Over het algemeen is de Weekdieren-klasse, waarvan de Mossels en de Oesters vertegenwoordigers zijn, nog minder dan die der Slakken bekend aan leeken op zoölogisch gebied. Slechts zelden krijgt men bij toeval Plaatkieuwigen op hunne gewone verblijfplaatsen te aanschouwen, terwijl, ook nadat deze gezocht en gevonden zijn, het eigenlijke dier voor de meeste belangstellende onderzoekers een raadsel blijft. Menigeen heeft boven het slijk van ondiepe plassen honderden en duizenden van zoogenaamde Eendenmossels in eenigszins scheeve richting zien uitsteken, zonder te kunnen uitmaken, of zij haar vooreinde of haar achtereinde toonden. Aan een opengestoken Oester valt kop noch staart te onderscheiden; de meeste liefhebbers van dit Weekdier verorberen het, zonder dat eenig lichaamsdeel bij hen anatomische of systematische herinneringen wekt. De schelp verschaft, zelfs na oplettend onderzoek, niet veel inlichtingen; hoogstens zal men kunnen raden, op welke plaats ongeveer de mond gelegen is. Voor een groot deel is de geringe belangstelling, die de Mossels en hare verwanten wekken, te wijten aan het buitengewoon flegmatisch temperament dezer dieren. Met hen vergeleken zijn de zoo trage Slakken in hooge mate sanguinisch. Eenige in zee levende soorten van Mossels vormen een uitzondering op den algemeenen regel, daar zij door het snel openen en sluiten der schelp tamelijk vlug zwemmen kunnen: haar aantal is echter zeer gering. De overige zijn bijna even duurzaam aan haar woonplaats verbonden als de planten. Een uitsluitend biographische behandeling van deze diergroep zou wegens de eenvormigheid van de levensuitingen harer leden den lezer niet bevredigen. Wij zullen bij haar beschrijving ons op een hooger standpunt plaatsen en, evenals vroeger in dergelijke gevallen geschiedde, een voorstelling trachten te geven van den eigenaardigen lichaamsbouw der Plaatkieuwige Weekdieren, de hoog georganiseerde met hunne lager ontwikkelde verwanten vergelijken, om zoo tot een verklaring van de waargenomen verschijnselen te geraken.
Eendenmossel (Anodonta anatina), zonder de schelp en met teruggeslagen mantelhelften, van onderen gezien. Ware grootte.
Als voorbeeld kiezen wij de hierboven genoemde Eendenmossel, hetzij een levend of een in spiritus gedood exemplaar. Een oppervlakkige voorstelling van zulk een wezen kan men verkrijgen door het te vergelijken met een gebonden boek, dat met den rug naar boven en met den bovenkant naar voren wordt gehouden. De beide stukken bordpapier, rechts en links, vertegenwoordigen de verkalkte schelpkleppen, de schutbladen de mantelhelften van het dier; de beide titelbladen en de achteraankomende, uit twee bladen bestaande inhoudsopgave stellen de kieuwplaten voor en de eigenlijke tekst vervangt den romp of ingewandenzak. Men moet zich echter voorstellen, dat de bedoelde bladen aan weerszijden, van het omslag tot aan de eigenlijke tekst, in uitgebreidheid verminderen; want de beide bolle schelpkleppen omgeven alle overige lichaamsdeelen en de mantelhelften overtreffen in lengte en breedte de kieuwplaten, die op hun beurt verder reiken dan een groot deel van den romp. Al deze deelen zijn langs den bovenrand, als de bladen van een boek, onderling vergroeid. De schelp is een uitscheidingsproduct van den mantel (in de afbeelding met g aangeduid), die iedere schelpklep aan de binnenzijde bekleedt met een plaat (mantelhelft) en de overige weeke deelen omhult; de mantelrand, die gewoonlijk aan den schelprand vastgehecht is, kan gemakkelijk zonder beschadiging losgemaakt worden. Aan het achtereinde zijn de beide mantel-helften bezet met een groot aantal wratjes (h), die buitengewoon gevoelig zijn; zij komen hier voor bij alle Plaatkieuwigen, die, zooals de onze, de voorste helft van ’t lichaam in den grond verbergen. Wij weten dus nu, welk lichaamsdeel zij ons van uit het slijk toekeeren en waar zich de openingen bevinden voor den aanvoer en den afvoer van stoffen. Bij een zeer groot aantal Mossels zijn de mantelranden niet vrij, zooals bij onze Zoetwatermossel, maar over een meer of minder grooten afstand met elkander vergroeid. Waar dit geschiedt, komen dikwijls zoogenaamde mantelbuizen (siphonen) achter uit de schelp te voorschijn: de bovenste (kloaksipho) is bestemd voor het afvoeren van ’t water, dat voor de ademhaling gediend heeft, van de uitwerpselen en van de geslachtsproducten; door de onderste (ademhalingssipho) dringt het water (en tevens het voedsel) in de mantelholte door. Verder naar voren blijft aan de buikzijde een spleet over, waardoor de voet wordt uitgestoken.
Op iedere mantelhelft volgen naar binnen de beide kieuwplaten (d en e), die bij onze Zoetwatermossel buitengewoon sterk ontwikkeld zijn, maar ook bij al hare verwanten zoo duidelijk in ’t oog vallen, dat de naam der geheele klasse aan haar vorm ontleend is. Tusschen de kieuwen, doch verder naar voren, ligt de wigvormige voet (a). Zoowel uit de verrichting van dit sterk gespierde orgaan als uit zijn ligging ten opzichte van de overige lichaamsdeelen blijkt zijn overeenkomst met den voet der Slakken. Zoolang het dier leeft, moet men een groote kracht aanwenden om de schelp te openen; men zal eerder stukken van de schelp afbreken, dan de werking der beide sluitspieren overwinnen. De eene (b) is vóór den mond gelegen; zijn ondervlakte en de voet begrenzen de ruimte, waarin de ingang tot het spijskanaal verborgen ligt. Boven de achterste sluitspier (i) ligt de endeldarm, welks einde (bij f) zichtbaar is.
De Plaatkieuwigen hebben geen kop en werden daarom vroeger met de Ascidiën en Salpen onder den naam van „Koplooze Weekdieren” (Acephala) tot één klasse vereenigd. De mondopening (b) kan men in den regel het gemakkelijkst vinden door langs het midden van den voet naar voren en naar boven te gaan en tevens de beide driehoekige platen (mondlobben: c), die aan weerszijden vóór de kieuwen liggen, naar boven en buiten om te slaan. De mondholte bevat zoomin wapens als toestellen voor het fijnmaken van het voedsel; dit bestaat daarom uitsluitend uit microscopisch kleine plantjes of diertjes, die door trilhaarbeweging naar de mondopening worden gevoerd en vervolgens aankomen in een korten en wijden slokdarm, die zich tot een maag verruimt. De lever ligt onmiddellijk boven en aan weerszijden van de maag en van den daaropvolgenden darm, die, omhuld door de geslachtsorganen, eenige kronkelingen maakt, welke zich, wanneer de voet groot is, gelijk bij het tot voorbeeld gekozen dier, ook in dit orgaan uitstrekken. In het deel van den romp, dat achter den voet aan de rugzijde gelegen is, loopt het spijskanaal onder den naam van endeldarm regelrecht, onder den mantel langs, naar achteren en eindigt bij f in de aarsopening. Achter deze opening laten de tot hier vereenigde mantelhelften een spleet over, de kloak; daaronder zijn zij door een brugje verbonden.
Een paar zenuwknoopen liggen naast en een weinig achter den mond, een tweede paar veel lager in den voet. De strengen, die deze beide zenuwmassa’s verbinden, vormen een ring om den slokdarm, die ook dan nog aanwezig is, wanneer, zooals bij de Oester, de voet en de voetzenuwknoopen ontbreken. Het derde en grootste paar, de kieuwzenuwknoopen, is veel verder achterwaarts, onder de achterste sluitspier, gelegen en staat ook door strengen met de bovenslokdarmknoopen in verband.
Het hart bevindt zich in een met bloed gevulde „lichaamsholte” (pericardiaalholte), die bij onze Zoetwatermossel (en alle overige Tweespierige Plaatkieuwigen) aan de rugzijde dicht onder den mantel en kort vóór de achterste sluitspier—bij de Oester (en alle overige Eénspierigen) verder binnenwaarts gelegen is. Het bestaat uit een rechter en een linker voorkamer met een daartusschen geplaatste kamer, die den endeldarm ringvormig omgeeft, ontvangt het bloed, dat uit de kieuwen komt en stuwt het door twee slagaders in de bloedvatenstelsels der lichaamsdeelen, vanwaar het langs vaste banen naar de kieuwbloedvaten terugkeert. Vooraf doorstroomt het een zeer omvangrijk, sponsachtig orgaan, dat, naar zijn ontdekker, orgaan van Bojanus heet. Hierin kan het dier willekeurig (door een opening, die men na het zijwaarts omslaan der kieuwen bespeurt) water opnemen, dat aan het bloedvatenstelsel wordt toegevoerd en, evenals bij de Slakken, dient tot het doen opzwellen en buiten de schelp steken van verschillende lichaamsdeelen; vooral van den voet en van den mantelzoom; deze vertoonen verscheidene openingen, waardoor bij het plotseling terugtrekken van de organen in de schelp het overtollige, met water vermengde bloed ontwijkt.
De trilharen, waarmede de geheele binnenste oppervlakte van den mantel en alle deelen van de kieuwen en mondlappen bezet zijn, spelen door hun beweging in het leven der Plaatkieuwigen een hoogst belangrijke rol. De stroomingen, die zij teweegbrengen, behouden altijd dezelfde richting, ververschen het water, dat voor de ademhaling bestemd is en voeren gelijktijdig voedseldeeltjes naar den mond. De kieuwplaten, die bij oppervlakkige beschouwing den indruk maken van enkelvoudig te zijn, bestaan in werkelijkheid ieder uit twee op traliewerk gelijkende, door chitinestaafjes gesteunde lagen, waartusschen een stelsel van holten voorkomt, dat door talrijke openingen water ontvangt uit de zoogenaamde kieuwkamer: de door den mantel begrensde ruimte, waarin de kieuwen hangen. Dit water wordt door de werking van de trilharen, die de inwendige holte der kieuwplaten bekleeden, opgevoerd naar een kanaal, dat boven de plaats van aanhechting van iedere kieuwplaat gelegen is; deze kanalen, die zich verder achterwaarts vereenigen, vormen gezamenlijk de kloak-kamer, waarin niet slechts het verbruikte ademhalingswater; maar ook alle overige, uit endeldarm, geslachtsorganen, enz. afkomstige, voor het dier nuttelooze of schadelijke stoffen ter verwijdering uit de schelp opgenomen worden. Door de beweging der trilharen stroomt het water in de bedoelde richting en worden tevens de voedseldeeltjes, die voor de openingen der kieuwen achterblijven, naar de mondlappen en van hier in de mondopening overgebracht. De kloak-kamer staat met de buitenwereld in gemeenschap door de opening boven het verbindend strookje, dat tusschen den achterrand der mantelhelften aanwezig is, terwijl onmiddellijk daaronder, dus eveneens aan den achterrand, door het aaneenvoegen der overige randgedeelten van den mantel een spleetvormige opening wordt begrensd, waardoor het versche water in de kieuwkamer binnendringt. Bij vele Plaatkieuwigen vormt de mantel een grootendeels gesloten zak; ook in dit geval worden de noodige betrekkingen met de buitenwereld onderhouden door 2 spleten aan den achterrand, die voor den aanvoer en den afvoer van water bestemd zijn, en door een spleet bij het vooreinde, die den voet doorlaat. Dat de waterverversching in de mantelholte soms ook nog op andere wijze dan door trilhaarbeweging tot stand komt, blijkt, wanneer men eenige oogenblikken een Zoetwatermossel gadeslaat. Zonder eenige merkbare aanleiding flapt zij van tijd tot tijd plotseling de schelp dicht, waardoor natuurlijk het water uit de ruimten tusschen mantel- en kieuwplaten met geweld naar buiten wordt geperst. Het openen van de schelp geschiedt vervolgens langzaam.
De mantelhelften zijn op eenigen afstand van haar vrijen rand door spiervezels vastgehecht aan de binnenste oppervlakte van de schelp; hier ziet men een lijn (de mantellijn), die, althans gedeeltelijk, evenwijdig loopt met den vrijen rand van iedere klep. Het deel van den mantel, dat boven deze lijn gelegen is, heet mantelschijf en onderscheidt zich gewoonlijk door geringere dikte van den daarbuiten gelegen mantelzoom, die meer of minder breed, glad of geplooid kan zijn, rijk is aan vaten, klieren en kleurstof en dikwijls voelers en andere zintuigelijke organen (oogen) draagt. De schelp wordt deels door de mantelschijf, deels door den mantelzoom gevormd en bestaat dus uit 2 verschillende lagen. De buitenste laag, die door den mantelzoom wordt uitgescheiden, bestaat uit prismatische, met koolzure kalk gevulde vakjes, loodrecht geplaatst ten opzichte van de oppervlakte der schelp; in de binnenste, die zich dikwijls door parelmoerglans onderscheidt (parelmoerlaag), zijn een groot aantal evenwijdige, structuurlooze laagjes van koolzure kalk en conchioline dicht opeengedrongen. Een hoornachtig opperhuidje van verschillende dikte bedekt de schelp aan de buitenzijde en is soms met fijne haren of borstels bezet; van de oudste deelen is het dikwijls door afslijting verdwenen („afgevreten” spitsen). Soms maakt de parelmoerlaag, soms de prismatische kalklaag de hoofdmassa van de schelp uit.
Cytherea maculata. Linker schelpklep, van binnen gezien. Ware grootte.
De schelpkleppen zijn aan de rugzijde met elkander verbonden door een veerkrachtigen band, den slotband, die door zijn elasticiteit de schelp opent, wanneer de sluitspieren niet werken. De slotband is eigenlijk een doode massa, niet aan den wil van het dier onderworpen. Daarom gaapt de schelp van de doode Mossel in den regel: de spieren, die zich bij het levende dier onder den invloed van den wil samentrekken en de werking van den slotband tijdelijk opheffen, zijn nu verslapt. De slotband ligt aan den rugrand, meestal achter, soms onder de beide toppen of spitsen (bij c in de afbeelding); in het eerstgenoemde geval maakt zijn ligging het onderscheiden van den voorrand en den achterrand gemakkelijk; gewoonlijk bevindt de voorrand (a) zich het naast bij de spits en vertoont een sterkere afronding dan de achterrand (b), die door den slotrand van de spits gescheiden is.
De hechtheid van de verbinding der schelpkleppen wordt bij vele Plaatkieuwigen zeer bevorderd door het passen van lijst- en tandvormige verhevenheden in daarbij behoorende kuiltjes en groeven van de tegen elkander aanliggende randgedeelten onder en naast de spits. Deze slottanden (of middeltanden) en zijtanden vormen met den slotband het zoogenaamde slot; belangrijke kenmerken ter onderscheiding van geslachten en familiën worden hieraan ontleend. De top (c), het oudste en dikste deel van de schelpklep, verschilt niet zelden in vorm van het overige gedeelte, dat, door latere aanvoeging ontstaan, in vele gevallen kenbaar is aan onderling evenwijdige, concentrische groeistrepen. Belangrijke kenmerken levert ook de beschouwing van de binnenste oppervlakte der schelpkleppen. Bij de meeste geslachten komen twee spierindruksels voor: het voorste (m) en het achterste (m′); hun grootte, vorm en diepte loopen zeer uiteen. Zeer klein is de voorste sluitspier bij de Ongelijkspierigen (Heteromyaria), b.v. bij de Gewone Mossels (Mytilus). De achterste sluitspier is alleen overgebleven, maar heeft zich meer naar het midden van de schelp verplaatst bij de Eénspierigen (Monomyaria), b.v. bij de Oesters (Ostrea, zie nevenstaande afbeelding: c). De Zoetwatermossel (Anodonta), die twee goed ontwikkelde sluitspieren hebben, behooren daarom tot de Gelijkspierigen (Homomyaria). De drie genoemde groepen komen onderling overeen door het gemis van mantelbuizen; zij worden gezamenlijk Asiphoniden genoemd. De bezitters van lange, terugtrekbare mantelbuizen hebben op de plaats waar de spieren voor het terugtrekken ontspringen, een naar achteren geopende bocht in de mantellijn (n); hieraan danken zij den naam van Bochtmanteligen (Sinupalliata). Deze bocht komt niet voor bij de Asiphoniden en ook niet bij de Siphoniden met korte, niet terugtrekbare mantelbuizen; de laatstbedoelde groep heet daarom Gaafmanteligen (Integripalliata).
Alle Plaatkieuwigen zijn waterdieren; verreweg de meeste bewonen de zee; hoogstens ⅕ deel van alle levende soorten worden in zoetwater gevonden. De meeste zoetwatervormen zijn Gelijkspierige Asiphoniden en dus Gaafmanteligen. De soortenrijke familie der Najaden is geheel tot het zoetwater beperkt en is het sterkst vertegenwoordigd in Noord-Amerika. Alle zoetwaterschelpen zijn kenbaar aan een dikke, donkergroene, geelachtige of bruine opperhuid en meestal ook aan de afgevreten spitsen. De Plaatkieuwigen, die de zee bewonen, komen op verschillende diepten voor: dikke, bontgekleurde, rijk versierde schelpen worden in den regel bij de kust, op steenachtigen of zandigen bodem aangetroffen; op grootere diepten vindt men teere, dunne, weinig of niet gekleurde schelpen. Verreweg de meeste soorten leven op diepten van 0 à 35 vademen; op 200 vademen diepte neemt het aantal Plaatkieuwigen aanmerkelijk af; slechts enkele vormen zijn op 1500 à 2500 vademen diepte gevonden. Tusschen de keerkringen is de verscheidenheid van vormen grooter dan in de koudere zeeën.
Dikwijls komen sommige soorten uitsluitend in diep, andere leden van hetzelfde geslacht slechts in ondiep water voor. De leden van eenige geslachten hechten zich aan onderzeesche voorwerpen vast: blijvend door het vastmetselen van één klep, zooals de Oester, tijdelijk door met den voet gesponnen draden, zooals de Gewone Mossel. Vele Plaatkieuwigen kunnen zich vrij bewegen, hoewel dit steeds zeer langzaam geschiedt: eenige zwemmen; de meeste echter kruipen met behulp van den voet. De Bochtmanteligen begraven zich ten deele in zand of slijk; de Schelpdieren, die zelfgemaakte holten in hout of steen bewonen, behooren voor ’t meerendeel tot deze groep.