VIJFDE ORDE.

DE VOORKIEUWIGEN (Prosobranchia).

Deze orde, die alle overige in omvang overtreft, daar er ongeveer 9000 levende en 6000 fossiele soorten van bekend zijn, omvat nagenoeg alle door een stevig huisje omhulde Zeeslakken, bovendien echter eenige honderden Zoetwaterslakken (Paludinidae) en een duizendtal op het land levende, door longen ademende soorten (Neurobranchiata). Met uitzondering van de laatstgenoemde, hebben alle leden dezer orde kieuwen. Ter beschutting van de ademhalingswerktuigen vormt de mantel een plooi of een holte, die door een gat, een inham of een buis met de buitenwereld in gemeenschap staat. Ieder, die met den lichaamsbouw van een Longslak kennis heeft gemaakt, begrijpt zonder moeite de ligging der organen van andere Buikpootigen. Ter verklaring van de eigenaardigheden der Voorkieuwigen kan de nevenstaande afbeelding van een uit haar huisje genomen Zeeslak dienen.

Litoridina Gaudichaudii (mannetje); de kieuwholte is opengesneden en de mantel c naar links omgeslagen:—a) Mond. p) Voet. m) Spilspier. c) Mantel. d) Aarsopening. f) Slijmklier. e) Nier. g) Kieuw (hiernaast de bijkieuw). h) Hart. b, b) Voortplantingsorganen—Ware grootte.

Litoridina Gaudichaudii (mannetje); de kieuwholte is opengesneden en de mantel c naar links omgeslagen:—a) Mond. p) Voet. m) Spilspier. c) Mantel. d) Aarsopening. f) Slijmklier. e) Nier. g) Kieuw (hiernaast de bijkieuw). h) Hart. b, b) Voortplantingsorganen—Ware grootte.

Voor aan den kop zien wij een tamelijk langen snuit (a), aan welks einde zich de mondopening bevindt. Zulk een snuit, die niet ingestulpt, maar gewoonlijk wel verkort kan worden, komt bij vele leden dezer orde voor. De (soms zeer lange) buisvormige slurf, die bij andere Voorkieuwigen uit den snuit te voorschijn kan komen en aan ’t einde de mondopening draagt, is van spieren voorzien, die haar kunnen terugtrekken. De voet (p) is verbonden met de spilspier (m), waardoor het dier aan zijn schelp bevestigd is. Daar de mantelholte aan de rechterzijde opengesneden is, kan men de belangrijke organen zien, die aan de binnenste oppervlakte van den (hier naar links omgeslagen) mantel (c) voorkomen. Wanneer de organen nog op hun gewone plaats liggen, vindt men het meest naar rechts den endeldarm met de aarsopening (d). Daarnaast ligt een klier, die gewoonlijk slijmklier (f) wordt genoemd. Zij kan bij deze Slakken een buitengewoon groote hoeveelheid van een taaie, slijmerige stof afscheiden, die soms als verdedigingsmiddel dienst doet. Meer naar links ligt de kamvormige kieuw (g), die eigenlijk bij de rechterlichaamshelft behoort, maar sterk naar de linkerzijde verschoven is; de linkerkieuw of „bijkieuw” is weinig ontwikkeld; het hart (h) is achter de kieuw gelegen en uit een kamer en een voorkamer samengesteld. Alle Slakken, waar, zooals hier, de kieuw vóór het hart—en dus de voorkamer, die het bloed uit de kieuw ontvangt, vóór de kamer—geplaatst is, worden Voorkieuwigen genoemd. Bij een groot aantal geslachten bezit de voet een opening, waardoor dit lichaamsdeel, zoodra het buiten de schelp te voorschijn komt, water opneemt in een sterk vertakt kanalenstelsel, dat ook met de lichaamsholte, die veneus bloed bevat, in gemeenschap staat. Hierdoor verkrijgt de voet een omvang veel grooter dan die van het huisje, waarin hij, na het laten wegvloeien van het water, gemakkelijk geborgen kan worden. Met uitzondering van de Pluimdragers (Valvata) zijn alle leden der orde éénslachtig.


Verreweg de meeste Voorkieuwigen (ongeveer 5800 levende en 4000 fossiele soorten) behooren tot de onderorde der Kamkieuwigen (Ctenobranchiata). Deze hebben, evenals het zooeven tot voorbeeld gekozen dier, in de op den nek liggende ademholte een groote kieuw en daarnaast een kleinere, de bijkieuw. Bij vele Kamkieuwigen (o.a. bij Murex) is de mantel aan de linkerzijde verlengd tot een „adembuis” of „sipho”, die het water naar de mantelholte geleidt. Zij, die dit aanvoerkanaal missen, hebben in den regel geen terugtrekbare slurf (wel een niet terugtrekbaren snuit) en voeden zich met plantaardige stoffen. De overige, die dierlijk voedsel gebruiken, zijn meestal in het bezit van een adembuis en van een slurf. Het eerst zullen wij die familiën bespreken, welke, wegens het gemis van een sipho, aan de schelp een gaafrandigen mond, zonder kanaal of insnijding hebben (Holostomata). Voor ’t meerendeel zijn deze Slakken planteneters.

De Moeras-kieuwslakken (Paludinaceae) bewonen stilstaand en stroomend zoetwater; zij hebben een korten, niet terugtrekbaren snuit, gelegen tusschen twee lange en slanke voelers, naast welker oorsprong (aan de buitenzijde), meestal op zeer korte steeltjes, de oogen geplaatst zijn. De lange, smalle wrijfplaat bestaat uit 7 overlangsche reeksen van tanden (1 middelplaat en aan weerszijden 3 zijplaten in elke dwarsreeks). Alle Slakken met zulk een tong heeten Bandtongigen (Taenioglossa).

De Moerashorenslakken (Paludina) hebben een eivormige of buikig-kegelvormige schelp met zeer bolle, door een diepen naad vereenigde omgangen en een hoornachtigen, concentrisch gestreepten deksel. De Paludinen leven in slooten, poelen, plassen en rivieren, vooral in het noordelijk halfrond. Meestal vindt men ze op den bodem van ’t water, kruipend over den modder of langs de stengels en bladen van de hier groeiende planten. Bij warm, zonnig weer komen zij ook wel aan de oppervlakte, waar zij soms, evenals de Poelslakken, met naar beneden gericht huisje langs den waterspiegel kruipen. Het lichaam kan niet zoo ver als bij deze buiten de schelp komen; op het deksel, dat boven het achterste deel van den voet vastzit, rust dan het bolle gedeelte van den laatsten omgang. Bij het terugkeeren in het huisje wordt de voet middendoor gevouwen en als een boek dichtgeslagen. De grootste inheemsche soort, de Levendbarende Moerashorenslak (Paludina vivipara) is bijna 4 cM. hoog. Gedurende den geheelen zomer vindt men den eierenzak van het wijfje gevuld met kiemen en eieren, die op zeer verschillende trappen van ontwikkeling verkeeren, daar er slechts één jong te gelijk ter wereld wordt gebracht; dit heeft bij de geboorte een huisje van 4 omgangen, dat 6 mM. hoog en even breed is; de bovenzijde van iederen omgang heeft een kiel, waarop lange borstelige haren staan, die in den regel zeer spoedig geheel verdwijnen.

Levendbarende Moerashorenslak (Paludina vivipara); links: een mannetje; rechts: een wijfje; in het midden een exemplaar, dat het embryonale stekelkleed veel langer dan gewoonlijk behouden heeft. Ware grootte.

Levendbarende Moerashorenslak (Paludina vivipara); links: een mannetje; rechts: een wijfje; in het midden een exemplaar, dat het embryonale stekelkleed veel langer dan gewoonlijk behouden heeft. Ware grootte.

Ook de 3 cM. hooge Gestreepte Moerashorenslak (Paludina achatina) brengt levende jongen ter wereld. Zij houdt zich bij voorkeur op in stroomend water en komt in de Elbe, de Spree, den Rijn en de Donau voor.

De Kogelslakken (Ampullaria), die de Paludinen op het zuidelijk halfrond vervangen, onderscheiden zich van alle overige Slakken door het gelijktijdig bezit van een longholte en een kieuwholte, waardoor zij maanden lang buiten het water kunnen leven. De longholte is boven de kieuwholte gelegen en wordt in het water door een klep gesloten. De 75 mM. hooge Gestreepte Kogelslak (Ampullaria fasciata), die in Oost-Indië, zoowel in rivieren als op slijkerige rijstvelden leeft, wordt veelvuldig ingezameld en als spijs gebruikt.

Tot dezelfde familie en tot onze fauna behooren, behalve sommige Diepslakken (Bitynia), die, evenals de vorige, een verkalkt deksel hebben, doch overigens veel op Paludinen gelijken, ook nog eenige Pluimdragers (Valvata); deze zijn merkwaardig wegens hun tweeslachtigheid en bovendien, doordat de vedervormige kieuw uit de mantelholte naar buiten treedt en door het kruipende dier omhoog gericht gedragen wordt.

De nu volgende geslachten, die men gewoonlijk onder den naam van Oeverslakken (Litorinaceae) samenvat, naderen tot de vorige door den lichaamsvorm van het volwassen dier; de ontwikkelingsgang is echter samengestelder, doordat de jongen, evenals nagenoeg alle Zeeslakken, met twee groote, gewimperde mondlappen (het kopscherm) zijn uitgerust; hiermede kunnen zij vlug zwemmen. Het soortenrijke geslacht der Zeewier- of Drijfhorentjes (Rissoa) bevat geen andere dan kleine vertegenwoordigers, met slurfvormige, van voren ingesneden snuit, die half zoo lang is als de beide draadvormige voelers. De meeste hebben een kegel- à torenvormige schelp met eivormigen mond en hierin passend, hoornachtig deksel. Hun hoofdvoedsel bestaat uit zeewieren; zij worden daarom in de laminariën-zone het veelvuldigst aangetroffen. Zij bewegen zich flink, kruipen tamelijk vlug en richten intusschen de voelers beurtelings naar achteren en naar voren. Eenige soorten kunnen zich met naar beneden gericht huisje en naar boven gerichten voet langs den waterspiegel bewegen. Het 4 mM. hooge Kleine Zeewierhorentje (Rissoa parva) spint kleverige draden, waarmede het zich aan waterplanten vasthecht om beter bestand te zijn tegen den aandrang van het water en om veiliger zijn standplaats te kunnen verlaten. Deze Slakken worden op zeer verschillende diepten (tot op 105 vademen) gevonden, doch voor ’t meerendeel op geringer afstand van den waterspiegel. Dat haar eigenlijk vaderland het zuidelijke deel van de noordelijke gematigde zone is, blijkt uit de talrijkheid, grootte en ontwikkeling van de soorten, die de Middellandsche Zee bewonen.

Een amphibische levenswijze hebben de Alikruiken (Litorina), daar zij een groot deel van haar leven doorbrengen boven den waterspiegel in den oevergordel, die slechts door den vloed (of soms alleen door de toppen der golven bij hoog water) bereikt wordt. Meer dan 100 soorten van dit geslacht uit alle zeeën zijn bekend. De dikrandige, porseleinachtige schelp is in den regel nagenoeg bolvormig. Het dier heeft een korten, ronden snuit en lange, draadvormige voelers, aan welker basis de oogen gezeten zijn.

Een van de algemeenste en verst verbreide Strandslakken van het noordelijk halfrond is de 25 mM. hooge Gewone Alikruik of Kreukel (Litorina litorea), die in ondiep water op blaaswieren, steenen en paalwerk leeft. Zij beweegt zich langzaam; bij ’t kruipen werken de beide helften van den voet afwisselend. Haar voedsel bestaat zoowel uit plantaardige als uit dierlijke stoffen. In de Oostzee vindt men deze soort tot op de oostkust van Bornholm en Rugen. Verder oostwaards wordt ook voor haar het zoutgehalte van deze zee te gering. Aan de kusten van Denemarken en Sleeswijk-Holstein komt zij in menigte voor, zoo ook in den Atlantischen Oceaan, van Groenland en het noordoosten van Amerika tot Portugal. Men vindt haar in de Witte Zee zoowel als in de Adriatische Zee. Bij groote hoeveelheden worden deze Slakken o.a. aan onze kusten gevangen en door de kustbewoners gegeten of naar andere landen uitgevoerd. De Gewone Alikruik legt eieren; de Ruwe Alikruik (Litorea rudis) brengt gedurende het geheele warme seizoen levende jongen ter wereld.

Indien alleen op de wijze van ademhaling werd gelet, zouden de Slakken, die men onder den naam Netkieuwigen (Neurobranchiata) samenvat, bij de Longslakken geplaatst moeten worden, omdat zij geen kieuw, maar een long bezitten. In alle overige opzichten stemmen zij echter met de Voorkieuwigen overeen. Zij hebben twee, niet voor instulping (wel voor verkorting) geschikte voelers, aan welker basis de oogen staan. Een slurf ontbreekt altijd; maar de snuit is lang en bevat een wrijfplaat, welker maaksel met die der Bandtongigen overeenkomt. Voor het sluiten van de steeds spiraalswijs gewonden schelp bezitten zij een hoornachtig of verkalkt deksel, dat door het uitgestrekte dier op den rug van ’t achterste deel van den voet wordt medegedragen. Zij zijn geen hermaphrodieten, zooals de Longslakken, maar eenslachtig, zooals nagenoeg alle Voorkieuwigen. Alle leven op het land, vooral in vochtige keerkringsgewesten.

De belangrijkste familie is die der Kringmondslakken (Cyclostomidae), waarvan ongeveer 900 levende soorten bekend zijn. Slechts enkele van deze bewonen ook Midden-Europa, n.l. Frankrijk, Zwitserland en het zuidelijke deel van Midden-Duitschland. De eenige die ook in Nederland heet voor te komen, is de Sierlijke Rondmondhoren (Cyclostoma elegans), zoo genoemd wegens het traliewerk van zeer regelmatige, uitpuilende spiraallijnen en fijne, daartusschen gelegen dwarsstrepen op de geelachtig violet-grijze of donker vleeschkleurige, 10 à 15 mM. hooge schelp. Deze is bij alle leden van haar geslacht dun en uit ronde omgangen samengesteld; de afgerond eivormige mond is volkomen gaafrandig, wordt in ’t geheel niet ingesneden door den laatsten omgang, zoodat de binnen- en buitenlip overal samenhangen. De schelp is meestal kegelvormig, zelden plat; meestal eng genaveld en van een diepen naad voorzien. De genoemde Slak is zeer schuw, trekt zich bij de minste, haar ongewoon voorkomende aanraking in haar huisje terug en sluit dit met het zeer stevige, harde deksel. Alle Cyclostomen zijn over dag werkzaam en begeven zich ’s avonds in het goed gesloten huisje ter ruste.

Het soortenrijke geslacht der Tepelhorens (Natica) vormt de kern van een gelijknamige familie (Naticidae). Hoewel zij op planteneters gelijken (daar hun bol- of eivormige schelp geen kanaal of inham heeft aan den half-cirkelvormigen mond), voeden zij zich met dierlijke stoffen; de buitenlip is scherp, aan de binnenzijde glad, de binnenlip eeltachtig verdikt. De zijstukken van den uitgestoken voet, die door het opnemen van water buitengewoon sterk in omvang kan toenemen, bedekken het geheele huisje; bovendien gebruikt de Slak dit orgaan om er mede in ’t zand te graven en om er haar prooi geheel mede te bedekken. Zij valt n.l. dikwijls andere Weekdieren (Slakken en Mossels) aan, en boort hun met de wrijfplaat een cirkelrond gat in de schelp. Naar men zegt, helpt zij mede bij het uit den weg ruimen van doode Visschen en andere aan ’t strand gespoelde dieren. Zeer merkwaardig is haar eierennest, dat men lang voor een soort van polypenstok heeft gehouden. Het heeft den vorm van een breede schelp, ter dikte van een sinaasappelschil, die met den mond op den bodem rust en aan de eene zijde open is; het bestaat uit aaneengekleefd zand en kan gemakkelijk zonder te breken gebogen worden, zoolang het vochtig is. Wanneer men er doorheen kijkt, ziet men een menigte kleine cellen op afwisselende reeksen. Elke cel bevat een geleiachtig ei met gele kern, de schelp van de kiem. In het midden van den zomer kan men op ieder strand, waarop zich een Natica-soort ophoudt, zulke eierennesten vinden. De Gewone Tepelhoorn (Natica monilifera) van onze kust is 27 mM. breed.

Ieder die zich op een rotsachtige zeekust met het inzamelen van planten bezig houdt en, om geen hinder te hebben van ’t water, schoenen en kousen uittrekt, loopt niet zelden gevaar zich de voeten bloedend te verwonden. Er zijn plaatsen, waar de bodem dicht bedekt is met meer of minder onregelmatig gewonden, zeer stevige kalkkokers, welker mond zoo scherp is, dat slechts vurige belangstelling in de wetenschap de pijn leert verdragen van het loopen op dezen als ’t ware uit doornen en messen samengestelden weg. De bedoelde schelpen, die men allicht voor woningen van Kokerwormen zou houden, zijn afkomstig van Wormslakken (Vermetus). Dit valt moeielijk af te leiden uit de ledige schelpen, die bij de meeste soorten (b.v. bij Vermetus triqueter uit de Middellandsche Zee) wit en bij de Gewone Wormslak (V. lumbricalis) aan de westkust van Afrika roodachtig geel en doorschijnend zijn. Het oudste gedeelte is regelmatig spiraalswijs gewonden en steeds aan den bodem vastgehecht. Met den bewoner kan men het best kennis maken door een stuk van den rotsachtigen zeebodem, waaraan eenige van deze dieren vastgehecht zijn, los te rukken en het thuis in een grooten bak met zeewater te plaatsen. De Wormslak kan zich zeer diep in haar schelp terugtrekken. Als zij op het punt staat te voorschijn te komen, ziet men eerst boven de opening een soort van stop uitpuilen, welks afgeronde en gladde bovenvlakte met een hoornachtig plaatje bedekt is. Bij vele Zeeslakken zien de voet en het deksel er zóó uit, wanneer het dier zich zoo sterk mogelijk heeft saamgetrokken. De voet van onze soort behoudt echter dezen vorm ook in gestrekten toestand. Op den voet volgt een plompen, door de sterk ontwikkelde slikorganen uitgezetten kop, die door het bezit van voelers, met oogen aan hun basis, den waren aard van het dier verraadt. De beide voorste, draadvormige organen zijn geen voelers, maar eenvoudig verlengstukken van de lip. De kop kan gemakkelijk waargenomen worden, omdat dit dier, moediger dan andere Slakken, zich bij aanraking niet in het huisje terugtrekt, maar van weeke voorwerpen, die men het voorhoudt, stukken afbijt; harde voorwerpen worden met den mond omvat en stevig vastgehouden. Waarschijnlijk zijn de Wormslakken diereneters, die de Wormen en Schaaldieren, welke altijd in haar onmiddellijke nabijheid voorkomen, buitmaken.

Gewone Wormslak (Vermetus lumbricalis). Een weinig vergroot.

Gewone Wormslak (Vermetus lumbricalis). Een weinig vergroot.

De eieren worden door het wijfje ten getale van 10 à 30 in cocons geborgen, die ieder door tusschenkomst van een kort steeltje, aan den binnenwand van de schelp bevestigd zijn. De oudste van deze cocons bevindt zich het dichtst bij den mond van het huisje en heeft den grootsten omvang, daar deze toeneemt, naarmate de ontwikkeling der kiemen voortschrijdt. Niet bij alle groepen van Slakken vormen de organen zich in volkomen gelijke volgorde; toch ontstaan gewoonlijk de voet en het zoogenaamde kopscherm het eerst en vertoonen ook de mantel en de schelp zich zeer spoedig. Het kopscherm bestaat uit een paar halfcirkelvormige lobben aan weerszijden van den mond; haar rand is met lange wimpers bezet. Deze verschaffen reeds aan de kiem in het ei een spiraalsgewijze beweging. De voet van de jonge Wormslak is bij het verlaten van het ei zoo goed ontwikkeld, als van eenige Slak verwacht kan worden. Behalve aan het kopscherm, is zij als een Echte Slak kenbaar aan de sierlijke, rechts gewonden schelp. Zoo uitgerust verlaat zij de eischaal en den cocon en zwemt, gelijk alle Zeeslakken, met behulp van het kopscherm vrij rond. Na verloop van eenigen tijd verdwijnen eerst de wimpers en later de overige deelen van haar zwemorgaan; waarschijnlijk blijft zij daarna nog een tijdlang kruipen en voegt in deze perioden van vrij leven nog eenige omgangen aan haar huisje toe. Eindelijk krimpt ook de voet in; de schelp hecht zich op een nog onbekende wijze aan het gesteente en groeit verder uit tot een onregelmatig gewonden buis, welker omgangen elkander niet raken.

De Wormslakken worden door sommigen als een afzonderlijke familie beschouwd (Vermetaceae), door anderen met de Penhorenslakken (Turritellaceae) vereenigd. Bij het typische geslacht Turritella, waarvan één soort—de Gewone Penhoren (Turritella communis)—ook (hoewel zeldzaam) in de Noordzee aangetroffen wordt, is het huisje torenvormig, met talrijke (hoogstens 30), meestal geribde omgangen; ook de spiraallijn die de vergrooting van het hoornachtige deksel verraadt, vertoont vele windingen. De kop is tot een langen, platten, van voren uitgesneden en met wratjes bezetten snuit verlengd; de mantelrand en een huidplooi dwars om den nek zijn met franje omzoomd. Van deze familie zijn ongeveer 40 soorten bekend; de meeste en de grootste bewonen de keerkringszeeën. Alle zijn diereneters, maar trage, zelden buiten haar schelp te voorschijn komende schepsels.

*

Bij de overige Bandtongige Kamkieuwigen is de mantelrand uitgegroeid tot een voor de ademhaling dienende, gootvormige lob (ademsipho) en de opening van de schelp bijgevolg voorzien van een insnijding of kanaal; zij heeten daarom Siphonostomata, hebben een gewonden schelp, die meestal met een (hoornachtig) deksel gesloten kan worden, leven in de zee en zijn voor ’t meerendeel diereneters.

De familie, waarvan de Porseleinhorenslakken (Cypraea) de kern vormen (Cypraeidae), zou men met het oog op de economische beteekenis der Kauris de belangrijkste van de geheele klasse kunnen noemen. De buitenste (jongste) omgangen bedekken de oudere nagenoeg geheel, zoodat deze niet zichtbaar (ingewikkeld) zijn. Evenals hare verwanten, hebben deze Slakken een tamelijk dikken kop met korte slurfen, lange, slanke, dicht bijeen gezeten voelers, aan welker basis, op een knobbel aan de buitenzijde, de oogen voorkomen. De mantel strekt zich naar weerszijden zeer ver uit en kan naar boven omgeslagen worden, zoodat het huisje er grootendeels of geheel door bedekt is. Wegens den eigenaardigen glans, dien de schelp hieraan ontleent en wegens hare soms zeer schitterende en bonte, soms zeer teere kleuren nemen de Porseleinhorens een voorname plaats in onder de aantrekkelijkheden eener conchyliënverzameling. Misschien heeft geen enkel geslacht van oudsher zooveel belangstelling gewekt; de reden hiervoor is zoowel in de veelvuldigheid dezer conchyliën als in haar werkelijk zeer fraai uiterlijk te vinden. In alle oorden van de wereld en zelfs bij zeer onbeschaafde volken dienen zij ter versiering van woningen en van kleederen; op grond van een overoude conventie zijn sommige soorten in verscheidene landen als pasmunt in gebruik. Om verschillende redenen verdienen de Porseleinhorens de voorkeur die hun betoond wordt: zij bekoren het oog door de fijne afronding hunner vormen, kunnen gemakkelijk een spiegelgladde oppervlakte verkrijgen, doen in hardheid voor marmer niet onder en prijken met schitterende kleuren. Ook uit een wetenschappelijk oogpunt trekken zij de aandacht, daar de schelp bij toenemenden leeftijd op in ’t oogvallende wijze van vorm verandert. Bij het jonge dier is zij dunwandig en heeft een wijden mond met ongetande lippen; bij de volwassen Slak is de mond lang en smal, aan beide einden diep ingesneden (tuitvormig); terwijl tevens beide lippen getand zijn.

De belangrijkste soort van het geheele geslacht is de Kauri (Cypraea moneta). Deze wordt 1½ à 2 cM. lang, is wit- of geelachtig, breed eivormig en van achteren aan weerszijden van twee stompe knobbels voorzien. Het talrijkst vindt men haar op de kust der Maledivische eilanden, waar zij, volgens berichten uit vroegeren tijd, 2-maal in de maand, 3 dagen na nieuwe maan en 3 dagen na volle maan, ingezameld wordt. Van hier wordt zij gedeeltelijk naar Bengalen en Siam, vooral echter naar Afrika verscheept. De hoofdstapelplaats voor den Afrikaanschen kauri-handel is Zanzibar. Van Afrika’s oostkust begeven zich sedert eeuwen groote karavanen met dit artikel, dat geld en koopwaar is, naar het binnenland. Bij scheepsladingen worden deze schelpjes door Europeesche schepen van Zanzibar afgehaald en aan de westkust tegen de producten des lands, stofgoud, ivoor, palmolie, ingeruild. In Goere vertegenwoordigden 700000 Kauris een waarde van 594 gulden, 1180 stuks dus 1 gulden; de inkomsten van den vorst bedroegen 30 millioen Kauris per jaar. De waarde is natuurlijk aan koers onderhevig en hangt af van den aanvoer en van de transportkosten. Gewoonlijk zijn zij bij honderd aan een koord geregen om het tellen gemakkelijker te maken. Op vele plaatsen is dit echter niet gebruikelijk; zoodat de duizenden een voor een afgeteld moeten worden. Zoolang de Nederlanders Ceylon bezaten, was dit eiland de belangrijkste stapelplaats voor den handel in Kauris; van hier werden zij in korven, in balen die ieder 12000 stuks bevatten, of (naar Guinea) in vaten verzonden. Een tijdlang werd met behulp van Kauris de geheele Afrikaansche slavenhandel gedreven. Voor 12000 pond van dit artikel konden 500 à 600 slaven gekocht worden. Tegen het midden van de 8e eeuw was de prijs reeds verdubbeld; later werden de kustdistricten met Kauri-geld overstroomd en kwamen voor deze schelpen andere ruilmiddelen in de plaats.

Kauri (Cypraea moneta). Ware grootte.

Kauri (Cypraea moneta). Ware grootte.

Merkwaardige soorten uit den Indischen Oceaan zijn: de 10 cM. hooge Argus (Cypraea argus), welker geelachtig witte schelp van boven met bruine, op oogen gelijkende ringen, van onderen met 4 groote bruine vlekken geteekend is;—de 8 cM. hooge Groote Slangenkop (Cypraea mauritiana), welker eivormige schelp van boven bultig, van achteren neergedrukt, van onderen plat en grootendeels effen zwartbruin is, doch een roodbruine bovenzijde, met geelachtig witte, verspreide vlekken heeft;—de 4 cM. hooge Kleine Slangenkop (Cypraea caput serpentis), die van de vorige verschilt door de dicht bijeenstaande, als ’t ware een netwerk vormende, witte vlekken;—de 10 cM. hooge Tijgerslak (Cypraea tigris), welker van boven en van onderen even sterk gewelfde schelp van onderen wit is, doch een blauwachtig witte bovenzijde heeft met talrijke, zwartachtig bruine, groote, uitvloeiende vlekken en een overlangsche, rechte, roestbruine streep in ’t midden.

De Tritonshorenslakken (Tritoniidae) hebben een grooten kop, die tusschen de lange, kegelvormige voelers vooruitsteekt. Deze dragen de oogen aan de buitenzijde ongeveer op halverhoogte. Een tamelijk lange snuit kan door de mondspleet, aan de onderzijde van den kop, uitgestoken worden. De schelp is langwerpig eivormig of bijna torenvormig, met hooge spiraalwinding, overlangs loopende verdikkingen op iederen omgang en een tamelijk lang, recht kanaal aan den mond. Het voornaamste geslacht is dat der Kinkhorens of Trompetslakken (Tritonium). In de Middellandsche Zee leeft de Knobbelige Kinkhoren (Tritonium nodiferum), welker schelp, de Buccina der oude Romeinen, door hen als krijgstrompet gebruikt werd en ook thans nog de trompet is van de Italiaansche jagers en visschers. Voor ’t zelfde doel dient de even groote Tritonshoren (Tritonium tritonis) bij de kustbewoners van den Indischen Oceaan. De naam „kinkhoren” is ontleend aan het geluid, dat men hoort, wanneer men den mond van de schelp voor het oor houdt. Dit geluid, dat ook wel „het bruischen van de zee” wordt genoemd, hoort men trouwens aan alle niet-te-kleine Slakkenhuizen, daar deze een goede resonansbodem opleveren voor het mengelmoes van tonen van ieder gedruisch. Eenig gedruisch moet er zijn, opdat men een geluid zal hooren; bij absolute stilte zwijgt ook de Tritonshoren. Veelvuldig ziet men deze schelp voorgesteld op schilderijen, beeldengroepen en reliefs uit den rococo-tijd.

In meer dan één opzicht zijn de Tonhorenslakken (Doliidae) merkwaardig. Haar schelp is dunwandig, buikig, dikwijls bijna bolrond, de mond wijd, de buitenlip meestal verdikt en over haar geheele lengte gekorven. Het dier heeft een langwerpig-eivormigen, grooten en dikken voet, die door het opnemen van water sterk in omvang kan toenemen. De kop is plat en breed, zijn voorrand tusschen de voelers bijna rechtlijnig. Deze zijn lang en dragen de oogen aan de buitenzijde op hun verdikt grondstuk. De adembuis is dik, tamelijk lang en wordt boven de schelp teruggebogen.—De 11 cM. hooge Tonslak (Dolium perdix) uit de Middellandsche Zee is de grootste Slak van dit gebied. Toen Prof. Troschel te Messina met dierkundige onderzoekingen bezig was, bracht men hem een groot, levend exemplaar van deze soort, dat bij aanraking de slurf een halve voet ver uitstak en onmiddellijk door de mondopening een straal van een waterheldere vloeistof een voet ver uitspoot. Tot zijn groote verbazing zag Troschel, dat deze vloeistof overal, waar zij op den uit kalksteen bestaanden vloer neerkwam, een opbruisching veroorzaakte en dus geen speeksel, maar een sterk zuur was. Het bleek, dat zij 3 à 4 percent vrij zwavelzuur en 0.3 percent vrij zoutzuur bevat en dat deze zuren afgescheiden worden door een afzonderlijke klier, die naast de eigenlijke speekselklier ligt. Het doel van deze verrichting, die, naar Panceri heeft aangetoond, ook bij een aantal soorten van de geslachten Cassis, Cassidaria en Tritonium voorkomt, is onbekend.—Onderzoekingen op kunsthistorisch gebied hebben tot het vermoeden geleid, dat de schelp van de Tonslak het voorbeeld is geweest van de spiraalswijze versieringen van de Ionische zuil.

Pelikaansvoet (Aporrhais pes-pelecani). Ware grootte.

Pelikaansvoet (Aporrhais pes-pelecani). Ware grootte.

De beide nu volgende familiën (Aporrhaideae en Strombidae) worden, op grond van den eigenaardigen vorm der schelp, Vleugelhorenslakken genoemd, hoewel het onderzoek der weeke deelen leert, dat zij aanmerkelijk van elkander verschillen. Van het geslacht Aporrhais zijn slechts 4 soorten uit de Europeesche zeeën bekend; één daarvan—de Pelikaansvoet (Aporrhais pes-pelecani)—komt overal zeer veelvuldig voor. Haar huisje is spoelvormig en bestaat uit 10 bolle omgangen, die op het midden met naar boven en naar onderen uitloopende ribben bezet zijn; op den laatsten omgang vindt men onder deze nog een rij kleinere knobbeltjes en daaronder een verhoogde, soms gekorrelde lijn. De geheele buitenste oppervlakte is verder met fijne, gegolfde strepen bedekt. De binnenlip loopt naar onderen en naar boven uit in een spits eindigend kanaal; de vrije mondrand is naar buiten omgeslagen en tot een vleugel verbreed, die in ’t midden vingervormige verlengsels draagt: een korte en twee lange vingers, op welker buitenvlakte de knobbelrijen der omgangen als ribben doorloopen, aan de binnenzijde van gleuven voorzien, die zich zoover uitstrekken als de mondrand omgeslagen is. De buitenlip is aanvankelijk gaafrandig; eerst langzamerhand ontwikkelt zich de vleugelvormige uitbreiding met hare uitsteeksels. De kop van den bewoner dezer schelp is tot een platten, van voren uitgesneden snuit verlengd. De lange, draadvormige voelers dragen de oogen aan de buitenzijde op een knobbel. De voet is klein, maar geheel voor ’t kruipen ingericht, aan weerszijden afgerond. De mantel van het geheel volwassen dier is niet sterk verbreed en op de plaatsen, waar de schelp vingers heeft, slechts slipvormig uitgegroeid.

De Vleugelhorenslakken i.e.z. (Strombus) en de Vingerhorenslakken (Pterocera) zijn zeer zonderling gebouwd. De voet is bijna rechthoekig geknikt, een weinig samengedrukt, aan den rand afgerond: het kortere, voorste deel is uitgesneden, het zeer lange, achterste deel draagt aan ’t einde een bijna sikkelvormig, hoornachtig deksel, dat de mond van de schelp niet kan sluiten. Deze voet is niet geschikt voor een kruipende beweging; het dier springt er mede: schuift het achterste deel onder het voorste, brengt beide plotseling in den vorigen stand terug en wordt door den schok opgeheven.

De kop draagt twee dikke, cilindervormige stelen, aan welker top de meestal buitengewoon groote, schel gekleurde oogen voorkomen; de voelers ontspringen aan de binnenzijde van deze stelen in den vorm van dunne draden. Tusschen de oogen is de kop tot een langen, niet terugtrekbaren snuit verlengd. De mantel is groot, maar dun en heeft meestal een draadvormig aanhangsel, gelegen in het bovenste kanaal van den lijnvormigen schelpmond, die ook van onderen in een kanaal eindigt. De buitenlip van den schelpmond is gewoonlijk vleugelvormig uitgespreid, soms naar boven in een lob verlengd, maar nooit voorzien van de lange uitsteeksels of vingers, die aan de Vingerhorenslakken zulk een eigenaardig voorkomen verschaffen. Bij deze vindt men er gewoonlijk 6 (bij Pterocera millepeda 9) aan de buitenlip, terwijl bovendien de schelpmond naar onderen en naar boven in een vingervormig kanaal uitloopt. De namen Duivelsklauw, Schorpioen, Bootshaak, Zeespin doelen op deze eigenaardige uitsteeksels.—De 12 soorten van Pterocera bewonen de keerkringszeeën, evenals de 80 Strombus-soorten.—De schelpen van het Reuzenoor (Strombus gigas), een in West-Indië zeer veelvuldig voorkomende soort, worden niet zelden gebruikt als omlijsting van bloemperken, als bloempotten en als bloemvazen; zij kunnen 30 cM. hoog en 4.5 KG. zwaar worden. Om te begrijpen, hoe het dier, ondanks dit groote gewicht, springen kan, moet men niet uit het oog verliezen, dat het opheffen van een in water ondergedompeld voorwerp veel minder kracht vereischt dan in de lucht.


De Vedertongige Kamkieuwigen (Ctenobranchiata Ptenoglossa) hebben, evenals de reeds behandelde leden der onderorde, een uit talrijke leden (of dwarsreeksen van tandjes) samengestelde wrijfplaat; de leden hebben echter een ander maaksel, bestaan uit een groot aantal kleine, haak- of klauwvormige zijplaatjes zonder middelplaat. Met de Gaafmondige Bandtongigen komen deze Slakken overeen door het gemis van een adembuis, zooals blijkt uit het niet aanwezig zijn van een insnijding of kanaal aan den schelpmond. Tot deze groep behooren o.a. de Janthiniden, welker meest bekende vertegenwoordigers de Kwalbootslakken (Janthina) zijn. Deze hebben een zeer dunne, buikige schelp van blauwachtige kleur, in vorm ongeveer overeenkomende met het huisje onzer Tuinslakken. Zij leven van dierlijk voedsel in de open zee en werpen om zich te verdedigen, doch waarschijnlijk ook om haar buit gemakkelijker te vangen, een purperkleurige vloeistof uit, die het water in de omgeving troebel maakt. Het meest trekken zij echter de aandacht door het aan ’t achterste deel van den voet verbonden „vlot”, dat uit een groot aantal samenhangende, met lucht gevulde, kraakbeenharde slijmblaasjes bestaat, waarmede zij aan de oppervlakte van de zee blijven hangen. Ondanks de lichtheid van dezen toestel, zijn zij niet weerloos overgeleverd aan iedere strooming van het water of van de lucht, maar kunnen haar bewegingsrichting wijzigen met behulp van een kleine vin, die zich aan weerszijden van den voet, een weinig boven zijn rand bevindt.

Brooze Kwalbootslak (Janthina fragilis), hangend aan haar op den waterspiegel drijvend vlot (l); van ter zijde en van boven gezien. Ware grootte.—t. Kop.—c. Schelp.—p. Voorste deel van den voet, waarmede (in de bovenste afbeelding) een (iets te dik geteekende) slijmblaas (b) aan den voorrand van het vlot wordt toegevoegd.

Brooze Kwalbootslak (Janthina fragilis), hangend aan haar op den waterspiegel drijvend vlot (l); van ter zijde en van boven gezien. Ware grootte.—t. Kop.—c. Schelp.—p. Voorste deel van den voet, waarmede (in de bovenste afbeelding) een (iets te dik geteekende) slijmblaas (b) aan den voorrand van het vlot wordt toegevoegd.

„Een krachtige storm uit het noordwesten” schrijft Lacaze-Duthiers, „had een groot aantal drijftoestellen van Janthinen op den zandigen oever van de baai van Boulif niet ver van La Calle” (bij de grens van Algerië en Tunis) „geworpen; hierbij waren een groot aantal nog levende dieren, die, in een aquarium overgebracht, onmiddellijk hun door storm en stranding beschadigd vlot begonnen te herstellen. In ’t eerst verbaasde ik mij er over, dat alle Janthinen, die haar drijftoestel geheel verloren hadden, op den bodem bleven liggen, hoewel zij volkomen gaaf waren; eenige van de vlugste kropen, niet zonder moeite, met behulp van den voet bij den wand omhoog tot aan de oppervlakte en bogen zich daar achterover; het gelukte haar echter slechts bij uitzondering een vlot te vervaardigen; de meeste zonken weer naar den bodem. Nooit zag ik ze, gelijk zoovele andere Slakken, door uitzetting en samentrekking van den voet zwemmen. Het dier met de schelp scheen te zwaar te zijn om zonder vlot te kunnen drijven. De exemplaren, die op den bodem lagen, stierven zeer spoedig”. Door de Slak met behulp van een steunsel van metaaldraad zoo dicht bij den waterspiegel te brengen, als zij zich met haar vlot zou bevinden, leerde Lacaze-Duthiers haar wijze van werken kennen.

De voet bestaat uit twee afdeelingen: de achterste, waaraan het vlot vastzit, is plat en grooter dan de voorste (p), welker benedenwaarts omgekrulde rand een kanaal van voortdurend veranderende gedaante vormt, dat bij het vervaardigen van het vlot een hoofdrol speelt. Het wordt naar voren gestrekt en vervolgens boven den waterspiegel opgeheven, waar het een luchtbel (b) omvat, die, met een door den voet uitgezweete slijmlaag omhuld, door het intusschen achterwaarts gebogene, naar rechts of links overhellende orgaan tegen het voorste deel van het vlot wordt aangedrukt. Zoodra het vlot gereed is, blijft het voorste deel van den voet er op liggen. Hoewel de aanvankelijk weeke slijmlaag in het water weldra hard wordt, is het drijftoestel zoo broos en aan zoovele gevaren blootgesteld, dat zijn draagkracht waarschijnlijk zeer dikwijls door toevoeging van nieuwe blaasjes op de vereischte grootte moet worden teruggebracht.

Een andere eigenaardigheid van de Janthinen is, dat het wijfje de eieren in kleine cocons aan de onderzijde van haar vlot medevoert. Men weet niet, hoe zij ze hier bevestigt. Alleen het toeval zal ons hierover kunnen onderrichten, daar alle teere bewoners van de open zee, in een aquarium slechts kort in ’t leven blijven, waarschijnlijk vooral, omdat men hun geen geschikt voedsel kan verschaffen en het bovendien uiterst moeilijk is het water op den vereischten graad van reinheid te houden.

Tot dezelfde groep behooren de Wenteltrapslakken (Scalariidae). Op de Noordzeekust vindt men vrij veelvuldig de 35 mM. hooge Gewone Wenteltrap (Scalaria communis), die, evenals de andere leden van haar geslacht, een wit, porseleinachtig, torenvormig huisje heeft met bolle, overlangs geribde wendingen. Bij haar komt geen navel voor, wel bij de 50 cM. hooge, uit Oost-Indië afkomstige Echte Wenteltrap (Scalaria pretiosa), welker omgangen bovendien alleen door de overlangsche ribben met elkander in aanraking komen. Vroeger werden voor het laatstgenoemde schelpje door de verzamelaars zeer hooge prijzen besteed, soms wel f 200; thans is het wel voor een rijksdaalder te krijgen.

Een tolvormig of schijfvormig huisje met wijden en diepen navel, waardoor men tot aan den top kan zien, hebben de Verrekijker- of Zonnewijzerslakken (Solariidae), waarvan de meest gewone soort, de Oost-Indische Solarium perspectivum, een middellijn van 60 à 65 mM. kan bereiken.


Bij de afdeeling der Smaltongigen (Rhachiglossa) is de wrijfplaat lang en smal, bandvormig, ieder lid (of dwarsreeks) samengesteld uit een middelplaat (welks achterrand gewoonlijk met uitstekende, scherpe tanden bezet is) en twee (soms ontbrekende) zijplaten. Alle hebben een adembuis en bijgevolg een kanaal of insnijding aan het voorste deel van den schelpmond; zij bewonen de zee en voeden zich bijna zonder uitzondering met dieren.

De familie der Plooihorenslakken (Volutaceae), die zich kenmerkt door het gemis van zijplaten aan de wrijfplaat en haar naam ontleent aan de sterk uitpuilende, schuinsche plooien op de spil, omvat een aantal voor verzamelaars van conchyliën zeer merkwaardige soorten, van welker levenswijze echter zoo goed als niets belangrijks valt mede te deelen. Merkwaardig zijn o.a. wegens hun grootte: de Gekroonde Tepelbak of Moorenkroon (Cymbium aethiopicum, 135 mM. hoog) en de Neptunuswagen (Cymbium Neptuni, 240 mM. hoog), beide afkomstig uit de Perzische Golf,—wegens de teekening van de schelp: de West-Indische Muzieknotenslak (Voluta musica), met bruine, evenwijdige dwarslijnen (als notenbalken) en bruine stippels (als muzieknoten), de Oost-Indische Vleermuisslak (Voluta vespertilio) met roodbruine, zigzagvormige strepen en vlekken.

Ongeveer hetzelfde valt op te merken van de Mijterslakken (Mitridae), die een kleineren, breederen voet en een veel langere slurf (soms langer dan de schelp) hebben dan de vorige, waarvan zij bovendien verschillen door haar spoelvormige schelp met spitse, hooge winding. Door de kleur van de schelp en de knobbels aan den naad onderscheiden zich de voor verzamelaars belangrijke soorten Mitra episcopalis, papalis, pontificalis, cardinalis, enz.

De schelp van de Olijfhorenslakken (Oliva), die een gelijknamige familie vertegenwoordigen, herinnert aan die van den Porseleinhoren, maar verschilt er van, doordat de jongste windingen de oudere niet geheel bedekken; steeds is een, wel is waar korte, maar spitse winding zichtbaar, met diepen, groefvormigen naad. Zij is glad en glanzig, daar de zijstukken van den eivormigen, zeer breeden voet over de schelp heengelegd worden. De voorste lob van den voet, aan weerszijden door een diepe insnijding begrensd, steekt ver voorbij den kop uit. Deze is klein; de voelers zijn naast elkander vastgehecht en dragen aan de buitenzijde, op tamelijk grooten afstand van hun basis, de oogen. De mantel is van voren uitgegroeid tot een lange adembuis met een haar gedeeltelijk omgevende plooi, van achteren tot een draad, die in den naad van de winding ligt. Deze Slakken bewonen bij voorkeur een zandigen zeebodem in helder water, kruipen zeer snel en vreten vleesch; zij moeten zich echter, wegens de zwakke bewapening van de tong, tot zuigen bepalen. Ongeveer 150 soorten van dit geslacht bewonen de tropische zeeën.

Zware Olijfhoornslak (Oliva maura). Ware grootte.

Zware Olijfhoornslak (Oliva maura). Ware grootte.

De Harpslakken (Harpa) hebben een zeer grooten voet, die veel breeder is dan de schelp en in uitgestrekten toestand ook tweemaal zoo lang. De fraaie, eivormige, min of meer opgeblazene schelpen zijn gemakkelijk te herkennen aan de evenwijdige, scherprandige, overlangsche ribben. Reeds Rumph heeft opgemerkt, dat deze Slakken, die den Indischen en den Stillen Oceaan bewonen, door hevige samentrekkingen het achterste deel van den voet afwerpen kunnen. Dwars door den voet loopt n.l. een waterkanaal; op deze zwakkere plaats komt de scheiding tot stand. Hoewel het verloren lichaamsdeel zeer groot is, groeit het schielijk weder aan.

Een zeer veelvuldig aan onze kust voorkomende soort—de Wulk, ook wel eenvoudig Horen genoemd (Buccinum undatum)—dient gewoonlijk als voorbeeld bij het bespreken van de familie der Bucciniden. De 8 à 9 cM. hooge schelp is kegel-eivormig, buikig en op de bolle, overlangs geplooide omgangen van uitpuilende dwarslijnen en fijne, overlangsche strepen voorzien. Aan de beide hoeken van den platten, van voren afgeknotten kop bevinden zich de tamelijk lange voelers, waarop aan de buitenzijde, dicht bij de basis, de oogen voorkomen. De voet is groot, van achteren en aan de beide voorste hoeken afgerond. De Wulk houdt zich op in de nabijheid van zandige kusten en dringt dikwijls met behulp van den voet in den bodem door, met het doel om de hier levende Mossels (Pecten opercularis, soorten van Mactrina, Tellina, Venus en andere geslachten) buit te maken, die zij verslindt, na haar met de tong een gat in de schelp geboord te hebben. Op ons zeestrand vindt men dikwijls schelpen, die, blijkens de regelmatige ronde opening, die zij vertoonen, op deze wijze zijn leeggevreten. De Wulken en hare verwanten (vooral de Purperslakken en de Stekelhoornslakken) vernielen allerlei eetbare Weekdieren (o.a. Oesters en Mossels), maar worden zelf ook gegeten (komen op de Londensche vischmarkt o.a. geregeld voor); bovendien leveren zij aas voor de vischvangst.

Ledige eiernesten van de Gewone Wulk, bij de strandbewoners bekend onder den naam van „zeeschuim”, worden veelvuldig door de golven op het strand geworpen. Het zijn rondachtige opeenhoopingen van gele, vliezige blaasjes, half zoo groot als erwten en samengedrukt bolvormig; die, welke men op het strand vindt, zijn opengebarsten en dienen dikwijls tot schuilplaats aan kleine strandbewoners. De Slakken hechten deze door een dikken band onderling vereenigde eierenzakjes vast aan allerlei onderzeesche voorwerpen, aan steenen, stukken hout, oesterschelpen, enz.; hun wand is aanvankelijk zoo dun en doorzichtig, dat men er de eieren gemakkelijk met een vergrootglas in kan waarnemen; ieder zakje bevat er niet minder dan 600 à 800 en levert toch slechts 4 à 12 jonge Slakken op. De kiem ontwikkelt zich uit den inhoud van een enkel ei, bezit weldra, behalve andere organen, ook een mond en een spijskanaal en verslindt dan de haar omringende, niet ontkiemde eieren, die eenvoudig als voedsel dienen. Bij deze Slakken bestaat de inhoud van het ei uitsluitend uit den zoogenaamden „vormingsdooier”, die door celdeeling de weefsels van de kiem levert; bij andere dieren vindt men er ook nog den zoogenaamden „voedingsdooier” in, die in het spijskanaal van het jonge dier opgenomen en verteerd wordt. Aanvankelijk zijn alle in een kapsel aanwezige eieren volkomen gelijk van aard; de eigenlijke reden waarom er slechts zoo weinige van tot ontwikkeling komen, is onbekend.

Ook bij onze Gewone Purperslak (Purpura lapillus) ontwikkelen zich een gering aantal jongen ten koste van de groote meerderheid der eieren. Deze drijven ten getale van 500 à 600 in een taai, helder vocht en zijn omhuld door een fleschvormig, hoornachtig zakje; de fleschjes zijn, op rijen naast elkander, ieder door tusschenkomst van een dunner steeltje en een breeder grondstuk, bevestigd aan een steen of rots.

Alle Purperslakken zijn traag en langzaam; de genoemde blijft dagen en weken achtereen op dezelfde plaats zitten. Nog trager zijn eenige van hare kleine verwanten, die op het Waaierkoraal (Gorgonia flabellum) en andere West-Indischen Gorgoniën leven. Zij veranderen in ’t geheel niet van plaats en omvatten met den stijf aangedrukten mantelrand één of meer takken van den stok; intusschen groeit de weeke, buitenste laag van de Gorgonie om de schelp heen, zoodat de Slak ten slotte slechts door een kleine opening met de buitenwereld in gemeenschap staat.

Rhizochilus antipathum:—A. Jong exemplaar.—B. Ouder, vastzittend dier.—Ware grootte.

Rhizochilus antipathum:—A. Jong exemplaar.—B. Ouder, vastzittend dier.—Ware grootte.

De leden van 2 zeer nauw aan Purpura verwante geslachten, die zich aanvankelijk vrij bewegen, Magilus en Rhizochilus, ondergaan, nadat zij zich vastgehecht hebben, zeer merkwaardige veranderingen, die zoowel den vorm van het huisje als de wijze van voeding en de levenswijze in ’t algemeen betreffen. Op jeugdigen leeftijd is het verschil tusschen Rhizochilus antipathum en jonge exemplaren van sommige Purpura-soorten al zeer gering. Wanneer men de eerstgenoemde soort op lateren leeftijd beschouwt, nadat zij zich aan een polypenstok heeft vastgehecht, merkt men bij haar een merkwaardige verandering op in de omgeving van den mond der schelp; de aanvankelijk enkelvoudige lippen zijn sterk gezwollen en hebben een of meer takken van het Hoornkoraal omvat. Door de steeds voortschrijdende kalkafscheiding blijft ten slotte van den mond der schelp niets anders over dan de opening van het naar voren gerichte kanaal; deze verlengt zich tot een buis, die groote overeenkomst vertoont met den koker van een Worm (Serpula) en in dezelfde mate groeit, als de schelp bedekt wordt door de steeds verder zich uitbreidende Polyp. Natuurlijk leidt de Slak nu een geheel ander leven dan vroeger; nadere bijzonderheden hierover zijn niet bekend.

Magilus antiquus komt voor in de Roode Zee; haar schelp wordt allengs overdekt door de kalkmassa van een Steenkoraal, terwijl de geheele schelpmond uitgroeit tot een wijde buis, die vergroot wordt, naarmate de polypenstok zich uitbreidt; intusschen vult de Slak de vroeger door haar bewoonde ruimten met kalk.

Bij de Stekelhorenslakken (Murex) is de buitenlip omgeslagen of verdikt, waardoor op de omgangen bultige, geplooide of stekelige, overlangsche lijsten ontstaan, op elken omgang minstens drie; de lagere vereenigen zich in schuinsche richting met de hoogere tot doorloopende rijen. De kleine, ronde schelpmond loopt naar voren uit in een recht of gebogen, soms gesloten kanaal. De 95 mM. hooge Murex brandaris en de kleinere Murex trunculus komen beide in de Middellandsche Zee zeer algemeen voor, gene op slijkerigen, deze op steenachtigen grond; bij gene zijn de stekels en het kanaal recht en lang; bij deze is het kanaal middelmatig lang en gebogen, en zijn de stekels door knobbels vervangen. Beide worden in groote hoeveelheid ingezameld, ter markt gebracht en gegeten. Vooral aan haar werd door de ouden de beroemde kleurstof ontleend, die voor het purperverven diende en zoo kostbaar was, dat een purperen gewaad als onderscheidingsteeken gold voor voorname lieden. Destijds was het purperverven in geheel Italië en Griekenland een zeer belangrijke tak van nijverheid, die vooral te Rome bloeide, waar de Monte Testacea ontstaan is uit de schelpen der hiervoor gebruikte Slakken. Tegenwoordig kan men op veel goedkoopere wijze niet minder duurzame en fraaie kleuren verkrijgen en dient de bedoelde verfstof hoogstens nog op enkele afgelegene eilanden en kusten voor het merken van kleedingstukken. Zij was reeds in het vergeetboek geraakt, lang voordat de uitmuntende onderzoekingen van Lacaze-Duthiers een helder licht wierpen op hare eigenschappen. Toen deze geleerde in den zomer van 1858 in de haven van Mahon allerlei zeedieren verzamelde en hierbij geholpen werd door een visscher, zag hij dezen kleedingstukken merken door er met een stukje hout plompe letters en figuren op te teekenen, die aanvankelijk een geelachtige kleur hadden. „Zij zullen rood worden,” zeide de visscher, „zoodra de zon er op geschenen heeft”, en doopte tevens het houtje in het taaie afscheidingsproduct van den mantel, dien hij had losgescheurd van een Slak, waarin onze zoöloog onmiddellijk Purpura haemastoma herkende. De verfstof is wit of lichtgeelachtig op ’t oogenblik, dat men haar aan ’t dier ontneemt; dit kan het best geschieden met een tamelijk stijf penseel, dat men over de geelachtige purperklier (zie de onderstaande afbeelding bij p) strijkt en dadelijk afveegt op de plaats, die geverfd moet worden. Terwijl men de stof aan de werking der zonnestralen blootstelt, verbreidt zij een hoogst onaangename, doordringende lucht en gaat achtereenvolgens door citroengeel, groenachtig geel en groen in violet over, dat allengs donkerder wordt. De tint hangt af van de hoeveelheid verfstof; de bekwame verver is dus in staat allerlei nuanceeringen voort te brengen.

Brandhorenslak (Murex brandaris) na het verwijderen van de schelp; de mantel is tusschen de kieuw (b) en de purperklier (p) opengesneden en naar weerszijden omgeslagen. b. Bijkieuw. Naast de purperklier ziet men den endeldarm en de afvoerbuis der voorttelingsorganen. Naar voren steekt de mantellob uit, die in het kanaal van den schelpmond gelegen is en een sipho vormt, die het water naar de kieuwen voert. Boven den van voren afgeronden, gootvormigen voet ligt de tot een snuit verlengde kop, die een terugtrekbare slurf en twee naast elkander ontspringende voelers met oogen bij de basis draagt.

Brandhorenslak (Murex brandaris) na het verwijderen van de schelp; de mantel is tusschen de kieuw (b) en de purperklier (p) opengesneden en naar weerszijden omgeslagen. b. Bijkieuw. Naast de purperklier ziet men den endeldarm en de afvoerbuis der voorttelingsorganen. Naar voren steekt de mantellob uit, die in het kanaal van den schelpmond gelegen is en een sipho vormt, die het water naar de kieuwen voert. Boven den van voren afgeronden, gootvormigen voet ligt de tot een snuit verlengde kop, die een terugtrekbare slurf en twee naast elkander ontspringende voelers met oogen bij de basis draagt.

Om het orgaan te leeren kennen, waardoor het purper afgescheiden wordt, moet men de Slak, door het stuk slaan van de schelp, uit haar woning verwijderen en den mantel doorsnijden tusschen de kieuw (b) en een iets verder naar rechts gelegene geelachtig groene band (p), die men beide reeds vóór deze bewerking door den mantel heen waarnemen kan. De laatstgenoemde is de purperklier.

Behalve de reedsgenoemde Murex-soorten bezigde Lacaze-Duthiers voor zijne proeven ook de Geschubde Stekelhoren (Murex erinaceus), die in den Atlantischen Oceaan aan de Fransche kust voorkomt en, hoewel zelden, ook in de Noordzee bij onze kust gevonden wordt, voorts twee soorten van Purpura, n.l. P. haemastoma (zie boven) en P. lapillus. Uit de beschrijving, die Plinius geeft van de Slakken, welke oudtijds voor de purperververij dienden, blijkt, dat het tegenwoordige geslacht Purpura bij hem „Buccinum”, Murex echter „Purpura” heet.

De Spilhorenslakken (Fusus) hebben een zeer kleinen kop met voelers, die op de helft van hun hoogte de oogen dragen en onder een scherpen hoek samenkomen. Ook de voet is betrekkelijk klein. De schelp is spoelvormig; loopt naar achteren uit in de lange, spitse winding, naar voren in een (meestal zeer lang) recht kanaal. Bij den 30 cM. hoogen Reuzenspilhoren (Fusus colosseus) uit den Indischen Oceaan is het kanaal 2-maal zoo lang als de winding; het is kort bij den 15 cM. hoogen Noordhoren [Fusus (Neptunea) antiquus], een der weinige Europeesche vertegenwoordigers van zijn geslacht en tevens de grootste Slak onzer kusten. Zij wordt voor Texel dikwijls met netten van den zeebodem opgehaald en levert aas voor de vischvangst. Men vindt haar schelp slechts zelden op ons strand; op de Hebriden wordt zij in horizontale richting aan een koord opgehangen en als lamp gebruikt. Evenals een groot aantal andere Weekdieren, leeft deze Slak in het noorden van den Atlantischen Oceaan, vooral aan de kusten van Scandinavië en Schotland, op geringer diepten dan in het zuiden; haar woonplaats is des te dieper, naarmate zij verder zuidwaarts ligt.


Pijltongigen (Toxoglossa) noemt men de Kamkieuwige Voorkieuwigen, welker lange en smalle wrijfplaat uit slecht 2 overlangsche reeksen van holle, pijlvormige zijtanden (zonder middeltand) bestaat; soms zijn zij van weerhaken voorzien. Door de tanden, die zich bij ’t uitstulpen van de slurf naar voren richten, stroomt het afscheidingsproduct van een onparige gifklier in de wonde van den aan de tong gespieste buit. Alle hebben een adembuis, leven in de zee en voeden zich met dieren.

Goudlaken-toot (Conus textilis). Ware grootte.

Goudlaken-toot (Conus textilis). Ware grootte.

De belangrijkste van de 4 tot deze groep behoorende familiën is die der Kegelhorenslakken (Conidae) niet slechts wegens de veelvormigheid van het typische geslacht Conus, dat 526 levende en 160 fossiele soorten omvat, maar ook wegens de fraaiheid der schelpen, die tot de meest aantrekkelijke bestanddeelen eener conchyliën-verzameling behooren. Voor één exemplaar van den 5 cM. hoogen Onvergelijkelijken Kegelhoren (Conus cedo-nulli)—van welke soort in den Atlantischen Oceaan, vooral in Westindië en aan de oostkust van Zuid-Amerika, vele variëteiten voorkomen—werd eens door een liefhebber 300 guinjes besteed. Zeer gezocht zijn ook de Admiraal-toot (Conus ammiralis), de Oranje-admiraal-toot (Conus aurisiacus), de Goudlaken-toot (Conus textilis) en de Roem-der-zeetoot (Conus gloria-maris) uit de Moluksche Zee.

De Kegelhoren is meestal omgekeerd kegelvormig, met korte, laag kegelvormige of zelfs platte winding (in dit geval heet de schelp „ingewikkeld”); de smalle, overlangsche, spleetvormige mond heeft een enkelvoudige, rechtlijnige buitenlip en van boven een spoor van een kanaal. In verband hiermede zijn de voet en het hoornachtige deksel lang en smal. De kleine, snuitvormige kop draagt korte, cilindrische voelers, waarop, niet ver van de spits, de oogen zitten. De sipho is bij sommige soorten kort, bij andere half zoo lang als de schelp. De berichten over de levenswijze dezer Slakken, die bijna uitsluitend de intertropische zeeën bewonen en op tamelijk groote diepte, meestal op slikgrond, verblijf houden, zijn zeer schaarsch. De bewering, dat zij planten eten, is moeielijk te rijmen met de bewapening van de tong. Volgens Rumph worden verscheidene soorten—van den Gemarmerden Kegelhoren (Conus marmoreus) ook de eieren—door de bewoners van Oostindië gegeten. Deze verwerken de schelp van Conus en van vele andere Slakken, tot allerlei aardige luxe-artikelen, o.a. tot vingerringen. Bij het doorzagen van de schelp blijkt, dat de wanden der binnenste omgangen papierdun zijn, daar het dier ze grootendeels weer oplost, zoodra zij niet meer aan de oppervlakte liggen.


Bij de Waaiertongige (Rhipidoglossa) bevat ieder lid van de radula, behalve de middelplaat en minstens 3 paar tusschenplaten, een zeer groot aantal (bij Nerita 60) kleine, smalle randplaten, die elkander waaiersgewijs bedekken. De leden dezer onderorde heeten ook wel Schildkieuwigen (Aspidobranchiata) naar de groote, vóór op den rug gelegen holte, die de beide (alleen met de basis vastgehechte) soms vergroeide kieuwbladen bevat. De ademhalingsorganen zijn bij de Scutibranchiën (b.v. de Nerietslakken en Tolhorenslakken) asymmetrisch, naar links verschoven, waarmede een gaafrandige mantel (en schelpmond) gepaard gaat. De Zeugobranchiën (b.v. de Zee-ooren) met hunne steeds tweeledige, min of meer symmetrisch geplaatste kieuwen, hebben daarentegen den mantelrand van voren diep ingesneden en bij gevolg aan de buitenlip een spleet of een reeks van gaten; de Sleutelgathorens (Fissurella) hebben het ademgat aan den top van de schelp. De voet draagt dikwijls draadvormige aanhangsels aan den rand en heeft een aanzienlijke grootte. Alle Schildkieuwigen zijn planteneters; de meeste bewonen rotsachtige zeekusten.

Alleen de familie der Nerietslakken (Neritidae) bevat ook zoetwaterdieren, meer dan 100 soorten, die bijna alle tot het geslacht Neritina behooren. De Nerieten hebben een breeden, platten, omgekeerd-hartvormigen kop en geplooide randen aan de groote, onderstandige mondspleet. Aan de buitenzijde van den oorsprong der beide lange, spitse voelers zijn op een korten steel de oogen gezeten. De half-bolvormige, van onderen platte, ongenavelde schelp heeft een zeer korte winding en een halfcirkelvormige, gaafrandige opening, welker afgeplatte binnenlip dikwijls een getanden rand heeft. Een uitsteeksel aan de binnenzijde van het verkalkte deksel grijpt bij het sluiten van den horen achter den spilrand. Men kent ongeveer 300 soorten van Nerietslakken uit alle deelen van de wereld. Zeer algemeen verbreid is in Midden-Europa de Rivier-neriet [Nerita (Neritina) fluviatilis], een slakje van ongeveer 8 mM. hoogte en 10 mM. middellijn, dat ook bij ons in rivieren en beken, poelen en moerassen, op steenen en waterplanten veelvuldig aangetroffen wordt. Het witte, met roode of paarse vlekken, vlammen en strepen bont geteekende schelpje is dun, maar vergeleken met de schelpen der overige inheemsche Zoetwaterslakken, buitengewoon stevig. Evenals vele andere geslachten van zoetwaterdieren, bevat ook Neritina een aantal brakwatervormen en ook soorten, die in zeer verschillende watersoorten kunnen leven.

Rivier-neriet (Nerita fluviatilis). Ware grootte.

Rivier-neriet (Nerita fluviatilis). Ware grootte.

Het opmerkelijk verschijnsel, dat hierboven van Buccinum en Purpura werd vermeld, n.l. dat slechts weinige embryonen zich ontwikkelen ten koste van een groot aantal eieren, komt ook bij de Rivier-neriet voor.

Reeds in de alleroudste fossielen-bevattende lagen treft men overblijfsels van Tolhorenslakken (Trochidae) aan. De leden dezer omvangrijke familie (meer dan 1000 soorten) hebben een spiraalswijs gewonden, meestal tol- of torenvormige, van binnen parelmoerglanzige schelp met een hoornachtig of verkalkt deksel.

Tolvormig, met afgeronden, buikigen laatsten omgang is de woning van de Maanhoren-Slakken (Turbo). Hoewel de beide lippen niet samenhangen, is de schelpmond cirkelvormig. De kop is tot een snuit verlengd. Aan de buitenzijde van de lange voelers staan de oogstelen; tusschen de voelers steken twee voorhoofdslobben uit. Aan weerszijden van den voet komen in den regel 3 draden voor en dikwijls bovendien een franjedragenden, vliezigen rand. Het deksel is dik en sterk verkalkt, soms bijna halfbolvormig. Eertijds vonden de deksels van den Rimpeligen Maanhoren (Turbo rugosus)—en van verscheidene andere tropische soorten—onder den naam „zeenavel” (umbilicus marinus) een plaats in de apotheek; vooral tegen „het zuur” werden zij aangewend. Vele leden van dit geslacht worden gegeten. De Chineezen gebruiken stukken van de prachtig parelmoerglanzige schelp voor het inleggen van hun verlakte houtwaren.

Nauw verwant aan het vorige geslacht is dat der Tolhorens i.e.z. (Trochus); ook deze zijn duidelijk kegel- of tolvormig; de omgangen zijn echter min of meer hoekig; de basis is vlak en de mond meestal ruitvormig. Zoowel van Trochus als van Turbo kent men meer dan 200 soorten uit alle zeeën. De fraaiste van de niet zeer talrijke Europeesche soorten is de 3 cM. hooge Jujube-tolhoren (Trochus zizyphinus). In de Noordzee vindt men veelvuldiger de 1.8 cM. hooge Aschgrauwe Tolhoren (Trochus cinerarius).


Door talrijke, voor ’t meerendeel fossiele overgangsvormen (Pleurotomariidae) hangen de Zee-oorslakken (Haliotidae), die tot de Zeugobranchiën gerekend worden, met de vorige groep samen. De ademholte ligt bij haar aan de linkerzijde en bevat twee symmetrische kieuwen. Haar schelp verschilt aanmerkelijk van den Tolhoren: haar platte schotelvormige gedaante herinnert eenigszins aan een menschen oor. De omgangen nemen zoo snel in wijdte toe, dat de laatste verreweg het grootste deel van de schelp uitmaakt. Aan de linkerzijde heeft zij een aan den rand evenwijdig loopende reeks van gaten; de achterste sluit zich, terwijl aan den rand een nieuwe opening ontstaat, die aanvankelijk van voren geopend is. Door deze openingen, die water in de kieuwholte toelaten, steekt het dier de draadvormige aanhangsels van den voet naar buiten. De buitenzijde van de schelp is niet fraai, dikwijls schilferig, soms met groenachtige strepen geteekend; de binnenzijde echter iriseert met de prachtigste kleuren; metaalachtig groen heeft de overhand. Een tamelijk uitgestrekte, oneffene plek geeft aan, waar het dier met de schelp vereenigd is geweest. De rand van den mantel steekt voorbij de schelp uit en is bezet met groene en witte franjes en draadvormige aanhangsels. De Zee-ooren leven in de strandzone, doch op zulk een diepte, dat zij bij laag water niet geheel op het droge komen te liggen. Zij bewonen bij voorkeur rotsachtige oevers, houden zich overdag meestal verborgen onder steenen en grazen in de duisternis de wieren af. Meer dan 70 soorten zijn over de zeeën der warme en gematigde aardgordels verbreid, vooral langs de kusten van Indië en Australië. De noordelijke grens van haar verbreidingsgebied is het Kanaal. Daar treft men soms het 8 cM. wijde Knobbelige Zeeoor (Haliotis tuberculata) aan; veelvuldiger vindt men het in de Middellandsche Zee; in Italië wordt het onder den naam van „Oor van Sint-Petrus” op de markt gebracht en gegeten. Bekend is het gebruik, dat van het Reuzenzeeoor (Haliotis tubifera) als aschbakje wordt gemaakt. Bij deze 14 à 16 cM. wijde schelp zijn de randen der ademgaten uitgegroeid tot 5 à 6 mM. lange tuitjes. Zij is afkomstig van de kusten van Oost-Azië en Australië; haar bewoner wordt gegeten.


De onderorde der Gordelkieuwigen (Cyclobranchiata) wordt grootendeels gevormd door het meer dan 150 soorten omvattende geslacht der Schaalhorens (Patella).

De schelp is kort kegelvormig, met eivormige opening en naar voren gerichten top. De kop is verlengd tot een korten, dikken snuit (zie onder bij l) met 2 lange spitse voelers (e), aan welker buitenzijde, bij de basis, de oogen staan. De mantelrand (b) is dikwijls van franjes voorzien; daaronder strekt zich een krans van kieuwplaatjes (c) uit, die slechts door den kop wordt afgebroken; in ’t midden is de breede voor ’t kruipen geschikte voet (a) zichtbaar. Van de inwendige organen verdient vermelding de buitengewoon lange, met 6 reeksen van tandjes gewapende tong.

Algerijnsche Schaalhoren (Patella algira) van onderen gezien. Ware grootte.

Algerijnsche Schaalhoren (Patella algira) van onderen gezien. Ware grootte.

De meeste Schaalhorens bewonen de strandzone, vele de streek, die geregeld bij laag water droog komt te liggen. Hoewel de Patellen nooit, zooals verscheidene vroeger behandelde Slakken, op een bepaalden leeftijd vastgroeien, gelijken zij door hun buitengewone traagheid en onbeweeglijkheid zeer veel op deze voorgoed vastgehechte wezens. Réaumur vond, dat een gewicht van 14 à 15 KG. noodig was om een Gewonen Schaalhoren (Patella vulgata) los te rukken. Deze soort leeft aan de Europeesche kusten en komt, hoewel zelden, ook bij de onze voor. Zij levert een niet bijzonder smakelijk voedsel aan de armste klassen van de kustbewoners. De Doorzichtige Schaalhoren (Patella pellucida), een bewoner van de Noordzee en de kust van Noorwegen, verdient dezen naam door de teerheid van de schelp; zij hecht zich even stevig aan planken als hunne verwanten aan rotsen. Haar kleur is in hooge mate afhankelijk van die der omgeving: bleek hoornkleurig op het donkere, stengelvormige, fraai purperkleurig met lichtblauwe, overlangsche strepen op het doorschijnende, bladvormige loof der wieren. Zij leven beneden de strandzone op plaatsen, die nooit droog komen te liggen.