Alfoersche waterdraagster (Pasahari).

Alfoersche waterdraagster (Pasahari).

Vlechtwerk van Noord Seran (zeeven, mandjes en doozen).

Vlechtwerk van Noord Seran (zeeven, mandjes en doozen).

Daarna schaarden zich de hoofden en de Orang toea in een kring, waaromheen de bevolking; de oudste nam een mes, bracht dat in den mond en gaf het daarna ter handreiking aan allen; nu werd beurtelings door een der hoofden een duren eed gezworen; bij de aarde (waarvan eene kleine hoeveelheid in den mond werd genomen) bij de zon en de maan, bij de zee en onder het luidkeels aanroepen van Lahatalla, het Opperwezen; gedurig vielen de overigen in koor in met het woord: „Séhoe” beduidend: „zoo is het, het is uit.” Ten slotte nam Nisawélé een loeri, zwoer eveneens als de anderen, doch ook bij den heiligen berg Moerkélé en reikte daarna den loeri aan Hatiling over. De bedoeling hiervan is: het mes, dat Nisawélé ontving zal zich tegen den stam keeren, zoo hij nu iets verborgen zal hebben of later toch weer kwaad tegen het strandvolk bedrijven mocht; de loeri beduidde, dat indien Hatiling mocht vernemen, dat Nisawélé weer aan het snellen zou gaan, dit niet waar zou zijn en beschouwd moest worden als het onzinnig gebabbel van een loeri.


Nijverheid. Aan nijverheid doet de Alfoer zeer weinig. Weven, timmeren, smeden, pottenbakken enz. is bij de Berg-Alfoeren volkomen onbekend. Eigenlijk verstaat hij niet anders dan het vlechten van eenvoudige mandjes, vischfuiken en armbanden, het vervaardigen van tjidako’s3, pijlen en bogen. De voor hem zoo onmisbare parang (kapmes) kan hij niet zelf vervaardigen, doch betrekt die van de handelaren. Ook aan versiering van zijne voorwerpen van dagelijksch gebruik, doet hij zeer weinig. Slechts de kalkkokertjes, die de vrouwen der Malowan-Alifoeroe dragen, zijn van een aardig snijwerk voorzien en versierd met kralen en penningen.

De Oost-Alfoeren maken eenig werk van de versiering hunner schilden, door die in te leggen met stukjes glas en paarlemoer en te bekleeden met stukken kasawarihuid. Bij de strandbevolking is eenige meerdere nijverheid te bespeuren. Er zijn verscheidene timmerlieden, die vrij knap een houten huis in elkander weten te zetten. Hier en daar treft men een smid aan, met zijne bekende primitieve smidse van bamboekokers met zuigers, als blaasbalg dienst doende. Weven en pottenbakken is echter onder hen ook onbekend, met uitzondering van eenige negorijen op Z.O. Seran, waar enkele vrouwen met een primitief weefgestoelte eenvoudige kaïn oeté2 weten te vervaardigen. Daarentegen zijn onderscheidene negorijen bekend voor haar mattenvlechten. De matten worden vervaardigd van reepen pandanusblad, die rood, geel, zwart en blauw gekleurd worden; het patroon is dikwijls wel aardig. Roemah Olat aan de Noordkust is bekend voor het vlechten van manden (tagalaja), zeeven en groote en kleine doozen, terwijl men op Boano aardige sirihdoozen vervaardigt in den vorm van missigits.

De Oost-Alfoeren maken hoofddeksels van bamboe en gekleurde pandanusbladeren, met schelpjes en paarlemoer versierd, terwijl de Zuid-Oost-Seranners worden genoemd om hunne tĕtoemboe, groote en kleine veelkleurige koffers, eveneens van pandanblad, geschikt om kleederen in te bergen en die dikwijls zeer sierlijk van afwerking zijn. Zij werken echter slechts op bestelling of wanneer zij er lust in hebben. Van het drijven van bepaalden handel in nijverheidsartikelen is geen sprake.

Op Hoeamoal zijn zeer enkelen, die hun brood winnen met het stoken van kajoepoetih olie. Men verzamelt de bladeren van den kajoepoetihboom in een vat en kneust ze met water vermengd. Daarna distilleert men het mengsel middels eene eenvoudige koperen distilleerkolf, waarvan de buis wordt afgekoeld in een tweede vat en vangt de uitloopende olie in de bekende vierkante jeneverflesschen op.

Daar, waar de kanarieboom in groote hoeveelheid voorkomt, leggen de vrouwen zich wel toe op het vervaardigen van olie daaruit, hoofdzakelijk door kneuzing en afkoken der amandels, aldus eene zeer fijne braadolie verkrijgend, terwijl het vervaardigen van klapperolie overal bekend is. Indien men voortdurend de bewoners aanspoort en er toe opwekt, is er wel eenige meerdere levendigheid in handel en nijverheid te brengen, zooals moge blijken uit het feit, dat in de afdeeling Wahaï de waarde der uitvoerartikelen (hoofdzakelijk bestaande in boschproducten, coprah, hout, hertehuiden en hoorns,) in drie jaren tijds van ± ƒ 9000 op ± ƒ 20.000 kon worden gebracht.

De eenige rijkdom der Alfoeren bestaat eigenlijk in het bezit van een meerder of minder groot aantal borden, kommen en schotels. Hoewel het gros hiervan meestal de gewone goedkoope porseleinsoorten zijn, bezitten zij toch ook vele zeer oude en schoone Chineesch en Delftsch(?) porseleinen schotels. Zij vertoonen die slechts ongaarne en weten heel goed, dat Europeanen daar veel geld voor willen geven. Onze voorvaderen schijnen vrijgevig geweest te zijn met het begiftigen van de regenten daarmee. Dikwijls ziet men in hunne handen zeer fraaie langwerpige en zeskantige schotels, met een Hollandsch motief er op en soms wel van een familiewapen voorzien. Bij het betalen van boeten, die doorgaans betaald worden met deze borden, onderzoeken de Alfoeren die nauwkeurig stuk voor stuk. De klank speelt een hoofdrol daarbij. Terwijl een persoon een schotel, op de vlakke hand geplaatst, door middel van een tik deed klinken, zag ik een ander, die de beweging maakte van het uitmeten van vademen met de armen; dit deed hij zoolang, tot de toon niet meer waarneembaar was en uit het verkregen aantal vademen kon hij dus vergelijken den duur van doorklinken met andere schotels, een zeker niet onaardig middel, bij gebrek aan een horloge.

Nog is in aanzien een verglaasde aardewerk schotel van bleekblauwe of bleekgroene kleur de pinggang batoe. Van een echte pinggang batoe beweert men, dat het glazuur barst als er vergif in den schotel gedaan wordt.

Een volledige „harta”, oorlogsschatting of boete, bestaat bij de Patasiwa uit:

9 vlaggen, 9 mangkok sĕrasa (kommen) en groote schotels, 90 oude borden, 900 kleine bordjes en 9 gongs; bij de Patalima vraagt men geen vlaggen, doch respectievelijk 5 kommen, 50 oude borden, 500 kleine bordjes en 5 gongs. Men houdt zich echter niet streng aan deze adat, doch voegt er wel eens andere zaken aan toe, die men begeert. Vooral de hebzuchtige West-Seranners zijn hiervoor bekend en dikwijls eischen zij b.v. een extra harta als een moord geschied is, voor de oogen, den mond of eenig ander lichaamsdeel van den verslagene. Het niet of slechts gedeeltelijk voldoen van de geëischte harta is de hoofdoorzaak van de meeste veeten tusschen de verschillende stammen.


Landbouw. De Alifoeroe zijn nog altijd in hoofdzaak een jager- en visschersvolk; den landbouw of liever tuinbouw beoefenen zij als nevenbedrijf. De buitengewone luiheid van dit volk zal wel oorzaak zijn, dat het een afkeer heeft van het geregeld bewerken van den grond.

De landbouw op Seran is overal roofbouw. Dáár waar hem dit goeddunkt, kapt de Alfoer een terrein open, plant er zijn gewas en ziet na den oogst niet meer naar dit stuk grond om, dat spoedig weder in eene wildernis herschapen is. De tuinen zijn dan ook wijd en zijd om de negorijen verspreid. Slechts bij de strandbewoners, die zich niet ver van hunne dorpen willen of durven wagen, kan men eenigszins van blijvende tuinen spreken, doch men verwachte niet, dat men daarom wel gezuiverde, goed beplante velden aan zal treffen. Tusschen de vruchtboomen of veldgewassen in schiet het onkruid welig op, zelfs de voetpaden door den tuin zijn meestal niet onderhouden. Men moet er zich toch over verbazen, dat de Alfoer bij al zijne luiheid, er weinig tegen opziet om groote stukken bosch te vellen, welk zware werk hem zeer vlug afgaat en vreemd is het, dat hij na zulk een arbeid verricht te hebben, plotseling tot andere gedachten komt, zijn met moeite verkregen zaaiterrein schijnbaar zonder eenige reden verder laat liggen voor wat het is en zijne landbouwplannen opgeeft.

Ook op ander gebied handelt hij zoo. Menigmaal ziet men in het bosch vierkant bekapte balken en stijlen liggen voor den huizenbouw, waarvan de eigenaar den verderen arbeid gestaakt heeft; ook wel vindt men in het bosch eene half of bijna geheel afgewerkte prauw liggen, die men blijkbaar niet meer noodig had. Wellicht wordt onder het werken de luiheid den Alfoer toch te machtig en ziet hij tegen de voltooiing op.

Den sagopalm, die hem zijn hoofdvoedingsmiddel verschaft, behoeft hij eigenlijk niet te verbouwen. Ten eerste groeit deze op Seran in ontzaggelijke massa en ten tweede plant hij zichzelf voort. Als de boom ongeveer 6 jaren oud is, is hij geschikt om meel te leveren. Hij wordt geveld en in de lengte in tweeën gekapt. Het vezelige merg wordt met een soort dissel verbrijzeld en murw geklopt. Daarna wordt de massa met water gekneed en door eene zeef geperst en het vocht langs een goot geleid naar een vat, waarin het sagomeel bezinkt. Hiervan maakt men kegelvormige of cylindrische pakken (toeman) met behulp van sagobladeren en hiermede is de bewerking afgeloopen. Bijzondere hulpmiddelen zijn hiervoor niet noodig geweest. Een der bladstelen dient als afvoergoot; het dikke ondereinde der takken vormt den mengtrog; de zeef vervaardigt men uit het weefsel, dat in groote lappen het boveneinde van den stam bedekt en het vat, waarin men de emulsie opvangt, kan men uit sago-bladscheeden maken. De natuur zorgt dus al buitengewoon goed voor den Alfoer.

Ook voor de Oeliassers is Seran de voorraadschuur, daar op die eilanden weinig palmen voorkomen en door de bevolking moeten worden bijgeplant. Voor den rijstbouw kapt men een terrein open en nadat men het omgekapte heeft laten drogen, wordt het in brand gestoken. De groote boomen die in het terrein liggen, blijven daarna soms wekenlang doorsmeulen. Met een scherpen stok maakt men gaten in den grond, werpt daarin eenige korrels en dekt ze dan losjes dicht. Dikwijls worden er nog takjes en struikjes los overheen gelegd, tot afweer van de vogels. Tusschen het onkruid schiet dan de padi op.

De korrel der Seranrijst is dan ook klein en vrij hard als ze gekookt is, maar een proefsawah op Javaansche manier aangelegd, leverde met zaaipadi van Seran, een prachtigen korrel, geheel gelijk aan Javarijst en even smakelijk. Slechts de Malowanstammen verbouwen de rijst op eenigszins groote schaal, terwijl wij aldaar tot onze verbazing, eenige berghellingen beplant vonden met de gewone aardappels, echter niet groot van stuk. De Alfoeren vertelden, dat zij zeer lang geleden eenige aardappels van een Civiel-gezaghebber gekregen hadden en die waren blijven verbouwen. Ook op Boeroe, waar onder aanmoediging van het Bestuur, aardappelen worden geteeld, gedijen deze goed. Op Seran troffen wij ze echter nergens anders aan.

Bij Lisabata, te Amahei en op Manipa groeien eenige honderdtallen koffieboomen, vroeger op last van het Bestuur als proef geplant. Er wordt geenerlei zorg aan besteed en toch geven de boomen een tamelijken oogst. Te Lisabata staan zij op slechts honderd meters van de kust, eigenlijk nog in het zand en bloeien toch vrij goed. Bijna iedere Alfoer verbouwt eenige tabaksplanten en stelt deze liefst in de onmiddellijke nabijheid van zijn huis op, dikwijls onder den dakrand, zoodat de planten bij regen in den drup komen te staan. De bladeren zijn groot en krachtig. Nadat zij fijn gekorven zijn, droogt men ze op platte schotels of wannen op het dak van het huis en als de massa licht geelbruin geworden is, is de tabak voor het gebruik geschikt. Slechts om Sétie (Wahaï) heeft de tabaksbouw grootere afmetingen en mag de tabak der Sétie-Alfoeren zich in een zekeren roep verheugen.

Te Soahoé zijn nog eenige notemuskaatbosschen, en de kokospalm tiert overal welig; op Noord-Seran nog beter dan op Zuid-Seran, wijl aldaar de vernielende klappertor weinig voorkomt4. Overal verspreid komt de cacao voor, terwijl op N.O. Seran eenige katoenplanten, vroeger als proef geplant, in het wild zijn blijven groeien.

De Radja van Amar op Z.O. Seran is vrijwel de eenige der inboorlingen, die meer uitgebreide notemuskaattuinen bezit en in noten handel drijft. De overigen verbouwen hunne gewassen hoofdzakelijk voor eigen gebruik en verkoopen daarvan slechts, als zij zelven het minder noodig hebben of overvloed bezitten.

Evenzoo primitief als de rijst, verbouwt de Alfoer nog suikerriet, maïs, cassave, katjang en obi (patater) en het is slechts aan den buitengewoon vruchtbaren bodem van Seran te danken, dat de bijna onverzorgde gewassen nog voldoende vruchten afwerpen.


Jacht. De geliefkoosde wijze van jagen is het zich in hinderlaag stellen, evenals bij het koppensnellen. Men noemt dit aan de kust „pĕrgi loer” (op den loer gaan). Om den zeer schuwen casuaris te bemachtigen, moet de Alfoer soms een geheelen dag in hinderlaag blijven, welke moeite hij zich gaarne getroost, daar het vleesch van dien vogel zeer gezocht is en de beenderen hem dienstig zijn tot het maken van lansspitsen, priemen, papedavorken etc. Het gebruik van springlansen en strikken is algemeen. De eerste zijn zeer scherpe bamboelansen, die door een veerkrachtigen, sterk gebogen tak voorwaarts gedreven worden, als de liaan, die dwars over het pad gespannen is, wordt aangeraakt. Soms plaatst men twee van die lansen evenwijdig boven elkaar.

De springlansen worden ook wel met vijandige bedoelingen geplaatst en zijn door hunne moeilijke zichtbaarheid vrij gevaarlijk. Zij mogen dan ook niet in de onmiddellijke nabijheid der negorijen geplaatst worden en dan nog wordt op een tiental passen vóór de plek, waar de springlans opgesteld is, een stok geplaatst waaraan een cirkelvormig gebogen stuk liaan bevestigd is, ten einde tot voorzichtigheid aan te manen. Over de strikken valt niets bijzonders te vermelden, dan dat men ze ook wel zoodanig aan een gebogen tak verbindt, dat indien het dier in den strik geraakt, het een haakje, waaraan de strik bevestigd is lostrekt, door de veerkracht van den tak omhoog geslingerd wordt en hangen blijft. Ter bemachtiging van een koesoe2 plaatst men in de boomen zeer kunstige strikken van lianen, waarin het dier zich vangen laat.

Soms maakt de Alfoer van den strijdlust, waarmede de herten gedurende den paartijd bezield zijn gebruik, om het dier te verschalken. Hij stelt zich op eene gunstige plek in het kreupelhout op en slaat zachtjes met een takje tegen een boom. Het mannetjeshert, denkende een tegenstander aan te treffen, die uitdagend zijn gewei wet, komt dan nieuwsgierig en strijdlustig binnen het bereik van den Alfoer. Wellicht wordt het hert in zijne meening versterkt, doordat de Alfoer eene lucht van zich afgeeft, niet ongelijk aan die van een dier.


Scheepvaart. Bijna iedere kustbewoner bevaart de zee en oefent de vischvangst uit. De prauwtjes zijn hoogst eenvoudig gekapt uit een enkelen boomstam en voorzien van vlerken. Dit is de prahoe séman (zeeman?) Een beter soort prauwen, uit planken vervaardigd, met scherpe kiel, heet „pakatora” en is door Ternatanen ingevoerd. Grootere prauwen voor handel op Amboina, heeten djoengkoe en orembaï;5 zeer eigenaardig is, dat bij het bouwen van eene groote orembaï men niet eerst op den kielbalk de inhouten en ribben bevestigt, om daar omheen de buitenhuid te leggen, doch eerst de buitenhuid bouwt en daarna pas de inhouten aanbrengt. Doordat de planken van den romp niet gebogen, doch gedeeltelijk krom gekapt worden (er is immers hout in overvloed) zoo is de samenstelling dezer prauwen, hoe eenvoudig ook, zeer sterk. De naden worden gestopt met „baroe” een zwam van den gĕmoetoeboom afkomstig, daarna worden zij van buiten dicht gesmeerd met kanarihars. Verder treft men verscheiden toekang’s aan, die een schoener van Europeesch model weten te vervaardigen, hier pennis (penas) genoemd, terwijl deze alsmede orembaï’s en djoengkoe’s op Europeesche wijze getuigd worden met zeilen van keperdoek.

Het roeien der groote prauwen geschiedt op gongen tifaslag en onder het zingen van een beurtzang van roeiers en tifaslagers. De grootste onzin wordt hierbij dikwijls uitgekraamd, hetgeen er niets toe doet, mits men in de maat blijve. Haast heeft men nimmer en men roeit langzaam en krachteloos voort, maar houdt dit dan ook uren lang vol. Maar opeens gebeurt het, dat de roeiers „den geest” krijgen, de tifa slaat een woesten slag en alles begint onder het uitstooten van een vreeselijk gegil, zoo woest en hevig te roeien, dat men meent eene partij krankzinnigen te zien. Deze opwinding houdt soms een kwartier aan en dan laat plotseling weer iedereen de riemen zakken en gaat uitgeput een pruimpje sirih kauwen.

De wind wordt steeds eerbiedig behandeld en men noemt hem altijd „Toean”. Eigenaardig is de aanroep: „Krrrrr! Marilah toean Timor, datang dari belakang toeroen di haloewan, antar prahoe Radjah, makan baik, mínoem baik, mari dengan mara-mara sadikit, toean!” (Kom, heer Oostenwind, van achteren naar den steven en geleid deze vorstelijke prauw, goed eten en drinken is dáár, kom met een beetje boosheid, (harder blazen) Heer!) Wordt de bergwind aangeroepen, dan heet het: „Ajo, Poetri goenoeng, kipas-kipas kain sadikit! (Kom, vorstin der bergen, wapper eens een beetje met uwe sarong!) Is de wind zwakjes, dan verzoekt men: Tambalah barang satoe gantang, doea gantang, satoe mangkok, doea mangkok, satjoepa doea tjoepa. (Doe er nog een of twee maten, een of twee kommen, een of twee vingerhoeden bij!) Maar als de wind den geheelen dag wegblijft, dan kan het ook wel gebeuren, dat de roerganger in arren moede den wind toesnauwt: „Zijt gij niet beschaamd, Heer, zoo den geheelen dag te slapen?” Dien man in ernst zoo boos te zien, maakt een komischen indruk.

Orembaai’s ter reede Piroe.

Orembaai’s ter reede Piroe.

(In het verschiet de landengte van Kotania).

Plechtige ontvangst bij den Regent van Roemah Kai

Plechtige ontvangst bij den Regent van Roemah Kai

(menari der djodjaro in pakean tanah).

De strand-Alfoer is goed bekend met het zeeleven en durft dikwijls brutaal zeilen, maar hij is zeer roekeloos en onverschillig voor zijne vaartuigen. De reiziger, die in een daarvan zal stappen, doet wel met de prauw altijd grondig te onderzoeken, wil hij niet onderweg beleven, dat eene plank lek springt, de mast omvalt of een vlerk plotseling afbreekt, dingen die den Alfoer, uitmuntend zwemmer als hij is, vrij koud laten. Prof. Martin zag eens een Alfoer op zulk een grooten afstand van de kust in zee, dat hij meende een drenkeling te zien. Het bleek echter, dat de man eenvoudig zijn weggedreven prauwtje achterna zwom!

In de Piroebaai gebeurde het in 1904, dat een man, niet ver van Piroe, bij ruw weder overboord sloeg. De opvarenden kwamen het vrij onverschillig mededeelen, zeggende, dat de golven te hoog gingen om hem te kunnen redden, doch dat hij wel terecht zou komen. De prauwen, die daarop van verschillende kanten uitgezonden waren, vonden den man niet, doch bijna twee dagen later, was hij gezond en wel te Poeloe Kasa aangeland. Dat de Alfoer tot zoo iets in staat is, verklaart wel eenigszins zijne roekeloosheid bij het varen. Op een nacht wakker wordend, bemerkte ik, dat de roerganger van mijn schoener in slaap was gevallen, terwijl hij het roer gemakshalve maar had vastgebonden! Gelukkig was er bijna geen wind en dreven wij maar wat rond. Het reizen langs de kust van Seran is op die manier vol verrassingen. Legt men op eene nachtelijke vaart, dicht bij het doel gekomen zijnde, zich ter ruste, in de meening „zie zoo, over een uurtje zijn we er, dat kunnen de roeiers alleen wel af” dan gebeurt het zeer dikwijls, dat men zich den volgenden dag verbaasd de oogen uitwrijft, als men bemerkt in volle zee te zijn, of op een heel ander gedeelte der kust. De oplossing van het raadsel is, dat iedereen, toen de „toean” zich ter ruste begaf, dit voorbeeld maar gevolgd heeft, het aan den stroom of den wind overlatende de prauw te drijven, waarheen het hem goeddunkt! Maar de stuurman vertelt U met een geheimzinnig gezicht, dat een polyp de prauw heeft weggevoerd, waarop volgt het verhaal van een verren bloedverwant, wien dat eveneens is overkomen „drie kommandanten geleden!”


Visscherij. Voor de strandbevolking is de visscherij een hoofdmiddel van bestaan, terwijl de Berg-Alifoeroe gaarne hunne tuingewassen tegen gedroogde visch komen inruilen. Het visschen geschiedt op onderscheidene wijzen. Ten eerste met den hengel „hohaté” genaamd (Noord-Seran.) De hengel is een bamboespriet met een snoer van uitgegloeid koperdraad en van een zelf vervaardigden, uitmuntenden haak voorzien. De visschen zijn bijna alle roofvisschen van zeer gulzigen aard, zoo komt het, dat dikwijls de moeite van een aas aan te slaan bespaard wordt, door eenvoudig een bosje witte veeren aan den haak te binden. Slaat men nu den haak snel door het water, dan hapt dikwijls, vooral in de monding van rivieren een „bobara” daarnaar. Het aas bestaat uit kleine vischjes makki-makki of „téri” genaamd sterk op sardines gelijkend. Deze vischjes zwemmen in dichte drommen rond; om ze te vangen, maakt men gebruik van het werpnet, maar ook van een hengel met zeer dun snoer en grooten haak zonder aas. Dezen laat men in de school zinken en haalt dan met een snellen ruk op, waardoor een vischje letterlijk aan den haak geslagen wordt, zoo dicht is de school.

Den sako, een geepvormige visch met een spitsen bek, die snelle sprongen boven water maakt, vangt men wel eens met een hengel, waaraan instede van een haak, een strik om het aas is bevestigd. Hapt de sako er in, dan haalt men snel op, trekt den strik dicht en vangt zoo het dier. Wanneer men op groote diepte met de lijn vischt, wordt de haak voorzien van een klapperblad, waaraan een steen gebonden is. De aldus bezwaarde haak zinkt dan snel tot op eene diepte van tachtig vaam en meer. Raakt men den grond, dan geeft men een snellen ruk, zoodat de haak het brooze klapperblad doorscheurt en nu vrij komt. Van de nerven van den gĕmoetoe-boom, knoopt men eene vrij sterke, zeer dunne lijn. Hieraan wordt een klein koperen haakje bevestigd met vederen voorzien en dan wordt de lijn achter een prauwtje aan gesleept. Over koraalriffen varende krijgt men altijd visschen van ± 2 d.m. lengte aan den haak. In één uur werden soms aldus 12 visschen van 7 verschillende soorten opgehaald. Het visschen is dus hier, ook als sport, zeer loonend te bedrijven.

De „djolong”, een in dichte scholen levende visch, wordt „geschept”. Is een djolongschool verkend, dan varen de prauwen er in een halve maan op af. Iedere prauw heeft op den boeg een V vormig bamboestel, waartusschen een net, eindigend in een zak, is bevestigd. Plotseling gaan alle vorken neer, men vaart een slag vooruit en werpt met steenen over de school heen om die naar zich toe te jagen, onder het maken van luid misbaar, klappen met roeiriemen enz. Daarna worden de netten omhoog gewipt en de inhoud binnen boord gehaald. Tot duizenden djolongs worden aldus in een kwartier geschept. Zij worden dan tusschen bamboeraampjes gewerkt en gerookt om aldus als opgelegde voorraad nog lang goed te kunnen blijven. Schildpadden en groote visschen, alsmede de doejong worden gejaagd met den atjo (harpoen) terwijl langs het strand op visschen geschoten wordt met pijl en boog. Ook met de kalawai, een lichten drietand, wordt in scholen visch geworpen, maar de vangst op deze wijze vereischt eene bijzondere geoefendheid, die lang niet iedereen bereikt. Verder bezigt men om op ondiep water te visschen het werpnet, ook elders in den archipel bekend, terwijl enkele een groot treknet bezitten, gebreid van ganémoe-vezel en met bloed en toerisap zwart geverfd.

Op bepaalde tijden vertoonen zich in de baaien dichte zwermen lémah. Het visschen hiernaar is een groot genoegen voor de strandbewoners. Talrijke prauwtjes drijven dan in het duister op het water, alle voorzien van eene harsfakkel, waarvan het licht de visschen aantrekt. Nadat door beproeving de diepte gevonden is, waarop de school zich bevindt, laat men zeer dunne lijntjes zakken met een stukje lood bezwaard, terwijl het beste aas is een klein stukje van den lémah zelf. Onophoudelijk kan men dan ophalen, terwijl de door honderden lichtjes blikkerende baai, het vroolijk elkander toeroepen en schertsen, dit soort visschen (mengaïl) tot een zeer aangenaam tijdverdrijf maakt en het voor den inboorling eene gemakkelijke wijze van verkrijgen van smakelijk voedsel is.

Op de Oeliassers beschouwt men dit dan ook als eene geschikte gelegenheid om eene nachtelijke pic-nic te houden. Begeleid door guitaar en zang, visschen de dames en heeren genoegelijk voort, terwijl men soms op een medegevoerd komfoor dadelijk eenige visschen bakt en in de prauw verorbert. De lémah is waarlijk een zeebanket. De Alfoer schijnt dit ook zoo te vinden, daar ik herhaaldelijk zag, hoe men den pas gevangen visch rauw verslond.

Zoodra de maan opkomt, bijten de visschen niet meer, de fakkels worden gedoofd en onder vroolijk gezang stevent de vloot huiswaarts.

De verbazingwekkende rijkdom van visch der Moluksche zeeën zou eene zeevisscherijonderneming ten stelligste succes waarborgen, meer nog dan in de Javazeeën. Immers potvisschen vertoonen zich herhaaldelijk in deze wateren en waar die komen, moet de voorraad kleinere visschen ook groot zijn? Eene eigen diepzeevisscherij zou het met graagte visch verbruikende Java, van die uitmuntende volksvoeding kunnen voorzien, terwijl men thans verplicht is, slechte en dikwijls voor het gebruik schadelijke vischsoorten uit Siam en elders in te voeren.


Voeding. De voeding der Alifoeroe is zeer eenvoudig, welk feit verband houdt met de allerbedroevendste culinaire bekwaamheden hunner vrouwen. Het hoofdvoedsel bestaat uit sago, die onder verschillende vormen genuttigd wordt. Het meest geliefkoosd is de papéda, bestaande uit eene pap, die men verkrijgt door versch sagomeel te overgieten met kokend water, waardoor een gerecht ontstaat uiterlijk volkomen gelijk aan behangersstijfsel. De papéda wordt in eene aarden kom opgediend; met een vork van twee kruiselings aan elkander bevestigde stokjes, draait men zich een bal uit de kleverige massa en werpt die op zijn bord, waarna men de papéda opslurpt zonder zijne vingers of een lepel te gebruiken. Deze wijze van eten is ook op de Oeliassers gebruikelijk, zelfs bij de hoogere, Hollandsch sprekende of met Europeanen gelijkgestelde bevolking.

De Alfoeren nuttigen bij de papéda vleesch en visch, soms een lombok, terwijl bij de strandbewoners meestal eene dunne soep van visch en specerijen (pindang) er bij gegeten wordt. Hoe onoogelijk het gerecht er ook uitziet en hoe onsmakelijk de wijze van eten er van schijnt, ook de Europeaan kan er vrij gemakkelijk aan gewennen en het smakelijk vinden. Om op marsch te bezigen stopt men het sagomeel in eene dunne bamboe en roostert deze boven het vuur. Als de bamboe is opengebarsten, heeft de sago zich samengepakt tot een rol, niet ongelijk aan den gummistok onzer politieagenten. Men begrijpt, dat het verorberen van eene dergelijke staaf eene taaie geschiedenis is.

Door het sagomeel in langwerpig vierkante, leemen vormpjes te roosteren, verkrijgt men de zoogenaamde sagobroodjes, die door hun klein volume en platten vorm, gemakkelijk mede te voeren zijn, doch die bij volkomen smakeloosheid en korreligheid het gevoel geven als knabbelde men op droog zand. Niettemin is de bevolking zeer tevreden met deze broodjes, die zij in een weinig water weeken en met wat toespijs nuttigen. Op zeetochten ziet men velen het broodje in het zeewater dompelen en dan verorberen.

Voor de bereiding van vleesch en visch kent men slechts ééne wijze n.l. het roosteren. Men legt een vuurtje aan en plant daar omheen in een kegelvorm stokken, waaraan men de stukken vleesch of den visch heeft geregen en laat het vleesch dan roosteren; hier en daar dooft men met de vingers het vuur, dat het gerecht dikwijls aantast. De eenige smaak, die het aldus toebereide vleesch heeft, hetzij het van herten, varkens, duiven of papegaaien komt, is altijd dezelfde n.l. „rookerig!”

Bij de strandbewoners is het bakken en braden en bereiden met specerijen reeds bekend, al is ook bij hen de kookkunst nog zeer in wordingstoestand. In de tweede plaats gebruikt men rijst, maïs, cassave (kasbi) en aardknollen, hier patatter genaamd, doch deze voedingsmiddelen zijn lang niet algemeen en worden door de Alfoeren slechts in kleine hoeveelheden verbouwd.

Behalve wat sago, legt de Alfoer ook bijna geen voorraad in zijne huizen op. Is zijne provisie verbruikt, dan gaat hij nieuwe halen en te Piroe merkte ik op, dat velen zoo lui zijn, dat zij eerst nadat alles schoon op is en zij tevergeefs getracht hebben bij een buurman wat te leenen, er pas toe kunnen besluiten om opnieuw te gaan sago kloppen of te jagen!


Genotmiddelen. Bij de strandbewoners komen meer en meer de lekkernijen in gebruik, die men ook elders in den Archipel aantreft. De Berg-Alfoeren echter gebruiken als genotmiddelen niet veel anders dan sirih en pinang. Van de sirih gebruikt men meer de langwerpige vrucht dan de bladeren. Tabak wordt ook vrij algemeen gebruikt, doch voornamelijk om te pruimen, terwijl hier en daar uit het sap van den arènpalm suiker wordt gekookt. Het gebruik van sagéroe is reeds uit de vorige bladzijden bekend. De uitspraak van Ribbe: „der Muhamedaner liebt das Opiumrauchen über alles”, geldt alleen den Z.O. Seranner, daar opium elders bijna onbekend is en slechts door vreemdelingen ten eigen bate wordt binnengesmokkeld.


Wapens. Het inheemsche wapen is de boog. Deze wordt gesneden uit bamboe of hout en is zeer eenvoudig van vorm, zonder versierselen. De pees wordt van ineengedraaide rottan of ganémoevezelen vervaardigd. De schacht der pijlen wordt gevormd door een rietstengel (glaglah) terwijl de spitsen vervaardigd worden van ijzer, bamboe en arèn of wokkahout. De oorlogspijl wordt in jachtpijl herschapen door het opplaatsen van eene losse bamboespits. Terwijl deze in het getroffen dier blijft zitten, laat de pijl los en kan dus door den Alfoer gemakkelijk teruggevonden worden. De ijzeren spits van den oorlogspijl wordt meestal gevormd door een daartoe bijgeslepen stuk mes. Ook wordt hiertoe wel gebezigd een scherp behakt stukje vogeldijbeen.

Onder de oorlogspijlen zijn er altijd eenige, die uitgekerfd zijn of van weerhaakjes zijn voorzien, doch dit snijwerk is niet zoo kunstig als dat der Nieuw-Guinea-Alfoeren; ook versiering blijft geheel achterwege. Om meer uitwerking te hebben bij het schieten op den koesoe2, gebruikt men een pijl met drievoudige spits van bamboe, waarin weerhaken zijn uitgesneden. Een steentje dient om de 3 punten uit elkander te houden. Tot het schieten van visschen, waarin de Alfoer zeer behendig is, bezigt men eveneens eene meervoudige spits van dunne scherpe punten van arènhout. De lans, meestal van wokka, wordt bijna uitsluitend voor de jacht gebezigd. Zij bestaat uit een eenvoudigen ± 2 M. langen spitsen stok. Op Oost-Seran voorziet men haar dikwijls van eene spits, bestaande uit een schuin afgesneden casuarisdijbeen, terwijl ter versiering een bosje casuarisvederen, aan het boveneinde gebonden, moet dienen. Een bijzondere lans, bijna over de geheele lengte voorzien van geitenhaar en casuarisvederen dient alleen om bij den schilddans (mĕnari parisi) of bij den waaierdans (mĕnari kipas) door den voordanser te worden gebruikt. Zij komt, zoover mij bekend, alleen te Hatoé en te Loehoe voor en is waarschijnlijk uit Celebes afkomstig. (De Toradja’s hebben b.v. vrij wel dezelfde lans).

Het schild, de salawakoe, wordt alleen bij krijgsdansen gebezigd. Het bestaat uit een eenvoudig bewerkt langwerpig stuk hout, aan de binnenzijde van een handvat voorzien en doorgaans versierd met stukjes paarlmoer en porselein scherven. Hier en daar komen fraaier bewerkte, zeer kleine schilden voor, die echter uit Ternate afkomstig zijn.

De parang (kapmes) wordt meest uit Ternate ingevoerd. Die van West-Seran zijn veel grooter dan die van Midden- en Oost-Seran. Het gevest wordt uit hout gesneden, met rottan vlechtwerk om den angel bevestigd en met eene harssoort vastgezet; op West-Seran worden de gevesten met eenig kunsteloos snijwerk versierd of ook wel rood geschilderd. Met de parang zijn de Alfoeren zeer handig en doordat het zwaartepunt geheel in het uiteinde gelegen is, kunnen er geduchte houwen mede toegebracht worden. Op marsch draagt men het wapen op den schouder gesteund, doch moet de Alfoer zijne beide handen vrij hebben, dan klemt hij het gevest van de parang met zijne kin vast, terwijl het lemmet over den schouder ligt. Op deze wijze klimt hij b.v. met gemak in boomen.

Nog bezit men lila’s, kleine koperen kanonnetjes, dikwijls fraai bewerkt, die van elders afkomstig zijn. Deze worden nimmer in den krijg gebezigd, doch dienen om vreugdeschoten te lossen of om daarmede boeten en bruidschat te betalen. Affuiten ervoor zijn onbekend. Te Kambélo ligt in het bosch een oud kanon van ons vroeger fort aldaar afkomstig waaraan door de inwoners wel geofferd wordt.

Bijna alle Alfoeren van West-Seran zijn met een voorlaadgeweer bewapend. Hoe deze in hunne handen gekomen zijn, kon niet worden nagegaan, doch vele geweren dragen Engelsche merken. De West-Seranners onderhouden hunne geweren veel beter, dan de overige Seranners, ook bezitten de Berg-Alfoeren van Midden- en Oost-Seran veel minder vuurwapenen. Pijl en boog vormen daar nog altijd de hoofdbewapening. De behendigheid hiermede is niet altijd zoo groot als men zou verwachten en de werkzame afstand daarvan is ongeveer dertig passen. Trouwens de dichte begroeiing van Seran maakt het ook onmogelijk om verder te schieten.


Koppensnellen en oorlogvoeren. Evenals bij zoovele volken in den Indischen Archipel bestaat het koppensnellen reeds sedert onheuglijke tijden, al zijn de drijfveeren er toe verschillend. Zonder ons in philosophische bespiegelingen over het waarom te verdiepen, moeten wij toch erkennen, dat het ’t meest zekere bewijs is van overwinning, als men den kop van den tegenstander kan vertoonen en het dus natuurlijk lijkt, dat primitieve volken tot het koppensnellen kwamen.6

Het is beslist onjuist, te meenen, dat op Seran het noodzakelijk voor den man is om minstens een kop te hebben gesneld, alvorens hij zich eene vrouw kan verwerven, zooals men van andere volksstammen en ook van de Seran-Alifoeroe beweert. Natuurlijk staat hij, die eenige koppen geroofd heeft, in hooger aanzien dan degeen die het niet deed en daardoor zal hij het vrouwelijk hart eerder winnen, doch een vereischte is het niet. Ook zijn de gesnelde koppen niet het eigendom van dengene, die ze verwierf, doch van de negorij, terwijl voor het feit, de geheele negorij aansprakelijk is. Zelfs is het bij de kakihans streng verboden de vraag te doen: „wie snelde dien kop?”

De Alfoer, die er op uitgaat om een kop te rooven, doet dit doorgaans door zich in hinderlaag te leggen en van daar uit zijn prooi neer te schieten, liefst met pijl en boog, ten einde zoo min mogelijk gerucht te maken. Daarna houwt hij den gewonde of doode het hoofd af. Dit wordt in eene tasch geborgen om te voorkomen, dat bloedsporen de richting zullen aanwijzen, in welke hij vlood. Na het afhouwen van het hoofd stoot hij den hoogen, gillenden toon uit, die bij alle bergvolken, zoowel in Europa als in Azië, bekend schijnt te zijn. Zijn meerdere koppenjagers vereenigd, dan schijnt het gezicht van het hoofdelooze lijk zoozeer hun hartstocht te prikkelen, dat allen in blinde woede daarop inhouwen, zoodat het lijk eene afgrijselijk verminkte massa wordt. De behaalde kop wordt zoo spoedig mogelijk en in het geheim bij den maoewin gebracht. Deze geeft aan de negorij kennis van de heldendaad, waarop eenige dagen feest wordt gevierd en iederen avond de kahoewa of kairori (zie later) om het zegeteeken gedanst wordt.

1 Sirihdoos (Boano). 2 Schild van Oost Seran. 3 id: van Opin. 4 id: van Maneoe. 5 Maskéke voor mannen. 6 Tjidako voor mannen. 7 Kalkkokertje voor mannen. 8 idem voor vrouwen. 9 Zilveren tabaksdoos. 10 Parang van midden Seran. 11 Schaamgordel voor vrouwen. 12 Sieraadspijl. 13 Hoofddeksel v. Oost Seran. 14 Teeken van oorlogsverklaring. 15 Pijl met beenen spits. 16 Jacht- tevens oorlogspijl. 17 Parang van West Seran. 18 Mandje voor vrouwen. 19 Pijl om visschen te schieten. 20 idem voor koesoe2. 21 Boog.

Nadat de kop geheel van het vleesch is ontdaan, wordt hij, zonder den onderkaak, aan den middenbalk van de baileo gehangen. Bij de Patalima wordt het hoofd ergens in het bosch of in rotsholten bewaard, terwijl bij de Malowanstammen bemerkt werd, dat men vele menschenschedels in boomen had gehangen. Het gebeurt zeer zelden, dat de Alfoeren elkaar in groot aantal beoorlogen; doet men dit, dan noemt men dat de „hongi” in navolging van onze vroegere strooptochten. De „hongi” neemt haren weg over de moeilijkste en minst bevolkte streken, om zoo ongemerkt mogelijk in de nabijheid der vijandelijke negorij te komen. Zij wordt steeds voorafgegaan door een kapitan met 6 of 8 man. Deze sluipen zeer behoedzaam over een korten afstand voorwaarts, waarop een man teruggaat om de rest der hongi den weg te wijzen enz. Worden dan slechts een of weinige koppen verkregen, dan krijgt iedere stam, die aan den tocht deelnam, een stuk van den schedel.

Zooals gezegd is, worden op een sneltocht vrouwen noch kinderen gespaard. In onderscheidene baileo ziet men menigen kinderschedel onder het aantal doodshoofden hangen.

Het nachtverblijf in een baileo, waar als versiering boven uwe slaapplaats honderden menschenschedels hangen, is natuurlijk niet vroolijk en het gebeurde wel, als de wind zachtjes door de oogholten floot, dat de Javaansche soldaten dit zoo „unheimlich” vonden, dat zij maar liever in den guren wind buiten overnachtten of onder de baileo kropen.

Soms gebeurt het, dat de koppensnellers eenige dagen om de negorij in hinderlaag liggen, zoo noodig zelfs zonder voedsel om maar een gunstig oogenblik voor hun aanslag te kunnen afwachten. Men vertelde mij, dat eens een gezelschap koppenjagers uit Roemah Sokat, dat om niet ontdekt te worden, zijn pad koos over het woeste rotsgebergte achter Sawaï, daarin blijkbaar verdwaalde en van gebrek omkwam. Dat zij niet eerder terugkwamen, komt daar vandaan, dat een Alfoer, die eenmaal op de menschenjacht is uitgegaan, er zich voor schaamt om platzak terug te keeren en zich de uiterste inspanning getroost, om zijn doel te bereiken.

Zijn vijand in front aanvallen doet een Alfoer nooit; dit gaat zelfs zoover, dat herhaaldelijk gebeurt, dat hij het slachtoffer, waarmede hij b.v. staat te praten, door kleine listen er toe brengt zich om te keeren of zich te bukken, door hem iets te laten oprapen, waarna verraderlijk de houw wordt toegebracht. Onder de strandbewoners geldt dan ook de regel, nooit een Alfoer achter zich te laten loopen in het bosch. Bij velen bestaat een bepaald ingeschapen moordzucht. Zoo kwam te Wahaï een geval te berechten van een Alfoer, die zijn kameraad met wien hij geenerlei twist had, den kop had afgeslagen, omdat de toevallige, verleidelijke houding, waarin deze stond, hem blijkbaar te machtig was geworden. Een gevreesd alamanan, hoofd van Riring (West-Seran) sneed eens een naast hem slapenden jongen heimelijk den hals af; eerst toen het bloed door de reten van den vloer op degenen, die onder het huis sliepen, druppelde, merkte men de misdaad. Te Wahaï kwam het voor, dat een Alfoersch hoofd om onbekende redenen plotseling zijne gastvrouw, die bezig was de lamp op te steken, met één houw het geheele hoofd afhieuw; daarna trad hij naar buiten en vermoordde zijn dochtertje, waarop hij door de bevolking werd neergeschoten. Het is zeer waarschijnlijk, dat drankmisbruik een hoofdoorzaak is van dergelijke gruweldaden.

Vooral de Honitétoe-Alfoeren kenmerken zich door hunne ruwheid en bandeloosheid. Toen zij eens werden aangemaand, om het moorden te laten, antwoordden zij: „Indien God niet zoo hoog zat, zouden wij ook op God schieten.” Men voelt, dat tegen een dergelijk volk, dat zelfs met gespannen haan ter vergadering met het bestuur kwam, niet te redeneeren valt en alleen door geweld tot rede is te brengen, zooals thans gelukkig geschied is.

De Oost-Seranners snellen sinds menschenheugenis niet meer. Wel beschuldigt men hen van met vergif hun tegenstanders om het leven te brengen. Ook komt het bij hen wel voor, dat men op zijn tegenstander „in effigie” schiet, in de overtuiging dat hij dan gedood zal worden of minstens een ongeluk zal krijgen. Een hoofd van daar zeide, terwijl hij de zachtere zeden van zijn volk roemde, met een eigenaardigen term: „wij zijn de „bĕhagian pĕrampoean” (vrouwenafdeeling).

Nog eene eigenaardigheid is, dat men te Maréhoenoe, wellicht daartoe genoodzaakt door ons streng verbod om koppen te snellen, zich vergenoegde om in plaats daarvan iemand in den slaap een vlok haar af te snijden7, terwijl hier en daar in de negorijen aan de kust om dezelfde reden een nieuwgebouwde baileo niet geheel wordt ingedekt, omdat anders een kop zou moeten worden gesneld en men thans een paar atappen aan de nok weglaat, om aldus den adat te kunnen ontduiken.

Een kwaad, dat in den loop der tijden is ingeslopen, is het „zenden van den parang” d.w.z. men belast een Alfoer, een vijand uit den weg te ruimen, door hem een of ander voorwerp in pand te geven. Bijna uitsluitend maken de strandbewoners hiervan gebruik om hunne veeten te beslechten, terwijl de schuld van den moord op de Alfoeren valt. Het is nog niet zoo lang geleden, dat het Bestuur de ware toedracht van zaken in dergelijke gevallen ontdekte en den zedelijken dader als hoofdschuldige aan de kust zocht. De expeditie van 1875 was het gevolg van een dergelijk misdrijf (zie Hoofdstuk I). De Alfoer, die de opdracht tot snellen ontvangt, kan zich daaraan niet onttrekken, daar dit zijne eer te na zou komen. Mocht al vroeger in werkelijkheid hem daartoe een parang gezonden worden, tegenwoordig geschiedt het symbolisch.

Het snelpand bestaat uit een kogel, een steentje e.d.; als men den Alfoer wil beletten om lang te dralen met het uitvoeren van die opdracht, geeft men als snelpand eenige schaamharen in een lapje gewikkeld. Toen wij krachtiger met den troep begonnen op te treden, begrepen de Alfoeren, dat op die wijze zij altijd het kind van de rekening zouden zijn, waarom verscheidene snelpanden ingeleverd werden te Wahaï, zij het dan ook na vele beraadslagingen en overreding van de zijde van het bestuur. De aanstokers tot dergelijke euveldaden, onder wie Mohammedanen en zelfs Christenen zijn, behooren immer ten strengste te worden gestraft, wil men een einde aan deze praktijken maken.

Het feit echter, dat de ambtenaar moet rechtspreken volgens het wetboek van strafrecht voor Inlanders en het politiestrafreglement, evenals in eene beschaafde maatschappij, maakt het bestraffen der zedelijke hoofdschuldigen moeilijk, dikwijls onmogelijk. Ook met het berechten van vele andere zaken is dit het geval, daar het vanzelf spreekt, dat bij allerlei geschillen, waarin de adat een hoofdrol speelt, niet alle formaliteiten van het gewone recht kunnen worden vervuld. Het instellen van eene landsrechtbank voor Seran is mijns inziens voorloopig zeker een vereischte ter behandeling van dergelijke zaken.

Uit de beschrijving van het koppensnellen blijkt, dat de Alfoer, wil hij zijns gelijken besluipen, bijzonder geschikt moet zijn om zich behoedzaam door de wouden te bewegen en snel daarin te verdwijnen. Den reiziger verrassen dan ook de lichamelijke eigenschappen van dezen echten zoon des wouds. Hij heeft een scherpen speurzin, weet aan allerlei teekenen zijn weg te vinden of een spoor te volgen en kan ongeloofelijk hard loopen. Een marsch, door een goed geoefende troep in twee en een halven dag afgelegd, volbracht een Alfoer, die met een bericht belast was, in één dag en in de gevechten op den tocht naar Roemah Soal (1904) werd geen enkele Alfoer gezien, ofschoon zij altijd onzen troep op zeer korten afstand (van 10–20 passen) bevuurden en gewonden toebrachten, terwijl zij zich steeds aan vervolging wisten te onttrekken.

Zij kozen daartoe hunne opstelling meest op hellingen van ravijnen, waarin zij zich na het afgeven van hun schot, maar een eind lieten afglijden of vallen, hetgeen dien boschmenschen mogelijk is. Ten einde zich minder zichtbaar te maken, steken zij bladeren en takken tusschen de banden van den hoofddoek, in den gordel en tusschen de armringen.

De taaiheid van den Alfoer is groot. Een Alfoersche gids kreeg een doorgaand schot door de borst, even boven den rechter longtop. Tot onze verbazing zagen wij, dat de man, die niet eens viel, bedaard ging zitten en een stukje suikerriet begon te kauwen, terwijl hij op het aanleggen van een verband wachtte. Nadat dit geschied was, marcheerde hij weer mede gedurende twee dagmarschen, waarbij de tocht door moeilijk hooggebergte ging en toen hij later in het hospitaal werd opgenomen, genas hij binnen twee weken volkomen.

Een andere Alfoer had een buikschot gekregen, waardoor een gedeelte darm naar buiten was getreden. Toen na eenigen tijd de dokter toevallig ter plaatse kwam, bevond deze, dat de wond genezen was en de darm, dien men daarbuiten had gelaten, was afgestorven en vanzelf wel zou afvallen of vergroeien, zoodat de operatie (daar ter plaatse trouwens bijna ondoenlijk) kon achterwege blijven.

Wij halen nog eenige zinsneden uit Prof. Martin’s werk aan, om te doen zien, dat ook op hem de natuurlijke behendigheid van den Alfoer grooten indruk maakte. (blz. 129)

„Bald war ich in der Lage, die Geschicklichkeit und Kraft der Alfuren auf dem Waldpfade bewundern zu lernen; denn obwohl ich schon unter gleichen Verhältnissen mit Negern und Indianern gegangen war, so hatte ich doch bis dahin Ähnliches noch nicht gesehen. Dasz die Eingeborenen umgefallene Bäume nicht als ein Hindernis im Wege betrachten, ist ja selbstredend; aber erstaunt war ich doch zu bemerken, wie sie ohne Weiteres in deren Äste hineinkletterten, wenn sie zu mehreren ein Gespräch führen wollten und ihnen der enge Pfad keinen genügenden Raum zum Beieinanderstehen bot. Das ging so bequem von statten, als stiegen sie eine Treppe hinan und da saszen denn die Leute gleich Affen in den Zweigen um sich mit den am Boden stehenden zu unterhalten. Ansehnliche Äste, welche ihnen im Wege waren, schlugen sie so mühelos mit einem Schlage ihres Parangs herunter, dasz ich seither an die Behauptung glaube, es vermöge der Alfure einen Menschen ohne Umstände durch einen einzigen Hieb zu köpfen.


Medicijnen en Ziekten. Medicijnen zijn zoo goed als onbekend. Bij verwondingen gebruikt men wat klei of eene pap van gekauwde bladeren, die men daarop legt, aldus dikwijls ernstige verzweringen veroorzakende. Het geneesmiddel voor alle kwalen der Alifoeroe is eene soort netel „daon gatal”, waarmede bij hoofd-, oor-, buikpijn enz. de zieke deelen worden ingewreven. Ook de Alfoer op marsch is er doorgaans van voorzien. Bij eene rust wrijft hij er zijne magere kuiten mede in en beweert, dat zoodoende de vermoeidheid dadelijk verdwijnt. Eene proefneming deed mij daarvan niets bemerken, wel dat het blad een scherpen jeuk veroorzaakte, die gelukkig spoedig verdween.

Iets waaraan zeer vele Alfoeren, tengevolge van de onreinheid op hun lichaam lijden, zijn huidziekten, bekend onder den algemeenen naam van „kaskado”. Sommige lieden zien er geheel grauw uit door deze schurftsoort, die eene schubvorming van de huid veroorzaakt en waardoor soms geheele ringvormige figuren op borst of rug worden geteekend. Zelden doet men hier wat tegen; de geneeswijze is het afschuren met zand en zeewater en daarna berooken.

Velen stellen zich gaarne onder behandeling van den Nederlandschen geneesheer en het besmeren met salicyl of jodium doet den Alfoer om de bijtende werking, vergenoegde grimassen trekken. Ook elephantiasis komt vrij veel voor. De lijders beweren, dat zij door het loopen in de modderige strandlagunen b.v. het opgezette been gekregen hebben. Berooking is ook het eenige middel, dat zij daartegen aanwenden. Verder lijden vooral kinderen aan frambosiae, „boba” geheeten, die een afzichtelijken uitslag, vooral om den mond vormt. Bij verscheidene kinderen komt het voor, dat de mond daardoor tot op eene zeer kleine opening na, geheel dichtgroeit, zoodat de lijder niet kan spreken en met moeite zijne sagopap kan opslurpen. Te Wahaï werden een paar van dergelijke vergroeingen door den officier van gezondheid geopereerd, tot groote verbazing der Alfoeren. Eigenaardig was, dat de patiënten toen opnieuw moesten leeren spreken en zij (een man en een opgeschoten jongen) in den aanvang onverstaanbaar waren.

Lepra komt zeer weinig voor; in de afdeeling Wahaï b.v. konden wij (als leek) slechts 7 lijders op de ± 11000 inwoners erkennen. De Alfoeren zonderen een lepralijder vrij streng af en hebben dus de besmettelijkheid van die vreeselijke ziekte wel ingezien. Te Kalowa, aan den bovenloop van de Isal, toonde men mij zulk een ongelukkige, die naar men zeide, de laatste was van een kleinen stam, waarvan de leden allen aan lepra waren overleden. De afzondering was hier gedeeltelijk; de man moest wel alleen wonen en eten, doch men stond hem toe ook in andere huizen te verwijlen.

Tegen de kinderpokken, die op Seran epidemisch zijn, hebben de Bergalfoeren geen geneesmiddel. Komt een geval in de negorij voor, dan vlucht men het bosch in. De strandnegorijen, waar de bewoners zich niet willen laten inenten, sluiten dikwijls door middel van péléteekens zich van alle verkeer af, indien de pokken zich in de nabijheid vertoonen. Zeer velen laten zich echter door den vaccinateur, die gedurig de kustnegorijen langs reist, inenten. Hun aantal wordt steeds grooter, daar zij het vaccineeren als een deugdelijk voorbehoedmiddel hebben leeren kennen.

Opmerkelijk is, dat vele Alfoeren, die zich volstrekt niet willen laten inenten, meenende dat het geheim van het middel alleen in de overblijvende litteekens zit, zichzelf door middel van brandend zwam van litteekens op den bovenarm voorzien.


Begrafenis. De Alfoeren aan de Noordkust begraven bijna allen hunne dooden, door ze in eene zittende houding samen te binden met gĕmoetoetouw en ze in die houding in een kuil leggen. In het Westen worden de lijken naakt ter aarde besteld, terwijl in de omstreken van Noniali dikwijls sieraden of borden mede in het graf worden gelegd.

Over geheel Seran wordt het graf niet door eenig teeken kenbaar gemaakt, wel worden ten bewijze van rouw borden, gongen en andere artikelen daarop gebroken en neergeworpen. Verder kijkt men niet naar de graven om, doch zooals gezegd is, moet de negorij eenigen tijd rouw dragen door niet te spelen of te zingen, ja zelfs komt het op West-Seran voor, dat men in het dorp niet eens luide mag spreken.

De Patalima leggen hunne dooden op parra2 in het bosch; dat zijn manshooge staketsels van stokken en takken vervaardigd. Een honderdtal passen daar omheen is dan de grond pamali verklaard. Ook de Nisawélé behandelen het lijk op die wijze, als de overledene door moord is gevallen, terwijl zij ook nog het gebruik kennen, volgens hetwelk men het lijk van iemand, die b.v. uit een boom dood is gevallen, op dezelfde plaats laat liggen, omgeven door een hekwerk van takken. Bij alle stammen wordt zoolang het lijk nog in huis is, geweeklaagd en gehuild door verwanten en vrienden.

Men zou in de gelegenheid moeten zijn eene begrafenis geheel bij te wonen, om van de verschillende gebruiken daarbij op de hoogte te komen, want de Alfoeren zijn op dit punt nogal geheimzinnig.


Muziekinstrumenten. Van de muziekinstrumenten noemen wij: de tifa, eene uit een uitgeholden arènstam vervaardigde kegelvormige trom, waarvan de grootste opening bespannen is met een hertenvel. Zij wordt met een stok geslagen.

Enkele Alifoeroe bespelen de rĕbab. Eene lichte bamboe wordt aan het eene einde voorzien van een halven klapperdop met een hertenblaas overtrokken en hier over een garen gespannen.

Deze soort viool wordt met een bamboeboogje, waarvan de snaar uit garen bestaat, bespeeld. Het voortgebracht geluid is echter bijna onhoorbaar en van melodie is ook niet veel te bespeuren. De gong heeft den gewonen vorm, de waarde wordt berekend naar het aantal vingerspannen, dat zij groot is. Behalve als muziekinstrument dient zij ook als betaalmiddel. Verder gebruiken de Mohammedaansche strandbewoners nog de gewone rĕbana en een fluitje, waarop zij echter maar enkele zonderlinge melodieën, eigenlijk alleen bestaande uit eene aaneenschakeling van trillers en triolen, kunnen ten gehoore brengen.

Tot het begeleiden van plechtige gezangen bezigen de Alifoeroe nog stukken bamboe en groote kinkhoorns, tahoeri, waarin gaten zijn gemaakt en waarop zij blazen. De enkele toon, die voortgebracht wordt, is gelijk aan dien van een misthoorn.

In de bergen dient die kinkhoorn tot het geven van signalen en men krijgt door den adem in te halen en uit te stooten een dubbelen toon. Het blazen op dit instrument vereischt eenige oefening.


Liederen. Evenals vele volken van den Indischen Archipel bezit ook de Seranner een zeer groot aantal pantoens, vierregelige versjes, die meestal verliefde ontboezemingen bevatten en wier aantal gedurig vermeerdert door improvisaties, die dichterlijk aangelegde jongelieden gedurende het zingen ten beste geven.