Wij noodigen den lezer uit zich in gedachten te verplaatsen naar de kustwateren van Zuid-Europa, waar draadvormige, struikachtige en aan bladen herinnerende algen, gemengd met grove wieren, bonte weiden vormend, den zeebodem bekleeden met een bekoorlijk plantentapijt. Een prachtig schouwspel levert het kristalheldere water op, wanneer men, in een langzaam voortdrijvende boot gezeten, in de diepte staart. Het wemelt hier van Weekdieren. Boven onze Aardslakken, waaraan de meeste door hun naakt lichaam herinneren, munten zij gewoonlijk uit door de meerdere sierlijkheid van hun lichaamsbouw, door veelvormige, als kieuwen dienende aanhangselen en door bontere kleuren. Vele van de fraaie wezens, die over de waterplanten zich langzaam voortbewegen behooren tot de orde der Achterkieuwigen (Opisthobranchia). Haar naam ontleenen deze Zeeslakken, waarvan sommige door de huid, de meeste echter door kieuwen ademen, aan de plaats, die deze ademhalingsorganen innemen ten opzichte van het hart. Het bloed, dat uit de kieuwen komt, begeeft zich door een naar voren gerichte buis naar de voorkamer van het hart en wordt van hier naar de nog verder naar voren liggende kamer gevoerd. Bijna zonder uitzondering zijn zij langwerpig van vorm en naakt. Slechts enkele familiën onderscheiden zich door het bezit van een schildvormige of gewonden schelp, die echter steeds minder volkomen ontwikkeld is dan bij de Voorkieuwigen. Bij verreweg de meeste strekt zich vóór den mond een huidplooi uit, de „voorhoofdschijf”, die een overblijfsel is van het „kopscherm”, het bewegingsorgaan der larven, en in twee „lipvoelers” eindigt; iets verder achterwaarts bevinden zich bij sommige geslachten op het voorste deel van den rug een paar zoogenaamde „reukvoelers”. In tegenstelling met nagenoeg alle Voorkieuwigen zijn de Achterkieuwigen steeds tweeslachtig.
Deze orde omvat ongeveer 1000 bekende soorten, die door lichaamsbouw, vorm en levenswijze zeer uiteenloopen. De hoogst ontwikkelde—de Bedektkieuwigen (Tectibranchiata)—bezitten een mantel, die de kieuwen meer of minder volkomen bedekt, en meestal ook een uitwendige of inwendige schelp. Bij andere daarentegen zijn deze typische eigenaardigheden van de Weekdieren min of meer verloren gegaan; de kieuwen zijn onbedekt of zelfs niet aanwezig bij vele vormen, die hierdoor een duidelijke toenadering tot de Platwormen vertoonen. Deze laagst ontwikkelde Achterkieuwigen worden onder den naam van Naaktkieuwigen (Nudibranchiata) in een onderorde samengevat.
Tot de Bedektkieuwigen behoort o.a. de familie der Bullaceën. Deze hebben op den rug aan de rechterzijde een vedervormige, door den mantel bedekte kieuw. Bijna zonder uitzondering bezitten zij een uitwendige schelp, die dikwijls zoo groot is, dat het geheele dier zich er in verbergen kan.
De Gewone Kogelslak (Acera bullata), die de Oostzee, de Noordzee en de Middellandsche Zee bewoont, heeft een langwerpig, bijna rolvormig lichaam; de kop is van boven naar onderen afgeplat en loopt van voren stomp uit; de voelers zijn met de voorhoofdschijf vereenigd. De voet heeft groote, afgeronde zijlobben, die het grootste deel van de schelp kunnen bedekken. Het draadvormig aanhangsel van den achterrand van den mantel, dat van achteren uit den schelpmond naar buiten treedt, kan uitgestrekt en teruggetrokken worden. De schelp is dun, hoornachtig, veerkrachtig en eivormig. Groote exemplaren van deze soort strekken zich bij ’t kruipen tot 40 mM. lengte uit. Hun krachtig ontwikkelde voet is bovendien voor het zwemmen geschikt. Bij het rustende of kruipende dier zijn de vrije zijlobben van den voet naar boven omgeslagen, zoodat zij niet slechts de zijden van het lichaam, maar ook den middelrug en een deel van de schelp, bovendien met den rand elkander, bedekken. Als men deze Slak plaagt of uit het water neemt, verkort zij het lichaam zoo sterk, dat het, op een driehoekig stukje van de schelp na, geheel door den voet omhuld wordt. Het geheele dier is dan een weeke, slijmerige kogel; hieraan dankt het zijn naam.
Gewone Kogelslak (Acera bullata). Dubbele grootte.
In de bocht van Kiel komt deze soort op slijkerige, met zeegras begroeide gronden veelvuldig voor; de grootste exemplaren vindt men er in den winter en in de lente; zij voeden zich met bruine, rottende plantendeelen; in het aquarium eten zij bovendien ook vleesch. Hier beginnen zij reeds in Januari eieren te leggen; in de bocht van Kiel vonden Meijer en Möbius in Mei en Juni deze eieren in zoo groote hoeveelheid op het zeegras, dat zij ze bij handenvol uit het sleepnet konden opscheppen.
Zelden ziet men de Kogelslakken zwemmen; bij deze zeer eigenaardige bewegingswijze leveren zij een zeer fraai schouwspel op: het is, alsof zij gaan vliegen. De gele schelp wordt al vlugger en verder, beurtelings naar voren en achteren verschoven; het voorste deel van het lichaam wordt rhytmisch gebogen, de zijlobben van den voet bewegen zich afwisselend zijwaarts en rugwaarts, al verder en krachtiger, totdat eindelijk de neerwaartsche slagen het geheele lichaam van den bodem opheffen. Nu stijgt het dier, afwisselend voor- en achterover schommelend, al hooger en hooger in ’t water op en neemt bij ’t zweven in het heldere vocht allerlei elegante houdingen aan. Als deze bewegingen het krachtigst geschieden, doen de zijlobben van den voet 2 à 3 krachtige slagen in de seconde en verwijderen zich zoo ver van ’t lichaam, dat zij te zamen een van onderen holle vlakte vormen.
Bij andere leden van dezelfde familie, o.a. bij de Opene Zeeamandel (Philine aperta), wordt de schelp geheel door den mantel omhuld, zijn de zijlobben van den voet zijwaarts gestrekt en verdikt en ontbreken de voelers aan den kop. Deze soort wordt in de Oostzee en voorts van de Noordsche kust tot in de Adriatische Zee gevonden; bij ’t kruipen rekt zij zich tot een lengte van 20 mM. uit. De dunne, 9 mM. hooge, 7 mM. breede, zeer wijdmondige, weinig gewonden schelp is melkwit, eenigszins doorschijnend en parelmoerglanzig.
Veelvuldiger leeft in de Noordzee bij onze kust de Stompe Obliehorenslak (Utriculus obtusus), wiens vrij stevige, ondoorschijnende, 10 mM. lange, 5 mM. breede schelp bijna rolrond is, aan de spits geknot, met korte, ingedrukte uit 4 à 5 omgangen bestaande winding en een van boven nauwen, van onderen eivormigen mond.
De Zeehazen (Aplysiaceae) hebben een inwendige, zeer weinig ontwikkelde (of in ’t geheel geen) schelp. Het eerstgenoemde geval doet zich voor bij den Gewonen Zeehaas (Aplysia depilans), die in den tijd der Romeinsche keizers in verhalen betreffende toovenarij een groote rol speelde. De ouden hielden hem ten onrechte voor zeer vergiftig; zelfs door het zoeken van deze dieren stelde men zich aan de verdenking van gifmengerij bloot. Domitianus werd beschuldigd zijn broeder Titus met een uit Zeehazen bereiden gifdrank om ’t leven te hebben gebracht.
Gewone Zeehaas (Aplysia depilans). Ware grootte.
De naam is ontleend aan den vorm der voelers: twee platte, driehoekige worden in nagenoeg horizontale richting vooruitgestoken en dienen voor het zoeken van den weg en het betasten van ’t voedsel; de beide andere staan overeind en gelijken sprekend op een paar hazenooren. De oogen zijn vóór de achterste voelers gelegen. Op het midden van den rug ligt de schildvormige mantel, die een flauw gewelfde, soms geheel hoornachtige, soms verkalkte schelp bevat. De mantelholte eindigt van achteren in een korte buis; hierdoor komt het water bij de kieuw, welker buitenste slippen gewoonlijk aan de rechterzijde buiten de mondholte uitsteken, maar, evenals het grootste deel van den rug, bedekt kunnen worden door twee vleugelvormige huidplooien, die het dier gewoonlijk naar boven gericht houdt en golvend beweegt. Ook zijn zij uitstekend geschikt voor ’t zwemmen, een bewegingswijze, waarvan het dier slechts zelden gebruik maakt. Wanneer de Zeehaas ongestoord over steenen en wieren kruipt, is zijn lichaam dik en de huid gespannen. Zoodra men hem aanvat en in een glas met water overbrengt, werpt hij, behalve het vocht, dat zijn lichaam deed opzwellen, ook een donkerviolette vloeistof uit, die zich gelijkmatig door het water verdeelt en in zoo groote hoeveelheid uit de randen van den mantel ontwijkt, dat het dier geheel onzichtbaar wordt. Ziegler noemt deze vloeistof een sterke oplossing van anilinerood en analineviolet en zegt, dat zij op drieërlei wijze als verdedigingsmiddel dient: zij onttrekt het dier aan de oogen zijner vijanden door het water troebel te maken, bezit giftige eigenschappen en verbreidt een walgelijken reuk. De stank van Aplysia depilans, den 20 à 25 cM. langen Zeehaas der Zuid-Europeesche kusten, is echter volgens andere onderzoekers, niet zoo hevig, als veelvuldig beweerd wordt; ook werd door hen volstrekt geen brandig gevoel waargenomen aan de deelen van de huid, die met den Zeehaas in aanraking kwamen. Blijkbaar is het dier beter dan zijn reputatie; zeer zeker verdient het niet den naam depilans (de „ontharende”), daar de bewering der Italiaansche visschers, dat het hoofdhaar van den persoon, die de Zeehaas aanraakt, uitvalt, ongegrond is. Wel schijnt het waar te zijn, dat verwante soorten, die de tropische zeeën bewonen, door de prikkeling, die zij bij aanraking teweegbrengen, aan brandnetels herinneren.
De Aplysiën herinneren niet slechts door hun uitwendige gedaante en hun voedsel, maar ook door de in vele afdeelingen gescheiden maag aan plantenetende Zoogdieren. Steeds vindt men den Zeehaas dan ook grazend, meestal op grove wieren. Aplysia depilans komt dikwijls zoo hoog op het strand, dat zij bij eb in kleine plasjes achterblijft, die haar ternauwernood kunnen bevochtigen; zij komt echter ook op diepten van verscheidene vademen voor.
Bij de Zijdekieuwigen (Pleurobranchiaceae) ligt de kieuw niet verborgen onder den schildvormigen mantel, maar bijna vrij in de groeve tusschen den voet en den mantelrand, waaronder zij bij het saamgetrokken dier verborgen is; evenals bij de vorige familiën, is zij vedervormig en rechts gelegen. Bij sommige soorten ontbreekt de schelp, bij de overige is zij schildvormig en plat, nu eens uitwendig en verkalkt, dan weer inwendig en hoornachtig. Het laatstgenoemde geval doet zich voor bij Pleurobranchus. Deze heeft een platten, nagenoeg eivormigen voet, die bij sommige soorten breeder is en aan alle zijden uitsteekt voorbij het door een vleezig mantelschild bedekte lichaam, dat er als een eivormig gewelf op rust. Minder breed dan het lichaam is de voet bij Pleurobranchus aurantiacus en P. ocellatus, die de Middellandsche Zee bewonen. Onder den voorrand van het mantelschild ontspringen twee holle voelers, die uit een opgerolde, dunne plaat bestaan, waarop bij den oorsprong twee zeer kleine, zwarte stipjes (de oogen) voorkomen. Onder de voelers, doch nog boven den mond, ligt een driezijdige, naar voren zich verbreedende huidplooi (het mondscherm).
De kruipende Slak vervormt haar lichaam in overeenstemming met alle oneffenheden van het voorwerp, waarover zij zich voortbeweegt; de weekheid van de weefsels maakt deze telkens herhaalde gedaanteveranderingen mogelijk. In dezen toestand zijn de voelers, het mondscherm en de kieuw steeds gestrekt. Het mondscherm is rijk aan zenuwen en dient als tastorgaan. De zoogenaamde rugvoelers ziet men nooit iets betasten en blijven steeds achterwaarts gericht. Zij worden, zooals reeds vroeger gezegd is, als reukorganen beschouwd. Daar zij den vorm hebben van een aan beide einden geopende buis, waardoor onophoudelijk een stroom water wordt geleid, ten gevolge van de werking der microscopische trilharen, die de binnenste oppervlakte bekleeden, beantwoorden deze voelers in hooge mate aan de voorstelling, die men door beschouwing van andere dieren van reukorganen verkrijgt.
Pleurobranchus heeft de gewoonte bij aanraking en bij ’t opheffen van den steen, waaronder hij verborgen is, tot een bol in te krimpen en zich te laten vallen. Den verzamelaar komt dit goed te pas, daar het hem onmogelijk zou zijn, deze teere Slak onbeschadigd van de steenen en uit hunne spleten op te nemen, indien zij, gelijk zoovele andere Weekdieren, zich trachtte te redden door de stevige vasthechting van den voet.
Soortenrijker dan de vorige onderorde is die der Naaktkieuwigen (Nudibranchiata). Zij hebben gedurende het embryonale leven in den larvetoestand een fijne schelp, maar verliezen deze reeds vroegtijdig; het volkomen ontwikkelde dier is naakt, bezit geen spoor van een schelp. De meeste hebben op den rug kwast-, boom- of bladvormige kieuwen, die echter altijd onbedekt blijven.
Bij de Doris-achtige Naaktkieuwigen (Dorididae) vormen de veder- of bladvormige kieuwen een fraaie ster of rozet om de aarsopening, die zich midden op het achterste deel van den rug bevindt. Vele soorten kunnen de kieuwen in een gemeenschappelijke holte terug trekken. Terugtrekbaar in afzonderlijke holten zijn ook de rugvoelers, althans bij de Sterslakken (Doris), een van de soortenrijkste geslachten van de geheele onderorde. Deze dieren hebben een langwerpig rond lichaam, aan de rugzijde bol en geheel bedekt door den mantel, die zich tot vóór den kop en voorbij den rand van den voet uitstrekt. Hun huid bevat kalkkorrels van eigenaardigen vorm.
Een drietal soorten van dit geslacht werden in de Noordzee bij onze kust waargenomen, o.a. de 3 cM. lange, grauwwitte Wrattige Sterslak (Doris stellata), door Bomme in de vorige eeuw ontdekt en als „Egeltje met een ster op den snuit” beschreven. De hierachter afgebeelde soort kan een lengte van ruim 20 mM. bereiken en werd vooral in de lente en den herfst op een zandigen en steenachtigen bodem in de Bocht van Kiel aangetroffen op wieren en zeegras. Hier vindt men in September en October hare eieren, tot snoeren vereenigd door een helder slijm.
Bij een aantal geslachten, die gezamenlijk de familie der Aeolididen vormen, zijn de kieuwen over den geheelen rug verdeeld, op reeksen geplaatst en van zeer verschillende gedaante: bij sommige geslachten vertakt, bij andere enkelvoudig.
Weekwrattige Sterslak (Doris pilosa). Vergroot volgens den onderstaanden maatstaf.
Gewone Boompjesslak (Dendronotus arborescens). Vergroot.
De Boompjesslakken (Dendronotus) hebben op den rug symmetrisch gerangschikte, boomvormig vertakte aanhangsels. Een van de fraaiste Naaktkieuwigen is de Gewone Boompjesslak (Dendronotus arborescens), die een lengte van bijna 35 mM. kan bereiken. Zij valt duidelijk in ’t oog door haar vleeschroode grondkleur. Haar zeer slank en naar achteren allengs spitser wordend lichaam bekoort het oog het meest door de daarboven uitstekende, boomvormig vertakte kieuwen, die ten getale van 7 à 9 dicht bij den voorrand van den kop in een halven cirkel gerangschikt zijn en waarvan ook nog 5 of 6 paar langs den rug verspreid liggen. Ook de voelers hebben een vertakten stam, waarin zij teruggetrokken kunnen worden. Deze Slak kruipt liever op de dunne spitsen der algen dan op den bodem rond. Dikwijls zit zij aan de uiterste spits van een tak met vrij naar boven gericht voorlijf en wendt dit, als een Spanrups, nu eens naar deze, dan weer naar gene zijde om een vast voorwerp te zoeken, waarop zij verder kan kruipen. Wanneer zij bij den waterspiegel zwemt, wordt de voet afwisselend zooveel mogelijk verbreed en gootvormig opgevouwen, zoodat de zijranden dicht bij elkander liggen. De boomvormige kieuwen, die bij ’t zwemmen naar buiten en naar onderen overhangen, hellen een weinig achterover, als het dier met gestrekt lichaam rechtuit kruipt, en wijken in alle richtingen uiteen, als het lichaam zich kromt. Algemeen wordt deze Slak wegens haar slanke gestalte, teere kleur, zachte, sierlijke beweging en niet het minst wegens de fijne, gemakkelijk in schommeling gerakende boompjes, die haar rug versieren, als een van de bekoorlijkste zeedieren beschouwd. Aan alle noordelijke kusten komt zij vrij algemeen voor; door Bomme werd zij „Hartshoorn-gelijk getakt Zeeslakje” genoemd. Bij Kiel vond men haar het veelvuldigst in den winter op de boomen, die ten behoeve van de mosselteelt in het binnenste deel van de Bocht zijn geplaatst. In een aquarium met rottende en versche planten kan men haar lang in ’t leven houden.
Gedoornde Draadslak (Aeolis papillosa). Ware grootte.
De kern van de geheele familie wordt gevormd door het geslacht der Draadslakken (Aeolis), die zich vooral kenmerken door het bezit van symmetrisch gerangschikte papillen op den rug. Deze uitwassen zijn, behalve als ademhalingsorganen, ook in andere opzichten van zeer groot belang. In iedere papil dringt n.l. een buis door, die van onderen met het boomvormig vertakte spijskanaal samenhangt en door zijn samenstelling zich doet kennen als een deel van de lever, welk orgaan hier dus op een zeer eigenaardige wijze uiteengespreid is. De leverbuis staat in gemeenschap met een zakje in het bovenste deel van de papil, welk zakje gevuld is met „netelcellen”, nietig kleine blaasjes, waaruit een draad te voorschijn kan komen, die een prikkelende werking uitoefent op het wezen, dat er door getroffen wordt. Waarschijnlijk treden deze netelcellen door een opening aan ’t einde van de papil in grooten getale naar buiten om als wapens te dienen, wanneer de Slak andere dieren aanvalt, of zich tegen hen moet verweren.
De Gedoornde Draadslak (Aeolis papillosa), wordt in de Kielsche Bocht ruim 5, aan onze en de Engelsche kust echter wel 15 cM. lang. Meestal is zij bruinachtig grijs van kleur. Zij kruipt langzaam en zit dikwijls stil. Zeldzamer dan andere Draadslakken begeeft zij zich naar de oppervlakte om te zwemmen. Haar voedsel bestaat uit dierlijke stoffen, vooral uit Actiniën (Zee-anemonen). Kleine exemplaren van Actinia plumosa vat zij aan bij den rand van den voet en vreet hun een halvemaanvormig gat in ’t lijf, dat zij aanhoudend vergroot. Eindelijk omgeeft zij met den sterk uitgezetten mond het geheele overschot van den buit en verzwelgt het langzamerhand zonder eenige uitwendig zichtbare slikbewegingen.
Sluierslak (Tethys fimbria). Ware grootte.
Uitsluitend in het Middellandsche-Zee-gebied leeft de Sluierslak (Tethys fimbria) zoo genoemd wegens haar groot, niervormig „kopscherm”; dit is ontstaan uit het bewegingswerktuig, dat bij de Weekdieren gedurende den larvetoestand algemeen voorkomt, meestal gedurende de volgende ontwikkelingsperioden groote wijzigingen ondergaat, minder sterk groeit dan de overige lichaamsdeelen en bij vele groepen zelfs spoorloos verdwijnt. De Sluierslak, die door de plaatsing harer kieuwen aan Dendronotes herinnert, kan 30 cM. lang worden. Van haar leven in de gevangenschap geeft Grabe, naar aanleiding van een door hem te Triëst waargenomen exemplaar, de volgende aanschouwelijke beschrijving: „Het volkomen gave dier bezat aan de zijden van den rug alle aanhangsels, die vroeger als parasieten werden beschouwd. Deze waren ongeveer peer- of peenvormig, sterk gezwollen, aan den oorsprong een weinig ingesnoerd, onmiddellijk voor de kieuwen langs de zijden van den rug bij paren gerangschikt, namen naar achteren in grootte af en werden als roeiorganen uitgespreid en bewogen. Het eveneens gezwollen lichaam, dat, gelijk de kieuwen, bijna kleurloos en doorzichtig was, stak vreemd af bij de aanhangsels met hun lichtrooden top en donker-, bijna zwartachtig roode middenvlek en bij de zwartachtige, door een onregelmatigen, witten rand omringde oogvlekken der bovenzijde. Op den rug liggend, wentelde het dier zich onophoudelijk en met een zekere gratie heen en weer, waarbij het zich zoo sterk kromde, dat het uiteinde van het lichaam de zijranden van het kopscherm aanraakte. Het groote kopscherm was bijna geheel naar boven en naar achteren omgeslagen; de zijranden der van onderen geheel holle voetschijf waren benedenwaarts en naar binnen gekromd en zoo dicht bijeengelegen, dat er hoogstens een smalle groeve tusschen overbleef, zoo zij elkander niet aanraakten. In deze houding geleek het dier op een hamer, waarvan het ineengekrompen kopscherm den kop en de steel den romp voorstelt. Toen het tot kalmte kwam, breidde het den voet uit en gaf aan dit orgaan den vorm van een diepen, ovalen schotel, welks rand aan de zijden hooger was dan van voren en van achteren. In het donker verbreidde het een sterk phosphoresceerend licht, niet slechts als ik het dier aanraakte, maar ook als ik eenvoudig de hand door het water bewoog. Ieder die de heftige bewegingen van deze Tethys heeft gezien, zal niet meer, gelijk gewoonlijk geschiedt, alle Weekdieren flegmatisch noemen.”
*
Groene Fluweelslak (Elysia viridis). Vergroot.
De Fluweelslakken (Elysia) bezitten geen als kieuwen dienende aanhangsels; de voet is smal; twee aan ’t achtereinde ineenvloeiende huidplooien aan de zijden van het lichaam spelen bij de ademhaling een belangrijke rol. De onduidelijk begrensde kop draagt twee voelers, die overlangs opgerold zijn en dus een van boven en aan de zijde geopende buis vormen.
Van de Middellandsche Zee tot bij de kusten van Noord-Europa ontmoet men de prachtig getooide Groene Fluweelslak (Elysia viridis). De kop, de voelers en de voorrug zijn, evenals de buitenhelft der bladachtige uitbreidingen van den achterrug, grootendeels fluweelachtig zwart, soms met groene, soms met bruine tint; de hoofdkleur van den voet is olijfgroen. Hier en daar komen sneeuwwitte vlekken voor; metaalachtig glinsterende, groenachtig blauwe en roodachtig witte stipjes zijn over de geheele oppervlakte verspreid; bij honderdvoudige vergrooting blijkt, dat dit verschijnsel teweeggebracht wordt door dunwandige cellen, welker inhoud het licht met een prachtige, smaragdgroene en saffierblauwe kleur terugkaatst. Twee andere soorten van kleine cellen veroorzaken een zilverachtigen of een helder koperachtigen glans.
Bij zijne bewegingen neemt dit diertje zeer verschillende vormen aan. Terwijl het over den bodem kruipt, strekt het zich gewoonlijk recht uit, en glijdt betrekkelijk snel voort. Wanneer het daarentegen langs den loodrechten wand van een aquariumbak omhoogkruipt, dienen dikwijls de huidlappen met een deel van de zool voor de aanhechting; dikwijls zelfs wordt het lichaam kurketrekkervormig gewrongen, zoodat deelen van den buik en van den rug gelijktijdig den weg aanraken. Deze Slak scheidt veel slijm af, die men, na aanraking van haar huid met een staafje of penseel, in lange draden tot boven het water kan uittrekken. Aan zulke slijmdraden hangt zij soms vrij te midden van het water.