Pierre bevond zich nu reeds veertien dagen te Rome, maar de zaak, waarvoor hij gekomen was, de verdediging van zijn boek, vorderde niet. Hij koesterde nog steeds den vurigen wensch den paus te spreken, zonder dat ten gevolge van de verschillende uitstellen en van den angst, dien monsignor Nani hem voor een onvoorzichtigen stap had ingeboezemd, te voorzien was, wanneer of hoe die wensch bevredigd zou worden. Daar hij begreep, dat zijn verblijf heel lang zou kunnen duren, had hij besloten zijn celebret in het vicariaat te laten viseeren en las nu iederen ochtend zijn mis in de Santa Brigittakerk op de piazza Farnese, waar hij door abbé Pisoni, den vroegeren biechtvader van Benedetta, zeer vriendelijk ontvangen was.

Dien Maandag wilde hij vroeg naar de intieme receptie van donna Serafina gaan, in de hoop daar nieuws te hooren en zijn zaak te kunnen bespoedigen. Misschien zou monsignor Nani er zijn, misschien zou hij het geluk hebben er den een of anderen prelaat of kardinaal te vinden, die hem zou willen helpen. Vergeefs had hij getracht tenminste enkele inlichtingen van don Vigilio te krijgen. Maar als opnieuw bevangen door wantrouwen en vrees, na een oogenblik dienstvaardig geweest te zijn, ontweek de secretaris van kardinaal Boccanera hem, verborg zich, vastbesloten zich niet in te laten met een beslist verdacht en gevaarlijk avontuur. Bovendien had hij twee dagen te voren zoo’n hevigen aanval van koorts gekregen, dat hij zijn kamer moest houden.

Zoo had Pierre geen anderen troost dan Victorine Bosquet, het tot huishoudster opgeklommen vroegere kindermeisje, de Beauceronneesche, die na een dertigjarig verblijf in Rome, dat zij nog niet kende, nog steeds haar oud Fransch hart behouden had. Zij sprak met hem over Auneau, als had zij het den vorigen dag nog gezien. Maar dien dag was zij niet zoo levendig en opgewekt als anders; en toen zij hoorde, dat hij ’s avonds naar de receptie wilde gaan, schudde zij haar hoofd.

“U zult de dames niet opgewekt aantreffen. Die arme Benedetta heeft groot verdriet. Het schijnt, dat het er met haar echtscheiding niet heel schitterend voor staat.”

Geheel Rome sprak erover. Het gepraat was opnieuw begonnen en wond de zwarte en witte kringen beide op. Het was dan ook volstrekt niet noodig, dat Victorine bang behoefde te zijn zich aan onbescheidenheid schuldig te maken, als zij haar landgenoot iets vertelde. In antwoord op de memorie van advocaat Morano, die, steunend op getuigenverklaringen en schriftelijke bewijzen, trachtte aan te toonen, dat het huwlijk wegens impotentie van den echtgenoot niet voltrokken kon zijn, had monsignor Palma, de voor deze aangelegenheid door de Conciliecongregatie als verdediger van het huwlijk gekozen theoloog, een vreeselijke tegen-memorie ingediend. In de eerste plaats trok hij de maagdelijkheid van de eischeresse sterk in twijfel, terwijl hij de technische termen van het certificaat der beide vroedvrouwen betwistte en een grondig onderzoek door twee doktoren eischte, voor welke formaliteit het schaamtegevoel der jonge vrouw teruggeschrikt was. Bovendien citeerde hij wetenschappelijk vastgestelde, physiologische gevallen, waarin jonge meisjes gemeenschap gehad hadden met mannen, zonder dat een spoor van ontmaagding te vinden geweest was.

Hij legde verder sterk den nadruk op het in de memorie van graaf Prada voorkomende verhaal, waarin deze, zeer eerlijk, aarzelde te zeggen of het huwlijk voltrokken was of niet, zóó had de gravin zich verzet; hij had het wel gemeend op het oogenblik, dat de daad in normale omstandigheden ten einde gebracht was, maar bij nadere overweging durfde hij dat niet beslist te verzekeren, gaf hij toe, dat hij, toegevend aan zijn heftige begeerte, zich misschien illusies gemaakt had over een volkomen bezit. Monsignor Palma juichte over dien twijfel, versterkte dien nog door al de spitsvondige redeneeringen, die deze zaak mogelijk maakte, ja hij voerde zelfs tegen de echtgenoote aan de verklaring der kamenier, die zij zelf als getuige had laten dagvaarden, en die het lawaai van den strijd gehoord had en bevestigde, dat na dezen eersten nacht mijnheer en mevrouw steeds afzonderlijk geslapen hadden. Het hoofdargument van de memorie was echter, dat het, zelfs, wanneer de eischeresse het onbetwistbare bewijs van haar maagdelijkheid geven kon, daarom niet minder vast stond, dat haar weigering alleen de voltrekking van het huwelijk belet had, daar de eerste voorwaarde voor de voltrekking de gehoorzaamheid der vrouw is. Na een vierde memorie, die van den rapporteur, waarin deze de drie andere resumeerde en aan kritiek onderwierp, was de congregatie tot stemming overgegaan en had met één stem meerderheid de nietigverklaring van het huwlijk uitgesproken. Dit was een zoo precaire oplossing der quaestie, dat monsignor Palma krachtens zijn recht onmiddellijk een aanvullingsonderzoek geëischt had, waardoor het geheele proces opnieuw behandeld moest worden en een nieuwe stemming noodig was.

“Die arme contessina!” riep Victorine uit; “zij zal nog van verdriet sterven, want ondanks haar kalm uiterlijk wordt het lieve kind door liefde verteerd … Het schijnt, dat advocaat Palma meester is van den toestand, dat hij de zaak net zoo lang kan rekken als hij zelf wil. En bovendien heeft het al zooveel gekost en zal het nog meer kosten. Abbé Pisoni—u kent hem nu goed—heeft waarachtig een prachtig idee gehad, toen hij met dit huwelijk voor den dag kwam. En ik wil geen kwaad zeggen van de nagedachtenis van mijn lieve mevrouw, gravin Ernesta, die een heilige was, maar zij heeft haar dochter ongelukkig gemaakt door haar aan graaf Prada te geven.”

Zij hield even op, om er dan in haar aangeboren rechtvaardigheidszin aan toe te voegen:

“Trouwens ik kan mij best begrijpen, dat graaf Prada met het heele geval ook niet erg ingenomen is. Ze maken zich te vroolijk over hem. Maar dat neemt niet weg, dat ik zeg, dat het van Benedetta toch wel dwaas is, om zooveel poespas te maken. Als het van mij afhing, dan zou zij vanavond nog haar Dario in haar kamer hebben; zij houdt toch zooveel van hem en ze verlangen al zoolang naar elkaar. Wel zeker, zonder burgemeester en zonder pastoor, zij zijn zoo jong en zoo mooi en zouden zoo graag samen gelukkig zijn … Geluk, lieve God, geluk is zoo zeldzaam!”

Toen zij zag, dat Pierre haar verbaasd aankeek, begon zij vroolijk met het kalme evenwicht van het lagere Fransche volk, dat alleen nog maar gelooft aan een gelukkig, fatsoenlijk leven, te lachen.

Dan klaagde zij op bescheiden wijze haar leed over een andere onaangenaamheid, die over het heele huis haar schaduw wierp. Het was eveneens een terugslag van die ongelukkige echtscheidingsquaestie. Donna Serafina en advocaat Morano hadden een woordenwisseling gehad. De laatste was zeer uit zijn humeur over het echec, dat hij met zijn memorie geleden had, en verweet pater Lorenza, den biechtvader van de tante en de nicht, haar aangezet te hebben tot een proces, waaruit niets dan schandaal kon voortkomen. En hij was niet meer in het paleis Boccanera teruggekomen. Het was het afbreken van een meer dan dertigjarige liaison en bracht groote beroering in alle Romeinsche salons, die Morano’s handelwijze ten sterkste afkeurden. Donna Serafina was des te meer verbitterd en beleedigd, omdat zij vermoedde, dat hij de woordenwisseling slechts als voorwendsel gebruikte, om haar voor iets geheel anders te verlaten, om een plotselingen, bij een man van zijn positie en vroomheid misdadigen hartstocht, dien een jong, intrigeerend burgermeisje hem ingeboezemd had.

Toen Pierre ’s avonds den met geel Louis XIV brocaat behangen salon binnentrad, bemerkte hij inderdaad, dat er een zekere zwaarmoedigheid heerschte onder het gedempte licht van de door kant omsluierde lampen. Er was niemand dan Benedetta en Celia, die met Dario op de canapé zaten te praten, terwijl kardinaal Sarno, achter in een fauteuil verscholen, zonder een woord te zeggen, naar het eindelooze, onuitputtelijke gebabbel luisterde van de oude tante, die iederen Maandag met de kleine prinses medekwam. Donna Serafina zat alleen op haar gewone plekje aan de rechterzijde van den haard; een heimelijke woede verteerde haar, dat zij de linkerzijde tegenover haar ledig zag, het plekje, dat Morano gedurende de dertig jaar van zijn trouw ingenomen had. Pierre merkte ook haar angstigen, daarna wanhopigen blik op, dien zij bij zijn binnenkomen op hem wierp; zij loerde als het ware op de deur, daar zij blijkbaar den wispelturige nog verwachtte. Zij hield zich echter zeer flink en zag er met haar fijne, meer dan ooit in haar corset geregen taille, met haar hard oude-jongejuffrouwengezicht, haar sneeuwwit haar en haar zeer donkere wenkbrauwen nog trotsch uit.

Nadat Pierre haar begroet had, liet hij dadelijk de hem geheel beheerschende gedachte blijken door te vragen of hij dien avond niet het genoegen zou hebben, monsignor Nani te zien.

En zij kon zich niet weerhouden te zeggen:

“O, monsignor Nani verlaat ons, evenals alle anderen. Wanneer je de menschen noodig hebt, verdwijnen ze.”

Zij had ook een zekeren wrok tegen den prelaat, omdat hij zich ondanks zijn vele beloften, bij de echtscheiding op den achtergrond gehouden had. Ongetwijfeld verborg hij als altijd onder zijn buitengewoon vleiende welwillendheid een ander plan. Zij had echter dadelijk berouw over de bekentenis, die haar woede haar ontrukt had, en zeide:

“Misschien komt hij nog. Hij is zoo goed en heeft zoo met ons op.”

Ondanks haar vurig bloed wilde zij politiek zijn, om het ongeluk zoo mogelijk te kunnen overwinnen. Haar broeder, de kardinaal, had haar gezegd, hoe de houding der Conciliecongregatie hem hinderde, want hij twijfelde er geen oogenblik aan, of de koele ontvangst, die de eisch van zijn nicht gevonden had, was gedeeltelijk het gevolg van het feit, dat sommige van zijn medekardinalen het uit rancune tegenover hem gedaan hadden. Zelf wenschte hij thans de scheiding, die alleen het voortbestaan van het geslacht verzekeren kon, daar Dario het nu eenmaal in zijn hoofd gezet had met niemand dan met zijn nicht te trouwen. Alle ongelukken kwamen nu tegelijk en troffen de geheele familie; hij was beleedigd in zijn trots, zijn zuster deelde in zijn verdriet en was bovendien in haar hart gewond; Benedetta en Dario waren wanhopig, dat hun verwachtingen nogmaals de bodem ingeslagen werd.

Toen Pierre bij de canapé kwam, waar de jongelui zaten te praten, hoorde hij, dat er fluisterend over niets dan over de catastrophe gesproken werd.

“Waarom ben je toch zoo wanhopig?” vroeg Celia. “Per slot van rekening is de nietigverklaring van het huwlijk met één stem meerderheid uitgesproken. Het proces wordt alleen nog eens gevoerd. Het is alleen een quaestie van uitstel.”

Maar Benedetta schudde haar hoofd.

“Neen, neen, als monsignor Palma zoo blijft aandringen, zal Zijne Heiligheid nooit zijn toestemming geven. Het is uit.”

“O, als we maar rijk, heel rijk waren!” prevelde Dario met een vaste overtuiging, die echter niemand lachen deed.

Dan zacht fluisterend tegen zijn nicht:

“Ik moet je beslist spreken; op deze manier kunnen we niet verder leven.”

En zij antwoordde eveneens zacht fluisterend:

“Kom morgenmiddag om vijf uur. Ik zal thuis blijven en zorgen alleen te zijn.”

Dan sleepte de avond zich eindeloos verder. Pierre zag met diepe ontroering de verslagenheid van de gewoonlijk zoo kalme en verstandige Benedetta. Haar diepe oogen in haar rein, kinderlijk-teer gezicht waren als omsluierd door ingehouden tranen. Hij had reeds een groote genegenheid voor haar opgevat, daar hij haar steeds in een zoo gelijkmatige, zij het ook eenigszins indolente stemming zag, en wist hoe zij onder dezen schijn van kalmte den hartstocht van haar vlammenziel verborg. Toch trachtte zij te glimlachen om de vertrouwlijke mededeelingen van Celia, wier liefdesaangelegenheden er beter voor stonden dan de hare. Een oogenblik slechts werd het gesprek algemeen, toen de oude tante met verheffing van stem over de onwaardige houding sprak, die de Italiaansche pers tegenover den Heiligen Vader aannam. Nooit schenen de betrekkingen tusschen het Quirinaal en het Vaticaan zoo slecht geweest te zijn.

De anders zoo stille kardinaal Sarno deelde mede, dat de paus ter gelegenheid van de heiligschennende feesten van 20 September ter herinnering aan de inneming van Rome, een nieuw protest zou slingeren naar alle Christelijke staten, die door hun onverschilligheid medeplichtig waren aan den roof.

“Ja, probeer maar den paus en den koning te laten trouwen!” zeide donna Serafina op bitteren toon, zinspelend op het betreurenswaardige huwlijk van haar nicht.

Zij scheen geheel buiten zichzelf te zijn, het was te laat om monsignor Nani of een ander nog te verwachten. Toch flikkerden haar oogen bij een onverwacht lawaai van stappen op; met vlammende blikken keek zij naar de deur, doch zag tot haar groote teleurstelling Narcisse Habert binnentreden, die zich over zijn late komst bij haar kwam verontschuldigen. Zijn aangetrouwde oom, kardinaal Sarno, had hem in dezen zoo gesloten salon geïntroduceerd en hij was er ten gevolge van zijn, naar men beweerde, intransigente godsdienstige denkbeelden welwillend ontvangen. Dien avond echter kwam hij, ondanks het late uur, slechts voor Pierre. Hij nam dezen dadelijk ter zijde.

“Ik was er zeker van u hier te zullen vinden, ik heb met mijn neef, monsignor Gamba del Zoppo, in de ambassade gedineerd en heb goed nieuws voor u … Hij zal u morgenochtend in zijn appartement op het Vaticaan ontvangen.”

Dan op nog meer fluisterenden toon:

“Ik geloof wel, dat hij trachten zal u bij den Heiligen Vader te introduceeren … In het kort, de audiëntie schijnt mij zeker.”

Pierre voelde een groote vreugde over dat nieuws, dat hij kreeg in dezen droefgeestigen salon, waar hij nu reeds bijna twee uur in steeds grooter wanhoop verviel. Eindelijk dus toch een oplossing! Na Dario de hand gedrukt en Benedetta en Celia begroet te hebben, ging hij naar zijn oom den kardinaal, die, nu hij eindelijk van de tante bevrijd was, begon te spreken. Maar hij praatte over bijna niets anders dan over zijn gezondheid en het weer en herhaalde enkele onbeteekenende anecdotes, die men hem verteld had, zonder ooit één woord los te laten over de dreigende ingewikkelde en verschrikkelijke dingen, die hij aan de Propaganda onder handen had. Het was alsof hij, buiten zijn bureau, in deze teruggetrokkenheid en in dit op den achtergrond treden een bad nam, waarin hij uitrustte van de zorgen over de heerschappij der wereld. Allen stonden nu op en namen afscheid.

“Vergeet het vooral niet,” zeide Narcisse nogmaals tot Pierre; “morgenochtend om tien uur vindt u mij in de Sixtijnsche kapel. Voordat mijn neef u ontvangt, zal ik u dan de Botticelli’s laten zien.”

Den volgenden ochtend om half tien bevond Pierre, die te voet gekomen was, zich op het groote plein. Voordat hij zich naar de bronzen deur in den hoek van de zuilengaanderij rechts wendde, keek hij op en bleef enkele minuten naar het Vaticaan staan kijken. Hij kon zich niets minder monumentaals voorstellen dan deze opeenhooping van gebouwen, die zonder eenige architectonische orde en zonder eenige regelmaat in de schaduw van den dom der St. Pieter opgegroeid waren. Het eene dak stapelde zich op het andere, de gevels strekten zich breed en vlak uit, zoo, als de vleugels eraan toegevoegd en opgebouwd waren. Alleen de drie zijden van den St. Damasiushof schenen symmetrisch boven de zuilengaanderij; met de groote vensters der voormalige, thans gesloten loggia’s deden zij denken aan drie groote broeikassen, waarvan de roodachtige steen in de zon glansde. Dat was dus het mooiste, het grootste paleis der wereld met elfhonderd vertrekken, die de schoonste kunstwerken van het menschelijk genie bevatten. Maar in zijn teleurstelling interesseerde Pierre zich slechts voor den hoogen rechtschen gevel, die uitziet op het plein, en waar hij wist, dat de ramen van de particuliere vertrekken van den paus op de tweede verdieping uitkwamen. Hij keek lang naar deze ramen, men had hem verteld, dat het vijfde raam rechts dat van de slaapkamer was, waarin men tot laat in den nacht een lamp branden zag.

Wat bevond zich achter deze bronzen deur daar voor hem, die de heilige drempel, de verbinding tusschen alle rijken der aarde en het koninkrijk Gods was, Wiens verheven vertegenwoordiger zich tusschen deze hooge, zwijgende muren ingekerkerd had? Hij keek uit de verte naar de met dikke, vierkante spijkers beslagen, metalen paneelen en hij vroeg zich af wat die streng-uitziende, oude vestingdeur verdedigde, verborg, wegsloot. Welke wereld zou hij daarachter vinden, wat voor een schat van ijverzuchtig in de donkerte bewaarde naastenliefde, wat voor een wedergeboorte der hoop voor de nieuwe, naar broederschap en gerechtigheid snakkende volkeren? Hij liet zich geheel door dien droom wiegen: de eenige en heilige redder, wakend in dit gesloten paleis, de heerschappij van Jezus voorbereidend, terwijl de oude, verrotte beschavingen in stof vallen zouden; de herder, die op het punt stond deze heerschappij af te kondigen door van onze democratieën de door den Heiland beloofde groote Christelijke gemeenschap te maken. Ja, de toekomst bereidde zich achter die bronzen deur voor, de toekomst zou daar ongetwijfeld uit te voorschijn treden.

Plotseling zag Pierre tot zijn groote verbazing monsignor Nani tegenover zich staan, die juist het Vaticaan verliet, om zich te voet te begeven naar het een paar passen verder gelegen paleis van den Santo Offizio, waar hij in zijn qualiteit als assessor woonde.

“O, monseigneur, ik ben zoo gelukkig. Mijn vriend, mijnheer Habert, zal mij voorstellen aan zijn neef, monsignor Gamba del Zoppo, en ik geloof werkelijk, dat ik de zoo vurig verlangde audiëntie verkrijgen zal.”

Op zijn vriendelijke en fijne manier glimlachte monsignor Nani.

“Ja, ja, ik weet het!”

Dan herstelde hij zich.

“Ik ben er even blij om als gij, mijn waarde zoon. Maar nogmaals, wees voorzichtig.”

Bang, dat de jonge priester mogelijk zou kunnen vermoeden, dat hij juist van monsignor Gamba del Zoppo kwam, den prelaat, die van de geheele toch al zoo angstige pauselijke hofhouding het makkelijkst bang te maken was, vertelde hij, dat hij van ’s morgens vroeg al moeite deed voor twee Fransche dames, die eveneens van verlangen brandden, om den paus te zien, maar dat hij erg bang was niet te zullen slagen.

“Ik wil u eerlijk bekennen monseigneur,” zeide Pierre, “dat ik den moed al begon te verliezen. Ja, het is hoog tijd, dat ik wat getroost word, want mijn verblijf hier is niet erg geschikt om je op te wekken.”

Hij sprak verder en liet doorschemeren hoe zeer Rome het geloof in hem vernietigd had. Dagen, zooals hij ze op den Palatinus en op de Via Appia, daarna in de katakomben en in de St. Pieter doorgemaakt had, konden zijn onrust slechts grooter doen worden, zijn droom van een verjongd en triompheerend Christendom slechts vernietigen. Hij was door die bezoeken een prooi van den twijfel geworden. Een uitputting maakte zich van hem meester, nu hij zooveel van zijn steeds tot verzet bereid enthousiasme verloren had.

Zonder dat het glimlachje van zijn lippen verdween, luisterde monsignor Nani naar hem en schudde goedkeurend zijn hoofd. Blijkbaar was het zoo goed, had het zoover moeten komen. Hij scheen het voorzien te hebben en daarom tevreden te zijn.

“Enfin, mijn waarde zoon, alles komt in orde, zoodra gij de zekerheid hebt Zijne Heiligheid te zien.”

“Dat is zoo, monseigneur, al mijn hoop is gevestigd op den zeer rechtvaardigen en helderzienden Leo XIII. Hij alleen kan over mij richten, omdat hij alleen in mijn boek zijn denkbeelden, die ik geloof zeer getrouw weergegeven te hebben, kan terugvinden … O, als hij wil, zal hij in naam van Jezus door de democratie en de wetenschap de oude wereld kunnen redden.”

Zijn oude geestdrift maakte zich weer van hem meester en Nani knikte opnieuw goedkeurend, terwijl om zijn scherpe ogen en om zijn dunne lippen een steeds vriendelijker wordende uitdrukking kwam.

“Precies, precies, mijn waarde zoon … Gij zult met den Heiligen Vader spreken—en dan zult gij verder zien.”

Toen hierop beiden opkeken naar den gevel van het Vaticaan, dreef hij de vriendelijkheid zoover om hem van zijn dwaling te genezen. Neen, het raam, waar men iederen avond licht zag, was niet van de slaapkamer van den paus. Het was het raam van een trapportaal, dat den geheelen nacht door gas verlicht werd. De kamer van den paus was twee ramen verder. Dan vielen zij weer in hun zwijgen terug en bleven, beiden nu ernstig geworden, naar den gevel kijken.

“Nu, tot ziens mijn waarde zoon. Ge komt me zeker wel eens van de audiëntie vertellen?”

Zoodra Pierre weer alleen was, ging hij de bronzen deur door; zijn hart klopte heftig, als had hij de heilige en vreeselijke plaats betreden, waar het toekomstige geluk voorbereid werd. Een schildwacht der Zwitsersche garde liep langzaam heen en weer; hij was in een grijsblauwen mantel gehuld, die slechts de zwart, geel en rood gestreepte broek liet zien; het scheen alsof deze mantel over een vermomming geworpen was, om de nu hinderlijk geworden verkleeding te bedekken. Onmiddellijk aan zijn rechterhand bevond zich de groote overdekte trap, die naar den St. Damasiushof leidde. Maar om in de Sixtijnsche kapel te komen, moest hij tusschen een dubbele rij zuilen de lange gaanderij volgen en de Scala Regia opgaan. En Pierre begon in deze reusachtige wereld, waarin alle afmetingen een overdreven, neerdrukkende majesteit kregen, bij het oploopen van de breede treden eenigszins te hijgen.

Toen hij de Sixtijnsche kapel binnenkwam, voelde hij zich eerst verbaasd. Zij kwam hem klein voor, een soort rechthoekige, zeer hooge zaal. Een mooi marmeren schot scheidt tweederde gedeelten af, het deel, waar bij groote plechtigheden de invités zich verzamelen; op het koor zitten de kardinalen op eenvoudige houten banken, terwijl de prelaten achter hen blijven staan. De pauselijke troon bevindt zich op een lage estrade rechts van het sober versierde altaar. Links is in den muur de smalle voor de zangers bestemde loggia met een marmeren balkon. Maar men moet eerst opkijken, men moet zijn blikken van de reusachtige fresco, die het Laatste Oordeel voorstelt en den geheelen achterwand inneemt, laten dwalen naar de zolder-schilderijen, die tusschen de twaalf lichte ramen—zes aan iederen kant—tot aan de kroonlijsten loopen, om plotseling te zien, dat alles uit elkaar schuift, en zich tot in het oneindige verbreedt.

Er waren gelukkig slechts drie of vier stille toeristen. Pierre zag onmiddellijk Narcisse Habert op een der kardinaalsbanken boven de trede, waarop de sleepdragers zitten. Onbeweeglijk, het hoofd wat achterover gebogen, scheen de jonge man in extase. Maar hij keek niet naar het werk van Michelangelo. Zijn blikken waren als het ware niet weg te krijgen van een der voorste fresco’s onder de kroonlijst. Toen hij den priester herkend had, prevelde hij slechts met tranen in zijn oogen:

“O, lieve vriend, zie toch dien Botticelli!”

Dan viel hij weer in zijn extase terug.

Pierre was geheel en al verdiept in een aandachtige beschouwing van Michelangelo’s bovenmenschelijk genie. Al het andere verdween, daar in de hoogte bevond zich als in een onbegrensden hemel niets dan deze buitengewoone kunstschepping. In den beginne sloeg het onverwachte hem met stomheid, dat de schilder de eenige schepper van dit werk had willen zijn; hij had geen hulp willen hebben, noch voor het marmer, noch voor het brons, noch voor het verguldsel. Het penseel van den schilder was voldoende geweest voor de pilasters, voor de zuilen, voor de marmeren kroonlijsten, voor de standbeelden en de bronzen ornamentiek, voor de gouden bloemen en rosetten, voor deze ongehoorde rijke versiering, welke de fresco’s omlijstte. Hij stelde zich voor hoe het op den dag geweest was, toen men hem het kale gewelf ter bewerking gegeven had—niets dan kalk, niets dan den vlakken en witten muur, de honderden vierkante meters, die te bedekken waren. En hij zag hem voor deze reusachtige taak staan, zonder hulp te willen, de nieuwsgierigen wegjagen, zich geheel alleen opsluitend met zijn reuzenwerk. Vier en een half jaar was hij in grimmige eenzaamheid met het baren van dezen kolos bezig geweest. O, dit ontzaglijke werk, geschapen om een leven te vullen, dit werk, dat hij had moeten beginnen in een rustig vertrouwen in zijn wil en in zijn kracht—het was een geheele wereld, die hij in een voortdurenden drang van zijn scheppende manlijke kracht, in de volle ontplooiing van zijn almacht uit zijn hersens getrokken en daar neergeworpen had.

Dan echter doorrilde Pierre een siddering van bewondering, toen hij deze door een zienersoog vergroote menschheid zag. Zij stroomde over van een matelooze synthese, van een cyclopisch symbolisme. Als een natuurlijke bloei lichtte iedere schoonheid op: koninklijke gratie in koninklijken adel, verheven vrede in verheven geweld. En dan de volkomen beheersching der stof, de meeste gewaagde verkortingen, waarvan hij zeker was, dat zij slagen zouden, de voortdurende overwinning op de technische moeilijkheden, die door de gewelfde vlakken veroorzaakt werden! En vóór en boven alles de ongelooflijke naïveteit en de aanwending der middelen: de stof bijna tot niets teruggebracht, enkele kleuren rijkelijk gebruikt zonder eenig streven naar het gekunstelde of naar praal! En dat was voldoende, het bloed bruiste stormachtig, de spieren spanden zich onder de huid, de figuren kregen leven en traden met zulk een krachtig élan uit de lijst te voorschijn, dat daarboven over alles een vlam scheen te strijken, die aan dat volk een bovenmenschelijk, onsterfelijk leven gaf. Ja, het was het leven, het stralende, overwinnende leven—een ontzagwekkend, woekerend leven, een levenswonder, dat een enkele hand verwezenlijkt had; maar deze bezat dan ook de hoogste en verhevenste gave: eenvoud en kracht.

Men heeft daarin een geheele philosophie gezien, men heeft daarin het geheele menschenlot, de schepping der wereld, van den man en van de vrouw, de zondenval, de straf, de verzoening en ten slotte de gerechtigheid Gods bij het Laatste Oordeel willen zien, maar daarbij kon Pierre bij die eerste aanschouwing, in de stomme verbijstering, waarin een dergelijk werk hem bracht, zijn gedachten niet bepalen. Doch welk een verheerlijking van het menschelijk lichaam, van zijn schoonheid, van zijn gratie was dit alles! O, die Jehova, deze koninklijke, geweldige en vaderlijke grijsaard, medegesleurd in den orkaan van zijn schepping, met uitgestrekte armen werelden barend! En die heerlijke Adam met zoo adellijke lijnen en de uitgestoken hand, en dien Jehova, zonder hem aan te raken, met een bewonderenswaardig gebaar met den vinger bezielt! Een geheiligde ruimte ligt tusschen dien vinger van den Schepper en dien van het schepsel, een kleine ruimte, die echter de oneindigheid van het onzichtbare en het mysterievolle bevat!

En deze machtige en aanbiddellijke Eva, deze Eva met haar krachtigen schoot, die in staat is de toekomstige menschheid in zich te dragen, met de trotsche, teere aanminnigheid der vrouw, die bemind zal willen worden, al zou het tot haar verdoemenis leiden, de vrouw in haar volheid met haar verleiding, haar vruchtbaarheid, haar macht. Zelfs de in de vier hoeken der fresco’s op pilasters zittende figuren vieren den triomf van het vleesch: de over haar naaktheid gelukkige twintig jonge mannen met hun prachtige torso’s en hun bewonderenswaardige ledematen, zoo vol leven, dat een waanzinnige zucht naar beweging hen medesleept, buigt en in heldenhoudingen terugwerpt. En tusschen de vensters troonden de reuzen, de Propheten en de Sibyllen, de goden geworden man en vrouw, bovenmenschelijk in spierkracht en in hun intellectueele uitdrukking: Jeremia met zijn elleboog op zijn knie en zijn kin in zijn hand, verzonken in visioenen en droomen; de Sibylle van Erythrea met het reine profiel en zoo jong in haar rijke schoonheid, een vinger leggend op het open boek van het noodlot; Jesaja met den sterken mond der waarheid, opgezwollen onder de gloeiende kolen, trotsch, het gezicht half afgewend en een hand met bevelend gebaar omhoog geheven; de Sibylle van Cumae, angstaanjagend door haar weten en haar ouderdom, vast als een rots, met haar gerimpeld gezicht, haar roofvogelneus en haar vierkante kin, die eigenzinnig vooruitsteekt; Jonas, uitgespuwd door een walvisch en neergeworpen in een buitengewone verkorting, den romp verrekt, de armen gekromd, het hoofd achterovergeworpen, den grooten mond open en schreeuwend; en al de anderen, al de anderen, allen van dezelfde groote en majestueuze familie, heerschend met de souvereiniteit van eeuwige gezondheid en eeuwig intellect, den droom van een onverwoestbare, grootere en hoogere menschheid verwezenlijkend.

Ook in de vensterbogen en in de luchtgaten ontstonden en verdrongen zich gestalten vol schoonheid, macht en aanminnigheid; het zijn de voorvaderen van den Christus, peinzend-droomende moeders met mooie naakte kinderen, mannen met vooruitzienden, in de toekomst starenden blik, het gestrafte, uitgeputte, naar den beloofden Heiland snakkende ras, terwijl in de overhangende gewelfbogen der vier hoeken bijbelsche tooneelen naar voren treden, de overwinningen van Israël op den geest van het Kwade. En eindelijk de reusachtige fresco van den achtergrond, het Laatste Oordeel met zijn wemelende gestalten, die zoo talloos zijn, dat er dagen en dagen noodig zijn, om ze goed te zien, een razende, door den brandenden adem van het leven voortgesleepte menigte, vanaf de dooden, die door de woest bazuinende engelen der Apokalypse gewekt worden, vanaf de verdoemden, die de duivelen in de hel storten, tot den door apostelen en heiligen omgeven, richtenden Jezus, tot de stralende uitverkorenen, die door engelen gedragen, omhoog stijgen, terwijl nog hooger andere engelen met de instrumenten van het lijden triompheeren in volle glorie. En toch bewaart de zoldering boven deze reusachtige schildering, die dertig jaar later de kunstenaar in de volle rijpheid van zijn kunnen maakte, haar zekere superioriteit, want daarin heeft hij zijn ongerepte kracht, al zijn jeugd, het eerste opvlammen van zijn genie gegeven.

Pierre kon geen woorden vinden. Michelangelo was het monster, dat alles domineerde, alles terneer drukte. Om dat in te zien, behoeft men slechts naast het geweldige van zijn werk de werken van Perugino, Pinturicchio, Rosselli, Signorelli, Botticelli, al de andere bewonderenswaardige fresco’s te aanschouwen, die onder de kroonlijst om de kapel loopen.

Narcisse had zijn oogen niet opgeslagen naar de verpletterende pracht van de zoldering. Geheel in extase verzonken, had hij zijn oogen niet afgewend van Botticelli, die hier drie fresco’s heeft. Eindelijk sprak hij op fluisterenden toon:

“O, Botticelli, Botticelli! De elegance en de gratie van den lijdenden hartstocht, het diepe gevoel van de droefheid in de wellust! Hij heeft onze geheele moderne ziel geraden en met de verleidelijkste bekoring omgeven, die ooit van een kunstenaarsschepping is uitgegaan!”

Verbaasd keek Pierre hem aan. Dan waagde hij het te vragen:

“Maar komt u dan hier om Botticelli te zien?”

“Natuurlijk,” antwoordde de jonge man met zijn gewone kalmte. “Iedere week kom ik eenige uren hier alleen voor hem en ik zie niets anders dan hem … Zie toch dat blad eens: Mozes en de dochters van Jethro. Heeft menschelijke teederheid en melancholie ooit iets aandoenlijkers geschapen?”

En met een zachte, vrome beving in zijn stem, als een priester, die in de verrukkelijke en angstaanjagende huivering van het heiligdom doordringt, ging hij voort:

“O, Botticelli, de vrouwen van Botticelli met haar lang, zinnelijk en rein gezicht, met haar onder de dunne kleeding iets te veel naar voren tredenden buik, met haar hoogopgerichte, soepele en zwevende houding, waarin haar geheele lichaam zich overgeeft. De jonge mannen, de engelen van Botticelli, die zoo echt en toch zoo mooi als vrouwen zijn, van een niet met zekerheid uit te maken geslacht, waarin zich de kracht der spieren paart aan de fijnheid der lijnen, allen omhoog gedragen door een vlam van verlangen, die zelfs de toeschouwers brandt. O, de monden van Botticelli, die zinnelijke, als vruchten zoo vaste, ironische of pijnlijk vertrokken monden, raadselachtig in hun plooien, zonder dat men kan zeggen of zij reine of afschuwlijke dingen verzwijgen. O, de oogen van Botticelli, die vleiende, hartstochtelijke, mystiek of wellustig zwijmelende oogen, soms vol van een zoo diepe smart in hun vreugde, dat er in de wereld geen ondoorgrondelijkere bestaan. O, de zoo zorgvuldig bewerkte handen van Botticelli, die als het ware een eigen intens leven bezitten, vrij spelen, zich met elkander vereenigen en met zulk een gezochte gratie elkaar kussen en met elkander spreken, dat zij er soms gemaniereerd door zijn, maar ieder met haar eigen uitdrukking, alle uitdrukkingen van genot en lijden der aanraking. En toch is er niets verweekelijkts noch iets leugenachtigs te zien; overal is een soort manlijke fierheid, een hartstochtelijke, prachtige beweging, die de figuren leven inblaast en medesleept, een volmaakt streven naar waarheid, een nauwkeurige waarneming, de grootste nauwkeurigheid, een echt realisme, dat gecorrigeerd en gematigd wordt door de geniale zeldzaamheid van het gevoel en het karakter en dat aan de leelijkheid zelve de onvergetelijke verheerlijking van den charme geeft!”

De verbazing van Pierre nam toe, terwijl hij luisterde naar Narcisse; hij merkte voor het eerst diens ietwat bestudeerde distinctie op, het gefriseerde, op Florentijnsche wijze geknipte haar, de blauwe, bijna malvekleurige oogen, die in zijn enthousiasme nog lichter werden.

“Zeker,” zeide ten slotte Pierre, “Botticelli is een schitterend kunstenaar … Maar het komt me voor, dat hier Michelangelo …”

Met een bijna heftig gebaar viel Narcisse hem in de rede.

“Ach neen, neen, praat me niet van dezen! Hij heeft alles bedorven, alles in den grond bedorven! Een man, die zich als een stier voor het werk spande, die zijn kunst tot een ambacht verlaagde, zoo en zooveel meter per dag! En een mensch zonder eenig begrip of gevoel voor het mysterievolle of ongekende, die alles zoo grof zag, dat je een walg krijgt van de schoonheid, mannenlichamen als boomstammen, vrouwen als reusachtige slagerinnen, klompen gevoelloos vleesch, zonder dat daarachter iets van een goddelijke of duivelsche ziel spreekt!… Een metselaar, en als gij wilt, een kolossaal metselaar, maar meer niet!”

Onbewust kwam in dit verwarde, door de zucht naar het eigenaardige en zeldzame verdorven ras van den moeden moderne de noodlottige haat tegen gezondheid, kracht en flinkheid te voorschijn. Deze Michelangelo, die zonder eenige moeite schiep, die het wondermooiste kunstwerk achtergelaten heeft, ooit door een kunstenaar ter wereld gebracht, was de booze vijand! Zijn misdaad bestond juist in dat scheppen, dat leven geven, zoodat al die kleine kunstgewrochtjes der anderen, zelfs de besten, in dezen overstroomenden vloed van levend in de zon geworpen wezens verdronken en ondergingen.

“Waarachtig,” zeide Pierre moedig; “ik kan het niet met u eens zijn. Ik heb zoo juist geleerd, dat in de kunst het leven alles is en dat alleen de scheppers de onsterfelijkheid verdienen. Het geval van Michelangelo lijkt mij beslissend, want alleen door dat buitengewone verwekken van levend en prachtig vleesch, waaraan uw verweekelijktheid aanstoot neemt, is hij de bovenmenschelijke meester, het monster, dat al de anderen dooddrukt. Laten de op buitenissigheid belusten, de intellectueele scherpzinnigen maar spitsvondig het equivoque en onzichtbare uitpluizen, laten zij het hoogste der kunst maar leggen in de keuze van een gezochte behandeling en het halfdonker van het symbool, Michelangelo blijft de Almachtige, de Schepper van menschen, de Meester van het licht, den eenvoud en de gezondheid, hij blijft eeuwig als het leven zelf.”

Thans glimlachte Narcisse slechts met een medelijdend- en hoffelijk-minachtend lachje. Och ja, niet iedereen ging uren lang in de Sixtijnsche kapel voor een Botticelli zitten, zonder ooit zijn blikken te richten naar de Michelangelo’s. En kort brak hij het gesprek af met de woorden:

“Maar het is elf uur. Mijn neef zou me hier laten waarschuwen, zoodra hij ons ontvangen kon. Ik begrijp niet, dat ik nog niemand gezien heb … Willen we zoolang naar de Raffaëlgalerij gaan?”

En boven in de galerij oordeelde hij weer heel helder en juist over de werken; zijn onbevangen blik keerde terug, zoodra hij niet meer bezeten werd door zijn haat tegen reusachtige werken en geniale decors.

Maar ongelukkig kwam Pierre uit de Sixtijnsche kapel; hij moest zich eerst uit de omarming van het monster rukken, vergeten wat hij gezien had, wennen aan wat hij daar zag, voor hij de reine schoonheid hiervan genieten kon. Het was, alsof hij eerst een te koppigen wijn gedronken had, die hem bedwelmde en belette dezen anderen lichteren, maar toch ook geurigen wijn lekker te vinden. Hier treft de bewondering niet als een bliksemstraal, maar werkt de betoovering met langzame, doch onweerstaanbare macht. Het is als Racine vergeleken bij Corneille, Lamartine bij Hugo—het eeuwige paar, wijfje en mannetje, in de eeuwen van den roem. Bij Raffaël triompheeren de adel, de gratie, de exquise, onberispelijke, goddelijk harmonische lijn; het is niet alleen meer het lichamelijke symbool, zooals Michelangelo het zoo prachtig neergeworpen heeft, maar tevens een in de schilderkunst overgebrachte psychologische analyse van groote scherpzinnigheid. Bij Raffaël is de mensch meer veredeld, meer geïdealiseerd, meer van binnen uit gezien. En ook wanneer daar iets sentimenteels, iets vrouwelijks, waarvan men de teedere huivering voelt, in ligt, toch heerscht hier een krachtige, bewonderenswaardige, grondige en groote techniek.

Langzamerhand kwam Pierre onder de bekoring van deze hoogste meesterschap; deze krachtige, elegante, jonge mannenschoonheid, deze visie van de opperste schoonheid in de hoogste volmaaktheid roerde hem tot in het diepst van zijn hart. Maar terwijl de vóór de schilderingen in de Sixtijnsche kapel ontstane schilderijen “De Strijd om het Heilige Sacrament” en “De School van Athene” hem de meesterwerken van Raffaël toeschenen, voelde hij daarentegen, dat de kunstenaar in “De Brand van den Borgo” en meer nog in “Heliodorus uit den tempel verjaagd” en “Attila tegengehouden bij de poorten van Rome” den bloesem van zijn goddelijke gratie verloren had, daar de verpletterende grootheid van Michelangelo op hem inwerkte. Welk een inslaan als van den bliksem, toen de Sixtijnsche kapel geopend werd en de rivalen binnentraden. Het monster daar beneden had geschapen en zelfs de grootste onder de stervelingen liet hier iets van zijn ziel, zonder dat hij zich ooit meer van den onderganen invloed vrij maken kon.

Dan bracht Narcisse Pierre naar de loggia’s, naar de zoo lichte, zoo smaakvol ingerichte glazen galerij. Maar Raffaël was dood; de kartons, die hij achtergelaten had, waren slechts het werk van leerlingen. Het was een plotseling, volkomen verval. Nooit had Pierre beter begrepen, dat het genie alles is, dat met zijn verdwijnen de geheele school ineenstort. De geniale mensch is als het ware een samenvatting van het tijdvak, geeft op een bepaald oogenblik der beschaving al het sap van den socialen bodem, dat dan menigmaal gedurende eeuwen uitgeput blijft. Het prachtige uitzicht, dat men van uit de loggia’s heeft, interesseerde hem nog te meer, toen hij merkte, dat hij aan de andere zijde van den St. Damasiushof de door den paus bewoonde verdieping zag. Beneden lag de hof met zijn zuilengaanderij, zijn fontein, zijn wit plaveisel, fel en kaal in de zon te branden.

Hier was beslist niets van de schaduw, van het gedempt-vrome mysterievolle, waarvan de omgeving der oude Noordelijke kathedralen hem hadden doen droomen. Rechts en links van het bordes, dat toegang gaf tot de vertrekken van den paus en den kardinaal-secretaris, stonden vijf rijtuigen, de koetsier rechtop op den bok, de paarden onbeweeglijk in het felle licht. En geen levende ziel bracht leven in de woestijn van den grooten, vierkanten hof met de drie verdiepingen loggia’s, die met haar groote ramen aan reusachtige broeikassen denken deden; de flikkering der ruiten en de roodachtige afstraling der steenen schenen de kaalheid van het plaveisel en van de gevels in een soort ernstige majesteit te vergulden als een heidenschen, aan den zonnegod gewijden tempel.

Maar nog meer trof Pierre het wondermooie panorama van Rome, dat zich onder die ramen van het Vaticaan ontrolde. Hij had geen oogenblik het vermoeden gehad, dat het zoo zijn zou, en plotseling maakte de gedachte zich van hem meester, dat de paus van zijn ramen uit geheel Rome voor zich uitgestrekt zag, samengedrongen, alsof hij slechts zijn handen behoefde uit te steken, om het weer te nemen. Lang dronk hij dat ongehoord-mooie schouwspel met zijn oogen en zijn hart in, want hij wilde het met zich mede dragen, het bewaren.

Een geluid van stemmen stoorde hem in zijn overpeinzingen en deed hem omkijken; hij zag, hoe een lakei in zwarte livrei, nadat hij Narcisse zijn boodschap medegedeeld had, diep groette.

De jonge man kwam naar den priester toe.

“Mijn neef, monsignor Gamba del Zoppo laat mij weten, dat hij ons vanochtend niet zal kunnen ontvangen. Het schijnt, dat hij onverwacht dienst moet doen.”

Maar zijn verlegenheid liet zien, dat hij niet aan dat excuus geloofde en begon te vermoeden, dat zijn neef, gewaarschuwd en bang gemaakt door een of andere goede ziel, er tegen opzag zich met deze zaak in te laten. Dit hinderde hem, die zoo gaarne een ander een dienst bewees en niet tegen moeite opzag. Maar hij glimlachte reeds weer, toen hij eraan toevoegde:

“Luister, misschien is er wel een middel om toch toegang te krijgen. Indien u uw middag vrij hebt, zullen wij samen dejeuneeren en dan hier terugkomen, om de Galleria degl’ antichi te bezichtigen. Het zal mij dan wel gelukken mijn neef te vinden, afgezien nog van het feit, dat wij door een gelukkig toeval den paus zelf kunnen ontmoeten, als hij naar de tuinen gaat.”

Bij het hooren, dat de audiëntie nogmaals uitgesteld was, had Pierre eerst een zeer groote teleurstelling ondervonden. Hij nam dan ook, daar hij over zijn geheelen dag beschikken kon, het aanbod van Narcisse gaarne aan.

“Ik ben werkelijk bang, dat ik misbruik begin te maken van uw vriendelijkheid … Ik dank u van ganscher harte.”

Zij dejeuneerden tegenover de St. Pieter in een klein restaurant van den Borgo, dat gewoonlijk alleen door pelgrims bezocht werd. Het eten was er trouwens zeer slecht. Tegen twee uur liepen zij de Basilica om over de piazza della Sagrestia en de piazza Santa Marta, om van de achterzijde in de Galleria te komen. Het was een licht, verlaten en warm stadsdeel, waar de jonge priester opnieuw en in veel sterker mate het gevoel van kale, vale en als door de zon verbrande majesteit kreeg, dat hij gehad had bij het zien van den St. Damasiushof. Toen hij om de reusachtige apsis van den kolos heen liep, begreep hij de ontzaglijkheid daarvan nog beter: een groote menigte gebouwen is hier opgestapeld, die door de ledige ruimte van het plaveisel, waarop een fijne grassoort groeit, omzoomd wordt. In die zwijgende oneindigheid speelden slechts twee kinderen in de schaduw van een muur. De oude Munt der pausen, de Zecca, die nu Italiaansch is en door soldaten des konings bewaakt wordt, staat links van de naar de Galleria leidende gang, terwijl rechts daartegenover zich een poort van het Vaticaan bevindt, waar een schildwacht der Zwitsersche Garde staat; door die poort komen de met twee paarden bespannen rijtuigen, die volgens de etiquette de bezoekers van den kardinaal-secretaris en van Zijn Heiligheid naar den St. Damasiushof brengen.

Zij volgden de lange gang, de straat, die tusschen een vleugel van het paleis en den muur der pauselijke tuinen loopt. Eindelijk kwamen zij aan de Galleria degl’ antichi. O, deze groote, uit eindelooze zalen gevormde Galleria, de Galieria, die eigenlijk drie musea bevat, de zeer oude Galleria Pio-Clementino, de Galleria Chiaramonte en den Braccio-Nuovo; het is een geheele wereld, die in de aarde teruggevonden en uitgegraven is en in het felle zonlicht verheerlijkt wordt. Meer dan twee uur liep de jonge priester er door, ging van de eene zaal naar de andere, verblind door deze meesterwerken, bedwelmd door zooveel genie en zooveel schoonheid. Niet alleen de beroemde stukken sloegen hem met verbazing, zooals de Laokoon en de Apollo van Belvédère, ook niet de Meleager of zelfs de torso van Hercules; meer nog werd hij getroffen door het ensemble, door de ontelbare beelden van Venus, Bacchus, vergoddelijkte keizers en keizerinnen, door dezen prachtigen opbloei van mooie lichamen, die de onsterfelijkheid van het leven uitjubelden.

Drie dagen te voren had hij het museum van het Capitool bezocht, waar hij de Venus, den Stervenden Galliër, de wondermooie, zwartmarmeren Kentauren, de buitengewone verzameling busten bewonderd had. Maar hier steeg door dezen onuitputtelijken rijkdom die bewondering tot stomme verbijstering. En daar hij misschien nog meer naar leven dan naar kunst zocht, bleef hij opnieuw in zelfvergetelheid voor de busten staan, waarin zoo werkelijk en echt het historische Rome herleeft, dat ongetwijfeld niet in staat was geweest zich op te werken tot de ideale schoonheid van Griekenland, maar dat het leven schiep. Zij zijn daar allen: de keizers, de wijsgeeren, de geleerden, de dichters, zij herleven allen in een wonderbare intensiteit, zooals zij waren, angstvallig door den kunstenaar bestudeerd en weergegeven met hun mismaaktheden, hun gebreken, de kleinste bijzonderheden in hun trekken; en uit dit overdreven streven naar waarheid kwam het karakter, een herleving van onvergelijkelijke macht voort. Er bestaat niets hoogers; het zijn de menschen zelf, die herleven, die de geschiedenis weer doen opstaan, deze valsche geschiedenis, door het onderwijs waarvan geslachten van leerlingen de oudheid verafschuwen. Maar hoe begrijpt men haar, hoe gaat men sympathie ervoor voelen, als men dit alles gezien heeft. En zoo kwam het, dat de kleinste marmeren brokstukken, de afgebroken standbeelden, de verminkte bas-reliefs, een goddelijke arm van een nymf, de gespierde dij van een satyr den glans van een lichtende, groote en krachtige beschaving doen opleven.

Narcisse bracht Pierre terug naar de honderd meter lange Galleria dei Candelabri, waar prachtige beeldhouwwerken te vinden zijn.

“Kijk eens, mijn waarde abbé, het is pas vier uur. Wij zullen hier een oogenblik gaan zitten, want het gebeurt meermalen dat de Heilige Vader hier door komt, om naar den tuin te gaan. Het zou een groot geluk zijn, wanneer u hem zoudt kunnen zien, en wie weet misschien spreken!… In ieder geval zult u wat uitrusten, want u zult wel doodmoe zijn …”

Alle suppoosten kenden hem, zijn verwantschap met monsignor Gamba del Zoppo opende alle deuren van het Vaticaan voor hem, waar hij dikwijls geheele dagen doorbracht. Er stonden twee stoelen, zij gingen erop zitten en Narcisse begon onmiddellijk weer over kunst te spreken.

Welk een verwonderlijk lot, welk een verheven en geleende koninklijkheid bezit Rome toch! Het schijnt een middelpunt te zijn, waarin de geheele wereld samenkomt, maar waar niets uit den bodem zelf, die van den beginne af met onvruchtbaarheid geslagen is, opschiet. De kunsten moeten hier geacclimatiseerd, het genie van de omliggende volkeren hierheen overgeplant worden; doch is dat eenmaal gedaan, dan bloeien zij in volle pracht op. Onder de keizers, wanneer Rome de koningin der aarde is, krijgt het van Griekenland de schoonheid van zijn monumenten en beeldhouwwerken. Later, als het Christendom ontstaat, is het in Rome nog geheel doordrenkt door het heidendom, trouwens op een anderen bodem verwekt het de Gotische kunst, de Christelijke kunst bij uitnemendheid. Nog later, in den tijd der Renaissance, bloeit wel in Rome de eeuw van Julius II en Leo X, maar deze beweging, welke het dien grooten opbloei bracht, werd voorbereid door Toscaansche en Umbrische kunstenaars.

Voor de tweede maal krijgt het zijn kunst van buiten, die het de heerschappij over de wereld geeft en daar een triomphantelijke grootte aanneemt. Toen had het ontwaken der oudheid plaats: Apollo en Venus worden tot nieuw leven gewekt en door de pausen zelf aangebeden, die, na Nicolaas V droomen het pauselijke Rome gelijk te maken aan het keizerlijke. Na de zoo oprechte, teere en sterke voorloopers, Fra Angelico, Perugino, Botticelli, en zoovele anderen, verschijnen twee majesteiten: Michelangelo en Raffaël, de bovenmenschelijke en de goddelijke. Dan volgt een plotselinge val: honderdvijftig jaren moeten verloopen om te komen tot Caravaggio, tot alles wat de schilderkunst, bij gebrek aan genie, aan krachtige kleur en uitbeelding bereiken kon. Dan duurt het verval voort tot Bernini, die de vervormer, de werkelijke schepper van het Rome der tegenwoordige pausen is, het wonderkind, dat van zijn achttiende jaar af een geheel geslacht van marmeren dochters verwekt, de alles omvattende architect, wiens verbazingwekkende werkzaamheid den gevel van de St. Pieter voltooid, de zuilengang gebouwd, het inwendige van de basilica versierd, tallooze fonteinen, kerken en paleizen opgericht heeft. En dit was het einde van alles, want van af dat oogenblik is Rome langzamerhand uit het leven verdwenen, heeft het zich iederen dag wat meer uit de moderne wereld teruggetrokken, alsof deze stad, die altijd van andere steden geleefd heeft, eraan ten gronde ging, dat zij haar niets meer kon afnemen, om zichzelf daaruit nieuwen roem te scheppen.

“Bernini, o, die heerlijke Bernini!” ging Narcisse, in extase wegzwijmelend, voort; “hij is zoo kráchtig en exquis, zijn scherpzinnigheid is steeds wakker, hij bezit een vruchtbaarheid vol gratie en pracht … En altijd weer komen zij aan met hun Bramante, hun Bramante met zijn meesterwerk, zijn correcte en koude Cancellaria! Nu, laten wij zeggen, dat hij de Michelangelo en Raffaël van de architectuur is geweest, en verder niet over hem praten!… Maar Bernini, de heerlijke Bernini, wiens zoogenaamde slechte smaak uit meer fijnheid en verfijning bestaat dan de anderen genie gelegd hebben in hun kolossaalheid en volmaaktheid. De rijke en diepe ziel van Bernini, waarin onze tijd zich terugvinden moest, is zoo triompheerend gezocht!… Kijk toch eens in de Villa Borghese naar de Apollo en Daphné-groep, die hij op zijn achttiende jaar gemaakt heeft, en vooral in de Santa Maria della Vittoria zijn Heilige Theresia in extase! Ach, deze Heilige Theresia! Men ziet den hemel open, de siddering, die het goddelijke genieten door het lichaam der vrouw zendt, de tot krampen opgevoerde wellust van het geloof, het naar adem snakkende schepsel, dat van overweldigende zaligheid in de armen van haar God sterft!… Ik heb uren en uren voor haar doorgebracht, zonder de kostbare, verterende oneindigheid van het symbool ooit te hebben kunnen uitputten!”

Zijn stem stierf weg, en Pierre, die zich over zijn onbewusten haat tegen gezondheid, eenvoud en kracht niet langer verwonderde, luisterde nauwlijks naar hem, overweldigd als hij werd door de gedachte, die zich meer en meer van hem meester maakte: het heidensche Rome ontwaakte weer in het Christelijke Rome en maakte daarvan het Katholieke Rome, het nieuwe politieke, gehiërarchiseerde en beheerschende centrum van de regeering der volkeren. Was het, met uitzondering dan van den oorspronkelijken katakombentijd, ooit Christelijk geweest? Deze gedachten waren als het ware een voortzetting, een bevestiging van die, welke hij op den Palatinus, op de Via Appia, in de St. Pieter gehad had. En dezen zelfden ochtend in de Sixtijnsche kapel en in de Stanza della Segnatura, in de bedwelming, waarin de bewondering hem gebracht had, had hij het nieuwe bewijs, dat het genie hem gaf, wel begrepen. Weliswaar kwam in Michelangelo en Raffaël het heidendom slechts terug in een door den Christelijken geest bewerkte vervorming. Maar lag het er niet aan ten grondslag? Kwamen de reusachtige naaktfiguren van den eersten niet uit den vreeselijken hemel van Jehova, dien hij door den Olympus heen gezien had? Lieten de ideale figuren van den tweede niet onder den kuischen sluier der Heilige Maagd de heerlijke en begeerlijke Venuslichamen zien? Nu was Pierre zich daar ten volle van bewust, en bij de verbazing, die hem overstelpte, voegde zich een gevoel van verlegenheid, want die tallooze, mooie lichamen, deze naaktfiguren, die de hartstochtelijke levenslust verheerlijkten, gingen in tegen den droom, dien hij in zijn boek gedroomd had: het verjongd Christendom, dat vrede gaf aan de wereld, de terugkeer tot den eenvoud, tot de reinheid der eerste tijden.

Plotseling hoorde hij tot zijn verbazing hoe Narcisse, zonder dat hij begrijpen kon door welken overgang van gedachten hij daartoe kwam, hem bijzonderheden begon te vertellen over het dagelijksch leven van Leo XIII.

“Ja, mijn waarde abbé, op zijn vier-en-tachtigste jaar is hij nog zoo werkzaam als een jonge man, leidt hij een leven van wilskracht en arbeid, zooals wij het geen van beiden gaarne leven zouden!… Om zes uur staat hij al op, leest zijn mis in zijn particuliere kapel en ontbijt dan met wat melk. Van acht tot twaalf uur is het vervolgens een onafgebroken défilé van kardinalen, prelaten, alle congregatie-aangelegenheden, die hem onder de oogen komen moeten, en ik verzeker u, dat er geen meer ingewikkelde bestaan. Om twaalf uur hebben de openbare en gemeenschappelijke audiënties plaats. Om twee uur dineert hij. Dan volgt een siësta, die hij wel verdiend heeft, of een wandeling in den tuin tot zes uur. Menigmaal houden de particuliere audiënties hem dan nog een paar uur bezig. Om negen uur soupeert hij, maar hij eet bijna niets, leeft van niets, en dan altijd alleen aan een klein tafeltje … Wat zegt u wel van de etiquette, die hem tot een dergelijke eenzaamheid verplicht? Stel u voor: een mensch, die in geen achttien jaar een dischgenoot gehad heeft, altijd alleen zit in zijn grootheid?… Om tien uur zondert hij zich, nadat hij met zijn vertrouwden de Rozenkrans gebeden heeft, af in zijn kamer. Maar ook al gaat hij naar bed, hij slaapt weinig; meermalen wordt hij bezocht door slapeloosheid; dan staat hij weer op, roept een secretaris, om dezen aanteekeningen of brieven te dicteeren. Wanneer een belangrijke zaak hem bezighoudt, dan geeft hij zich daar geheel aan, denkt er onophoudelijk aan. Dat is zijn leven, daarin ligt het geheim van zijn gezondheid: een voortdurend wakkere, bezige geest, een kracht, die behoefte heeft zich te uiten … U weet natuurlijk ook, dat hij langen tijd met liefde de Latijnsche poëzie beoefend heeft. Men beweert ook, dat hij in dagen van strijd een waren hartstocht voor de journalistiek heeft, zoozeer zelfs, dat hij de artikelen in de bladen, die hij steunt, inspireert, ja ook dicteert, wanneer zijn liefste denkbeelden op het spel staan.”

Er volgde een stilte. Ieder oogenblik keek Narcisse in deze groote, verlaten en plechtige Galleria dei Candelabri te midden van de roerlooze, spookachtig witte marmeren beelden, of het kleine gevolg van den paus nog niet kwam, om zich naar den tuin te begeven.

“Het zal u wel bekend zijn,” ging Narcisse voort, “dat men hem op een lagen stoel naar beneden draagt, die zoo smal is, dat hij door alle deuren heen kan. Het is een heele tocht! Bijna twee kilometers door de loggia’s, de Stanza di Raffaeli, de schilderijen- en beeldhouwwerkengalerijen, ongerekend de talrijke trappen. In het kort een eindelooze tocht, voor men hem beneden neerzet in een allée, waar een rijtuig met twee paarden staat te wachten.—Het is prachtig weer vanavond. Hij zal zeker komen. Heb nog maar even geduld!”

Terwijl Narcisse deze bijzonderheden vertelde, zag Pierre de geheele geschiedenis voor zich herleven. Eerst kwamen de mondaine en praallievende pausen der Renaissance, zij, die de Oudheid hadden opgewekt en ervan droomden den Heiligen Stoel weer met het keizerlijk purper te drapeeren: Paul II, de prachtlievende Venetiaan, die den palazzo di Venezia had gebouwd; Sixtus V, wien wij de Sixtijnsche kapel te danken hebben; Julius II en Leo X, die van Rome een stad van theatralen pronk, van kostbare feesten, tournooien, balletten, jachtpartijen, maskerades en festijnen maakten. Het pausdom had juist onder den grond, in het stof der puinhoopen, den Olympus teruggevonden; en als bedwelmd door den uit den ouden bodem opstijgenden levensstroom, stichtte het de musea, maakte daarvan weer de prachtige, aan den eeredienst der algemeene bewondering teruggegeven heidensche tempels. Nooit had de Kerk zich nog in zoo’n doodsgevaar bevonden, want al bleef men ook in de St. Pieter den Christus vereeren, zoo troonden toch Juppiter en al de marmeren goden en godinnen met hun triompheerende lichamen in de zalen van het Vaticaan.

Vervolgens rees een ander visioen voor Pierre op, dat der moderne pausen vóór de Italiaansche occupatie, Pius IX vrij nog en zich dikwijls bewegend in zijn geliefd Rome. De groote, roode en gouden koets werd door zes paarden getrokken, omgeven door de Zwitsersche garde, gevolgd door een peloton edelgarden. Op den Corso verliet de paus meermalen zijn rijtuig en zette zijn wandelrit te voet voort; dan galoppeerde een bereden garde vooruit, om te waarschuwen en alles te doen stilstaan. Onmiddellijk schaarden de rijtuigen zich in een rij; de mannen stapten uit, om op straat neer te knielen, terwijl de vrouwen eenvoudig bleven staan en het hoofd eerbiedig bogen bij de nadering van den Heiligen Vader, die, glimlachend en zegenend, met langzamen stap tot aan de piazza del Popolo ging. En nu kwam Leo XIII, de vrijwillige gevangene. Achttien jaar lang nu al in het Vaticaan opgesloten, had hij achter deze dikke, zwijgende muren, in dat onbekende, waarin het bescheiden leven van al zijn dagen wegvloot, een hoogere majesteit, iets heilig en huiveringwekkend mysterievols gekregen.

O, deze paus, dien men niet meer ontmoet, dien men niet meer ziet, die voor den gewonen mensch verborgen is als een dier vreeselijke godheden, die alleen de priesters in het gelaat durven zien! Hij heeft zich opgesloten in dat weelderige Capitool, dat zijn voorgangers uit den Renaissance-tijd gebouwd en versierd hadden voor reusachtige feesten; hij leeft daar, ver van de groote menigte, in een gevangenis, met de mooie mannen en de mooie vrouwen van Michelangelo en Raffaël, met de marmeren goden en godinnen, den schitterenden Olympus, die den godsdienst van het licht en van het leven viert. Het geheele pausdom baadt daar met hem in het paganisme. Welk een schouwspel, wanneer deze tengere grijsaard met zijn sneeuwwitte haren, door die zalen der Galleria degl’ Antichi komt, om zich naar den tuin te begeven. Rechts en links zien de standbeelden met al hun naakt vleesch hem voorbijkomen: Juppiter en Apollo en Venus, de heerscheres, en Pan, de universeele god, wiens lach de vreugden der aarde inluidt. Nereïden baden zich in den doorzichtigen stroom, Bacchanten dartelen zonder sluier in het warme gras. Kentauren dragen galoppeerend op hun dampende flanken mooie, in wellust zwijmelende meisjes weg. Ariadne wordt verrast door Bacchus, Ganymedes liefkoost den adelaar, Adonis doet de paren in liefde ontvlammen.

En de witte grijsaard wordt op zijn lagen stoel door dit triompheerende vleesch, die pronkende, pralende, verheerlijkte naaktheid, die de almacht der natuur, het eeuwige mysterie verkondigt, gedragen. Sedert men haar teruggevonden, uitgegraven en geëerd heeft, heerscht zij daar opnieuw onvergankelijk; en vergeefs heeft men wijnrankbladeren aan de standbeelden aangebracht, evenals men de grootsche figuren van Michelangelo gekleed heeft: het geslacht vlamt, het leven schuimt over, het zaad stroomt wild-bruisend door de aderen der wereld.

Dicht daarbij in de onvergelijkelijk rijke Vaticaansche Bibliotheek, waarin het geheele menschelijke weten slaapt, zal het een nog vreeselijker gevaar zijn, zal een ontploffing het Vaticaan en zelfs de St. Pieter ten val brengen, wanneer ook die boeken eens ontwaken en luide spreken, zooals de schoonheid der Venussen en de mannekracht der Apollo’s gesproken hebben. Maar de witte, zoo magere grijsaard schijnt niets te zien, niets te hooren, en de Juppiterkoppen en de Herculestorso’s en de Antinoi met hun dubbelzinnige heupen, blijven hem zwijgend voorbij zien gaan.

In zijn ongeduld vroeg Narcisse een suppoost, die hem verzekerde, dat Zijne Heiligheid reeds in den tuin was. De meeste keeren namelijk ging men, om den weg te bekorten, door een kleine overdekte galerij, die voor de Munt uitkwam.

“We zullen ook gaan, als ge het goed vindt!” zeide hij tegen Pierre. “Ik zal zien, dat we toegang tot de tuinen krijgen.”

Beneden in den vestibule, waar een deur uitkwam op een breede laan, begon hij weer te praten met een anderen suppoost, een voormalig pauselijk soldaat, dien hij speciaal kende. Onmiddellijk liet deze hem met Pierre doorgaan; maar hij kon niet zeker zeggen of monsignor Gamba del Zoppo met Zijne Heiligheid was.

“Het komt er niet op aan,” begon Narcisse weer, toen zij samen in de allée waren; “ik geef nog steeds de hoop op een gelukkige ontmoeting niet op … En nu zijn we in de beroemde tuinen van het Vaticaan.”

Deze tuinen zijn zeer uitgestrekt. De paus kan, wanneer hij door de alleeën en dan door de wijngaard en den moestuin gaat, vier kilometer loopen. Zij beslaan het plateau van den Vaticaanschen heuvel, die aan alle zijden nog door den ouden muur van Leo IV omgeven wordt, wat hen van de omliggende kleine dalen scheidt. Vroeger liep de muur door tot den Engelenburg, waar de zoogenaamde Leostad was. Er is geen plek, vanwaar men in die tuinen zien kan, geen enkele nieuwsgierige blik zou erin kunnen doordringen, behalve van den dom van de St. Pieter, en slechts haar reusachtige schaduw valt op brandend heete dagen in de tuinen. Zij vormen als het ware een wereld op zichzelf, een gevariëerd en volkomen geheel, dat iedere paus getracht heeft mooier te maken: een groot grasperk met geometrische gazons met twee mooie palmen beplant en met citroen- en oranjeappelboomen in potten versierd; een vrijere, schaduwrijker tuin, waarin zich tusschen diepe heggen en lanen de Aquilone, de fontein van Giovanni Vesanzio en het oude Casino van Pius IV bevinden; de boschjes met de prachtige steeneiken, die door breede alleeën doorsneden worden en als uitlokken tot langzame wandelingen; en eindelijk, na nog andere boomgroepen, de moestuin en de goed onderhouden wijngaard.

Al loopend door de boschjes vertelde Narcisse aan Pierre bijzonderheden over het leven van den Heiligen Vader in deze tuinen. Wanneer het weer het toelaat, gaat hij er om den anderen dag wandelen. Vroeger verhuisden de pausen in Mei van het Vaticaan naar het Quirinaal, dat koeler en gezonder is, terwijl zij den tijd der grootste hitte doorbrachten in Castel Gandolfo aan het Albaansche Meer. Tegenwoordig heeft de Heilige Vader geen ander zomerverblijf dan de zoo goed als ongedeerd gebleven toren van den ouden muur van Leo IV. Hij brengt daar de warmste dagen door en heeft zelfs een soort paviljoen ernaast laten bouwen voor zijn gevolg, om er langer verblijf te kunnen houden. Narcisse, die hier bekend was, kon vrij naar binnen gaan en Pierre een blik laten slaan in het eenige door Zijne Heiligheid bewoonde vertrek, een groote ronde kamer met een half-kogelvormige zoldering, waar de hemel op geschilderd is met de symbolische teekenen der sterren, waarvan er een, de Leeuw, als oogen twee sterren heeft, die door een bijzonder verlichtingssysteem ’s nachts fonkelen. De muren zijn zoo dik, dat men door een der ramen af te sluiten, in de nis een soort kamer heeft kunnen maken, waarin zich een rustbed bevindt. Verder bestond het meubilair uit een groote schrijftafel, een kleinere eettafel en een grooten, geheel vergulden, koninklijken leunstoel, een der geschenken ter gelegenheid van het bisschopsjubileum. En men denkt aan de eenzame, stille dagen in deze lage torenkamer, koel als een graf, wanneer de heete Juli- en Augustuszon in de verte op het in slaap gevallen Rome brandt.

Dan nog verdere bijzonderheden. In een anderen, door een kleinen, witten koepel bekroonden toren, dien men tusschen het groen ziet, is een sterrenwacht opgericht. Ook is er onder de boomen een Zwitsersch chalet, waarin Leo XIII gaarne uitrust. Hij gaat meermalen te voet naar den moestuin en stelt vooral belang in den wijngaard, dien hij dikwijls bezoekt, om te zien, of de druiven rijpen en de oogst goed worden zal. Maar wat den jongen priester het meest verbaasde was te hooren, dat de Heilige Vader, toen hij jonger en sterker was, een hartstochtelijk jager geweest was. In het bijzonder was hij een vriend van den “roccolo”. Aan den rand van een boschje worden langs een allée netten met groote, breede mazen gespannen, zoodat die allée aan beide zijden afgesloten is. In het midden zet men op den grond de kooien met lokvogels, wier zang al heel spoedig de vogels uit de buurt, de roodborstjes, grasvinken, nachtegalen en allerlei soorten vijgeneters lokt. Wanneer er dan veel bij elkaar waren, klapte Leo XIII, die verscholen op den loer zat, in zijn handen en verschrikte de vogels, die opvlogen en met hun vleugels in de mazen van het net bleven hangen. Men behoefde ze dan nog slechts uit te zoeken en met een lichten druk van den duim te wurgen. Gebraden vijgeneters vormen een groote delicatesse.

Toen zij door het kreupelhout teruggingen, zag Pierre tot zijn groote verbazing een kleine imitatie der Grot van Lourdes, die met behulp van rotsjes en cementblokken gemaakt was. Zijn ontroering was zóó groot, dat hij die voor Narcisse niet verbergen kon.

“Dus is het toch waar?… Men had het mij verteld, maar ik dacht, dat de paus breeder van opvatting en los van dat lage bijgeloof was.”

“O,” antwoordde Narcisse, “ik geloof, dat de Grot uit den tijd van Pius IX dateert, die voor Notre-Dame de Lourdes een dankbare vereering had. In ieder geval is het een geschenk, en Leo XIII zorgt alleen maar, dat de Grot niet in verval geraakt.”

Gedurende enkele minuten bleef Pierre roerloos en zwijgend voor die nabootsing, voor dat kinderlijke, religieus stuk speelgoed staan. Verscheidene bezoekers hadden uit vromen ijver hun visitekaartjes in de spleten van het cement achtergelaten. Teleurgesteld en droevig gestemd begon hij met hangend hoofd en geheel verzonken in een troosteloos gepeins over de jammerlijke dwaasheid der wereld, Narcisse weer te volgen.

Lieve God, hoe heerlijk was ondanks alles dit einde van een mooien dag, welk een alles overwinnende bekoring steeg in dit aanbiddelijke gedeelte der tuinen uit de aarde op! Meer dan onder de flauwe schaduw van het kreupelhout, meer zelfs dan tusschen de vruchtbare wijngaardranken voelde hij hier midden op dit kale, verlaten, trotsche en brandende grasperk de volle kracht der machtige natuur. In het dunne gras, dat regelmatig de geometrische afdeelingen, die door de alleeën gevormd werden, sierde, zag men nauwlijks eenige lage struiken, dwergrozen, aloës en half verdroogde bloemperkjes, terwijl in den barokken smaak van vroeger enkele groene heestertjes nog het wapen van Pius IX vormden.

Niets stoorde de warme stilte dan het zachte, kristallijnen geruisch van de fontein in het midden, een regen van droppels, die onophoudelijk uit een bekken vielen. Geheel Rome met zijn vurigen hemel, zijn souvereine lieftalligheid, zijn veroverenden wellust scheen dit vierkante mozaïek van groen te bezielen; half verwaarloosd en geschroeid als het was, nam het in de oude huivering van een vlammenden hartstocht, die nooit sterven kon, een zwaarmoedigen trots aan. Oude vazen, oude standbeelden, naakt en wit in de ondergaande zon, stonden om het grasperk heen. En sterker dan de geur der eucalyptussen en der pijnboomen, sterker ook dan de geur der rijpende oranjeappelen steeg de geur der groote taxisboomen op, zoo vol gulzig leven, dat hij als de geur zelf der manlijke kracht van dezen ouden, door menschenstof verzadigden bodem, de voorbijgangers als het ware bedwelmde.

“Het is werkelijk wonderlijk, dat wij Zijne Heiligheid niet gezien hebben,” zeide Narcisse. “Het rijtuig is zeker de andere allée doorgereden, toen wij in den toren van Leo IV waren.”

Hij begon nu over zijn neef, monsignor Gamba del Zoppo, en legde Pierre uit, dat het ambt van “Copiere”, van opperschenker, dat deze als een der vier geheime kamerheeren moest vervullen, nog slechts een zuiver eerebaantje was, vooral sedert de diplomatieke diners en de diners ter eere van bisschopswijdingen gegeven werden bij den kardinaal-secretaris in het staatssecretariaat. Monsignor Gamba del Zoppo, wiens blooheid en onbeduidendheid spreekwoordelijk waren, scheen geen andere rol te spelen dan Leo XIII, die hem om zijn voortdurende vleierijen en de anecdotes, welke hij zoowel uit de zwarte als de witte kringen wist te vertellen, gaarne mocht, op te vroolijken. Deze dikke, vriendelijke en zelfs, wanneer zijn eigen belangen daardoor geen gevaar liepen, dienstvaardige man, was een wandelende courant. Hij wist alles en versmaadde zelfs keukenpraatjes niet. Op die wijze stevende hij kalm op het kardinaalschap aan; hij was zeker van den kardinaalshoed, zonder dat hij zich eenige andere moeite behoefde te geven dan op de wandelingen nieuwtjes te vertellen. En God weet, dat hij daarvoor stof genoeg vond in dat gesloten Vaticaan met zijn gewemel van prelaten van alle soorten, onder dat pauselijk personeel, waarbij geen vrouwen zijn en dat alleen uit oude jonggezellen in lange kleeren bestaat, die slechts leven in matelooze eerzucht, in heimlijken en afschuwlijken strijd en in woesten haat, welke, naar men zegt, soms nog wel grijpt naar het goede, oude gif van vroeger tijden!