DERDE ORDE.

DE LONGSLAKKEN (Pulmonata).

Alle Landslakken en de meeste Zoetwaterslakken ademen lucht. De mantel vormt in de nekstreek een holte, welke bij de Naakte Slakken en bij de Huisjesslakken met rechts gewonden schelp lucht ontvangt door een aan de rechterzijde gelegen opening; de zolder van deze holte, de binnenste laag van den mantel, bevat een dicht netwerk van bloedvaten. Terwijl de Slak kruipt, is het ademgat duidelijk zichtbaar. Het wordt nauwer en verdwijnt, wanneer men de Slak aanraakt en in haar huisje drijft; kort nadat zij zich teruggetrokken heeft, ziet men dit gat echter opnieuw verschijnen in de buurt van den spilrand. Natuurlijk moeten de in ’t water levende Longslakken aan de oppervlakte komen om te ademen; evenals de Landslakken, stikken zij, indien men haar de gelegenheid beneemt op deze wijze haar behoefte aan lucht te bevredigen.

Dat de lichaamsbouw van de Naakte Slakken met die van de Huisjesslakken overeenstemt, hoewel beide in uitzicht zeer verschillen, blijkt spoedig uit de nadere vergelijking van een Limax-soort met een Tuinslak of Wijngaardslak (Helix). Bij Limax is het achter den kop gelegen deel van den voet van boven niet vrij, maar verbonden met den zak, die de ingewanden bevat. Dit deel van het lichaam nu is bij Helix spiraalsgewijs gewonden en blijft steeds verborgen in het huisje; met de schelp is het slechts door één spier verbonden; deze, de spilspier, ontspringt boven de eerste winding aan de spil; door haar samentrekking keert het dier in het huisje terug.

Om een Slak te ontleden doode men haar bij voorkeur onder water door haar op een glazen plaat te laten kruipen, deze om te keeren en hiermede een tot boven den rand gevuld glas water te bedekken; men kan haar ook in volkomen uitgestrekten toestand gedurende 10 à 12 seconden aan de werking van kokend water blootstellen. Zeer ondoelmatig is het haar in spiritus te dooden, daar zij hierdoor te sterk inkrimpt. De Huisjesslakken, die in kokend water gelegen hebben, kan men gemakkelijk uit haar schelp draaien, daar de spilspier er nu niet meer aan vastzit. Het ontleden moet onder water geschieden, in een ondiep bakje, welks platte bodem bedekt is met een plaat kurk, waaraan het doode dier in uitgestrekten toestand met spelden wordt vastgestoken. Daar wij reeds aan het levende dier het ademgat hebben leeren kennen, gaan wij van hier uit en knippen de mantelholte open. De dikke ader, die haar bloed ontvangt uit de talrijke fijnere vaten, welke een netwerk vormen in den zolder van de long, volgen wij tot aan de linkerzijde, waar zij uitmondt in de voorkamer van het hart. Het bloed begeeft zich van de voorkamer naar de kamer en wordt van hier door de aorta en hare takken naar alle deelen van het lichaam gevoerd. Alle Weekdieren hebben een arterieel hart: dit orgaan ontvangt het bloed uit de ademhalingsorganen. Het hart van de Visschen daarentegen zendt het bloed, dat voor het onderhouden van het lichaam gediend heeft, naar de ademhalingsorganen en heet daarom „veneus”.

De mondholte met de haar omgevende dikke spiermassa heet slokdarmhoofd; aan het gehemelte, achter de lip, is de bijna halvemaanvormige, overlangs gerimpelde kaak vastgehecht. Het zeer samengestelde orgaan, dat men wegens zijn ligging op den bodem van de mondholte tong noemt, draagt een wrijfplaat (radula); deze kan gemakkelijk verwijderd worden uit de scheede, waarin zij zich terugtrekt en levert dan een fraai microscopisch preparaat op. Zij is n.l. bezet met een groot aantal dwarse reeksen van tandjes, grootendeels samengesteld uit chitine. Alle Koppootigen en Slakken hebben zulk een wrijfplaat, van welker aanwezigheid en doel men zich het best kan overtuigen door te letten op inheemsche Zoetwaterslakken, die men in slootwater houdt. De binnenste oppervlakte van het glas is na verloop van eenige dagen bedekt met een laag van microscopisch kleine, groene plantjes; bijna aanhoudend ziet men de Slakken bezig, de bedoelde algen, die haar tot voedsel dienen, van het glas af te likken of liever af te vijlen door de tong beurtelings uit te steken en terug te trekken. Wegens de belangrijkheid van dit orgaan voor het leven van de Slakken zijn de hieraan ontleende kenmerken uitmuntend geschikt voor de onderscheiding van familiën en geslachten. De verschillende gedaante en rangschikking van de tandjes, staat in verband met de soort van voedsel en de levenswijze. De wrijfplaat kan gemakkelijk bewaard en nog na vele tientallen van jaren uit het intusschen verdroogde dier afgezonderd worden.—Op het slokdarmhoofd volgt de dunne slokdarm, die in de onverdeelde maag eindigt. Hierop liggen de speekselklieren. Onmiddellijk achter de maag bevindt zich de lever; deze omhult eenige kronkelingen van den darm, die zich als endeldarm naar voren richt en naast het ademgat eindigt. Hier mondt ook de afvoerbuis van de nier uit. De toestellen tot het bevredigen van gastronomische neigingen zijn dus bij de Slakken goed ontwikkeld.—De oogen aan den top der groote voelhorens werden reeds door Swammerdam zorgvuldig beschreven. Twee gehoorblaasjes liggen tegen den onderkant van den slokdarmring. Deze bevat 3 paar zenuwknoopen: de bovenslokdarmknoopen, de voetknoopen en de kieuwknoopen; de beide laatste paren bevinden zich onder den slokdarm.—Alle Longslakken zijn tweeslachtig (hermaphrodiet) en leggen na paring eieren.

Ook voor de levensverrichtingen der Landslakken is een vochtige omgeving volstrekt noodig. De Naakte Slakken—en de Slakken welker schelp het lichaam slechts voor een klein deel bedekt (b.v. Testacella)—bezwijken spoedig in een droge ruimte; in een kartonnen doos b.v. kunnen de kleine soorten geen 24 uur in ’t leven blijven. Over ’t algemeen schijnen de bewoners van glanzige, doorschijnende schelpen (Vitrina b.v.) veel vocht noodig te hebben. Ook alle Slakken welker huisjes een harige opperhuid hebben (b.v. vele Helix-soorten van de groep Fruticicola), houden van een natte woonplaats. Daarentegen onderscheiden zich de Landslakken, die goed aan de droogte weerstand bieden, door een ondoorzichtige, doffe schelp, waaraan de opperhuid nagenoeg ontbreekt.

Over ’t algemeen oefent de warmte, binnen zekere grenzen, op de Slakken een gunstigen invloed uit, voorzoover zij het uitdrogen niet bevordert. In enkele warme bronnen leven sommige soorten nog bij een temperatuur van meer dan 50° C., andere kunnen een zeer lagen warmtegraad verdragen. In koude en gematigde gewesten weten de Slakken aan den schadelijken invloed van den winter te ontkomen door het afsluiten van de schelp met deksels en door het verblijf in een doelmatige schuilplaats, waar zij in winterslaap verkeeren. Een hierop gelijkende zomerslaap hebben de Landslakken der keerkringsgewesten evenals vele Reptiliën en Insecten. Ook in dit geval kruipen zij in den grond of maken gebruik van toevluchtsoorden onder steenen en takken.

Daar alle slakkenhuizen verkalkt zijn en de hiervoor benoodigde materiaal in het voedsel aan het organisme moet worden toegevoerd, kunnen op plaatsen waar de bodem volkomen vrij van kalk is, geen Huisjesslakken bestaan. Op den omvang van het verbreidingsgebied der soort, op de talrijkheid der individuën, op de stevigheid, kleur en doorschijnendheid van de schelp heeft daarom de geaardheid van den bodem grooten invloed. De Slakken, die op graniet en dergelijke weinig kalk bevattende gesteenten leven, hebben huisjes, die wegens hun grooter gehalte aan organische stoffen levendiger gekleurd, doorschijnender en dunwandiger zijn, dan die van leden van dezelfde soort, welke op kalkvrije gronden leven. De opperhuid, die veel meer organische stof bevat dan de daaronder liggende parelmoerlaag, is bij beide nagenoeg even sterk, de parelmoerlaag daarentegen bij exemplaren op granietgrond veel minder sterk ontwikkeld.

De schelpenverzamelaar vindt nuttige wenken in hetgeen Roszmäszler van de verblijfplaatsen en van het verzamelen der Landslakken zegt: „Vele soorten kruipen bij voorkeur op planten rond en houden zich het meest op aan de onderzijde van bladen en in de hoekpunten van takken; andere leven op en onder afgevallen bladen, nog andere meer verborgen onder het dichte moskleed, dat steenen en boomstammen bedekt; eenige treft men zelfs aan in gezelschap van Aardwormen en Duizendpooten, dikwijls onder een zoo grooten steen, dat het moeielijk te begrijpen is, hoe een teer dier met brooze schelp onder dit zware voorwerp geraakt. Sommige Slakken schijnen zich hier nog niet veilig te achten en leiden een volkomen onderaardsch leven.

„Daar de Landslakken bijna geen ander dan plantaardig voedsel gebruiken, komen de meeste op of althans bij planten voor; zij zijn merkbaar talrijker in bosschen met breedbladige dan in de met naaldbladige boomen. Ook hier geldt de regel, dat vlakke gewesten rijker zijn aan Slakken dan bergstreken. Steeds vond ik ze minder veelvuldig in bergwouden dan in vochtige bosschen van de vlakte.—Nooit leven de Slakken op aanzienlijke hoogte in de boomen; liever bewonen zij laag kreupelhout, of vestigen zich in bosschen op kruiden of op den bodem. Hoe dichter en schaduwrijker het struikgewas is, hoe gedekter en vochtiger de plaats, waar het groeit, des te meer kans heeft men er Slakken te vinden. Het liefst bewonen zij echter boschjes, waar b.v. kornoeljes, braamstruiken, eschdoornen en hazelaars, door hopstengels omrankt en met andere hoogopschietende kruiden als ’t ware doorgroeid zijn. Bij droog weer zijn zij hier niet gemakkelijk te vinden, wel na een warme regenbui. Alle komen dan uit hare schuilhoeken te voorschijn, om zich te laven aan de regendruppels, die van de bladen en takken afhangen, en zich te verfrisschen in de heerlijke koelte. Wie zich niet bekommert om de vallende druppels, de schrammende doornen en de brandende netels, kan nu een groote menigte Slakken verzamelen.

„Na het afzoeken van de takken en bladen van zulke struiken, verzuime men niet, den bodem er om heen, die gewoonlijk met mos, steenen en afgevallen bladen bedekt is, zorgvuldig te doorzoeken: verscheidene hier levende zeldzame soorten, o.a. de Glashorenslakken (Vitrina), komen niet dikwijls te voorschijn. De levende heggen komen nog het meest overeen met de zooeven genoemde boschjes, wat rijkdom aan Slakken betreft. Vooral heggen van vochtige en laag gelegen tuinen zijn in den regel, en meer bepaaldelijk na een regenbui, sterk bevolkt. In tuinen kan men echter ook wel op andere plaatsen met goed gevolg Slakken zoeken. De buksboom- (of zoogenaamde „palm”-) randen rondom bloemperken verschaffen vooral bij warm en droog weer een koele verblijfplaats aan deze dieren, die men ook vindt in hoeken, waar onkruid groeit en afval ligt, op plaatsen waar het uitgewiede onkruid neergeworpen wordt, kortom op alle rommelige, donkere en vochtige plekken.”

Van de 6000 levende soorten, die (behalve ongeveer 700 fossielen) de orde der Longslakken vormen, behooren 5800 tot de onderorde der Landslakken (Stylommatophora), die al of niet een huisje bezitten en oogen hebben aan den top van twee (in den regel door instulping terugtrekbare) „oogvoelers”; verder naar voren en naar onderen staan gewoonlijk nog twee kleinere „lipvoelers”.

Tot de familie der Heliciden (Helicidae) brengt men niet minder dan 5000 levende soorten, waarvan meer dan 1800 behooren tot het geslacht der Echte Slakken (Helix), dat in een groot aantal ondergeslachten verdeeld wordt. Alle Heliciden hebben een goed ontwikkelde, spiraalswijs gewonden, uitwendige schelp, die bij de meeste (althans bij alle leden van het typische geslacht) ruim genoeg is om het geheele dier te bevatten, maar overigens allerlei vormen kan vertoonen: bij sommige plat (nagenoeg schijfvormig), bij andere spits en lang (torenvormig) is. De kop draagt 4 voelers. De bewapening van de mondholte bestaat uit een stevige, boogvormige, geribde kaak en een wrijfplaat met zeer talrijke, gelijke, min of meer vierkante tandjes. Bij Helix is de mond van de schelp scheef, halvemaanvormig of rondachtig; de mondranden zijn gescheiden, de binnenlip wordt door den voorlaatsten omgang gevormd. De grootste Europeesche soort is de reeds genoemde Wijngaardslak [Helix (Helicogena) pomatia]. Haar groote, bolvormige, buikige, geelachtige of bruinachtige schelp is „bedekt doorboord”, heeft een nauwen „bedekten navel”, daar deze door een binnenwaartsche uitbreiding van den spilrand gesloten is. Zij bepaalt zich volstrekt niet tot de wijngaarden, hoewel zij zich in ’t voorjaar gaarne vergast op de knoppen der wijnstokken en op deze wijze een aanzienlijke schade kan aanrichten; men vindt haar overal in de droge, vooral in heuvelachtige oorden, waar grassen en struiken groeien. Omdat zij groot is en gegeten wordt, heeft deze Slak veelvuldiger dan andere leden van haar geslacht voor onderzoekingen gediend. Zij en de meer zuidwaarts wonende Ruige Wijngaardslak (Helix adspersa) behooren tot die soorten, welke in den herfst, bij voorkeur op een met mos bedekte plaats, 20 à 30 cM. diep in den grond kruipen en den mond van het huisje met een stevig verkalkt deksel sluiten. Het dier trekt zich vervolgens nog tamelijk ver achter het deksel in de schelp terug en brengt in de tusschenruimte een of meer vliezige dwarsschotten aan. Gedurende den minstens 6 maanden aanhoudenden tijd van afzondering, duren de ademhaling en de hartwerking onverpoosd voort. Wel mist het kalkdeksel de opening, die men er bij eenige andere soorten in aantreft, maar het is zoo poreus, dat door dezen wand en door de overige dunne vliezen de gasuitwisseling ongehinderd kan plaats hebben. De warmte van de maanden April en Mei wekt de Slak tot nieuw leven op; het hart begint vlugger te slaan; vermoedelijk noopt de vermeerderde behoefte aan lucht het (zeer zeker ook door een hevigen honger gekwelde) dier tot het openen van het huisje; dit geschiedt door den voet tegen de vliezige deksels te plaatsen, waardoor deze niet stukgestooten, maar zonder moeite losgeweekt worden; ook het oplichten van het kalkdeksel vereischt geen groote inspanning.

In ’t laatst van den zomer graaft de Wijngaardslak een kuiltje van 7 à 8 cM. diepte voor het bergen van de 60 à 80 eieren, die zij in 1 of 2 dagen legt. Het eierennest is niet gemakkelijk te vinden, tenzij onmiddellijk na het leggen aan de kleur van den grond, waarmede het kuiltje dichtgemaakt is. Ieder ei heeft 6 à 8 mM. middellijn en is omgeven door een witte, met kalkkristallen doormengde en hierdoor stevige schaal. De ontwikkeling van de kiem duurt ongeveer 26 dagen.

De Wijngaardslak is sinds lang in Zwitserland, Zuid-Duitschland en Oostenrijk, vooral in den vastentijd, een zeer gezochte spijs. Nog steeds wordt zij in Zwitserland en langs den Donau opzettelijk voor dit doel in zoogenaamde „slakkentuinen” met koolbladen enz. gemest. Gewoonlijk brengt men haar eerst op de markt, nadat zij de schelp met een winterdeksel gesloten heeft. De handel in dit artikel is echter niet meer zoo levendig als vroeger, toen uit de omstreken van Ulm iederen winter meer dan 4 millioen Wijngaardslakken in vaten van 10000 stuks langs den Donau tot voorbij Weenen stroomafwaarts werden gevoerd.

Zeer algemeen komen hier te lande drie groote soorten voor, die ongeveer hetzelfde verbreidingsgsbied hebben als de Wijngaardslak, maar aanmerkelijk kleiner zijn. De Heesterslak [Helix (Arionta) arbustorum] heeft een bedekt doorboord, zeer gedrongen bolvormig, glanzig huisje, van (gemiddeld) 21 mM. middellijn en 18 mM. hoogte; de 5 à 6 bolle omgangen nemen snel in grootte toe. De mond is maanvormig en gerond; zij wordt door den voorlaatsten omgang weinig uitgesneden; de mondrand is omgeslagen, verdikt en aan de binnenzijde glanzig wit. Van buiten is de schelp kastanjebruin met een groot aantal kleine, onregelmatig verspreide (soms op dwarsreeksen geplaatste), stroogele vlammetjes en zigzagstrepen; gewoonlijk loopt iets boven het midden van den laatsten omgang en langs den naad der winding een bruine band. Het dier is blauwzwart met lichtere, bruingrijze zool; twee donkere strepen op den rug gaan van de oogvoelers uit; deze zijn aan den top lichter van kleur. De Heesterslak wordt, evenals de beide volgende soorten, in tuinen, kreupelhout en heggen op beschaduwde, vochtige plaatsen gevonden, ook op den grond en op lage planten.

De Tuinslak [Helix (Tachea) nemoralis] heeft een breeder en minder bolvormig huisje dan de vorige soort (gemiddelde middellijn 23, hoogte 17 mM.); het is ongenaveld en heeft 5 à 6 geleidelijk in grootte toenemende, tamelijk bolle omgangen. De mond is breed, eenigszins afgerond en wordt door den voorlaatsten omgang zwak boogvormig uitgesneden: de mondrand is een weinig omgeslagen; de mondzoom kastanjebruin met een bijna zwarte lip. Van buiten is de schelp meestal citroengeel (soms bruinrood, geelgroen, olijfbruin of wit), gewoonlijk met donkerder banden (meestal 5 op den laatsten, van deze alleen de 3 bovenste op iederen vroegeren omgang); ook door de afwezigheid, het samenvloeien of het afgebroken zijn van sommige of van alle banden onderscheiden zich de talrijke variëteiten, die men van deze soort aantreft. Met haar komt door vorm, kleur en teekening van het huisje de eveneens sterk varieerende Witlippige Tuinslak [Helix (Tachea) hortensis] overeen; zij is kenbaar aan den bijna altijd zuiver witten mondzoom van het in den regel dunnere huisje, wordt vooral in tuinen en in de vlakte minder talrijk gevonden dan de vorige soort en houdt over ’t algemeen van vochtiger oorden; noordwaarts en bovenwaarts strekt haar verbreidingsgebied zich verder uit; ten zuiden van de Alpen en de Pyreneën komt zij niet voor.

*

De Veelvraatslakken (Bulimus) komen in levenswijze met de Echte Slakken overeen, doch zijn over ’t algemeen grooter; het huisje is langwerpiger (ei- of torenvormig), de mond meer verlengd; ook dit geslacht is zeer rijk aan soorten (meer dan 1000). Slechts enkele bewonen Europa, vele daarentegen de keerkringsgewesten, vooral Zuid-Amerika, o.a. de Eivormige Veelvraatslak (Bulimus ovatus), die te Rio de Janeiro gegeten wordt en een horen van 12 cM. hoogte heeft, en de Langwerpige Veelvraatslak (Bulimus oblongus), welker 10 cM. hooge schelpen in Paraguay zoo talrijk zijn, dat men er kalk van brandt.

Agaathorenslak van Mauritius (Achatina mauritiania). Ware grootte.

Agaathorenslak van Mauritius (Achatina mauritiania). Ware grootte.

Nog grootere Landslakken bevat het geslacht der Agaathorens (Achatina), dat meer nog dan het vorige tot de warme luchtstreken beperkt is. Het dier onderscheidt zich door den plat en spits eindigenden voet, zijn woning door de vrije, van onderen afgeknotte spil. De Patrijsslak (Achatina perdix), die op vette weiden in West-Afrika leeft, wordt 16 cM. hoog; de helft van deze hoogte bereikt de hierboven afgebeelde soort, die op Mauritius en Madagaskar door zijn vraatzucht in tuinen en plantages schade aanricht. Evenals van vele andere Bulimus- en Achatina-soorten, is haar schelp fraai gekleurd en geteekend; de van geelachtig wit tot geelachtig bruin varieerende grond heeft roodbruine, afgebrokene, overlangsche vlammen; de mond is wit, met bruin gerande buitenlip.

Onder afgevallen bladen, mos, rottend hout of steenen en in het gras leeft bij ons op vochtige, beschaduwde plaatsen de geelachtig hoornkleurige, 6 mM. hooge Glanzige Agaathoornslak (Achatina lubrica, Bulimus lubricus), welker langwerpig eivormig, zeer glad, doorschijnend schelpje een scheef peervormigen mond en een weinig afgeknotte spil heeft. Zij is een van de weinige soorten, welker verbreidingsgebied zich rondom de pool, n.l. over geheel Europa, Siberië en Noord-Amerika, uitstrekt.

Zeer vochtige oorden bewonen de meeste Amberhorenslakken (Succinea); dit blijkt reeds uit de zeer wijde opening van de dunne, uit weinige omgangen bestaande schelp. De behoefte aan water is ongelijk en evenredig aan de grootte van den schelpmond. Deze is het grootst bij de goudgele Succinea Pfeifferi, die niet, gelijk de barnsteenkleurige Gewone Amberhorenslak (Succinea putris, fig. 2) aan waterkanten en op vochtige weiden blijft, maar dikwijls te water gaat en hier als een Poelslak rondzwemt.

1) Doorzichtige Glashorenslak (Vitrina pellucida). 2) Gewone Amberhorenslak (Succinea putris).—Ware grootte.

1) Doorzichtige Glashorenslak (Vitrina pellucida). 2) Gewone Amberhorenslak (Succinea putris).—Ware grootte.

Een soortgelijke betrekking tusschen de levenswijze en den vorm der schelp merkt men op bij de inheemsche Glashorenslakken (Vitrina), die zich met rottende stoffen (vermoedelijk met de hierin levende bacteriën en diertjes) voeden en soms elkander verslinden. De winding van het dunne, doorzichtige schelpje is min of meer bedekt door een ver buiten den schelp tredenden lob van den mantel, die aan de rechterzijde naar boven en achteren omgeslagen is. De kleinste schelpmond heeft Vitrina pellucida (fig. 1), de grootste Vitrina elongata. De laatstgenoemde bewoont uitsluitend zeer vochtige bosschen en houdt zich het meest op aan de oevers van beken, tusschen het mos en de bovenste humuslaag, waarin zij gedurende de heete zomermaanden zeer diep doordringt. Vitrina pellucida daarentegen wordt ook nog wel gevonden op veel ongunstiger plaatsen, die in tijden van droogte gedurende den geheelen dag aan de zonnehitte blootgesteld zijn.

De beide volgende geslachten geven aan droge oorden de voorkeur en zijn in de kalksteengebergten van de Alpen en van Zuid-Europa het sterkst vertegenwoordigd. De meeste Tonhorentjes (Pupa) zijn niet langer dan 10 à 15 mM., niet weinige microscopisch klein, geen hunner hooger dan 25 mM. De schelp is ei- of rolvormig, de mond meestal door tandvormige uitwassen vernauwd. Deze strekken zich in den vorm van plooien bovenwaarts uit in het langere, slankere en spitsere huisje van de Spoelhorenslakken (Clausilia), dat, zoodra het dier zich terugtrekt, gesloten wordt door een kalkplaatje, het „luikje”, dat precies in den mond past en aan den spilrand een opening overlaat, waardoor de lucht de ademholte kan bereiken. Het luikje is door een veerkrachtig, naar boven gericht „steeltje” aan de spil bevestigd en wordt bij het naar buiten komen van het dier opgenomen in de „nis”, een tusschenruimte van twee plooien der spil. Voor het bewonen van oorden, waar langdurige tijdperken van droogte voorkomen, zijn deze Slakken uitmuntend geschikt, daar zij maanden achtereen in haar huisje verborgen kunnen blijven. Exemplaren van de Dalmatische Clausilia amissana, die in Mei ingezameld en tot in den herfst van het volgende jaar op een droge plaats bewaard werden, bleken toen na bevochtiging nog in leven te zijn. Hier te lande vindt men het 3 mM. hooge Mos-tonhorentje (Pupa muscorum) op droge weiden en heigrond, den 16 à 20 mM. hoogen Tweetandigen Spoelhoren (Clausilia biplicata) onder mos op muren en in bosschen.

Gewone Aardslak (Arion empiricorem). Ware grootte.—De soortnaam (empiricus beteekent hier „kwakzalver”) doelt op het gebruik, dat van dit dier gemaakt wordt (of werd) als geneesmiddel. Simroth zegt, dat ook thans nog in de Hartz van Slakken met suiker bestrooid een stroop bereid en bij borstaandoeningen ingenomen wordt.—Deze soort is op jeugdigen leeftijd witachtig groen, in volwassen toestand rood (Arion rufus) of zwartbruin tot zwart (Arion ater); de zoom van den voet blijft gewoonlijk rood. De grootste exemplaren zijn 100 mM. lang en 25 mM. breed.

Gewone Aardslak (Arion empiricorem). Ware grootte.—De soortnaam (empiricus beteekent hier „kwakzalver”) doelt op het gebruik, dat van dit dier gemaakt wordt (of werd) als geneesmiddel. Simroth zegt, dat ook thans nog in de Hartz van Slakken met suiker bestrooid een stroop bereid en bij borstaandoeningen ingenomen wordt.—Deze soort is op jeugdigen leeftijd witachtig groen, in volwassen toestand rood (Arion rufus) of zwartbruin tot zwart (Arion ater); de zoom van den voet blijft gewoonlijk rood. De grootste exemplaren zijn 100 mM. lang en 25 mM. breed.

*

Onder den naam van Naakte Slakken (Limacidae) vatten wij alle Longslakken samen, die in ’t geheel geen schelp bezitten, of, verborgen in het mantelschild, dat het voorste deel van den romp aan de rugzijde bedekt, een klein kalkplaatje (Limax) of eenige onsamenhangende kalkkorrels (Arion) hebben. Door het maaksel van de tong en de ligging van het ademgat en van de geslachtsopening stemmen de Limaciden met de Heliciden volkomen overeen. Ter vervanging van de uitwendige schelp, die de Heliciden tegen plotselinge weersveranderingen beveiligt, wordt bij de Limaciden door besproeiing van de oppervlakte een vermindering van het vochtgehalte der huid door verdamping voorkomen. Deze eigenaardige inrichting is bij een groot exemplaar van de Gewone Aardslak (Arion empiricorum) duidelijk waar te nemen. Het mantelschild is taai en korrelig, omgeven door een groeve, van voren verwijd tot een soort van muts, waaronder de kop geborgen kan worden. Van de rand van het mantelschild gaan straalsgewijs diepe groeven uit, die op den rug de grootste diepte en lengte hebben en door scherp gekielde kammen gescheiden zijn. Zij eindigen boven den bodem in de groeve, die den zoom van den voet begrenst; het vocht, dat door deze kanalen stroomt, vloeit dus niet onmiddellijk weg. Het geheele stelsel is bedekt met slijm, dat door de tallooze eencellige slijmklieren van de huid afgescheiden wordt, maar bevat ook nog een andere vloeistof, die men bij onzachte aanraking van een rustig kruipende Slak als een melkachtige stroom naast het ademgat (uit de nieropening) naar buiten ziet komen. Dit vocht, dat, behalve het product van de nier, ook water bevat (daar de nier water uit de lichaamsholte kan opnemen) en misschien ten deele direct uit de bloedvaten afkomstig is, stroomt door de groeven naar beneden en (ten gevolge van een capillaire werking), ook in de ringvormige goot om het mantelschild en van hier in het kanalenstelsel op den rug. De geheele oppervlakte van de Slak wordt dus door tal van greppels van vocht voorzien, dat, langzaam naar beneden vloeiend, verdampt. Door samentrekking van het lichaam worden de groeven nauwer en dieper, hetgeen de verdamping vertraagt. Niet bij alle Naakte Slakken is het bevloeiingsstelsel zoo volkomen als bij de bovengenoemde soort. De schadelijkste van alle, de 3 à 4 cM. lange Grauwe Veldslak of Akkeraardslak (Limax agrestis) heeft geen uitpuilende rimpels, maar een gladde, door fijne groefjes in veelhoekige velden verdeelde huid, en is daarom minder dan andere tegen droogte bestand. Alleen bij vochtig weer verlaat zij, over dag zoowel als ’s avonds en ’s nachts, hare schuilplaats om zich te voeden met allerlei jonge gekweekte planten; als de zon schijnt verbergt zij zich onder steenen, planken, bladen en in den grond.—De beide belangrijke geslachten Limax en Arion verschillen, behalve door de mate van ontwikkeling van de schelp, ook door de plaatsing van het ademgat, dat bij Arion vóór, bij Limax achter het midden van het mantelschild gelegen is; bovendien komen bij het laatstgenoemde geslacht op het mantelschild concentrische golflijnen voor en is het achterste deel van den rug gekield. De Groote Aardslak (Limax maximus) is op witachtig grijzen of zwarten grond met donkerder of lichtere overlangsche strepen of reeksen van vlekken geteekend; de kiel op den rug is witachtig, geel of roodachtig. Zij bereikt dezelfde grootte als de Gewone Aardslak. Deze komt vooral in bosschen voor, ’t zij dan in de zwarte, ’t zij in de roode verscheidenheid. „In Groningen,” schrijft Prof. Ritzema Bos, „ziet men bijna altijd eerstgenoemde, in Gelderland meer laatstgenoemde verscheidenheid. In bosschen komt evenzeer de Groote Aardslak voor, welke Slak tevens degene is, welke in vochtige kelders het meest wordt aangetroffen. In tuinen vindt men zoowel de Akkeraardslak als de Tuinaardslak (Arion fuscus) en de Gewone (zwarte of roode) Aardslak. Op bouwland is de Akkeraardslak verreweg het meest algemeen. In ’t algemeen kan gezegd worden, dat op alle mogelijke vochtige plaatsen elke soort van Slakken aangetroffen kan worden. Alle kunnen schadelijk worden, vooral wanneer zij jonge gewassen aantasten. Sommige soorten leven doorgaans in bosschen van paddestoelen en uitwerpselen, terwijl zij daarnevens boombast of verschillende onkruiden (paardenbloem, weegbree) vreten.”

De Slakken zijn zeer vruchtbaar. De Grauwe Veldslak begint in Augustus eieren te leggen en zet dezen arbeid, zoolang het vochtig weer blijft, gedurende den herfst voort. In ’t geheel brengt zij er wel 400 ter wereld, die men, slechts dun bedekt, bij hoopjes van 6 tot 15, vooral in de schaduw, aan den voet van tuinmuren b.v., aantreft. In Augustus komen de jongen na 3 of 4 weken uit; de eieren, die laat in het jaar gelegd worden, overwinteren, gelijk ook de Slakken zelve doen.


De Ongesteeldoogigen (Basommatophora) hebben geen oogvoelers, wel 2 lipvoelers, die niet ingestulpt kunnen worden.

Tot deze onderorde behoort de familie der Oorslakken (Auriculidae), welker leden (voor het meerendeel in den heeten aardgordel), behalve aan de oevers van zout- en zoetwatermeeren en van de zee, ook op andere zeer vochtige plaatsen, doch niet in het water leven.

Belangrijker is voor ons de familie der Waterlongslakken (Limnaeidae). Bij het typische geslacht der Poelslakken (Limnaeus) merkt men afgeplatte, driehoekige voelers op. De schelp is rechts gewonden, meestal dun en doorschijnend; de omgangen nemen zeer snel in wijdte toe; de laatste maakt meestal het aanzienlijkste deel van het huisje uit; met hem vergeleken is de winding soms zeer onbeduidend. De Poelslakken bewonen bij voorkeur zeer zacht water, in welks slijkerigen bodem allerlei waterplanten welig groeien. Behalve op stengels of bladen en over den bodem, ziet men deze dieren dikwijls ook langs den waterspiegel kruipen, waaraan zij met den voet hangen, terwijl het huisje naar beneden gericht is; deze beweging merkt men ook bij vele andere Buikpootigen op.

De Gewone Poelslak (Limnaeus stagnalis), die in stilstaand water overal veelvuldig gevonden wordt, is de grootste van haar geslacht en van alle inheemsche Zoetwaterslakken; haar huisje is 6 à 7 cM. hoog. Dit dier, welks grondkleur van vuil geelachtig grijs tot donker olijfgroen afwisselt, is met geelachtige stipjes als bezaaid; de voet heeft steeds een donkerder kleur, met lichten rand.

Gewone Poelslak (Limnaeus stagnalis). Ware grootte.

Gewone Poelslak (Limnaeus stagnalis). Ware grootte.

Bij de Poelslakken merkt men tusschen de grootte van den schelpmond en de levenswijze een soortgelijk verband op als bij de Vitrinen en de Succiniden. De huisjes van de Gewone en van de Moeras-poelslak (Limnaeus palustris), die beide moerassen en ander stilstaand water bewonen, hebben een betrekkelijk kleine opening en een betrekkelijk groote winding. Bij andere soorten is de schelpmond grooter en de winding in dezelfde verhouding kleiner; aan ’t einde van deze reeks staat bij ons de Oorvormige Poelslak (Limnaeus auricularis), met een schelp, die nagenoeg geheel door den laatsten omgang wordt gevormd en waarvan de mond een nagenoeg 4-maal zoo grooten omtrek heeft als de overige schelp. De laatstgenoemde soort wordt in meer bewogen water gevonden; hare verwanten, die nog verder in dezelfde richting voortgeschreden zijn, bewonen de stille bochten van de Zwitsersche meeren en de zoogenaamde doode armen van rivieren.

Alle Limneën hechten hare eieren in samenhangende, wormvormige of ovale scholen aan allerlei in ’t water liggende voorwerpen, meestal aan de onderzijde van drijvende bladen van waterplanten. Dikwijls brengt één dier, van Mei tot Augustus, een 20-tal van deze scholen voort, die ieder 20 à 130 eieren bevatten. Zoowel het eierenleggen als de ontwikkeling van de met trilhaarorganen uitgeruste en zich bewegende kiemen kan men gemakkelijk bij exemplaren in een aquarium waarnemen.

Overal waar Limneën zich ophouden, zal men ook Schijfhorenslakken (Planorbis) aantreffen. Het huisje heeft de gedaante van een schijf, waaraan men zoowel van boven als van onderen de omgangen kan onderscheiden, daar zij een vlakke spiraal vormen. De winding steekt niet of weinig uit; soms zelfs is de bovenzijde hol, de onderzijde vlak. Enkele hebben een wijd genavelden horen, zooals de grootste en meest voorkomende, inheemsche soort—de Gewone Schijfhoren (Planorbis corneus)—, die een middellijn van 31 en een hoogte van 12 mM. kan bereiken. Bij vele soorten heeft de laatste omgang een meer of minder scherpe kiel. Het tamelijk slanke dier heeft een van voren afgeronden kop met twee samentrekbare, lange, borstelvormige voelers. De tamelijk korte voet is van voren afgeknot, van achteren afgerond. Van haar woonplaats, levenswijze en beweging valt ongeveer hetzelfde te zeggen als van Limnaeus. De Schijfhorenslakken bewonen voor ’t meerendeel het noordelijk halfrond en den gematigden aardgordel. Zij leggen de eieren op soortgelijke wijze als de Limneën, doch vereenigen ze niet tot langwerpige, maar tot ronde, platte scholen.

De Beek-kaphoren (Ancylus fluviatilis) en de Poel-kaphoren (Acroloxus lacustris), die beide ook tot onze fauna behooren, hebben een napvormig huisje, dat slechts zwakke sporen van asymmetrie vertoont, doordat bij de eerstgenoemde soort de spits een weinig naar rechts, bij de laatstgenoemde zeer weinig naar links afwijkt; bij gene is de eivormige schelpmond 5 mM. lang en 4 mM. breed, bij deze 7.5 mM. lang en gemiddeld 3 mM. breed, doch van achteren smaller dan van voren. Zij leiden een zeer eenvormig en lui leven, de eerste in stroomend, de tweede in stilstaand zoetwater: gewoonlijk vindt men het huisje stijf aangedrukt tegen bladen en steenen. Geen der overige Land- en Zoetwaterslakken heeft een schelp van zulk een vorm; wel komen soortgelijke huisjes bij Slakken in Spanje, Amerika, Cuba en Nieuw-Zeeland voor.