De oorspronkelijke bewoners van Seran, waarvan de bergbewoners de afstammelingen zijn, duidt men met den algemeenen naam van Alifoeroe of Alipoeroe aan, evenals de bewoners van het binnenland van Djilolo, Celebes en Nieuw-Guinea. Zelfs werd, met de vaardigheid, waarmede de Europeaan de polynesische namen verbasteren kan, deze naam tot Harafoera. Wat of het woord Alifoeroe beduidt, of waarvan het is afgeleid, is niet bekend. Eenmaal zag ik de meening verkondigd, dat het zou ontstaan zijn uit de woorden „hari poeroen”, aangevende menschen, die wonen, waar de dag opgaat. Mij dunkt deze uitleg nog al gezocht. De bergbewoners noemen zich zelve niet „Alifoeroe”, men spreekt slechts onder dien naam van hen en deze betituleering heeft eigenlijk eene eenigszins minachtende beteekenis. Spreekt men op beleefde wijze over den Alfoer, dan noemt men hen „orang hindoe” (heiden) of, zooals aan de Noordkust wel voorkomt, wémalé. De strandbewoners zijn grootendeels eveneens Alifoeroe, doch in verscheidene negorijen, vooral in de Mohammedaansche, is het ras vermengd met dat van vreemdelingen (Javanen, Makassaren, Maleiers) en in het Oosten is de invloed van de Ternataansche overheersching, in bloedsmenging duidelijk. De groote Virchow kwam na het bestudeeren van een Alfoerenschedel tot de uitspraak: „dasz die Ceramesen in ihrer Hauptmasse keine Papuas sind, dasz sie sich aber auch von den eigentlichen Malayen unterscheiden”. Prof. Martin voegt hier echter aan toe: „Ich glaube betönen zu müssen, dasz es sich hier um die Schädel von Strandbewonern handelte, welche ohne Zweifel gemischt sind und das Resultat der Untersuchung Virchows nicht ohne weiteres auf die Bergalfuren übertragen werden darf”.
De Seransche bevolking behoort tot drie hoofdstammen: de Patasiwa, de Patalima en die van het Oostelijk deel des eilands, die geen bijzonderen naam dragen.
De Patasiwa verdeelt men weer in Patasiwa hitam en Patasiwa poetih, d.w.z. in getatoeëerde en niet geteekende P.s. Wat die namen beteekenen is ook al weer onbekend, de bevolking zelve kan ze niet verklaren. Op de Oeliassers noemt men ze ook Oelisiwa en Oelilima. Siwa beduidt negen, in vele Alfoersche taaleigen, terwijl lima vijf beteekent, evenals in ’t Maleisch. De getallen 9 en 5 zijn voor de betreffende stammen dan ook heilig, terwijl oorlogsschattingen betaald worden in veelvouden van die cijfers. Ook gebeurt het wel, dat bij de Patasiwa bijv., na het afleggen van een eed of belofte, men plechtig telt tot 9 en daarbij na het uitspreken van het getal 8 een oogenblik wacht en daarna eerst besluit met „siwa”! Hoe een deel der Patasiwa er toe overging om zich te tatoeëeren en met welk doel, is onbekend. Van Hoëvell vermoedt, dat die mannen, die zich met voorbijgaan van onderlinge veeten wilden te weer stellen tegen de geweldenarijen der O.I. Compagnie, zich, ter herkenning, van een ingeprikt merk in de huid voorzagen en aldus een politieken bond gevormd werd en geheel onmogelijk is dit niet, als men waarneemt, dat die getatoeëerde Alfoeren, alleen op West-Seran voorkomen, dat dan ook bijna uitsluitend van de heerschappij der O.I. Compagnie te lijden had.
Alfoeren van Warasiwa in feestkleeding; op den voorgrond meisjes met helmen van kladibladeren.
Patih van Noniali
Orang Kaja van Taniwel (verbannen).
Kapala Saniri van Sapoléwa.
Orang Kaja van Roemah Soal.
Volgens den ter dood veroordeelden Kapitan Marcus Kakiay, die in de gevangenis te Amboina mededeelingen heeft gedaan omtrent het Kakihanisme, bestond dit reeds voor de komst der Portugeezen. Dit is echter bijna niet aan te nemen, daar Valentijn als nauwkeurig geschiedschrijver er dan zeker wel melding van gemaakt zou hebben en zou dus het Kakihanisme ontstaan zijn in de eerste helft der zeventiende eeuw, welke meening ook von Rosenberg verkondigde. In ieder geval is het tatoeëeren thans adat geworden en vormen de Kakihans, zooals zij genoemd worden, tegenwoordig geen zelfstandige politieke partij meer. De grenzen van het adatgebied der Patasiwa hitam zijn in het Noorden de Wae Pinang bij Warasiwa (volgens den adat eigenlijk de Haoe, die van weerszijden voortdurend bewaakt werd)—awara = wachten, bewaken—in het Zuiden de Malarivier bij de negorij Elpapoetih. Die, tusschen de Patasiwa poetih en de Oost-Seranners zijn niet zoo scherp te trekken, doch men rekent in het Noorden de Aké Ternate en in het Zuiden de Bobot tot de grensscheidingen. Ondertusschen ziet men, dat te Paä en te Roemah Sokat Patasiwa hitam, te Wae Loeloe Patasiwa poetih wonen, dus midden in het gebied der Patalima.
Dit is het gevolg van het feit, dat toen het bestuur er toe overging om de Alifoeroe van uit de bergen naar de kust te verplaatsen, dit geschiedde zonder kennis van zaken, dus verkeerd en het gevolg van deze dooreenmenging van stammen was, dat er voortdurende veeten ontstonden over grensscheidingen van doesons, vischterrein enz., die tot op den huidigen dag onrust verwekken en aanleiding geven tot koppensnellen.
De negorij Lisiëla is door De Vlaming van Hoeamoal verjaagd en behoort thans tot de Patalima; Lisabata, dat zich heeft afgescheiden van Lisabata op West-Seran, behoort eigenlijk ook tot de Patasiwa poetih, ofschoon het thans het gezag voert over Patalima-negorijen.
Men kan de bevolking van Seran niet als een geheel beschrijven, daar behalve bovengenoemde algemeene indeeling de Alfoeren in zeer vele stammen verdeeld zijn, die ieder een eigen dialect spreken en waarvan zeden en gewoonten dikwijls bepaald verschillen. Dit is zelfs zoo sterk, dat twee negorijen, die dicht naast elkander zijn gebouwd en waarvan de straten ineen loopen, toch verschillende gebruiken kunnen hebben en eene verschillende taal spreken. Het zou eene nauwgezette studie vorderen om te bepalen, welke stammen eene bepaald verschillende taal spreken en welke slechts in uitdrukking, klemtoon en enkele woorden verschillen.
Aan de Noordkust dient de bĕhasa Hatoé, in de Piroebaai die van Loehoe, eenigermate als lingua franca, met dien verstande, dat de toegesprokene de genoemde bĕhasa wel verstaat, doch antwoordt in zijn eigen dialect. Langs de geheele kust echter wordt als voertaal der gedachte Maleisch gesproken en daar zeer velen die taal op school hebben geleerd en deze sinds eeuwen her in de Molukken op die wijze is onderwezen en gesproken, zoo is dat Maleisch vrij zuiver het Riouwsch Maleisch gebleven, zij het dan ook dat eigenaardig Moluksche zinswendingen en vreemde woorden zijn ingeslopen. Het bovenstaande in aanmerking nemende, is het duidelijk, dat vele reisbeschrijvingen in zooverre onjuist zijn, omdat zij generaliseeren en plaatselijke gebruiken als algemeene voorstellen. Vooral bij het lezen van het werk van Riedel „de sluik- en kroesharige rassen” rijst menigmaal de vraag: „waar doet men zulks en in welk dialect spreekt men zoo”, terwijl eene beschrijving van land en volk, opgesteld naar mededeelingen van verschillende personen op Seran, die uit den aard der zaak toch zeker niet altijd bevoegd waren tot scherp oordeelen en waarnemen, noodzakelijkerwijze veelvuldige onjuistheden en soms volkomen onwaarheden zal bevatten.
De heer Boot geeft op blz. 1186 T. A. G. een aantal woorden in verschillende dialecten. Alleen moet ik hierbij aanteekenen, dat het geen zin heeft van een bĕhasa Patasiwa of Patalima te spreken, daar op West-Seran het door hem vermelde dialect niet kan worden gebezigd, evenmin als op de Zuidkust het door hem bedoelde dialect voor de Patalima aldaar geldt. Daar waar het dus geen algemeene karaktereigenschappen of zeden der Alifoeroe betreft, behoort steeds te worden aangegeven, waar ter plaatse men het vermelde waarnam.
Behalve de indeeling in Patasiwa en Patalima worden nog de Hoaoeloe-Alfoeren onder den verzamelnaam van Makoeala, die van het achterland van Soekaradja (Wahaï) Malowan, die van het achterland van Nakaela, Makahala-Alfoeren genoemd. Zoo heeten de bewoners van de omstreken van Sollok (achter Wahaï) de Wae Ramastammen, die, welke om Makoeala Inan aan den bovenloop van de Isal wonen, de Hatoe Olo-Alfoeren, wier hoofd gevestigd is te Ajerbĕsar.
Sterkte der bevolking. Deze is nog altijd niet nauwkeurig op te geven, ten eerste, omdat de door de posthouders gehouden tellingen, niet met de noodige nauwkeurigheid geschiedden en veelal afgingen op opgaven van de hoofden, die zelden in staat zijn, groote getallen te tellen;
ten tweede, omdat in de bergnegorijen de bevolking uit vreesachtigheid dikwijls het zielenaantal verbergt, of wel uit eene neiging tot grootspraak, die bij de Alfoeren wordt aangetroffen, het aantal stamgenooten overdreven groot opgeeft en
ten derde, omdat nog zeer vele negorijen niet eens bekend zijn of ooit bezocht werden.
Zoo schatte Van der Crab het aantal bewoners op 78.214 zielen; Van Hoëvell, die zoo goed mogelijk zijne cijfers verzamelde, doch geen persoonlijke telling hield, kwam tot een totaal van 63.487; Bleeker schatte het zielenaantal op 150.000; Riedel daarentegen op slechts 40.000, terwijl Van Eck 39.955 zielen, alleen aan kustbewoners opgeeft en Ribbe het aantal inwoners zelfs op 350.000 begroot. In 1902 werd voor het eerst de bevolking van Wahaï, in 1904 die van West Seran zooveel mogelijk bepaald geteld, waarbij wij tot resp. ± 11.000 en ± 17.000 zielen kwamen; rekent men voor de afdeelingen Amahei en Waroe ongeveer gelijke getallen, dan zal de opgave van Van Hoëvell het dichtst bij de waarheid komen.
De telling geschiedt aldus: De Alfoerenstammen zijn ingedeeld in families of soa, die eenzelfden geslachtsnaam dragen en waarvan een man bij keuze wordt aangesteld tot Kapala soa. Deze man kent al zijne familieleden bij name en nu legt hij voor ieder door hem getelde persoon een stokje neder, verschillend in grootte voor man, vrouw, knaap of meisje. Het tellen van de aldus verzamelde bosjes stokjes, geeft vrij nauwkeurig het zielenaantal der beide seksen aan.
Huizen. De huizen der heiden-Alfoeren zijn alle paalwoningen en onderscheiden zich daardoor van die hunner Mohammedaansche en Christenrasgenooten, die het aardoppervlak tot vloer bezigen.
Het algemeene type dezer laatste woningen is een vierkant gebouw met een smalle open voorgalerij. Het dak is viervlakkig en heeft openingen in de hoeken tot doorlating van den rook. De meer vooruitstrevenden echter bouwen achter tegen het huis een kleiner optrekje, dat als keuken dienst doet. Aan ventilatie en raamopeningen wordt geen zorg besteed. Het raam bestaat dikwijls in ’t geheel niet of is een klein vierkant gat in den wand. De stijlen van het huis zijn uit het woud gekapte rondhouten, de omwanding van gabba2 (nerven van de arèn- en de niboengpalm, die van de bladeren ontdaan, naast elkander gesteld en door middel van bamboepennen verbonden worden). Slechts zeer zelden treft men eenige versiering aan. Alleen het huis van den Regent of van een Kapala soa wordt soms hechter gebouwd en meer op Europeesche wijze in elkander gezet van geschaafde balken en stijlen met een planken omwanding, terwijl de vloer wordt opgehoogd en omgeven door een gemetseld walletje. Het is nog niet lang geleden, dat het verbod heerschte op West-Seran, om eenig metselwerk aan zijn huis te bezitten, daar dit alleen voorbehouden was aan het kakihanhuis (zie daar).
Dat de kustbewoner onder leiding zeer goed bouwen kàn, blijkt uit de woningen van de Regenten van Roemah Kai, Kaibobo, Lisabata, Hatoé, Iha, Loehoe en vele andere, waar men werkelijk zeer goed opgetrokken huizen, kerken en missigits aantreft. Deze woningen zijn van goede ramen voorzien en hebben eene indeeling in kamers, terwijl kerken en missigits meestal een half steenen muur bezitten. Doch om dergelijke gebouwen op te richten moet de ongelooflijk luie strandbewoner ten krachtigste worden aangespoord; hij leeft voor zichzelf even lief in eene „paparisa” d.w.z. een afdakje van atap, met atap of bladeren omwanding. Zóó heeft, nadat Hatoe Soea door de vloedgolf van de Elpapoetihbaai in 1899 verwoest was, de bevolking tot 1904 geleefd in dergelijke hutjes die men zonder eenige regelmaat aan het strand had opgetrokken, waarvan de daken lekten en vele zelfs geene omwanding bezaten. Slechts onder krachtigen druk van het bestuur bouwde men in 1904 in 5 maanden tijds de oude negorij weer op. En Hatoe Soea telde nog wel eene Christenbevolking, die voor vrij beschaafd doorging, waaronder jarenlang een posthouder had gewoond, waar eene talrijk bezochte school stond! Hatoe Soea werd „klein Ambon” genoemd!
De Alfoerenwoningen van Seran bewesten de lijn getrokken van Roemah Olat naar Sepa bestaan uit kleine huizen voor eene familie. De vloer is op palen, op verschillende hoogte (op West-Seran meestal op manshoogte), aangebracht, terwijl van de huizen in het binnenland van Oostelijk Seran de vloer op meer dan reikhoogte wordt gebouwd.
Ofschoon het viervlakkige dak bij de West-Seransche huizen alle licht en lucht afsluit, (soms reikt dit dak tot op nauwelijks een meter hoogte van den grond), dus zeer onhygiënisch moet zijn, zoo begrijpt men toch, dat de Alfoer er toe gekomen is, een dergelijken bouwstijl te bezigen, als men overnacht in een Alfoerendorp, dat meestal op een hoogen bergtop gebouwd is. In den Westmoesson gieren dan snerpend koude winden door de bergen en is des avonds het aanleggen van een vuurtje geen overbodig iets.
De lange dakvlakken beschutten dan het huis zeer goed. Op het eerste gezicht meent men dat het huis eene driehoekige doorsnede moet hebben, totdat een onderzoek onder het dak den inwendigen zesvlakkigen vorm laat zien. Het gezin brengt overdag het leven meest op de dego2 (rustbank) onder het huis door, daar het binnen bijna geheel duister is. De vervuiling van die donkere huizen is natuurlijk zeer groot en het ergste is dit bij de stammen oostelijk van Wahaï, waar men ook zijne behoeften door openingen in den vloer doet!
De woningen oostelijk van de straks gegeven lijn zijn familiewoningen, die tot een 100tal zielen kunnen bevatten. Vooral de huizen achter Kobi zijn zeer groot en bestaan uit een vloer op palen rustend en een dak. De omwanding is alleen daar doorgetrokken, waar de kamertjes der gehuwden zijn. Overigens is er een rondloopende dego2 beschut door een wand van eenige decimeters hoogte om het geheele huis gebouwd, waarop de ongehuwden slapen en het dagelijksche huiswerk wordt verricht. Iedere familie heeft haar eigen vuurhaard, bestaande uit eene leemen schijf, gevat in een band van boomschors, die over den vloer, welke meestal uit gespleten bamboe bestaat, heen en weder kan geschoven worden. Huisraad is er al bijzonder weinig en bestaat in hoofdzaak uit eenig keukengerei. Aan den wand ziet men bamboekokertjes om daarin harsfakkels voor nachtelijke verlichting te kunnen steken. Eenige rekken dienen om potten, borden en brandhout op te stapelen, terwijl messen, jachttuig e.d. eenvoudig tusschen de atappen van het dak worden gestoken. Bijna in iedere Alifoeroewoning vindt men de bekkeneelen van varkens, herten, koesoe2 enz. aan een balk hangen, terwijl de staarten van visschen tegen de wanden en stijlen worden gespijkerd. Dit doet de jager, om zich van eene voortdurend goede jacht te verzekeren.
Platte grond eener woning van Oostelijk Seran:
Doorsnede eener woning van Westelijk Seran:
Doorsnede eener woning van Oostelijk Seran:
Kleederen en sieraden worden opgeborgen in „tĕtoemboe” of „tagalaja”, vierkante doozen van pandanusbladeren gevlochten, terwijl in een hoek altijd eenige bamboekokers, gevuld met drinkwater, gevonden worden en in West-Seran met de onmisbare sagoeweer.
Als huisdier heeft de Alfoer een leelijk, mager soort hond met steile ooren, gelijk aan het algemeen door Indië verspreide „gladakker” type. Hij zorgt er zeer goed voor en als het beest nog klein is, wordt het door den eigenaar steeds in den arm heen en weer gedragen, om het te gewennen zijn meester te volgen. Voor het opdrijven van wild zijn die dieren uitnemend geschikt. Merkwaardig is het te zien, hoe behendig deze honden tegen den klimbalk, een rondhout waarin treden zijn uitgekapt en waarlangs men in het huis komt, weten op te klimmen. (Te Wakolo heeft men een afzonderlijke ladder of klimbalk voor mannen en voor vrouwen, een gebruik dat men elders niet aantreft).
Dat de hond (even als de kat), is ingevoerd, kan misschien blijken uit den naam „asoe” dien hij bijna overal draagt. De kat, die de Alfoer gaarne bezit, doch die niet veel voorkomt, heet „mèong”, dus eene zuivere onomatopee. Verder kweeken vele Alfoerenstammen het varken als huisdier, terwijl men dikwijls tamme herten en kasawari in de negorijen ziet rondloopen.
De woningen der Patasiwa staan meestal bij elkander zonder regelmaat, terwijl de tusschenliggende grond zeer schoon wordt gehouden. Deze dorpen bevinden zich doorgaans op bergtoppen om aldus beter beveiligd te zijn tegen aanvallen. Daar de Alfoer zeer weinig water drinkt en zich nooit wascht, heeft de nabijheid van een riviertje geene aantrekkelijkheid voor hem. Hij ziet er niet tegen op om het water in bamboekokers eenige honderden meters den berg op te moeten voeren of liever, hij laat zijne vrouw zulks doen. De huizen van Oost-Seran, waarvan soms één huis eene negorij bevat, staan daarentegen meest bij rivieren en verspreid (daar hier geen koppensnellen gevreesd wordt) zonder dat men de moeite neemt om den grond er omheen of zelfs er onder van onkruid te zuiveren. De negorij Maneoe bestaat uit drie huizen, die door een overdekten overloop aan elkander verbonden zijn.
Bij de woningen ziet men zeer kleine hutjes staan, die dienen om door de vrouw tijdens de menstruatie bewoond te worden. Men kan er nauwelijks in staan, zij zijn ellendig ingedekt en van eene slordige omwanding voorzien, zoodat het verblijf daarin voor de vrouw verre van aangenaam moet zijn. Het is den man ten strengste verboden in die huisjes te komen en het verbod van omgang met de in dien toestand verkeerende vrouw komen alle Alfoeren zeer streng na. Het visschen naar garnalen in de riviertjes is haar dan verboden. Het gebeurde eens bij de Roemah Soalstam, dat een jong meisje, terwijl zij de menstruatie had, toch ook aan het garnalenvisschen had meegedaan. Zij werd niet minder dan ter dood veroordeeld. Men plaatste haar op een steen midden in de rivier en kapte aan den oever een boom, die haar in zijn val moest verpletteren. De berekening faalde echter en het meisje bleef ongedeerd. De hulpprediker, die toevallig in de buurt aanwezig was, wist de lieden te overtuigen, dat de booze geesten blijkbaar het offer niet wilden en zoo redde hij het meisje.
Op Oostelijk Seran ziet men ook wel, dat die roemah pamali tegen de algemeene familiewoning zijn aangebouwd.
In Van Doren’s „Fragmenten” leest men op blz. 149, dat de Alfoeren van Masisihoelan in holen leefden. Het bezoek van dien heer greep plaats in 1839; doch thans zijn van die holenwoningen niets te vinden en bestaat het dorp Masisihoelan uit zulke woningen als elders op West-Seran worden aangetroffen.
Zaman Piapoe. Deftige Mohammedaan van Loehoe.
Berg-alfoeren van Moesihoeé.
Iedere Alfoerennegorij heeft haar „batoe pamali”, naar het heet, den steen dien men uit de bergen van de oorspronkelijke negorij heeft medegebracht. Dikwijls liggen deze steenen bij de baileo of ook wel op eene meer verborgen plaats in de nabijheid. Het is een gewone kei, soms op drie andere keien geplaatst, doch meestal half ingegraven. Veelal liggen daarnaast eenige tahoeri of groote kinkhoorns, waarop bij plechtige gelegenheden geblazen wordt.
Kleeding. De Mohammedaansche strandbevolking kleedt zich zooals elders in den Archipel gebruikelijk is1. De Christenen hebben de kleederdracht der Ambonsche Christenen overgenomen, d.i. een buis en broek van katoen, terwijl het haar kort wordt geknipt en het hoofd onbedekt blijft. De Christenen uit den omtrek van Amahei en ook die van Kaibobo hebben een eigenaardigen broek, waarvan de pijpen tot aan de kuiten reiken en waarvan het zeer wijde kruis maakt, dat de pijpen eigenlijk slechts een decimeter lang zijn. Als kerkgewaad draagt men een samaar van zwart katoen, de vrouwen eene zwarte lange kabaja, die tot bijna aan het ondereind van den sarong reikt. De ouderlingen hebben op dat zwarte hemd een staand kraagje achter in den nek, ongeveer zooals men aan de Scheveningsche vrouwenmantels ziet.
De Regenten kleeden zich, als zij het betalen kunnen, geheel Europeesch en voelen eene groote voorliefde voor den rok of „smoking” en kunnen er daarin inderdaad zeer deftig uitzien. Zoowel bij de Mohammedanen als bij de Christenen geldt de adat, dat alleen Regenten en hunne familieleden schoenen mogen dragen. De vrouwen en dochters van Regenten dragen drie haarnaalden aan de rechterzijde van den haarwrong, terwijl de overige vrouwen zich met een of twee naalden moeten vergenoegen. De onderscheiding van „njonja plooi” en „njonja rok”, te Amboina gebruikelijk, kent men hier echter niet.
Behalve deze dracht hebben verscheidene negorijen het „pakean tanah” of de landsdracht, die alleen bij feestelijke gelegenheden door de meisjes gedragen wordt. Zij bestaat doorgaans uit een kort baadje van gekleurde stof, versierd met zilveren ornamentjes en eene sarong van eigenaardig geweven stof, die zeer oud moet zijn. Meestal draagt men twee sarongs boven elkander, de eene korter opgeschort dan de andere. Te Sawaï en Hatoé hebben de meisjes over dit kleed nog een wit hemd aan, waarvan de mouwen niet gebruikt, doch tot een knoop samengebonden, over de schouders geworpen worden. De bedoeling hiervan wordt bij de beschrijving der dansen uitgelegd. Bij dit gewaad wordt meestal een losse kraag van gekleurde stof gedragen, die met passement en filigraanwerk versierd is, terwijl om den kondeh een snoer, vervaardigd uit een soort vlierpit (papatjéda) gewikkeld wordt, in verschillende kleuren geverfd. De meisjes zien er aldus soms lang niet onaardig uit en zijn even coquet en hebben even lang werk met haar toilet als hare westersche zusters. In het dagelijksche leven echter maken zoowel mannen als vrouwen weinig werk van hunne kleeding en zien er doorgaans zeer armoedig, om niet te zeggen onoogelijk uit. Tot het verrichten van werkzaamheden in het bosch of in hunne prauwen zijnde, behouden de mannen alleen den broek aan of trekken eene sarong tusschen hunne beenen door, aldus een schaamgordel vormende.
Als sieraad dragen de vrouwen in het haar, behalve de genoemde haarspelden, de „sisir mas” (gouden kam), een hoornen kammetje van den halven maanvorm, beslagen met een stukje gebloemd koper- of zilverblik. Om de polsen dragen zij zeer eenvoudige zilveren of vergulde armringen en ook zulke vingerringen. Te Piroe en te Hatoe Soea behoort bij het boven beschreven pakean tanah een hoofdtooisel bestaande uit een zilveren pennetje, waaraan evenals bij een schelleboom, kleine ruitvormige zilveren plaatjes hangen aan korte stukjes ketting. Vroeger schijnt men meer gouden en zilveren sieraden bezeten te hebben, vooral genoemd wordt de „oelar mas” (gouden slang), doch bij den overgang tot het Christendom werden die zaken als behoorende tot heidensche verfoeilijkheden, in zee geworpen; hiertoe werd men aangezet door het drijven van fanatieke inlandsche godsdienstleeraars.
De tegenwoordig gedragen sieraden werden door Makassaarsche handelaars ingevoerd. Een sirihdoosje, van den vorm van eene ouderwetsche horlogekast, hangende aan een platten, zilveren ketting, die bij het dansen nog wel gedragen wordt, schijnt echter van ouderen oorsprong te zijn. Wanneer zij geheel in feestgewaad zijn, mag een klein zakdoekje, soms vrij aardig bestikt, niet gemist worden bij het toilet. In enkele negorijen van Wahaï geven de vrouwen b.v. den bestuursambtenaar de hand met dit zakdoekje over de handpalm gespreid, welk voorbeeld door sommige Alfoerenvrouwen wordt nagevolgd. Bij het menari noodigt het meisje den jongeling uit met haar te dansen, door hem het zakdoekje aan te bieden of toe te werpen. Na afloop geeft men het weder aan de eigenares terug.
De kleeding der heiden-Alfoeren is eenvoudig en bestaat voor de mannen alleen uit den tjidako of schaamgordel en den rooden hoofddoek. Eene uitzondering maken de Nisawélé en Wae Ramastammen, die een hoofddoek dragen van ingevoerde, bedrukte stof, zooals ook elders in den Archipel gebruikelijk. De tjidako bestaat uit eene strook witte boombast, die door aanhoudend kloppen met een houten hamer, waarin dwarse groefjes zijn aangebracht, buigzaam is gemaakt. De Patasiwa hitam hebben voor het gedeelte, dat om het midden komt, een afzonderlijk stuk dikkere boombast (zie photo) waar omheen een stuk tjidakostof wordt gewikkeld; bij de overige stammen maakt dit gedeelte één geheel uit met de rest van den gordel. De uiteinden worden met strepen en driehoekjes van roode, gele of blauwe kleur beschilderd, doch indien de eigenaar zich erop beroemen kan een kop gesneld te hebben, dan wordt op het middenstuk eene ringvormige figuur geteekend; heeft hij meerdere koppen gesneld, dan komen daarbinnen weder nieuwe ringen, de witte banden die dan blijven staan, stellen het aantal koppen voor. Over den tjidako, die met een breed einde van voren afhangt, wordt een driehoekig stuk roode stof gehangen.
Het haar, dat de Alfoer lang draagt, wordt om een ring van klapperdop gewonden en om den aldus gevormden „chignon” wordt dan stevig de hoofddoek gewikkeld, die dan verder bevestigd wordt met een riem of band, bezet met schelpen en stukjes paarlmoer. De dikke wrong haren beschermt op die wijze het hoofd voldoende tegen een paranghouw. De ongehuwde mannen der Patasiwa dragen het haar los op de schouders hangende en in het midden gescheiden, terwijl het in bedwang wordt gehouden door een bandje van rottan of klapperblad om het voorhoofd. Evenzoo doen de Honitétoe-Alifoeroe, wier sluik haar ook met eene scheiding wordt gedragen. Ook vele Christenen van Kaibobo, Eti en Piroe laten het haar loshangen, doch houden het bijeen door een kromme kam, die in het midden geen tanden heeft. Echter dragen alleen de ouderen dezen kam en hij raakt langzamerhand in onbruik. Wanneer zij in oorlogstooi zijn of bij feestelijke gelegenheden worden in den hoofdriem hanevederen of wel een samenstel van kasuari- en kakatoeavederen gestoken in den vorm van eene V, hetgeen een krijgshaftigen indruk maakt. De Roemah Soal Alifoeroe steken ook wel eene enkele haneveder schuin boven het oor en meenen, dat deze hun snelheid van beweging zal geven.
Verder wordt het lichaam behangen met kralensnoeren, diagonaal over de borst hangende. Niet zelden hangt aan het uiteinde der snoeren een koperen schelletje of wel de porseleinschelp, die ook bij de versiering van andere voorwerpen en van den nok van een huis eene rol speelt. Om den bovenarm draagt men dan van riet gevlochten armbanden in zwart en geel gekleurd of zij bestaan uit een samenstel van ringen uit schildpad of uit klapperdop gesneden, welke door de strandbewoners vervaardigd worden en vrij kostbaar zijn. Tusschen deze breede armbanden worden dan neerhangende pluimen van klapperbladeren of aan reepjes gesneden en gekleurde tjidakostof gestoken. Bij eene spontane versiering bezigt men hiertoe ook wel bosjes crotonbladeren.
Verder is de Alifoeroe nimmer zonder zijn maskéké (aan de Noordkust aldus geheeten) d.i. een klein vierkant taschje van gevlochten bamboe, bekleed met een lap linnen met overhangende klep. Het linnen wordt door insmering met bloed en het sap van den toeriboom ondoordringbaar voor water gemaakt en de klep dikwijls met knoopen en schelpjes eenvoudig versierd. In de maskéké bergt de Alfoer zijn sirih en pinang, zijn haarkam, kogels, buskruit (in kleine bamboekokertjes) mes, geld, vuurslag en verdere artikelen voor ’t dagelijksch gebruik. Het taschje wordt aan een touwtje over den schouder gehangen, zoodat het onder den arm komt en slechts zelden legt de Alfoer de maskéké, die dan ook zijne meeste schatten bergt, af. Velen hangen terzijde van de tasch een halven klapperdop als drinkbeker en een klein fleschje met olie tot onderhoud van het geweer, terwijl meestal eene vuurroode, platte, harde boon of wel de porseleinschelp als versiering ervan wordt aangebracht. De meeste officieren en minderen van de detachementen op Seran schaften zich ook een maskéké aan, omdat zij werkelijk zeer praktisch zijn, om daarin zakboekjes, rookgerei enz. op te bergen en daarin beter te beschermen zijn voor vocht, dan in de zakken gedragen.
De kleeding der Alfoersche vrouwen van Midden- en West-Seran bestaat alleen uit een tjidako of koelit kajoe. Eene uitzondering hierop maken de vrouwen van Roemah Olat, Opin, Wae Loeloe, Loöen, Lisiëla, Hérélaoe en Hatoe Noeroe-Aloené. Om welke reden deze dit niet doen, doch slechts eene korte sarong dragen, evenals de vrouwen van oostelijk Seran, is niet bekend. De vrouwelijke tjidako bestaat uit een dun koord van gevlochten bamboe of rottan, dat om den buik wordt geknoopt en zoolang gedragen wordt, totdat het vergaan is en vernieuwd moet worden. Voorin wordt eene smalle strook van tjidakostof gestoken; het gedeelte dat tusschen de beenen komt, wordt als een touw ineengedraaid en het andere einde vervolgens met een lossen knoop weder om het buikkoord gestrikt. Bij de gehuwde vrouwen laat men dit losse einde lang afhangen, soms zoo lang, zooals bij de vrouwen van Hatoe Noeroe Wae-Mataoe, dat het als een omgekruld staartje onder de sarong, die tot aan de knieën reikt, uitsteekt. Merken zij, dat men er naar kijkt, dan worden zij verlegen en vluchten.
De vrouwen van Warasiwa vervaardigen den band, die het schaamdeel moet bedekken, niet van tjidakostof, doch van het blad van een pandanussoort. Alleen met dezen schaamgordel gekleed vertoont de Alifoeroevrouw zich tegenwoordig niet meer aan het strand, doch zij draagt alsdan eene lendenlap daarover heen. Bij werkzaamheden in de tuinen en in het bosch echter vormt de tjidako het eenige kleedingstuk. Andere kleedingstukken worden door haar alleen als versiering beschouwd. Bij feestelijke gelegenheden trekt zij dikwijls zooveel mogelijk daarvan aan; soms twee of drie sarongs en baadjes over elkander en daarover nog eene slendang, alleen om haren rijkdom te toonen. Verder hangt zij zich alle kralensnoeren, waarover zij kan beschikken, om den hals en wordt de arm tot aan den elleboog voorzien van armbanden van koper, zilver, schildpad of uit vlakgeslepen schelpen vervaardigd. Ook enkelringen worden wel gedragen en voornamelijk bij de Patalimastammen.
Evenals de mannen dragen de vrouwen een plat mandje met kralen versierd, onder den arm, doch het bezit geen sluiting en is geheel van gevlochten bamboe vervaardigd. Zoowel de mannen als de vrouwen leggen den tjidako voor het eerst aan bij de intrede der puberteit. Wanneer of men rekent, dat dit bij de jongens geschiedt, is niet bepaald uit te maken. Te Oewin Patahoé ziet men kleine kereltjes van naar schatting 8 jaren bij krijgsdansen reeds met den tjidako loopen, terwijl men elders lang opgeschoten jongelingen met de sarong gekleed ziet, blijkbaar dus reeds man genoeg om niet meer naakt te mogen loopen.
De man bindt den tjidako zoo stevig om het middel, dat de maag er dikwijls sterk overheen uitpuilt. Men beweert, dat zij daardoor in staat zijn om buitengewoon hard te loopen, wat ook werkelijk het geval is, doch het behoeft geen betoog, dat door die insnoering lever en milt zeer moeten lijden en wellicht is dit ook een van de redenen, dat de Alfoer over het algemeen geen hoogen ouderdom bereikt.
Bestuur. Over geheel Seran is het bestuur patriarchaal. Onder de soa, die zich tot een geheel hebben samengevoegd en die bestuurd worden door den bovenvermelden Kapala soa, is er een, die de „soa latoe” of familie, waaruit het algemeene hoofd verkozen moet worden, genaamd wordt. Het bepaald kiezen van een soa-hoofd of van eenen regent schijnt echter langzamerhand onder den invloed van ons bestuur te zijn ingesteld. Vroeger waren bijna immer de oudsten der stam, de bestuurders daarvan en het schijnt, dat bij de Berg-alifoeroe iemand, die zichzelf krachtig genoeg vond om als leider der krijgstochten op te treden, zich daartoe opwierp.
Zoo ziet men, dat ook thans nog de Roemah Soal-alifoeroe evenals de Nisawélé, aangevoerd worden door 3 hoofden, die gelijke macht bezitten. Te Roemah Soal worden zij Naten, Sérik métan en Sérih poetik geheeten, bij de Nisawélé-alifoeroe noemt men ze eenvoudig „oudsten”. Door onze regeering worden tot hoofden aangesteld, mannen door de bevolking daartoe verkozen, met den titel van Orang kaja, Patih en Radja. Ten teeken hunner waardigheid voeren zij een rottan met zilveren knop, voorzien van het rijkswapen, terwijl ter belooning van verdiensten, aan hen kunnen geschonken worden papieren zonneschermen van de 1e, 2e en 3e klasse, evenals wimpels, om aan den mast hunner orembaais te voeren, terwijl de grootste onderscheiding wordt geacht te zijn, het verleenen van een gouden rottanknop.
Over het algemeen onderscheiden deze regenten zich weinig van hunne onderdanen; zij trekken gezamenlijk met hunne onderhoorigen er op uit om het dagelijksch brood eigenhandig te verdienen en het gezag door hen uitgeoefend, is volstrekt niet onbetwist. In de grootere Christen- en Mohammedanennegorijen is deze toestand wat gunstiger en tracht de Regent door zijn meerdere beschaving, betere kleeding en fraaiere woning zich zijn ambt waardiger te maken. De Regent wordt niet bezoldigd door het gouvernement, doch heeft recht op de zoogenaamde quarto diensten, d.w.z. op de kostelooze dienstbaarheid van 4 mannen uit zijne negorij, die bij toerbeurt hem eene maand moeten dienen. In de kleinere Alfoerennegorijen echter met een gering aantal mannen, worden deze quarto-diensten met goedvinden van den Regent, vervangen door eene gave in tuinproducten a.a., waartoe ieder ingezetene bijdraagt. Men begrijpt, welk een verkeerd stelsel bovenstaand is, daar de Regent op deze wijze zeer afhankelijk van zijne bevolking wordt en hij niet al te streng tegen hunne vrijheden durft op te treden, daar hij anders moeite krijgt met zijne quarto-diensten.
Het aantal klachten over nalatigheid of onregelmatigheid in deze, is dan ook zeer groot en eene bron van last voor het bestuur. Verscheidene der Alfoerenhoofden, die in het binnenland wonen, wenschen geen rottanknop te ontvangen, daar dit voor hen „pamali” is, doch de acte van aanstelling nemen zij gereedelijk aan en zij worden ook zonder tegenzin in hunne waardigheid beëedigd. De hoofden van Wae Rama, Hatoe Olo of Ajerbĕsar en Maneo verzochten bij hunne aanstelling om eene jas, die dan eenigszins uitgemonsterd wordt, zonder aan een bepaald model te voldoen.
In West-Seran staan de Alfoeren, al is het dan eigenlijk slechts in naam, onder het Saniribestuur. Er zijn 3 Saniri’s of raden: van de Sapoléwa, de Eti en de Talarivier, die tot voorzitter hebben den Kapala Saniri of Inama. Deze voorzitters worden door de Alfoeren zelf gekozen en door het Gouvernement benoemd. Zij ontvangen dan een frak met broek van rood, groen of geel laken, met geel koperen knoopen, terwijl zij eene muts van dezelfde kleur, voorzien van drie punten, en waarop in eene rijzende zon van zilverblik hunne waardigheid staat vermeld, op het hoofd en een ijzeren drietand, waarop een plaatje met wapen, in de hand dragen als symbool der drie wateren. Aan ieder is toegevoegd een Oedjong en Pohon bandera (uiteinde en stam van den vlaggestok), die hen als boodschappers dienen en evenzoo gekleed zijn, doch geen drietand voeren. In Tala is nog een bijzondere boodschapper, de Siwaléte, die zich meestal aan de Zuidkust te Asinahoe ophoudt. Wanneer of deze Saniriraden werden ingesteld, is niet meer na te gaan, doch zij moeten van tamelijk jongen datum zijn, daar Valentijn ze niet vermeldt; zelfs meenen sommigen, dat zij tijdens het Engelsche tusschenbestuur werden in het leven geroepen. Hoe dit zij, de instelling er van was eene fout. Want de Kapala Saniri zijn tevens de hoofden van het Kakihanverbond en zitten voor bij de aanneming van neophyten. De ritus van het Kakihanisme eischt, dat bij de instelling van nieuwe leden ook een of meer koppen gesneld worden. De Regeering staat dus feitelijk, daar zij de Saniri’s erkent, het koppensnellen toe, terwijl zij aan den anderen kant pogingen doet om dit wreede bedrijf uit te roeien.
Christen Regentsdochters.
Strand-alfoeren van West Seran.
Het doel der Saniri’s was om van tijd tot tijd eene groote algemeene vergadering der Alifoeroe te houden, op welke zij hunne 101 grieven en veeten zouden kunnen voorbrengen en beslechten. Op deze vergaderingen zond de Regeering ook een afgevaardigde, ten einde op de hoogte te blijven van het verhandelde. Maar tot het beslechten van twisten en tot rechtspreken is centraal gezag noodig en dit nu misten de Sanirihoofden ten eenenmale. Al zeer spoedig werden juist die vergaderingen een bron van nieuwe twisten en beleedigingen; naar de uitspraken der Sanirihoofden luisterde men zelden; het driftige, onafhankelijke karakter der Alifoeroe maakte, dat hij zich niet eenvoudig kon neerleggen bij een geveld vonnis en eindelijk gebeurde het, dat bij het uit elkander gaan der verschillende stammen velen het eene geschikte gelegenheid vonden, om een paar koppen mede naar huis te nemen. Toen ten slotte zelfs de Siwalété van Tala gesneld werd, zag men in dat het geheele Saniribestuur een wassen neus was en verbood de Regeering verdere vergaderingen, ofschoon de Kapala Saniri met hunne boodschappers gehandhaafd bleven.
Voor de negorijen in welker buurt zulk een Saniri gehouden werd, was die vergadering een ramp, want al die honderden gasten moesten zoo goed mogelijk onthaald worden, hetgeen den armoedigen gastheeren met hunne geringe hulpmiddelen uiterst moeilijk viel, terwijl de plek, waarop die talrijke benden Alifoeroe waren nedergestreken, er uitzag of zij door eene sprinkhanenplaag bezocht was geworden.
Het oude bestuur der Patasiwa hitam had behalve de 3 Kapala Saniri en boodschappers nog 3 Radja’s, die van Tala of Latoe Ponoenoe, van Eti of Latoe Asaoedi en van Sapoléwa of Latoe Pasanea, benevens 3 Patihs, die respectievelijk den naam droegen van Latoe Toeha Tomatala, Loekoe en Latoe Iha (dit is dialect voor Lisabata).
Voor de aanvoering in den strijd de kapitans Makorissi (ook thans nog bestaande) Tépé Soewa en Manoemétan. Al deze titels en waardigheden zijn in onbruik geraakt of althans treden de laatstgenoemde Radja’s, Patihs en Kapitans niet meer in het openbaar op. Merkwaardigerwijze is de Latoe Pasanea, in de afdeeling Wahaï terecht gekomen, welke bevolking thans tot de Patalima behoort.
Iedere negorij heeft verder haar Marinjo, veldwachter of politieagent, blijkbaar eene instelling uit den Portugeeschen tijd. Deze man moet de bevelen bekend maken, verlangde personen oproepen en voor de orde zorgen; hij is gerechtigd tot het zoo noodig uitdeelen van slagen met een rietje, dat tot zijne uiterlijke waardigheidsteekenen behoort en wordt door den Regent aangesteld.
De afdeeling Wahaï is nog in de onderafdeelingen Hatiling, Sawaï, Pasanea, Lisabata, Warasiwa, Soekaradja en Hoaoeloe verdeeld; de hoofden der gelijknamige negorijen voeren in schijn het oppergezag over de hoofden der verschillende andere negorijen. Het is eene fout onzerzijds geweest, om iedere negorij zijn eigen hoofd te geven en het gezag niet meer te centraliseeren, want al die negorijen vormen thans even zoovele zelfstandige staatjes, wier belangen quasi altijd met elkander in strijd zijn en waarvan ieder tegenover zijn buurman een toon van gezag poogt aan te nemen. Men kan deze fout herstellen door langzamerhand in de door sterfgeval a. a. ontstane vacaturen niet te voorzien en geen hoofden over de kleine negorijen (er zijn zelfstandige Orangkaja over een dorp van ± 15 zielen!) meer aan te stellen, doch deze te doen besturen door den oudsten Kapala soa en de verschillende afdeelingen, evenals die van Wahaï, te verdeelen in onderafdeelingen onder één Radja. Eerst dan kan er aan gedacht worden om deze weinige hoofden te bezoldigen, waardoor zij onafhankelijk worden en een werkelijk bestuur over hunne onderhoorigen kunnen uitoefenen.
Nog behoort de „Radjah tanah” in zekeren zin tot het negorijbestuur. Zijne taak is het bewaren van den adat en het onderzoeken van geschillen over grond- en vruchtboomenbezit, terwijl zijne waardigheid erfelijk is. Mocht hij al vroeger macht hebben gehad, tegenwoordig treedt zijne figuur zeer weinig op den voorgrond.
⁂
Algemeene karaktertrekken en eigenschappen.
De Alfoeren van West-Seran zijn welgebouwde, vrij groote personen met wilden oogopslag en fiere houding. De Midden-Seranners zijn kleiner van gestalte en vredelievender van voorkomen. Eene gemiddelde meting van 10 Nisawélé-Alfoeren gaf als lengte aan 1.52 M.; de mannen en vrouwen daar zijn niet zoo fraai gebouwd als de West-Seranners, terwijl de bewoners van Oost-Seran zeer schuwe lieden zijn van een vreesachtig voorkomen. De strandbewoners aldaar hebben zeer veel overeenkomst met Ternatanen, wat betreft kleeder- en haardracht, die zij waarschijnlijk van hen overnamen. In lichaamsbouw zijn zij de minste der bewoners van Seran. Behalve te Sĕléman, trof ik langs de geheele Noord- en Westkust of in de bezochte bergnegorijen nergens albino’s aan. Te Sĕléman toonde men mij een kind, dat met zijne blanke huid, blauwe oogen en lichtblonde haren, volkomen het type van den Europeaan bezat en dat volstrekt niet het terugstootende uiterlijk van den albino, met zijne rose huid en roode oogen, vertoonde. Men zeide, dat in zijn geslacht de kinderen altijd eerst blank waren en later pas donker werden. De vader en de grootvader, die nog leefden en zeiden evenzoo blank te zijn geweest als ’t kind, waren wel eenigszins lichter gekleurd dan de overige bevolking, doch niet opvallend; ook bezat de vader lichtbruine oogen, in plaats van de algemeen voorkomende donkerbruine of bijna zwarte.
Alle Alfoeren zijn zeer zenuwachtig, opgewonden en blufferig van aard. De Alfoer spreekt bijna immer in superlatieven, vervalt spoedig in een luiden toon en als hij zich warm maakt onder zijn gesprek, begint het geheele lichaam op en neder te schokken. Opmerkelijk is dat de Christen en de Mohammedaansche strandbewoners deze eigenaardige gewoonte bijna geheel hebben afgelegd, die bij den Berg-Alfoer een zeker teeken is dat hij zich boos maakt. Door zijne overdreven spreekwijze, zijne heftige gebaren, tracht hij op zijn tegenstander indruk te maken. In eene vergadering met Malowan-Alfoeren b.v. stelde het bestuur voor, een hunner, die overwicht op zijne kameraden bezat, tot Kapala soa te benoemen. Als antwoord op dit voorstel sprong de man woest op, greep zijne lans, slingerde die over onze hoofden in een boom, waarin zij trillend bleef steken, voerde eenige krijgsdanspassen uit en bleef toen in trotsche houding voor ons staan, zeggende: „mijnheer heeft gelijk, ik ben een kranig man!”
Vraagt men een Berg-Alfoer naar de sterkte zijner negorijen, dan geeft hij maar een groot getal op, hetgeen schatting der bergbevolking zeer bemoeilijkt. Bedreigingen om eene negorij aan te vallen gaan altijd gepaard met de verzekering: „dat thans die negorij geheel uitgeroeid zal worden!” Een koelie, wiens vracht te zwaar is, verklaart u, dat zijn hals reeds gebroken is! Iemand, die mededeelt dat hij aangerand werd zegt: „ik was reeds dood, maar toen kwam die en die en redde mij.” Met deze voorbeelden wenschten wij aan te toonen, dat de Alfoer liefst den overtreffenden trap gebruikt bij zijne verhalen, waarmede men dus rekening heeft te houden.
Eene hoofdondeugd der Alfoeren is de dronkenschap.
Vooral op West-Seran is de drankzucht zoo groot, dat er verscheidene negorijen zijn, waarvan bijna alle mannen tegen 11 uren des ochtends min of meer onder den invloed van drank zijn.
Bij besprekingen met Berg-Alfoeren moet men met die ondeugd rekening houden, daar men het den Alfoer niet altijd kan aanzien, of hij gedronken heeft of niet en in dien toestand belooft of beweert hij vele zaken, waar hij zich later niet aan houdt of waarvan hij zich niets meer herinnert. Ook onder de Christenen komt dronkenschap nog veel voor. Vaak spreken eenige mannen af, om zich gezamenlijk te bedrinken. Zij begeven zich daartoe, voorzien van sagoeweer, sagobroodjes en visch of vleesch naar een sagéroeboom in het bosch, om dadelijk weer nieuwe voorraad bij de hand te hebben en bedrinken zich daar dan zoodanig, dat zij buiten kennis blijven liggen. Dikwijls worden zij zoo eene prooi van de koppensnellers, die op eene dergelijke pic-nic loeren.
De sagéroe wordt afgetapt uit het vruchtbeginsel van den arènpalm. De steel, waaraan de vruchten hangen, wordt door heen en weer zwaaien en kloppen gedurende eenige dagen, murw gemaakt; daarna wordt hij afgesneden en de palmwijn drupt eruit in lange bamboekokers, die eronder worden gehangen. Men slaat ook wel bamboebuisjes in den stam, om het vocht af te tappen. Door toevoeging van eene zekere houtsoort krijgt men een groengrijs, bitter vocht en men staat verwonderd, dat zelfs Europeanen daar zoo aan verslaafd raken. Te Kamarian b.v. woonde in 1904 een gepensionneerd Europeesch fuselier, die alleen om volop sagéroe te kunnen drinken, zich aldaar had gevestigd. Per dag gebruikte hij minstens 4 „vierkante potten” dus 6 L. Het eenig doeltreffende middel tegen deze drankzucht zou zijn, den sagéroepalm zooveel mogelijk uit te roeien, ware het niet, dat men aldus doende ook de gĕmoetoe2 zou doen verdwijnen. Zeker is het, dat een dergelijk onmatig gebruik van alcohol een van de redenen is, dat dit ras zoo achterlijk blijft en weinig vruchtbaar is, zoodat het bestuur middelen behoort te vinden om het euvel zooveel mogelijk te bestrijden; onderwijs en godsdienst kunnen daartoe ten zeerste medewerken.
Gelukkig staat de bevolking van Midden- en van Oost-Seran hierin hooger en is het drankmisbruik aldaar lang niet zoo sterk of algemeen. De Nisawélé-stammen gebruiken zelfs in ’t geheel geen sagéroe. Evenzoo is het met de betrouwbaarheid gesteld: van het Oosten naar het Westen wordt de betrouwbaarheid der bevolking minder, zelfs in die mate dat de West-Seranners soms trachtten om een gedanen eed, die in het algemeen door den Alfoer heilig wordt gehouden, op listige wijze ongedaan of slechts gedeeltelijk van kracht te verklaren.
Door dit vermelden der hoofdondeugden zou echter de meening kunnen gevestigd worden, dat de Alfoeren een weerzinwekkend volkje zijn en dit is de bedoeling niet. Integendeel, zijn de Alfoeren een volk, waarin men belang gaat stellen en waarvoor men bij nadere kennismaking gaat gevoelen. Het is vooral bij het bivakkeeren op tochten, als men na een vermoeienden marsch de leden uitstrekt op de warme heldere grintbedding eener halfdroge rivier (eene geliefkoosde kampeerplaats), dat men het best verneemt van de grieven en nooden, het lief en leed van zijne halfwilde begeleiders. Vertrouwelijk en gezellig komen zij dan bij u neerhurken, zich gemoedelijk de beenen inwrijvende met daon gatal, of het slijk van hunne kuiten krabbende met den parang.
Het vroolijke en kinderlijke, gepaard aan de poging om zoo hulpvaardig mogelijk te zijn bij het opslaan der afdakjes, onder welk werk de Alfoer van tijd tot tijd, bij gebrek aan taalkennis, u eventjes minzaam toegrinnikt met een hoofdknikje, maakte dat vooral de Midden-Seranners aan alle officieren sympathiek waren en ook de soldaten best met hen konden opschieten. Ook luisteren zij naar vertoogen en valt zeker met hen te redeneeren, indien zij met takt geleid worden en de woordvoerder hun vertrouwen bezit. Dit was bijv. in ruime mate het geval met onzen tolk Laha, iemand van Ternataansche afkomst. Als hem het te behandelen onderwerp goed werd uitgelegd, dan kon men zeker zijn van een goeden uitslag der besprekingen. Hij won zich dan ook den eeretitel van „Kapala tollĕki” (hoofd der tolken).
Van tijd tot tijd echter ontstaat er eene „strubbeling”; dan schalt de stem van Laha door het huis of door het woud, rad vliegen de woorden, vergezeld van breede gebaren, over zijne lippen en teekent zijn gelaat hevige verontwaardiging. De woorden „Sulthan Wilhelmina en Kompania en Kommandant” komen veelvuldig in zijne rede voor en alle Alifoeroe luisteren eerbiedig, met de oogen naar den grond geslagen en bewonderend knikkend toe, want welsprekendheid of liever volubiliteit is bij hen hoog in eere. Dit is, als de Alifoeroe zich nu maar niet dadelijk met de hun voorgelegde zienswijze kunnen vereenigen en als Laha dan op adem is gekomen en ik vraag hem naar de reden van deze philippica, dan heet het: „Och, meneer, die kerels wisten het natuurlijk beter en toen heb ik hun verteld, dat ik mij voor hen schaamde, dat Koningin Wilhelmina en de kommandant (men vergeve deze gelijkstelling, zij is van een eenvoudigen Alfoer!) zich nog met hen bemoeiden!” Daarna spuwt Laha nadrukkelijk ter zijde en zwijgt in stille verontwaardiging. Dan was hij magnifiek! En altijd na eenige oogenblikken van drukkende stilte, nam dan de een of ander het woord en zeide: „’t Is ook zoo, wij zijn maar domme menschen, de kommandant moet maar niet boos zijn,” en dan was de vrede weer geteekend en het gesprek weer algemeen.
Het ontroerde mij, als ik in het halfduister liggende, te midden van dit natuurvolk en die woeste, ongerepte wouden en bergen, hoorde hoe Laha de meest wondere verhalen van de Koningin deed, hij die zelf maar een flauw begrip van Haar had. En toen een Alfoer hem naïef vroeg, waarom de Sulthan niet eens te Wahaï kwam, gaf hij dezen een goedaardigen, luid klinkenden slag om zijn ooren en vroeg hem, of hij zoo onbeschaamd durfde zijn om de Koningin te verschrikken met zijn zwarte gezicht? En daarna den een na den ander te hooren stamelen het moeilijk woord „Wilhelmina”, dat onze waardige zelf ook niet zuiver wist voor te zeggen.