VIERDE KLASSE.

DE RINGWORMEN (Annelides).

Het lichaam van de Ringwormen bestaat, zooals hun naam te kennen geeft, uit een reeks van segmenten of ringen, welker grenzen uitwendig door groeven zijn aangeduid. De hier voorkomende dwarsschotten dringen meer of minder diep in de lichaamsholte door. Deze ringen stemmen in maaksel overeen. Het aantal is onbepaald. De mond is altijd achter het eerste of kopsegment aan de buikzijde van het mondsegment gelegen. De meeste Ringwormen kunnen het voorste deel van het spijskanaal naar buiten omstulpen in den vorm van een snuit, die voor ’t graven of voor ’t vangen van dieren geschikt is. Dat de Ringwormen de hoogst ontwikkelde leden van de hoofdafdeeling zijn, blijkt vooral uit den vorm en de ontwikkelingstrap van hun zenuwstelsel, waardoor zij zich bij de Echte Arthropoden aansluiten. In verband hiermede blinken zij door de energie en de menigvuldigheid van hunne levensverrichtingen boven de andere Wormen uit en naderen ook in dit opzicht tot de hooger ontwikkelde Gelede Dieren. De klasse der Ringwormen wordt gesplitst in twee onderklassen, die door de bewegingsorganen van elkander verschillen. Van de eene is de Regenworm, van de andere de Bloedzuiger een algemeen bekende vertegenwoordiger.

EERSTE ONDERKLASSE.

DE BORSTELWORMEN (Chaetopoda).

De Borstelwormen kenmerken zich vooral door het bezit van borstels, die bij wijze van bundels of kammen aan weerszijden van het lichaam in de huid zijn vastgehecht. De microscoop geeft ons hier een aantal zeer fraaie vormen te aanschouwen. De borstels vertoonen zich als haken, spiesen, pijlen, messen, kammen, gladde en geribde roeiriemen en allerlei andere stekende en snijdende werktuigen in miniatuur. De eenvoudigste van deze organen, die meer bepaaldelijk haken en haarborstels heeten, komen voor bij de bescheiden uitgeruste Weinigborstelige Wormen. Met fijnere toestellen, die eigenaardige spitsen, tanden, tandjes, klingen en scherpe randen vertoonen, zijn de meeste zeebewoners dezer groep, de Veelborsteligen, getooid.

Borstels van Veelborstelige Borstelwormen, bij 100-voudige vergrooting.

Om praktische redenen kennen wij de eereplaats toe aan de orde der Weinigborsteligen (Oligochaeta), die zoomin voetstompjes als kieuwen aan de zijden der ringen en geen aanhangsels aan den kop—zoomin sprieten (aan het kopsegment) als voelers (aan het mondsegment)—bezitten. Hunne eenvoudige borstels staan in geringen getale aan weerszijden van het lichaam op reeksen en zijn ingeplant in kuiltjes van de huid.

De kern van deze groep wordt gevormd door de onderorde der Regenwormachtigen (Terricolae, Lumbricina), welker leden alle behooren tot de familie der Regenwormen, Aardwormen of Pieren (Lumbricidae). Zij kenmerken zich door de talrijkheid en kortheid der segmenten, waarvan het eerste, het kopsegment, als een kegelvormige lip boven den mond uitsteekt, en door de plaatsing der zeer korte, haakvormige borsteltjes op 2, 4 of meer rijen. Behalve inwendige organen, welker verrichting ons onbekend is, aan den rand van het ook wel bovenlip genaamde kopsegment, hebben de Regenwormen geen afzonderlijke zintuigen; meer bepaaldelijk missen zij oogen en gehoororganen, hoewel zij voor lichtprikkels gevoelig zijn. Hoe voorzichtig men hen ook nadert, terwijl zij ’s nachts aan de oppervlakte rondkruipen, het licht van den lantaarn drijft hen steeds in hunne holen terug. Natuurlijk is deze gevoeligheid niet aan het geheele lichaam eigen, maar alleen aan de beide eerste ringen, waarin de zenuwen, die van den slokdarmring uitgaan, zich verspreiden.

De meeste soorten van Regenwormen vullen hun wijd spijskanaal met humusrijke aarde en gebruiken de hierin aanwezige rottende plantaardige en dierlijke stoffen als voedsel. Iedereen weet, dat de stroohalmen, vederen, bladen, papiersnippers, enz., die men ’s morgens in tuinen en op binnenplaatsen in den grond ziet steken, als waren zij hier door kinderen geplant, door de nachtelijke werkzaamheid van Regenwormen in dezen toestand zijn gekomen. Het dier trekt met zoo veel kracht, dat een dikke stroohalm, in ’t midden aangevat, geknakt in zijn gang doordringt; een kippeveer met breede vlag wordt zonder moeite in een nauw gat gesleurd. Darwin, wiens in alle opzichten bewonderenswaardige verhandeling over de Regenwormen hun groote beteekenis voor den mensch en de belangrijke rol, door hen in de geschiedenis der aarde gespeeld, duidelijk doet uitkomen, heeft deze dieren, die zooveel te lijden hebben door vooroordeel en haat, volkomen in hun eer hersteld: „In vele deelen van Engeland,” zegt hij, „bedraagt het gewicht van de aarde, die per jaar en per acre (0.405 H.A.) door hun spijskanaal naar de oppervlakte wordt vervoerd, in drogen toestand meer dan 10 ton (10516 KG.): de geheele bovenste laag teelaarde gaat dus binnen weinige jaren door hun lichaam. Op deze wijze worden steeds nieuwe bestanddeelen van den bouwgrond blootgesteld aan den invloed van ’t koolzuur en van de humuszuren van den bodem; vooral de laatste schijnen een krachtige ontledende werking op de gesteenten uit te oefenen. De Regenwormen brengen de bestanddeelen van de humuslaag, waarmede de bouwgrond bedekt is, in omstandigheden die voor de rotting en de verwering in hooge mate gunstig zijn. De bodem wordt door hen op uitmuntende wijze voorbereid voor den plantengroei en voor de ontkieming van zaden; door hun werkzaamheid komt de bouwgrond herhaaldelijk met de lucht in aanraking en worden zijne bestanddeelen op zulk een wijze gesorteerd, dat er ten slotte geen steentjes in achterblijven, die te groot zijn voor het spijskanaal der Wormen. Zij mengen alles goed dooreen, gelijk een tuinman doet, die fijne aarde gereed maakt voor zijne kostbaarste planten. In dezen toestand is de bodem goed geschikt om vocht terug te houden en alle oplosbare bestanddeelen tot zich te trekken, waardoor ook het proces van de salpetervorming bespoedigd wordt. Tot wonderbaarlijke gevolgtrekkingen leidt het feit, dat de geheele, aan de oppervlakte liggende humusmassa herhaaldelijk door het lichaam van de Regenwormen is heengegaan en binnen luttele jaren opnieuw dezen weg zal nemen. Hoewel de ploeg een van de alleroudste en belangrijkste uitvindingen is, die ooit door den mensch gedaan zijn, werd reeds lang voordat dit werktuig in gebruik kwam, het land geregeld omgeploegd door de Regenwormen, en houden deze zich nog voortdurend met denzelfden arbeid bezig. Het is te betwijfelen, of eenig dier een even belangrijke rol heeft gespeeld in de geschiedenis der aarde als deze laag georganiseerde wezens.”

Gewone Regenworm (Lumbricus agricola). Ware grootte.

Evenals alle overige Oligochaeten, zijn de Regenwormen tweeslachtig. De geslachtsorganen bevinden zich in den regel in het 9e à 15e segment. In deze zelfde lichaamsafdeeling heeft het bij de Lumbriciden met rood bloed gevulde gesloten vaatstelsel, dat soms gedeeltelijk door de huid heenschemert, bijzonder wijde, kloppende ringvaten, die de beide groote bloedvaten boven en onder het spijskanaal verbinden. Iets verder naar achteren, ongeveer op het midden van de voorste lichaamshelft, merkt men in den voortplantingstijd, vooral in het voorjaar, den gordel op (zie de bovenstaande afbeelding onder a). Dit bij de paring noodige orgaan kenmerkt zich door huidklieren, die veel slijm afscheiden en wordt gevormd door zwelling van den rug en de zijden van 6 à 10 ringen; zijn kleur wisselt, al naar de soort, van witachtig of geelachtig tot rood en bruin af. Ook door de plaats die de gordel inneemt, onderscheiden zich de soorten; hij begint tusschen het 20e en het 30e segment. De eieren worden gelegd in een door klieren van den gordel gevormde slijmlaag, die ringvormig het lichaam omgeeft; uit deze slijmlaag ontstaat, nadat de Worm haar van zich afgestroopt heeft, een cocon met hoornachtigen wand, die verscheidene eieren bevat, waarvan echter slechts één uitkomt. Gedaantewisseling komt bij de Oligochaeten niet voor. De grootste en meest verbreide, inheemsche soort is de Akker-aardworm [Lumbricus terrestris (L. agricola)], die soms wel 40 cM. lang wordt en dan uit 200 ringen bestaat; hij houdt zich niet slechts in de bovenste, maar ook in diepere aardlagen op. Even veelvuldig, doch gewoonlijk nader bij de oppervlakte, ontmoet men den meestal veel kleineren Gemeenen Aardworm (Lumbricus communis), kenbaar aan den vorm van het kopsegment, dat van voren een inham en aan de buikzijde een overlangsche groeve vertoont. Eenzaam of tot kluwens vereenigd, slapen onze Aardwormen ’s winters op een diepte van 2 à 3 M. in den grond; zij keeren in de eerste warme lentedagen naar het tooneel hunner werkzaamheid terug, doch komen over dag zelden vrijwillig uit hunne schuilhoeken te voorschijn, daar zij het zonlicht schuwen. Vooral na warme, niet te hevige regenbuien treft men hen in de morgen- en avondschemering tot diep in den nacht buiten hunne gangen aan; zij komen aan de oppervlakte om voedsel op te sporen en om te paren.

De vreedzame, niet veel eischende Regenworm is een van de meest vervolgde dieren. De vijandschap van den mensch drukt zwaar op zijn geslacht. „In bloempotten,” zegt Ritzema Bos, „mag men geen Regenwormen dulden, daar het zuurachtige vocht, ’t welk zij afscheiden, in een zoo enge ruimte voor den groei der planten hinderlijk is. Hiervan kan geen sprake zijn op den akker, waarin zij echter op eene andere wijze nadeelig kunnen worden. Wel is mij herhaaldelijk voorgekomen, dat de tuinlieden hen ten onrechte beschuldigden, jonge, sinds kort ontkiemde plantjes van allerlei soort te hebben vernield, terwijl ’t mij bleek, dat nu eens Emelten, dan weer Ritnaalden, Engerlingen of larven van Rozenkevertjes, bij bieten doorgaans de Bietenkevertjes, de schuldigen waren. Maar toch heb ik vaak genoeg de gelegenheid gehad, mij ervan te overtuigen, dat—vooral op vochtige plekken—de Regenwormen vele kiemplanten en andere jonge planten van allerlei soort in hunne gaten trekken om ze op te eten.” Van de viervoetige dieren maken vooral de Mollen, Egels en Spitsmuizen jacht op hen. Tallooze Vogels, niet slechts die, welker voedsel uitsluitend of voor een groot deel uit levende dieren bestaat, maar ook hunne gewoonlijk zadenetende verwanten, beschouwen den Regenworm als een heerlijke versnapering. Padden, Salamanders en Tritonen loeren ’s nachts bij zijn hol. Voor de Visschen, die alleen zijne in rivier- en zeeslib levende verwanten kunnen belagen, is hij een verleidelijk lokaas. Nog talrijker zijn de Wormen-etende Ongewervelde Dieren. De gewone nachtelijke bezigheid van de groote Loopkevers en Kortschildkevers bestaat in het opzoeken van dezen gemakkelijk te vermeesteren buit, die in nog meerdere mate het aangewezen wild is van hunne larven. De felste vervolging hebben de Aardwormen te verduren van de groote Duizendpooten, die, uit het hol van de voor hen vluchtende prooi komend, dikwijls midden op den dag niet schromen den strijd in het door hen gehate zonlicht voort te zetten.

De Lumbriciden zijn in ruim 100 soorten, die een 20-tal geslachten vormen, over de geheele wereld verbreid; men ontmoet ze nog op de afgelegenste eilanden, voorzoover hier omstandigheden heerschen, die hun het leven mogelijk maken. Zelfs bij den mond van de Lena komen zij voor; verscheidene soorten zijn rondom de pool woonachtig: in Noord-Amerika even overvloedig als in Europa en Siberië. Reusachtige exemplaren worden in de keerkringsgewesten van de Oude en de Nieuwe Wereld aangetroffen: sommige soorten van het geslacht Megacolex bereiken een lengte van ruim 1 M. Andere onderscheiden zich door een zeer in ’t oog vallende kleur, b.v. hemelsblauw.

*

De naaste verwanten van de Aardwormen—een vijftal familiën met ongeveer 120 soorten—worden vooral wegens den afwijkenden bouw der voorttelings- en bloedsomloopsorganen in een afzonderlijke onderorde samengevat onder den naam van Modderwormen (Limicolae), welken zij rechtvaardigen door hun verblijf in zeer vochtigen grond, modderig water of ondiepe plassen en beken. De meeste zijn aanmerkelijk kleiner dan de Aardwormen; exemplaren van 12 cM. lengte zijn zeldzame uitzonderingen.

Bij de Slingerwormen (Tubificidae) zijn de borstels van de bovenste reeks dikwijls verlengd tot haren, die even lang zijn als het lichaam breed is; de kleur dezer diertjes wordt tot rood of bruin verhoogd door het geelroode of roode bloed, dat onder hunne dunne lichaamsbekleedselen circuleert. De slijkerige, vervuilde bodem van slooten en beken is dikwijls rood gekleurd door de aanwezigheid van uiterst talrijke, 1 à 2 cM. lange, dunne, doorzichtige wormpjes. Deze Bonte Slingerwormen (Tubifex rivulorum) houden het voorste deel van ’t lichaam verborgen in de nauwe, door hen gegraven gangen, waarboven het voortdurend heen en weer slingerende, achterste lichaamsdeel uitsteekt. Zij bekommeren zich niet om de nabijheid van den voorzichtig naderenden toeschouwer, maar verdwijnen onmiddellijk alle te gelijk in hunne kwalijk riekende schuilhoeken, wanneer een slag op het water hen verschrikt. Als men ze uit den modder trekt en in schoon water werpt, kronkelen zij zich spiraalsgewijs ineen.

Een geheel andere levenswijze hebben de volkomen doorzichtige, witachtige Waterslangetjes of Naïden (Naïdidae). Wanneer men uit een met eendenkroos begroeiden vijver of sloot in ’t wilde weg een aantal plantjes opschept, zal men, nadat hun thuis de gelegenheid werd gegeven zich over den waterspiegel te verspreiden, ongetwijfeld eenige, zoo niet vele van deze sierlijke wormpjes opmerken; met behulp van haak- en haarborstels weten zij met slangsgewijze kronkelingen hun weg te vinden tusschen de wortels van het eendenkroos en de dooreengewarde draden der conferven (van het flap).

De Snuitdragende Naïs [Naïs (Stylaria) proboscidea], die hoogstens 13 mM. lang wordt en veelvuldig bij ons in slooten, en poelen voorkomt, is kenbaar en dankt haar naam aan het tot een langen, vooruitstekenden draad verlengde kopsegment. Reeds Réaumur heeft opgemerkt, dat na het doormidden snijden van dezen Worm elk stuk zich tot een volkomen dier aanvult. De meest gewone wijze van vermenigvuldiging der Naïden berust op een soortgelijk verschijnsel, dat echter uitsluitend waargenomen wordt bij exemplaren, waarin nog geen geslachtsorganen zichtbaar zijn. Zonder eenige uitwendige aanleiding ontwikkelt het achterste segment zich tot een nieuw individu; het verlengt zich sterk, verkrijgt oogstipjes en later ook ringvormige groeven in de huid, doch blijft nog steeds verbonden met het oude dier, in wiens achterste segment hetzelfde verschijnsel zich herhaalt. Op deze wijze ontstaat gewoonlijk een lange reeks van Naïden, voordat de achterste en oudste zich afscheidt om een zelfstandig leven te gaan leiden; bij deze heeft dan dikwijls reeds de vervorming van het achterste segment tot een nieuw wezen een aanvang genomen. Alle op deze wijze, door knopvorming, ontwikkelde Wormen worden later geslachtsrijp en brengen dan eieren voort.


Veel soortenrijker dan de vorige en nagenoeg geheel tot de zee beperkt, is de orde der Veelborsteligen (Polychaeta). Hunne groote borstels vertoonen zeer verschillende vormen, zijn soms „enkelvoudig”, uit één stuk, soms uit twee beweeglijk verbonden stukken „samengesteld”. In den regel ontspruiten zij in betrekkelijk grooten getale, bundelsgewijs of op een rij naast elkander, op ongelede, knobbel- of kamvormige voetstompjes (parapodiën), die aan weerszijden van ’t lichaam een dubbele reeks kunnen vormen (4 op ieder segment) en dan onderscheiden worden in rug- en buikparapodiën. Deze zijn niet zelden zoo dicht bijeengeplaatst, dat zij één zijwaarts gericht geheel uitmaken, al of niet in twee lobben verdeeld en hierna „tweeriemig” of „éénriemig” genoemd. Aan de voetstompjes komen dikwijls, behalve borstels, ook nog andere aanhangsels voor; deze organen, die den vorm hebben van gladde of in ringen verdeelde draden, kegels, cilinders, bladen, schubben, enz., noemt men ranken of cirren. Gewoonlijk draagt ieder segment er 2 (één rug- en één buikcirre, waarvan de eerste meestal het sterkst ontwikkeld is), zelden meer. Andere aanhangsels van de segmenten zijn de kieuwen, die eveneens een groote verscheidenheid van vorm vertoonen. Soms zijn zij over een groot deel van ’t lichaam verspreid (bij de Rugkieuwigen), soms aan de voorste segmenten of zelfs aan den kop gehecht (bij de Kopkieuwigen). De aanhangsels van den kop heeten, al naar zij aan het eigenlijke kopsegment of aan het mondsegment voorkomen, voeldraden of sprieten (antennen) en voelers of tasters (palpen).—Nagenoeg alle Veelborsteligen zijn éénslachtig; hun ontwikkeling gaat steeds met een (soms zeer samengestelde) gedaantewisseling gepaard.

*

Een aantal familiën kan men onder den naam van Vrijlevende Rugkieuwigen (Dorsibranchiata errantia) in een onderorde samenvatten. Deze hebben een duidelijk begrensden kop en hieraan, in overeenstemming met hun vrije, rondzwervende levenswijze, in den regel goed ontwikkelde oogen en voeldraden. Een deel van het spijskanaal kan door de mondopening naar buiten gestulpt worden en een slurf vormen, die bij de diereneters (en deze vormen de meerderheid) met krachtige (soms kaakvormige), voor ’t grijpen van de prooi dienende tandplaten gewapend is. De voetstompjes zijn goed ontwikkeld, doen als roeiwerktuigen dienst en dragen borstels van zeer verschillenden vorm. Kieuwen zijn meestal aanwezig als kam- of boomvormige aanhangsels aan het ruggedeelte van de voetstompjes. De meeste leden dezer groep prijken met metaalachtige kleuren; hun huid, welker haarvormige aanhangsels alle kleuren van den regenboog weerspiegelen, schittert als een zijden kleed.

Stekelige Hermione (Hermione hystrix). Ware grootte.

Gewoonlijk kent men den voorrang toe aan de familie der Zeerupsen (Aphroditidae), welker rugcirren, meestal om de andere, vervangen zijn door groote schubben, die den rug geheel bedekken. De kop draagt in den regel drie voeldraden: een in ’t midden en twee aan de zijden. Alle hebben 2 of 4 oogen. Bij sommige geslachten vindt men behalve de gewone (enkelvoudige of samengestelde) borstels, ook een kleed van lange haren, die even prachtig iriseeren als de vederen van de fraaiste Vogels der keerkringsgewesten en een vilt vormen, dat de rugschubben bedekt en soms geheel aan ’t oog onttrekt. Dit laatste is het geval bij de Zeemuizen (Aphrodite), waarvan een soort, de Fluweelen Zeemuis (Aphrodite aculeata), die soms wel 15 cM. lang wordt, aan onze kust en in alle overige Europeesche zeeën veelvuldig aangetroffen wordt. Zij gelijkt veel op de Stekelige Hermione (Hermione hystrix), een der algemeenste soorten in de Middellandsche Zee. Deze Wormen hebben een zeer bevallig, glinsterend voorkomen, nadat men ze door herhaald afspoelen bevrijd heeft van het vuil, dat gewoonlijk in groote hoeveelheid hun lichaam bedekt. De doornen van de schoone Hermione zijn echter meer te vreezen dan die van het Stekelvarken (Hystrix), daar weerhaken hen terughouden in de huid, waarmede zij in aanraking komen. Om deze wapens bekommeren de Roofvisschen zich niet veel. In het noorden worden allerlei soorten van Zeerupsen vooral door Kabeljauwen en Schelvisschen, in de Middellandsche Zee door verscheidene kleine Haaien met graagte verslonden.

Hoe fraai de leden van het 50-tal Europeesche soorten dezer familie ook zijn, nog prachtiger vertegenwoordigers heeft zij aan de kusten der keerkringzeeën.

Een typische Roofwormen-familie vormen de Nereïden (Nereidea)—met hun slank, niet afgeplat lichaam, dat uit een groot aantal niet door rugschilden bedekte segmenten bestaat—door de rustelooze bedrijvigheid en de vlugge bewegingen, die hen kenmerken, en door het gebruik, dat zij maken van de beide tangvormige aan bovenkaken van Insecten herinnerende tandplaten, welke na het uitsteken van den schijnbaar tweeledigen slurf vrij naar voren gericht zijn. Zij schitteren met regenboogkleuren; hun eigenlijke kleur is effen blauw-, bruin-, geel- of roodachtig. In alle zeeën maken zij een belangrijk deel van de kust-fauna uit. Een van de meest bekende der bij onze kust voorkomende soorten is de 10 à 20 cM. lange, 7 à 10 mM. breede Zeeduizendpoot (Nereis pelagica).


De tweede onderorde van de Veelborstelige Ringwormen is die der Kokerwormen (Sedentaria of Tubicolae), die men naar de kieuwen in 3 groepen kan verdeelen. Van de Rugkieuwigen (Notobranchiata) is de Zeeworm of Zeepier (Arenicola piscatorum) een der meest bekende vertegenwoordigers. Hij kan een lengte van 22 cM. bereiken en is zeer verschillend van kleur: groenachtige, geelachtige en roodachtige tinten hebben de overhand; sommige exemplaren zijn zeer licht, andere donker, bijna zwart van kleur. Blijkbaar staat dit verschil in verband met de ongelijke gesteldheid van den bodem, daar de lichte variëteit uitsluitend in bijna zuiveren zandgrond, de zwarte in sterk met rottende organische stoffen gemengde, bijna slijkerige aarde voorkomt. De kleine, kegelvormige kop draagt zoo min voelers als oogen. Het voorste deel van ’t spijskanaal kan uitgestulpt worden tot een bekervormigen slurf zonder tandplaten. Aan het lichaam onderscheidt men zeer duidelijk drie groote afdeelingen. Het gezwollen, voorste gedeelte bestaat uit 7 segmenten, waarvan de 6 achterste aan de korte, tweevinnige voetstompjes, die aan de zijden van den rug voorkomen, borstelbundels, doch geen kieuwen dragen. Zonder scherpe scheiding volgt nu het naar achteren allengs dunner wordende, 13-ledige middendeel, aan welks voetstompjes men, behalve borstelbundels, ook bossen van roodachtige, boomvormig vertakte kieuwen opmerkt. Aan de zuiver rolronde, achterste en dunste afdeeling, welks lengte ongeveer ⅓ van de geheele lichaamslengte uitmaakt, bevinden zich geen aanhangselen.

Door aan het voorste deel van ’t lichaam beurtelings den vorm van een spitsen kegel te geven en het tot een cilinder te doen opzwellen, boort deze Worm op ons zeestrand gangen van 3 à 7 dM. diepte in het vochtige zand, met welks organische bestanddeelen hij zich voedt. De kleine, gekronkelde rolletjes, die hij door de aarsopening uitwerpt en, evenals de Aardworm, boven den ingang zijner woning ophoopt, verraden zijn aanwezigheid in den bij eb droog liggenden zeebodem. De gang heeft twee dicht bijeenliggende openingen en is gevoerd met een dun kokertje van zandkorrels, aaneengekleefd door de geelgroene vloeistof, die (ook bij aanraking van het dier) uit de huid te voorschijn komt. De koker, die zich onmiddellijk met helder water vult, is wijd genoeg om aan de kieuwen vrij spel te laten. De Zeepier kruipt bij de geringste schudding van den bodem door een voetstap ten spoedigste zoo ver mogelijk in zijn gang. Om haar te vangen, steekt men tusschen de beide gaten een haak in den grond tot beneden de diepte, waarop men de lusvormige kromming van den koker vermoedt; menigmaal wordt echter de haak vergeefs opgetrokken. Het naar boven gebrachte dier is nog met stukken van zijn koker bedekt.

1) Zeepier (Arenicola piscatorum).—2) Perkamentachtige Borstelvinworm (Chaetopterus pergamentaceus).—Ware grootte.

De Zeepier bewoont nagenoeg alle kusten van Europa en Groenland; zij is bijna de eenige Worm, die handelswaarde heeft, daar men haar als lokaas bij de schelvischvangst gebruikt. Alleen op het eiland Norderney worden ieder jaar 9½ millioen Zandpieren ter waarde van 7000 à 9000 gulden met dit doel verzameld. In de maanden Maart en April vindt men naast de zandhoopjes van de Zandpier een peervormig, met een tamelijk lang steeltje in ’t zand bevestigd geleiklompje, dat de lichtroode, ruim ¼ mM. dikke eieren bevat.

*

Kokerbewoners zonder kieuwen (Abranchiata) zijn o.a. de Borstelvinwormen (Chaetopterus), die van alle overige leden der orde aanmerkelijk verschillen en een afzonderlijke familie vertegenwoordigen. Ook bij hen bestaat het lichaam uit drie ongelijke afdeelingen. De kop van de hiernevens afgebeelde soort is trechtervormig, aan de rugzijde uitgesneden en hier van twee voelers voorzien. De 9 volgende segmenten hebben langwerpige, platte voetstompjes, die aan den bovenrand een bundel van bruine borsteltjes dragen. Zeer opmerkelijk is de vorm van de 5 segmenten der middelste afdeeling. Aan de 3 laatste ontbreken de bovenste voetstompjes; die van de beide eerste vormen op het midden van den rug een kam met 2 op voelers gelijkende uitsteeksels, die zich ver over het voorste deel van den rug uitbreiden. De onderste voetstompjes zijn aan het eerste segment breed, naar de buikzijde omgekruld en hier vereenigd; aan de 4 overige segmenten hebben zij een driehoekigen vorm en een zijwaartsche richting. Het tweede segment is zeer sterk gezwollen en paarsachtig zwart van kleur. De achterste lichaamsafdeeling bestaat uit ongeveer 50 leden, die door de sterk zijwaarts verlengde voetstompjes zeer breed schijnen. Het bedoelde dier werd gevonden in diep water aan de kust van Normandië en in de Middellandsche zee. Het bereikt een lengte van 22 cM. en is omgeven door een 32 cM. langen koker, van een uit verscheidene lagen bestaande, op grof, geelachtig perkament gelijkende stof. Gewoonlijk is deze koker gekromd en aan een of ander vast lichaam bevestigd. Een merkwaardig schouwspel levert de Worm, die uit zijn woning verwijderd is, niet op, althans bij daglicht, daar hij zich nagenoeg niet beweegt; in een donkere ruimte echter straalt hij een helder, blauwachtig licht uit, van voldoende sterkte om de omstanders te herkennen en op een horloge te zien, hoe laat het is. Wolksgewijs verbreidt dit licht zich door het omgevende water, daar het vermoedelijk veroorzaakt wordt door een dik, taai slijm, dat uit de huid komt en het materiaal levert voor den als woning dienenden koker. Deze kleverige stof bemoeilijkt het onderzoek van het dier, daar zij zich aan de vingers en instrumenten hecht.—Ook andere in de golf van Napels levende soorten van hetzelfde geslacht vertoonen de genoemde eigenschappen.

*

De derde groep van Kokerwormen wordt gevormd door de Kopkieuwigen (Cephalobranchiata), zoo genoemd, omdat de weeke draad- of boomvormige aanhangsels, die voor de ademhaling dienen, zich aan den kop of althans aan de voorste segmenten bevinden. Zij bewonen kokers, waaruit zij nooit vrijwillig te voorschijn komen. In overeenstemming hiermede zijn de aanhangsels van de meeste segmenten, behalve de voorste, veel minder ontwikkeld dan bij de vrij levende Veelborsteligen en is de levenswijze vreedzamer, zooals ook blijkt uit het ontbreken van tandplaten in de (niet voor uitstulping geschikte) mondholte.

Stel, dat men ons met versch van een oesterbank losgemaakte Oesters een onregelmatige, uit zand en zandkokertjes bestaande korst, een kolonie van Zandkokerwormen [Hermella (Sabellaria) alveolata] gebracht heeft. De kokers (fig. 1), die van aaneengekleefde, fijne zandkorreltjes vervaardigd zijn, liggen ordeloos op en over elkander; elke koker heeft een vrij boven de omgeving uitstekende opening en is onafhankelijk van de overige door haar bewoonster gebouwd; later echter hebben de tusschenruimten dezer woningen zich gevuld met zand, dat een tamelijk groote stevigheid verkregen heeft, daar het doordrongen werd met een kleverige stof, een afscheidingsproduct van de hier wonende dieren. Ten gevolge van de onaangename verandering van omstandigheden hebben de Wormen zich nu in hunne schuilplaatsen teruggetrokken; achter den ingang van iederen koker ziet men een metaalachtig glinsterend deksel. Wanneer men echter de geheele kolonie in een bak met zeewater plaatst, doet de behoefte om met de buitenwereld in gemeenschap te komen zich weldra gevoelen; het deksel wordt tot in de opening naar buiten geschoven en opgelicht; twee bundels van fijne draden komen te voorschijn. De kop is nu zichtbaar, maar wordt bij de geringste aanraking onmiddellijk teruggetrokken. Het is niet mogelijk het dier nader te leeren kennen, tenzij men het kokertje openbreekt en den hevig kronkelenden Worm in een klein glas met zeewater overbrengt, waar hij weldra tot kalmte komt.

De eigenaardige vorm van den kop (fig. 2) is een gevolg van het vergroeien der beide groote voelers (a), die aan hun afgeknot einde eenige reeksen van breede, ten deele getande, platte borstels dragen; op deze wijze hebben zij de geschiktheid verkregen om als een deksel of prop den ingang van den koker te sluiten. Waarschijnlijk doen ook de beide bundels van draden (b), die aan weerszijden onder den mond voorkomen, als ademhalingsorganen dienst; de echte kieuwen (d) komen echter in vorm en plaatsing met die der Rugkieuwigen overeen. Het zijn de tongvormige aanhangsels, die men aan alle met voetstompjes uitgeruste segmenten waarneemt. De laatste afdeeling van het lichaam (e) draagt geen borstels, is rolrond en vertoont ringvormige groeven.

1, 2) Zandkokerwormen (Hermella): 1) Kokers van Hermella alveolata met hare bewoners (2). 3) Schelpkokerworm (Terebella emmalina).—1 en 3 op ware grootte, 2 vergroot.

Een van de grootste en veelvormigste familiën van de Kopkieuwigen is die der Terebellen (Terebellacea). Het langwerpige, maar zeer samentrekbare en weeke lichaam dezer Wormen is cilindervormig en meestal van voren het dikst. Aan den kop vindt men een dwarsreeks of twee zijdelingsche bundels van voeldraden, die bij eenige soorten, o.a. bij Terebella nebulosa, een zeer algemeene bewoonster van de Middellandsche Zee, zoo talrijk zijn, dat men ze moeielijk zou kunnen tellen. Deze organen zijn voortdurend in beweging, kronkelen zich als Slangen, worden afwisselend langer en korter en kruipen door elkander heen, als waren het zelfstandig levende wezens. Daar zij meestal een geelachtige of roodachtige kleur hebben, leveren zij, op deze wijze dooreenwriemelend, een aangenaam schouwspel op. De typische Terebellen hebben aan de voorste lichaamssegmenten verscheidene kieuwen. Bij de hiervoor (fig. 3) afgebeelde (Terebella emmalina) die in de baai van Biscaye gevonden wordt en van schelpgruis en zand zeer breekbare kokertjes bouwt, merkt men 3 sierlijk vertakte boomvormige kieuwen op. Zes van deze organen vindt men bij den aan onze kust veelvuldig voorkomenden Gewonen Schelpkokerworm [Terebella (Lanice) conchilega].

Bij de Serpulaceën (Serpulacea) zijn de kieuwen geheel aan het voorste uiteinde van ’t lichaam gezeten; door de haar bekleedende trilharen wordt een strooming in ’t water veroorzaakt, die aan de onmiddellijk daaronder gelegen mondopening voedsel toevoert. Het kopsegment is bij hen niet, gelijk bij de meeste andere Ringwormen, van het mondsegment gescheiden, maar er mede vergroeid. Een soort van breeden kraag begrenst den kop van achteren.—Bij de leden van het soortenrijke geslacht der Kalkkokerwormen (Serpula) treft men een knotsvormig deksel aan, dat door een draadvormigen steel gedragen wordt, door vervorming van 1 of 2 kieuwdraden ontstaan is en den koker sluit, nadat het dier zich er in teruggetrokken heeft. De microscopisch fijne eigenaardigheden van het deksel zijn zeer belangrijk voor het onderscheiden der soorten en leveren bovendien een zeer fraai schouwspel op, daar zij bij de eene soort uit tandjes, bij een andere uit een kroontje, bij nog andere uit stekels en dergelijk organisch snijwerk bestaan. Niet minder verschillend van maaksel zijn de kalkkokers, die deze dieren bewonen. Alle leven aanvankelijk vrij en ondergaan gedaantewisseling. Lang voordat deze afgeloopen is, zweet het jonge dier een kalkkoker uit, die aanvankelijk den vorm heeft van een aan beide einden geopenden cilinder. Naarmate het dier groeit, wordt ook zijn woning langer en wijder. Oorspronkelijk was zij over haar geheele lengte met den bodem in aanraking, aan deze zijde afgeplat, van boven echter met strepen, plooien, kanten en bij eenige soorten ook met tanden en inkervingen aan de kopopening versierd. Dikwijls verheft zich het later gevormde deel spiraalsgewijs gekronkeld boven het ondersteuningsvlak. Vooral de worteleinden der kieuwen en de kopkraag spelen bij de afscheiding van het materiaal van den koker een belangrijke rol; zij zijn in dit opzicht te vergelijken met den mantel der Weekdieren.

In alle zeeën treft men eenige van de zeer talrijke soorten van Serpula aan; alle leveren, zoodra zij den kop uit den koker steken en de kieuwen waaiervormig uitspreiden, een zeer aantrekkelijk schouwspel op. De grootste bekoring gaat uit van de meestal geel, rood of bontgekleurde kieuwdraden. Op deze tot ademhalingswerktuigen vervormde voeldraden bespeurt men bij sommige soorten eigenaardige rood- of paarsgekleurde vlekken. Boven elk dezer oogen ligt een op een steel rustend, bladvormig orgaan, dat zich bij het intrekken der kieuwen over de oogen heen legt en ter hunner beschutting dient. Ook de bloedvaten, die door de huid heenschemeren, maken een zeer fraaie vertooning. Bij sommige soorten is het bloed groen, bij andere roodachtig, bij nog andere volkomen kleurloos.

Tot de naaste verwanten van de Kalkkokerwormen behooren de Kokerscolopenders (Sabella), die het deksel missen en door uitzweeting van een kleverige stof lederachtige, buigzaam blijvende kokertjes vormen, welke, met zandkorrels en schelpgruis bedekt, veel overeenkomst vertoonen met die der Terebellen. Op onze kust vindt men vrij algemeen den 2½ à 3 c.M. langen Gepluimden Kokerscolopenders (Sabella pavonina).

*

Hoewel het aantal vrij levende en kokers bewonende Wormen, die op de vorige bladzijden den lezers zijn voorgesteld, uiterst gering is in verhouding tot de menigte, welke de zee te aanschouwen geeft, zullen wij een poging wagen om een gemeenschappelijk beeld van de levenswijze dezer dieren te ontwerpen.

Een groot aantal Ringwormen is in staat om van het eene vloedgetij tot het andere te blijven leven op het van water ontbloote zand of slijk of in de vrij hierop rustende kokers; geen enkele kan echter op den duur bestaan in de strandstrook, die alleen bij hoogen waterstand door de golven bespoeld wordt. Tot de Wormen, die het naast bij de kust voorkomen, behooren de Aphroditen, Nereïden en Zeepieren. Met uitzondering van een aantal soorten, die, gelijk de Serpulen en Hermellen, vastzittende kokers bewonen, boren de meeste Ringwormen gangen in den bodem en houden zich op in zand of slijk, bij voorkeur echter in kleiachtig zand, dat tweemaal per dag bij vloed overstroomd wordt en bij eb weer droog loopt. Dit geldt evenwel slechts van die kusten, waar het verschil tusschen eb en vloed aanzienlijk is. In de Adriatische Zee, waar het verschil in waterstand slechts 30 à 60 cM. bedraagt, blijven de meeste Ringwormen altijd onder den waterspiegel. Overal echter graven de meeste bewoners van de strandstreek, die slechts tijdelijk door het water bedekt is, gangen in den grond en geven daarom de voorkeur aan een bodem, die door een behoorlijke verhouding tusschen de klei en het zand een zekere stevigheid heeft en toch het graven niet al te zeer bemoeilijkt. Het best zijn alle gunstige omstandigheden vereenigd op plaatsen, waar onderzeesche weiden van zeegras (Zostera) voorkomen; zij leveren een rijken oogst, wanneer men bij laag water den bodem omspit. De plantenetende soorten vinden hier een overvloed van voedsel; haar aanwezigheid lokt de diereneters aan. Zeer gezochte schuilplaatsen leveren rotsspleten; een aantal van de teerste vormen, o.a. de Kraalsprietwormen (Syllidae) en de kleine Nereïden, verschuilen zich tusschen bruinwieren en corallinen. Overal waar deze planten zich in de branding hebben gevestigd, heeft men de zekerheid, de bedoelde, kleine Ringwormen te zullen vinden. In open water, in de onmiddellijke nabijheid van de kust houden deze dieren, zooals gemakkelijk te begrijpen is, zich niet op. Zoetwater werkt op vele soorten als vergif; sommige sterven hierin onmiddellijk, andere na eenige stuiptrekkende kronkelingen.


Het beeld, dat wij hebben trachten te schetsen van den bouw en het leven der Borstelwormen zou, zonder eenige mededeelingen over hun ontwikkelingsgang zeer onvolledig zijn. Dit deel van hun geschiedenis kan leiden tot verklaring van vele raadselachtige verschijnselen, brengt verwantschapsbetrekkingen aan ’t licht, die men langs een anderen weg niet of niet licht ontdekt zou hebben en mag daarom niet geheel voorbijgegaan worden. Verreweg de meeste Veelborsteligen zijn òf mannelijk òf vrouwelijk, betrekkelijk weinige (b.v. eenige soorten van Nereïden en Serpuliden) tweeslachtig, evenals alle Oligochaeten. Deze leggen verscheidene eieren in een gemeenschappelijken cocon; de ontwikkeling der jongen heeft zonder gedaantewisseling plaats, daar de kiem op het oogenblik, dat zij den cocon verlaat en dus als zelfstandig wezen optreedt, slechts door een geringer aantal segmenten van het oude dier verschilt. Verreweg de meeste Veelborsteligen daarentegen leggen de eieren groepsgewijs, zonder gemeenschappelijk hulsel; de jongen ondergaan in dit geval een ware gedaantewisseling. Nadat de geheele inhoud van het ei zich in cellen heeft verdeeld, ontwikkelen zich op de dus gevormde, bolronde kiem trilharen, die bij sommige gelijkmatig over de geheele oppervlakte verdeeld zijn, bij andere hierop slechts één gordel innemen. Nu reeds begint het zelfstandig leven van het nieuwe wezen en is het dus van kiem „larve” geworden. Voordat er nog eenig spoor van inwendige organisatie valt waar te nemen, draaien en bewegen zich de larven met behulp van hare trilharen. Terwijl de larve een meer langwerpigen vorm verkrijgt, blijft de trilhaarbekleeding tot één hoepelvormigen streek beperkt, of neemt het aantal wimpergordels toe. Naarmate de geleding voortschrijdt—voetstompjes zich ontwikkelen, waarin zich bundels van borstels vertoonen, hetgeen gepaard gaat met het ontstaan en de verdere uitbreiding van de inwendige organen (zooals van het spijskanaal), met de vorming van oogen, enz.—, verdwijnen de wimpergordels hoe langer hoe meer. Ook hier bestaat de gedaantewisseling dus in het allengs vervangen van tijdelijke, voor het larveleven bestemde organen door de werktuigen, die het volwassen dier behoeft. Hierbij valt bovendien op te merken, dat de soorten, welker leden zich later vasthechten en hun lichaam met een koker omgeven, gedurende de jeugd in zekeren zin hooger georganiseerd (volkomener bewerktuigd) zijn dan op lateren leeftijd. De larven van de Terebellen en van andere Kokerwormen hebben oogen en leiden een soortgelijk leven als de Rugkieuwigen, die over ’t algemeen op een hoogeren trap van volkomenheid verkeeren. Hun verdere groei gaat dus met een teruggaande gedaantewisseling gepaard.

Behalve geslachtelijke, merkt men bij sommige Veelborsteligen ook ongeslachtelijke voortplanting op. Vooral de Kraalsprietwormen (Syllidae) vertoonen het verschijnsel van knopvorming; bij Syllis prolifera, een 6 à 16 mM. lang wormpje, dat de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan bewoont, splitst het lichaam zich, ongeveer in het midden in 2 stukken, nadat aan het voorste segment van het achterste stuk door knopvorming een nieuwe kop ontstaan is. Slechts in het achterste individu ontwikkelen zich, na de afscheiding, voortplantingsorganen. Het voorste vermeerdert door deeling zijn aantal segmenten, waarna het zich opnieuw in twee stukken splitst.—Bij het verwante geslacht Myrianida (waarvan twee, 3 à 4 cM. lange soorten de Middellandsche Zee bewonen) komt een soortgelijk verschijnsel voor. Uit eenige van de achterste segmenten van het moederdier ontstaat een nieuwe individu, dat echter vastgehecht blijft, totdat het een voldoende lengte heeft bereikt; intusschen hebben ook de achterste segmenten van het voorste dier zich tot een nieuw wezen ontwikkeld en heeft ditzelfde plaats gehad met die, welke hieraan voorafgaan. De achterste knop geraakt soms niet eerder los, voordat er een vijftal andere knoppen op weg zijn om zijn voorbeeld te volgen.—Nog anders geschiedt de knopvorming bij het geslacht Autolytus, waarvan in de Middellandsche Zee 5 soorten voorkomen, en 1 soort—Autolytus prolifer (4 à 12 mM. lang)—ook in de Noordzee aangetroffen wordt. Het voorste dier blijft hier steeds geslachtloos; zijne achterste segmenten ontwikkelen zich deels tot mannetjes, deels tot wijfjes. Deze geslachtelijke generatie is dus langs ongeslachtelijken weg ontstaan en zal, door hare bevruchte eieren, aan nieuwe, geslachtloos blijvende wezens het aanzijn schenken. Hier doet zich dus een geval voor van den ontwikkelingsgang, die men teeltwisseling noemt; het komt in hoofdzaken overeen met dat, waarvan bij de beschouwing der Plantenluizen sprake was.

Gewrongen Kalkkokerworm (Serpula contortuplicata). Ware grootte.

Borstelwormen komen in alle zeeën voor; aan onze kust vindt men er, volgens Maitland’s „Prodrome”, een zestigtal (het aantal inheemsche Oligochaeten bedraagt ruim 20); in de Oostzee leven 33 soorten. Het blijkt niet, dat zij in warmere zeeën over ’t algemeen veelvuldiger zijn dan in koudere, hoewel sommige familiën tusschen de keerkringen een rijkere ontwikkeling vertoonen.

De Borstelwormen, die op groote diepten de zee bewonen, kunnen natuurlijk niet van plantaardig voedsel leven, omdat in hun gebied geen plantengroei bestaat. Voor zoover zij niet door roof in hun onderhoud voorzien, vullen zij hun spijskanaal met zand en slib en verteren de hierin aanwezige organische stoffen.

TWEEDE ONDERKLASSE.

DE BLOEDZUIGERS (Hirudinida).

Tot het vermoeden, dat de Bloedzuigers gelede Wormen zijn, komt men reeds bij oppervlakkige beschouwing van het eerste het beste exemplaar door de ringen van de huid; bij ontleding kan er geen twijfel blijven bestaan, daar ook bij hen de belangrijkste inwendige organen zich in de opeenvolgende segmenten herhalen. Wegens het volkomen gemis van voetstompjes en borstels alsook wegens het bezit van zuignappen—die bij de meeste zoowel van voren als van achteren, bij sommige alleen van achteren voorkomen—vormen zij een afzonderlijke afdeeling, waaraan echter door vele dierkundigen in het stelsel een andere plaats wordt gegeven, n.l. bij de Trematoden en Cestoden.

Niet de smalle, uitwendig zichtbare ringen zijn bij de Echte Bloedzuigers (Hirudinea Gnathobdellidae) en bij de overige vertegenwoordigers van de onderklasse de eigenlijke segmenten; deze zijn—gelijk uit de beschouwing van de inwendige organen blijkt—ieder uit 4 of 5 ringen samengesteld. Het kopsegment is meestal met het mondsegment tot een geringden zuignap vereenigd, op welks bodem derhalve de mondopening voorkomt. De achterste hechtschijf is meestal duidelijk door een insnoering van het overige lichaam gescheiden. In of bij deze insnoering, aan de rugzijde, bevindt zich de aarsopening. Door het uitstulpen van den wand der mondholte komen drie gespierde (en dikwijls ook getande) plooien (kaken) te voorschijn, die zich als een stervormige figuur op den bodem van den voorsten zuignap vertoonen.

Wij beginnen met de beschouwing van de Medicinale Bloedzuigers (het geslacht Hirudo). De wonde, waaruit zij bloed zuigen, wordt gemaakt met half-cirkelvormige kaken (fig. 3), welker vrije rand bezet is met een groot aantal spitse tandjes; bovendien kenmerken zij zich door de aanzienlijke wijdte van de maag, die met talrijke zijdelingsche, blinde zakken uitgerust is (fig. 1). De 10 oogen zijn op de hierboven (fig. 2) aangeduide wijze, bij paren verdeeld over de 8 voorste ringen. Bij microscopisch onderzoek van den rand van den kop leert men talrijke, zeer eigenaardige, bekervormige organen kennen, die, naar uit het groot aantal hiermede verbondene zenuwvezels valt af te leiden, de beteekenis van zintuigen schijnen te hebben. Misschien dienen zij voor ’t ruiken of speuren.

Lichaamsdeelen van een Bloedzuiger:—1) Spijskanaal: a, Slokdarm. b, c, Blinde zakken van de maag.—2) Voorste deel van de rugzijde met de oogen.—3) Kaak van den Paardenbloedzuiger (Haemopis vorax); deze heeft stompere, minder talrijke tandjes dan de Medicinale Bloedzuiger.—Sterk vergroot.

De zoogenaamde kaken van de Bloedzuigers bestaan uit een half-cirkelvormige, stevige spiermassa, bedekt met een dunne huid, die aan den rand 60 à 70 chitine-tandjes draagt. De spiervezels kruisen elkander op zulk een wijze, dat zij de kaak als een schrootzaag bewegen, waarbij de tandjes te gelijk steken en scheuren en een driestralig wondje veroorzaken, welks vorm overeenstemt met den stand der kaken ten opzichte van elkander. Op den slokdarm (fig. 1: a) volgt de maag, die 11 paar zijdelingsche blindzakken heeft (fig. 1: b, c). Daar zoowel de wand van het lichaam als die van de maag zeer rekbaar zijn, is het verklaarbaar, dat het lichaam van den Bloedzuiger door het opnemen van voedsel zich kan uitzetten tot het 3- à 4-voud van den oorspronkelijken omvang.

Het best gedijen de Bloedzuigers in weinig bewogen water met veel plantengroei, op een leem- of kleiachtigen, met slijk bedekten grond; plassen met zandigen bodem zijn voor hen niet geschikt. Buiten het water sterven zij spoedig, n.l. na het ophouden van de slijmafscheiding, die de huid nog eenigen tijd vochtig doet blijven. Op warme, zonnige dagen ziet men hen vlug zwemmen,—bij donker, nevelachtig en koud weer, doch ook ’s nachts en in den herfst, het lichaam liervormig krommen door den kop in de holte van den achtersten hechtschijf te steken. Bij het naderen van den winter kruipen zij zoo diep mogelijk in den grond.

Hun eenige voedsel is het bloed van Gewervelde en soortgelijke vochten van Ongewervelde Dieren. Dat zij soms doode dieren en in geval van nood elkander uitzuigen, is niet zeker. In den regel althans verkrijgen zij hun voedsel van levende dieren, ook van zulke, die hun vijandig zijn, b.v. van sommige dierenetende Waterslakken. De vervelling vindt, volgens sommige berichten, met tusschenruimten van slechts weinige dagen, herhaaldelijk plaats; maar werd toch bij oude, volwassene exemplaren slechts eenmaal in een tijdruimte van verscheidene maanden waargenomen.

In de lente zoekt de Bloedzuiger een schuilplaats boven den waterspiegel en boort met den kop een gang in vochtigen, lossen grond. Aan de oevers van plassen en poelen, die vele Bloedzuigers bevatten, vindt men dikwijls eenige honderden van deze dieren bijeen op een diepte van eenige centimeters onder de oppervlakte van den grond. Tegen het einde van Juni beginnen zij cocons of eierenzakjes te vervaardigen, die ongeveer de grootte en den vorm van een eikel hebben. De bouwstof hiervoor, een slijmerige, groenachtige vloeistof, komt uit den mond en bekleedt aanvankelijk het voorste deel van ’t lichaam. Het dier maakt dezen slijmgordel even lang, als het eierenzakje moet worden, kruipt er door, totdat de openingen der eileiders er mede bedekt zijn en legt vervolgens te midden van een groen- of bruinachtige, slijmerige massa 10 à 16 alleen bij vergrooting waarneembare dooiertjes. Tevens wordt de cocon omhuld met een uit den mond vloeiend, op speeksel gelijkend schuim, waardoor zij gewoonlijk den omvang van een klein kipei verkrijgt. Achterwaarts kruipend, totdat het zakje hem den kop bedekt, draait de Bloedzuiger vervolgens de voorste opening van binnen dicht, trekt zich eindelijk geheel uit den cocon terug en sluit ook de achterste opening, doch nu van buiten. Nog eenige dagen blijft hij bij den cocon liggen, die intusschen, door het opdrogen van het schuim tot een sponsachtige massa, haar definitieve grootte verkrijgt. De jongen, die 4 à 6 weken na het eierenleggen uitkomen, zijn draadvormig en licht van kleur, doch in hoofdzaken gelijk aan de volwassenen. Zij groeien zeer langzaam. Niet voor het derde jaar zijn zij voor medicinaal gebruik geschikt; eerst in het vijfde hebben zij hun volle grootte bereikt. Men zegt, dat de Bloedzuiger 20 jaar oud kan worden.

Het best kan men Bloedzuigers bewaren in een wijd, groen molglas, dat ongeveer tot op een derde van de hoogte met zacht water gevuld en met een lapje dichtgebonden wordt. Men moet het water niet te vaak ververschen (des zomers om de 3, des winters om de 8 dagen) en steeds zooveel mogelijk zorgen voor het behouden van dezelfde temperatuur. ’s Winters moet deze slechts weinige graden hooger zijn dan nul, ’s zomers met die van stroomend water overeenkomen.

Medicinale Bloedzuiger (Hirudo medicinalis):—1) van boven, 2) van ter zijde en zwemmend. 3) Het voorste deel van ’t lichaam, aan de buikzijde overlangsch opengesneden, zoodat de 3 kaken zichtbaar zijn. 4) Eierencocon.—3 en 4 vergroot.

De Bloedzuigers hebben den naam van weerprofeten te zijn. Vooral wanneer een onweer in aantocht is, kruipen zij dicht bij elkander, of trachten, naar men zegt, het water te verlaten. Vooral in de eerste helft van onze eeuw verwachtte men van het bloedzuigerszetten bij de behandeling van nagenoeg alle ziekten heil; destijds werden in de Parijsche hospitalen jaarlijks door 6 à 9 millioen van deze dieren 60000 à 90000 KG. bloed aan de patiënten ontnomen. De tegenwoordige geneeskundigen gebruiken veel minder Bloedzuigers en achten het zelfs mogelijk, dat deze dieren besmettingskiemen overbrengen, daar men in hun mondholte micro-organismen heeft waargenomen, o.a. malaria-plasmodiën, die zelfs in bevrozen Bloedzuigers een week lang onveranderd blijven. Toch worden er nog steeds Bloedzuigers gefokt. Dit geschiedt vooral in Hongarije; de oude dieren worden met bloed gevoederd, hetwelk slechts éénmaal per jaar noodig is; de jonge voorzien door het uitzuigen van Kikkers en andere waterbewoners zelf in hun onderhoud. In den voor ’t fokken dienenden vijver mag het water niet stijgen gedurende den tijd, waarin de Bloedzuigers eieren leggen, daar de cocons 10 à 12 cM. boven den waterspiegel in den grond verborgen worden en de eieren reeds na 24 uur onder water te hebben gelegen, de geschiktheid om te kiemen verliezen. De voor geneeskundig gebruik geschikte Bloedzuigers, die Europa bewonen, werden vroeger tot 2 soorten gerekend: de Medicinale of Duitsche Bloedzuiger (Hirudo medicinalis) en de Officineele of Hongaarsche Bloedzuiger (Hirudo officinalis). Deze onderscheiding berust echter in ’t geheel niet op anatomische kenmerken, maar hoofdzakelijk op kleursverschil; talrijke variëteiten komen voor en zijn door allerlei overgangen verbonden, zoodat men wel genoodzaakt is om alle te zamen als leden van één echte soort te beschouwen. De variëteit Hirudo medicinalis, kenbaar aan den zwart gevlekten, soms nagenoeg geheel zwarten buik, bewoont het grootste deel van Europa, n.l. Frankrijk, Duitschland, Denemarken, Zweden, Rusland en Engeland. De weinige exemplaren, die men hier te lande in de vrije natuur aangetroffen heeft, waren ongetwijfeld van elders afkomstig. De andere hoofdverscheidenheid, Hirudo officinalis, heeft een olijfgroenen, ongevlekten buik, behoort in ’t zuiden en zuidoosten van Europa thuis en is vooral in de uitgestrekte moerassen bij Essik in Slavonië sterk vertegenwoordigd.

Van de 30 soorten van het geslacht Hirudo, die de tropische en gematigde gewesten bewonen, vermelden wij nog de beruchte, 3 à 20 mM. lange Ceylonsche Landbloedzuiger (Hirudo ceylonica), waarvan Schmarda in zijn reis om de wereld het volgende bericht: „De kwellingen, die de reiziger van de Kakkerlakken en de Muggen heeft te verduren, zijn onbeduidend in vergelijking met een plaag, die hem overal vervolgt, doordat het in de wouden en weiden wemelt van Landbloedzuigers. Deze houden zich op tusschen het gras, onder steenen en afgevallen bladen en ook in boomen en struiken. Hunne bewegingen zijn zeer vlug; het schijnt, dat zij hun buit reeds op eenigen afstand bespeuren, daar zij zich in grooten getale vasthechten aan ieder mensch of dier, dat in hun nabijheid komt. Dikwijls voelt men hen nagenoeg niet, terwijl zij aan ’t zuigen zijn. Na eenige uren hebben zij hun maag gevuld en vallen dan vanzelf af. De inboorlingen, die ons vergezelden, bestreken de gewonde plaatsen met de gebluschte kalk, die zij in hun beteldoos bij zich hebben of met het door betel en kalk bijtend geworden speeksel. Natuurlijk brengt dit middel een hevige ontsteking teweeg, waarvan de gevolgen merkbaar zijn in de diepe zweren, die vele inboorlingen aan de voeten hebben. Velen beschouwen het sap van een soort van citroen (Citrus tuberoides) als een specifiek middel. De genoemde vochten zijn wel geschikt om den Bloedzuiger, die er mede bedruppeld wordt, tot loslaten te nopen, maar moeten noodzakelijk in de door hem veroorzaakte wonde een ontsteking veroorzaken. Lastig is het vooral, dat de Bloedzuigers bij voorkeur plaatsen opzoeken, waar hunne voorgangers reeds met succes werkzaam zijn geweest, daar de warmte van de ontstoken, met bloed onderloopen huid hen aanlokt. Om zich tegen den aanval van deze kleine, maar vreeselijke vijanden te beveiligen, is het volstrekt noodig om in de eerste plaats voor een doelmatige bekleeding van de voeten te zorgen. De meeste baat vond ik bij lederen of dikke wollen kousen, die over de broekspijpen heen aangetrokken en onder de knie vastgebonden worden. De wollen kousen bleken voldoende te zijn en zaten gemakkelijker. Daar zij bij ’t gaan door de wildernis licht scheuren of doorslijten, moesten wij steeds een extra-paar medenemen. Bij de kousebanden vond ik de Bloedzuigers, die tot mijn huid trachtten door te dringen, dikwijls bij dozijnen zitten. Gedurende het loopen hadden wij veel minder van deze dieren te lijden, dan op een rustplaats; de minste last ondervond de voorman van de geheele reeks. De Bloedzuigers krijgen door hem de lucht van een buit en vallen den eerstvolgenden des te gretiger aan. Hoe voorzichtig wij ook waren, toch zaten zij ons weldra in den nek, in het haar of op de armen, daar zij zich niet slechts tusschen gras en afgevallen bladen, maar ook in de boomen ophouden, van waar zij zich op de voorbijgaande menschen en dieren laten vallen.” Andere soorten van Landbloedzuigers treft men op de Soenda-eilanden en de Filippijnen aan.

De Paardenbloedzuiger (Haemopis vorax) bewoont een niet minder uitgestrekt gebied dan de Medicinale, van welke hij zich onderscheidt door de geringere afplatting, den veel minder duidelijk gekorven rand en de donkerder kleur van het 8 à 12 cM. lange lichaam; de leikleurige buik is door een gelen rand gescheiden van den olijfkleurigen of bruinachtigen rug, die 6 overlangsche reeksen van zwarte stipjes vertoont. De kaken (fig. 3) zijn ongeschikt om de uitwendige huid van menschen of vee te verwonden, doch kunnen wel hunne slijmvliezen doorboren. Huisdieren, die Bloedzuigers binnenkrijgen bij het drinken uit een door hen bewoonde sloot, loopen het gevaar, dat deze parasieten zich vestigen in neusholte, strottenhoofd of luchtpijp en, dikker wordend door het opgezogen bloed, de ademhaling belemmeren. Vooral in Noord-Afrika komen op deze wijze vele Paarden en Runderen om ’t leven.

Dikwijls wordt de vorige soort verward met den (in ons land veelvuldiger voorkomenden) 6 à 10 cM. langen Zwarten Bloedzuiger (Aulastomum gulo), die dezelfde wateren bewoont en nagenoeg denzelfden vorm heeft. Zijn kopeinde is spitser; de tandjes op de kaken zijn minder talrijk en stomper; de maag heeft slechts aan ’t einde een paar nauwe blinde zakken. Hij voedt zich met Wormen en kan ze met de kaken doorbijten; ook larven van Insecten en Amphibiën en zelfs kleine Visschen vallen hem ten buit.

Niet minder veelvuldig vindt men bij ons in plassen, die met riet begroeid en met bladen van plompen bedekt zijn, de Gewone Nephelis (Nephelis vulgaris), die saamgetrokken 5, uitgestrekt 10 cM. lang is; het platte lichaam is onduidelijk geringd; de kop bezit 4 paar oogen, de slokdarm 3 ongetande huidplooien. Dit dier voedt zich met dieren (Trilwormen, Schaaldieren, Infusoriën), doch ook met planten. Het is gewoon om, op de achterste hechtschijf rustend, het rechtuit gestrekte lichaam heen en weer te schommelen.

*

Ook van de familie der Slurfbloedzuigers (Clepsinidae) vindt men in ons zoetwater vertegenwoordigers. Zij hebben een kort, plat lichaam, dat naar voren allengs smaller wordt en hier in een hechtschijf eindigt, die in den regel de mondopening ringvormig omgeeft en aan de rugzijde 1 à 4 paar oogen draagt. De slokdarm is niet met kaken gewapend, maar kan als een slurf uitgestoken worden.—Verscheidene soorten van het geslacht Clepsine—bij ons vooral de Tweeoogige (bioculata) en de Doorzichtige (hyalina)—treft men op bladen van waterplanten en aan de onderzijde van steenen aan. Zij hebben een grijze, geelachtige of witachtige kleur en zijn het best kenbaar aan de gewoonte van het lichaam op te rollen, zoodra men ze losmaakt; tevens krommen dan de zijranden zich een weinig naar binnen. De eieren worden aan den buik medegedragen; ook de jongen blijven nog lang bij de moeder, aan welker lichaam zij zich met de achterste hechtschijf vasthouden. Het is aardig om te zien, hoe de 10 à 15 jongen, als kuikens van een klokhen, onder het lichaam van hun moeder verscholen, af en toe de kopjes naar buiten steken en, nadat men ze voorzichtig heeft losgemaakt, onmiddellijk weer hun toevluchtsoord opzoeken.—De Slurfbloedzuigers voeden zich vooral met lagere dieren.