Het grootste eiland van den Molukschen Archipel dat zich uitstrekt van 127° 50′ tot 130° 50′ O.L. en van 2° 45′ tot 3° 55′ Z.B. wordt Seran genoemd. Over dezen naam is eenig twistgeschrijf geweest. De heer Riedel beweert, dat de schrijfwijze Serang behoort te zijn, wijl hij de schrijfwijze Ceram de Portugeesche spelling van dat woord acht. Hij leidt dit af, uit de veronderstelling dat, toen vreemdelingen dat eiland voor het eerst bezochten, hun werd toegeroepen „sei raha”, hetgeen zou moeten beduiden: „wiens schip?” Nusera of nusela welke namen volgens hem ook aan Seran gegeven zouden worden, moet beteekenen „sago eiland”. Men vraagt bij dit betoog dadelijk: in welk dialect beduidt sei raha, wiens schip en hoe werd dit tot Serang? Doch ten tweede wordt Seran niet nusela, maar wel eens noesa jéla genoemd, hetgeen in vele Alfoerendialecten beduidt: groot eiland! Van de groepjes kleine eilanden, die om Seran liggen, wordt vaak het grootste noesa jéla gedoopt. In het Patinamalied heet het, dat de lijkstoet van dien held zich richtte „laoe noesa jéla.”
Valentijn vermeldt reeds, dat alleen het oostelijke deel des eilands Seran heet, zooals ook Van Hoëvell schrijft en ook thans nog is dit zoo. Spreekt men van orang seran zonder meer, dan bedoelt men de bewoners van de afdeeling Waroe en bij het uitspreken van dit woord hoort men duidelijk „Seran” zeggen, waarom wij ons aan die schrijfwijze houden, hierin steun vindend bij Prof. Martin, die zegt: „die Riedelsche auch auf der Karte des Hydrografischen Bureau’s und auf andern Blättern vorkommende Schreibart „Serang” ist dagegen unrichtig, da sie nur der Ambonschen Mundart entspricht, während die noch ältere „Ceram” gar keine Berechtigung besitzt.”
Overdekt met een grillig gevormd, veeltoppig gebergte strekt Seran zich evenwijdig aan den evenaar uit, in eene flauw gebogene naar het Zuiden holle lijn, met eene oppervlakte van ± 311 G.M2. De groote Piroe, Elpapoetih, Sawaï en Teloeti baaien zijn als het ware in het lichaam des eilands uitgebeten en daar het gebergte aan deze baaien tot vlak aan zee loopt, zoo maakt het den indruk, alsof door groote beroeringen het land daartusschen is weggezonken.
De hoogste bergtop is de Moerkélé, die, naar eene wel is waar ruwe berekening, eene hoogte heeft van ± 1900 M. (op sommige kaarten staat hij als Goenoeng Mansela met 2000 M. en meer hoogte vermeld). Het gebergte is, voor zoover bekend, over het algemeen van niet vulkanischen aard met uitzondering van een gedeelte der Zuidkust en het Zuidelijk deel van Hoeamoal (Verbeek Geologische reis). Ook warmwaterbronnen of solfatoren zijn onbekend. Slechts treft men bij Boela slijkvulkanen aan. Aardbevingen komen veelvuldig voor, op de Noordkust in veel geringer mate voelbaar dan op de Zuidkust.
De Zuidkust leed van tijd tot tijd onder zeebevingen, waarvan de laatste in 1899 zeer hevig was. Doorgaans vielen zij samen met de aard- en zeebevingen, die het eiland Ambon teisterden in 1671—1673—1674—1755—1777—1830—1835—1837—1845—1850—1852—1853 enz. en de zéér hevige in 1898. Hierom alleen reeds is Ambon eene minder geschikte plaats tot bestuursvestiging en behoorde deze reeds lang naar Wahaï te zijn overgeplaatst.
Het schiereiland Hoeamoal, dat slechts door eene smalle landengte van nauwelijks 4 à 5 K.M. breedte met Seran verbonden is en waarvan de as loodrecht staat op die van het groote eiland, is wellicht vroeger daarvan gescheiden geweest. Merkwaardig zijn de twee waterpoorten ten Oosten en ten Westen van het eiland Babi, dat als het ware eene verbinding tusschen het moedereiland en Kellang vormt. Het Oostelijke gat, ook wel Nassausche gat geheeten, omdat in 1625 de Nassausche vloot van 4 schepen die onder Geen Huigen Schapenham naar Amboina stevende daardoor heen voer, is misschien 50 M., het Westelijke ongeveer 200 M. breed.
Bij het wisselen van het getij staat in deze beide gaten een hevige stroom, doch voornamelijk in de Lobang Solé of Zonnegat, alwaar dan vrij groote draaikolken van eenige meters diepte worden gevormd, die eene kleine visschersprauw naar beneden kunnen zuigen, zooals nog wel eens voorkomt. Zuidelijk van de Lobang Haja of ’t Nassausche gat, strekt zich een rif uit, waarop jaarlijks door de groote onverschilligheid der Seranners ettelijke prauwen stranden.
Mag men den inboorling gelooven, dan strekt dit rif zich reeds veel verder naar het Westen uit dan bekend was bij hunne vaderen en zou mogelijk de Lobang Haja ook langzamerhand dichtslibben of dichtgroeien?
Over de formatie van het eiland Seran spreken de deskundigen zich niet met beslistheid uit, wijl het nog niet volgens een wetenschappelijk plan is onderzocht geworden, doch de vondst van de overblijfselen van eenen reusachtigen ichthyosaurus op Zuid-Seran duidt toch zeker op een hoogen ouderdom. Hen, die belang stellen in het geologische Seran, verwijzen wij naar de geschriften van:
J. L. C. Schroeder van der Kolk, 2 dln. 1899. Mikroskopische Studien über Gesteine aus der Molukken.
K. Martin, Reisen in den Molukken. Geologischer Theil. 1901, en
R. D. M. Verbeek. Voorloopig verslag over eene geologische reis door het oostelijk gedeelte van den Ind. Archipel in 1899. Batavia 1900.
Daar de wetenschappelijke bezoekers van Seran door de onvriendelijke gezindheid der bergbewoners het binnenland niet bezochten, zoo was omtrent het bergstelsel zeer weinig bekend. De zoogenaamde postweg van Makariki naar Pasanea werd door Von Rosenberg, Van Hoëvell, Ida Pfeiffer en Martin begaan en van dezen laatstgenoemden nauwkeurigen natuuronderzoeker nemen wij het profiel van deze doorsnede van Seran over. Verder bezocht Martin de negorij Honitétoe, alwaar de zeer onbetrouwbare bevolking hem kwaadgezind werd en hij zeer spoedig naar Kairatoe moest vertrekken. Naast eenige door hem vervaardigde profielen geven wij ook de onze, opdat men eenig denkbeeld krijge van het relief van het eiland. Stond Von Rosenberg de meening voor, dat eene centrale bergketen, in de lengte-as van het eiland loopende, het eiland doorsneed, „einer Mauer gleich die Nordküste von der Südküste trennt,” Prof. Martin merkte op, dat dan toch West-Seran zeker niet door het Centraalgebergte in twee deelen gesneden wordt, welke laatste opvatting de juiste is. Naar onze meening bestaat er een Centraalgebergte, dat echter slechts van den Goenoeng Dibaban tot aan den bergknoop Hatoe-Walokoné loopt. Van deze beide uiteinden loopen straalsgewijze bergruggen in de afdeelingen Waroe en West-Seran uit. Het Wallacegebergte vormt een afzonderlijk bergcomplex, dat met een vrij vlakken rug verbinding heeft met de uitloopers van den Hatoe-Walokoné. Onze meening hierover motiveerden wij reeds uitvoeriger in het T. A. G. 1906 p. 439.
Christen jongelieden van Piroe.
De meisjes in pakean tanah.
Eene merkwaardigheid van het eiland Boano, ten N.W. van Seran gelegen, is, dat het uit twee deelen, die slechts door eene smalle engte van elkander gescheiden zijn, bestaat. Reeds Valentijn maakte daarvan melding: „Tot slot moeten wy, eer wy er afscheiden, hier nog byvoegen, dat schoon men dit eiland Boano zo lang bezeten, en van onzentwegen bestiert heeft, men egter in deze latere tyden by gelegenheit van een Hongitogt eerst ontdekt heeft, dat de inlander, tot onze groote verwondering, tot nog toe voor ons zeer listig bedekt heeft gehouden, te weten, dat dit eiland waarlyk in twee deelen verdeelt, en aldus gelyk men altyt gemeent heeft, geen een eiland is, maar dat Bonoa uit twee eilanden, die door de zee volkomen van een gescheiden zyn, bestaat, waarop de Christenen en Mooren plagten te woonen.”
Op de kaart n°. 16 (1898) in den atlas van Ten Siethof en Stemfoort vond ik eveneens aangegeven, dat het eiland Boano uit twee gedeelten bestaat, doch de configuratie, alsmede de ligging der negorijen, is daarop verkeerd. Nieuwere kaarten vermelden die straat niet meer en ook bij een groot deel der bevolking is haar bestaan onbekend. Een plaatselijk onderzoek bracht aan het licht, dat aan het N.O. gedeelte van Boano zich een vrij groot meer bevindt, dat, westelijk verborgen voor het oog, door een diep kanaal van 100 tot 200 M. breed in verbinding staat met de zee, terwijl het meer aan de Z.O. zijde eveneens eene uitmonding in zee heeft.
De rivieren van Seran loopen in ’t algemeen naar het Noorden en naar het Zuiden; het gevolg van de omstandigheid, dat zij op het middengebergte ontspringen. Eene uitzondering hierop maken de Eti in West-Seran, de Koea en de Sapoléwa in Wahaï en de Masiwan in Waroe, wier algemeene richting Oost-West is. Zij zijn met uitzondering van deze laatste en de Roewata, meest alle onbevaarbaar, uitgenomen dicht bij de monding, voor kleine inlandsche vaartuigen. De Masiwan, de Roewata en de Samal, die in vlakke dalen stroomen, zijn vele uren ver stroomopwaarts nog te bevaren, hoewel ook slechts voor vaartuigen van geringen diepgang. De rivieren zijn dan ook te beschouwen als afvoerleidingen van het overvloedig vallende hemelwater; in den Westmoesson niet over te steken, wild stroomende, breede wateren; in den Oostmoesson slechts een smal stroompje vormende, waarvan de mondingen dikwijls geheel of gedeeltelijk door verzanding afgesloten worden van de zee. De Aké Ternate heeft eene bandjirbedding van soms tot 500 M. breedte, die echter slechts in den Westmoesson gevuld is. Voor de Alifoeroe vormen de droge rivierbeddingen dikwijls de eenige verkeerswegen tusschen de kust en de bergen en als de rivieren in den regentijd sterk gezwollen zijn, is dan ook de gemeenschap met het binnenland voor vele streken volkomen afgebroken en blijven de inboorlingen op hunne bergen.
Aan de Noordzijde ten Oosten van de plaats Wahaï strekt zich eene schoone, uiterst vruchtbare vlakte uit, zeer waterrijk en bedekt met een tamelijk open bosch, waarin de prachtigste houtsoorten worden aangetroffen.
Ook tusschen de grillig gevormde uitloopers van het gebergte naar het Westen en Oosten ontstonden vruchtbare vlakke dalen van alluvialen grond, terwijl deze aan de Zuidkust schaarsch zijn en het gebergte daar meestal trapsgewijze tot zeer dicht aan de kust nadert. Bij Sawaï dringt het gebergte plotseling naar voren en valt daar met zeer steile, zelfs overhangende wanden in zee; dit geschiedt nog eens bij Moernaten, alwaar de rotsen van die plaats tot aan Kawa, eveneens loodrecht in zee loopen, terwijl het water in de onmiddellijke nabijheid van de laagwaterlijn, reeds tientallen vademen diep is.
Overigens wordt Seran omboord door een min of meer breed strand.
Ten Oosten van Wahaï loopt dit strand glooiend soms tot ± 1 K.M. ver in zee (zooals bij Samal) en het bestaat uit fijn zand en verweerde schelpen. Ten Westen en langs de Zuidkust loopt het strand veel steiler in zee, zoodat deze op eenige honderden meters van de laagwaterlijn, reeds 40 tot 100 vademen diep is; het strand bestaat daar uit fijn kiezelgruis en breccie, waarin groote rolkeien en reusachtige stukken rots verspreid liggen (Hatoe Soeweni bij Woloe), terwijl de koraalriffen, die men overal aantreft in hunne prachtige verscheidenheid, de zoogenaamde onderzeesche tuinen vormen, die wemelen van vreemdsoortige en schitterende visschen.
Vooral om de Poeloe Toedjoeh, eene kleine eilandengroep aan den Westelijken ingang van de baai van Sawaï, zijn deze koraalbosschen het fraaist. De eilandjes zijn waarschijnlijk ook niet anders dan boven het watervlak opgegroeide koraalriffen. Levend water komt er niet op voor, doch op enkele geven putten van weinig diepte, goed drinkbaar water. Opmerkelijk is, dat, hoewel de naam aanduidt, dat er zeven eilanden moeten zijn, men er slechts zes vindt. Het zevende, dat in vroeger tijden bij eene hevige aardbeving moet zijn verdwenen, is het Bali rif, (zoo genoemd, omdat Hr. Ms. ss. Bali daar eens op vast is geloopen), waarvan bij zeer laag water slechts enkele steenen droog vallen. Aan den Zuidkant van het grootste eiland Poeloe Elo komt eene oestersoort voor, waarin men kleine pareltjes vindt. Ook bij de monding der Samalrivier treft men deze oester aan. Van tijd tot tijd vertoont zich op deze eilanden eene kudde herten, een bewijs, dat deze dieren, ondanks de sterke stroomingen, die tusschen deze eilandjes heerschen, er al zwemmende weten te komen. Inboorlingen vertelden, dat zij zelfs naar Misool aldus overstaken en daar soms gezien werden, terwijl er op Misool anders geen herten voorkomen. Nog eenige natuurkundige merkwaardigheden zijn de volgende: de Moeal en Toloearang-rivieren staan met elkander in verbinding door een ± 3 K.M. breede grintvlakte, waarover in den Westmoesson het water van de Toloearang in de Moeal loopt, waarom die vlakte op de kaart werd geplaatst als „overlaat”.
Op den weg van de kust naar Roembéroe treft men eene natuurlijke brug aan, die een ravijn met 260 en 280 M. hooge wanden overwelft. Op 100 M. onder het slechts een tiental meters lange bruggedek stroomt de Nala door den bergwand heen. Schertsenderwijze noemde men die brug de „Ponte dei Sospiri” om den moeilijken weg, die daarover heenvoert. In den Hatoe Patola, een scherp kegelvormigen berg op de grens der afdeelingen Wahaï en West-Seran, treft men eene fraaie zeer ruime grot aan; kleinere grotten vindt men bij Sĕléman en Wahaï. Meren van eenige beteekenis zijn het Tifoe meer op Hoeamoal, dat bij Hatoe Noeroe en het Asélé meer bij Laboean, dat eigenlijk meer eene lagune is. Verder verdient nog vermelding dat bij Sanahoe, jodium en ijzerhoudende bronnen worden aangetroffen.
Aan de geheele Noordkust is Wahaï de eenige goede haven. Onze tegenwoordige vestiging is gelegen aan eene smalle diepe geul, ongeschikt tot het opnemen van groote vaartuigen, maar ten Oosten van deze invaart is de baai van Hatiling gelegen, met eene monding van ± 400 M. breedte, eene ruime, buitengewoon fraaie haven vormende, ten O. beschermd door den tandjong Héwal, ten W. door het uitgestrekte Wahaïrif, en waarin groote schepen eene veilige ligplaats vinden. De groote diepte van de zee onmiddellijk bij de strandlijn maakt het in den Westmoesson voor schepen onmogelijk om te ankeren bewesten Wahaï. Bij kalme zee is voor Bessi, Soekaradja, Nakaela en Boano op 30 à 40 vadem te ankeren. Ook in de baai van Sawaï kan men goede ankerplaatsen vinden, doch verscheidene koraalriffen manen tot voorzichtigheid. In de zeer beschermde Piroebaai kan ten allen tijde geankerd worden, doch ook hier noodzaken zandbanken en riffen zulks op vrij grooten afstand uit de kust te doen. De Elpapoetihbaai levert door hare open ligging dikwijls moeilijkheden, de zee is met uitzondering van gedeelten voor Mani en Makariki zeer diep, terwijl Amahei eene goede haven bezit met eene diepte van 11 à 12 vadem.
Door den minder vruchtbaren bodem echter en doordat de vlakte daarachter tamelijk smal is, zal Amahei moeilijk eene plaats van eenige beteekenis kunnen worden. De Teloetibaai staat ook bloot aan heftigen golfslag en hooge deining, bij Woloe gaat het ankeren met het minste bezwaar gepaard. Op de Oost- en Noordoostkust vindt men weder gemakkelijker ankergrond, doch men moet vrij ver uit de kust blijven, bij Boela ongeveer 2 K.M. Eene kleine, doch zeer goede invaart heeft men in de Inglasbaai, terwijl het Oostelijk deel der Noordkust met haren zandigen oever in denzelfden toestand verkeert als de Oostkust.
Van Tandjong Tapi tot aan de Lobang Haja vertoont de kust in het klein eene fjordenvorming. Diepe spleten, begrensd door steile wanden gaan daar als barsten in het gebergte landinwaarts. Het meer Tifoe, wellicht door instorting van een wand gevormd, wordt van den zeearm gescheiden door een zeer lagen dam van slechts enkele meters breedte. In het midden ligt een dicht met ananas begroeid eilandje, dat de geliefkoosde verblijfplaats is van talrijke krokodillen. Het meer is zeer vischrijk en heeft onderaardsche gemeenschap met de zee en opmerkelijk is het, dat men van tijd tot tijd langs de oevers talrijke groote visschen vindt liggen, die gestorven zijn door eene onbekende oorzaak. Hoewel er dikwijls in gevischt wordt, heeft de inlander toch eene zekere vrees voor dit meer en vindt men op den Westelijken oever plaatsen, waar men offeranden neerlegt.
Om de kust van Seran loopen regelmatig met het tij zeer sterke stroomingen en niet alleen inlandsche vaartuigen, doch ook stoomschepen dicht langs de kust houdende, hebben daarmede soms rekening te houden. Uit de Piroebaai naar Ambon stoomende, ziet men gebeuren, dat bij Tandjong Sial een schip ineens door den stroom wordt omgezet; vooral bij dergelijke vooruitstekende punten schiet de stroom als eene bruisende rivier in zee voorbij en in den West-moesson heerscht in straat Manipa en benoorden Boano dikwijls een woeste golfslag, waarbij golven van 8 M. geene zeldzaamheid zijn. De Oost- en West-moesson zijn op Seran zeer scherp gescheiden en door de aanwezigheid van het Middengebergte, heerscht niet dezelfde moesson gelijktijdig over het geheele eiland. Geven wij hier liever het woord aan Prof. Martin, die deze omstandigheid zakelijk mededeelt:
„Bekanntlich herrscht in den Molukken von Mai bis September meistens der reguläre S.O. Passat, im Australischen Sommer dagegen ein N.W. Muson, weil in dieser Jahreszeit die grosze Erwärmung im nördlichen Neu-Holland eine Anflockerung der Luft zur Folge hat, und somit daselbst ein Anzichungspunkt für die Luftmassen des nördlich vom Festlande befindlichen Meeres gebildet wird. Dieser N.W. Muson dauert nun in den Molukken von November bis März; die Monate April und October sind die Zeiten des Passatwechsels (kentering). Es wehen aber an der Südküste Serans während des N.W. Musons bisweilen auch W. u. S.W. Winde, welche letztere stürmisch zu sein pflegen; ebenso kommen zur Zeit des S.O. Muson nicht selden O. Winde vor; der Kürze halber werden beide Passate im gewöhnlichen Leben einfach als West- und Ost-Muson bezeichnet.
„Dieser weht ununterbrochen, Tag und Nacht hindurch, und an der Südküste Serans steht in der betreffenden Jahreszeit in der Regel eine so gewaltige Brandung, dasz Fahrten in Segel- oder Ruderböten kaum auszuführen sind; der West-Muson dagegen weht hier meistens nur über Tag, während es nachts, morgens früh und gegen Abend ruhig zu sein pflegt. Deswegen lassen sich auch während seiner Herrschaft Küstenfahrten in beliebiger Richtung unter Zuhilfenahme der Nachtstunden ausführen, und sind die Monate November bis März als die beste Zeit für Reisen in der betreffenden Gegend zu bezeichnen. Da beide Passate übers Meer streichen und sich ihnen nun auf Seran ein hohes Gebirgsland in den Weg stellt, so bringen sie auch beide Regen an, aber selbstredend scheidet das Gebirge, welches von West nach Ost durch Seran zieht die Niederschläge; während die Windseite ihre Regenzeit hat, ist die Gegend welche an der Leeseite, im Windschatten der Höhen, liegt, trocken. Deswegen hat die Nordküste des Eilands ihre Regenzeit während der Dauer des N.W. Passats, die Südküste während derjenigen des S.O. Passats—allerdings mit einer Ausnahme, welche auf den ersten Blick sehr befremdlich erscheint; denn während sich Hatusua und der ganze östlich von dort gelegene Küstenstrich in der Regenzeit befindet, ist die Gegend von Kaibobo, das Innere der Pirubai und Huamual, bis zum Tandjung Sial, trocken. Das Reispflanzen, welches bekanntlich in der Regenzeit geschehen musz, wird aber in diesen Gegenden in December und Januar vorgenommen, also in derselben Zeit, in der auch die Nordküste Serans ihre Regenzeit hat; in Hatusua, welches nur ein wenig südostlich von Kaibobo liegt, pflanzt man dagegen schon den Reis im Juni und Juli. Somit schlieszt sich Huamual und Küstenlinie im Innern der Pirubai bis Kaibobo betreffs der Vertheilung von Regen- und Trockenzeit nicht an die südliche sondern an die nördliche Hälfte Serans an. Die Erklärung hierfür glaube ich durch Zuhilfenahme der Gestaltung des Bodenreliefs von West-Seran und der südlich von ihm gelegenen Inseln geben zu können:
„Die Feuchtigkeit, welche der S.O. Passat anbringt, wird im Westen durch das hohe Gebirgsland von Ambon aufgefangen und Huamual liegt alsdann im Windschatten dieser Insel, verhält sich also zu Ambon ebenso wie die Nordküste Serans zu seiner Südküste. Gegenüber Hatusua und dem östlich sich anschlieszenden Küstensaume können aber die Uliasser nicht die gleiche Rolle spielen, da sie weit niedriger sind als Ambon und noch über dies durch breite Meeresstraszen von einander geschieden werden. Die Feuchtigkeit des S.O. Musons wird also hier im Osten erst an der Küste Serans abgesetzt; dort aber stelt sich dem Passate im N. und N.W. van Hatusua ein Höhenrücken in den Weg, welcher die Ebene von Hatusua begrenzt und bei Kaibobo einen Ausläufer bis unmittelbar ans Meer sendet. Dies ist der regenscheidende Gebirgszug, und da Kaibobo während des S.O. Musons an der Leeseite gelegen ist, so hat es auch dann seine Trockenzeit. Die umgekehrte Rolle spielt derselbe Gebirgszug, während der Dauer des N.W. Musons; denn die schmale Brücke welche Huamual mit der Hauptstrasze Serans verbindet, trägt sehr niedrige Berge, an denen der Niederschlag nur zum geringen Theile stattfinden wird, während die Feuchtigkeit sich weiterhin an dem zwischen Piru und Kaibobo gelegenen Gebirge absetzt, so dasz also Hatusua trocken bleibt.
„Dasz sich im übrigen Huamual und auch Boano im West-Muson gleich der Nordküste Serans in der Regenzeit befinden, bedarf keinen weiteren Erläuterung. Es lassen sich demnach die obrigen Betrachtungen dahin zusammenfassen, dasz Ambon und die Uliasser sowie die Südküste Serans, von Kaibobo an ostwärts, ihre Regenzeit im Ost-Muson haben, die Nordküste Serans dagegen und Boano, gleich einem Theile der Südküste von Tandjung Sial ob bis nach Kaibobo im West-Muson.”
Over 25 jaren gemiddeld bedroeg de regenval in mM.
| PLAATSEN. | Jan. | Febr. | Maart | April | Mei. | Juni. | Juli | Aug. | Sept. | Oct. | Nov. | Dec. |
| Wahaï | 300 | 445 | 307 | 200 | 142 | 101 | 105 | 79 | 85 | 102 | 102 | 211 |
| Amahei | 112 | 101 | 146 | 198 | 309 | 380 | 456 | 431 | 247 | 152 | 110 | 107 |
Het klimaat van Seran is over het algemeen zeer goed te noemen. Te Wahaï is de temperatuur gemiddeld des ochtends om 6 uur 26° C., om 12, 30°–31° C. en des namiddags om 6 uur 28° C., doch niettegenstaande de vrij hooge middagtemperatuur, is het door de altijd waaiende zee- en landwinden, aanmerkelijk koeler dan op de kustplaatsen van Java. Verschillende schrijvers achten dan ook Seran geschikt niet alleen voor inlandsche immigratie, doch zelfs ook voor kolonisatie van Europeanen. De gezondheidstoestand van de aanwezige garnizoenen, zoomede van de weinige Europeanen aldaar, is bij voortduring goed. Aan de kust, die op vele plaatsen, door moerassige gedeelten is omboord, komt in de kentering wel malaria voor, doch deze is van een goedaardiger karakter dan elders.
Den inboorling met zijn door eene onregelmatige levenswijs, gebrekkige voeding en alcohol verzwakt lichaam, is zij natuurlijk gevaarlijker dan ons. Ook de onverschilligheid, waarmede hij zich, vaak slechts ten deele bedekt, aan het strand uitstrekt om te overnachten, maakt hem eene gemakkelijke prooi van de ook hier voorkomende annopheles.
Regentsdochter in kerkgewaad.
Joenoes Makatita en echtgenoote, Radja van Hatoé; de Nestor der Seransche Hoofden (± 83 Jr.)
De wouden van Seran bevatten een grooten schat aan uitmuntende houtsoorten. De meest waardevolle zijn bij hunne inlandsche namen genoemd: het nannihout, van een glad donkerbruin voorkomen. Dit hout heeft eene zoo groote hardheid, dat het zeer moeilijk te bewerken is en, wanneer het goed droog is, slaat men minder deugdelijke bijlen er op stuk. Het leent zich voortreffelijk tot pilaren, duc d’alven e.d. Dan volgt het goefasahout, dat een buitengewoon geschikt hout is voor den scheepsbouw. Het is van eene lichtgele kleur, zwak gevlamd, vrij hard en bezit de eigenschap van zeer weinig te krimpen, zoodat de inlanders dan ook de versch uit het bosch gekapte planken bezigen tot het vervaardigen hunner prauwen. Daarenboven wordt het zeer weinig aangetast door paalworm en andere zeeinsecten. Eene plank, die zeker 12 jaar in zee had gelegen, vertoonde zich nog bijna geheel gaaf. Voor meubelhout zijn bijzonder geschikt het lassihout of „witte ebbenhout”, dat veelvuldig op Boano en verdere steenachtige streken voorkomt, het salamoelihout, zeer veel gelijkenis hebbend met notenhout, het kajoe koening, eene fraai gevlamde, citroengele houtsoort en het lingoea of Ambonsch mahonihout, terwijl voor timmerhout van algemeenen aard, het ijzerhout in twee soorten, in geweldige hoeveelheid voorkomt naast eene talrijke verscheidenheid van zachtere houtsoorten tot plankenmateriaal geschikt. De djatiboom komt sporadisch voor, hier en daar op last onzer Regeering in vroeger jaren aangeplant, doch dit hout tiert er niet zoo welig als op Java. Een zeer eigenaardige boom, die niet nalaat de verbazing van den vreemdeling te wekken is de patola. Deze heeft een gladden, recht opgaanden stam van dikwijls meer dan een meter middellijn en is bekleed met eene glinsterende schors, die op een lichtgroenen ondergrond, grijze en rose vlekken vertoont, aldus een wonderlijken indruk makend. De schors laat zich gemakkelijk in breede lappen afschillen en uitmuntend bezigen tot dakbedekking van bivakhutten en tot bekleeding van den grond. In gedroogden toestand is het hout lichtbruin gekleurd, vrij zacht en geschikt tot pakkistenmateriaal e.d. Eene bijzonderheid is nog, dat deze boom uitsluitend aan den kant, of in de onmiddellijke nabijheid van stroomend water groeit. Op Midden-Seran komt hij in veel grooter exemplaren en ook talrijker voor dan op het overige deel des eilands. Verder treft men voornamelijk op Hoeamoal, Boano en Kellang de kajoepoetihboom aan (melaleuca leucododendron) uit welks bladeren de door geheel Oost-Indië welbekende en gezochte kajoepoetiholie wordt gedistilleerd.
Op hoogten boven de 300 M. groeit de dammarboom (dammara alba Rumph.) die een zeer gezocht hars levert, ook „gom koopal” genaamd. Verder is overal de arènpalm verspreid, die naast de voor de bevolking zoo onontbeerlijke „gĕmoetoe”, tot het vlechten van touw, ook de voor haar verderfelijke palmwijn „sagéroe” levert, waarover later. De bamboe (boeloeh) komt op geheel Seran voor in meer of minder dichte bosschen, doch in de omstreken van Loemah Pèloe (Malowan) groeit eene bamboe bĕtong soort van zulke afmetingen als op Java niet worden aangetroffen. De ondereinden dezer bamboesoort zijn veelal van 2 tot 3 d.M. in doorsnede, vormen een uitmuntend materiaal voor huizenbouw, waartoe de Malowan-Alfoeren het dan ook bezigen. De begroeiing van den bodem is niet overal gelijk in dichtheid, maar houdt verband met de woestheid van de oppervlakte. Zoo nemen de bosschen van het Oosten naar het Westen geleidelijk in dichtheid toe; treft men op Oost-Seran vrij open bosschen aan, waardoor het niet moeilijk is zijn pad te kiezen, op de bergen van West-Seran, het best te vergelijken met de versteende golven der zee, maakt het dichte onderhout het doordringen in de bosschen moeilijk en opmerkelijkerwijze is ook de geaardheid der bevolking, van het Oosten naar het Westen gerekend, toenemend in ruwheid en onbeschaafdheid.
Over de aanwezige mineralen op Seran kan niet veel gezegd worden, daar dit eiland nog nimmer ernstig is onderzocht geworden.
Te Boela komt petroleum voor, dat er uit den bodem opwelt in de nabijheid van de reeds vermelde moddervulkanen. De rivieren de Isal, de Samal en de Aké Ternate voeren dikwijls steenkoolbrokken af en ook aan de kusten van Oost-Seran vindt men veel stukken kool, waarvan de heer Verbeek getuigde „zij zijn hard en glanzend, bevatten weinig asch, zoodat zij een nader onderzoek wettigen”. Ondanks het groote handels- en maritiem belang, dat een kolenstation op dit gedeelte van den Archipel zou kunnen hebben, is tot dusverre nog geen onderzoek naar kolen ingesteld. Omtrent andere aanwezige mineralen wordt slechts sporadisch door toevallig aanwezige, of gelegenheidsgeologen wat vermeld. Door den off. v. gez. Schneider werd in 1854 medegedeeld, dat sommige door hem op de Zuidkust aangetroffen grondsoorten tot 10% tinerts bevatten. Verder werd door hem dicht bij Batoe Tambaga (Loehoe) een primitieven mijnput voor het winnen van zwavelijzer gevonden, terwijl hij vermoedde, dat bij Batoe Kapal steenkolen moesten aanwezig zijn. De geoloog Maier onderzocht later de verzamelde ertsen en bevond, dat zij geen spoor van tin bevatten. De Alifoeroe dragen overal tinnen staafjes als oorhangers, doch dit behoeft volstrekt niet te duiden op de aanwezigheid van dat metaal, om welke reden men het b.v. op Flores vermoedde te zijn. Die oorhangers hebben een hoogen ouderdom en zullen waarschijnlijk vroeger door Makassaarsche handelaren over de Molukken verspreid zijn.
De heer Moorrees, voor een onderzoek naar Seran gezonden, zegt o.a.: „Uit het gehouden chemisch onderzoek blijkt, dat er waarschijnlijk zeer rijke goudaderen moeten aanwezig zijn. Koper komt ook zeer veel en in rijke lagen voor. Verder is er veel steenkool van zeer goede kwaliteit en aan de Noordkust zijn rijke petroleumbronnen”.
Ook Ribbe deelt mede, dat op Seran behalve steenkool, graphiet, ijzer, koper, petroleum en in de rivieren goud gevonden kan worden.
Prof. Martin, die het meeste geologische materiaal verzamelde, vond op zijne reizen geen nuttige mineralen. Zeker is het, dat de bevolking nimmer eenige delfstof uit den bodem won, terwijl zij het door ons verzamelen van gesteenten en het onderzoek doen naar kolenaderen met zekere vrees beschouwen en daarom gemakshalve voor zich zelf „pamali” verklaren.
De Seransche wouden bevatten geen groote verscheidenheid van diersoorten, indien wij de insecten, waarvan wellicht alle soorten nog niet eens bekend zijn, buiten beschouwing laten. (Ribbe verzamelde b.v. 19000 insecten). Roofdieren worden alleen vertegenwoordigd door eene soort civetkat (viverra tangalunga Gray) en door verscheidene slangensoorten, terwijl in vele riviermondingen evenals overal elders in onzen archipel de krokodil huist.
In zeer groote hoeveelheid komt eene hertsoort voor (Cervus moluccensis) die, ondanks dat er sinds jaren een levendige handel in huiden en hoorns van de dieren gedreven wordt, niet merkbaar schijnt te verminderen. Eene eigenaardigheid van deze dieren is, dat zij met vallend water naar de kust toekomen en met opkomenden vloed weer naar het binnenland trekken. De jagers houden dan ook met deze eigenschap rekening. Des avonds bij wassende en volle maan begeven geheele kudden zich naar het strand om daar te spelen en ziet men op zulke „dansplaatsen” het zand over eene groote oppervlakte omgewoeld door hunne hoeven. Bijna even talrijk als het hert leeft op Seran het wilde zwijn.
Vooral Oostelijk Seran telt hiervan zeer groote exemplaren met zware slagtanden. Het hertzwijn, dat men wel op Boeroe aantreft, komt op Seran merkwaardigerwijze niet voor. Veel minder talrijk is de kasawari (casuaris galeatus Neill), die vooral op West Seran weinig gezien wordt, hetgeen zeer zeker ook verband houdt met de meerdere dichtheid der bosschen, waarin zich een dergelijk groote tweevoeter moeilijk kan bewegen. Op Oost-Seran komt hij daarentegen in veel grooter aantal voor. Over geheel Seran verspreid is de koesoe2 (phalangista orientalis) een buideldier, dat in de boomen leeft en eene vrij mooie vacht heeft, die de Alfoer echter niet waardeert, daar het beest altijd mèt de huid op een vuur wordt geroosterd. De reuk van het verbrande haar, die ons zoo tegenstaat, geeft volgens den Alifoeroe juist een eigenaardig aroma aan het vleesch. Andere zoogdieren komen op Seran niet voor. Ook de vogelwereld is niet rijk aan verscheidenheid. De grootste vogel is de tahon2 of jaarvogel, dus genoemd naar de bewering, dat hij met elk jaar op den snavel een ring meer krijgt (Buceros plicatus Penn).
Vervolgens treft men de zeer talrijke blauwe en witte houtduif aan (Myristicivora bicolor Scop. en Carpophaga neglecta Schleg.) die de grootte van eene kleine kip hebben en een smakelijk vleesch leveren, terwijl verder witte, roode en groene papegaaien, loeris en parkieten de bosschen met hun geschreeuw vervullen1. In sommige reisbeschrijvingen leest men ook wel van het voorkomen van paradijsvogels, doch deze leven zeer beslist niet op Seran. Ook de groote witte Seransche papegaai (cacatua moluccensis Grn.) verschilt van die der Papoeaeilanden in grootte en door zijn oranjekuif, terwijl de loeri in tegenstelling met die welke op Ternate en Nieuw-Guinea leeft, een zwart-paarsch kapje op den kop draagt. Ook is opmerkelijk, dat ofschoon het diertje uiterlijk geen verschil in vederdos heeft, de loeris van Malowan (het achterland van Soekaradja), de eenige zijn, die kunnen leeren napraten. Een onaanzienlijke grauwe vogel, de boeroeng siang of dagvogel, is de profeet der Alifoeroe en uit zijn gekrijsch leiden zij af, of zij al dan niet gelukkig in hunne ondernemingen zullen zijn. Eenige kleinere vogelsoorten uitgezonderd, herbergen de kuststreken behalve eenige exemplaren van steltloopers, die ook elders in den archipel voorkomen, ook nog de moeleoe, eene soort van boschhoen (Megapodius Wallacei).
Ofschoon van de grootte van eene gewone kip, legt deze vogel eieren, die wel tweemaal zoo groot zijn als een hoenderei en eene licht oranje gekleurde schaal hebben. De graad van verschheid van het ei kan men eenigermate bepalen, naar gelang men de kleur met den nagel meer of minder gemakkelijk er af kan krabben. Hoe ouder het ei is, hoe gemakkelijker dit kan gebeuren. De moeleoe legt hare eieren alleen des nachts. Van de twee soorten, die Seran telt, de zoogenaamde bosch- en de strandmoeleoe, legt de eerste haar eieren in groote zandhoopen, die het dier zelf opkrabbelt en die soms wel 3 tot 4 meter doorsnede hebben, bij eene hoogte van ½ meter. In dit heuveltje maken dan verscheidene moeleoe hare legholen, die tot 4 dM. diep zijn en waarin de eieren tot ontwikkeling komen door de warmte der zich daarin bevindende rotte bladeren en humus. De strandmoeleoe maakt haar leghol in het strand en bedekt de eieren daarna weer met het uitgekrabde zand2.
Slangen komen op Seran zeer veel voor, doch zoover bekend is, is hun beet althans voor den mensch niet vergiftig. Het meest verspreid is de patola, eene Pythonsoort, die reusachtige afmetingen kan aannemen. Pythons van 5–6 M. lengte zijn geene zeldzaamheid en eens bracht men de huid van een 9 M. lang exemplaar te Wahaï. De Alifoeroe vreezen dit dier niet bijzonder en slechts zelden worden zij er door aangevallen. Het vleesch wordt door verscheidene stammen gegeten. De kleinere Pythonsoorten van 1 tot 2 M. lengte komen veelvuldig in de huizen voor en zijn met hunne glinsterende, gladde lijven eene onaangename nachtelijke verrassing. Een merkwaardig dier is de „oelar kaki ampat”, eene dikke hagedis met stompen staart en geen slang, zooals de naam zou aanduiden. Dit dier wordt ten zeerste gevreesd en de Alfoer beweert, dat de beet er van doodelijk is. Een onderzoek echter deed, voor zoover onze kennis reikte, blijken, dat het geen giftanden, doch wel twee knobbelachtige kiezen bezat. Een haan, door het dier gebeten, toonde geen sporen van vergiftiging. Met dat al is het een afkeerwekkend dier, dat met opengesperden muil, den mensch aanvalt, als hij in zijne nabijheid komt. Het houdt voornamelijk verblijf in alang2 velden.
De wateren van Seran zijn buitengewoon vischrijk en het zou ondoenlijk zijn de talrijk voorkomende en vreemdsoortige visschen te beschrijven. Ook hiermede, evenals met de beschrijving der fraaie schelpen heeft Valentijn zich voor de liefhebbers verdienstelijk gemaakt. In zijn werk over de Molukken, komen vrij goede teekeningen van talrijke visch- en schelpsoorten voor. Wij willen volstaan met de mededeeling, dat verscheidene schildpadsoorten, waaronder de waardevolle karetschildpad (chelonia imbricata S.) naast de doejong, de potvisch, de gewone haai en de zygaena, de zwaard- en zaagvisschen, in de Seransche zeeën worden aangetroffen.
Wellicht is nog wetenswaard, dat tweemalen te Wahaï is gevonden de door conchylienverzamelaars zoo gewaardeerde en met honderden guldens betaalde schelp, conus gloria maris.