De eeuwige strijd om het bezit van dit volk duurde even verbitterd voort, en wel in Rome zelf, in de kleinst denkbare ruimte, want het Quirinaal lag tegenover het Vaticaan, en de koning en de paus konden van uit hun vensters elkaar zien, streden steeds aan wien het rijk zou toebehooren; voor hun blikken lagen de roode daken der oude stad, het geringe volk, waarom zij nog altijd twistten, zooals de valk en de sperwer elkaar de kleine vogels uit het bosch betwisten. En hierin lag, volgens Pierre, de oorzaak, dat het Katholicisme veroordeeld, tot een onvermijdelijken ondergang gedoemd was, omdat zijn wezen monarchistisch was, en wel in dien mate, dat het Apostolische en Roomsche pausdom geen afstand van de wereldlijke macht doen kon, wanneer het niet anders zijn en verdwijnen wilde. Vergeefs huichelde het een terugkeer tot het volk, vergeefs deed het, alsof het geheel ziel was—te midden van onze democratieën was geen plaats voor de volkomen en universeele souvereiniteit, die het van God gekregen had. Steeds weer zag hij den imperator in den pontifex te voorschijn komen, en dat in de allereerste plaats had zijn droom gedood, zijn boek vernietigd, de puinhoopen opgestapeld, waarvoor hij wanhopig, krachte- en moedeloos was blijven staan.

Dit onder den aschgrauwen hemel liggende Rome, welks gebouwen hoe langer hoe meer verdwenen, benauwde hem zoo, dat hij weer op zijn stoel neerviel. Nooit nog had hij zoo’n diepe troosteloosheid gevoeld; het was alsof zijn ziel stierf. Hij herinnerde zich welke beteekenis hij aan deze reis naar Rome, aan deze nieuwe proef na zijn noodlottige ondervindingen te Lourdes gehecht had. Hij was er niet het naïeve geloof van het kleine kind komen vragen, maar het hoogere geloof van den intellectueel, dat zich verheft boven riten en symbolen en werkt voor het hoogst mogelijke geluk der menschheid. Wanneer dat instortte, wanneer het Katholicisme niet de godsdienst, niet de zedelijke wet van het nieuwe volk zijn kon, wanneer de paus in Rome, met Rome niet de Vader, de ark des Verbonds, de geestelijke leider was, naar wien alles luisterde en aan wien alles gehoorzaamde, dan beteekende dat in zijn oogen de schipbreuk van de laatste hoop, het laatste kraken, waarin de tegenwoordige maatschappij onderging. Al de steigers van het Katholieke socialisme, die hem voor de versterkingen der oude Kerk zoo gelukkig en voordeelig toeschenen, zag hij nu ter aarde liggen, beschouwde hij thans streng als een eenvoudig overgangsmiddel, dat misschien nog eenige jaren het wankelende gebouw zou kunnen stutten; maar dat alles was slechts op een opzettelijk misverstand, op een handige leugen, op politiek en diplomatie gebouwd. Neen, neen, zijn rede kwam er tegen in verzet, dat het volk weer gewonnen en bedrogen, gevleid en dan weer geknecht zou worden! Het geheele stelsel was ontaard, gevaarlijk, tijdelijk, bestemd om tot de ergste catastrophes te leiden. Het was dus het einde: niets bleef overeind staan, de oude wereld moest verdwijnen in de vreeselijke, bloedige crisis, welker nadering de teekenen verkondigden. Bij het zien van dezen chaos voelde hij zijn ziel niet meer, want in deze, naar hij wist, beslissende proef had hij zijn geloof verloren; van te voren was hij overtuigd geweest, dat hij er versterkt of voor eeuwig verpletterd uit te voorschijn komen zou. De bliksem was ingeslagen. Groote God, wat moest hij nu doen?

Zijn angst snoerde zijn keel zoo toe, dat hij opstond en in de kamer op en neer begon te loopen, om wat kalmte te vinden. Groote God, wat moest hij beginnen, nu hij weer ten prooi was aan den vreeselijken twijfel, aan de smartelijke negatie, nu zijn soutane nog nooit zoo zwaar op zijn schouders gedrukt had als thans. Hij herinnerde zich den kreet, toen hij weigerde zich te onderwerpen en aan monsignor Nani zeide, dat zijn ziel niet berusten, dat zijn hoop op redding door liefde niet sterven kon, dat hij antwoorden zou met een nieuw boek, dat hij aangeven zou in welken nieuwen grond de nieuwe godsdienst groeien moest. Ja, een vlammend boek tegen Rome, waarin hij alles zou neerschrijven, wat hij gezien en gehoord had, een boek, waarin hij het ware Rome schilderen zou, het Rome zonder barmhartigheid, zonder liefde, het Rome, dat bezig was in zijn purper te sterven! Hij wilde naar Parijs terug, uit de Kerk treden, desnoods tot een schisma overgaan.

Welnu, zijn bagage stond daar, hij ging weg, hij zou zijn boek schrijven, zou de groote verwachte schismaticus zijn. O, kondigde niet alles het schisma aan? Scheen het te midden van de groote beweging der geesten, die de oude dogma’s moede waren, maar toch hongerden naar het goddelijke, niet nabij? Leo XIII besefte dat onbewust, want zijn geheele politiek, zijn streven naar de Christelijke eenheid, zijn liefde voor de democratie had geen ander doel dan de menschheid om het pausdom te scharen, dat te versterken en krachtig te maken, ten einde den paus in den komenden strijd onoverwinlijk te doen zijn. Maar de tijden waren gekomen, het Katholicisme zou weldra aan het einde van zijn politieke concessies zijn, niet meer in staat nog verder toe te geven, zonder erdoor te sterven. Het was als een oud hiëratisch beeld te Rome tot onbeweeglijkheid gedoemd, terwijl het zich elders, in de propagandalanden, waar het in strijd was met andere godsdiensten, ontwikkelen kon. Daarom was Rome tot ondergang gedoemd, te meer daar de afschaffing van de wereldlijke macht, die den geest aan het denkbeeld van een zuiver geestelijken paus gewend had, het opstaan van een tegenpaus, terwijl de opvolger van den Heiligen Petrus genoodzaakt zijn zou in zijn keizerlijke en Roomsche fictie te volharden, scheen te begunstigen. Een bisschop, een priester zou opstaan. Waar? Misschien daarginds in het vrije Amerika, onder de priesters, waaruit de noodzakelijkheid van den strijd om het bestaan overtuigde socialisten, vurige democraten gemaakt had, bereid met de komende eeuw voorwaarts te schrijden. En terwijl Rome niets van zijn verleden, van de mysteries en de dogma’s zou kunnen loslaten, zou deze priester van die dingen alles wat uit zichzelf in stof viel, kunnen prijsgeven. Die priester, die groote hervormer, die redder der moderne maatschappijen—welk een ontzaglijke droom! Het was de rol van den verwachten, door de wanhopige volkeren geëischten Messias!

Een oogenblik werd Pierre erdoor bedwelmd; een storm van hoop en triomf hief hem op en droeg hem voort. En wanneer het niet in Frankrijk, niet in Parijs zijn kon, dan zou het verder zijn, aan de andere zijde van den Oceaan, of nog verder, het kwam er niet op aan waar ter wereld, als het maar een land was, vruchtbaar genoeg, dat het nieuwe zaad in een overvloedigen oogst opwies. Een nieuwe godsdienst! Een nieuwe godsdienst! Zoo had hij reeds na Lourdes uitgeroepen. Een godsdienst, die niet vóór alles een zucht naar den dood was! Een godsdienst, die eindelijk het Koninkrijk Gods, waarvan het Evangelie spreekt, verwezenlijkt, die den rijkdom gelijkelijk verdeelt, die, met de wet van den arbeid, waarheid en gerechtigheid heerschen doet.

En in de koorts van dezen nieuwen droom zag Pierre reeds de bladzijden van zijn nieuw boek, waarin hij door de verkondiging der wet van het verjongde en bevrijdende Christendom het oude Rome geheel vernietigen zou, voor zich opvlammen, toen zijn blik viel op een voorwerp, dat op een stoel was blijven liggen. Eerst vond hij het vreemd het daar zoo te zien. Het was ook een boek, het deel van Théophile Morin, dat de oude Orlando hem opgedragen had aan den schrijver te overhandigen; hij werd eenigszins boos op zichzelf, toen hij het herkende, want hij had het, zoo zeide hij tot zichzelf, zeer goed daar kunnen vergeten. Voor hij zijn handkoffertje weer openmaakte, om het erin te leggen, hield hij het een oogenblik in zijn hand en bladerde het door; plotseling was hij van gedachte veranderd, alsof er eensklaps een buitengewone gebeurtenis, een van die feiten voorgevallen was, welke een wereld in oproer brengen. Toch was het een zeer eenvoudig werkje, het handboek voor het baccalaureaat, dat nauwlijks de beginselen van de wetenschappen bevatte; maar alle wetenschappen waren erin vertegenwoordigd, zoodat het vrij nauwkeurig den tegenwoordigen stand der menschelijke kennis resumeerde. In één woord, het was de wetenschap, die plotseling met de onweerstaanbare energie van een almachtige, souvereine kracht in Pierre’s gepeins binnendrong. Niet alleen het Katholicisme werd als het stof van puinhoopen weggeveegd, maar ook alle godsdienstige begrippen, alle hypothesen voor het goddelijke wankelden, stortten in.

Dit eenvoudige uittreksel, dit oneindig kleine schoolboekje, de begeerte tot weten, dit zich dagelijks uitbreidende, het geheele volk omvattende onderwijs was voldoende om de mysteries belachelijk te doen worden, om de dogma’s ineen te doen storten, om te maken, dat niets van het oude geloof overeind staan bleef. Een volk, dat gevoed is met wetenschap, dat niet meer gelooft aan mysteries en dogma’s, niet meer gelooft aan het compensatiestelsel van straffen en belooningen, is een volk, welks geloof voor eeuwig dood is; en zonder geloof kan het Katholicisme niet bestaan. Dat is de snede van het hakmes, het mes, dat valt en doorsnijdt. Al moge er een of twee eeuwen voor noodig zijn, de wetenschap zal ze nemen. Zij alleen is eeuwig. Het is een absurditeit, om te zeggen, dat de rede niet in strijd is met het geloof en dat de wetenschap de dienaresse van God is. Waar is, dat de Heilige Schrift van af dit oogenblik ten gronde gericht is, en dat men haar, om de brokstukken ervan te redden, heeft moeten aanpassen aan de nieuw-verkregen zekerheden, door zijn toevlucht te nemen tot symbolen. En welk een vreemde houding neemt de Kerk aan, als zij ieder, die een met de Heilige Boeken in strijd zijnde waarheid ontdekt, verbiedt zich op een besliste wijze uit te spreken, in de verwachting, dat deze waarheid eenmaal een dwaling zal blijken te zijn!

De paus alleen is onfeilbaar, de wetenschap feilbaar; men buit haar voortdurend tasten en zoeken tegen haar uit, men ligt op de loer, om haar ontdekkingen van heden in tegenspraak te brengen met die van gisteren. Wat bekommert een Katholiek zich om haar heiligschennende beweringen, om de zekerheden, waarmede zij het geloof aantast, daar het voor hem immers vaststaat, dat aan het einde der tijden wetenschap en geloof zich vereenigen zullen, en wel zoo, dat de eerste in den letterlijken zin des woords de slavin van het tweede geworden is? Was deze vrijwillige verblinding, deze zelfs het zonlicht loochenende houding niet iets wonderlijks? En het oneindig kleine werkje, het handboekje der waarheid zette zijn werk voort, door ondanks alles de dwaling te vernietigen en de toekomstige aarde op te bouwen, zooals de oneindig kleine deeltjes, de levenskrachten langzamerhand de continenten gebouwd hebben.

In het heldere licht, dat hem nu omgaf, voelde Pierre eindelijk vasten grond onder zijn voeten. Is de wetenschap ooit teruggedeinsd? Neen, het Katholicisme is onophoudelijk voor haar teruggeweken en zal genoodzaakt zijn altijd terug te wijken. Nooit staat zij stil, zij verovert stap voor stap de waarheid op de dwaling, en wanneer men zegt, dat zij bankroet slaat, omdat zij de wereld niet onmiddellijk verklaren kan, dan is dat onredelijk. Wanneer zij aan het mysterie een steeds kleiner wordend gebied laat en ongetwijfeld ook altijd laten zal, wanneer een hypothese altijd zal kunnen trachten van dat mysterie een verklaring te geven, dan is het daarom niet minder waar, dat zij ieder uur meer de oude hypothesen, de hypothesen, die door de veroverde waarheden ineenstorten, vernietigt en vernietigen zal. En het Katholicisme bevindt zich in dien toestand, zal dat morgen nog meer zijn dan heden. Evenals alle andere godsdiensten, is het in den grond der zaak niet meer dan een wereldverklaring, den hoogere sociale en politieke codex, die bestemd is den vrede en het grootst mogelijke geluk op aarde te doen heerschen. Deze codex, die de gezamenlijke dingen omvat, wordt daardoor menschelijk, sterfelijk, zooals alles wat menschelijk is. Men kan het niet afzonderlijk plaatsen door te zeggen, dat het aan de eene zijde door zichzelf bestaat, terwijl de wetenschap aan de andere existeert. De wetenschap is volkomen en zij heeft dat aan het Katholicisme zeer goed te verstaan gegeven en zal het te verstaan blijven geven door het te noodzaken de voortdurende bressen, die zij erin slaat, te herstellen. Het is belachelijk, wanneer men ziet hoe menschen de wetenschap een ondergeschikte rol willen aanwijzen, haar verbieden dit of dat terrein te betreden, haar voorspellen, dat zij niet verder komen zal, beweren, dat zij, nu reeds moede, aan het einde dezer eeuw afstand doen zal. O, gij kleine menschen, gij beperkte of slecht gebouwde hersenen, gij politici van uitvluchten, gij dogmatici in uw laatste stuiptrekkingen, gij, die maar steeds uw oude droomen verder droomen wilt, de wetenschap zal ze wegvagen en met zich voeren als droge bladeren!

Pierre bleef in het eenvoudige boekje bladeren en luisterde naar wat het hem vertelde van de souvereine wetenschap. Zij kan geen bankroet slaan, omdat zij het absolute niet belooft en slechts de geleidelijke verovering der waarheid is. Nooit heeft zij zich aangematigd in eens de geheele waarheid te geven, daar dat systeem juist het systeem is van de metaphysica, de openbaring en het geloof. De taak der wetenschap is echter slechts om, hoe verder zij voortschrijdt en licht verspreidt, de dwaling te vernietigen. En wel verre van bankroet te slaan blijft zij in haar voortschrijden, dat door niets tegengehouden kan worden voor evenwichtige en gezonde hersenen de eenig mogelijke waarheid. Zij, die door haar niet bevredigd worden, die een behoefte tot onmiddellijk en volkomen weten in zich voelen, kunnen nog altijd hun toevlucht nemen tot de een of andere godsdienstige hypothese, onder voorwaarde evenwel, dat zij, wanneer zij schijnbaar gelijk willen hebben, hun hersenschimmen slechts op overwonnen zekerheden bouwen. Alles wat gebouwd wordt op een bewezen dwaling, stort ineen.

Wanneer het religieuse gevoel bij den mensch voortleven blijft, wanneer de behoefte aan een godsdienst eeuwig blijft, dan volgt daar niet uit, dat het Katholicisme eeuwig is, want het is per slot van rekening niets dan een godsdienstvorm, die niet altijd bestaan heeft, waaraan andere godsdienstvormen vooraf gegaan zijn en die nog door andere gevolgd zullen worden. De godsdiensten kunnen verdwijnen, het godsdienstige gevoel zal er, zelfs met behulp van de wetenschap, nieuwe scheppen.

Pierre dacht aan dat zoogenaamde echec, dat de wetenschap geleden zou hebben tegenover de tegenwoordige herleving van het mysticisme, waarvan hij de oorzaken in zijn boek aangewezen had: in de eerste plaats het verval van de vrijheidsidee onder het volk, dat men bij de laatste deeling bedrogen heeft, in de tweede plaats het onbehaaglijke gevoel der elite, die wanhopig is over de leegte, waarin haar bevrijde rede, haar zich uitgebreid hebbend intellect haar achterlaten. Het is de angst voor het onbekende, die herleeft, maar het is ook na zooveel werk, een natuurlijke en tijdelijke reactie in het eerste oogenblik, waarin de wetenschap noch onze dorst naar gerechtigheid, noch ons verlangen naar waarheid, noch de eeuwenoude voorstelling, die wij ons in een voortleven en in een eeuwig genieten van het geluk maken, bevredigt. Om het Katholicisme weer te kunnen doen herleven, moet de sociale bodem veranderd worden, deze echter kan zich niet meer veranderen; hij bezit niet meer het noodige sap tot hernieuwing van een bouwvallige formule, die door de scholen en laboratoria dagelijks meer vernietigd wordt. De bodem heeft zich veranderd, een andere eik zal er op groeien. Laat de wetenschap dus haar godsdienst hebben, wanneer er een uit haar moet opschieten, want deze godsdienst zal weldra de eenige mogelijke zijn voor de democratie van morgen, voor de zich steeds meer ontwikkelende volkeren, bij wie het Katholieke geloof reeds nu niet meer dan asch is.

En plotseling kwam Pierre tot een conclusie, toen hij aan de onnoozelheid der Indexcongregatie dacht. Zij had zijn boek veroordeeld en zou zeker ook zijn nieuwe boek, waarvan hij het plan reeds in groote trekken ontworpen had, veroordeelen, als hij het ooit schreef. Een mooie taak voorwaar om arme boeken van een geestdriftigen dweper te veroordeelen. En dit kleine schoolboekje, dat hij hier in zijn hand had, den eenigen altijd gevaarlijken en triompheerenden vijand, die zeker de Kerk omverwerpen zou, waren zij zoo dwaas geweest niet op den Index te plaatsen! Al zag het er in zijn armzalig schoolboekjes-uiterlijk nog zoo bescheiden uit, het gevaar begon bij het alphabet, dat de kleine kinderen spelden, het werd steeds grooter naarmate het leerplan zich uitbreidde, het kwam tot uitbarsting met die resumé’s der natuurkundige wetenschappen, met de resultaten der physica en chemie, die de schepping van den God der Heilige Schrift al zeer twijfelachtig gemaakt hebben. Maar het ergste was, dat de reeds ontwapende Index deze bescheiden boekjes, deze vreeselijke soldaten der waarheid, deze vernietigers van het geloof, niet durfde onderdrukken. Welke waarde had dus al het geld, dat Leo XIII van den verborgen schat van den Pieterspenning nam, om het te geven aan de Katholieke scholen in de hoop daar de geloovige generatie van morgen, die het pausdom noodig had, om te overwinnen, te vormen? Welke waarde bezaten die kostbare giften, als zij slechts dienden, om die oneindig kleine boekjes, die men nooit genoeg zou kunnen zuiveren, die altijd te veel wetenschap zouden bevatten, welke eenmaal het Vaticaan en de St. Pieter in de lucht zouden doen vliegen, te koopen? O, wat een jammerlijke hoon was die idiote, niets beteekenende Index?

Toen Pierre het boek van Théophile Morin in zijn handkoffertje geborgen had, ging hij weer voor het raam staan en had daar een vreemd visioen. In den zoo zachten en triesten nacht hadden zich onder den bewolkten, door de roestkleurige maan geelgekleurden hemel zwevende nevels verheven, die de daken gedeeltelijk achter hun slepende, op lijkwaden gelijkende flarden bedekten. Geheele gebouwen waren van den horizont verdwenen. En hij stelde zich voor, dat de tijden in vervulling waren gegaan, dat de waarheid den dom der St. Pieter in de lucht had doen vliegen. Na honderd of duizend jaren zou hij daar ongetwijfeld ingestort met den grond gelijk liggen. Reeds had hij op den opwindenden dag, dat hij er een uur in doorgebracht had, gevoeld, dat hij onder hem wankelde en scheurde: met wanhoop in zijn hart had hij toen uit de hoogte naar het in zijn heerschersdroom volhardende, pauselijke Rome gekeken, en toen voorzien, dat deze tempel van den Katholieken God zou instorten, zooals de tempel van Juppiter Capitolinus ingestort was. En nu was het uit: de dom had den bodem met zijn puin bezaaid en niets was er meer van over dan een stuk van de apsis met vijf zuilen van het middenschip, die ieder nog een gedeelte van de bovenste muurlijst droegen. Met name echter stonden nog de vier zuilen van het kruis, die den dom gedragen hadden, de cyclopische zuilen, die zich eenzaam en trotsch tusschen het puin eromheen verhieven. Dichte nevels zweefden aan; nog duizend jaren zouden verloopen en dan was er niets meer over. Nu waren ook de apsis, de laatste zuilen, ook de kruiszuilen met den grond gelijk gemaakt. De wind had hun stof weggevoerd, men zou den bodem hebben moeten uitgraven, om tusschen distels en doornen enkele brokstukken van gebroken beelden, van marmeren platen met opschriften te vinden, over de beteekenis waarvan de geleerden het niet eens konden worden. Evenals vroeger op den Capitolinus tusschen het begraven puin van den tempel van Juppiter, klauterden geiten in de eenzaamheid, in de diepe, slechts door het zoemen der vliegen gestoorde stilte van drukkende zomermiddagen en voedden zich met struiken.

Toen eerst voelde Pierre hoe alles in hem ingestort was. Het was geheel uit, de wetenschap was overwinnares, er bleef niets van de oude wereld over. Waartoe diende het eigenlijk nog de schismaticus, de verwachte hervormer te zijn? Stond het eigenlijk niet gelijk met het opbouwen van een nieuwen droom? Slechts de eeuwige strijd der wetenschap tegen het onbekende, haar onderzoek, dat in de menschen de dorst naar het goddelijke steeds minder maakte, scheen hem nu van belang toe en maakte hem nieuwsgierig of zij eens zoo triompheeren zou, of zij eenmaal de menschheid door de bevrediging van al haar behoeften, voldoening schenken zou. In het bankroet van zijn apostelgeestdrift werd hij tegenover de ruïnen, die zijn geheele wezen, zijn dood geloof, zijn doode hoop, om het oude Katholicisme voor de sociale en moreele redding te gebruiken, bedekten, nog slechts staande gehouden door zijn rede. Een oogenblik had zij gewankeld. Dat hij zijn boek gedroomd, dat hij deze tweede en verschrikkelijke crisis doorgemaakt had, was een gevolg hiervan, dat zijn gevoel opnieuw de overwinning op zijn rede behaald had. Bij het zien van het lijden der ongelukkigen, in zijn onweerstaanbare begeerte om die te verlichten, ten einde daardoor de naderende bloedbaden te voorkomen, was zijn moeder in hem beginnen te weenen, en zijn behoefte aan naastenliefde had de bezwaren van zijn verstand het zwijgen opgelegd. Thans echter hoorde hij de stem van zijn vader, de hooge rede, de grimmige rede—de rede, die een oogenblik verduisterd kon worden, maar majestueus terugkeerde. Evenals na Lourdes, protesteerde hij tegen de verheerlijking van het absurde en het verval van het gezonde menschenverstand. Hij was de rede. Zij alleen deed hem rechtop en krachtig voortschrijden te midden van de puinhoopen van het oude geloof, zelfs te midden van de duisterheden en misgeboorten der wetenschap. O, de rede, hij leed slechts door haar, hij kon slechts vrede vinden door haar, hij zwoer haar, zijn eenige meesteres, steeds meer te bevredigen, ook al zou hij zijn geluk daarom op het spel zetten.

Wat zou hij doen? Het zou vergeefsche moeite zijn, als hij trachtte dit thans te weten te komen. Alles was nog zwevende; hij had de geheele wereld voor zich. Zij was nog versperd door de ruïnes van het verleden, die echter misschien morgen reeds uit den weg zouden zijn geruimd. Daar, in de treurige voorstad, zou hij den goeden abbé Rose terugvinden, die hem den vorigen dag nog geschreven had toch heel gauw terug te komen, om zijn armen te redden, lief te hebben en te verzorgen, daar dit uit de verte zoo schitterende Rome doof was voor barmhartigheid. En om den vreedzamen priester zou hij ook den voortdurend wassenden vloed der ongelukkigen terugvinden—de uit het nest gevallen, van honger bleeke, van koude bevende kleinen, die hij opraapte—de in ontzettenden nood verkeerende huishoudens, waar de vader drinkt, de moeder zich prostitueert, de zoons en dochters tot ontucht en misdaad vervallen—geheele huizen, waardoor de honger blies—de afzichtelijkste vuilheid, het schandelijkste samenhokken—geen meubelen, geen linnengoed—een dierlijk leven, dat bevrediging zoekt, waar het die vinden kan. Dan zouden weer de wintervorsten komen, de rampen van het sluiten der werkplaatsen, de tering, die als een rukwind de zwakken wegrukte, terwijl de sterken wraakgierig hun vuisten balden. Dan zou hij misschien op een avond een kamer binnentreden, waarin een moeder zich met haar vijf kleinen, haar jongst-geborene nog aan haar leege borst, de anderen verspreid over den kalen vloer, gedood zou hebben. Neen, neen, deze zwarte, tot zelfmoord leidende ellende te midden van het groote, met rijkdommen opgepropte, van genot dronken Parijs, dat voor zijn pleizier millioenen op straat wierp, was niet meer mogelijk. Het sociale gebouw was in zijn grondvesten verrot, alles stortte neer in modder en bloed. Nooit had hij zoozeer de belachelijke nutteloosheid van de barmhartigheid gevoeld. En plotseling werd hij zich bewust, dat het verwachte woord, het woord, dat eindelijk uit den mond van den grooten, eeuwenouden Zwijgende, van het verpletterde en geknevelde volk, opsteeg, het woord “Gerechtigheid” was. Ja, gerechtigheid, geen barmhartigheid. De barmhartigheid had slechts de ellende tot in het oneindige doen voortduren, de gerechtigheid zou deze misschien genezen. Naar gerechtigheid hongerden de ongelukkigen, een daad van gerechtigheid kon alleen de oude wereld wegvagen, om de nieuwe te kunnen opbouwen.

De groote Zwijgende zou noch aan het Vaticaan, noch aan het Quirinaal, noch aan den paus noch aan den koning toebehooren; in zijn langen, nu eens geheimen, dan weer open strijd door alle tijden heen had het slechts gegromd en zich tusschen den paus en den keizer, die het ieder voor zichzelf wilden, slechts verzet, om weer tot zichzelf te komen, om op den dag, dat het “gerechtigheid” schreeuwen zou, te kennen te geven, dat het aan niemand toebehooren wilde. Zou morgen misschien reeds die dag van gerechtigheid en waarheid aanbreken? In zijn angst, zwevende tusschen zijn behoefte aan het goddelijke, dat de menschen kwelt, en de opperheerschappij der rede, die hem helpt staande te blijven, was Pierre slechts van één ding zeker: hij wilde zijn eed houden, als priester zonder geloof over het geloof van anderen waken, kuisch en eerlijk zijn taak vervullen, vol trotsche droefheid, dat hij geen afstand had kunnen doen van zijn rede, zooals hij afstand gedaan had van zijn liefdeszinnelijkheid en van zijn droom de redder der menschheid te worden. En weer, evenals na Lourdes, wilde hij wachten.

Maar bij dit raam, tegenover dat in donkerte gedompelde Rome, waren zijn overpeinzingen zóó diep geworden, dat hij niet eens hoorde hoe een stem hem riep. Eerst toen een hand op zijn schouder gelegd werd, verstond hij:

“Mijnheer de abbé! Mijnheer de abbé …”

En toen hij zich eindelijk omkeerde, zeide Victorine tegen hem:

“Het is half tien, mijnheer de abbé. Het rijtuig staat voor. Giacomo heeft de bagage al beneden gebracht … U moet gaan, mijnheer de abbé!”

En toen zij zag, hoe hij nog verschrikt met zijn oogen knipte, glimlachte zij.

“Neemt u afscheid van Rome? Een leelijke lucht, niet?”

“Ja, heel leelijk,” zeide hij eenvoudig.

Toen gingen zij naar beneden. Hij gaf haar een biljet van honderd francs, om met het personeel te deelen. Zij nam de lamp en lichtte hem voor, omdat het, zooals zij zeide, dien avond zoo pikdonker in het paleis was.

O, dit vertrek, deze laatste gang door het zwarte en ledige paleis! Hoe werd Pierre erdoor van streek gebracht! Hij had een laatsten afscheidsblik door zijn kamer geworpen, den afscheidsblik, die hem steeds met wanhoop vervulde en een stuk van zijn ziel wegrukte, zelfs wanneer hij een vertrek verliet, waarin hij geleden had. Voor de kamer van don Vigilio, waaruit slechts een huiverende stilte kwam, stelde hij zich voor hoe deze het hoofd in het kussen drukte, zijn adem inhield, uit vrees, dat zijn adem nog spreken en hem de wraak van de Jezuïeten op den hals halen zou. Maar vooral op de portalen der tweede en eerste verdieping tegenover de gesloten deuren van donna Serafina en van den kardinaal, doorhuiverde een rilling hem, toen hij niets hoorde, zelfs geen zucht; het was, als liep hij langs graven.

Na hun terugkeer van de begrafenis hadden zij geen levensteeken meer gegeven; zij hadden zich opgesloten en daarmede het geheele huis tot onbeweeglijkheid gebracht, waarin men zelfs niet het fluisteren van een gesprek of het schuifelend sluipen van een bediende hoorde, Victorine liep nog steeds met de lamp in haar hand voor hem uit en Pierre volgde haar, steeds denkende aan deze twee, die alleen bleven in het in puin vallende paleis, de laatsten van een reeds half ingestorte, op den drempel van een nieuwe wereld staande wereld. Dario en Benedetta hadden alle levenshoop met zich mede genomen; nog slechts de oude ongetrouwde vrouw en de onvruchtbare priester waren er. Een herleving was niet meer mogelijk. O, deze eindelooze, luguber-donkere gangen, deze koude, reusachtige trap, die in het Niet scheen af te dalen, deze groote zalen, welker muren van armoede en verwaarloozing scheurden! En het op een kerkhof gelijkende binnenplein met zijn gras, zijn vochtige zuilengaanderij, waaronder de torso’s van Venus en Apollo wegrotten! En de kleine tuin, doorgeurd door de rijpe oranjeappelen, waarin niemand meer komen zou, nu men er onder den laurierboom bij den sarkophaag de aanbiddelijke contessina niet meer zou ontmoeten. Dat alles ging onder in den afschuwlijken rouw, in de doodsche stilte, waarin de twee laatste Boccanera’s in hun woeste grootschheid nog slechts behoefden te wachten, tot hun paleis, evenals hun God, op hun hoofden zou instorten. En Pierre hoorde niets anders dan een heel zacht geluid, het geritsel van een muis zeker of de tanden van een knaagdier, abbé Paparelli, die ergens in de afgelegen kamer bezig was den muur af te brokkelen, het oude huis van onderen af weg te knagen, om de instorting te verhaasten.

Het rijtuig met zijn twee lantaarns, waarvan de twee gele stralen door de donkerte der straat boorden, stond voor de deur. De bagage was er reeds ingezet: het kistje naast den koetsier, het handkoffertje op het bankje. En de priester stapte dadelijk in.

“O, u hebt tijd genoeg,” zeide Victorine, die op het trottoir was blijven staan. “U hebt alles; ik ben blij, dat u zoo op uw gemak vertrekken kunt.”

Het was een troost voor hem in deze laatste minuut deze landgenoote bij zich te hebben, deze goede ziel, die hem bij zijn aankomst begroet had en nu bij zijn vertrek hem uitgeleide deed.

“Ik zeg niet tot ziens, mijnheer de abbé, want ik geloof niet, dat u zoo gauw in deze verduivelde stad terug zult komen … Vaarwel, mijnheer de abbé!”

“Vaarwel, Victorine. En hartelijk, hartelijk dank.”

Reeds reed het rijtuig in vluggen draf weg en draaide door de nauwe en kronkelende straten, die naar den Corso Victor-Emanuele leidden. Het regende niet, de kap was niet opgeslagen; maar hoewel de vochtige lucht zacht was, kreeg de jonge priester het toch koud. Hij wilde echter geen tijd verliezen door den koetsier, ditmaal een, die geen woord zeide en slechts haast scheen te hebben om aan het station te komen, te laten ophouden.

Toen Pierre in den Corso Victor-Emanuele kwam, vond hij dezen tot zijn verbazing op het vroege uur al verlaten. De huizen waren gesloten, de trottoirs leeg, de electrische lampen brandden alleen in de melancholieke eenzaamheid. Het was inderdaad niet warm, de mist scheen dikker te worden en de gevels nog meer te omhullen. Toen hij langs de Cansellaria kwam, kreeg hij een gevoel alsof het strenge en reusachtige monument achteruitweek en als in een droom verdween. Verderweg, rechts, aan het einde van de door enkele lantaarns verlichte Via d’Aracoeli was het Kapitool in volkomen donkerte gedompeld. Dan werd de breede Corso smaller en reed het rijtuig tusschen de twee sombere massa’s van de donkere Il Gesù en den zwaren palazzo Altieri; en in deze nauwe gang, waarin zelfs op mooie zonnige dagen de geheele vochtigheid der oude tijden voelbaar was, gaf hij zich over aan een nieuw gepeins.

Plotseling ontwaakte in hem weer de gedachte, die hem reeds zoo menigmaal verontrust had, dat de van Azië uitgegane menschheid steeds weer in de richting der zon voortgeschreden was. Een Oostenwind had steeds gewaaid en het menschelijk zaad voor de toekomende oogsten naar het Westen medegevoerd. En sedert lang hadden verwoesting en dood de wieg getroffen, alsof de volkeren slechts etappegewijze vooruit konden gaan, terwijl zij den uitgeputten bodem, de verwoeste steden, de gedecimeerde en ontaarde bevolkingen achter zich lieten, hoe verder zij van het Oosten naar het Westen, naar het onbekende doel gingen. Ninive en Babylon aan de oevers van den Euphraat, Thebe en Memphis op den oever van den Nijl, waren in puin gevallen, van ouderdom en moeheid in een verdooving verzonken, waaruit geen ontwaken mogelijk was. Vandaaruit had deze aftakeling de kusten van het groote Middellandsche meer bereikt en Tyrus en Sidon onder het stof der eeuwen begraven, om daarna het in zijn volle schittering door ouderdomszwakte overvallen Carthago in slaap te wiegen. Deze voorwaarts schrijdende menschheid, die door de verborgen kracht der beschavingen zoo van het Oosten naar het Westen gedreven werd, gaf haar dagreizen aan door bouwvallen. Welk een vreeselijke onvruchtbaarheid bezit thans die wieg der geschiedenis, dit Azië, dit Egypte, die, tot het stamelen van het kind teruggekeerd, onbeweeglijk, in onwetendheid en verval neerliggen op de puinhoopen der oude hoofdsteden, die vroeger de wereld beheerschten!

In het voorbijrijden, midden in zijn gepeins, kreeg Pierre het gevoel, dat de in donkerte gedompelde Palazzo di Venezia onder een aanval uit het onzichtbare scheen in te storten. De nevel had zijn tinnen bedekt, en de hooge, kale muren bogen onder den druk der toenemende duisternis. Dan na het diepe gat van den Corso, die ook eenzaam in het witachtig licht der booglampen lag, doemde rechts van hem de palazzo Torlonia op, waarvan de eene vleugel door het houweel van den slooper groote bressen vertoonde, terwijl links de donkere gevel van den palazzo Colonna zijn gesloten ramen aan elkander rijde, alsof hij, door zijn meesters verlaten en beroofd van zijn vroegere pracht, op zijn beurt de sloopers verwachtte.

Terwijl het rijtuig langzamer de Via Nazionale op begon te rijden, zette Pierre zijn gepeins voort. Had de verwoesting, die de voorwaarts schrijdende volkeren steeds achter zich lieten, ook Rome niet aangegrepen? Was ook zijn uur niet gekomen, om te verdwijnen? Griekenland, Athene en Sparta sliepen onder hun roemrijke herinneringen, telden in de tegenwoordige wereld niet meer mede. Het Zuiden van het Italiaansche schiereiland was reeds door de verlamming aangetast. Nu was, tegelijk met Napels, Rome aan de beurt. Het lag op de grens der besmetting, op den rand van de doodsvlek, die zich steeds verder over het oude vasteland uitbreidt, op den rand, waar de doodsstrijd begint, waar de uitgeputte bodem geen steden meer voeden of dragen wil, waar de menschen zelf reeds bij hun geboorte oud schijnen te zijn. Sedert twee eeuwen takelde Rome af, trok het zich langzamerhand uit het moderne leven terug, had het zijn handel en industrie verloren, bezat het zelfs geen wetenschap, kunst en letterkunde meer. En het was niet alleen de St. Pieter, die steeds meer afbrokkelde en, zooals vroeger de tempel van Juppiter Capitolinus, het gras met zijn puin bezaaide, maar in zijn duister, pijnlijk gedroom stortte geheel Rome met een laatste gekraak in en bedekte de zeven heuvelen met den chaos van zijn kerken, paleizen en nieuwe wijken, die onder distels en doornen sliepen. Evenals Ninive en Babylon, evenals Thebe en Memphis was Rome niet meer dan een kale, door bouwvallen hobbelig gemaakte vlakte, te midden waarvan men vergeefs de plaats der gebouwen trachtte te herkennen en waarin slechts kronkelende slangen en benden ratten huisden.

Het rijtuig maakte een bocht en Pierre herkende rechts in een donker gat de zuil van Trajanus. Maar in dit avonduur was zij geheel zwart, als de doode stam van een reuzenboom, welks takken door zijn hoogen ouderdom afgevallen zijn. En toen hij iets verder zijn blik omhoog sloeg, kwam de echte boom, dien hij tegen den loodkleurigen hemel onderscheidde—de piniepijn der villa Aldobrandini, die daar als de gratie en de trots van Rome stond—hem voor als een vuile vlek, als een kleine wolk van stof, die uit de volkomen ineenstorting der stad opsteeg.

Nu, aan het einde van zijn tragischen droom, werd zijn door broederliefde vervuld hart door schrik aangegrepen. Wanneer de door de verouderde wereld voortschrijdende verstijving Rome voorbij zou zijn, wanneer zij zich meester gemaakt zou hebben van Lombardije en Genua, Turijn en Milaan zouden inslapen, zooals thans Venetië reeds slaapt, dan zou eindelijk de beurt aan Frankrijk komen! Zij zou de Alpen overtrekken, Marseille zou zijn havens verzand zien als die van Tyrus en Sydon, Lyon in eenzaamheid en slaap wegzinken, Parijs eindelijk veranderd worden in een onvruchtbaar, met distelen bezaaid veld van steenen en Rome, Ninive en Babylon in den dood volgen, terwijl de volkeren met de eeuwige zon hun tocht van het Oosten naar het Westen voortzetten zouden. Een luide kreet steeg op uit de duisternis, de doodskreet der Latijnsche rassen. De Geschiedenis, die in het bekken der Middellandsche Zee geboren scheen te zijn, verplaatste zich en thans werd de Atlantische Oceaan het middelpunt der wereld. Hoe hoog stond de zon der menschheid? Bevond de menschheid, die van haar wieg, van het Oosten uitgegaan was en van etappe tot etappe haar weg met bouwvallen bezaaide, zich reeds op het midden van den dag, wanneer de middagzon brandt? Dan zou dus de andere helft van den dag beginnen, dan kwam de Nieuwe Wereld in de plaats van de Oude, dan waren de Amerikaansche steden, waar de democratie werd voorbereid, waar de godsdienst van morgen kiemt, de onbeperkt heerschende koninginnen der komende eeuw. En dan kwam, aan de overzijde van den anderen Oceaan, de wieg weer dichter naderend, het onbeweeglijke Verre Oosten, het geheimzinnige China en Japan, het dreigende gele gevaar.

Maar hoe verder het rijtuig de Via Nazionale opklom, des te meer voelde Pierre zijn beklemming wijken. Er woei een lichtere bries, hoop en moed kwamen weer in zijn ziel terug. Toch maakte de Bank met haar leelijke nieuwheid en haar nog vochtige kolossaalheid op hem den indruk van een spook, dat in zijn lijkwade door den nacht wandelt, terwijl boven de schemerachtige tuinen het Quirinaal niet meer was dan een zwarte lijn tegen den nog zwarteren hemel. Maar de straat steeg steeds hooger, en op den top van den Viminalis, op het Thermenplein, toen Pierre langs de puinhoopen van de thermen van Diocletianus reed, kon hij eindelijk uit volle borst adem halen. Neen, neen, de dag der menschheid kon niet eindigen; hij was eeuwig, de etappes der beschaving zouden elkaar zonder einde opvolgen. Wat beteekende die Oostenwind, die de als door de kracht der zon voortgedreven volkeren naar het Westen droeg? Wanneer het noodig was, zouden zij aan de andere zijde van de aardbol terugkomen, zouden zij meermalen de reis om de wereld maken, tot den dag, waarop zij zich in vrede, waarheid en gerechtigheid blijvend zouden kunnen vestigen. Na de volgende beschaving om den Atlantischen Oceaan, die dan het middelpunt en met groote steden omzoomd zijn zou, zou weer een nieuwe beschaving ontstaan; haar middelpunt zou de Stille Oceaan zijn met andere kusthoofdplaatsen, die men nog niet voorspellen kon en wier kiemen nog aan onbekende stranden sluimerden. Dan weer andere, nog andere, steeds andere!

En in deze laatste minuut kwam de moedgevende en reddende gedachte in hem op, dat de groote beweging der menschheid het instinct, de drang zelf was, dien de volkeren voelden, om terug te keeren tot de eenheid. Uitgegaan van één enkele familie, streefden zij, hoewel zij zich later gescheiden en in stammen verdeeld en elkaar met haat en broedermoord vervolgd hadden, ondanks alles ernaar weer één enkele familie te worden. De provincies vereenigden zich tot volkeren, de volkeren vereenigden zich tot rassen, de rassen zouden zich ten slotte tot één onsterfelijke menschheid vereenigen. Eindelijk een menschheid zonder grenzen, zonder oorlog—een menschheid, die van den rechtvaardigen arbeid in algeheele gemeenschap van goederen leeft! Was dat niet de evolutie, het doel van alle werk, de oplossing der Geschiedenis. Moge dus Italië een gezond en krachtig volk zijn, moge eendracht tusschen Italië en Frankrijk ontstaan, moge deze broederschap der Latijnsche rassen het begin der universeele broederschap zijn! O, een eenig vaderland, de aarde in vrede en gelukkig! Hoeveel eeuwen nog? Welk een droom!

In het station, te midden van het gedrang, dacht Pierre niet meer. Hij moest zijn kaartje nemen, zijn bagage laten inschrijven. En onmiddellijk stapte hij in zijn coupé. Overmorgen, bij het aanbreken van den dag, zou hij weer terug zijn in Parijs.

Einde.