor het bed op den grond lag. Met een beweging van radeloos lijden had zij zich juist opgericht en haar hoofd achterovergeworpen—een buitengewoon mooi gezicht, overstroomd door het mooiste zwarte haar, dat men zich denken kan.

“Pierina!” zeide hij. “Het arme kind!”

Victorine maakte een gebaar vol toegevend medelijden.

“Wat zal ik u zeggen? Ik heb haar toegestaan hierheen te gaan … Ik weet niet, hoe zij het ongeluk te weten is gekomen. Het is waar, zij sluipt altijd in den omtrek van het paleis rond. Zij heeft mij laten roepen … O, als u eens gehoord hadt, hoe zij mij smeekte, hoe zij met luide snikken om de groote genade vroeg nog eenmaal haar prins te mogen zien … Lieve God, zij doet er niemand kwaad mee, wanneer ze met haar mooie verliefde oogen vol tranen naar hem kijkt. Zij is hier nu al een half uur en ik heb mij voorgenomen haar weg te sturen, wanneer zij zich niet netjes houdt. Maar nu zij verstandig is en zich niet eens verroert, mag zij blijven en net zoo lang naar hen kijken, als zij wil!”

En waarlijk, Pierina, de dochter van onwetendheid, schoonheid en hartstocht, leverde, zooals zij daar verpletterd en vernietigd aan den voet van het bruidsbed, waarin de twee gelieven in den dood hun eersten en eeuwigen nacht in een omhelzing sliepen, een verheven schouwspel op. Zij liet haar armen met de geopende handen hangen, haar gezicht was omhoog gericht, onbeweeglijk, als verstard in de extase van een doodsstrijd, haar oogen hadden geen blik af van het aanbiddelijke en tragische paar. Nooit nog had een menschelijk gelaat zoo schoon gestraald in den glans van lijden en liefde; met haar koninklijk voorhoofd, haar trotsch-bekoorlijke wangen, haar goddelijk volmaakten mond was zij als een antieke, maar van leven trillende Smart. Waaraan dacht zij, wat leed zij, terwijl zij zoo strak naar haar prins, die voor eeuwig in de armen van haar mededingster lag, keek? Verstijfde een ijverzucht, waaraan geen einde komen kon, het bloed in haar aderen? Of was het alleen maar de smart hem verloren te hebben, zich te moeten zeggen, dat zij hem voor de laatste maal zag—zonder haat tegen deze andere vrouw, die vergeefs trachtte hem tegen haar lichaam, dat even koud was als het zijne, te verwarmen? Haar door tranen omsluierde oogen bleven echter zacht, haar lippen behielden hun liefdevolle uitdrukking. Zij vond ze zoo kuisch, zoo mooi, zooals zij daar onder die bloemenpracht lagen. En zij in haar eigen schoonheid, haar koninklijke schoonheid, die zij zich niet bewust was, lag daar ademloos als een nederige dienstmaagd, als een liefhebbende slavin, wier hart haar meesters door hun dood uitgerukt en medegenomen hebben.

Onophoudelijk kwamen nu met langzamen stap en rouwgezichten, menschen binnen, knielden neer, baden eenige minuten en gingen dan weer op dezelfde troostelooze, zwijgende wijze weg. Pierre voelde zijn keel samensnoeren, toen hij de moeder van Dario, de nog altijd mooie Flavia, binnenkomen zag. Zij was vergezeld door haar echtgenoot, den mooien Jules Laporte, den voormaligen sergeant der Zwitsersche garde, van wien zij een markies Montefiori gemaakt had. Zij was reeds den vorigen avond, toen men haar den dood van haar zoon medegedeeld had, gekomen, doch nu kwam zij officieel, in diepen rouw, prachtig nog in al dat zwart, dat haar eenigszins gezette Juno-gestalte zoo goed kleedde. Toen zij bij het bed gekomen was, bleef zij een oogenblik staan; twee tranen, die niet naar beneden vielen, hingen aan den rand van haar oogleden. Voor zij neerknielde, vergewiste zij zich of Jules wel naast haar was, en beval hem met een blik eveneens naast haar neer te knielen. Dan bleven beiden aan den rand der estrade den daarvoor passenden tijd in gebed verzonken; zij zeer waardig en door haar verdriet verpletterd, hij nog veel waardiger met de volmaakte wanhoop van een man, die zich in alle levensomstandigheden, zelfs de ernstigste, op zijn plaats gevoelt. Eindelijk stonden beiden op en verdwenen door de deur der vertrekken, waar de kardinaal en donna Serafina de familieleden en intieme kennissen ontvingen.

Vijf dames traden achter elkaar binnen, terwijl twee Capucijners en de Spaansche gezant bij den Heiligen Stoel weggingen.

“Daar is de kleine prinses,” riep plotseling Victorine, die eenige oogenblikken gezwegen had. “Wat is zij bedroefd; zij hield ook zooveel van onze Benedetta!”

Inderdaad zag Pierre Celia, die zich voor dit vreeselijke afscheidsbezoek in het zwart gekleed had, binnenkomen. Achter haar hield de kamenier, die zij medegenomen had, in iederen arm een grooten ruiker witte rozen.

“De kleine schat!” prevelde Victorine weer. “Zij had zoo graag gewild, dat haar huwlijk met Attilio tegelijk gesloten zou worden met dat van de twee arme dooden, die daar in liefde rusten. Nu zijn zij haar nog voor geweest; zij zijn al getrouwd en slapen daar al hun eersten bruidsnacht.”

Onmiddellijk was Celia nedergeknield en had het teeken des kruises gemaakt. Maar oogenschijnlijk bad zij niet; in wanhopige verbazing keek zij naar de twee dierbare gelieven, die zij zoo wit, zoo koud, in een zoo marmeren schoonheid terugvond. Waren enkele uren daarvoor voldoende geweest? Was het leven ontvloden, zouden die lippen elkaar nooit meer kussen? Zij zag ze weer voor zich, zooals zij op dien avond van het bal in levende liefde triomphantelijk gestraald hadden! Een woedend verzet rees uit haar jong, voor het leven openstaande, naar vreugde en zonlicht dorstend hart op tegen den onredelijken dood. En die woede, die afschuw, die smart in het aangezicht van het Niet, waarin alle hartstocht verstart, waren duidelijk te lezen op haar onschuldig gezichtje, dat op een reine, gesloten lelie geleek. Nooit had haar onschuldige mond met de over de witte tanden gesloten lippen, nooit hadden haar als bronwater heldere oogen een ondoorgrondelijker mysterie, een dieper hartstochtsleven uitgedrukt, dat zij niet kende, waarin zij nu binnentrad en dat dadelijk op den drempel tegen deze twee geliefde dooden stootte, wier verlies haar hart schokte.

Zacht sloot zij haar oogen en trachtte te bidden, terwijl nu dikke tranen uit haar neergeslagen oogen vielen. Een oogenblik verliep te midden van de huiverende stilte, die alleen door het zachte geluid der mis verstoord werd. Eindelijk stond zij op, liet zich door de kamenier de twee ruikers witte rozen geven, die zij zelf op het bed leggen wilde. Op de estrade staande, aarzelde zij even; dan legde zij ze rechts en links van het kussen, waarop de beide hoofden rustten, als had zij deze met die bloemen gekroond. Zij legde ze in hun haren en maakte hun jonge voorhoofden geurig met dien zoo zachten en sterken geur. Maar toen haar handen ledig waren, ging zij niet weg; zij bleef daar vlak bij hen staan, boog zich bevend over hen heen, vond nog niet wat zij hun zeggen, voor eeuwig van haar op hen achterlaten kon. Zij vond het: zij boog zich nog dieper over haar heen en drukte twee lange kussen, haar geheele, diepe, liefhebbende ziel op de kille voorhoofden der echtgenooten.

“De dappere kleine,” zeide Victorine, wier tranen begonnen te stroomen. “Zij heeft hun een zoen gegeven; daar heeft nog niemand aan gedacht, zelfs zijn moeder niet. Het dappere kind! Zij heeft daarbij zeker aan haar Attilio gedacht!”

Toen Celia zich omdraaide om van de estrade af te gaan, zag zij Pierina, die in stomme, smartelijke aanbidding nog steeds half achterover lag. Zij herkende haar en kreeg een diep medelijden met haar, toen zij zag, dat zij weer zoo zwaar begon te snikken, dat haar lichaam, haar heupen en haar godinne-boezem heftig schokten. Deze liefdesmart trof haar tot in haar ziel als een ramp, waarbij al het overige in het niet zonk. Men hoorde haar op zachten, diep-medelijdenden toon zeggen:

“Kalmeer je, kalmeer je toch!… Ik smeek je, wees toch verstandig!”

Toen Pierina, maar nu van schrik, dat men haar zoo toesprak en beklaagde, nog heviger begon te snikken, richtte Celia haar op en steunde haar met haar beide armen uit vrees, dat zij vallen zou. Toen leidde zij haar in een zusterlijke omarming als een zuster in liefde en wanhoop uit de zaal, terwijl zij haar vriendelijke woorden influisterde:

“Ga haar toch na, ga toch kijken, wat er van haar wordt,” zeide Victorine tegen Pierre. “Ik wil hier niet vandaan; het geeft mij zoo’n rust over die lieve kinderen te waken.”

Voor het geïmproviseerde altaar begon een andere priester een nieuwe mis; weer begon het eentonig afzingen der Latijnsche woorden. De bloemengeur werd in de onbeweeglijke, droefgeestige atmospheer van het groote vertrek steeds sterker en drukkender en streelde bedwelmend de zinnen. Op den achtergrond stonden de bedienden roerloos als bij een gala-receptie. En voor het praalbed, dat de twee bleeke kaarsen als sterren verlichtten, bleef het treurdéfilé geruischloos doorgaan: vrouwen en mannen knielden een oogenblik neder en ging dan weer weg met het onvergetelijke beeld der twee tragische gelieven, die hun eeuwigen slaap sliepen.

Pierre haalde Celia en Pierina in in de eere-antichambre, waar don Vigilio zich bevond. Men had daar in een hoek de paar stoelen uit de troonzaal gezet, en de kleine prinses had de arbeidster gedwongen op een fauteuil te gaan zitten, om wat tot zichzelf te komen. In extase stond zij voor haar, verrukt over haar schoonheid. Dan sprak zij weer over de twee dooden, die haar ook zoo mooi toegeschenen waren: van een trotsche, zachte, vreemde schoonheid. Ondanks haar tranen werd zij geheel door haar bewondering medegesleept. Toen de priester Pierina aan het praten kreeg, hoorde hij, dat Tito, haar broer, met een door een messteek doorboorde heup in groot levensgevaar in het ziekenhuis lag; in de Prati del Castello was sedert het begin van den winter de toch al vreeselijke ellende nog grooter geworden. Iedereen had groot verdriet; degenen, die de dood wegnam, moesten eigenlijk blijde zijn. Maar met een gebaar van overwinlijke hoop verjoeg Celia het lijden, den dood zelf.

“Neen, neen, men moet leven. En om te leven, is het voldoende mooi te zijn … Kom, lieve kind, blijf niet hier, huil niet meer, leef voor het genot mooi te zijn!”

Zij nam haar mede en Pierre bleef door een zoo moe makende droefheid op een der fauteuils zitten, dat hij zich het liefst niet meer bewogen had. Don Vigilio bleef iederen bezoeker met een buiging groeten. ’s Nachts had hij een hevigen koortsaanval gehad; hij rilde er nog van, terwijl zijn brandende oogen onrustig rondkeken. Telkens weer wierp hij een blik op Pierre, alsof hij zijn begeerte, om met hem te spreken, niet bedwingen kon, maar de vrees, dat abbé Paparelli het door de wijd openstaande deur der antichambre ernaast zien zou, weerhield hem blijkbaar, want hij bleef den sleepdrager steeds in het oog houden. Eindelijk moest deze zich een oogenblik verwijderen en kwam don Vigilio naar den priester toe.

“U is gisteren bij Zijn Heiligheid geweest?”

Verbaasd keek Pierre hem aan.

“Ik heb u toch al zoo dikwijls gezegd, dat je alles hoort. U hebt uw boek heel eenvoudig teruggetrokken, niet waar?”

De toenemende verbazing van den priester zeide hem genoeg, zoodat hij hem niet eens den tijd tot antwoorden liet.

“Ik vermoedde het, maar ik wilde er zekerheid van hebben. Dat is natuurlijk weer allemaal hun werk. Gelooft u me nu, is u nu overtuigd, dat zij hen, die zij niet vergiftigen, wurgen?”

Hij bedoelde natuurlijk de Jezuïeten. Voorzichtig keek hij rond, om te zien, of abbé Paparelli nog niet terug was.

“En wat heeft monsignor Nani u gezegd?”

“Pardon,” antwoordde Pierre eindelijk; “ik heb monsignor Nani nog niet gesproken.”

“O, ik dacht het … Hij is voor u door deze zaal gekomen. Als u hem niet in de troonzaal gezien hebt, is hij zeker donna Serafina en den kardinaal gaan condoleeren. Hij zal dadelijk wel terugkomen, let maar op.”

En met zijn bitterheid van steeds geterroriseerd en overwonnen zwak man voegde hij eraan toe:

“Ik heb u wel voorspeld, dàt u ten slotte doen zoudt wat hij wilde.”

Maar hij meende het zachte getrippel van abbé Paparelli te hooren, ging onmiddellijk naar zijn plaats terug en begroette twee oude dames, die binnen kwamen, met zijn buiging. Pierre, die terneergedrukt en met half gesloten oogen was blijven zitten, zag nu eindelijk Nani voor zich, zooals hij in werkelijkheid was; een sluw diplomaat. Hij herinnerde zich, wat don Vigilio in dien nacht, dat zij zoo vertrouwelijk gepraat hadden, hem verteld had over dezen man, die veel te handig en te slim was, om een impopulair kleed aan te trekken, maar verder zeer charmant was, de wereld door zijn verschillende functies aan de nuntiatuur en het H. College uitstekend kende, in alle zaken betrokken en van alles op de hoogte, met één woord een der geestelijke leiders van het moderne zwarte leger was, dat door zijn opportunisme den geest der eeuw voor de Kerk wilde terugwinnen. En plotseling ging een alles helder makend licht in hem op: hij zag in, door welke soepele en bewonderenswaardig handige politiek die man hem gebracht had tot de daad, die hij van zijn schijnbaar vrijen wil had willen verkrijgen: het zonder reserve terugnemen van zijn boek. Bij het eerste bericht, dat men het boek vervolgde, had zich een groote teleurstelling, een plotselinge vrees van hem meester gemaakt, dat men den geëxalteerden schrijver tot een verzet zou drijven, dat onaangename gevolgen hebben kon; dadelijk stond zijn plan vast; inlichtingen omtrent dezen jongen priester, die tot een schisma in staat was, werden ingewonnen, zijn reis naar Rome bewerkt, een onderdak hem aangeboden in een oud paleis, welks muren zelf hem verstarren en leeren zouden. Dan volgde de eene hinderpaal op de andere, zijn verblijf werd verlengd, doordat men hem belette den paus te spreken, door hem de zoo vurig begeerde audiëntie te beloven, zoodra het uur daartoe gekomen was, nadat men hem van den een naar den ander verwezen had: van monsignor Fornaro naar pater Dangelis, van kardinaal Sarno naar kardinaal Sanguinetti. Dan kwam eindelijk, toen alles—dingen en menschen—hem afgemat en uitgeput gemaakt had, hem weer opnieuw aan den twijfel overgeleverd had, de audiëntie, waarop men hem sedert drie maanden voorbereidde, dat bezoek aan den paus, dat zijn droom geheel vernietigen moest. Nu zag hij Nani weer voor zich met zijn fijn glimlachje, zijn heldere oogen van sluwen diplomaat, die plezier heeft in een experiment; hij hoorde hem met zijn licht spottende stem zeggen, dat het een ware genade der Voorzienigheid was, wanneer deze hinderpalen hem in staat stelden Rome te bezichtigen, na te denken, te begrijpen; een onderricht, een opvoeding, die hem vele fouten besparen zou. En hij, die gekomen was met zijn apostelgeestdrift, die van strijdlust gegloeid, die gezworen had zijn boek nooit te zullen terugnemen! Was het niet de hoogste diplomatie op die wijze zijn gevoel tegen zijn rede gebroken te hebben door een beroep te doen op zijn intellect, opdat dit, zonder ergernisgevenden strijd, het nuttelooze en leugenachtige boek terugnemen zou—iets, wat van zelf gebeuren zou, zoodra het zich in het aangezicht van het werkelijke Rome, rekenschap gegeven zou hebben hoe reusachtig belachelijk het was van een nieuw Rome te droomen?

Op dat oogenblik zag Pierre monsignor Nani uit de troonzaal komen; maar hij voelde niet den wrok, dien hij verwacht had te zullen voelen. Integendeel, hij was gelukkig, toen de prelaat, die op zijn beurt Pierre ook gezien had, met uitgestoken hand naar hem toekwam. Hij glimlachte echter niet, zooals gewoonlijk; zijn gelaat stond ernstig, was smartelijk vertrokken.

“O, wat een ontzettende catastrophe, mijn zoon! Ik kom zoo juist van Zijne Eminentie. Het is vreeselijk om zijn verdriet te zien.”

Hij ging op een der stoelen zitten en noodigde met een handgebaar den priester uit ook weer plaats te nemen; dan zweeg hij een oogenblik, ongetwijfeld was hij moe van opwinding, en had hij enkele minuten noodig om zich te herstellen van de smartelijke gedachten, die zijn anders zoo opgewekt gezicht zoo versomberden. Dan scheen hij die gedachten met een gebaar te verjagen en vond hij zijn gewone vriendelijkheid terug.

“Welnu, mijn zoon, hebt gij met Zijne Heiligheid gesproken?”

“Ja, monsignor, gisterenavond, en ik dank u zeer voor de groote goedheid, waarmede u mijn verlangen tegemoet gekomen zijt!”

Nani keek hem strak aan, terwijl een onbedwingbaar glimlachje op zijn lippen verscheen.

“U bedankt mij … Ik zie wel, dat gij verstandig geweest zijt door u voor de voeten van Zijne Heiligheid geheel te onderwerpen. Ik was er zeker van, ik verwachtte niets anders van uw helder inzicht. Maar toch maakt u mij zeer gelukkig, want ik constateer tot mijn groote blijdschap, dat ik me niet in u vergist heb!”

Hij liet zich gaan en voegde er aan toe:

“Nooit heb ik met u gediscussieerd. Waartoe diende het, nu de feiten er waren, om u te overtuigen. En nu gij uw boek teruggenomen hebt, zou iedere verdere discussie nog nutteloozer zijn … Maar toch zou ik u wel in overweging willen geven het volgende eens goed te overdenken: wanneer het in uw macht was de Kerk terug te brengen tot haar begin, tot die Christelijke gemeenschap, waarvan u een zoo bekoorlijke schildering gegeven hebt, dan zou de Kerk zich toch slechts weer in die banen kunnen bewegen, waarin God haar reeds eenmaal geleid heeft … Neen, God heeft wat hij gedaan heeft, goed gedaan: de Kerk moet, zooals zij is, de wereld regeeren, zooals zij is; het staat aan haar alleen uit te maken hoe zij haar heerschappij hier op aarde krachtig verzekeren wil. Daarom was een aanval op de wereldlijke macht een onvergeeflijke fout, een misdaad, want door het pausdom van zijn grondbezit te berooven, levert zij het over aan de genade der volkeren … Uw nieuwe godsdienst is ten slotte niets anders dan het ineenstorten van allen godsdienst, de moreele anarchie, de vrijheid tot afscheiding, in één woord de vernietiging van het goddelijke gebouw, van het eeuwenoude, aan wijsheid en kracht zoo rijke Katholicisme, dat tot heden voldoende geweest is voor het heil der menschen, dat alleen hen vermag te redden—morgen en in alle eeuwigheid.”

Pierre voelde, dat hij oprecht vroom was, een werkelijk onwrikbaar geloof bezat en de Kerk als een dankbare zoon lief had, vast overtuigd, dat zij de mooiste, de eenige sociale organisatie was, die de menschheid gelukkig zou kunnen maken. Wanneer hij de wereld wilde regeeren, dan was de vreugde om te heerschen in dien wil een overheerschende factor, maar ook uit de overtuiging, dat niemand hem beter regeeren zou dan hij.

“O zeker, over de middelen valt te praten. Wat mij persoonlijk betreft, ik zou die graag zoo zacht en humaan mogelijk willen zien, middelen, die geheel in overeenstemming zijn met de geest der eeuw, die ons schijnt te ontsnappen, juist omdat er een eenvoudig misverstand tusschen hem en ons bestaat … Daarom ben ik zoo blij, mijn zoon, u terug te zien keeren in den schoot der Kerk, denkend als wij, bereid met ons te strijden.”

De priester vond in deze woorden als de argumenten van Leo XIII zelf terug. Daar hij een direct antwoord vermijden wilde, boog hij nogmaals en sprak langzamer, om het bittere beven van zijn stem te verbergen.

“Ik herhaal, monsignor, hoe dankbaar ik u ben, dat u met de ervaren hand van een volmaakt chirurg mij van mijn ijdele illusies bevrijd hebt. Morgen, wanneer ik geen pijn meer hebben zal, zal ik u er eeuwig dankbaar voor zijn.”

Monsignor Nani bleef hem glimlachend aankijken. Hij begreep wel, dat deze jonge priester zich verder afzijdig houden zou, een voor de Kerk verloren kracht was. Wat zou hij morgen doen? De een of andere nieuwe dwaasheid natuurlijk. Maar de prelaat was reeds blijde, dat hij hem geholpen had de eerste goed te maken; de toekomst kon hij niet vooruitzien.

“Mag ik u ten slotte nog een raad geven?” vroeg hij. “Wees verstandig; uw geluk als mensch en priester ligt in deemoed. U zult vreeselijk ongelukkig worden, indien gij de buitengewone intelligentie, die God u gegeven heeft, tegen God gebruikt.”

Dan gaf hij met een nieuw gebaar te kennen, dat de zaak voor hem afgeloopen, voor goed uit was. Nu maakte de andere zaak hem weer somber, de andere zaak, die ook ten einde liep—maar op zoo tragische wijze door den verpletterenden dood van die twee kinderen, die in de zaal ernaast sliepen.

“O,” ging hij voort, “wat heb ik vreeselijk te doen met die arme prinses en dien armen kardinaal. Nog nooit is een zoo verschrikkelijke catastrophe op een huis neergekomen. Neen, neen, het is te veel! Het ongeluk gaat te ver; de ziel komt daartegen in verzet!”

Maar op dat oogenblik kwam een geluid van stemmen uit de tweede antichambre en tot zijn groote verbazing zag Pierre kardinaal Sanguinetti, dien abbé Paparelli met groote onderdanigheid begeleidde, langs zich gaan.

“Indien Uwe Eminentie de goedheid hebben wil mij te volgen, zal ik Uwe Eminentie zelf brengen.”

“Ja, ik ben gisterenavond uit Frascati teruggekomen, en toen ik de droeve tijding hoorde, heb ik dadelijk mijn troost en deelneming willen brengen.”

“Indien het Uwe Eminentie moge behagen enkele oogenblikken bij de lijken te vertoeven, dan zal ik u daarna bij Zijne Eminentie brengen.”

“Uitstekend. Ik sta er op, dat men weet hoezeer ik deel neem aan den rouw, die dit illustere huis treft.”

Hij verdween in de troonzaal en Pierre bleef, verstomd over een dergelijke kalme onbeschaamdheid, zitten. Hij beschuldigde hem niet van directe medeplichtigheid, hij durfde niet nagaan hoever zijn moreele medeplichtigheid ging. Maar nu hij hem daar met opgeheven hoofd en zoo beslist sprekend langs zich zag gaan, kreeg hij de plotselinge, vaste overtuiging, dat hij alles wist. Hoe? Door wien? Hij zou het niet kunnen zeggen. Ongetwijfeld op de wijze, waarop misdaden in deze duistere kringen, onder menschen, die er belang bij hebben ze te weten, aan het licht komen. Een rilling doorhuiverde hem nu hij nogmaals dacht aan het hautaine optreden van dezen man; hij kwam misschien om kwade vermoedens in hun geboorte te verstikken, zeker, om een handigen politieken zet te doen door zijn mededinger een openlijk bewijs van achting en toegenegenheid te geven.

“De kardinaal hier!” prevelde Pierre onwillekeurig.

Monsignor Nani, die Pierre’s gedachten in zijn kinderoogen, die alles verrieden, las, deed, alsof hij de beteekenis van dien uitroep anders opvatte.

“Ja, ik had al gehoord, dat hij sedert gisterenavond weer in Rome is. Hij wilde niet langer wegblijven, nu de Heilige Vader zich weer beter gevoelt en hem misschien noodig hebben kan.”

Hoewel het met een volmaakt onschuldig gezicht gezegd werd, liet Pierre er zich geen oogenblik door op een dwaalspoor brengen. En nadat hij op zijn beurt den prelaat aangekeken had, kwam hij tot de overtuiging, dat ook deze alles wist. Plotseling zag hij de geheele zaak in haar vreeselijke gecompliceerdheid, in de geheele wreedheid, die het lot eraan gegeven had. Nani, een zeer intiem vriend der Boccanera’s, was toch zeker geen man zonder hart en hield zeker veel van Benedetta, door wier schoonheid en gratie hij ongetwijfeld bekoord was. Dat kon verklaren, waarom hij op zoo zegepralende wijze de nietigverklaring van het huwlijk had laten uitspreken. Maar volgens don Vigilio was deze ten koste van veel geld en onder den druk van zeer bekende invloeden verkregen scheiding een schandaal, dat hij in den beginne gerekt had en dan tot een opzienbare oplossing verhaast had met het eenige doel den kardinaal op den vooravond van het conclave, dat iedereen voor aanstaande hield in discrediet te brengen en voor de tiara onmogelijk te maken.

Trouwens, het scheen niet te betwijfelen, dat de intransigente en van alle diplomatie afkeerige kardinaal niet de candidaat van den zoo soepelen Nani, die een overtuigde voorstander van een algemeene vereeniging was, zijn kon; zoo kon de lange arbeid van dezen laatste in het huis, niettegenstaande hij de lieve contessina gelukkig trachtte te maken, niets anders geweest zijn dan een langzame, ononderbroken vernietiging van het eerzuchtig streven van broeder en zuster, dat hun geslacht aan de Kerk een derden paus zou geven. Maar ook al had hij dat ook altijd gewild, ook al had hij misschien een oogenblik voor kardinaal Sanguinetti gewerkt, ook al had hij op dezen zijn hoop gesteld, toch was het nooit in hem opgekomen, dat men het tot een misdaad zou laten komen, tot den afschuwlijken gruwel van een aan een verkeerd adres komend en onschuldigen treffend vergif komen zou. Neen, neen, het was te veel, zooals hij zeide, de ziel kwam daartegen in opstand. Hij gebruikte zachtere wapenen; een dergelijke ruwheid stootte hem tegen de borst. Op zijn zoo blozend en welgevormd gezicht was nog de ernst van zijn woede te lezen, die hem bij het zien van den treurenden kardinaal en die twee in zijn plaats getroffen gelieven aangegrepen had.

Pierre, die in de meening verkeerde, dat kardinaal Sanguinetti nog altijd de heimlijke candidaat van den prelaat was, werd ondanks alles nog steeds gekweld door de vraag hoe ver de moreele medeplichtigheid van dezen laatste ging. Hij vatte het gesprek weer op.

“Men zegt, dat Zijne Heiligheid het met Zijne Eminentie kardinaal Sanguinetti niet bijster goed vinden kan. Trouwens dat is vrij natuurlijk, want de regeerende paus kan den toekomstigen moeilijk met een vriendelijk oog aanzien.”

Monsignor Nani liet zich een oogenblik in alle vrijmoedigheid gaan:

“O, de kardinaal heeft reeds drie of viermaal met het Vaticaan op gespannen voet gestaan, om zich dan weer met den paus te verzoenen. En in ieder geval behoeft de Heilige Vader geen posthume jaloezie te toonen; hij weet, dat hij Zijne Eminentie heel goed ontvangen kan.”

Doch dan speet het hem, zich zoo beslist uitgelaten te hebben en verbeterde hij zich:

“Ik scherts maar wat, Zijne Eminentie is het groote geluk, dat hem misschien wacht, volkomen waard.”

Maar Pierre had nu zekerheid: kardinaal Sanguinetti was ongetwijfeld monsignor Nani’s candidaat niet meer. Blijkbaar vond hij, dat de kardinaal door zijn ongeduldige eerzucht te zeer verzwakt en door de dubbelzinnige bondgenootschappen, die hij in zijn koorts met iedereen, ja zelfs met het jonge, patriottische Italië gesloten had, ook te gevaarlijk was. De stand van zaken was duidelijk: kardinaal Sanguinetti en kardinaal Boccanera waren bezig elkaar te verslinden, elkaar uit den weg te ruimen: de een door zijn voortdurende intriges, die voor geen enkel compromis terugdeinsden, en ervan droomend Rome door verkiezingen te heroveren; de ander onbeweeglijk en onwrikbaar in zijn intransigentie, den geest der eeuw met zijn banbliksems treffend, het wonder, dat de Kerk redden moest, alleen van God verwachtend. Waarom zou men die twee zoo tegenstrijdige theorieën elkaar niet laten vernietigen. Al was Boccanera aan het vergif ontsnapt, daarom was hij niet minder door de tragische gebeurtenis getroffen en voortaan onmogelijk als candidaat, vernietigd als hij was door de geschiedenissen, waarover geheel Rome praatte; en al kon Sanguinetti meenen, dat hij eindelijk bevrijd was van zijn voornaamsten mededinger, toch had hij niet ingezien, dat hij zichzelf trof, dat hij tegelijkertijd zijn eigen candidatuur onmogelijk maakte. Monsignor Nani zag dit alles blijkbaar met groot welgevallen: noch de een, noch de ander, de plaats vrij. Het was de oude geschiedenis van die twee legendarische wolven, die met elkaar gevochten en elkaar opgegeten hadden, tot zelfs het puntje van de staart niet meer over was. Maar een man als Nani was nooit werkeloos, moest een candidaat hebben. Maar wie, wie zou de toekomstige paus zijn?

Hij was opgestaan en nam hartelijk afscheid van den jongen priester.

“Mijn zoon, ik betwijfel of ik u nog zien zal. Ik wensch u een goede reis …”

Toch ging hij niet weg, maar bleef Pierre met zijn doordringenden blik aankijken; eindelijk ging hij weer zitten en wees Pierre ook een stoel aan.

“Gij zult natuurlijk dadelijk na uw aankomst in Frankrijk kardinaal Bergerot gaan begroeten … Wees zoo goed hem mijn eerbiedige groeten over te brengen. Ik heb hem toen hij hier was om zijn kardinaalshoed te halen, leeren kennen. Hij is een der corypheeën van den Franschen clerus … O, als een zoo verheven geest werken wilde voor de goede verstandhouding in onze heilige Kerk! Maar helaas ben ik bang, dat hij vooroordeelen van opvoeding en omgeving heeft; hij helpt ons niet altijd.”

Pierre luisterde verbaasd; het verwonderde hem, dat de prelaat juist in deze oogenblikken voor de eerste maal over den kardinaal begon. Maar dan liet hij alle gereserveerdheid varen en antwoordde met alle vrijmoedigheid:

“Ja, Zijne Eminentie heeft over onze oude Kerk van Frankrijk zeer vaststaande meeningen. Zoo steekt hij bijvoorbeeld zijn afschuw voor de Jezuïeten niet onder stoelen of banken.”

“Wat, een afschuw van de Jezuïeten?” viel monsignor Nani hem in de rede. “Waarmede kunnen de Jezuïeten hem verontrusten? Er bestaan er niet meer, de geschiedenis met de Jezuïeten is nu uit! Hebt u er te Rome gezien? Hebben die arme Jezuïeten, die er zelfs geen steen bezitten, om hun hoofd op neer te leggen, u een stroo breed in den weg gelegd?… Neen, dien vogelverschrikker moest men nu laten rusten, dat is kinderpraat!…”

Pierre keek nu op zijn beurt den prelaat aan: hij verwonderde zich over diens ongedwongenheid, over diens kalme zelfverzekerdheid in zake deze brandende quaestie. Monsignor Nani sloeg zijn blik niet neer, maar liet in zijn oogen lezen, als waren die het boek der waarheid.

“O, als gij onder Jezuïeten de verstandige priesters verstaat, die, inplaats van met de moderne maatschappijen een onvruchtbaren, gevaarlijken strijd aan te gaan, op humane wijze trachten deze tot de Kerk terug te brengen, lieve Hemel, dan zijn we allen min of meer Jezuïeten, want het zou krankzinnigenwerk zijn geen rekening te houden met den tijd, waarin men leeft … Bovendien hang ik niet aan woorden. Wat beteekenen die? Dus goed, Jezuïeten, voor mijn part Jezuïeten, als u dat wilt!”

Hij glimlachte reeds weer met zijn vriendelijk, fijn glimlachje, waarin zooveel spot en geest lag.

“Welnu zeg aan kardinaal Bergerot, wanneer u hem ziet, dat het onredelijk is de Jezuïeten in Frankrijk te vervolgen, hen als vijanden der natie te behandelen. Juist het tegendeel is waar: de Jezuïeten zijn voor Frankrijk, omdat zij voor den rijkdom, voor de kracht en den moed zijn. Frankrijk is de eenige groote Katholieke natie, die staande gebleven is, de eenige, waaraan het pausdom eenmaal een grooten steun hebben kan. Daarom heeft dan ook de Heilige Vader, nadat hij een oogenblik gehoopt had dien steun van het overwinnende Duitschland te krijgen, een verbond gesloten met het toch pas overwonnen Frankrijk, want hij begreep, dat buiten dat land geen heil voor de Kerk te wachten was. En in dat alles heeft hij slechts de politiek gevolgd der Jezuïeten, van die afschuwlijke Jezuïeten, die men in uw Parijs zoo verfoeit … Zeg bovendien aan kardinaal Bergerot, dat het zeer mooi van hem zou zijn, wanneer hij mede wilde werken aan de bevrediging door er op te wijzen, hoe verkeerd het van uw Republiek is den paus niet krachtiger te steunen in zijn vergevingswerk. Zij doet, alsof zij hem als een quantité négligeable beschouwt; dat is een gevaarlijke fout voor bewindslieden, want al schijnt het ook, dat hij van alle politieke actie beroofd is, toch blijft hij desniettemin een ontzaglijke moreele kracht, die ieder uur een religieuse agitatie van onberekenbare draagwijdte in het leven kan roepen. Hij is het altijd nog, die over de volkeren beschikt, omdat hij over de zielen beschikt; de Republiek handelt zeer lichtzinnig, ja zelfs in zijn voordeel, door te laten blijken, dat zij dat niet meer weet … En zeg hem ten slotte dat het jammerlijk is om te zien, op welk een treurige wijze die Republiek haar bisschoppen kiest, juist alsof zij met opzet haar episcopaat wil verzwakken. Afgezien van enkele gelukkige uitzonderingen zijn uw bisschoppen armzalige geesten en bijgevolg hebben uw kardinalen, middelmatige koppen, hier niet den minsten invloed, spelen zij hier geen rol. Welk een treurig figuur zult gij in het aanstaande conclave slaan! Waarom behandelt gij dus de Jezuïeten, die politiek gesproken uw vrienden zijn, met een zoo dwazen, zoo blinden haat? Waarom maakt gij geen gebruik van hun intelligenten ijver, die bereid is u te dienen, om u zoodoende de hulp van den toekomstigen paus te verzekeren? Gij hebt dien noodig, hij moet bij u het werk van Leo XIII voortzetten, het werk dat zoo verkeerd beoordeeld, zoo bestreden wordt; het werk, dat zich niet bekommert om kleine, tijdelijke resultaten, dat voor alles arbeidt voor de toekomst, voor de vereeniging van alle volkeren in hun heilige moeder, de Kerk … Zeg dat aan kardinaal Bergerot, zeg hem, dat hij aan onze zijde moet staan, dat hij voor zijn land werkt door voor ons te werken. De toekomstige paus! Daarin ligt alles! En wee Frankrijk, wanneer het in den paus van morgen niet een voortzetter vindt van het werk van Leo XIII!”

Hij was weer opgestaan en ditmaal ging hij werkelijk. Nooit nog had hij zich op die wijze zoo lang uitgelaten. Maar ongetwijfeld had hij slechts gezegd, wat hij wilde zeggen, en wel met een doel, dat hij alleen kende, met een vastberaden langzaamheid en vriendelijkheid, waarin men voelde, dat ieder woord van te voren rijpelijk overwogen was.

“Vaarwel, mijn zoon, en nogmaals raad ik u, denk over alles wat gij te Rome gezien en gehoord hebt, goed na, wees verstandig en bederf uw leven niet!”

Pierre boog en drukte de kleine, gevulde hand, die de prelaat hem toestak.

“Ik dank u nogmaals voor al uw goedheid, monsignor, en wees overtuigd, dat ik niets van mijn reis vergeten zal.”

Hij keek hem na en zag hem in zijn fijne soutane, met zijn lichten veroveraarsstap, die alle overwinningen der toekomst tegemoet meende te gaan, verdwijnen. Neen, neen, hij zou niets van zijn reis vergeten. Hij kende die vereeniging van alle volkeren in hun heilige moeder, de Kerk, die wereldlijke slavernij, waarin de wet van Christus de dictatuur van Augustus werd. En wat de Jezuïeten betreft, hij twijfelde er geen oogenblik aan, dat zij Frankrijk liefhadden, de oudste dochter de Kerk, de eenige, die haar moeder nog helpen kon om de wereldheerschappij te veroveren: maar zij hadden het lief, zooals de zwarte sprinkhanen de oogstvelden liefhebben, waarop zij neerstrijken en die zij verslinden. Een oneindige droefheid was weer in zijn hart gekomen, want hij had het heimelijk gevoel, dat in dit oude, vernietigde paleis, in dezen rouw en deze ineenstorting zij en niemand anders dan zij de bewerkers van de smart en van het ongeluk waren.

Juist op dat oogenblik zag hij don Vigilio, die voor het groote portret van den kardinaal op het wandtafeltje leunde; hij hield zijn gezicht in zijn handen, alsof hij voor eeuwig verdwijnen wilde, en beefde over zijn geheele lichaam, zoowel van koorts als van angst. In een oogenblik, dat er geen bezoekers kwamen, was hij bezweken aan een aanval van angstige wanhoop.

“Mijn God, wat hebt u?” vroeg Pierre, die naar hem toeging. “Bent u ziek? Kan ik u helpen?”

Maar don Vigilio drukte zijn vuisten in zijn oogen, stamelde tusschen zijn samengeperste handen angstig:

“O, Paparelli, Paparelli!”

“Wat heeft hij u gedaan?” vroeg de priester verwonderd.

Toen nam de secretaris zijn handen van zijn gezicht weg en gaf nog eenmaal toe aan zijn behoefte om zich te uiten.

“Wat hij mij gedaan heeft?… Maar voelt u dan niets? Ziet u dan niets? Hebt u de manier opgemerkt, waarop hij zich van kardinaal Sanguinetti meester maakte, om hem naar Zijne Eminentie te brengen? Welk een vervloekte onbeschaamdheid, om Zijne Eminentie in een dergelijk oogenblik dien verdachten, verwenschten mededinger op te dringen! En hebt u niet gezien met wat voor een gemeene gluiperigheid hij een paar minuten te voren een oude dame de deur gewezen heeft, een heel oude vriendin, die slechts de hand van Zijne Eminentie wilde kussen, een bewijs van liefde, dat haar zoo gelukkig gemaakt zou hebben?… Ik zeg u, dat hij hier de meester is, dat hij de deur opendoet en dichtmaakt, zooals hij dat verkiest, dat hij ons allen tusschen zijn vingers houdt als een beetje stof, dat je in alle windrichtingen wegblaast!”

Pierre maakte zich ongerust, toen hij zag hoe hij beefde, hoe geel zijn gezicht was.

“Kom, kom, u overdrijft!”

“Ik overdrijven?… Weet u wat er vannacht voorgevallen is, van welk tooneel ik tegen mijn zin getuige geweest ben? Dan zal ik het u vertellen.”

Hij vertelde, dat donna Serafina, toen zij den vorigen dag thuis gekomen was, om midden in de vreeselijke catastrophe, die haar wachtte, te vallen, reeds met een gebroken hart terugkeerde, geheel van streek door de slechte berichten, die zij vernomen had. Bij den kardinaal-secretaris en daarna bij de prelaten, die zij kende, had zij de zekerheid gekregen, dat de vooruitzichten voor haar broeder zeer slecht stonden, dat hij zich in het Heilig College steeds talrijker vijanden gemaakt had, zoodat zijn verkiezing tot paus, in het vorige jaar waarschijnlijk, thans zoo goed als onmogelijk geworden was. Plotseling stortte de droom van haar leven in; de eerzucht, die zij altijd gekoesterd had, lag in stof voor haar voeten. Hoe? Waarom? Wanhopig had zij naar de motieven gevraagd, en nu was zij allerlei fouten van den kardinaal te weten gekomen. Hij had zich tot nuttelooze manifestaties laten verleiden, had menschen door een woord, door een daad beleedigd, in het kort een zoo uitdagende houding aangenomen, dat men meenen zou, dat hij het opzettelijk had gedaan, om alles te bederven. Het ergste was, dat zij in ieder van die fouten omstandigheden ontdekt had, die door haar afgeraden en afgekeurd waren, maar die de kardinaal doorgedreven had onder den invloed van abbé Paparelli, dien zoo nederigen, zoo deemoedigen sleepdrager, in wien zij een noodlottige macht, een ondermijnen van haar eigen zoo waakzamen en toegewijden invloed voelde. Ondanks den rouw, waarin het huis verkeerde, had zij dan ook de executie van den verrader niet willen uitstellen, te meer waar zijn oude vriendschap met Santobono en de geschiedenis met het mandje vijgen, dat uit de handen van den laatste in die van den eerste overgegaan was, in haar een vreeselijk vermoeden gewekt had, waarvan zij zelfs geen nadere opheldering wilde hebben. Maar dadelijk bij haar eerste woorden, toen zij den formeelen eisch stelde den verrader onmiddellijk de deur te wijzen, was zij bij haar broeder op een plotselingen, onoverwinlijken tegenstand gestooten. Hij had zelfs niet naar haar willen luisteren, was boos geworden, in een van die buien van hartstochtelijke woede gevallen, die alle redelijkheid wegvaagde. Hij zeide, dat het slecht van haar was een zoo bescheiden, zoo vromen heiligen man aan te vallen, beschuldigde haar, dat zij in de kaart van zijn vijanden speelde, die, na monsignor Gallo gedood te hebben, nu trachtten zijn laatste genegenheid voor dien armen, onbeduidenden priester te vergiftigen. Hij noemde al die verhalen afschuwlijke verzinsels en zwoer, dat hij hem bij zich zou houden, al was het alleen om zijn minachting voor al dien laster te toonen.

Weer had don Vigilio, door een rilling aangegrepen, zijn gezicht met zijn handen bedekt.

“O, Paparelli, Paparelli!”

Hij stamelde gesmoorde scheldwoorden: de gemeene smeerlap, die bescheidenheid en deemoed huichelde; de lage spion, die in opdracht had alles in het paleis te hooren, te zien, ten gronde te richten: het onreine, verwoestende insect, dat zich meester maakte van den edelsten buit en de manen van den leeuw wegvrat; de Jezuïet, de echte Jezuïet, knecht en tyran tegelijk, in zijn minne gemeenheid, in zijn triompheerend wormenwerk!

“Houd u toch kalm, houd u toch kalm,” herhaalde Pierre, die, hoewel hij de waanzinnige overdrijving in aanmerking nam, toch zelf huiverde voor het vreeselijke onbekende, voor de dreigende, onbestemde dingen, die zich, zooals hij voelde, werkelijk in de diepte van het onbekende bewogen.

Maar sedert hij bijna die verschrikkelijke vijgen gegeten had, sedert de bliksem vlak naast hem ingeslagen was, had don Vigilio dien ontzettenden angst, welke door niets tot rust gebracht kon worden, behouden. Zelfs wanneer hij alleen was, ’s nachts, in bed, achter de gesloten deur, greep die angst hem aan, deed hem onder de dekens wegkruipen, alsof er door de muren menschen zouden komen, om hem te wurgen.

Ademloos en met een zwakke stem ging hij voort:

“Ik heb het u wel gezegd op dien avond, toen we in uw kamer gepraat hebben, hoewel de deur driedubbel gesloten was … Het was verkeerd van mij, zoo vrij over hen te spreken, mijn hart eens te luchten door u alles te vertellen, waartoe zij in staat zijn. Ik was er zeker van, dat zij erachter zouden komen, en u ziet, dat zij erachter gekomen zijn, want ze hebben mij willen dooden. Kijk, op dit oogenblik is het verkeerd van mij u dit te zeggen, want zij zullen het te weten komen, en ditmaal zullen ze het beter inrichten, om mij klein te krijgen … O, het is uit, ik ben dood, dit edele huis, dat ik zoo veilig waande, zal mijn graf worden!”

Een diep medelijden met dezen koortsachtigen, door schrikbeelden en waanvoorstellingen vervolgden zieke maakte zich van Pierre meester.

“Maar vlucht u dan! Blijf niet hier! Ga naar Frankrijk of waarheen gij wilt!”

Verbijsterd keek don Vigilio, die een oogenblik kalm werd, hem aan.

“Vluchten? Waarom? Daar zijn zij ook. Overal zijn zij. Vluchten helpt me niets, altijd zou ik met hen, bij hen zijn … Neen, neen, ik blijf liever hier. Liever sterf ik hier dadelijk, als Zijne Eminentie mij niet meer verdedigen kan.”

Hij richtte een smeekenden blik, waarin nog een straal van hoop trachtte òp te glanzen, op het levensgroote portret van den kardinaal. Maar de aanval kwam terug en schokte hem met verdubbelde kracht.

“Laat mij alleen, laat mij alleen, ik smeek het u!… Laat mij niet verder praten. O, Paparelli, Paparelli! Als hij terugkwam, als hij ons zag, als hij mij hoorde praten … Nooit zal ik meer een woord zeggen. Ik zal mijn tong vastbinden, ik zal mijn tong afsnijden … Laat mij toch alleen! Ik zeg u, dat gij mij doodt, dat hij terug zal komen en dat dat mijn dood is! Ga toch weg, om Godswil, ga toch weg!”

En don Vigilio keerde zich naar den muur, als wilde hij daartegen zijn gezicht verpletteren en zijn mond erin vastmetselen, zoodat hij zwijgen zou als het graf. Pierre besloot heen te gaan, want hij was bang een nog heviger aanval te provoceeren, als hij zijn hulp bleef opdringen.

Pierre begreep, dat hij als huisgenoot, donna Serafina en den kardinaal zijn deelneming moest gaan betuigen. Onmiddellijk liet hij zich naar het aangrenzend vertrek brengen, waar de prinses ontving. Zij zat, in het zwart gekleed, mager en rechtop in een fauteuil, waaruit zij waardig en langzaam even opstond, om den groet van degenen, die binnenkwamen, te beantwoorden. Met een strak gelaat en haar physieke smart overwinnend, luisterde zij naar de betuigingen van deelneming, doch antwoordde daarop in het geheel niet. Maar Pierre, die haar had leeren kennen, kon uit haar ingevallen trekken, uit haar ledige oogen, uit de bittere plooi om haar mond, de verschrikkingen raden, die zij innerlijk onderging, alles wat in haar ingestort was, zonder dat eenige hoop op herstel mogelijk scheen. Niet alleen haar geslacht was uitgestorven, maar ook haar broeder zou nooit paus worden, de paus, dien zij zoolang gehoopt had van hem te maken door haar toewijding, haar zelfverloochening van vrouw, die aan dien droom haar hoofd en haar hart, haar zorgen, haar vermogen, haar mislukt echtgenoote- en moederleven gegeven had. Zij stond voor den jongen priester, haar gast, op, zooals zij voor de anderen was opgestaan. Maar het gelukte haar in de manier van haar opstaan een kleine schakeering te brengen; hij voelde heel goed, dat hij in haar oogen nog steeds de kleine, eenvoudige Fransche priester was, de laagste dienaar in God’s dienst, nu hij zich zelfs niet tot den rang van prelaat had weten op te werken.

Toen, zij, na hem met een flauw hoofdknikje voor zijn betuiging van deelneming bedankt te hebben, weer was gaan zitten, bleef hij uit beleefdheid nog een oogenblik staan. Geen geluid, geen woord verstoorde den droefgeestigen vrede van het vertrek. Toch waren er vier of vijf dames, bezoeksters, aanwezig; zij zaten echter eveneens in een troostelooze, zwijgende onbeweeglijkheid op haar stoelen. Het meest werd Pierre echter getroffen door de aanwezigheid van kardinaal Sarno, een der oude huisvrienden, die met zijn zwak lichaam en zijn hoogeren linkerschouder met gesloten oogen in een fauteuil neergevallen was. Nadat hij donna Serafina zijn deelneming betuigd had, was hij onwillekeurig nog wat gebleven en toen, door de drukkende stilte en de benauwend-warme atmospheer in slaap gevallen. En iedereen eerbiedigde zijn slaap. Droomde hij in zijn sluimering van de kaart der geheele Christenheid, die hij in zijn laaggebouwd hoofd met de stompzinnige uitdrukking had? Zette hij, achter dat vale geloofsmasker van een door een halve eeuw van bureauleven afgestompten, ouden ambtenaar, in zijn droom zijn vreeselijk veroveringswerk voort, om de aarde van uit de diepte van zijn somber bureau in het paleis der Propaganda te onderwerpen en te regeeren? De dames richtten geroerde en eerbiedige blikken op hem; men beknorde hem soms zacht, dat hij te veel werkte, en zag in deze slaapzucht, die zich in den laatsten tijd overal van hem meester maakte, het bewijs van zijn buitensporigen ijver en zijn genie. Pierre echter zou van deze almachtige Eminentie slechts dit laatste beeld met zich nemen: een uitgeputte grijsaard, uitrustend na de aandoeningen van een catastrophe, slapend als een oud, onschuldig kind, zonder dat men zien kon, of dit het begin van kindschheid was of de uitputting na een in den dienst doorgebrachten nacht, om God over het een of andere ver weg gelegen stuk land te laten heerschen.