Berg-alfoeren van Boeria in krijgstooi.

Berg-alfoeren van Boeria in krijgstooi.

De eigenlijke pantoens zijn in het maleisch opgesteld en worden bijna uitsluitend door de Christen-Alfoeren gezongen bij hunne dansen en feestelijkheden.

De meeste van deze liedjes en de melodieën daarvan zijn ook op de Oeliassers bekend en naar alle waarschijnlijkheid van daar ingevoerd. De zangwijzen zijn doorgaans zeer melodieus, doch tevens zeer kort, zoodat het tot in het oneindige herhalen daarvan ten slotte vervelend wordt, indien niet improvisaties en ondeugende toespelingen de aandacht blijven gaande houden.

Wellicht leerden de Amboneezen deze melodieën van de Portugeezen, doch de mogelijkheid bestaat ook, dat dit muzikale volk verscheiden er van zelf componeerde. Als voorbeeld van eene zangwijze die algemeen op Zuid- en West-Seran, doch weinig of niet op Ambon gezongen wordt, diene de volgende:

[MIDI | [MP3] | MusicXML]

Dit is het aanhefcouplet van eene reeks pantoens, waarin de woorden rasa sajang badané en baik-baik ada manisé telkens worden ingevoegd, welke moeilijk vertaalbare uitdrukkingen zijn, die letterlijk beteekenen „medelijden met zijn lichaam (hebben)” en „goed (gedaan) is het lief”. De strophe zal ongeveer beduiden „laat ons lustig zingen en beweeg het lichaam sierlijk” (n.l. bij het dansen). Zoo krijgt men o.a.

soengoeh bagoes sĕnapan ini, ini rasa sajang enz.

soedah mĕmboenoeh saèkor roesah, baik, baik enz.

soengoeh bagoes toean ini enz.

soedah mĕmboenoeh hati njang soesah enz.

(voorwaar dit is een fraai geweer

het heeft reeds een hert gedood,

voorwaar dit is een schoone heer

hij heeft reeds harten gebroken.)

of:

Orang mengaïl di bawah boelan

Rasa aroes toma sadikit

Soedah patai la maoe poelang

Rasa rameh tinggal sadikit.

((Indien) men in den maneschijn vischt

(en) de stroom voert u weg, roei een beetje daartegen in

gij wilt afscheid nemen om naar huis te gaan

(doch indien) gij het vroolijk vindt, blijf dan nog een beetje).

Innige gevoelens spreken uit de beide volgende liedjes:

Tanam mĕlati di roemah roemah

Oeboer oeboer sapingang doea

Kaloe mati kita bersama

Satoe koeboer kita berdoea.

(Plant mĕlati’s voor de huizen

Twee oeboer2 (zeedieren) op één schotel(?)

Indien wij sterven, dan te zamen

In een graf (zullen) wij beiden (liggen)).

Tanam padi di tanah ombong

Saèkor linta di dalam pĕdati

Poetoes tali boleh di sambong

Poetoes tjinta di minta mati.

(Plant padi op de landengte

In de kar bevindt zich een bloedzuiger

(Indien) een touw breekt, kan men het aan elkaar knoopen

(Indien) de liefdeband breekt, is het beter te sterven.)

en zoo zouden wij nog ettelijke bladzijden kunnen vullen met deze liedjes, die niet alleen bij het mĕnari (dansen) gezongen worden, doch ook in de „billets doux”, die de jongelingen en meisjes elkander druk toesturen, hunne rol spelen, ten einde den brief te versieren en teerdere gevoelens uit te drukken.

De pantoens, die in bĕhasa of dialect gezongen worden, zijn niet talrijk. Meestal zijn het de Mohammedanen, die ze bij hun mĕnari zingen, terwijl de zangwijzen veel eentoniger zijn dan die der maleische pantoens. Onder de verzamelnamen Makonaga, Magogoro en Tawal worden reeksen van deze gedichten in de volkstaal begrepen. Daar de gebezigde taal meestal niet meer gesproken wordt, (bĕhasa doloe) weet men niet immer de juiste beteekenis van vele woorden en is de zin dikwijls duister. Als proeve moge hieronder de melodie en een paar coupletten van den Tawal volgen, zooals die te Piroe gezongen wordt, welke liederenreeks, zij het dan ook hier en daar gewijzigd in taal en zangwijze, vrij algemeen bekend is.

[MIDI | [MP3] | MusicXML]

waarvan de beteekenis is: „vervloekt zij het hoofdkussen en de mat, die mij verlokten tot zonsopgang te blijven rusten!”

Niniajé loeaé simaloeti loemah hatoe

Nahoemata kédjanèla

(Twee vrouwen opgesloten in een steenen huis loerden door de vensters (jaloezieën).)

Raä soësirié imanahoea rosabankoe

Rota loea ratjilaka.

(Van buiten klimt (iemand) binnen, valt op de rustbank Twee menschen werden daardoor ongelukkig.)

Of dit een aaneengeschakeld verhaal is van een eertijds gebeurd voorval, dan wel op zich zelf staande pantoens zijn, is niet goed te begrijpen. Dikwijls ziet men bij het laatste couplet de meisjes schalksch lachen, zoodat men aan dat vallen op die rosabankoe (eene verbastering van rustbank) eene erotische beteekenis mag hechten.

Ook brokstukken van het aloude Séri Kambélolied (zie later) worden op deze wijze gezongen; op West-Seran schijnt men het niet meer in zijn geheel te kennen, te Wahaï daarentegen wel.

De liederen der Berg-Alfoeren zijn meer krijgszangen of legenden en hoewel de melodie doorgaans uit slechts weinige noten bestaat, is het door het gedurig door de woorden heengeweven hiaho!, alsmede door de toevoegsels é en o, zeer moeilijk, om de melodie te onthouden en op te teekenen; een phonograaf zou hierbij goede diensten kunnen verleenen. Het aantal roeiliedjes is vrij groot en iedere Afdeeling heeft daarvan hare eigen woorden en wijzen. Echter is één roeilied over geheel Seran, Boeroe en de Oeliassers bekend n.l. dat, waarvan het refrein luidt:

[MIDI | [MP3] | MusicXML]

„roei voort, orembaai, roei voort, hoofden van het westen, orembaai, roei voort.”

Een zeer oud roeiliedje, dat waarschijnlijk uit den tijd der hongitochten dagteekent en ook op Ternate en Djailolo bekend is, luidt als volgt:

[MIDI | [MP3] | MusicXML]

hetgeen beduidt: „Het werk voor de Kompania is zwaar, ja zeer zwaar!” waaruit dus nog immer een verwijt spreekt, dat uit de tijden van de Vlaming tot ons is overgekomen.

Vroolijker is echter het onderstaande liedje, dat algemeen gezongen wordt bij het hela rotan (touw trekken), wanneer bij helderen maneschijn en onder prikkelenden tifaslag jong en oud op de been komt om aan het geliefde spel deel te nemen

[MIDI | [MP3] | MusicXML]

d.w.z.

„Touw trekken, touw trekken

De Javaansche trom luidt reeds.

Trek er aan, mocht het breken,

Dan komen de einden weer bij elkaar!”

(worden weder vastgeknoopt).

Maar merkwaardig is het, dat dit primitieve volk zonder litteratuur of schriftgeleerden en letterteekens, toch ook zijne klassieke liederen heeft, bewaard in twee zangen, die van ouder op ouder over zijn gegaan en die waarschijnlijk reeds in het jaar 1652 zijn ontstaan. In de twee liederen „Séri Kambélo” en Patinama, wordt namelijk bezongen de strijd, dien de bewoners van het schiereiland Sial streden tegen de O.I. Compagnie, die aldaar onder Vlaming de kruidnagel en notemuskaatboomen kwam verwoesten. In het eerstgenoemde lied wordt verhaald van het bouwen van verschansingen en het veroveren daarvan door onze troepen, die de vrouwen molesteerden, zoodat iedereen vluchtte.

Het tweede, de lijkzang op den Seranschen held Patinama laten wij, zooals deze te Wahaï gezongen wordt, voor de eigenaardigheid en om een denkbeeld van de taal te geven, hieronder volgen, naast eene zoo letterlijk mogelijke vertaling. De melodie, waarop deze liederen door de ouderen van dagen gezongen worden, is zeer eentonig, toch is er iets plechtigs in de wijze van voordragen, met begeleiding van doffe rĕbanaslagen.

Patinama.

Sial soeli panoeja lani lété létéroewa rimbaloeli

Hoesa posi nahoewaroe, Hoetoe rimba loa.

Nalahamba élarita, awé moea hinia hitoe

Wawé moegagoeroe loea Hité kaoelé manélatoe

Hita kaoelé koro bangoe, laoe noesa jéla

Nalahamba élarita

Sio, Sio Patinama

Patinama toö jea.

Laoenala roembajéa nasilélé kadir

Nalahoeta rimba loa posihala

Nasisoelé koeboer, laoenala moeloe jea

Solotania rési rési, solotania ké Batjan

Solotania ké Tadoré, solotania ké Djailolo

Solotania Térinaté, solotania Paimoeli

Sio, Sio Patinama,

Patinama toö jea.

Nalahamba élarita wawé moeroe néna hitoe

Pasé toeoe manésia, wawé soenggi tésaloso

Nalahoeta rimba mai, tjoetji koeboerésia

Nasi batja talakine, nasi hala janesio

Nalaléa mataoe soö, nalaléa mataoe wéli

Nalaléa mataoe koko, nalahamba élarita

Sio, Sio Patinama

Patinama toö jea.

Patinama’s lijkzang.

Verlaten lag toen Sial en het sprak: maak U op (ter lijkvaart)

En de prauwen werden in zee geduwd door 50 mannen

Aldus luidt het verhaal. Zijn zeven geliefden volgden.

Ook zijn vader en moeder. En men offerde eene witte kip

En offerde eene geit op het groote eiland (Kelang)

Zoo luidt het verhaal.

Helaas, helaas, Patinama

Patinama de doode!

Zijn naam is verdwenen. Zijne baar wordt van klamboes voorzien

Vijftig mannen waren er om hem te dragen

En groeven het graf. Verdwenen is zijn naam,

Hij, de glansrijke Sulthan, zooals die van Batjan.

Even hoog als de Sulthan van Tidore en van Djailolo

Zoo hoog als de Sulthan van Ternate, was hij, Sulthan Paimoeli

Helaas, helaas Patinama

Patinama de doode!

(En) zoo luidt het verhaal: De zeven soa (stammen) waren dáár

Die wikkelden het lijk in rijke stoffen.

Vijftig mannen groeven het graf.

Toen las men den lijkzang, en daarop nam men hem op

(Dit duurde) van dat de zon opging, totdat de zon in het midden stond,

Totdat de zon onderging. Aldus luidt het verhaal.

Helaas, helaas Patinama

Patinama de doode!

De beschrijving van alle liederen en melodieën zou echter weder eene studie op zichzelf kunnen worden en wij willen met de bovenvermelde hier volstaan, alleen is wellicht nog meldenswaard, dat evenals bij ons, ook de jeugd hier hare onwijze rijmpjes bij het spelen bezit, waarover men zich verwondert, hoe of die toch ontstaan zijn. Als een tegenhanger van het „klassieke” „onder de groene boomen, daar ligt een Engelsch schip” onzer jeugd, kan b.v. dienen:

Boelan di dalam pajong

Tataroega bĕtĕlor

Nonna datang dari ambon

Minta kawin di kantor.

Kawin baik baik

Laki-laki bĕrĕdom

Kembang apa

Kembang pérak

Anak laki-laki

Djangan takoet mati

Anak pĕrampoean

Mati di haloewan.

De maan is in een ring (letterlijk paraplu)

De schildpad is aan ’t eieren leggen.

De juffrouw, die uit Ambon komt

Wil trouwen op ’t kantoor.

Trouwen in den vorm.

De mannen slaan op de tifa.

Wat voor bloemen?

Zilveren bloemen.

Jongens,

Weest niet bevreesd te sterven,

Meisjes

Sterven op den voorsteven.

Doch hoe zinledig het versje ook moge zijn, de kleinen hebben er niet minder pleizier in om het gezamenlijk op te dreunen en het is een aardig gezicht, die halfnaakte, tengere figuurtjes daarbij in den maneschijn in een kringetje gehurkt te zien zitten.


Dansen en spelen. De Alifoeroe zijn hartstochtelijke liefhebbers van feesten en zij grijpen iedere gelegenheid tot feestvieren met graagte aan. Wordt b.v. een hoofd bevorderd, dan duren de feestelijkheden minstens eene volle week en de Christen-Alfoeren vieren het Nieuwjaarsfeest soms wel veertien dagen lang! De dansen vangen ongeveer te 8 uren des avonds aan of ook wel eerder en moeten duren tot den volgenden zonsopgang, waarna men op West-Seran een rondgang maakt door het dorp, om de jongelieden, die weg zijn gebleven of weg zijn gegaan, eene boete op te leggen. Voor de ambtenaren of reizigers, die men aldus eene beleefdheid meent te bewijzen zijn die dansen eene wanhoop, daar men zich, wil men de menschen niet grieven, niet te spoedig kan verwijderen en dan toch het luide gezang en het gedreun der tifa, den geheelen nacht den slaap uit de oogen verdrijft.

Om de dansenden heen groepeeren zich de negorijbewoners en blijven, in hunne sarongs gewikkeld, tevreden toeschouwers gedurende den geheelen nacht. De kinderen leggen zich van tijd tot tijd te slapen en liggen dan tusschen het publiek verspreid, terwijl zorgzame moeders en verwanten als het noodig is, oprijzen om wat aan de kleeding hunner dansende dochters te verschikken of te verbeteren.

Tjakalélé.

Tjakalélé.

Kahoewa te Sawaï.

Kahoewa te Sawaï.

Voor ons Europeanen is echter het uit den treure herhalen van dezelfde eentonige zangwijzen en eenvoudige dansbewegingen machtig vervelend, al vindt men het in den aanvang belangwekkend. Het leek mij toe, dat bij de kahoewa de deelnemers door hun voortdurend langzaam schuiven om een middelpunt, eigenlijk zich zelf biologeeren en daardoor in staat zijn om die beweging uren lang achter elkaar vol te houden.

De algemeene dans der Alifoeroe is de „Kahoewa”; ofschoon bij de verschillende stammen eenigszins van elkander afwijkend, is de wijze van dansen en ook de begeleidende tifaslag bij allen dezelfde.

De kahoewa bestaat uit het vormen van een grooten kring om de in het midden gezeten tifaslagers. Bij de strandbewoners komen in de rij afwisselend een jongeling en een meisje; deze dans wordt n.l. alleen door jongelingen (ngoengaré) en maagden (djodjaro) gedanst. De jongelingen reiken elkaar de hand. Het meisje steunt met den rug tegen hunne saamgevoegde handen en vat hare buurlieden bij den gordel. Nu wordt op de maat van den tifaslag met eenvoudige pasjes om de tifaslagers heen bewogen; de meisjes begeleiden het koor, dat na elk couplet van den voorzanger invalt, met het geklink van de koperen ringen om hare enkels. Daar deze dans, zooals gezegd is, van zonsondergang tot zonsopgang duurt, bijna zonder verpoozing, zoo zijn de enkels der meisjes altijd opgezwollen en bij velen zelfs bloedig ontveld en kunnen de ringen in de eerste dagen niet verwijderd worden. Toch nemen de meisjes met hartstocht aan de kahoewa deel.

De dansers zijn bij de Alifoeroe uitgedost met fantastische hoofdtooisels van vederen en geheel behangen met kralensnoeren, de meisjes schikken zich kabelbont op met drie rokjes over elkander, terwijl zij over haar baadje een tweede los omgeslagen dragen; hiervan hangen de mouwen, waarin een knoop gelegd is, over de armen der mannen, dit met het doel, om als het meisje zich bukken moet om haar enkelringen te verschikken, de mannen haar aan de losse mouwen kunnen vast blijven houden, waardoor de dans niet onderbroken wordt. Het is een grappig gezicht, die meisjes als aan leidsels vastgebonden, bukkende, te zien voortschuiven. Wordt de kring der dansers zeer groot, dan vormt men een spiraal.

Bij vele Alifoeroestammen staan de meisjes niet tusschen de mannen, doch vormen een kring, binnen den kring der mannen. Zij leggen dan de samengevouwen handen op den linkerschouder van hare rechterbuurvrouw en neigen het hoofd ter aarde, zoodat die langzaam zijdelings voortschuivende kring meisjes een bedeesden, zedigen indruk maakt. De kahoewa is eigenlijk een krijgsdans, die gehouden werd na een gelukten sneltocht. De verkregen koppen werden dan in het midden van den kring gelegd.

Als wij aan de Berg-Alifoeroe verzochten om de kahoewa te zien, werden altijd eerst verontschuldigingen gemaakt over den aard der dans. De Alifoeroe zijn er zeer op gesteld dat wij officieren deel nemen aan de kahoewa. Zoodra men in den kring plaats neemt, barsten allen in een luid gegil (menjélé) los en doen eenige fanatieke sprongen voorwaarts, daarbij met den rechterhiel met nadruk op den grond stampende. Deze sprong komt echter ook telkens in de kahoewa voor, de meisjes nemen daaraan geen deel. De coupletten van den zang behelzen verhalen van vroegere tochten en zijn zooals gezegd werd gesteld in de bĕhasa doloe (oude taal). Bij de Alifoeroe is de zang dikwijls zeer welluidend, bij het refrein „hia ho” klinken hunne stemmen zeer helder en metaalachtig.

De stam Pasinalo zingt zelfs driestemmig en op eenigen afstand gehoord, maakt het gezang wel eens den indruk van een harmoniumgeluid.

Bij de West-Alifoeroe zijn het meestal oude vrouwen die als tifaslagers en voorzangsters optreden.

De Alifoeroe van Lisabata Wahaï stellen zich ook wel stervormig op. Elke straal van de ster wordt door vier mannen gevormd, die arm in arm voor- en achteruit springen. Deze dans wordt „loemaulai” genoemd. Na elk couplet slaat de tifa snelle slagen achter elkaar, waarop allen onder een lang gerekt Oh! onordelijk rondloopen om dadelijk den danspas te hervatten, als de tifa het sein daartoe geeft.

De Oostelijke Alifoeroe kennen den „séwa”. Deze dans bestaat in het uitvoeren van een beurtzang, waartoe de deelnemers in twee groepen gaan zitten en het er voor de eene groep op aankomt, op de improvisatie door de andere groep gemaakt, dadelijk te antwoorden. De begeleiding geschiedt op een tifa van meer dan een vadem lengte. De Alifoeroe van Oehé Kachlakin verstaan ook onder den Séwa een dans, waartoe men zich op twee gelederen tegenover elkaar opstelt; beurtelings maakt een der partijen eene diepe kniebuiging en springt daarna met gesloten hielen loodrecht op en neer en heen en weer, hetgeen een bijzonder dwaas schouwspel is. De deelnemers lachen er trouwens zelf om. In de handen houdt men een bos aaneen geregen pitten, die dan een ratelend geluid maken. Als men dezen dans in het maanlicht ziet uitvoeren, krijgt men den indruk, alsof de Alifoeroe hem hebben afgezien van spelende kasawari.

Verder kennen alle Alifoeroe den tjakalélé of krijgsdans met zwaard en schild, waarbij een spiegelgevecht wordt uitgevoerd.

De strandbewoners doen nog aan de mĕnari, ingevoerd uit Amboina en aan het „hela rotan” afkomstig van het „tug of war” onzer matrozen.

Tot de mĕnari stellen de meisjes bij drieën of vieren, zich op en bewegen dan, zonder van de plaats te gaan, onder het op de maat zachtjes buigen der knieën, de armen langzaam, één voor één omhoog en weder omlaag, terwijl tevens het lichaam langzaam eenigszins rechts en links wordt gewend. De oogen worden daarbij hardnekkig naar den grond gericht. Sommigen voeren deze uiterst langzame bewegingen niet zonder gratie uit. De mannen zijn wat vrijer in hunne bewegingen en schuiven om de meisjes heen, eveneens onder het zwaaien der armen.

Het orkest, uit eenige rĕbana’s, tifa’s en een gong bestaande, zingt met die begeleiding de aloude liederen, echter bijzonder leelijk, dikwijls is het een afschuwelijk geblaat, wat ten gehoore gebracht wordt, d.w.z. als het Mohammedanen zijn.

Bij het „hela rotan” verdeelt men zich in twee partijen, die, aan een lange rotan trekkende, elkander zoeken te overmeesteren. Dit spel geschiedt alleen bij volle maan.

Op West- en Zuid-Seran kent men nog een dans makko of kairori genaamd. Hiertoe stellen de deelnemers zich tegenover elkaar op en leggen de armen gestrekt op elkanders schouders; een jongetje of meisje kruipt nu langzaam over die brug van armen heen. Het paar, dat het kind voorbij is, gaat hand aan hand onder wiegelende, soms potsierlijke danspassen naar den anderen kant der rij, om daar weder plaats te nemen enz. Dit alles gaat met gezang en tifaslag gepaard. Wat of dit spel eigenlijk te beduiden heeft, wist men niet goed uit te leggen. Het kind moet een koesoe2 voorstellen.

Enkele negorijen zooals Hatoé, Boano en Loehoe voeren soms de mĕnari kipas en mĕnari parisi uit. Bij de eerste hebben de deelnemers een waaier of een bos casuarisvederen in de hand en voeren, in twee rijen opgesteld, onder aanvoering van een voordanser, die de vroeger beschreven lans in de hand houdt, gelijktijdig de gewone menaribewegingen uit; hierbij zijn de dansers van kleine schilden voorzien, die met bont papier zijn beplakt, terwijl de deelnemers soms schilderachtig en sierlijk zijn uitgedost.

Deze dansen hooren echter eigenlijk op de Oeliassers thuis.


Groeten. De Alfoer is niet van zekere hoffelijkheid ontbloot en meestal brengt hij zijn groet door het opheffen der rechterhand ter hoogte van het hoofd, wellicht eene nabootsing van het militair saluut. De Mohammedanen maken hierbij nog eene lichte buiging, terwijl de meer beschaafden zelfs hunne muts afnemen, hetgeen zeker al zeer zonderling is en onvereenigbaar met de Mohammedaansche gebruiken.

De Christenen vouwen de handen samen voor den schoot en maken dan eene kleine kniebuiging, zooals onze ouderwetsche „knix”.

Te Manéo begroeten de Alfoeren elkander bijzonder hoffelijk. Met eene sierlijke buiging legt men de linkerhand op de borst, terwijl met een bevalligen zwaai de rechter uitgestoken wordt voor den handdruk of liever de handbetasting.

Zeer eigenaardig was de groet, dien ik zag wisselen tusschen hoofden van Wae Rama en Nisawélé. Zij vatten elkanders rechterhand, drukten die beurtelings tegen elkanders borst en streelden elkander daarna langs de wang om met een kort rukje aan den sikbaard, dien zij daartoe erop na schenen te houden, den groet te beeindigen.

Op West-Seran spreken de Alfoeren hunne meerderen en hoofden aan met het woord „oepoe” (ook op Celebes bekend), terwijl men op Midden-Seran daartoe het woord „kamaré” bezigt.

Vrouwen van Regenten worden aangesproken met „njora”, zeker afgeleid van het Portugeesche senhora, terwijl hunne dochters worden genoemd nonna, hunne zonen njong.

De strandbewoner is doorgaans overdreven nederig in zijne beleefdheid. Zal hij U b.v. uitnoodigen om zijne woning met een bezoek te komen vereeren, dan is onveranderlijk zooals bij de meeste verzoeken, de vorm: „Ik smeek U, Heer, van Uwe schoenzolen tot aan de kroon op Uw blanke hoofd, om heden avond mijne stinkende woning te komen bezoeken!”

Het gekste is, dat deze woning dikwerf inderdaad „stinkende” is!

Gelijken groeten elkander niet dan met het toeroepen van een paar woordjes. Verder spreken, vooral de Christenen, ouderen gemoedelijk aan met vader, moeder, oom of tante. Het handen geven aan Europeanen is algemeen en maar al te graag steekt men U de hand toe, hetgeen hoe vriendelijk ook, met het oog op de onreinheid van die hand, dikwijls wel bedenkelijk is!

Doch letten wij daarop niet en waardeeren wij slechts de goede bedoeling, die eruit blijkt. De in den grond goede geaardheid en vriendschappelijke gezindheid van den Alfoer maken, dat indien wij ons met hem blijven bemoeien en hem beschaven, hij spoedig een even loyale en gelukkige onderdaan wordt van Hare Majesteit als zijne Amboineesche stamverwanten.