EERSTE ORDE.

DE ASIPHONIDEN (Asiphonida).

Tot de Plaatkieuwigen zonder mantelbuizen (Asiphonida) en meer bepaaldelijk tot de afdeeling der Eénspierigen (Monomyaria) behoort o.a. de familie der Oesters (Ostreidae).

Met uitzondering van de Zee-pareloester, heeft geen enkel Schelpdier zulk een belangrijke economische beteekenis, verschaft aan zoovele menschen een middel van bestaan en brengt zooveel geld in omloop als de Oester. In alle zeeën leven soorten van dit geslacht; de nu volgende mededeelingen hebben echter uitsluitend betrekking op de Gewone Oester (Ostrea edulis) der Europeesche kusten. Ieder die een Oester met eenige aandacht bekijkt, zal aan de schelp van dit dier verscheidene karakteristieke eigenschappen opmerken. Zij is meestal eivormig, dikwijls echter zeer onregelmatig; hare kleppen zijn ongelijk; de linker klep, die aan den bodem vastzit, is van onderen bol en bevat een ondiepe holte, waarover de kleinere, plattere en dunnere rechter klep als een deksel heen ligt. Beide hebben een grauwe, schilferige oppervlakte en bestaan overigens uit een witte, poreuze kalkmassa. Vooral geldt dit van de onderste en dikste klep, die aan allerlei voorwerpen vastgroeit. De aanhechting gaat niet uit van den rand, maar van nader bij ’t midden gelegen deelen; men kan haar niet anders verklaren dan door aan te nemen, dat een door het dier gevormde, op cement gelijkende stof door de bolle schelpkalk heendringt en haar aan het onderliggende voorwerp vastlijmt. Naarmate de schelp aangroeit, wordt rondom de reeds vastgehechte plaats nieuw „cement” uitgescheiden. Ook het slot vertoont eenige opmerkelijke eigenaardigheden. De aanvankelijk gelijkvormige spitsen vertoonen later een groot verschil, daar de bovenklep in ontwikkeling achterblijft. De slotband is „inwendig”, d. w. z. onder de spits gelegen, aan de ongeopende schelp niet waarneembaar en kraakbeenig van aard.

Een belangrijke afwijking van den regel vertoont de Oester door het ontbreken van den voet, die spoorloos verdwijnt, nadat het jonge dier zich heeft vastgehecht. Met het gemis van den voet gaat de afwezigheid gepaard van gehoorblaasjes, die bij andere Weekdieren in dit orgaan voorkomen. Oogen zijn evenmin voorhanden. Het dikkere randgedeelte van den mantelzoom is door een groeve in tweeën gesplitst en met een groot aantal voelertjes bezet. Dat het zeer gevoelig is, blijkt, wanneer men het aanraakt.

Gewone Oester (Ostrea edulis), geopend door bij s tusschen de schelpkleppen een mes te steken en dit een weinig te draaien, totdat de slotband is doorgesneden, het vervolgens langs de binnenste oppervlakte van de platte bovenklep voort te schuiven tot in c, waar men eenigen weerstand ontmoet, veroorzaakt door de sluitspier, die men door een heen en weer gaande beweging van het mes van de platte schelpklep losmaakt; deze klep kan vervolgens gemakkelijk verwijderd worden. De weeke deelen liggen nu in de bolle of linker klep en bedekken—wegens het sterk inkrimpen van den mantel, die zich bij het onbeschadigde dier tot aan den rand der schelp uitstrekt—slechts een klein deel van haar binnenvlakte, in de afbeelding begrensd door 4 lijnen, waarvan de kortste onder het slot ligt. Dit is de „slotzijde” van den romp, de „vis-à-vis” van de „tegenslotzijde”; bij a is het begin van de „buikzijde”, bij d het midden van de „rugzijde” van den romp. Een deel van den mantel is innig vergroeid met den romp en heet „mantelschijf”; een ander deel (de „mantelzoomen”) strekt zich, behalve aan de slotzijde, voorbij den romp uit. Om de organen, die aan de buikzijde en tegenslotzijde tusschen de hier zeer breede mantelzoomen liggen, zichtbaar te maken is de rechter mantelzoom (b) in de afbeelding grootendeels omgeslagen, terwijl de linker (a) zich nog op zijn gewone plaats bevindt. Men ziet nu bij a de „mondlappen”, die ten getale van 2 paar aangehecht zijn aan weerszijden van de diep verborgen mondopening, die men onder het vereenigingspunt der beide mantelzoomen zou ontdekken na het omslaan van de beide rechter mondlappen. Onder deze organen beginnen de 2 paar kieuwplaten, die zich tot aan het begin van de rugzijde uitstrekken, waar de beide mantelzoomen onderling vereenigd zijn. Boven dit vereenigingspunt bevindt zich de kloakopening en daarachter de opening van den endeldarm. Onderling gescheiden, doch smal, loopen de beide mantelzoomen langs de rugzijde omhoog. Gewoonlijk wordt de Oester voor het gebruik gereed gemaakt door het wegsnijden van de breede mantelzoomen en de kieuwplaten, die gezamenlijk onder den naam van „baard” bekend zijn. De baard is aan de buikzijde met den romp vereenigd, hoewel boven de kieuwen kanalen overblijven, die het water afvoeren, dat door het sponsachtige weefsel van de ademhalingsorganen heendringt. Deze kanalen vereenigen zich bij het begin van de tegenslotzijde tot de kloakkamer, die hier tusschen den baard en den romp gelegen is. De sluitspier (door de oesterkweekers „stoel” genoemd) bestaat uit twee gedeelten: het bovenste (c) schijnt te dienen voor het gesloten houden, het onderste (in de afbeelding lichter van tint) voor het snel sluiten van de schelp. Een éénjarige Oester heeft 25, een tweejarige 50, een driejarige 70 à 90 mM. middellijn.

Gewone Oester (Ostrea edulis), geopend door bij s tusschen de schelpkleppen een mes te steken en dit een weinig te draaien, totdat de slotband is doorgesneden, het vervolgens langs de binnenste oppervlakte van de platte bovenklep voort te schuiven tot in c, waar men eenigen weerstand ontmoet, veroorzaakt door de sluitspier, die men door een heen en weer gaande beweging van het mes van de platte schelpklep losmaakt; deze klep kan vervolgens gemakkelijk verwijderd worden. De weeke deelen liggen nu in de bolle of linker klep en bedekken—wegens het sterk inkrimpen van den mantel, die zich bij het onbeschadigde dier tot aan den rand der schelp uitstrekt—slechts een klein deel van haar binnenvlakte, in de afbeelding begrensd door 4 lijnen, waarvan de kortste onder het slot ligt. Dit is de „slotzijde” van den romp, de „vis-à-vis” van de „tegenslotzijde”; bij a is het begin van de „buikzijde”, bij d het midden van de „rugzijde” van den romp. Een deel van den mantel is innig vergroeid met den romp en heet „mantelschijf”; een ander deel (de „mantelzoomen”) strekt zich, behalve aan de slotzijde, voorbij den romp uit. Om de organen, die aan de buikzijde en tegenslotzijde tusschen de hier zeer breede mantelzoomen liggen, zichtbaar te maken is de rechter mantelzoom (b) in de afbeelding grootendeels omgeslagen, terwijl de linker (a) zich nog op zijn gewone plaats bevindt. Men ziet nu bij a de „mondlappen”, die ten getale van 2 paar aangehecht zijn aan weerszijden van de diep verborgen mondopening, die men onder het vereenigingspunt der beide mantelzoomen zou ontdekken na het omslaan van de beide rechter mondlappen. Onder deze organen beginnen de 2 paar kieuwplaten, die zich tot aan het begin van de rugzijde uitstrekken, waar de beide mantelzoomen onderling vereenigd zijn. Boven dit vereenigingspunt bevindt zich de kloakopening en daarachter de opening van den endeldarm. Onderling gescheiden, doch smal, loopen de beide mantelzoomen langs de rugzijde omhoog. Gewoonlijk wordt de Oester voor het gebruik gereed gemaakt door het wegsnijden van de breede mantelzoomen en de kieuwplaten, die gezamenlijk onder den naam van „baard” bekend zijn. De baard is aan de buikzijde met den romp vereenigd, hoewel boven de kieuwen kanalen overblijven, die het water afvoeren, dat door het sponsachtige weefsel van de ademhalingsorganen heendringt. Deze kanalen vereenigen zich bij het begin van de tegenslotzijde tot de kloakkamer, die hier tusschen den baard en den romp gelegen is. De sluitspier (door de oesterkweekers „stoel” genoemd) bestaat uit twee gedeelten: het bovenste (c) schijnt te dienen voor het gesloten houden, het onderste (in de afbeelding lichter van tint) voor het snel sluiten van de schelp. Een éénjarige Oester heeft 25, een tweejarige 50, een driejarige 70 à 90 mM. middellijn.

De Oesters zijn tweeslachtig, brengen zoowel eieren („melk”) als spermatozoïden voort, doch doen dit niet terzelfder tijd. De geslachtsklier levert aanvankelijk uitsluitend mannelijke, later, doch bij jonge exemplaren dikwijls eerst in een volgend jaar, geen andere dan vrouwelijke cellen. Reeds in het eerste of tweede jaar begint deze verrichting. Bij oudere individuën treft men, nadat het eierenleggen heeft opgehouden, nog in den loop van hetzelfde jaar spermatozoïden aan. Een deel van de Oesters gedragen zich dus gedurende een zekeren tijd geheel als mannetjes, terwijl de overige dan feitelijk wijfjes zijn. Zelfbevruchting kan niet voorkomen; de eieren worden bevrucht door spermatozoïden, die met het water in de mantelholte van de moeder doordringen. De ontwikkeling van de kiem begint reeds in het afvoerkanaal van het geslachtsorgaan, dat het „broed” uitstort in de kloakkamer van de mantelholte, vanwaar het door het water wordt medegevoerd; het verlaat echter de schelp niet, maar blijft achter in de ruimte tusschen mantelzoom en kieuwen. Hier, in den „baard”, vindt men het reeds bij twee- en zelfs bij éénjarige, het talrijkst echter bij vier- of vijfjarige individuën. In warme en vroege zomers begint de voortplanting reeds in Mei, in late zomers duurt zij tot in het begin van September voort. Aanvankelijk (bij de „melkoester”) gelijkt het broed op een witte, slijmerige vloeistof, die korreltjes (eieren) van 0.1 mM. middellijn bevat. Deze komen uit en ontwikkelen zich ten koste van de hem omgevende eiwitachtige stof, die vermoedelijk aan de oppervlakte van de kieuwen der moeder uitgescheiden wordt. Later, als het broed een blauwgrijze kleur heeft aangenomen, heeten de Oesters, waarin het voorkomt, „zaadoesters”. De oesterlarve bewoont langer dan een maand de kieuwkamer van haar moeder en ontwikkelt zich niet verder, wanneer haar vóór het einde van dit tijdperk een andere woonplaats wordt verschaft. Zij is in het bezit van een met trilharen bezet „kopscherm”, dat hoofdzakelijk als bewegingsorgaan dient, doch tevens bij de ademhaling en waarschijnlijk ook bij het toevoeren van voedsel aan het spijskanaal een rol speelt. De larve heeft bij het verlaten van de moederschelp een middellijn van 0.15 à 0.18 mM. bereikt, is omhuld door een schelpje, dat uit twee gelijke, bolle kleppen bestaat en vertoont bij de aars een beginsel van een voet. Met het kopscherm vrij rondzwemmend in de bovenste waterlaag, wordt zij soms door stroomingen ver weggevoerd. Hoe lang dit vrije leven duurt, is niet bekend, volgens sommigen niet langer dan 2 dagen, volgens anderen wel een week. Gaandeweg neemt de larve meer kalk in haar schelp op en verkrijgt een grooter soortelijk gewicht. Wanneer haar middellijn tot minstens 0.24 mM. is toegenomen, zinkt zij naar den bodem, hecht zich hier vast en begint het ware oesterleven, gesteld n.l., dat zij het zeldzame geluk had aan te komen op een plaats, die voor haar verdere ontwikkeling geschikt is. De meeste oesterlarven zijn zoo gelukkig niet. Tegenover de ontzaglijk groote sterfte onder de jongen, staat echter de verbazende vruchtbaarheid der volwassenen. Het aantal nakomelingen, dat een groot exemplaar in één jaar voortbrengt, werd door Davaine op 1¼ millioen begroot. (Leeuwenhoek sprak van 20 millioen.) Men houde hierbij in het oog, dat de jongere en oudere Oesters aanmerkelijk minder vruchtbaar zijn dan die van 4- of 5-jarigen leeftijd, dat het aantal als wijfjes fungeerende Oesters op de oesterbanken hoogstens 30 percent en dikwijls niet meer dan 10 percent van alle geslachtsrijpe exemplaren bedraagt. Ook het kweeken op een niet door het dier zelf gezochte woonplaats schijnt een nadeeligen invloed uit te oefenen op zijn vruchtbaarheid.

In den regel vindt men de Oesters in grooten getale bijeen op zoogenaamde „oesterbanken”, op vele plaatsen ook wel sporadisch. Op beide wijzen bewonen zij verschillende deelen van de Adriatische Zee, van Venetië en Triëst tot Brindisi en de golf van Tarente. Minder sterk schijnt haar verspreiding te zijn langs de kusten der Middellandsche Zee, zoowel in het oostelijk als in het westelijk gedeelte; sporadisch ontmoet men ze in de Zwarte Zee en bij de zuidkust van de Krim. De oesters van Zuid-Europa en van Portugal behooren niet tot de bij ons gewone soort (Ostrea edulis). Deze komt voor in den Atlantischen Oceaan, van Vigo in Spanje tot Finistère in Frankrijk, in het Kanaal en langs de Engelsche, Iersche en Schotsche kusten tot bij de Shetlandsche eilanden. Dezelfde soort vertoont zich op verschillende plaatsen in de Noordzee, gewoonlijk niet ver van de kust, doch ook wel in de open zee. Te ver af, om als een Nederlandsche oesterbank aangemerkt te worden, is die, welke zich benoorden de eilanden Vlieland, Terschelling, enz. tot Helgoland uitstrekt. Men vindt de Gewone Oester verder: langs de westkust van Sleeswijk en Denemarken, in de Limfjord, de Aalbekbaai in het Kattegat (bij Frederikshavn of Fladstrand) en langs de oostkust van Jutland tot bij de Horsensfjord, van een punt ten zuiden van Götheborg, aan den overkant van ’t Kattegat, tot aan de Baai van Christiania en langs de zuid- en westkust van Noorwegen tot de Thren-eilanden dicht bij den poolcirkel. Het klimaat en de fauna worden in alle deelen van het genoemde gebied beheerscht door den Golfstroom. De temperatuur en het zoutgehalte zijn er hoog en onafhankelijk van plaatselijke invloeden. Er komen geen Oesters voor bij de kusten van de Far-öer en IJsland, daar deze bespoeld worden door een zeestroom, die direct uit het Bahama-kanaal komt en dus geen oesterbroed bevat. Dat in het zuidelijke deel van het Kattegat en in de Oostzee tegenwoordig geen Oesters meer kunnen leven, hangt samen met het geringe zoutgehalte van het water. In de Bothnische Golf kan het water nagenoeg zoet heeten; in de Finsche Golf bevat het 6 per duizend, in de Kleine Belt ongeveer 17 per duizend, in de open oceaan echter 35 à 36 per duizend zout. Een duidelijk bewijs voor de stelling, dat het Oostzeewater eertijds meer zout bevatte (en een grond voor het vermoeden, dat er directe gemeenschap heeft bestaan tusschen de Bothnische Golf en de Poolzee) is gelegen in de zoogenaamde „Kjökkenmöddinger” („keukenafval”), uitgestrekte opeenhoopingen van schelpen (Oesters, Mossels, Zandschelpen, Alikruiken, enz.), vischgraten, beenderen van Vogels en Zoogdieren, gemengd met asch en houtskool, potscherven, vuursteenen werktuigen en uit been of hertshoorn vervaardigde voorwerpen. Een 50-tal van deze hoopen (dikwijls slechts 1 M. hoog, bij een lengte van ongeveer 100 en een breedte van 50 M., soms echter 3 M. hoog en 300 M. lang) zijn langs de oostkust van Jutland en op de Deensche eilanden gevonden en door Deensche geleerden nauwkeurig onderzocht. Zij hebben het bewijs geleverd, dat duizenden van jaren geleden de Oesters het Kattegat bewoonden (althans het zuidelijke deel) en er talrijk genoeg waren om een hoofdbestanddeel te zijn van het voedsel der oerbewoners dezer kusten.

Niettegenstaande haar verre verbreiding in noordelijke richting moet Ostrea edulis beschouwd worden als een zuidelijke soort, aangezien zij het veelvuldigst is (zich het sterkst ontwikkelt en voortplant) in het Kanaal en verder zuidwaarts. Bij de Engelsche en Fransche kusten schijnen de rijkste, natuurlijke oesterbanken voor te komen. Die van de Hollandsche en Sleeswijksche kusten komen eerst in de tweede plaats in aanmerking. Het is niet zoozeer de lage wintertemperatuur, die voor de Oesters in noordelijker streken nadeelig wordt, daar zij een tamelijk lagen warmtegraad kunnen verdragen en zich in ’t noorden op grootere diepten vestigen dan in het zuiden. Meer schade doet haar de te lage zomertemperatuur; deze moet eenige dagen achtereen 18 à 20° C. bedragen, opdat er overvloedig broed worde voortgebracht.

Ook de gesteldheid van den zeebodem heeft een zeer grooten invloed op de ligging der oesterbanken. De Oesters vestigen zich nooit op plaatsen, die sterk begroeid zijn met planten, evenmin daar waar een dikke laag slib of beweeglijk zand aan de oppervlakte ligt, of waar de grond geheel uit rotsblokken of steenen bestaat. Daar echter de slib aan deze dieren veel voedsel kan leveren, bewonen zij gaarne een harden bodem, die met een dunne laag slijk bedekt is. Om dezelfde reden gedijen zij op derrie (veengrond, die door de zee overstroomd is en bedekt werd met een kleilaag, welke later weer wegspoelde). Voor een deel is het hieraan toe te schrijven, dat zij zoo veelvuldig gevonden worden (of werden) in de Oosterschelde, in het noordelijke deel van de Zuiderzee, in de Lauwers en aan de monden van de Eems (bij Borkum en Juist). Met uitzondering van de Oosterschelde, zijn deze oestergronden thans grootendeels leeggevischt en zullen, ondanks de thans geldende verordening, dat er van 1o April tot 1o October geen Oesters mogen worden geraapt of gekord, niet licht hun vroegeren rijkdom herkrijgen. Hierdoor vermaard was nog in de vorige eeuw het terrein, dat zich van de lijn Medemblik-Stavoren tot de zachte waardgronden ten zuidoosten van Terschelling uitstrekt. „Dit gebied,” schrijft Dr. P. P. C. Hoek1, „bestaat uit ondiepe vaak zeer vlakke platen (men noemt ze „zand”, „waard”, „wal” of „plaat”), door geulen van elkander gescheiden. Langs de meeste dezer geulen treft men nog Oesters aan: zoo in den Balg, het Amsteldiep, den Texelstroom, de Pan, enz. enz. Een der rijkste punten is nog het zoogenaamde Waardje op den zuidwesthoek van Wieringen. Het is een vlakke bank, ongeveer 2 KM. in doorsnede. Bij laag water komt het water op deze plaats niet hooger dan de knie; de Oesters worden dan ook niet gekord, maar geraapt. Elke raper is voorzien van een fleschje met olie, waarin een veertje, dat aan de kurk bevestigd is; deze olie wordt met behulp van de veer op het wateroppervlak gesprenkeld: de golfslag wordt hierdoor gestild en de raper in staat gesteld de voorwerpen op den bodem behoorlijk waar te nemen. Tot de rijkere plaatsen in de Zuiderzee schijnen vervolgens ook de ten zuidoosten van Terschelling gelegen Riepel (of Reepel) en het zoogenaamde Zuiderrak te behooren.” „De Oester, die hier verzameld werd, was groot van stuk en als Texelsche Oester bekend. Verreweg het grootste deel er van werd uitgevoerd naar Hamburg, doch ook Amsterdam werd van hieruit voorzien. Het is echter zeer de vraag, of niet als zoogenaamde Texelsche Oesters ook zulke verkocht werden, die uit de open Noordzee afkomstig waren. In het midden der vorige eeuw rustten de Texelaars jaarlijks 60, de bewoners van Schiermonnikoog evenveel en de bewoners van de Zoutkamp 25 schuiten ter oestervangst uit. Op de zoogenaamde waarden vischte men al loopende, in de diepere geulen werden de Oesters gekord. Het eerste was meer het werk der Texelaars; vandaar dat deze den naam hadden van oesterzoekers; het laatste werd voornamelijk door de visschers van Schiermonnikoog en de Zoutkamp (de zoogenaamde oesterkorders) in praktijk gebracht.” Slechts bij uitzondering werden de Oesters direct naar de markt vervoerd; in den regel werden zij tijdelijk op zoogenaamde „oesterbedden” uitgestrooid, die met wilgenstokken werden afgetuind. De visschers van Schiermonnikoog en de Zoutkamp brachten de gevonden Oesters naar Terschelling en wierpen ze bij de reede van Midsland neder; die van Texel stortten ze benoordoosten van Texel, bijzonder gaarne op de plaat, genaamd het Middelzand. Eenig denkbeeld van den rijkdom der banken geeft het bericht van Paludanus, dat iedere schuit 100000 Oesters aan de markt moest brengen om den eigenaar een bestaan op te leveren. De meeste dezer eens zoo rijke oestergronden zijn thans uitgeput. De pogingen om ze bij Wieringen, in het Noorden (tusschen Eierland en Texel) en in de Lauwers (onder Oostmahorn, tusschen den Babbelaar en het Dokkumer-diep) opnieuw te bevolken, zijn mislukt.

Bezuiden Texel ontbreken de Oesters langs de geheele Noordzeekust van Holland. Wel worden op Zuidhollandsch gebied, onder Herkingen en Goedereede, terreinen gebezigd voor het „planten” en vetmesten van Fransche Oesters (afkomstig van Bretagne, Auray en Morbihan). Van oudsher worden echter Oesters gevischt langs beide oevers van de Oosterschelde. De vroeger zeer groote opbrengst is in de eerste helft dezer eeuw allengs afgenomen; maar bedroeg toch, volgens een waarschijnlijk te lage schatting, nog in 1850 een millioen stuks. In 1870 is men begonnen op deze toen nog niet geheel uitgeputte banken de oestercultuur uit te oefenen. Onderzoekingen, die in de jaren 1882 en 1883 met behulp van duikertoestellen verricht zijn op de steenbestortingen langs den voet der schaardijken, hebben geleerd, dat ook buiten de min of meer kunstmatig bevolkte terreinen tal van Oesters leven. Deze worden met rust gelaten en vermenigvuldigen zich zoo sterk als de beschikbare ruimte en de aanwezige voedselvoorraad toelaten; het korren is hier van wege de waterstaat verboden en zou trouwens op de hier gestorte granietblokken gevaar opleveren voor de vischtoestellen.

Op plaatsen waar, zooals in het Kanaal, de Oesters groot worden en veel broed voortbrengen, verkrijgen zij echter niet de grootste handelswaarde. Reeds voor lang heeft men opgemerkt, dat deze dieren het vetst en smakelijkst worden na overbrenging op terreinen, die door eilanden of banken tegen den onmiddellijken invloed van den Oceaan beschut zijn, waar het zoutgehalte van ’t water getemperd is, hetzij door een groote rivier, die zich hier in de zee stort, of door een aantal kleinere stroompjes, die in een golf uitmonden. In ons vaderland heeft men reeds voor lange jaren putten ingericht, waarin men naar verkiezing versch zout water kan doen stroomen; het overbrengen van de in zee gekorde Oesters in deze putten heet „spenen.” Hierdoor is men tevens in staat om, voordat het ruwe seizoen de vangst te zeer bemoeielijkt, de voorraad te verzamelen, die, naar verwacht wordt, in den winter kan worden gesleten. Op groote schaal geschiedt dit o.a. bij Londen door de „Whistable Free Dredgers Oyster Company”, welke aan niet minder dan 3000 personen (mannen, vrouwen en kinderen) werk verschaft en zich uitsluitend bezighoudt met het koopen van broed, van half of geheel volwassen Oesters uit de open zee (natives), die, op hare oestergronden aan den zuidelijken oever van den mond der Theems neergelegd, weldra de gewenschte grootte en vetheid bereiken. Het verblijf in zulke inrichtingen, waaraan het zoetwater en de vloedgolf afwisselend groote hoeveelheden organische stof toevoeren als voedsel voor de Oesters, geeft aanleiding tot een sterkeren groei dezer dieren. Ook de schelp wordt er door gewijzigd, neemt een regelmatiger vorm aan en blijft, wegens het geringer zoutgehalte, dunner. Daarentegen neemt het voortplantingsvermogen af: de voor ’t vetmesten bestemde oesterparken kunnen op den langen duur onmogelijk zich zelf in stand houden. Reeds een vermindering van zoutgehalte met 5 per duizend brengt een geringere vruchtbaarheid teweeg; in dezelfde richting voortgaande, zal men eindelijk een watermengsel verkrijgen, waarin de Oester nog wel kan leven, maar ophoudt zich voort te planten. Zonder voortdurenden aanvoer van broed uit zee kunnen dus de oesterparken op plaatsen, waar het zoutgehalte gering is, niet blijven bestaan.—Een eigenaardig verschijnsel in sommige van deze inrichtingen is de groene kleur, die de weeke deelen van de Oester er verkrijgen; o.a. de Oesters van het park te Marennes aan de Fransche kust zijn om deze reden beroemd. De kleur is te danken aan Diatomeën (Kristalwieren) van het geslacht Navicula, die in het bedoelde water voorkomen en tot voedsel voor de Oesters dienen.

Het verbruik van Oesters, dat b.v. te Parijs minstens 75 millioen stuks en te Londen meer dan tweemaal zooveel bedraagt, zou geen merkbare vermindering van den rijkdom der natuurlijke banken teweegbrengen, indien niet andere oorzaken medewerkten. Een daarvan is het groot aantal dieren, uit alle klassen, die op de door ons zoo hoog geschatte Weekdieren belust zijn. Tallooze Visschen verslinden het jonge broed, dat trouwens in ontzaglijke menigte de zee in de nabijheid van de banken bevolkt. Krabben en Kreeften wachten het oogenblik af, waarop de Oester haar schelp opent, om zich te vergasten aan haar smakelijk vleesch; dit kunnen zij zonder bezwaar doen, daar de sterk gepantserde schaar bestand is tegen de drukking, die de Oester er bij ’t sluiten van de schelp op uitoefent. De Zeesterren zien kans de inhoud van de schelp op te zuigen. Verscheidene Slakken, vooral Murex tarentinus, Murex erinaceus, Purpura lappillus en Nassa reticulata, in Frankrijk „perceurs” genoemd, boren met de slurf gaten in de schelp en verslinden op deze wijze den buit. Op andere plaatsen hebben Mossels (Mytilus edulis) zich in zoo grooten getale op de oesterbanken gevestigd, dat zij de oorspronkelijke bewoners uitroeiden. Voorts heeft men nog een ander dier, in Frankrijk „Maërle” genaamd, waarschijnlijk een Kokerworm uit het geslacht Sabellaria, als vijand van het kostelijke Weekdier leeren kennen. Indien deze wezens geen verdelgingskrijg tegen de Oesters voerden, indien niet milliarden van jongen door de golven opgenomen en verbrijzeld, of onder zand en slijk verstikt werden, zouden vele zeeën reeds sinds lang goed gevulde oesterbedden geworden zijn. De grootste schade hebben de oesterbanken echter geleden door de ondoelmatige wijze van inzameling hunner bewoners door den mensch. Waar de banken te diep liggen om bij eb de Oesters te „rapen”, maakt men gebruik van een net, waarvan de opening gevormd wordt door een zwaar ijzeren raam, welks over den bodem sleepende kant bij wijze van een eg van tanden voorzien is. Dit net is met een touw aan een boot bevestigd, die langzaam voortzeilt, zoodat het raam diep in den grond doordringt en bij zijn beweging diepe gaten en groeven in de banken scheurt. Daar deze kuilen zich binnen korten tijd met slib vullen, kunnen zich hier geen Oesters meer vasthechten, terwijl bovendien ook de omliggende dieren, die aan het net ontkomen zijn, bedolven geraken. Op deze wijze wordt een oesterbank in korten tijd uitgeput.

Tallooze jonge Oesters bezwijken, omdat de bodem, waarop zij neervallen, haar geen gelegenheid tot aanhechting biedt. De oestercultuur heeft zich tot taak gesteld het grootst mogelijke aantal van deze dieren in ’t leven te behouden en op te kweeken tot een handelsartikel. Met dit doel worden buiten de Oosterschelde van half Juni tot begin Juli, of van Juli tot half Augustus zoogenaamde „collecteurs” aangebracht op de door lange ervaring bekende terreinen, waarover het van de oesterbanken afkomstige broed gewoonlijk door de zeestroomingen wordt verspreid. Hiervoor dienen meestal vorstpannen. Daar deze met een dikke laag metselkalk bestreken zijn, kan men de jonge dieren er naderhand afsteken, zonder de nog brooze schelp te beschadigen; te gelijk met deze geraakt n.l. een deel van de kalklaag los. Indien men de Oester op de pan had laten blijven, zou zij wegens haar platten vorm niet gewild zijn. Van de „panperceelen” worden de collecteurs vóór 1 December naar de „oesterputten” overgebracht om te overwinteren; het afsteken heeft aan den vasten wal plaats, meestal in ’t voorjaar; de afgestoken Oesters vinden aanvankelijk een ligplaats in de „kweekbakken” of „hospitalen”; ondiepe bakken, bestaande uit een rand van hout of ijzer en een bodem van metaalgaas of doorboord zink, die de vrije doorstrooming van het water toelaat. Hier zijn de jonge dieren veilig tegen hunne talrijke vijanden en tegen het gevaar van verstikking onder zand of slib,—ook tegen de koude, bij tijdige overbrenging dezer bakken van de ondiepe „zaaiperceelen” naar de „putten”. De Oesters worden daarna vrij op diepere „zaaiperceelen” neergelegd om er te blijven, tot zij verkoopbaar zijn. Bovendien zijn voor den „broedval” nog zoogenaamde „natuurperceelen” in gebruik, die men, voornamelijk door er schelpen op te brengen, voor de aanhechting der oestertjes geschikt maakt. In den regel laat men het op deze perceelen aangeslagen broed gedurende den winter liggen en brengt het niet naar de putten over. De putten zijn afgeperkte terreinen, die hun water bij eb behouden. Sommige (de „vloeiputten”) liggen op een deel van den oesterbank, dat bij eb droog loopt en behouden dan hun water, daar zij door een laag walletje omgeven zijn. Andere (de „overloopsche putten”) zijn tegen den voet van den dijk aangebracht en aan de openwaterzijde afgesloten door een dijk, die bij vloed overstroomd wordt, hetgeen noodig is voor de waterverversching. Door duikers kan men, zoo noodig, al het water er bij eb uit laten wegvloeien en de put zorgvuldig reinigen. De diepte is voldoende om de pannen met de jonge oesters te beschermen tegen de nadeelige gevolgen van koude en stormweer. Sommige oesterondernemingen hebben binnendijks groote putten, welker vloer geheel gemetseld is en waarvan de wanden met sterke houten beschoeiingen bekleed zijn.

In 1886 schreef Dr. Hoek: „Thans is het geheele oestergebied van de Oosterschelde voor een gezamenlijk bedrag van ruim f 500000 aan verschillende pachters afgestaan. Het rijkste gedeelte is echter ongetwijfeld de ongeveer 1000 bunders groote bank, die men de Yersche oesterbank noemt. Deze is oorspronkelijk voor 10 jaren verpacht geweest; in 1880 werd den pachters vergund de pacht met 5 jaren te verlengen. Van 1870 tot 1885 heeft deze oesterbank ruim f 2000 ’s jaars aan pacht opgebracht. In 1883 heeft de nieuwe publieke verpachting, die met 1 April 1885 zou ingaan, plaats gehad. Hoewel het mogelijk, en voor sommige perceelen zelfs zeker is, dat grootere sommen besteed zijn, dan in alle opzichten door de opbrengst gebillijkt wordt, zoo mag het toch ongetwijfeld als een welsprekend bewijs voor den bloei van dezen tak van nijverheid gelden, dat diezelfde bank voortaan niet minder dan f 379000 aan jaarlijksche pacht opbrengt.” Het vervoer van Oesters langs de spoorwegen naar verschillende binnen- en buitenlandsche markten, dat in 1890 tot ruim 4.5 millioen KG. gestegen was, is sedert dien tijd aanmerkelijk afgenomen en bedroeg in 1892 weinig meer dan 1 millioen. Hoewel het in 1896 weer tot nagenoeg 2 millioen KG. vermeerderde, waren de financieele resultaten ook in ’t laatstgenoemde jaar ongunstig. Het Verslag van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Bergen op Zoom over 1896 bevat hierover de volgende mededeeling: „De concurrentie met Fransche en Engelsche Oesters nam belangrijk toe. Daar deze, vooral door de aanzienlijke mindere pachtsommen der gronden, voordeeliger gekweekt kunnen worden, vonden zij, behalve in hun eigen land, in België en Duitschland grooten aftrek. Dit had ten gevolge, dat het Zeeuwsche product slechts tot veel te lagen prijs van de hand te doen was. Daarbij kwam, dat vele kweekers, door concurrentiezucht en geldbehoefte gedreven, inferieure soorten naar verschillende vischmarkten in consignatie afzonden, waardoor gevaar voor vermindering van de renommée en de waarde der Zeeuwsche Oesters kan ontstaan. Deze tak van nijverheid verkeert in staat van verval; zoo niet spoedig zeer ingrijpende hervormingen plaats hebben, is het te vreezen, dat de tijd weldra zal komen, waarin deze industrie met ondergang wordt bedreigd.”

Nest van de Vijlmossel (Lima hians). Ware grootte.

Nest van de Vijlmossel (Lima hians). Ware grootte.

*

De Mantelschelpdieren (Pectinidae) hebben, evenals de Oesters, slechts één sluitspier en een geheel open mantel. Zij bezitten echter steeds een kleinen voet, die bij vele soorten in verband staat met een eigenaardigen, voor ’t spinnen van draden geschikten toestel, het byssusorgaan. Aan den bovenachterrand van den voet bevindt zich n.l. een kleine verhevenheid met een kuiltje er in, dat den „byssusstam” bevat; een van hier uitgaande, gootvormige groeve zet zich voort over de achterzijde van den voet tot dicht bij de spits, waar zich de „byssusklier” bevindt, die een kleverige, onder water spoedig verhardende stof afscheidt. Om een draad te spinnen, buigt het dier den voet achterover naar de „byssusholte” en raakt den hier reeds aanwezigen „byssusstam” aan met de kleverige vloeistof, die door de afvoeropening van de klier naar buiten treedt. Door vervolgens den voet te strekken, wordt in diens overlangsche groeve een draad gevormd, welks uiteinde, vastgehecht aan het een of ander voorwerp, zich tot een schijfje afplat of tot een bolletje verdikt. De op deze wijze gevormde bundel van draden wordt byssus of baard genoemd.

„Toen ik,” verhaalt Oscar Schmidt, „gedurende de maanden Mei en Juni van 1850 in de Bergener-fjord zeedieren verzamelde met het sleepnet, vond ik hierin eens een 12 cM. dikke kluit van zeer onregelmatigen vorm, welks bestanddeelen, steentjes en schelpgruis, door een groot aantal in allerlei richtingen dooreengewarde, geelachtige en bruine draden bijeen gehouden werden. „Een mosselnest!” riepen mijne roeiers, en werkelijk, toen ik de kluit omdraaide, blonk mij uit een tamelijk nauwe spleet de schitterend witte schelp van de Vijlmossel (Lima hians) te gemoet. Deze is langwerpig en gelijkkleppig; zij gaapt aan beide einden, het meest echter van voren. De talrijke oranjekleurige randdraden van den mantel, die door de openingen naar buiten treden, maken, zelfs wanneer het dier overigens rustig is, allerlei wormvormige bewegingen en worden, als het dier op zijn hoogst zonderlinge wijze zwemt, als een vurige staart medegesleept. Zoodra men n.l. de Mossel uit haar omhulsel verwijderd en in ’t water gezet heeft, opent en sluit zij hare schelpkleppen beurtelings met kracht en zwemt op deze wijze bij rukken in elke richting. Bij haar bevrijding uit het nest zijn enkele van de fraaie randdraden losgescheurd; deze schijnen hierdoor eerst recht levendig geworden te zijn, kronkelen zich op den bodem van den waterbak als Aardwormen en kunnen, wanneer men het water frisch houdt, zich een paar uren achtereen als levende wezens gedragen. Terwijl het dier zich in ’t nest bevindt, steken de draden—die van den naar binnen gekeerden rand van den (bijna overal open) mantel uitgaan en hieraan een dichte franje vormen—buiten de opening van ’t nest uit, zoodat er bijna niets van de schelp te zien is. De manteldraden zijn aan haar oppervlakte met wimpers bezet, die door haar aanhoudende beweging aan de mondopening kleine microscopische dieren en aan de kieuwen ademhalingswater toevoeren. Waarom een Schelpdier, dat zich zoo flink kan bewegen, een nest bewoont, waaruit het blijkbaar nooit te voorschijn komt, is niet recht duidelijk. Wanneer men het nest van nabij beschouwt, kan men zich een voorstelling vormen van de wijze, waarop het vervaardigd wordt. Het dier maakt allerlei voorwerpen, die het in zijn nabijheid vindt, door grove byssusdraden aan elkander vast, totdat de ruwe buitenwanden van de woning zijn opgebouwd; de hierbinnen overblijvende holte wordt bekleed met fijnere draden; ook in dit opzicht gelijkt dit bouwwerk op een kunstig en gemakkelijk vogelnest, dat van buiten weinig de aandacht trekt. De Mossel, die door haar gapende schelp onvoldoende beschut wordt, omgeeft haar woning met een vesting, die zelfs de vraatzuchtigste roofvisschen niet graag zullen verzwelgen. De draden, die de bouwstoffen van het nest verbinden, worden door het drogen zeer broos; daarom kan dit merkwaardige en volstrekt niet zeldzame gebouw moeielijk in een naturaliën-kabinet bewaard worden.”

Het typische geslacht der Mantelschelpen of Kamoesters (Pecten) is den lezer misschien bekend door het gebruik dat van de schelpen der grootste soorten gemaakt wordt als schotel voor fijne ragouts (ragout fin en coquilles). Met dezelfde schelpen zijn de pelgrims, die uit het Oosten terugkeeren, gewoon hoed en kleederen te versieren. Bij alle soorten is de schelp regelmatig en niet aan andere voorwerpen vastgegroeid; vele zijn ongelijkkleppig, daar de eene klep als een plat deksel op de andere ligt en deze schotelvormig is. Opmerkelijk zijn ook de ooren, die aan weerszijden van den top voorkomen, en de ribben, die zich bij de meeste soorten straalsgewijs van den top naar den rand uitstrekken. De mantel is aan den rand verdikt en met verscheidene rijen van vleezige tasters bezet, waartusschen een groot aantal oogen geplaatst zijn. Deze trekken bij de Mantelschelpdieren door hun diamant- of smaragdachtigen glans meer dan bij andere Plaatkieuwigen de aandacht. Zij zijn in de buurt van het slot (en meer bepaaldelijk er achter) het dichtst bijeen gezeten en worden op de convexe of onderste mantelhelft minder talrijk gevonden dan op de platte, bovenste. Bij de grootste soorten bereiken zij een middellijn van 1 mM.; tusschen deze groote oogen zijn kleinere gezeten; alle vertoonen echter een merkwaardigen glans, veroorzaakt door een eigenaardige gesteldheid van het regenboogsvlies, dat de lichtstralen terugkaatst. Het dier kan met deze oogen geen verafgelegen voorwerpen zien; zij dienen voor het doel, waarvoor wij kleine lenzen gebruiken en zijn alleen voor het waarnemen van voorwerpen in de onmiddellijke nabijheid geschikt. Als schildwachten hebben zij aan den rand van den mantel een geschikte plaats. Verkeerd zou het zijn, het gezichtsvermogen van de Mantelschelpdieren met hun geschiktheid tot springen en zwemmen in verband te brengen. Evenals bij de Vijlmossels, geschiedt de laatstgenoemde beweging door het plotseling sluiten van de schelp met behulp van de krachtige sluitspier.

Dat er geen reden bestaat om verband te zoeken tusschen de bedoelde bewegingen en het gezichtsvermogen, blijkt ook uit de aanwezigheid van oogen bij de nauw verwante Klepoesters (Spondylus). Deze groeien n.l. met de bolle schelpklep aan onderzeesche voorwerpen vast. Zij onderscheiden zich door het bezit van lange stekels op de ribben der schelp. In de Middellandsche Zee vindt men op betrekkelijk groote diepte veelvuldig de Lazarusklep (Spondylus gaederopus), die een purperkleurige bovenste klep heeft.

Verscheidene Mantelschelpdieren worden gegeten en munten uit door fijnheid van smaak.


Twee sluitspieren, waarvan de achterste groot, de voorste daarentegen zeer klein en onder het slot gelegen is, vindt men bij de Ongelijkspierige Asiphoniden (Asiphonida Heteromyaria); zij hebben den voet weinig, het byssusorgaan meestal krachtig ontwikkeld.

Stuk van den mantelrand van een Mantelschelpdier (Pecten) met tasters en oogen. Een weinig vergroot.

Stuk van den mantelrand van een Mantelschelpdier (Pecten) met tasters en oogen. Een weinig vergroot.

De Vleugelschelpdieren (Aviculidae) heeten zoo wegens de oor- of vleugelvormige uitbreiding, die in den regel naar voren en naar achteren (of althans in een van deze beide richtingen) van het slot uitgaan en den slotrand rechtlijnig maken. De schelp is dikwijls eenigszins ongelijkkleppig; de (in dit geval meer uitgeholde) rechter klep is naar den bodem gekeerd; voor vasthechting dienen byssusdraden, die door een insnijding onder het voorste oor van de rechter klep (of door een haar vervangende opening onder den top) naar buiten treden. De slottanden zijn klein of ontbreken. De schelp bestaat uit een binnenste parelmoerglanzige en een buitenste, soms bladerige, prismatische kalklaag; haar opperhuid is onbeduidend. Het indruksel van de achterste (grootste) sluitspier is op korten afstand boven het midden der schelp gelegen. Het voorste spierindruksel bevindt zich gewoonlijk bij de basis van het voorste oor. Het ontbreekt geheel bij de Hamerschelpen (Malleus), welke dezen naam ontleenen aan het ruggedeelte van de schelp, langs den rechtlijnigen slotrand. Dit gelijkt op een hamerkop en bestaat uit een vóór en een achter den top gelegen, lang en smal uitsteeksel; de steel van den hamer wordt dan voorgesteld door het zeer korte, lepelvormige buikgedeelte van de schelp, dat onder den top aanvangt en loodrecht naar beneden gericht is. Soorten van dit geslacht vindt men bij de kusten van Ceylon, China en Australië.

Van de levenswijze der Aviculiden valt niets bijzonders op te merken. Sommige, vooral de Pareloesters (Meleagrina) spelen echter een belangrijke rol wegens de kostbare producten (parels en parelmoer), die zij aan den handel leveren. De slotrand is bij alle Meleagrina-soorten naar voren, bij vele ook naar achteren oorvormig verlengd. Het slot is volkomen tandeloos, of heeft in elke klep een stompen tand. De rechter klep is vóór het voorste oor uitgesneden tot het doorlaten van den baard. Men kent een 30-tal soorten van dit geslacht, die alle de keerkringszeeën bewonen, met uitzondering van één in de Middellandsche Zee levende soort. Gewoonlijk zijn alle exemplaren, die op een bepaalde standplaats voorkomen, leden van dezelfde soort. Haar uitzicht verschilt zeer in verband met de gesteldheid van den tamelijk diepen zeebodem, waarop zij wonen, en met de planten en dieren, die zich op hare schelpen vestigen; hiernaar worden zij met verschillende namen aangeduid. De dikte van de laag schelpen, die den bodem bedekt, is ongelijk; volgens de verzekering van betrouwbare duikers bedraagt zij niet meer dan 1.5 à 2 voet; de banken zijn op een diepte van 3 à 15, gewoonlijk 5 à 8 vademen gelegen.

De belangrijkste en verst verbreide soort is de Echte Pareloester (Meleagrina meleagris). Zij wordt gevonden in den Perzischen zeeboezem, aan de kusten van Ceylon, bij de eilanden van den Grooten Oceaan, in de Roode Zee, in de Golf van Panama en van Mexico en aan de Californische kust. Verscheidene variëteiten komen voor, die vooral door de grootte en de dikte van de parelmoerlaag van elkander verschillen: de Ceylonsche heeft een kleine, voor den handel onbruikbare schelp; de Soendaneesche wordt 0.5 à 1 KG. zwaar en bevat een dikke, prachtig glinsterende parelmoerlaag.

„De kostbaarste parels,” schrijft Von Heszling, „worden gewoonlijk gevonden in het gespierde deel van den mantel dicht bij het slot; in alle andere lichaamsdeelen, aan de binnenste oppervlakte van de schelp en in de sluitspier kunnen echter parels voorkomen. Zij verschillen zeer in omvang; zelden overtreft haar grootte die van een kers; die welke een kleinen speldeknop evenaren, zijn zeer talrijk en heeten „seedpearls”. Kapitein Stuart vond 67, Cordiner 150 parels in één Oester; niet zelden komt het echter voor, dat men honderden schelpen achtereenvolgens opent, zonder een enkele parel te vinden. Opmerkelijkerwijze hebben de visschers van Pareloesters dezelfde ervaring opgedaan als die van Zoetwaterparelmossels: zij verwachten n.l. nooit fraaie parels in volkomen ontwikkelde, gladde schelpen, maar rekenen er vast op, ze te zullen vinden in dieren met verdraaide en misvormde schelpen en in die, welke op de diepste gedeelten van den zeebodem liggen.”

Pareloester (Meleagrina meleagris). ½ v. d. ware grootte.

Pareloester (Meleagrina meleagris). ½ v. d. ware grootte.

De parelvisscherijen aan de Perzische Golf zijn tegenwoordig in het bezit van den Sultan van Maskate; de parelhandel wordt bijna uitsluitend gedreven door Banianer groothandelaars, die in Maskate een eigen handelsgilde vormen. Het belangrijkste parelgebied strekt zich van de havenplaats Sjardsja westwaarts tot aan Biddulph’s eiland uit; langs deze kust mag ieder vrij visschen. In het gunstigste jaargetijde, van Juni tot het midden van September, houden zich hier ruim 30000 menschen in 4000 à 5000 vaartuigen, van gemiddeld 10 à 18 ton inhoud, met de parelvisscherij bezig. Geen hunner werkt voor een vast loon, alle krijgen een zeker aandeel in de winst. De visschers verdeelen zich vooraf in twee groepen: sommige blijven in de booten om de overige, die onderduiken, weer op te trekken. Iedere duiker heeft een kleinen korf bij zich, springt over boord en zet de voeten op een steen, die aan een touw bevestigd is. Op een door hem gegeven teeken laat de visscher, die in de boot zit, het touw los, waarna het met den duiker naar den zeebodem zinkt. Indien hij aankomt op een plaats, waar de Pareloesters dicht opeengepakt zijn, is het hem mogelijk er in éénmaal 8 à 10 los te scheuren. Door een ruk aan het touw noodigt hij de lieden in de boot uit om hem zoo snel mogelijk weer op te trekken. Gemiddeld vertoeft hij 40 seconden achtereen onder water. Ongelukken door Haaien komen niet dikwijls voor; meer vrees boezemt de Zaagvisch in: het is wel eens voorgekomen, dat dit gevaarlijke dier een duiker letterlijk doormiddensneed. Om beter den adem te kunnen inhouden, zet de duiker zich een hoornen knijper op den neus. Hij acht het niet noodig, bij iedere verschijning aan de oppervlakte aan boord te gaan, maar rust uit, terwijl hij zich vasthoudt aan de touwen, die van de boot afhangen; meestal zijn 3 minuten verpoozing voldoende om hem van de vermoeienis van ’t duiken te doen bekomen, waarna hij zich opnieuw in de diepte stort.

De parels worden in den regel door rotting van de weeke deelen uit de schelpen te voorschijn gebracht. Dit geschiedt te Aripo op Ceylon in vierhoekige, door hooge muren omgeven ruimten, welker hellende bodem van groeven is voorzien voor het laten wegvloeien van het vocht uit de met water gevulde reservoirs, waarin de Pareloesters liggen te rotten. De parels, die door het met rottingsproducten beladen water worden medegevoerd, blijven achter voor schotten van gaas, die in de geulen zijn aangebracht.

In 1889 bedroeg de opbrengst van de parelvisscherijen aan den Perzischen zeeboezem f 3600000. Op Ceylon, waar de Engelsche regeering het monopolie van de vangst heeft, worden ieder jaar bepaalde banken bevischt, die vervolgens 6 à 7 jaar achtereen onaangeroerd blijven liggen. Hierdoor is de jaarlijksche opbrengst aan groote afwisseling onderhevig; zij bedraagt soms niet meer dan f 300000 en stijgt in andere jaren tot f 2400000.—De parelvisscherij in Mexico leverde in 1889 een bedrag van 85000 dollars op.—Bij scheepsladingen worden van verschillende oorden de parelmoerschelpen naar Europa vervoerd.

De schelp van de Steekmossels (Pinnidae) is, in tegenstelling met die der Pareloesters, nagenoeg geheel door de dunne prismatische kalklaag gevormd en slechts aan haar voorste en oudste gedeelte met een nauwelijks waarneembare parelmoerlaag bekleed. Hare gelijke, van buiten meestal geschubde kleppen zijn langwerpig, driezijdig: aan het scherphoekige vooreinde bevindt zich de rechte spits; het achtereinde is breed en gapend. De voorste helft van de langste rechte zijde wordt door den smallen, inwendigen slotband ingenomen. Onder de spits treft men de kleine, voorste, op korten afstand van het midden de groote, achterste sluitspier aan. De mantel is geheel open. De slanke, wormvormige voet heeft den dichten bundel van byssusdraden gesponnen, die aan de buikzijde op korten afstand van den top uit de schelp te voorschijn komt. De Steekmossels bewonen de zeeën van de heete en gematigde aardgordels; vooral in stille zeeboezems met slikgrond leven zij, op een diepte van eenige voeten, meestal in grooten getale bijeen. De grootste soort is de (soms wel 80 cM. lange) Geschubde Steekmossel (Pinna squamosa) der Middellandsche Zee. Evenals de 20 à 30 cM. lange Edele Steekmossel (Pinna nobilis), wordt zij, vooral in de golf van Tarente, veelvuldig gevischt. Haar vleesch levert een niet bijzonder smakelijk gerecht. De 10 à 25 cM. lange, geelachtig bruine byssus wordt o.a. in Tarente, Reggio en Cagliari (al of niet met zijde gemengd) tot draden versponnen en vervolgens tot allerlei fraaie en duurzame voorwerpen (handschoenen, beurzen, enz.) verwerkt, die echter niet als artikelen voor dagelijksch gebruik, maar veeleer als curiositeiten beschouwd worden. In de schelpen van Pinna-soorten worden dikwijls zoogenaamde Mosselkrabbetjes (Pinnotheres), gevonden.

Gewone Mossel (Mytilus edulis), geopend door het wegnemen van de linker schelpklep en het terugslaan van de linker mantelhelft. (Ware grootte). Aan weerszijden van den mond (f) ziet men de beide langwerpige, smalle mondlobben (g), verder achterwaarts de beide kieuwplaten (i en j) van de linkerzijde, (e) en (d) zijn de spieren, die den voet (b) terugtrekken. De geringe grootte van dit vingervormig lichaamsdeel wijst reeds aan, dat het ongeschikt is om als bewegingsorgaan dienst te doen. Het is een spintoestel, bestemd om het afscheidingsproduct der byssusklier, die in een holte onder en achter zijn basis gelegen is, tot draden te verwerken, die gezamenlijk den baard of byssus (c) vormen. Bij de byssusholte begint de overlangsche groeve, die zich over de geheele achterzijde van den voet uitstrekt, en in een korte, diepe dwarsgroeve eindigt; hierin ligt een halvemaanvormige plaat met 7 openingen aan den hollen voorrand. Deze spinplaat wordt tegen de byssusklier gedrukt; de hieruit ontwijkende, kleverige stof wordt bij het strekken van den voet tot een draad uitgetrokken, die in de gootvormige groeve ligt. Met de spinplaat wordt het einde van den nog weeken draad tegen het een of ander voorwerp aangedrukt en tot een schijfje verbreed.

Gewone Mossel (Mytilus edulis), geopend door het wegnemen van de linker schelpklep en het terugslaan van de linker mantelhelft. (Ware grootte). Aan weerszijden van den mond (f) ziet men de beide langwerpige, smalle mondlobben (g), verder achterwaarts de beide kieuwplaten (i en j) van de linkerzijde, (e) en (d) zijn de spieren, die den voet (b) terugtrekken. De geringe grootte van dit vingervormig lichaamsdeel wijst reeds aan, dat het ongeschikt is om als bewegingsorgaan dienst te doen. Het is een spintoestel, bestemd om het afscheidingsproduct der byssusklier, die in een holte onder en achter zijn basis gelegen is, tot draden te verwerken, die gezamenlijk den baard of byssus (c) vormen. Bij de byssusholte begint de overlangsche groeve, die zich over de geheele achterzijde van den voet uitstrekt, en in een korte, diepe dwarsgroeve eindigt; hierin ligt een halvemaanvormige plaat met 7 openingen aan den hollen voorrand. Deze spinplaat wordt tegen de byssusklier gedrukt; de hieruit ontwijkende, kleverige stof wordt bij het strekken van den voet tot een draad uitgetrokken, die in de gootvormige groeve ligt. Met de spinplaat wordt het einde van den nog weeken draad tegen het een of ander voorwerp aangedrukt en tot een schijfje verbreed.

De Mossels i.e.z. (Mytilidae) hebben, evenals de leden der vorige familie, een gelijkkleppige, meestal dunwandige schelp met een aan (of dicht bij) het vooreind gelegen spits en een langen, smallen, min of meer inwendigen slotband. De schelp is bij sommige geslachten driehoekig, bij andere langwerpig eivormig, steeds van buiten met een dikke, hoornachtige opperhuid bekleed, van binnen parelmoerglanzig. Het slot is tandeloos, of heeft een nauwelijks merkbaar tandje. De kloak is steeds door een strookje, dat de mantelranden van achteren verbindt, van de aanvoer-opening der mantelholte gescheiden. Soms zijn beide openingen tot een korte buis verlengd. De voet is in den regel cilindervormig, de byssus of baard sterk ontwikkeld. De beide laatstgenoemde deelen kan men bij de Gewone Mossel (Mytilus edulis) onzer zeeën gemakkelijk nagaan. Ieder die Mossels plukt, zal zich over de stevigheid der baarddraden verwonderen; zij zijn tegen de sterkste strooming en branding bestand. Met deze draden kan de Mossel echter ook nog iets anders doen dan zich vasthechten; zij wordt er door in staat gesteld van plaats te veranderen. Door samentrekking van de spieren voor het terugtrekken van den voet vermindert zij zoo veel mogelijk den afstand die haar van de plaats van aanhechting van den byssus scheidt, zendt met den voet eenige draden uit naar een punt, gelegen op den weg, dien zij wil volgen, schuift, zoodra deze vastzitten, den voet tusschen de oude draden en scheurt ze met een plotselingen ruk een voor een, los. Zij hangt nu aan de pas gesponnen draden en gaat hiermede op dezelfde wijze te werk, na zich vooraf op nieuw voor anker te hebben gelegd.

Deze Mossel gedijt het best in de Noordzee en in de zeeën van Noord-Europa, doch ook in de Middellandsche Zee overal, waar zij geschikte plaatsen vindt om zich vast te hechten. Zij is een van de weinige Schelpdieren (of liever Zeedieren in ’t algemeen), die uit de zeeën met normaal zoutgehalte, zooals de Noordzee, in de zeeën en binnenzeeën met geringer zoutgehalte, zooals de Oostzee, overgaan. Ook in de Kaspische Zee treft men haar en eenige andere soorten van Plaatkieuwigen aan, hoewel zij zich in dit minder zoute water niet zoo krachtig ontwikkelen.

Overal waar de Gewone Mossel voorkomt, gebruikt men haar hetzij als lokaas bij de vischvangst, hetzij als spijs voor den mensch; met het oog op het laatstgenoemde doel heeft men op vele plaatsen maatregelen genomen om geregeld aan de vraag naar dit artikel te kunnen voldoen, door inrichtingen voor mosselteelt. De bewoners van Ellerbeck, een oud, schilderachtig gelegen visschersdorp, tegenover Kiel, hebben op perceelen, die bij hunne woningen behooren, mosselpalen onder water in den zeebodem geplant. Hiervoor worden bij voorkeur elzen gebruikt, omdat zij goedkooper zijn dan eiken en beuken, die echter ook wel voor genoemd doel dienen. De visschers nemen de dunste twijgen weg, snijden het jaartal in den stam, hakken er van onderen een punt aan en bevestigen hem met behulp van een touw en een in een gaffel eindigenden stok op 2 of 3 vademen diepte in het met levend of dood zeegras bedekte deel van den zeebodem in den grond. Het „zetten” van de mosselboomen heeft plaats in ieder jaargetijde; „getrokken” worden zij uitsluitend in den winter, omdat in dezen tijd, vooral als de zee met ijs bedekt is, de Mossels het smakelijkst zijn en haar gebruik dan geen nadeelige gevolgen heeft. De visschers vinden hunne mosselboomen terug door merkteekens op de kust, die van uit de zee zichtbaar zijn. Ter rechter plaatse aangekomen, maken zij de schuit vast aan een in den grond gestoken staak en trekken vervolgens den mosselboom boven water aan een touw met een haak, dat zij om den stam slingeren. Bij bundels en klompen hangen er groote Mossels aan, die door middel van de byssusdraden aan het hout of aan de schelpen harer buren vastgehecht zijn; tusschen en op de schelpen wemelt het van allerlei zeedieren.

In de Bocht van Kiel worden ieder jaar ongeveer 1000 mosselpalen gezet en een even groot aantal getrokken, nadat zij 3 à 5 jaren gestaan hebben. Op de markt te Kiel komen per jaar ongeveer 800 ton Mossels, die ieder gemiddeld 42000 stuks bevatten; in ’t geheel worden dus in iederen winter bijna 3.5 millioen van deze Weekdieren verzameld. Het eene jaar is voordeeliger dan het andere, niet slechts wat de hoeveelheid, maar ook wat de kwaliteit van het product betreft.

Op onze kusten, doch vooral in de Westerschelde, wordt de mosselkweekerij uitgeoefend door op hiervoor bestemde perceelen de van elders aangevoerde jonge Mossels (zoogenaamd „mosselzaad”) uit te strooien (te „planten”). Het van ondiepe plaatsen verkregen mosselzaad verdient de voorkeur boven dat, hetwelk van diepe plaatsen (b.v. uit de Grevelingen) afkomstig is, daar zich hierbij meer „zaad” van Vijfhoeken (Zeesterren) bevindt, waarmede dan de kunstmatige mosselbanken worden aangestoken. Van deze dieren en ook van de felle ooste- en noordoostewinden hebben de banken veel te lijden.

De mosselvisscherij wordt vooral uitgeoefend te Philippine, vanwaar in 1896, vooral naar België, uitgevoerd werden 800 000 ton (à 90 KG.) mosselen; de gemiddelde opbrengst per ton was f 2. Van Bruinisse bedroeg de uitvoer 108 000 ton. In sommige provinciën worden Mossels gebruikt ter bemesting van het land; o.a. door Wieringer visschers worden zij met dit doel gekord en voor f 0.30 per HL. verkocht.

Het eten van Mossels schijnt niet ieder goed te bekomen; bij sommigen veroorzaakt deze spijs een soort van huiduitslag (ook Kreeften brengen soms een dergelijk verschijnsel teweeg). Soms heeft het gebruik van Mossels, evenals dat van vele andere Schelpdieren (Oesters, Kokkels, Kreukels, Wijngaardslakken, enz.) ernstiger ziekteverschijnselen en zelfs sterfgevallen ten gevolge. Volgens de onderzoekingen van Salkowski en Brieger behoort het „mosselgif” (mytilotoxin), evenals het „lijkengif” en het „worstgif”, tot de zoogenaamde ptomaïnen, die een op curare (Indiaansch pijlgif) gelijkende werking op het organisme uitoefenen. Het ontstaat echter niet door rotting, maar komt reeds in de levende Mossel voor, vooral in de lever, en wel bij dieren, die uit onzuiver, stilstaand water opgehaald zijn, niet bij die, welke op zuiveren zandgrond in de open zee leefden.

Tot de Mytilaceën behooren ook de Steendadels (Lithodomus), welker bijna cilindervormige, aan beide einden afgeronde schelp met een zeer dikke opperhuid bedekt is. Alle soorten van dit geslacht leven en zitten onbeweeglijk vast in zelf gemaakte gaten in steenen, steenkoralen en dikwandige schelpen. Gedurende haar jeugd zijn zij door byssusdraden vastgehecht. Door korte siphonen aan het achtereinde hebben de aanvoer en de afvoer van het water plaats.

Steendadel (Lithodomus lithophagus). Ware grootte.

Steendadel (Lithodomus lithophagus). Ware grootte.

Het meest bekend is de Gewone Steendadel (Lithodomus lithophagus), die de Middellandsche Zee bewoont. Dit dier levert een zeer gewilde spijs; hoewel bijna overal aanwezig in de door kalksteen gevormde kusten, komt het nooit in groote hoeveelheid op de markt, daar het openen van zijn hol een moeielijken en tijdroovenden arbeid vereischt. Op een geheel andere wijze dan de Steenborers of Pholaden dringen de Steendadels in het gesteente door: hun schelp is glad, vertoont geen spoor van tandjes, die als vijl of rasp zouden kunnen dienen. Men moet dus wel aannemen, dat zij de door hen bewoonde holen maken en allengs verlengen en verwijden door de bestanddeelen van het gesteente op te lossen; de stof die zij met dit doel uitscheiden, heeft men nog niet kunnen ontdekken; zoowel over haar scheikundige samenstelling als over het orgaan, waarin zij gevormd wordt, verkeert men dus nog in onzekerheid. Het vermoeden is geopperd, dat hierbij het door de ademhaling geleverde koolzuur in ’t spel zou zijn; de dikke opperhuid kan de brooze schelp tegen de oplossende werking van het koolzuurhoudend water beschutten.

De beroemdste woonplaats van deze rotsbewoners is de Serapis-tempel te Puzzuoli aan de Golf van Napels, welks ruïnen in 1749 door opgravingen werden blootgelegd. Hiertoe behooren drie marmeren zuilen van ongeveer 13 M. hoogte, die nog steeds op hare voetstukken rusten. Op een hoogte van 4 à 5 M. boven den tegenwoordigen zeespiegel bevindt zich een 1 M. breeden gordel van gaten, die door Steendadels gemaakt zijn, gelijk blijkt uit de schelpen, die thans nog 15 cM. diep in vele van deze gaten voorkomen. De zee moet dus, toen deze dieren leefden, 6 M. hoog in de bouwvallen van dezen tempel gestaan hebben. Hieruit valt af te leiden, dat de kuststreek in de nabijheid van Puzzuoli na het bouwen van den tempel aanmerkelijk gedaald is en dat de bodem na geruimen tijd overstroomd te zijn geweest, zich opnieuw tot de tegenwoordige hoogte verheven heeft.

De Riviermossels (Dreyssena of Tichogonia) verschillen van de leden van het geslacht Mytilus, doordat de mantelhelften aan den rand nagenoeg overal met elkander vergroeid zijn; er blijven slechts drie enge openingen over: een voor het uittreden van den voet en den byssus, een tweede voor het binnenlaten van voedsel en ademhalingswater, de derde voor het afvoeren van de uitwerpselen en van het water, dat voor de ademhaling gediend heeft. De schelp is gelijkkleppig en driehoekig; de spits is aan den scherpen hoek gelegen. Aan de buitenzijde is iedere klep van de spits tot den achterrand gekield, van binnen bij de spits tusschen rug- en buikrand van een plaatvormige lijst voorzien, waarop het indruksel van de voorste sluitspier voorkomt. Van de 6 hedendaagsche soorten is vooral de Europeesche Dreyssena polymorpha merkwaardig wegens de groote uitbreiding, die haar gebied in buitengewoon korten tijd ondergaan heeft. Deze bij de lagere dieren zoo zeldzame gebeurtenis kan nog het best vergeleken worden met den zegetocht van de Grauwe Rat door alle landen van West-Europa en met de verspreiding van dit Knaagdier over alle werelddeelen.

De natuuronderzoekers van de vorige eeuw kenden de Dreyssena slechts als bewoonster van de rivieren van Zuid-Rusland. Het oudste bericht over een andere woonplaats van dit dier is afkomstig van C. E. von Bär, die het in 1825 in ontzaglijk grooten getale in het Frische en het Koerische Haff en, op vele mijlen afstands van de zee, in de naburige groote rivieren aantrof, bij hoopen met den byssus vastgehecht aan steenen en aan schelpen van andere Weekdieren. Terzelfder tijd vond men het plotseling in de Havel, niet ver van Potsdam, en in de naburige meren. Eenige jaren later, in 1835 ongeveer, ontsierde het in groote massa’s de in ’t water staande palen bij het Pauweneiland, niet ver van Potsdam. Nog altijd is deze soort in de Havel en het Tegel-meer zeer talrijk vertegenwoordigd, ook heeft zij zich in de Spree, dicht bij Berlijn, vertoond. Men weet zeker, dat zij in 1824 in den benedenloop van de Donau voorkwam, maar niet, of zij er reeds vroeger leefde; in 1868 werd zij bij Regensburg waargenomen, nog later bij Vilshofen. Uit den Havel, die tot het stroomgebied van de Elbe behoort, is zij stroomopwaarts tot Maagdenburg en Halle doorgedrongen. In onze riviermonden werd zij voor ’t eerst in 1826 opgemerkt, thans vindt men haar overal in den Rijn, van de Zwitsersche grenzen tot aan de zee, ook in den Neckar en de Main. Van Nederland uit heeft zij zich over België en Noord-Frankrijk tot Parijs verbreid en is vervolgens uit het stroomgebied van de Seine in dat van de Loire overgegaan. In Engeland heeft men haar voor ’t eerst in 1824 in de dokken van Londen gezien; thans bewoont zij verscheidene rivieren van Engeland en Schotland. De verspreiding van deze Mossel geschiedde ongetwijfeld door schepen en houtvlotten, waaraan zij zich had vastgehecht, langs de gewone waterwegen; de scheepvaartkanalen brachten haar van ’t eene stroomgebied naar ’t andere. Gedurende de zeereis naar de monden van den Rijn en naar Engeland was zij waarschijnlijk niet aan de buitenste oppervlakte van het schip vastgehecht, maar aan de lading, aan het voor den scheepsbouw bestemde hout. Te midden van een grooten klomp dezer Weekdieren kunnen enkele exemplaren ongetwijfeld verscheidene dagen buiten water leven, langer althans dan in zeewater, dat voor zoetwaterdieren in den regel schadelijk is. Ten onrechte heeft men wel eens beweerd, dat Dreyssena zoowel in zoetwater als in de zee kan leven. In de Oostzee komt zij uitsluitend binnen, niet buiten de Haffen voor; bij Swinemunde vindt men enkele exemplaren tot aan de binnenzijde van den dam, geen enkele echter aan den buitenkant.


De Gelijkspierige Asiphoniden (Asiphonida Homomyaria) hebben een gelijkkleppige schelp en twee sluitspieren, van nagenoeg gelijke dikte; de mantelhelften zijn gescheiden of aan den achterrand onder de kloakopening door een brugje vereenigd; de voet is goed ontwikkeld. De belangrijkste hiertoe behoorende familie is die der Najaden (Najades of Unionidae), waarvan onze groote, algemeen bekende Zoetwatermossels vertegenwoordigers zijn. Alle hebben een gesloten schelp, samengesteld uit een dikke, donkergroene of bruinachtige opperhuid, een dunne, prismatische kalklaag en een dikke parelmoerlaag. De slotband is uitwendig. De beide spierindruksels zijn nagenoeg even ver van den rand verwijderd; achter de voorste komen twee voetspierindruksels voor, vóór de achterste één.

Bij de Stroommossels (Unio) is de schelp dikwandig en de top veel dichter bij het vooreinde dan bij het achtereinde gelegen; de rechter schelpklep heeft vóór den top een korten, stevigen middeltand en er achter, onder den slotband, een langen, aan den rand evenwijdig loopenden zijtand; tegenover deze bevinden zich aan de linker schelpklep twee stevige middeltanden en twee lange zijtanden. Van dit geslacht zijn ongeveer 500 levende soorten uit alle werelddeelen en alle aardgordels bekend.

De Unioniden, die men meer bepaaldelijk Zoetwatermosselen noemt (Anodonta), komen door lichaamsbouw en levenswijze met de reeds genoemde overeen, doch zijn meer dan deze tot slijkerig, stilstaand en langzaam stroomend water beperkt. Enkele soorten of verscheidenheden treft men echter ook in groote, zeldzamer in kleine rivieren aan, op plaatsen waar zij eenigszins tegen den stroom beschut zijn. Vooral in de afvoergeulen van groote plassen schijnen zij zich gaarne te vestigen. De naam Anodonta (die „tandeloos” beteekent) is gerechtvaardigd door het volkomen gemis van slottanden; wel komt onder den zeer dikken slotband een stompe, overlangsche lijst voor; de slotrand is dun, evenals de geheele brooze schelp. Zoowel van de Unionen als van de Anodonten, zijn een groot aantal vormen als afzonderlijke soorten beschreven, die hoogstens op den rang van verscheidenheden aanspraak kunnen maken. Iedere beek, rivier of plas geeft schelpen van eigenaardige gedaante te aanschouwen; bovendien gaan wijzigingen van de breedte en diepte van het stroombed, van de grondgesteldheid en van de stroomsnelheid niet zelden gepaard met verandering van den vorm der schelp. De ondiepe, aan de heerschende windrichting tegenovergestelde zijde van groote plassen of binnenmeren wordt dikwijls bewoond door geheel andere verscheidenheden dan de meestal diepere overkant. Ieder, die eigenhandig honderden van Anodonten en Unionen in verschillende oorden verzamelde, of in grooten getale van anderen kreeg met nauwkeurige vermelding van de vindplaats, zal zich minder verwonderen over de ontvangst van eigenaardige variaties van sommige soorten dan over het nu en dan waarnemen van vormen, gelijk aan die, welke hem reeds van elders bekend zijn.

De Anodonten, die in Duitschland (en Nederland) voorkomen, worden door Clessin tot 2 soorten gebracht: de Bolle Zoetwatermossel (Anodonta mutabilis) en de Platte (A. complanata). Van de talrijke variëteiten der eerstgenoemde soort is de Zwanenmossel (var. cygnea), die plassen met slibrijken, weinig humus bevattenden bodem bewoont, de grootste, daar zij soms bij 190 mM. lengte, 80 mM. breedte en 60 mM. dikte heeft. Een van de kleinste rassen is de Eendenmossel (var. anatina), die in langzaam stroomende beken leeft en 90 mM. lang, 48 mM. breed en 30 mM. dik kan worden. Gelijke lengte, doch een geringere breedte en dikte heeft de meest gewone Unio-soort, de Verfmossel (Unio pictorum); haar schelp is langwerpig met nagenoeg evenwijdigen boven- en onderrand.

Rivierparelmossel (Margaritana margaritifera); rechts een half-geopend exemplaar met mantelparel; op den achtergrond verhuizende exemplaren. 1. Doorgezaagde parel. 2–8. Verschillende vormen van parels.

Rivierparelmossel (Margaritana margaritifera); rechts een half-geopend exemplaar met mantelparel; op den achtergrond verhuizende exemplaren. 1. Doorgezaagde parel. 2–8. Verschillende vormen van parels.

Vele soorten van Unioniden brengen parels voort; bijzonder rijk aan dit kostbare product is echter de in Nederland ontbrekende Rivierparelmossel (Margaritana margaritifera), die hoofdzakelijk wegens het gemis van zijtanden niet meer tot het geslacht Unio wordt gerekend. Van de reeds genoemde Unioniden verschilt zij door de dikwandigheid van haar schelp, die in sommige gewesten (Saksen, het noorden en oosten van Beieren) een lengte van 110 à 140 mM. kan bereiken. (Bij 120 mM. lengte is zij 50 mM. breed en 30 mM. dik.) Deze soort heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied: zij leeft in de rivieren van de westkust van Ierland en in die van den Oeral, bewoont Scandinavië en Noord-Rusland tot aan de IJszee, houdt zich op in de monden van den Don zoowel als in de snelstroomende beken der Pyreneën en komt ook in Noord-Amerika voor. Hoewel het kalkgehalte van den bodem een gunstigen invloed uitoefent op de verbreiding der meeste Weekdieren, gedijt juist deze soort het best in stroomen, die in graniet- of gneiss-lagen (gesteenten met veel kiezelzuur, doch zeer weinig kalk) ontspringen en verder uitsluitend door gewesten vloeien, welker bodem eveneens deze samenstelling heeft, in Duitschland o.a. in het Beiersche Woud, het Fichtelgebergte en het Saksische Vogtland. Daar de Parelmossels zich bijna uitsluitend voeden met rottingsproducten van waterplanten, die de geringe hoeveelheid kalk van het water in hare weefsels ophoopen, kunnen zij in kalkarm water een dikwandige schelp verkrijgen. Hoewel de Parelmossels bijna voortdurend in flegmatische rust verkeeren, merkt men bij hen duidelijke bewijzen van geschiktheid tot beweging op. Die welke na bezichtiging weer in ’t water werden geworpen, waren den volgenden dag tot in het midden van de beek voortgeschreden, zooals bleek uit de groeven, die zij in ’t zand hadden achtergelaten. Zij bewegen zich echter zeer langzaam en over een geringen afstand: gemerkte exemplaren vond men dikwijls na verloop van 6 à 8 jaren tamelijk dicht bij hun oorspronkelijke ligplaats terug.

Het grootendeels in apathische rust doorgebrachte leven dezer dieren duurt zeer lang, wanneer het niet door een noodlottig toeval wordt verkort. In de lente loopen zij gevaar, dat de sterk gezwollen stroom hen onder gruis en steenen bedelft; ’s winters hebben zij in kleine beken veel van de vorst te lijden; voortdurend wordt hun leven door de hebzucht van den mensch en door de vraatzucht van Otters, Eksters, Raven en Kraaien bedreigd. Hunne weeke deelen leveren een goed lokaas voor de vangst van Visschen en Kreeften, een geschikt voedsel voor het mesten van Eenden en Zwijnen. De dikwandigheid der schelp in het zoo weinig kalk bevattende water getuigt van den hoogen leeftijd dezer dieren; dat zij 70 of 80 jaar oud kunnen worden, is gebleken uit het vinden van schelpen, die met een jaartal gemerkt waren. De berichten over een nog hoogeren ouderdom (200 jaar) berusten op geen vasten grond.

Een even rustig leven als de Parelmossels leiden onze Unionen en Anodonten. Zij brengen in de zomermaanden een verbazend groot aantal eieren voort; deze worden door trilhaarbeweging vervoerd naar de tijdelijk als broedzakken dienende holten van de buitenste (soms ook van de binnenste) kieuwen, die hierdoor tot een aanmerkelijke dikte opzwellen. De ontwikkeling van de kiem in deze eieren werd voor ’t eerst door Leeuwenhoek waargenomen en beschreven. Hij zag haar reeds op zeer jeugdigen leeftijd met trilharen uitgerust en in draaiende beweging te midden van de vloeistof, die de eihuid vult. Wanneer men dit merkwaardige verschijnsel nagaat na het ontstaan van de eerste beginselen der schelp en de dunne eihuid breekt, zoodat het embryo vrij in het water komt te liggen, ziet men de schelp eensklaps opengaan, daar de sluitspier (het embryo heeft er slechts één) nog niet sterk genoeg is om de spanning van den slotband te overwinnen. Van tijd tot tijd doet het arme dier vruchtelooze pogingen om door spiersamentrekking de beide schelpkleppen weder bij elkander te brengen. In dit stadium van ontwikkeling verkeert het embryo als de moeder hare eieren uitwerpt; kort daarna worden de met een kopscherm uitgeruste larven vrij, hechten zich door middel van een byssusdraad aan de huid van Zoetwatervisschen en brengen hier 2 à 3 maanden door; nu is de gedaantewisseling afgeloopen en neemt het leven op den bodem een aanvang.

De parels bestaan, evenals de schelp, uit fijne, organische vliezen en de daartusschen afgezette koolzure kalk. Een zuivere, vlekkelooze parel heeft geen bepaalde kleur, vertoont geen anderen weerschijn dan de parelmoerlaag en komt met deze in samenstelling overeen. Parels van het zuiverste „water” hebben een onbeschrijfelijk zachte, melkwitte, zilverheldere glans, waarmede nagenoeg geen regenboogskleuren gemengd zijn. Het iriseerend vermogen hangt af van de wijze, waarop de kalk tusschen de organische vliezen is afgezet; aan de dikte dezer vliezen dankt de parel de zachtheid van het teruggekaatste licht, waardoor zij het oog nog het meest bekoort. De Oostersche parels munten boven alle andere uit, omdat bij haar zelfs de prismatische kalk, die niet minder dikwijls dan het parelmoer als bestanddeel van de parel optreedt, bijna geen spoor van kleur vertoont en dus het licht beter doorlaat dan de gekleurde, prismatische kalk der door Unioniden voortgebrachte parels. Een prachtige, zuiver ronde, Oostersche parel van 27⅞ karaat, die Von Heszling in de verzameling naturaliën en kunstvoorwerpen van de Gebroeders Zosima te Moskou zag, rolde als een groote, fraai glinsterende kwikzilverdruppel over het fijne batist, waarop zij tentoongesteld werd. Alle parels ter grootte van een walnoot of van een duivenei waren afkomstig van Zeepareloesters uit den Perzischen zeeboezem of van de Amerikaansche kust. De Europeesche en meer bepaaldelijk de Beiersche parels kunnen den omvang van een groote erwt of van een kleine boon bereiken, maar zijn dikwijls niet grooter dan een speldekop en nog vaker veel kleiner.

De parel heeft haar ontstaan te danken aan den prikkel, die een fijnkorrelig, vreemd lichaam op het kalkafscheidende deel van den mantel uitoefent; rondom deze kern worden concentrische lagen van organische stof en koolzure kalk afgezet, die, wanneer zij vrij tusschen den mantel en de schelp liggen, de kostbare parel vormen. Dikwijls zijn de parels met de schelp vergroeid, of vertoont deze uitwassen, die op parels gelijken. De vreemde lichaampjes ter grootte van 0.02 à 0.1 mM., die als kernen optreden, zijn meestal kwartskorreltjes, plantendeeltjes of schilfertjes van de opperhuid der schelp. De parels groeien zeer langzaam. Een vol jaar nadat in de Mossel een vreemd lichaam was gebracht, had de hierop afgezette laag nog geen meetbare dikte. Volgens ervaringen, door visschers bij gemerkte Parelmossels opgedaan, bereiken parels van speldekopgrootte in ongeveer 12 jaar den omvang van een erwt. Hieruit vloeit voort, dat het parelvisschen alleen met tusschenruimten van vele jaren op dezelfde plaats met voordeel kan geschieden.

De parelvisscherij is in Europa een kroondomein; haar opbrengst is in de meeste landen zeer gering. In Saksen werden van 1826 tot 1836 140 parels gevonden ter waarde van nog geen f 150. De parelvisscherijen van Beieren leverden in 43 jaar, van 1814 tot 1857, 158880 parels op. De opbrengst aan parels uit de Moldau, over den 8 mijlen langen afstand van Rosenberg tot Moldautein, wordt op 8000 à 12000 gulden per jaar geschat. Gemiddeld vindt men in 103 Parelmossels één parel van geringe waarde, in 2215 één middelmatige, in 2708 een goede parel.

Reeds sinds een paar duizend jaar wenden de Chineezen middelen aan om de Parelmossels te nopen in minder tijd meer arbeid te verrichten. Met dit doel worden vreemde lichamen gebracht tusschen de schelp en den mantel. „De uitoefening van deze industrie is,” volgens Mac-Gowan, „beperkt tot twee bijeengelegen plaatsen in het noorden van de provincie Tsjekiang. Gedurende de maanden Mei en Juni worden in korven groote hoeveelheden Mossels (Anodonta plicata) uit het meer Thai-hoe ingezameld en hiervan de grootste exemplaren uitgekozen. Daar zij gewoonlijk door de reis eenigszins geleden hebben, gunt men haar in bamboes-mandjes, die in het water gedompeld worden, eenige dagen rust, voordat men ze ter wille van de menschelijke ijdelheid kwelt. Dit geschiedt door het plaatsen van korrels of matrijzen in de voorzichtig geopende Mossel. De hiervoor dienende korrels zijn gewoonlijk vervaardigd van klei, dat met sap van den kamferboom tot een deeg is aangemengd. De matrijzen die het best een bekleeding met parelmoer aannemen, worden uit Canton ingevoerd, waar men ze, naar het schijnt vervaardigt door onregelmatige stukjes parelmoer van de Zeepareloesters (Meleagrina margaritifera) in een ijzeren bak zoo lang met zand te schuren, totdat zij glad en rond zijn. Ook dienen als matrijzen kleine figuurtjes van lood, die meestal Boeddha in zittende houding of Visschen voorstellen. Deze voorwerpjes worden na het openen van de schelp met een parelmoeren spatel in twee evenwijdige reeksen neergelegd op de buitenste oppervlakte van den vooraf eenigszins opgelichten mantel, eerst op de eene, vervolgens ook op de andere mantelhelft. De hierdoor veroorzaakte pijn noopt het dier den mantel krampachtig tegen de schelp te drukken, zoodat de voorwerpjes op hun plaats blijven. De dus voorbereide Mossels worden (soms ten getale van 50000) op den 7 à 17 dM. diepen bodem van kanalen, plassen of vijvers, op 10 à 14 cM. afstand van elkander neergelegd. Eenige dagen later zijn de vormen door een vliezige uitscheiding aan de schelp bevestigd; later vindt men dit vliesje met kalk doordrongen en eindelijk hebben zich rondom de kern lagen parelmoer gevormd. In November, volgens andere berichtgevers eerst na 10 maanden of zelfs eerst na 3 jaar, worden de Mossels geopend, de weeke deelen er uitgesneden en de parels met een scherp mes losgemaakt. De parelmoeren kernen laat men er in blijven; die van klei of metaal worden weggenomen, de holte met gesmolten hars gevuld en met een stukje parelmoer gesloten. In dezen toestand gelijken zij op halfbolvormige parels en staan in glans en schoonheid bij de massieve niet achter, hoewel zij voor een veel lageren prijs verkrijgbaar zijn”.

Von Heszling heeft de bruikbaarheid van de Chineesche handelwijze op de Europeesche Parelmossel beproefd, doch ongunstige uitkomsten verkregen.