De oude geschiedenis van het eiland Seran verliest zich in den nacht der tijden. Het aldaar wonende volk heeft nimmer een eigen schrift bezeten en ook de mondelinge overleveringen zijn weinige, en daarbij zoo verward, dat het onmogelijk is daaruit eene aaneengeschakelde historie van het verre verleden samen te stellen. Veel zal daarbij ook niet verbeurd zijn, want tot op den huidigen dag is het volk van Seran nog niet veel meer dan een eenvoudig jagers- en visschersvolk, dat in talrijke stammen over het groote eiland verstrooid, weinig meer doet dan elkander voortdurend beoorlogen en bemoeilijken in den levensstrijd. De oudste sage die bekend is in geheel West- en Midden-Seran zegt, dat alle stammen behalve die van Honitétoe, hunnen oorsprong hebben uit den grooten waringinboom Noenoesakoe, die zich ergens tusschen Roemah Soal en Manoesa Manoewé moet bevinden, eene tot dusverre geheim gehouden plek. Deze boom heeft drie zware stammen die naar het Noorden, Westen en Zuid-Westen wijzen, aldus de stroomgebieden der Sapoléwa, Eti en Tala rivieren aanwijzende1. De stam Honitétoe is van over de zee komen „aandrijven”, terwijl de kleinere eilanden vanuit het moedereiland zijn bevolkt. Die legende kan veel waarheid bevatten. De oudste geschiedschrijver van Amboina, de Mohammedaansche priester Redjali vermeldt dat de eerste menschen die zich op het eiland Amboina nederzetten, kwamen uit de Tanoeroe (Tanoenoe)bocht, onder een Alfoersch hoofd Patih Selan Binaur genaamd, terwijl het ook logisch is dat de kleinere eilanden eerst later bevolkt werden dan het groote, dat vrijwel algemeen Noesa Ina of Moedereiland wordt geheeten. De Honitétoe Alifoeroe verschillen ook werkelijk in vorm en geaardheid van het algemeene type Alifoeroe. Hun gelaatsvorm is meer ovaal en de huidskleur iets lichter. Verder weten wij, dat het eiland Seran en ook de Oeliassers reeds in 1400 onder het gezag der sulthans van Ternate, Tidore, Djailolo en Batjan stonden. De geschiedenis sedert onze vestiging is opgeteekend door den welbekenden historieschrijver van Oud-Indië, Valentijn, in het hoofdstuk „Ambonsche Zaaken” en zien wij hieruit, dat de beschrijving der vestiging en van het verblijf der Nederlanders op Seran, het verhaal is van altijd wederkeerende grootere en kleinere gevechten. Daar deze geschiedenis nauw verband houdt met die van Amboina en daar als doorheen geweven is, zoo zullen wij op beknopte wijze het belangrijkste daaruit trekken, dikwijls den heer Valentijn om zijn schilderachtig Hollandsch het woord latende.
Op den 3en Maart 1599 kwam de onder-zeevoogd Wybrand van Warwijk voor Hitoe Lama ten anker. De Amboineezen waren toen ter tijde in strijd gewikkeld met de eerste bezoekers van den St. Lazaro Archipel (zooals zij de Molukken gedoopt hadden), de Portugeezen. Behalve dat wij in die dagen reeds oorlog voerden met het Spaansche Rijk, zag Van Warwijk natuurlijk ook het voordeel in de zijde der Amboineezen te kiezen, om den Portugees te verdrijven en zichzelf de handelsvoordeelen van de toenmaals zoo buitengewoon gezochte Oost-Indische waren te verzekeren. De eilanders waren hierover zoo verheugd, dat zij na gesloten verbond, „zoo vurig aan een vesting, die men op Hatoe Noekoe, een hooge klip omtrent Kaytetto begreep, werkten, dat dezelve in korten tyd klaar raakte.” En sinds dien tijd bleven wij te Amboina gevestigd, onzen handel langzamerhand steeds uitbreidende. Vooral was het ons te doen om de notemuscaat en kruidnagelen, die in Europa zelfs tegen goud werden opgewogen. Al spoedig trachtte de E. compagnie zich het monopolie van dien handel te verzekeren, daarbij niet schromende om negorijen, die het waagden aan andere vreemdelingen die specerijen af te staan, streng te straffen, desnoods te verwoesten, en op terreinen, waar zij niet goed het oog op kon houden, de nagelboomen om te kappen en uit te roeien. Ten slotte voeren de dienaren der Compagnie ééns of tweemaal per jaar met eene groote vloot van inlandsche prauwen corra2 geheeten, al de eilanden der Serangroep langs, om sluikhandel tegen te gaan, negorijen te bestraffen, boomen te vernielen en de verschillende zaken en geschillen der bevolking te berechten. Deze zeetochten, die eene treurige vermaardheid hebben verkregen, noemde men de „hongi” en werden eerst in 1824 voorgoed afgeschaft.
In 1609 werd voor het eerst een schriftelijk contract met de hoofden op het eiland Ambon, alsmede met die van de negorij Roemah-Kai op Seran gesloten, waarin deze gehoorzaamheid aan den gouverneur der Molukken beloofden en zich verplichtten, kruidnagelen en sagoe, alléén aan de Hollanders te verkoopen. Later werden ook den negorijen Lessidi en Kambélo, plaatsen die vooral rijk aan nagelboomen waren, dezelfde verplichtingen opgelegd. Doch al spoedig liepen de zaken spaak, daar de Engelschen aldaar eveneens belandden en met de Hollanders trachtten te concurreeren. Daar de hoofden niet wilden luisteren naar de vertoogen van den Gouverneur Jasper Janszoon, om zich aan het contract van 1609 te houden, zoo werd ten slotte eene demonstratie met een vloot van 11 schepen, onder den tweeden opperlandvoogd van Ned. Indië den Heer Gerard Reynst, in 1615 noodzakelijk.
Doch de indruk daardoor verkregen, was geen blijvende, zoodat in 1618 de Heer van Speult „die geen man was om zich te laten tergen”, na eerst de Hitoeezen te hebben getuchtigd, een hongi ondernam met 35 corra2,2 bemand met tusschen de 3000 à 4000 koppen, om vooral de inboorlingen van Bonoa-Kélang en Asaoedi, die voornamelijk menschenroof pleegden, tot rede te brengen. Hij onderwierp genoemde oproerige stammen, dwong hen de geroofde menschen terug te geven en veroordeelde hen tot eene boete van 1800 petolen (kain patola, een eertijds zijden, thans gewoon katoenen kleed, waarmede tot op den huidigen dag nog boeten voldaan worden op Seran), terwijl zij bovendien een corra2 van 4 gnadjo’s3 moesten opleveren. Men stelde bij deze gelegenheid een contract op, dat wij om der curiositeit wille en om een blik te doen slaan in de gewoonten der E. Compagnie hieronder doen volgen:
Op huiden den 19 November 1618 zyn op strand Boano vergadert, Herman van Speult, Lieutenant Gouverneur en Directeur over de Eilanden, Fortressen ende commercien van Amboina, met meest alle de Koningen en Oversten van de landen en steden, onder het bovengemelde Gouvernement resorteerende, nevens onze geassocieerden, als Capitein Hitoe, den Koning van Hitoe, en de Orang Kaja’s van Ihamahoe en Nollot midsgaders Lato-Coli, ende Kipati Naro, als middelaars ter eenre, ende den Sengadji van Boano ter andere zyde, de welke naar verscheide sessien in genade is aangenomen op naarvolgende conditien.
Eerstelyk is by den Luitenant Gouverneur voorsz.: met hulpe van de bovengemelde Heeren ter neder gelegt, doot en te niete gedaan, met desistentie van alle vorige pretensien, zoo ’t geene zedert de tyden van de Portugeesen op die van Boano hadden te pretenderen over zodanige rooveryen, van luiden ende goederen, als by die van Boano voorsz. zyn gecommitteerd, wel verstaande, dat die van Boano eerst ende vooral zullen restitueeren, alle zoodanige gevangenen, als zy ’t zeedert de tyden van de Portugeesen genomen hebben, welke verklaringe zij luiden zullen gehouden wezen te doen op haren Moshâf, ende zal de restitutie geschieden in volgende manieren, te weten, dat zy de geene, die nog in leven, ende in hare handen zyn, persoonlyk wederom zullen geven ende de geene, die overleden, ofte buitens lands verkogt zyn, zullen zy vergoeden, voor een Orang Kaja 100 petolen, ende voor een slave 60 petolen, ende tot een amende van hare begane faute beloven zy te betalen aan den Luitenant Gouverneur voorsz. 1800 petolen, ende daar en boven eene Corcor van vier Gnadjos.
Mede beloofden die van Boano voorsz. van nu voortaan nog tot geenigen dage meer te rooven op eenige der voorsz. Heeren landen, luiden ofte goederen, ende haar voorder te dragen, als goede en getrouwe geassocieerden toestaat.
Doch gemerkt by de voorsz. Heeren voor zeker gehouden werd, dat (naar ’t gemein spreekwoord) de exter haar huppelen niet en zal agterwegen blyven (als wezende zy luiden van over ettelyke 100 jaaren gewoon, hun met rooven te erneren) waar over te bedugten staat zy haar eerlang wederom zullen te buiten gaan, in welken gevalle de bovengemelde Heeren, onze onderdanen, ende geassocieerden, gezamenderhand beloven, ende zweeren, aan den Luitenant Gouverneur voorsz. op de eerste aanklagte hem te assisteeren met alle hare magt, omme die van Boano, ofte de Contraventeurs van dezen, geheel te destrueeren, ende uit te roejen. Aldus gedaan, en besloten op de strand van Boano. Datum ut supra.
Tevens gelastte de heer Van Speult, die inderdaad blijkbaar geen vriend van halve maatregelen was, dat jaarlijks gedurende de kentering van den moesson de hongi uit zou trekken om toezicht te houden op het nakomen der bepalingen. Doch de opperlandvoogd Jan Pietersz Coen, die den 4en Februari 1619 te Amboina verscheen, bracht bericht van de groote moeilijkheden waarvoor hij op Java stond, daar de Bantammers, geholpen door de Engelschen, hem genoodzaakt hadden de factorij te verplaatsen naar Jacatra. Hij wenschte thans zooveel mogelijk schepen en troepen in de Moluccos te verzamelen, om op Java krachtig te kunnen optreden. Vreemde handelaren hadden daarbij gezorgd voor het rondstrooien van het gerucht, dat de macht der Nederlanders aan het zieltogen was, zoodat de negorijen Kambélo en Lessidi, stout genoeg werden om wederom en vrij openlijk hun nagelen te verkoopen aan vreemdelingen, die er van 80 tot 100 rijksdaalders de bahaar4 voor gaven. Op bedreigingen onzerzijds met vernieling van hunne gewassen, verzochten de inlanders ook meer geld voor de kruidnagels te mogen ontvangen, waarna de prijs van een bahaar vastgesteld werd op 67 rijksdaalders, een prijs die later weer verminderd werd.
Toen in 1620 Frederik Houtman te Amboina kwam met berichten van de overwinningen van Coen op de Engelschen, kon Van der Speult weer met kracht optreden om de woelige inlanders te beteugelen. Nieuwe contracten werden opgemaakt, waarbij vooral klem werd gelegd op de bepaling, dat aan niemand anders dan aan de Hollanders nagelen verkocht zouden worden.
Maar toen evenmin als tegenwoordig was de inlander met contracten te regeeren, als men tot opvolging daarvan niet kan verplichten door bedreiging met de bajonet, en zoo bleef de clandestine verkoop van kruidnagelen het onderwerp van voortdurend gekibbel tusschen den gouverneur der Molukken en de hoofden op Seran en Ambon. „De patih van Kambélo (werd) zoo stout van de onzen te doen weten dat hy nog met den landvoogd nog met den Kimelaha, te doen had, en dat hy aan ons geen nagelen meer wilde leveren, vermits de heer van Speult zyn meeste nagelboomen omgekapt had, dreigende verder ook de rest liever zelf om te kappen, dan daarover gedurig zooveel snorren aan zyn ooren te hebben; dog dat dit maar zeggen was, bleek klaar, daar hem de Heer Landvoogd al ’t jaar te voren parangs, en volk daartoe aangeboden had”
Ook was voortdurend eene strijdvraag tusschen de E. Compagnie en den sulthan van Ternate, op welke negorijen van het eiland Seran of zij ieder recht hadden. De Compagnie legde hare meening neer in een geschrift, gedateerd Augustus 1628, waarmede de sulthan van Ternate, die vrijwel geheel Seran opeischte als zijn onderhoorigheid, het niet eens was, zoodat deze geschillen steeds dreigende bleven en den onzen veel last veroorzaakten. Koning Hamza van Ternate zond eerst een zijner prinsen als kapitein Laoet naar Amboina, met een brief, luidende: „Ik den koning van Ternate, hebbe dezen brief geschreven in ’t Fort Maleyo tot een getuigenis de maand Ramalaan nemende, want ik hebbe my by den Gouverneur alhier met zyn raad, den ouden Fiscaal, zyn Kooplieden, en zyn verdere raadspersoonen, nevens de mynen, de Soasives, met alle de Sengadji’s van ’t Eiland, binnen ’t Fort Maleyo vervoegd, gesproken, gepitsjaard, u lieder brieven, de missiven des Gouverneurs in Amboina gelezen, en overzien, ende daar uit bespeurt, dat, in gevalle het alzo wezende daar niet in voorzien wert, t’avond of morgen de Amboineesen en Hollanders over hoop zullen leggen, derhalve met de Hollanders overleit heb, om een einde van de zaak te maken, en heb goedgevonden den kapitein Laut derwaarts te zenden om alles te doorgronden enz. enz.” Deze zendeling richtte niet veel uit; integendeel, door allerlei kuiperijen van den Ternataanschen vertegenwoordiger, Kimelaha Leliato, die jaloersch op hem was, werden de verwikkelingen nog heviger en verder beviel het den Prins Ali, die overal zeer goed onthaald werd, best op Ambon en Hoeamoal en trachtte hij overal zijn beurs te spekken.
Zoo werd koning Hamza vertoornd en zond een tweeden gezant, Kalimbata, om Ali van zijn ongenoegen te verwittigen. Daarop begaf Prins Ali zich naar Manipa en en zond, „dewyl hy nu by zyn eigen koning, zoo wel als by ons, zich stinkende gemaakt had,” dezen Calimbata naar Macassar, als gezant, om van den vorst van Macassar uit naam van koning Hamza de landen terug te vorderen die deze hem ontnomen had. Koning Hamza echter had de voorzorg genomen om een derden gezant rechtstreeks aan den gouverneur van Amboina te zenden, de sengadji Cajo, om den landvoogd van ’s konings misnoegen over Prins Ali kond te doen, terwijl de Kimelaha Leliato door den Kimelaha van Loehoe vervangen werd. Prins Ali nam daarop de wijk naar Boeroe, doch „hy zocht alleen den Amboinees zoo lang hy kon uit te mergelen; zoodat men geen gissing op zyn vertrek maakte, voordat de nageloogst voorby zou zyn, om de Ambonsche gans nog dezen schoonen veder uit den steert te plukken.” De veranderingen echter gaven evenmin verbeteringen. De Kimelaha van Loehoe stak hoe langer hoe meer het hoofd op. Hij haalde lieden van Ihamahoe over, het Mohammedanisme te omhelzen, bedreigde de Oeliassers met oorlog, gaf de negorij Lisiëla verlof te rooven en te plunderen, zoodat toen de landvoogd in 1632 eene versterking van 336 man uit Batavia ontving, hij er op lostrok om Ihamahoe te tuchtigen. Hierbij werden de troepen gesteund door het alfoerschen hoofd Patinaja met 300 man, die men na vermeestering van Ihamahoe aldaar liet blijven „tot schrik van de vijand, gelyk zy hen meer schade, dan duizend van onze soldaaten, gedaan en ’t gansch Land t’ eenemaal verwoest hebben.”
De Loehoeneezen echter, die de euveldaden van hun eigen heer moede werden, hielpen de onzen met het maken van eene nieuwe steenen versterking. Dit zal wel de vesting zijn waarop in het oude Séri Kambélo-lied gedoeld wordt, Lima teá lima, leé hatoe Laoe séri Kambélo, djadi kota Loehoe wélé, zeggende dat de mannen de steenen hand over hand doorgaven, van de kust van Kambélo, tot die van Loehoe, alwaar de vesting tot stand kwam. Door de Loehoeneezen kwamen wij ook in het bezit van eenen brief, door radja Hamza aan den Kimelaha geschreven, waaruit ten duidelijkste bleek, dat hij den spot met ons dreef en dat hij niet het minste plan had om den sluikhandel in nagelen te beletten, zooals hij tegenover ons behoorde te doen.
De heer Gijsels, toenmalige gouverneur, trok er daarom zelf op los met eene vloot van 15 corra2, 300 soldaten en 800 inlanders, om de sluikers te vangen. Hij vond den 31en Augustus op Kellang 7 jonken van Javanen en Makassaren en te Asaoedi 2 andere vaartuigen, die verbrand werden. De Javanen, wel 300 man sterk en waarvan 100 met snaphanen bewapend, werden uit hunne stellingen gejaagd en hunne schepen verbrand. In Januari verscheen Adriaan Antoniszoon met 5 jachtjes, die wederom 7 schuiten vernielde en de dorpen Masawoi en Kellang verwoestte. In April volgde de heer Gijsels met de hongi, die al de overige vaartuigen bij Erang in den grond boorde en ongeveer 5000 nagelboomen, 100 notenmuscaatboomen en 500 klapperboomen omkapte. Daarna trok hij naar Seran laoet, alwaar hij vond dat men zich duchtig versterkt had in eene steenen versterking van 10 voet dik en 10 voet hoog, en ofschoon men in het begin 50 koppen en 245 gevangenen buitmaakte, zoo moesten wij ten slotte nog met 4 dooden en 136 gekwetsten wijken. Den volgenden dag maakten wij ons gereed om den vijand opnieuw aan te tasten, toen deze verzocht om accoord te maken tegen betaling van 50 tapil Seransch goud en 200 slaven.
Missigit te Iha (Hoeamoal).
Boano serani.
Onderwijl had de Kimelaha ongeveer 60 menschen, waaronder 8 Hollanders, te Asiloeloe gedood en had ook Leliato met 10 corra2 een aanval op Alang gedaan, terwijl berichten kwamen dat weer ongeveer 20 vreemde vaartuigen voor Manipa, Kellang en Boano waren gekomen, doch het was niet meer mogelijk daarop af te gaan, omdat de Amboineezen zeer afgemat waren en vele ziekten onder de soldaten heerschten. Eerst in 1633 trok de heer Gijsels weer naar Kaibobo, dat men vermoedde te heulen met den Kimelaha en waarvan men al de prauwen verbrandde of indeelde bij de vloot. Daarna kreeg Piroe een beurt, dat geheel verbrand werd en waarvan zooveel mogelijk nagelboomen vernield werden, en terugkeerende van Kaibobo werd, toen de gevluchte bevolking niet wilde terugkeeren, ook dit schoone groote dorp geheel in de asch gelegd. Daarop vertrok de heer Gijsels naar Manipa, veroverde voor Tonoewaroe een vreemde jonk met krijgsvoorraad en zeilde toen naar Loehoe, alwaar hij de bezetting deed verhuizen naar eene nieuw door hem gebouwde sterkte die hij den naam gaf van fort Bullebak.
Eindelijk op den 3en Mei 1638 verscheen Koning Hamza van Ternate zelf voor Kambélo, alwaar de gouverneur der Molukken de heer Van Diemen, hem ontmoette. Zijne Edelheid vereerde aan Zijne Hoogheid een groote gouden keten en een staafje goud, bij zijne eerste aanspraak. Daar was een algemeene vreugde over de zamenkomst van deze twee groote mannen, en men hoopte alom nu wel haast een spoedig einde van alle de geschillen, onrust en ongevallen te zien. De landvoogd verzocht hem reeds dadelijk af te rekenen met de vreemde jonken, die nog steeds voor Lessidi en Kambélo lagen, doch de koning draaide hier zeer omheen zoodat de gouverneur ze stil door zyn krygsvolk (’t geen wel 60 Coracoras, jonken of kleine vaartuigen vernielde), deed bespringen.
Dat de rol van den koning dubbelzinnig was bleek wel uit het feit, dat toen Zijn Edelheid de gouverneur hem verzocht de twee Kimelaha’s, Leliato en Loehoe, die de hoofdoorzaak van alle troebelen waren, vast te zetten, dit aanvankelijk wel gedaan werd, doch niet lang daarna de Kimelaha Loehoe, zonder eenige reden weder door den koning werd vrijgelaten. De beide machthebbenden trokken naar Hila, ter verdere besprekingen. Alhier werd hij „heerlyk, zoo door de onzen, als door de Hitoësen ingehaalt, en met zooveel geschenken van gongen, petolen, kleeden, kleene stukken, visschen, vrugten enz. beschonken, dat de Hitoësen de kosten daaraan gedaan, in geen 30 jaren hebben konnen te boven komen.” Men kwam den 9en Juni eerst bijeen, bij welke eerste vergadering de Ternatanen „met zulk een geweld en menigte in onze Logie drongen, dat zy op verscheide plaatzen de houte pagar doorbraken, waar over zyn Edelheid die Ternataansche Heeren niet weinig beschrobde, toonende hen dat zy met eene vesting (!) van de E. compagnie zoo niet moesten handelen.”
Met dat al toonden de Ternatanen niet al te veel ontzag te hebben voor de Edele compagnie! Maar ten slotte werd er maar weer een verdrag opgesteld, gedateerd 20 Juni Aº 1638. De Kimelaha Leliato werd onthoofd, doch de Kimelaha Loehoe, dien de vorst had vrijgelaten, versterkte zich vrij spoedig in zijn stellingen te Kambélo en liet den vorst weten, dat hij liever niets meer met hem te maken wilde hebben, vreezende hetzelfde lot te zullen ondergaan als Leliato. Koning Hamza, die op zijn terugreis de alfoersche negorijen in de Piroebaai bezocht, legde daaraan zulke hooge schattingen op, dat de bevolkingen misnoegd het gebergte invluchtten, en maakte aldus dat ondanks het pas gesloten verdrag, de toestand even slecht, zoo niet slechter werd dan te voren. Naar Manipa zeilende, werd hij daar zoo goed onthaald, dat hij, daardoor gevleid, de lieden van Manipa voor vrijen verklaarde en hun een eigen Sengadji gaf, hiermede de verwikkelingen nog grooter makende. Wel klaagde de vorst aan den heer Ottens (gouverneur) zijn nood over den Kimelaha Loehoe, doch toen deze hem den raad gaf om dan maar dadelijk dien afvallige aan te grijpen, verkoos hij liever naar Ternate terug te keeren, aan ons overlatende, de zaken weer in orde te brengen. Waarlijk, wij zijn wat betreft het onhandig omspringen en schipperen met inlandsche hoofden, bij niemand vreemd in de leer gegaan.
In 1639 deed de Kimelaha Loehoe weder een inval met 14 corra2 bij Lahoe, begon Asaoedi te versterken en liet te Lessidi een 14tal koppen snellen, waarop door ons eene steenen versterking te Lessidi gebouwd werd. Deze vesting werd door hem vrij spoedig belegerd, doch hij moest aftrekken met 30 dooden.
De landvoogd ondernam een hongitocht naar Asaoedi, dat vermeesterd en vernield werd, waarbij hij 3 corra2 en wel 50 kleinere vaartuigen als buit bekwam. Te Asaoedi werd eene houten barricade met kleine bezetting gelegd. In Maart viel de Kimelaha bijna in onze handen; hij was op weg naar Amboina met handelsjonken, toen 2 onzer jachten hem overvielen en 4 zijner schepen in den grond boorden. De Kimelaha ontsnapte ternauwernood. Hiermede taande zijn roem, waartoe de aanwezigheid der versterkingen op Hoeamoal niet weinig bijdroeg. Ten langen laatste bood hij zijne onderwerping aan te Kambélo, werd in genade aangenomen en ten slotte bij zijn vertrek nog met musketschoten vereerd! In 1642, toen de nieuwe gouverneur, de heer Demmer, naar Kambélo vertrok om aldaar een deugdelijk reduit op te richten, leende de Kimelaha nederig de hand hiertoe. Omstreeks dien tijd werd ook te Manipa eene nieuwe vesting gebouwd en de onderkoopman Johan Comans aldaar gevestigd om er de nagels in ontvangst te nemen. In 1646 werd het fort te Kambélo nog beter versterkt en van geschut voorzien, terwijl het den naam Hardenberg ontving. Te Kaibobo, waar niet minder dan 12 Orang kaja’s heerschten, en waardoor natuurlijk voortdurende oneenigheid ontstond, bracht hij orde, door dit getal met goedvinden der bevolking terug te brengen op twee. En zoo was er werkelijk eenige jaren een tijdperk van rust ingetreden op Seran en hadden de de onzen slechts onderlinge geschillen te beslechten.
Maar lang duurde dit vredestijdperk niet. Den 13en Maart 1647 deed de heer Arnold de Vlaming van Outshoorn zijn intrede in de Molukken en heeft zijn naam zoodanig met het zwaard in de geschiedboeken geschreven, dat die tot op den huidigen dag bij de inboorlingen bekend is gebleven. Doch hoewel deze landvoogd dikwijls wreed en onnoodig streng is opgetreden, zoo moet men hem toch de eer geven, dat zijn bestuur de Oeliassers werkelijk in ontwikkeling vooruitbracht en hij veel had goed te maken, wat door lauwheid of onhandigheid van zijn voorgangers bedorven was. Op Hoeamoal was langzamerhand een zekere Madjira de opvolger van Kimelaha Loehoe het hoofd gaan opsteken en had getracht zich overal invloed te verwerven, hetgeen bij een half wild volk, altijd belust op onrust en gevecht, vrij gemakkelijk viel. Zoo wist hij eene samenzwering op touw te zetten om ongeveer gelijktijdig de verschillende vestingen der Hollanders af te loopen en dit gelukte hem maar al te goed.
Den 10en Maart 1651 vielen de lieden van Kambélo onze bezetting aan en vermoordden die geheel, op één man na, die zich had overgegeven en de muiters van kruit had voorzien. Op hetzelfde uur geschiedde de overval te Lessidi, doch aldaar wist de luitenant van Outshoorn zich in de reduit Hardenberg staande te houden. Deze officier was toevallig op weg geweest naar Kambélo en zag toen dat alles reeds vermoord was en de stukken op hem gericht werden, waarop hij terugroeide naar Lessidi en aldaar den vijand, die zich reeds van het reduit had meester gemaakt, er weer uitjoeg. Gelukkig voor hem, deinsde nu Madjira terug voor de gevolgen van zijne daad en nam de vlucht naar Lokki. Ook schijnt het dat hij, geholpen door den Ambonees Jan Pays, afgesproken had om het kasteel te Amboina eveneens te overvallen, een voornemen dat verijdeld werd.
Maar wel gelukte de aanslag op de Christenen van Kaibobo, die naar de bergen gejaagd werden, evenals de moorden op Noesa Telo, Klein Hatoeaha, Assaoedi, Boano, Amblauw en Manipa gepleegd. Te Amblauw werd onze bezetting, van een sergeant en 4 man, verraderlijk afgemaakt en de vrouw van den sergeant Laurens Sipkes, Senhora Catherina, gevankelijk naar Boeroe gevoerd, nadat ook hare drie kinderen om het leven waren gebracht.
Te Manipa werd evenzoo, onder een verraderlijk voorwendsel, de reduit binnengedrongen en de bezetting vermoord. De vrouw van den onderkoopman Coman, die zich nog eenigen tijd met een halve piek verweerde, werd onder gruwelijke mishandelingen ter dood gebracht, haar beide dochtertjes gevankelijk weggevoerd. Alvorens de overval op Kambélo plaatsgreep, had men onder een listig voorwendsel den luitenant Rimbach met eenige manschappen naar Erang weten te lokken. Toen hij daar aankwam, werd hij ook aanstonds overvallen en met de zijnen afgemaakt, evenals een korporaal en 8 man, die te Erang bezig waren met balken te kappen.
Te Loehoe alleen had men zich staande weten te houden, doch verkeerde de bezetting in benarde omstandigheden, daar de vijand de drinkwaterleiding had afgeleid en de bevelhebber, de vaandrig Helwig zeer terneergeslagen was. Geheel onverwacht kwam de heer De Vlaming uit Ternate voor Loehoe aan, plaatste aldaar den luitenant Outhoorn en begon aanstonds aan het werk der wrake. Hij had hiermede te meer vrije hand, daar als gouverneur werd aangesteld de heer Verbeek, terwijl hij zelf benoemd werd tot super intendent of veldheer en zeevoogd, met het volkomen oppergezag over de drie „oostersche landvoogdijen”.
Den 14en Mei 1651 verscheen uit Ternate een nieuw stedehouder ter vervanging van Madjira, doch nu zag men eindelijk in, dat men met de stedehouders niets opschoot en besloot men geen nieuwe meer aan te stellen.
Den 10en July vertrok De Vlaming met 5 schepen en 350 man naar Manipa „het schendigste moordnest” en verwoestte hier zoodanig den omtrek „dat ’t niet meer hetzelfde geleek.” Hij liet daar kapitein Verheyden met 3 kompagnieën achter „om het land verder te bederven”. Deze voldeed grondig aan dien last, (men bedenke dat de huisvrouw van Coman, zijne zuster was!) en stevende daarna naar Amblauw, om ook dáár de negorijen in de asch te leggen. Nog werd Kajéli op Boeroe eveneens door hem verbrand en den 19en Augustus sloeg hij met de geheele krijgsmacht het beleg voor Kambélo, ook hier den omtrek zooveel mogelijk verwoestende. De heer De Vlaming was ondertusschen voor zaken naar Banda getogen, van welke gelegenheid Madjira gebruik maakte om overal waar hij kon, rooftochten te houden.
Even vóór de terugkomst van den heer De Vlaming, die ten einde voorstellen te doen omtrent den nagelhandel, eerst nog naar Batavia was geweest, begon de strafoefening opnieuw. Piroe en Tanoenoe werden geheel afgeloopen en daarna de pas van Tanoenoe bezet; aan de Noordkust hiervan vielen ons 10 vijandelijke corra2 in de hand en lieten wij 5 vijanden snellen. Daarna werden de dorpen Lisiëla, Bora en Hoelong verwoest. Dit alles geschiedde nog onder bevel van den heer Verbeek, die daarmede Madjira toonen wilde dat ook zonder hulp van den heer De Vlaming, die in aantocht was, de compagnie nog altijd sterk genoeg was. Toen deze ter plaatse kwam zette hij het vernielingswerk voort met de verwoesting van Kaibobo en omstreken, nadat hij de kust van Boeroe van af Tomahoe tot Wainitoe had doen in brand steken, wijl de Boeroeneezen verklaard hadden, alleen naar Madjira te willen luisteren en een onderkoopman benevens een soldaat en matroos hadden vermoord. Voor Lokki, de hoofdversterking van den opstandeling Madjira, werd voorloopig de luitenant Laurens Keller met eene bezetting van 300 man gelegd, in eene versterking „de Dwingeland” gedoopt en onderwijl toog De Vlaming naar Boano, alwaar het dorp Serohi (sedert verdwenen) werd afgeloopen en talrijke vaartuigen werden vernield.
Merkwaardiger wijze gelukte het de vrouw Catherina, van den op Amblauw vermoordden sergeant Sipkens, die anderhalf jaar op Boeroe gevangen had gezeten, na een verschrikkelijken tocht door moerassen en mangi mangi-bosschen, aan de kust te Kajéli te komen, waar zij vernomen had, dat een Hollandsch Jacht op wacht lag. Zij werd gelukkig door de onzen opgemerkt en gered en kon den heer De Vlaming verhalen hoe of de moord op Amblauw geschied was, waarbij de medeplichtigheid van den bovengenoemden Jan Pays te Ambon aan de algemeene samenzwering aan het licht kwam. Deze verloor dan ook het leven door den scherprechter.
De laatste stelling Lokki, van Madjira, werd nu stormenderhand met zeer veel moeite genomen. Zij bestond uit 7 versterkingen boven elkander en De Vlaming zelf, ofschoon pas van eene ziekte hersteld, zoodat hij op een stok moest leunen, voerde den overval, die des nachts om twee uren ondernomen werd, aan, met het gevolg dat de sterkten wel vermeesterd werden, doch Madjira ontsnapte. De troep bleef er 3 weken, die door werden gebracht met het vernielen der aanwezige nagelboomen. Madjira verzamelde zijn verstrooide troepen weer te Erang, doch De Vlaming verdreef hem ook van daar en toen hij de wijk nam naar den heuvel van Tapinalo, werd deze stelling, uit 8 boven elkander gelegen borstweringen bestaande, eveneens genomen, zij het dan ook na een oogenblik van tegenslag. Hierop ontvluchtte Madjira naar Kellang, van waar hij zich in verbinding stelde met den vorst van Makassar, om hulp te verkrijgen, die wel in naam, doch niet inderdaad verleend werd. De pas van Tanoenoe bleef door De Vlaming bezet, de vesting Dwingeland werd, doelloos geworden zijnde weder afgebroken. „Hy liet ook de moordenaars van Waypoeteh en Liëla die veel Nederlands bloed vergoten hadden, den 26en Augusti op Hila straffen, waar 4 Hoofd Orang Kaja’s van ’t eerste dorp (na ’t uitsnyden van de meineedige tongen aan drie derzelve) gerabraakt en een de hand afgekapt wierden.
„Drie wierden er geworgd en op ’t rad gelegt en 15 gevleugeld in ’t water van ’t jagt de Leeuwerik afgeworpen, en door ons volk daar doodgeslagen, hoedanig zij ook met de onzen gehandeld hadden. Een Orang Kaja wierd gegeeseld en ettelyken raakten voor hun leven in de keten. Zekere moorsche paap van Lebelehoe, op de Reduit vast zittende, sprong van boven neder om ’t verder te ontvluchten, doch de heer de Vlaming liet dezen verrader, die door deze sprong zyn been gebroken had, weer boven brengen en die sprong nog eens doen, waaraan hy dood bleef.”
Het is te begrijpen dat door deze geweldige strafoefeningen, waarbij Hoeamoal ten halve ontvolkt was geworden, de schrik er in kwam. De legende spreekt van 99 dorpen die op Hoeamoal lagen, en op den huidigen dag duiden alleen enkele plaatsnamen nog het bestaan van vroegere negorijen aan. In het oude lied van Patinama heet het dan ook: „Verlaten lag toen Sial en het sprak, maak u op ter lijkvaart!” Het sterk geachte Ihamahoe, dat nog steeds in verzet was gebleven, gaf zich thans ook zonder strijd over, hun voornaamste raddraaiers en hunne geweren uitleverende.
Nog moesten Madjira’s volgelingen van Manipa en Kellang verdreven worden. Toevallig ontdekte de lieutenant Frans Male het toevluchtsoord der opstandelingen op den Heliebĕsar op Manipa, een nauwelijks toegankelijk roofnest. Op 5 December 1652 trok De Vlaming met 150 soldaten en 166 Loehoeneezen daarop af en wanhoopte er reeds bijna aan die sterkte, van waaruit de vijand hem met scheldwoorden tergde, te vermeesteren, toen het den wakkeren luitenants Keller en Male, die zich „op den nagt in de ruigte verborgen” gelukte er binnen te dringen. „Zy sloegen den vijand er hol over bol uit, zoo dat zy van boven neder, de steilte af na beneden sprongen, daar zy regt in de handen van Frans Male vielen en weer op nieuw klop kregen”.
Nadat deze versterking genomen was werden de vluchtelingen zoo achtervolgd, dat zij zich den 27en December op genade of ongenade overgaven. Hun werd genade geschonken op voorwaarde dat zij al hunne nagelboomen zouden omkappen. De heer De Vlaming vond niet goed om thans iemand te straffen, „hy moest tot een beter tyd nog veinzen, alzoo hy by de overkomst van ’t Macassars ontzet, vrienden, en geen vyanden van noode had.” Het was nl. Madjira, die zich in de gebergten van Kellang, zooals bleek had schuil gehouden, gelukt om te ontsnappen en zich naar Makassar te begeven, alwaar hij den koning had overgehaald, hem met troepen te steunen.
De Vlaming richtte zich nu tegen den Sengadji van Boano, die reeds lang een tuchtiging had verdiend. Door middel van een spion, wist men na drie vergeefsche pogingen, des nachts voor den steilen berg te komen, waarop de Sengadji zich versterkt had. De heer De Vlaming, die zelf mede was gegaan, bevond zich hier in groot gevaar, omdat hij aan den voet der versterking komende zag, dat slechts 28 man hem gevolgd waren, de overigen waren òf verdwaald òf door het zeer slijkerige voetpad opgehouden. Niettemin had zijn wakker optreden het gevolg dat velen des vijands zich overgaven, al viel de Sengadji hem ook niet in handen. Men vestigde de goedgezinden in een dorp aan de kust, doch het duurde niet lang, of de Sengadji had het door ons aangestelde hoofd doen vergiftigen en de bevolking weer tot zich getrokken. Hij werd daarop opnieuw belegerd door den majoor Verheiden. De drinkwatertoevoer werd afgesneden en twee fortjes „Halstoe” en „Dorstenburg” genaamd, gebouwd op de wegen die toegang gaven tot ’s vijands versterking, doch desondanks wist hij in Januari 1653 te ontsnappen, tevens het eiland verlatende.
Eti.
Sawaï.
Onderwijl waren werkelijk de Makassaren met eene vloot overgekomen en hadden zich ter dege verschanst te Asaoedi, eene plaats die door het aanwezig zijn van zeer steile heuvels met aan de zeezijde loodrechte wanden, zich daar goed toe leent. De Vlaming trachtte eerst de vloot der Makassaren te beletten aan wal te komen, doch door tegenwind gelukte het hem slechts 2 vaartuigen daarvan te vermeesteren, waarop hij den 1en April zijn geschut liet spelen op de versterkingen. Twee werkjes, de Macasaarsche Bril en Voorburg, werden aan het riviertje Asaoedi gebouwd om te beletten, dat meer schepen binnen zouden loopen en daar zaken den heer De Vlaming naar Amboina riepen, werd voorloopig met een beleg volstaan. Toen hij terugkwam in het laatst van Mei, zag hij tot zijne groote verbazing dat majoor Verheiden „buiten last en op een zeer slegt voorgeven van een pas tot hun vertrek te willen verzoeken, met de Macassaren stilstand van wapenen, tot groot nadeel voor ons gemaakt had, in welken tyd van omtrent 3 weken zy zich van alles redelyk wel voorzien hadden.”
De Vlaming bood den vijand vrijen aftocht, indien zij hem Madjira en eenige andere muiters wilden overleveren, doch moest toen vernemen, dat deze zich niet bij de Makassaren bevond en dat zij zich ook niet wilden overgeven, waarop de bloedvlag weer geheschen werd. De Vlaming, zich voornamelijk van Madjira willende meester maken, ging hem met eenige schepen opzoeken, voer Boeroe en de Xoela eilanden om, overal negorijen verbrandend en kruidnagelbosschen vernielend, om ten slotte naar Ternate te zeilen. Aldaar verklaarde hij den koning van Tidore den oorlog, wijl deze de Ambonsche en Ternataansche muitelingen steeds steunde.
Den Portugeezen werd verzocht zich hiermede niet te bemoeien. Op dezen tocht leed De Vlaming met de zijnen dikwijls groot gebrek, zelfs honger, daar er aan de kusten der Moluksche eilanden weinig voedsel te halen viel. Toen de veldheer vernam, dat Madjira met 3 corra2 en twee tjampans naar Ambon was overgestoken, ging hij weer terug naar Asaoedi, alwaar hij tot zijne groote vreugde het jacht Leeuwerik met 120 soldaten en eenig rundvee vond, die door den kapitein-luitenant Van Outhoorn uit Banda waren aangevoerd. De Makassaren konden zich blijven staande houden, waarop De Vlaming besloot nogmaals naar Batavia te zeilen om meer hulptroepen te halen, nadat hij gelast had om de bezetting te Manipa in de houten vesting Wantrouw te legeren en acht te geven op Madjira, die voornemens moest zijn zich daar „neer te slaan”. Dadelijk na zijn vertrek, waagden een 400tal Makassaren met 5 jonken een uitval en het gelukte de onzen, met een verlies van 8 dooden en 11 gewonden niet, hun te beletten door te breken. Door een gevangene vernamen wij dat nog 300 Makassaren en 250 Maleiers onder Daeng Bolecan te Asaoedi achtergebleven waren. Tezelfder tijd rukte ook de heer Cos van Amboina uit, met een hongi van 40 corra2, die nadat zij het eiland Kellang had aangevallen en verwoest, voor Asaoedi aankwam, alwaar 10 corra2 ter versterking van Verheiden werden achtergelaten, terwijl de rest doorging om Misool, Salawatti en Hatoé op Seran te gaan tuchtigen.
De toestand zag er echter niet rooskleurig uit, daar een tweede Makassaarsche vloot op Seran verwacht werd. Spoedig vernam men dan ook dat 38 Makassaarsche schepen den 25en Februari Boeroe hadden aangedaan, terwijl den 3en Maart 17 andere voor Toniwara op Manipa verschenen. Als veiligheidsmaatregel, dat de bevolking daarvan niet zoude overloopen had De Vlaming van elke Orangkaja aldaar, een zoon op het schip de Leeuwaarden in gijzeling genomen, terwijl de door ons aangestelde Sengadji in het fort Wantrouw moest wonen. Verder bleef onze vloot voor het Nassauwsche gat liggen om de schepen voor Manipa te beletten naar Asaoedi te komen.
Madjira nam zich voor Loehoe te nemen, alwaar de Orangkaja Cramer verdacht werd met hem te heulen en den 27en Maart deed hij dan ook met bedoelden Orangkaja, met ongeveer 1000 man, een verwoeden aanval op ons fort Bullebak, doch werd flink afgeslagen, waarna hij wegtrok. De Vlaming liet toen de trouwe Loehoeneezen bij elkander wonen om meer bestand te zijn tegen dergelijke invallen, doch het volk van Kaibobo, dat hij daarheen had geplaatst na de tuchtiging hunne negorij toegebracht, werd nu gelast op Haroekoe te gaan wonen, alwaar zij gedurende 22 jaren bleven. De landvoogd Willem Verbeek, die door al die onlusten geen lust meer had om hier langer te blijven, gaf nu zijn ambt aan den heer De Vlaming over, die aldus den vijftienden Ambonschen landvoogd werd.
De Makassaren, die gezien hadden welk een schoon land Hoeamoal was, zetten zich onderwijl neder op Laäla en bouwden daar eene groote sterke vesting, alsmede eene aan de rivier Kahoela. Om daartegen te ageeren liet De Vlaming in twee weken tijds eene rij van 18 sterkten op de landengte van Tanoenoe leggen. Toen de heer Cos met zijne hongi terugkeerde en men dus meer krijgsvolk beschikbaar kreeg, tastte majoor Verheiden5 den 29en Juli de sterkte bij Kahoela aan, die hij met verlies van 14 dooden en 60 gewonden nam, terwijl hij zelf ook gewond werd. De vijand had een verlies van 130 dooden. Den 31en Augustus 1654 werden 45 corra2 op Toeniwara verzameld, waarbij zich 8 schepen en 10 sloepen voegden en den 6en September daarop viel men de sterkten van Asaoedi aan. Doch daar de zaak niet voorspoedig ging, verliet de heer De Vlaming met stillen trom het tooneel van den strijd om een diversie naar Laäla „de broodkamer” van den Makassaar te doen. Juist kwam koning Mandar Sjah uit Ternate met 4 corra2 en 800 man hulptroepen, die voor Asaoedi gelegerd bleven. Na een beleg van 5 dagen werd Laäla bestormd en na een zeer verwoed gevecht vermeesterd. De vijand begeerde geen kwartier en geen wonder, „alzoo zy gezien hadden, dat zekere troep Amboineesen, met een wit vaandel by den lieutenant Keller gekomen en voor eerst aangenomen, op last van den Veldheer dood geslagen was, en dat om hen te leeren, dat men met de zoo dikwils te vergeefs van ons aangeboden genade niet spotten, nog zich inbeelden moest, dat wy altyd als ’t hen in ’t hoofd schoot die te verzoeken, klaar moesten staan om die te geven.” Men begrijpt dat de strijd dus op leven en dood ging en zoo sneuvelden van den Makassaar 700 man, terwijl 400 werden gevangen genomen, die De Vlaming als slaven aan zijn troep gaf „dat ons volk grooten moed gaf, behalven dat er de Amboineesen nog veele, buiten ons weten, op de Coracora’s geborgen hadden.”
Verder veroverden wij nog 3 ijzeren stukken, 4 metalen bassen en 20 musketten, terwijl onder de dooden de „vuile Simatau”, Orangkaja van Anin nevens andere hoofden waren. Na deze overwinning zeilde De Vlaming met den koning van Ternate naar Boeton, om den vorst aldaar, die in al deze verwikkelingen hulp aan de opstandelingen had verleend, eens op zijn plaats te zetten en daarna vertrok De Vlaming weder naar Batavia. Bij zijne terugkomst te Boeton bevond hij dat de koning van Ternate zeer onoordeelkundig te werk was gegaan bij het aanstellen van een nieuwen vorst, die door de Boetonners vermoord werd. Na alhier orde te hebben gesteld op de zaken en een paar wederspannige negorijen te hebben vernield, liet De Vlaming den commandeur Roos achter, terwijl aan den mond der Boeton-rivier twee forten „Kikt niet” en „Houdt den Bek” werden gebouwd. De Vlaming kwam den 22en Februari 1655 weer te Amboina. Zijn eerste werk was nu Asaoedi te bezetten en den 24en Mei verscheen hij aldaar, den vijand uitdagende, doch niemand verscheen en het bleef alstoen nog bij eenige schermutselingen. Doch den 22en Juli liet hij zijne geheele vloot voor Asaoedi komen, hield den 28en een algemeenen biddag en tastte den 29en de sterkten aan. De welbekende luitenant Frans Male beklom des nachts met zijne getrouwen de rotsen en bereikte des ochtends ten 5 uren een hoogte, grooter dan die waarop de versterkingen lagen. „Toen blies de trompetter, die by den vaandrig Buitendyk stond het Wilhelmus van Nassouwen, waarop het alles van binnen in schrik en alarm geraakte en door ’t kanon op de schepen het zein tot den storm gegeven zynde is men den 29 Juli met het aanbreken van den dag op de vesting aangevallen. De Veldheer zelf met de middel troep, door van Outshoorn geleid, trad aan land, deed op zijn knien een yverig gebed en sprak toen zyn volk een wakkeren moed in.” De vijand volkomen verrast, verdedigde zich niet lang doch vluchtte het gebergte in. Wij hadden slechts 2 dooden te betreuren, doch helaas ook het verlies van den wakkeren Frans Male. De buit bestond in 20 metalen bassen en falconnetten, doch grooter voordeel was dat de lieden van Boano zich thans allen overgaven en in genade werden aangenomen.
Men vervolgde den vijand naar den berg Kahili, alwaar hij door de onzen, geleid door den orangkaja van Hoelong, volkomen verrast werd en een voornaam hoofd, de kapitein laoet Kaitjili Shaidi met vrouw en zoon in onze handen viel. Een onzer gidsen een moorschen priester „vatte hem zoo als hy den dans meende te ontspringen, zelf by de krop, dog alzoo Schaydi een gezet en sterk man was, had de eene schelm den andere byna gemold zoo niet een van onze soldaaten hem een houw in ’t linker been toegebragt had.” Twintig Makassaren lieten bij dezen overval het leven, terwijl er nog eenigen in de vlucht „gesalveerd” werden en 44 vaandels in onze handen vielen. Deze overwinningen maakten zulken indruk op de Kellangers, dat zij zich onderwierpen en het hoofd van Madjira’s halve broeder Kimelaha Dagga, in een korfje, den opperbevelhebber aanboden.
Den 11en Augustus braken de Makassaren, door nalatigheid van een vaandrig op de vesting Zeeburg, van de afsluitingslinie van Tanoenoe, daar doorheen, doch den 24sten Augustus werden deze vijanden bij Hatoe patola, bijna allen gedood door den vaandrig Willem van Mamalo, geholpen door de Alfoeren. Daar lieten ook Daeng Bolecan en 2 van Madjira’s vrouwen het leven.
Madjira had zich naar Boeroe begeven en De Vlaming liet hem het ontsnappen beletten, door de versterking bij Kajéli te bezetten met 46 man. Zware touwen werden over de rivier gespannen en 2 sloepen en een jacht bleven aldaar gestationeerd.
Het was het doel van De Vlaming om Hoamoal woest te houden, daarom plaatste hij de nog aanwezige stammen over naar de andere eilanden. Hij meende dat „zy op hun land blyvende weer zekerlyk nagelboomen aanplanten, vreemdelingen aanhalen en dus weer aanleiding tot nieuwe oorlogen geven zouden; om ’t welk vlak af te snyden hy niet begeerde dat eenig volk op Hoewamohel blyven wonen, maar dat zich de Orang Kaya’s met de Alfoerese Heidenen aan ’t Kasteel met der woon begeven, en de gemeene man zich op Hitoe’s kust verdeelen zou, waar zij eveneens als alle andre vrienden der E. maatschappy zouden werden gehandeld.” Toen Ambonsche hoofden die het natuurlijk niet aangenaam vonden dit vreemde volk te moeten opnemen, hem de mogelijkheid voorhielden dat die stammen wel eens weer terug zouden kunnen gaan naar Hoeamoal (zij zouden waarschijnlijk wel een handje hiertoe helpen) „vond De Vlaming, zich aan geen klein gerugtje meer kreunende goed, ’er met ruwe schoenen door te stappen, en aan die van Hoewamohel te laten weten, dat, zoo imand hier tegen kikken dorst, hij die als een muiter en oproerigen aanstonds den kop doen afslaan of zoodanig straffen zou, dat ’er een ander zich aan kon spiegelen.”
En aldus is geschied en gebleven tot op den huidigen dag. Eerst in het begin van 1800 zijn de negorijen Loehoe, Iha en Koelor op hunne tegenwoordige plaats teruggekeerd en nog veel later werd Lokki weer bevolkt, de negorij Lisiëla, bevindt zich thans op de Noordkust in de afdeeling Wahaï; de dorpen Asaoedi, Masawoi, Kellang en Boano Hatoe Poetih, zijn nog thans op Manipa gevestigd. Al de overige bestaan hebbende stammen zijn uitgeroeid en van de kaart verdwenen6.
In 1660 braken eenige onlusten, aangestookt door de lieden van Seran Laoet op Oost Seran uit, doch een hongitocht, onder kapitein Paulus Visscher met 32 corra2, hield den 30sten October eene duchtige opruiming onder de afvallige dorpen, zoodat de vrede den 10en Februari 1661 weder geteekend was. In het vredesverdrag kwam onder meer art. 16 voor, luidende:
„Tot erkentenis zullen de Orang Kajen in dezen gemeld jegenwoordig aan de E. compagnie uitkeeren vyfentwintig kloeke slaven, ende alle jaaren in de maand April 30000 Atappen aan ’t Fort tot Goeli Goeli leveren, waarvan zy luiden de repartitie onder malkanderen zullen mogen maken.” De inboorlingen konden hieruit wederom zien dat het met de E. compagnie kwaad kersen eten was.
Met het vertrek van den heer De Vlaming den 24sten Mei 1656, viel er behalve bovenvermelde onlusten op Oost Seran, niet veel belangrijks meer voor. De E. compagnie kon na er den schrik te hebben ingebracht vrij rustig voortgaan met het aanplanten van nagelboomen, dáár waar het haar geschikt voorkwam, even als met het uitroeien dier boomen op plaatsen, waar zij minder goed toezicht kon houden. Langzamerhand verliep zooals bekend is, de kruidnagel- en nootmuskaathandel en hielden de Moluksche eilanden op daarmede eene goudmijn voor de compagnie te zijn en geraakten zij, naarmate de compagnie op Java in bloei toenam, langzamerhand in een’ toestand van verval. De regeering liet zich steeds minder aan deze oorden gelegen liggen, zoodat wij thans de wrange vruchten daarvan plukken en deze rijke, zoo niet de rijkste eilanden van onzen Archipel, improductief dáár liggen.
Op de N.O. kust bleven de Tidoreezen hunne rechten doen gelden, voornamelijk bestaande in ’t heffen van belastingen en het halen van slaven aldaar. In 1767 werden zij door ons verdreven, doch zij keerden op het einde der 18e eeuw terug, totdat in 1801 het Britsche tusschenbestuur hen noodzaakte bij verdrag, afstand van Seran te doen. Tevens schaften de Engelschen de hongitochten af en bepaalden dat de levering van materialen tegen betaling zoude plaats hebben en niet zooals ons Gouvernement eischte om niet, doch bij teruggave der Koloniën aan ons Bestuur traden de oude toestanden weder in. De Ternatanen vestigden zich weer op de Noordkust en roofden en knevelden als vroeger.
In 1828 namen hun rooverijen en het koppensnellen zoodanig toe, dat de Regeering besloot een militaire post op Seran te vestigen. Zij koos die plaats eerst te Sawaï, doch deze hoogst ongunstige plek (het vlakke terrein is daar nauwelijks eenige tientallen meters breed, terwijl de bevolking de meest vredelievende is), werd het volgende jaar reeds verlaten en vestigden wij ons te Wahaï. Daar de bezetting geene mobiele kolonne bezat, was de invloed daarvan op de bevolking slechts gering. Met het binnenland bemoeiden wij ons zeer weinig, wegen bestonden er niet, zoodat de civiele gezaghebber, indien hij zijn onderhoorige negorijen langs de kust wilde bezoeken, maar zien moest er te komen, gebruik makende van Inlandsche prauwen. Het is begrijpelijk dat een bestuursambtenaar, die bevreesd was zich in dergelijke ranke, dikwijls onzeewaardige vaartuigen te begeven, eenvoudig die negorijen niet bezocht, zoodat de bestuursinvloed zeer problematisch was. In 1824 werden de hongitochten voorgoed afgeschaft door den G. G. Van der Capellen en in 1832 werd wegens willekeurige handelingen van den Sulthan van Djailolo, die te Hatiling gevestigd was, deze voorgoed afgezet en naar Java verbannen, terwijl de Djailolosche Regeering ontbonden werd.
Nu trachtte de Regeering Seran eenigszins op te heffen uit zijn staat van vergetelheid en verval, doch de bevolking was wantrouwig, vooral de bergbevolking bleef de strandbewoners beschouwen als lieden die hen uitzogen en die, als zij er kans toe zagen, hen als slaven verkochten. (Dit was in 1770 immers nog aangemoedigd door de O.I. Compagnie!) En deze toestand is tot op heden min of meer bestendigd gebleven. De strandbevolking gaf dikwerf eene verkeerde voorstelling van zaken, hetwelk aanleiding gaf tot expeditiën naar het binnenland, doch daar de Alifoeroe in hunne ruwe bergen moeilijk te treffen of te vangen waren, zoo hadden die tochten eigenlijk een negatief resultaat.
In den loop der jaren werd ook te Amahei eene bezetting gelegerd terwijl het Fort te Loehoe tot 1866 van troepen was voorzien. In 1860 werd onder Lt. Kol. De Brabant eene tuchtiging van Waisamoe en omgelegen negorijen ondernomen, wijl deze een veertigtal cacaoplanters, die op last der Regeering aldaar werkzaam waren, hadden vermoord.7 Te Hatoesoea werd eene tijdelijke versterking opgericht om van daaruit de gevluchte bevolkingen in het binnenland op te sporen. Den 13en October werd een aanval van 300 met geweren bewapenden uit Honitétoe op deze redoute, die aan voortdurende beschietingen blootstaan, ondernomen, doch evenals een gelijktijdige aanval van 200 vijanden op de andere zijde der versterking, afgeslagen.
Daarop ondernamen de onzen een tocht naar het binnenland, die den 17en d.a.v. aanving. Den 18en bereikten wij met 14 gewonden Oeraoe (eene negorij die slechts 2 uren gaans het binnenland inligt). Den 20en eerst werd Honitétoe bereikt, waarna men terugmarcheerde naar Oeraoe en vervolgens naar het strand, waar men met 23 gewonde militairen en nog eenige gekwetsten der hulptroepen, den 22en terug was. Na ontvangen versterking van 370 Ternatanen, besloot men met een deel der colonne tegen Sapoléwa op te treden. Dit geschiedde door eene colonne van 8 officieren, 232 bajonnetten, 7 artilleristen met 2 Coehoornmortieren, 11 sappeurs en 350 man hulptroepen. Den 8en November brak men op van Nakaela en vermeesterde met eenig gevecht op den 10en Boeria, waarna ook Roemah Soal zich onderwierp en eenige andere nog weerspannige negorijen in de asch werden gelegd. Den 17en kwam de colonne met totaal 36 gewonden weder te Noniali terug, en nadat te Kamarian eene bezetting van 35 man werd achtergelaten in eene redoute bewapend met 2 drieponders, keerden de troepen 1 December naar Amboina terug.
Hoofdstraat in Piroe
(Rechts sagéroe-palm met vruchtentros).
Rotsen van Nakaela.
In 1864 werd het noodig den stam Maréhoenoe (thans nog slechts eenige tientallen zielen sterk) te tuchtigen, wijl hij zich ten zeerste aan roof en sneltochten te buiten ging. Onder den luit.-kolonel Jalink debarkeerde eene colonne van 7 officieren en 156 man benevens 2 coehoornmortieren te Lisabata, alwaar zich reeds de civiel gezaghebber van Wahaï, luitenant Tersteege met 150 man Saparoeësche schutters bevond.
Den 17en Juni ving de tocht aan en den 18en bestormde men het plateau van Maréhoenoe lama waarop de vijand, zooals een ooggetuige mededeelde, verschrikt door het voor hen vreemde geluid der ten aanval blazende trompetten, op de vlucht sloeg. Men trok nog verder zuidwaarts tot aan Koelooi en omstreken, om de nederzettingen te verwoesten. Om zooveel mogelijk op Alfoeren te gelijken, waren de soldaten gekleed in boezeroen en voorzien van hoofddoeken. De vijand verdedigde zich slechts zwakjes en onderwierp zich weldra. Wij keerden zonder verliezen den 26en Juni weder naar Amboina terug.
In 1865 begon de Regeering meer aandacht te schenken aan Seran en wilde dit onder meer geregeld bestuur brengen. De eilanders opgeruid en zeer vatbaar voor de allervreemdste verhalen die in omloop werden gebracht omtrent de bedoelingen der Regeering, begonnen woelig te worden en verzetten zich te West-Seran vrij krachtig tegen onze bestuursmaatregelen, schoten te Kaibobo op den kommandant van Hr. Ms. Metalen Kruis en hadden zelfs een aanval op onze forten te Loehoe en te Kamarian in den zin. Daarom werd eene colonne van 9 officieren en 166 man onder den Lt.-kol. Strengnaerts den 15en October 1865 naar Kaibobo gezonden. Deze negorij en eenige andere ontruimd bevonden wordende, stevende men naar Karaitoe, alwaar men voorloopig bleef en in den omtrek patrouilles maakte, die ons een tiental gewonden bezorgden, zonder dat van den vijand veel bespeurd werd. Onderwijl werd versterking aangevraagd benevens machtiging tot het oproepen van 600 Ternataansche hulptroepen.
Toen er 4 officieren en 150 man versterking kwamen, begon de bevolking van de kust dadelijk toenadering te betoonen. Aan de Noordkust echter bleef het woelig, waarop den 11en Januari 1866 eene colonne te Noniali gelegerd werd, waarbij zich eenigen tijd later 500 Ternatanen voegden, terwijl nog een 500tal naar Kairatoe werd gebracht. De Noorder-colonne moest den 15en en 16en naar Ninené (?) marcheeren en den 19en voor Roemah Soal komen. De Zuider-colonne zou den 12en naar Oeraoe, den 13en naar Honitétoe, den 15en en 16en naar Manoesamanoewé en den 18en en 19en naar Roemah Soal komen.
Eerst den 23en greep de vereeniging der beide colonnes, die behalve met den zich flink verdedigenden vijand ook nog met het zeer moeilijke terrein hadden te kampen, te Roemah Soal plaats. Men bleef aldaar eenigen tijd om de omstreken te pacificeeren, om den 2en Maart zich weder in te schepen voor Amboina. Deze excursie had ons gekost 2 dooden en 68 gewonden aan soldaten, 1 doode en 51 gewonden aan hulptroepen en 2 dooden en 20 gewonden aan koelies (Ind. Mil. Tijdschr. 1871).
In 1875 werd een soldaat van de post Wahaï gesneld. De postcommandant, de kapitein Schulze, achtte toen eene tuchtiging der Nisawélé- en Hoaoeloestammen noodzakelijk, waartoe hem eene versterking van 1 inlandsche compagnie, 31 Europeesche soldaten, 2 coehoornmortieren en 377 man hulptroepen werden gegeven. Hij rukte in Juli van dat jaar op naar Hoaoeloe en Nisawélé en verbrandde die negorijen, waarvan de bewoners vluchtten en zich slechts zwak te weer stelden. (Een onderzoek heeft thans bewezen, dat de eigenlijke daders van den moord, lieden uit Nisawélé Kanikeh waren, een toenmaals bij het bestuur blijkbaar onbekenden stam en de zedelijke dader een Mohammedaan uit Hatiling, een wijk van het plaatsje Wahaï zelf, die de Alfoeren tot dien moord had weten over te halen). In 1882 werd Seran verdeeld in vier bestuursafdeelingen: Wahaï, Kairatoe (thans West-Seran), Amahei en Waroe. Te Wahaï bleef een officier als civiel gezaghebber gevestigd, op de drie andere afdeelingen werd een posthouder geplaatst op eene bezoldiging van ƒ100 ’s maands en vrije woning. Ofschoon zeker verscheidene van deze posthouders hun best hebben gedaan om geregelde toestanden te scheppen, zoo was de verbetering gering, daar een bestuur in de koloniën, niet gerugsteund door de bajonet, vrijwel waardeloos is, en de posthouders bovendien minder ontwikkelde personen zonder opleiding voor hunne taak waren en veelal nog zijn, dus zeker weinig geschikt om een woelig volk als de Alfoeren te besturen.
In 1900 mocht het den civielen gezaghebber Gijsberti Hodenpijl gelukken de Regeering te overtuigen, dat indien wij de Bergalfoeren niet opzochten en in aanraking met ons brachten, het bestuur van uit eene versterking niet veel nut had en werden hem daarom eenige gelden verstrekt om wegen te kappen, ter meerdere veiligheid der patrouilles, waarlangs deze naar het binnenland zouden marcheeren.
Bijna dadelijk na het begin van uitvoering hiervan, trok de Regeering de gelden voor wegenaanleg weder in, terwijl er zelfs over gedacht werd om de vestiging te Wahaï op te heffen!
Voor dat dit onverstandige plan uitvoering had gekregen liet de volgende postcommandant de patrouilles voortzetten, gebruik makende van de Alfoerenpaden, door de geheele afdeeling, waardoor nog 26 negorijen werden ontdekt, de Alfoeren zonder verzet het Nederlandsch gezag erkenden en zich te Wahaï kwamen melden.
Langzamerhand maakte het koppensnellen, dat in de Afdeeling West-Seran onrustbarend toenam, een krachtiger optreden noodzakelijk, en toonde de Resident van Assen de wenschelijkheid eener militaire bezetting te Piroe aan, zoodat ten slotte in 1904 aldaar eene bezetting van 2 officieren en 80 man werd gelegerd, met intrekking van het detachementje van 25 man te Amahei, dat nimmer eenig nut had gehad en waarvan het fortje door de groote vloedgolf van 1899 verwoest was.
Twee jaren te voren hadden de Alfoeren van Roemah Soal de negorij Wai Samoe in brand gestoken en voortdurend de strandbewoners verontrust, waarom hun eene zware boete werd opgelegd. Toen zij weigerden deze te betalen, werden zij door een colonne (onder den civiel gezaghebber van West-Seran) van 4 officieren en 131 man, waar onder een landingsdivisie van Hr. Ms. Ceram, opgezocht.
Den 10en September 1904 trok men van Nakaëla naar Boeria en wijl de rechtstreeksche weg naar Roemah Soal zwaar versperd en in staat van tegenweer was gebracht, maakte men een grooten omweg door het hooggebergte. Doch de lengte hiervan viel tegen, de koelies, (Alfoeren die tegen hun zin als zoodanig dienst deden), weigerden om verder te trekken, heulden met den vijand en wierpen heimelijk de levensmiddelen weg, waardoor de baileo van Roemah Soal niet werd bereikt en men na een 5 daagschen tocht met 19 gewonden, waaronder de zeeofficier Dumbar en de luitenant Bouman over Wakolo weer Lisabata bereikte. Spoedig daarna kwamen de Roemah Soal Alfoeren hunne onderwerping aanbieden en vingen zij aan de opgelegde boete te betalen. De overige negorijen van West-Seran (met uitzondering van Manoesamanoewé) werden zonder daadwerkelijken tegenstand door de patrouilles bezocht.
In 1905 werden de Honitétoe Alfoeren oproerig, weigerden naar de vermaningen van het bestuur te luisteren en hielden eenige sneltochten, ofschoon zij tegenover eene patrouille, die hunne negorij bezocht niet tot vijandelijkheden overgingen. Onderwijl werd de kapitein Van de Siepkamp met het bestuur over de afdeelingen Wahaï, West-Seran en Amahei belast en hem versterkingen toegevoegd van het garnizoensbataljon van Amboina en van het 13e Bataljon te Soerabaja, waarmede patrouilleeringen werden gemaakt.
Toen Honitétoe een bepaald vijandige houding aannam, werd van uit Roembéroe een aanval daarop gedaan en de negorij in een vijfdaagschen tocht met een verlies van 12 gewonden bereikt. Toen deze tijdelijk bezet bleef, onderwierpen zich de Hoofden daarvan en maakte men verdere patrouilles naar Hoekoeina, Watoei en omliggende negorijen. Dit optreden onzerzijds en vooral het tijdelijk bezet blijven houden van het doorkruiste gebied, bracht veel verbetering in den algemeenen toestand. Zoowel strand- als bergalfoeren zagen in dat het ons thans ernst was en schikten zich in den nieuwen toestand, zoodat zelfs talrijke geweren werden ingeleverd en in West-Seran thans een meer rustige toestand is ingetreden. Indien men na dit met weinig verliezen en troepen behaalde succes niet te optimistisch wordt en meent dat militaire bezetting en toezicht verder overbodig zijn, dan kan in de naaste toekomst verwacht worden dat deze rust van blijvenden aard is en de bevolking, die het geenszins aan schranderheid ontbreekt, zich zal gaan ontwikkelen. Doch daarvoor is juist nu streng toezicht noodig, daar ook met pijl en boog de bergalfoer het den strandbewoners lastig genoeg kan maken.
Te Wahaï braken in 1904 nog eenige onlusten uit met de Wae Rama Alfoeren, waarin ten slotte de Nisawéléstam eveneens betrokken werd.
Naar aanleiding van het snellen van een Christen van Wahaï door Alfoeren van Sollok op aanstoken van inwoners van Wahaï, werd door den luitenant Stennekes eene excursie naar Sollok en Nisawélé ondernomen, die na eenig gevecht Nisawélé bereikte en bezette en na enkele dagen verblijf aldaar met een verlies van 1 doode en 22 gewonden (waaronder de aanvoerder zelf) aan mindere militairen en hulptroepen te Wahaï terugkeerde.
Niet lang daarna kwamen de bedoelde stammen weder in onderwerping en bevonden latere patrouilles het binnenland in rust, zoodat ook te Wahaï, waar trouwens de meer vredelievende aard der bewoners minder kans geeft op rustverstoring, de politieke toestand zeer gunstig is.
1 Boot (p 886) beweert, dat volgens bijgeloof der oude bewoners van die streken op een berg een waringinboom met slechts 3 takken groeide en dat in dien boom een booze geest Fahadjoel woonde, die met zijn spies in den stam een gat stak waaruit de 3 rivieren Talla, Eti en Sapoléwa ontsprongen. Dat die geest Fahadjoel heet moet als een groot geheim verzwegen worden, ook Ribbe (Ein Aufenthalt auf Grosz Seram, p. 179) deelt iets dergelijks mede, doch de Roembéroe Alifoeroe vertelden ons dat de plaats van den waringinboom (die nog leeft en bewaakt wordt door den stam Manoesamanoewé) geen bijzondere bergtop is en dat de Eti en Sapoléwa in de nabijheid dier plek hunnen oorsprong hebben, doch dat de Tala veel zuidelijker ontspringt, dicht bij Hoenitétoe, zooals de jongste patrouilles in 1906 dan ook hebben bevonden. ↑
2 Zeer groote kano’s, die wel 100 man konden opnemen. ↑
5 Later in een strijd met de Portugeezen gesneuveld. ↑
6 Valentijn schatte het aantal bewoners van Hoeamoal op 11612, waaronder 2030 weerbare mannen. ↑
7 Zie G. B. Hooijer, Krijgsgeschiedenis van N.I. dl II. (p. 146 e. v.) ↑