Het is net vijftig kilometer dus in één stijven dagmarsch wel te doen en ik zou het ook best nog eens willen probeeren. Maar verstandiger is het, om er twee wandelingen van te maken met Monnikendam of Edam als eindpunt en je kunt ’t dan ook zoo inrichten, dat je zon en wind in je voordeel hebt, wat zelfs bij wandelen van belang is. Den laatsten keer, dat ik van Amsterdam naar Monnikendam ben gewandeld, was het een bijzonder warme dag in ’t laatst van Mei. Het zonnetje brandde in een wolkenloozen hemel en het heele IJ rook naar teer en petroleum. We waren namelijk met het havenbootje naar Schellingwoude (85, 87) gevaren, dat is de beste manier, om die tocht te beginnen. Schellingwoude is tegenwoordig de groote Zuiderzeepoort voor Amsterdam (82) en ’t is een groot genot, om daar eens een paar keer het doorschutten van de verschillende vaartuigen bij te wonen. Over de sluizen (84) op den afsluitdijk staat het groote stoomgemaal, dat van belang is voor den waterstand in een groot deel van Holland, mooie machines in een goed verlichte hal en groote schepraderen, die ik weet niet hoeveel kubieke meter per minuut op de Zuiderzee kunnen uitslaan. Alles met alles een bedrijvig en interessant hoekje, maar zoodra je den eigenlijken Waterlandschen Zeedijk betreedt, kom je in de stilte. Van [54]den hoogen dijk zie je over heel het wazig Waterland heen met al zijn dorpen: Ransdorp (89) met den dikken toren, Zunderdorp, het spitse torentje van Broek, daarvoor wat daakjes en huisjes bij een blinkende plas; dat is Holysloot (91) en heel in de verte een hooge dichte boomengroep met een zwaren toren er boven, het doel van onzen tocht: Monnikendam. De kruin van den dijk is hier een mooie effen grintweg en doordat we zoo hoog en vrij loopen, hebben we minder last van de warmte.
Spoedig krijgen we links onder een klein meertje te zien, verder nog een, alweer van die „breeken”, ontstaan door dijkbreuken: Schinkelbreek, Kleine Breek, Durgerdammerbreek en waar geen breeken zijn, daar ziet soms ’t land toch moerassig en onvast; er groeit mos en wollegras, kleine berkjes, riet en zelfs hei. Dat zijn heel oude veenplekken, vroeger zijn het misschien meertjes geweest, maar die zijn dan langzamerhand dichtgegroeid. Zoo zal het blijven tot, ja tot Hoorn toe, telkens meertjes, moerassen en veentjes en als we er den tijd er voor nemen, kunnen we er in afdalen en al de mooie planten vinden, die zulke plaatsen voor de liefhebbers zoo interessant maken.
De buitenhelling van den dijk is beschoeid met graniet en bazalt, die steenen zijn vlak bij de waterlijn begroeid met wier, vooral het bruinachtig groene blaaswier, waaraan die bolletjes zitten, die zoo kunnen knappen. Ik kijk altijd langs de waterlijn een heel eind vooruit, want in alle tijden van het jaar kun je het treffen, dat daar aardige vogels rondscharrelen. Nu ook tref ik het, dat ik daar een tureluurtje zie met een viertal jongen, die nog niet kunnen vliegen. Wellicht is zij uit de hooilanden, waar thans druk gemaaid wordt, opgeschrikt en nu trippelen ze hier langs den oever van steenblok op steenblok. Als ik naderbij kom, laat de tureluur een waarschuwend gefluit hooren en dadelijk hurken de kleintjes stokstijf stil tegen de donkere steenen, zoodat ze zelf steenbrokjes lijken. Als we goed en wel voorbij zijn, spankeren ze zoo hard ze kunnen den anderen kant uit.
Nu komen we aan ’t dorp Durgerdam (90, 93), dat precies een kilometer lang is, huis aan huis gelijkvloers met den dijk. ’t Is een aardig visschersdorp, de huisjes en de haven, de werven (86), de taanderijen en de pakhuizen zijn even schilderachtig als in Volendam, maar de bevolking legt zich niet toe op het dragen van een opzichtig costuum. Zoo komt het dan, dat je hier nooit een Amerikaan en maar zelden een Amsterdammer te zien krijgt.
Reeds bij den haven krijgen we rechts een uiterwaard, die zich gaandeweg uitbreidt tot den Buitenpolder IJdoorn. Die heeft heel aan het eind een fort en daar staat ook de vuurtoren (103), die met het licht op het eind van den strekdam den toegang tot Amsterdam aanwijst.
De toegang tot die buitenpolder is uiterst moeilijk, ’t is allemaal verboden terrein en daaraan is het wellicht toe te schrijven, dat daar een zeer rijke vogelbevolking huist. [55]
|
73 73MUIDERSLOT. |
74 74MUIDEN. IN DE HAVEN. |
|
75 75MUIDEN. AAN DE VECHT. |
76 76MUIDERBERG. STRAND. |
|
77 77AAN DE ZEE BIJ MUIDERBERG. |
78 78MUIDERSLOT, VAN UIT ZEE GEZIEN. |
[56]
|
79 79AAN DE DIEM. |
80 80BRUGJE BIJ DIEMERDAM. |
|
81 81BIJ DE OUDE BATTERIJ. |
82 82AMSTERDAM. IN DE HAVEN. |
|
83 83GEMEENLANDSHUIS BIJ AMSTERDAM. |
84 84AMSTERDAM. ORANJESLUIZEN. |
[57]
Als we van den hoogen dijk af in de hooilanden kijken, zien we overal de roodbruine koppen en lange snavels van de grutto’s opsteken en er zweven er ook altijd een stuk of drie in de lucht op trillende vleugels en met luider stemme hun eigen naam uitgalmend. Daartusschen vliegen weer de roodpootige tureluurs, zwart met witte kievitten buitelen door de lucht en op de plassen onder den wal wemelt het van meeuwen en sterntjes. De wonderlijkste van onze steltloopers, de vechtlustige kemphaan komt hier ook in menigte voor en op een eenzame plek in den polder hebben zij een toernooiveld, waar reeds vòòr zonsopgang de breedgekraagde bonte ridders elkaar tarten en bevechten. Ha, dat buitenlandje van IJdoorn heeft mij al heel wat pleizierige uurtjes bezorgd.
Nu maakt de dijk een flauwe bocht naar het Oosten en dan opeens rechthoekig naar ’t Noorden en binnendijks ligt een breede waterplas: het Kinselmeer (136). We staan nu op een gedenkwaardige plaats, hier is in het rampjaar 1825 de dijk bezweken en toen is het grootste deel van Noord-Holland overstroomd (104). Dat is nu ook al bijna honderd jaar geleden; als alles goed gaat, zullen we misschien den honderdsten jaardag vieren met het in gebruik nemen van de afsluitdam van Wieringen naar de Friesche kust, de eerste maatregel tot drooglegging van de Zuiderzee.
De overstrooming in 1825 is er een geweest, die misschien de beruchte St.-Elizabethsvloed en Allerheiligenvloed nog heeft overtroffen. Bijna heel Noord-Holland stond onder water, bovendien de helft van Friesland, de Muggebeet en de Kikkerij natuurlijk ook, en al ’t land om Kampen, de heele Westrand van de Veluwe en het Eemgebied.
Dat in de laatste honderd jaren rampen van dien omvang niet meer zijn voorgekomen, is te danken aan de groote verbeteringen, die onze dijken hebben ondergaan. Daar wordt nog altijd de hand aan gehouden, en nog verleden jaar is diezelfde doorbraakplek aan het Kinselmeer, weer belangrijk verhoogd en versterkt.
Wij moeten daar wel aan denken, als wij Jan Haring’s heldendaad willen begrijpen, hieromtrent door hem in 1573 bedreven. De geleerden zijn het er nog niet over eens, of dat feit voorgevallen is aan de Durgerdammer breek of aan het Kinselmeer en ik heb een hevig vermoeden, dat het nog alweer ergens anders gebeurd moet zijn.
Ge kent de geschiedenis. Sonoy had tijdens het beleg van Haarlem op bevel van den Prins, den Amsterdamschen Zeedijk bezet bij ons Iepenslooter sluisje en den Immetjeshoek. Hooft noemt dat den dijk bij Jaaphannes, maar die mooie naam is helaas verdwenen. Dat Geuzenstukje was voor de Amsterdammers en hun vrienden, de Spanjaarden, die Haarlem belegerden, heel lastig, want al hun voorraden kwamen over Muiden langs dien dijk of langs den Amstel, die vanaf dien dijk gemakkelijk te bestoken was, want de Watergraafsmeer was toen nog een Meer en water was juist naar de Watergeuzen hun zin.
De Amsterdammers deden dan ook al het mogelijke, om de Geuzen weer te verjagen [58]en ’t lukte ook. De Geusjes moesten in hun schepen vluchten naar de overzij, nagezet door de Koningsschepen. Ze landden aan den dijk maar hakten eerst nog hun groote galei in den grond. Daardoor kwamen de Spanjaards hun dicht op de hielen en ’t troepje had zich op de kleine schuitjes, die binnendijks in een meertje lagen, niet kunnen inschepen, als Jan Haring met zijn groot slagzwaard niet heel alleen op een smal plekje van den dijk, de vervolgers had tegengehouden. Ten leste sprong hij zelf in ’t meertje en zwom naar een veiliger plaats, ongedeerd door ’t „snelvuur” uit de lontroeren van de tegenpartij.
Nu, zoo iets zou tegenwoordig onmogelijk zijn, je zoudt nu op zijn minst twintig man noodig hebben, om den dijk in een handgemeen te verdedigen tegen een aanstormenden troep. Ik denk dan ook, dat ’t heele gevecht heeft plaats gehad op een kleikade in het buitenland van IJdoorn en dat de Amsterdammers nog al dom hebben gemanoeuvreerd. Met al is die Jan Haring dan toch maar een bijzonder pittige vent geweest.
Het Kinselmeer is een van de mooiste plekjes bij Amsterdam. Wie echter als hij buiten wandelt, gaarne geniet van de frissche schaduw, moet niet hierheen gaan, want alles ligt hier open en bloot in ’t zonnetje. Het meer is anderhalven kilometer lang en een kilometer breed en van den hoogen dijk af heeft men een prachtig gezicht op het dorp Ransdorp (88), dat nog een kilometer verder ligt in de groene hooilanden. De Groote Kerk en vooral de reusachtige dikke toren, die sinds den Spaanschen tijd geen spits meer heeft, verheffen zich uit ’t vlakke land. De huisjes legeren er zich dicht omheen en met het meer als voorgrond krijg je een schilderij, die wel herinnert aan de mooie stukken, die Cuyp en Van Goyen geschilderd hebben van Dordrecht.
Langs den dijk heeft ’t meer een klein stukje land overgelaten, waar nog een huisje op staat en verder is nog een oeverstreepje en daar groeien weer allerlei mooie planten, een paar soorten van orchideeën en vooral heel mooi de groote, vergiftige moeraswolfsmelk. Nergens in Nederland heb ik ze zoo groot gezien als hier: manshooge struiken met een omtrek van verscheidene meters, je zoudt ze voor wilgen kunnen houden.
Wie heel goed uitkijkt, ziet achter het meer een rietstrook, die zich uitstrekt van dicht bij Durgerdam (96) tot voorbij een gehuchtje, dat in ’t Noordwesten aan den oever van een blinkend water ligt en dat Holysloot (94, 95) heet. Die rietzoom wijst den loop aan van een kanaal, dat indertijd van Durgerdam (96) door Waterland en zelfs door Marken gegraven zou worden, omdat de weg over Pampus te ondiep werd. Het is echter nooit voltooid; het Groot Noord-Hollandsch Kanaal is ervoor in de plaats gekomen.
Al wandelend langs den dijk krijgen we aan de binnenzij nog meer meertjes, eerst het Barnegat, dat aan zijn Zuidkant begrensd wordt door een drassig veenland, dat trilt en wobbelt onder den voet. Ja, als je niet voorzichtig bent, dan kun je er wel doorzakken ook, ’t is daarom maar goed, om je daar niet te ver alleen te wagen. Maar [59]’t is het rijkste plantenplekje uit de buurt van Amsterdam, mooier nog dan ’t stukje tegenover het Muiderslot.
De buitenzijde van den dijk blijft altijd hetzelfde, eerst een strook gras en daaronder de berm van groote steenblokken, meest kleurig graniet, alleraardigst begroeid met korstmossen, maar ook wel veel van die zwarte zeskante of vijfkante bazaltblokken. Van afstand tot afstand verheft zich een reusachtige vlierstruik en als we gaan zoeken vinden we ook nog wel kleinere vliertjes, die zijn hier allemaal gezaaid door de trekvogels, voornamelijk door de spreeuwen.
Dra komen we aan het groote stoomgemaal van Uitdam en als we een minuut of tien zijn voortgewandeld, met het breede water van de Uitdammer Die aan onze linkerhand, bereiken we het dorp Uitdam zelf, dat niet zooals Durgerdam gelijkvloers met de kruin van den dijk ligt, maar geheel verscholen aan de binnenzijde. Als je op de Zuiderzee vaart, is er van dit dorp zoo goed als niets te zien, alleen de kruinen van de boomen en de nokken van de daken. Ik heb de huizen niet geteld, maar als er dertig staan zal ’t mooi zijn.
Nu komt er rechts weer een buitenland vol tureluurs, grutto’s, kemphanen, kieviten en leeuweriken en dan, als de dijk plotseling ombuigt naar het Westen, ligt daar voor ons op ’t water een soort van betooverde stad. Je ziet niets dan vlak op de golven een dichte groep van kleurige huizen, opeengedrongen rondom een kerk met slanken, spitsen toren. Dit alles is zoo vreemd en onverwacht en mooi, dat we eenigen tijd noodig hebben, om in dit Venetiaansch landschap ons veelbezocht visscherseiland Marken te herkennen. Het eiland is zoo laag en de kaden, die het omringen zoo onbeduidend, dat er van hier op een afstand van twee kilometer van groen land zoo als niets te zien is: alleen de huizen en de kerk en het water.
Ik denk er niet aan, om Marken (101) zelf te bezoeken, maar ’t zal mij nog dikwijls genoeg gebeuren, dat ik naar Monnikendam ga wandelen langs den Waterlandschen dijk en dat ik dan bewonderend zal uitzien naar dat drijvend droomendorp.
We hebben nu nog een klein uurtje te loopen, eer we Monnikendam bereiken en voortdurend houden we nu rechts dat mooie zeegezicht, in den zomer zeer levendig door de vrij drukke scheepvaart, die hier bestaat: visschertjes van Marken en visschertjes van Monnikendam, tjalken en andere vrachtschepen, jachten, motorbootjes, stoomertjes, die hier in den zomer het vreemdelingenverkeer onderhouden. Marken, Volendam, Edam, Monnikendam trekken jaar in jaar uit duizenden vreemdelingen, die hier allemaal het verkeerde idée komen opdoen, dat Nederland voornamelijk bestaat uit Doode Steden en raar aangekleede visscherlui.
Links blijven we Waterland zien en onder aan den dijk te midden van het groene hooiland weer kleine meertjes en oude veentjes en daaronder een paar, die begroeid [60]zijn met een varensoort, die je in Holland slechts zelden aantreft, de prachtige Koningsvaren, dien we eigenlijk meer gewoon zijn te vinden in vochtige heidestreken en oude bosschen beoosten de Vecht en bezuiden de Waal.
En nu hebben we Monnikendam (109) vlak voor ons, ook alweer een prachtig stadsgezicht met iepenboomen langs de oude wallen en mooie hooge kerken en torens. Naar de zeezijde ziet het er merkwaardig uit, daar vindt je allemaal moeras en modderland met slootjes en slopjes, er hangen palingfuiken te drogen, maar men zoekt er tevergeefs een weg langs het Monnikendammer Gat, een straat òf kade langs ’t water. ’t Is, of de stad de ontrouwe zee den rug heeft toegedraaid.
Over de uitdrukking: „doode steden” heb ik mij al dikwijls genoeg geërgerd. Monnikendam, Edam, Hoorn en Enkhuizen zijn volstrekt niet dooder dan een paar dozijn andere steden in Nederland met evenveel of zelfs nog meer inwoners en ’t gaat niet aan, ze nu smadelijk te betitelen, omdat ze vroeger grooter zijn geweest. En hun achteruitgang hebben ze zichzelf niet te wijten, want ’t was toch wel onmogelijk, om de toegangen tot hun havens in de Zuiderzee zelve voortdurend maar te vergrooten en uit te diepen naarmate men in de wereld grootere zeeschepen bouwde. Alleen de allergrootste van de roemrijke Zuiderzeesteden uit de zestiende eeuw, het machtig Amsterdam heeft met inspanning van alle krachten de verbinding met de oceaan weten te behouden: eerst door de beroemde kameelen, toen door het Noord-Hollandsch kanaal, eindelijk door het Noordzeekanaal, dat nu alweer voor de derde maal in vijftig jaren vergroot moet worden.
Intusschen moet ik toegeven, dat ik van den Waterlandschen dijk nog nooit Monnikendam ben binnengekomen, of het was er doodstil. Soms zag je een paar kinderen, nog te jong voor school of werkplaats, maar overigens waren de straten doodsch en leeg. Maar wat ziet het er aardig uit, de mooie vischmarkt, het aardig stadhuis en bovenal de prachtige klokketoren, waar omhoog de vroolijke klokken naar alle kanten naar buiten komen kijken. Op de hoofdstraat, waar de tram door rijdt, staan nog veel deftige huizen uit den glorietijd, één met een flinken monnik boven op den rijk versierden gevel. Maar de beide kerken maken den indruk van buiten de stad te staan, de buurten er omheen zijn zoo goed als verdwenen.
Van Monnikendam naar Edam (110, 126) over Volendam is ook alweer op zichzelf een alleraardigste wandeling. Je gaat dan den eigenlijken dam over, die ’t binnenwater van de Gouwzee afscheidt. Dat binnenwater draagt den onsmakelijken naam van „Stinkevuil” maar we willen hopen, dat die onverdiend is.
Nu gaan we Oostwaarts den dijk langs, aldoor met een prachtig gezicht op Monnikendam (111) en op Marken. (102) Dit eiland naderen we weer van zeer nabij, als we aan den Janhagelhoek zijn gekomen en halfweg Janhagelhoek en Marken zie je midden in zee een baak met een lantaarn. [61]
|
85 85SCHELLINGWOUDE. |
86 86WERF TE DURGERDAM. |
87 87SCHELLINGWOUDE. |
|
88 88VAART TE RANSDORP. |
89 89RANSDORP. |
90 90DURGERDAM. |
[62]
|
91 91BUURTJE IN HOLYSLOOT. |
92 92DE HOEK VAN ’T IJ. |
93 93KERKSTRAATJE TE DURGERDAM. |
|
94 94KREEKJE IN HOLYSLOOT. |
95 95KERK TE HOLYSLOOT. |
96 96POLDER BIJ DURGERDAM. |
[63]
Nu gaat het Noordwaarts lang den Noorder IJ- en Zeedijk, die aan zijn binnenkant weer tal van plasjes heeft en zoo belanden we eindelijk in Volendam, (99) dat nu al wel over de heele wereld vermaard is, sinds tal van schilders van wijd en zijd met meer of minder talent de schuitjes en de zee, de visschers, hun vrouwen, kinderen, huisjes, hekjes hebben afgeschilderd. Nu, de buurt is ook heel mooi, vooral wanneer je Monnikendam en Edam er bij rekent en de Volendammers zijn gezellige menschen, die al die bekijkerij door Amerikanen en Engelschen nog al goed en geduldig verdragen en evengoed uit visschen gaan.
De Zuiderzee staat bekend als een van de rijkste vischwateren van de wereld en Volendam (100) is na Enkhuizen (128) de belangrijkste visschersplaats. Volendam (98), Enkhuizen en Urk (25, 27) vangen samen meer dan de helft van alles wat er in de Zuiderzee wordt bemachtigd. Soms is dat heel veel, soms maar bitter weinig, soms zijn de prijzen hoog, soms laag en zoo komt het dan, dat de stemming van die visscherlui in het eene jaar heel wat verschillen kan met ’t jaar er voor of er na. Het hangt er vooral van af, of de haringen en ansjovisjes ons zeetje gelieven te bezoeken of niet. Ze trekken dan door de zeegaten tusschen de Noordzeeëilanden binnenwaarts, soms in zoo ongeloofelijk groot aantal, dat je ze hier en daar gewoon met een mand aan een stok zoudt kunnen opscheppen. Het is gebeurd, dat in één jaar 50.000 anker ansjovis werd gevangen, nadat een jaar of twee te voren de buit slechts 700 anker bedroeg. Een anker is een vaatje ± 60 cM. hoog en daar gaan 1500–4000 stuks ansjovis in, al naar de grootte van de diertjes. Belangrijker nog dan de ansjovisvangst is de haringvisscherij, die vroeger uitgeoefend werd in het voorjaar en in den herfst, maar de herfstharing komt zoo goed als niet meer voor. Als er geen haring of ansjovis genoeg is, dan moeten de visschers zich vergenoegen met bot en spiering, paling en garnalen of zelfs, maar dat geldt meer voor ’t Noordelijk deel van de Zuiderzee, mosselen, oesters, alikruiken en kokkels.
Er vaart een ouderwetsch trekschuitje van Volendam naar Edam, maar je kunt het ook wandelen langs een pad met vele vondertjes, midden door de hooilanden, langs het smalle watertje (97), dat de IJe heet en niet minder dan de Ee is, waaraan Edam zijn naam dankt. Benoorden Edam vindt je die Ee weêr, als een breed water, dat den polder De Zeevang in zijn geheele lengte doorstroomt.
Als je over Edam leest in Amerikaansche of Engelsche reisboeken, dan krijg je altijd weer hetzelfde stelletje merkwaardigheden te hooren, over de reuzin Trijntje Kever en de ijzeren bank, die nooit roest, en Jan Osterlen, die zich heeft laten uitschilderen met al de bijna honderd koopvaardijschepen, die hij in eigendom bezat. Vooral die Trijntje gaat je ten slotte geweldig vervelen, te meer omdat Edam (142) zelf nog altijd een heel mooi stadje is met vriendelijke grachten, alles dicht in de boomen en de trotsche Groote kerk kijkt boven alles uit. En als je de voetpaden kent, dan kun je in de omgeving van de [64]stad nog veel meer aardige wandelingen doen, dan op ’t eerste gezicht wel mogelijk lijken.
We stappen stoutweg naar den haven, want we willen nog langs de zee naar Hoorn, (137) een wandelingetje van drie en een half uur. Eerst kijken we even tegen het nieuwe fort aan, dat hier niet is gebouwd om Edam te beschermen, maar een lid is van de kring van forten, die onze hoofdstad in tijd van nood moeten verdedigen.
Daarna zijn we weer ineens in de ruimte, rechts de zee en links het groene land, in de verte de huizenrij van Middelie. Elke kilometer zoowat krijgen we weer een braak, waarvan er een tusschen paal 8 en paal 7 den ijselijken naam heeft van „Moordenaarsbraak”, maar hij ziet er onschuldig genoeg uit. Voorbij Warder komt er wat afwisseling, we komen in ’t gebied, waar vroeger het Beemstermeer dicht aan de Zuiderzee kwam en in ’t dorpje Schardam (115) kruisen we de sluizen (116), waardoor nu nog het polderwater afvloeit naar zee en als we merken, dat dit vaartje genoemd wordt de uitwatering van Kennemerland, dan lijkt ons dat eerst heel vreemd toe. Voorbij Lutjeschardam wandelen we nu langs het eigenlijke Hoornsche hop, en in ’t buitenlandje tusschen Scharwoude (133, 138) en de Hulk (117) voor het stoomgemaal Westerkogge (118) hebben we weer kans op allerlei watervogels. Daar heb ik eens een vlucht van wel tweehonderd kemphaantjes gezien. Intusschen valt het nog al moeilijk, om er op te letten, want de stad Hoorn ligt hier zoo mooi voor ons, dat we nergens anders oogen voor hebben.
[66]
[67]