NEGENDE KLASSE.

DE TWEEBLADIGEN (Dicyemida).

Vooral in de organen, die bij de Koppootige Weekdieren de rol van nieren vervullen, treft men een groot aantal microscopisch kleine, draadvormige, met trilharen begroeide parasieten aan, die met het voorste, bij wijze van een kop gezwollen lichaamseinde zijn vastgehecht. Spijskanaal, mond en aars ontbreken; lichaamsholte, spierweefsel, zenuwweefsel komen niet voor. De beide eenige lichaamsbestanddeelen zijn: een enkelvoudige laag van platte cellen, die aan haar buitenste oppervlakte trilharen dragen en tot hulsel dienen voor een groote, wandlooze „binnencel”, die zich van voren tot achteren uitstrekt, of door een gering aantal „binnencellen” vervangen is. Een nog eenvoudiger maaksel treft men aan bij de Protozoën. Alle hoogere dieren (Metazoën) daarentegen ontwikkelen zich uit wezens, welker lichaamswand uit 3 lagen van cellen is samengesteld. Om deze reden beschouwen sommige dierkundigen, in navolging van den Luikschen professor Ed. van Beneden, de Dicyemiden en hunne naaste verwanten als leden van een afzonderlijke hoofdafdeeling, welke onmiddellijk zou moeten volgen op die der Protozoën. Meer algemeen echter worden deze dieren, wegens hun overeenkomst met de vrijzwemmende larven van de Distomeën, als Wormen beschouwd en in de nabijheid van de Platwormen geplaatst.

Naar het aantal „binnencellen” onderscheidt men twee familiën: de Orthonectiden, die bij Slangsterren en Nemertinen parasiteeren, hebben er verscheidene; bij de Dicyemiden komt er slechts één voor. De geslachtsorganen zijn niet in ’t zelfde individu vereenigd. Er zijn bovendien tweeërlei wijfjes; die van den eenen vorm brengen uitsluitend mannetjes, de overige niet anders dan wijfjes voort.