ZESDE ORDE.

DE KEVERSLAKKEN (Cnemidophora).

De Keverslakken, die een uit ruim 400 soorten bestaande familie vormen (Chitonidae), herinneren door verscheidene eigenaardigheden aan de Wormen en worden daarom door sommige onderzoekers als een afzonderlijke klasse (Amphineura) aan deze hoofdafdeeling toegevoegd. Anderen beschouwen de Chitoniden als een klasse van Weekdieren (Placophora). Nog anderen geven haar, wegens het maaksel van den voet en van de wrijfplaat, een plaats in de klasse der Gastropoden. Hoewel het dier van boven gezien voor een oogenblik aan een platte, langwerpige, ovale Schaalhorenslak herinnert, bemerkt men, bij nader onderzoek, een groot verschil. De schelp, die het midden van den rug van de Slak bedekt, bestaat n.l. uit 8 verkalkte, door gewrichten vereenigde dwarsplaten, ieder met den achterrand over den voorrand van de volgende plaat uitgestrekt. Voorbij deze schelp steekt de rand van den mantel uit, die zich bij sommige soorten (niet bij de hierboven afgebeelde) min of meer over de schelp uitbreidt en haar zelfs geheel aan ’t oog onttrekken kan. De mantel is soms glad, soms met knobbeltjes of schubben bezet, soms met kleine, hoekige papillen als ’t ware geplaveid, soms met stekels uitgerust. Na ’t omkeeren van het dier ziet men den voet, die even breed is als de schelp en hierdoor aan dien der Patellen herinnert. Verder naar voren, aan de onderzijde, ligt de mondopening. Een eigenlijke kop ontbreekt; zijn plaats wordt ingenomen door een halfcirkelvormige opzwelling zonder voelers of oogen. De aarsopening is, in tegenstelling van hetgeen bij alle Echte Slakken voorkomt, geheel aan ’t andere uiteinde van den stam gelegen: de Keverslakken zijn zuiver bilateraal symmetrisch. Aan het achterste deel van ’t lichaam, tusschen den mantel en den voet, is aan weerszijden een rij van kieuwplaatjes gelegen.

Sierlijke Keverslak (Chiton elegans). Ware grootte.

Sierlijke Keverslak (Chiton elegans). Ware grootte.

Vele Keverslakken hebben oogen in de schelp! Deze liggen in de opperhuid der schelpstukken: bij sommige regelmatig op rijen gerangschikt, bij andere onregelmatig verspreid. Uitwendig vertoonen zij zich als ronde of ovale, bolle vlekjes, die het licht sterk breken. Hun aantal is soms zeer aanzienlijk: bij een groot exemplaar van Corephium aculeatum wordt het door Moseley op 11500 geschat. Dat deze eigenaardige plaatsing der oogen voor de Keverslakken van groot belang is, vloeit voort uit haar levenswijze. Vele soorten hechten zich gaarne dicht bij den waterspiegel aan steenen vast, zoo dat zij bij eb droog komen te liggen. Wanneer haar nu een gevaar bedreigt, kunnen zij er op tweeërlei wijze aan ontkomen. Eenige soorten rollen zich, als sommige Pissebedden en Duizendpooten, tot een bol ineen, hiertoe in staat gesteld door den bouw der schelp, en laten zich vallen; zij komen dan op den bodem van ’t water te recht of ook wel op het strand, waar zij, wegens haar indifferente kleur en bolronden, aan kiezelsteenen herinnerenden vorm, tusschen de afgeronde steentjes moeielijk te vinden zijn. Andere soorten hechten zich, wanneer men de hand in haar nabijheid brengt, nog voordat men ze heeft aangeraakt, zoo stevig vast aan den steen, waarop zij zitten, dat het niet mogelijk is ze onbeschadigd los te maken. Blijkbaar hebben zij dus het gevaar vooraf bemerkt. Deze dieren schijnen éénslachtig te zijn. Hun ontwikkelingsgeschiedenis is ons bekend door Loven’s onderzoekingen, die betrekking hebben op de Omzoomde Keverslak (Chiton marginatus), een in de Noordzee en aan de Noorsche kust voorkomende soort. De larve gelijkt meer op die van sommige Borstelvormen dan op die der overige Mollusken. Behalve de laatstgenoemde soort heeft Maitland aan onze kust gevonden: de Aschgrauwe Chiton (Chiton cinereus), de Gladde Chiton (Chiton laevigatus) en de Fluweelen Chiton (Chiton laevis). In levenswijze gelijken deze dieren veel op de Schaalhorenslakken; zij bewegen zich even weinig als deze.