Title: De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Author: Havelock Ellis
Translator: A. W. van Renterghem
Release date: July 15, 2020 [eBook #62660]
Most recently updated: October 18, 2024
Language: Dutch
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg
Bij de HOLLANDIA-DRUKKERIJ te BAARN is mede verschenen:
HAVELOCK ELLIS
De Wereld der Droomen
Met toestemming van den Schrijver in ’t Nederl. vertaald onder toezicht van en met een inleiding voorzien door
Dr. A. W. van Renterghem
f 1.90 ingenaaid—f 2.40 gebonden
INHOUD: Inleiding.—De elementen van het droomleven.—De logica van den droom.—De zintuigen in den droom.—De gemoedsbewegingen in den droom.—De vliegdroom.—De symboliek van den droom.—Droomen over dooden.—Het geheugen in den droom.—Overzicht en slot (Het eigenlijk wezen van den droom; Krankzinnigheid en droomen; De psychische toestand van het kind en in den droom; De primitieve wereldbeschouwing en de droomen; De droom als wegwijzer naar het oneindige).—Appendix.—Naamregister.—Zaakregister.
“Geneeskundigen, Godsdienstleeraars, onderwijzers, allen wien psychologie en paedagogie ter harte gaat, zij de lezing van dit boek aanbevolen” …
(Dr. A. W. v. R.).
De taak om een woord vooraf te schrijven bij de hollandsche uitgave van Havelock Ellis’ “Studies over de psychologie der Sexen”, “De Sexen in hare verhouding tot de maatschappij”, heb ik met genoegen op mij genomen omdat ik innig overtuigd ben dat het lezen van dat werk aan vele mijner landgenooten ten goede zal komen door hen vertrouwd te maken met en opheldering te geven omtrent vraagpunten van hoog maatschappelijk belang betreffende het geslachtsleven. De studie van dit onderwerp toch is tot dusverre al te veel verwaarloosd gebleven en verdient ernstig ondernomen te worden opdat het publiek beter worde ingelicht omtrent deze materie en daardoor in staat gerake zich een juist en degelijk gegrond oordeel te vormen in deze zaken.
De aandachtige lezer die dit werk, van een geleerden, breed-denkenden vorscher als Havelock Ellis, tot zijn geestelijk eigendom zal hebben gemaakt, moet tot de overtuiging komen dat hem tot dusverre maar al te veel elementen hebben ontbroken en hij derhalve niet in staat was om zich een dergelijk deugdelijk inzicht in dit moeilijke vraagstuk te verschaffen.
Het is maar al te waar dat tot heden bij velen de sexueele kwestie in kwaden reuk stond. De vele vooroordeelen van godsdienstigen, conventioneelen en moreelen aard die eene ernstige, opene bespreking er van bezwaarlijk maken doen elken schrijver, die zich de behandeling van dat onderwerp tot taak heeft gesteld, zich wapenen met geduld en lijdzaamheid.
Nog in veel sterkere mate dan heden ten dage gold dit vooroordeel in den tijd dat Havelock Ellis het reuzenplan tot zijne Encyclopedie ontwierp, aan de volvoering waarvan hij 30 jaren van spannenden arbeid heeft ten koste gelegd. De eerste 15 jaren besteedde hij aan het verzamelen en ordenen van de noodige bouwstoffen, waarna hij—als inleiding tot zijn meesterwerk—“Man en Vrouw” schreef. Hierop liet hij achtereenvolgens in den loop van andermaal 15 jaren de zes deelen volgen waarmede zijn arbeid ten einde werd gebracht.
In het slotwoord van het laatste deel van de reeks, het boek dat hier aan het Nederlandsch publiek wordt aangeboden, wijst Schrijver op den grooten tegenstand die zijn arbeid ondervonden heeft en op de verdachtmaking waaraan hij zelf van de zijde zijner landgenooten is blootgesteld geweest. Een ware vervolging viel de uitgave van het eerste deel van zijn arbeid in Engeland ten deel, zoodat hij zich wel genoodzaakt zag de volgende deelen niet meer in zijn vaderland maar in het gastvrije en meer liberaal gezinde Amerika te doen verschijnen.
In de Vereenigde Staten, zoomede in Duitschland vond het werk een goed onthaal, werd het met de noodige waardeering ontvangen en niet lang duurde het of de Schrijver mocht zich verheugen in de eer, zijn arbeid, behalve in de Duitsche taal, ook in het Fransch, Spaansch en Italiaansch vertaald te zien.
Het lijkt vaak wel een wanhopige taak, merkt H. E. op in bovengemeld slotwoord, om met vrucht te strijden tegen domme vooroordeelen. En op geen gebied bestaan zij in zulke mate als op dat van het sexueele vraagstuk.
Het eenige wat ons troosten kan is de vaste overtuiging dat, als we eenige generaties verder zullen zijn, die vooroordeelen ook zullen opgeruimd wezen.
Als men de natuur tot richtsnoer neemt en steunt op hare wetten die niet door ’s menschen geest zijn gemaakt, dan weet men ook dat tijd en eeuwigheid onze bondgenooten zijn tot het doen doordringen van de waarheid. Men oefene slechts geduld en vreeze niet!
De mensch sterft, maar zijne denkbeelden die men ten doode had willen opschrijven, leven voort.
Al mochten boeken als dit op den brandstapel worden geworpen, toch zullen de denkbeelden daarin vervat uit de vlammen oprijzen en zich in de volgende generatie vervormen tot menschelijke zielen.
De geneesheer in zijn spreekkamer, de onderwijzer op de school, de predikant op den kansel, de journalist in de pers, werken mede tot die vormverandering.
En voortdurend heeft die omvorming plaats; zij gaat langzaam maar zeker.
Havelock Ellis is overtuigd dat menigeen zijne opvatting van de sexueele kwestie niet zal deelen; de een zal haar wellicht te behoudend, de ander haar te revolutionair vinden.
Er zijn toch steeds menschen die zich krampachtig aan het verleden vasthouden en anderen die nieuwe ideeën met geestdrift aanvaarden.
Maar de wijze kiest den gulden middenweg, weegt en wikt het voor en het tegen van beide zienswijzen. Hij beseft dat we voortdurend ons bevinden in een tijdperk van overgang. Het tegenwoordige vormt eenvoudig het punt van overgang van het verledene tot het toekomstige en met beide moeten wij rekenschap houden. Een wereld zonder overleveringen kan men zich evenmin voorstellen als men zich een leven denken kan zonder beweging. Waar Heraclitus bij het eerste opleven der moderne philosophie terecht beweren mocht dat men geen tweemaal baden kan in eenzelfden stroom, weten wij heden dat de stroom niet ophoudt met vloeien en een oneindige cirkelgang vertoont. Nooit houdt het morgenrood op te gloren aan den horizont zoomin als ooit de zon vergeet onder te gaan.
Het past ons dus het naderend daglicht, zoodra de zon opkomt, te begroeten en wij voelen ons verplicht het ondergaan van de zon te eeren wegens het stervend licht dat eens aanving te gloren. Wij zelf zijn in de zedelijke wereld de lichtdragers en het kosmisch proces is in ons belichaamd. Als wij willen is het ons voor een spanne tijds gegeven de duisternis die ons pad omringt te verlichten.
Met den fakkel in de hand streven wij voorwaarts als in den fakkelloop der ouden door Lucretius als symbool van het leven gekozen. Achter ons ijlt de wedlooper die ons gaat voorbijsnellen. Laat ons gansche streven gericht zijn op het aan zijn hand toevertrouwen van de helderstralende brandende toorts, terwijl wij zelf in de duisternis verdwijnen.
De schrijver heeft zich loffelijk weten te beperken, zijn onderwerp niet uitgeput. Voor elk onderdeel had hij stof genoeg om wel een heel boek te vullen. Toch mocht hij erin slagen zoo volledig mogelijk te zijn, den lezer te boeien en hem nooit door langdradig zijn of in herhalingen vallen te vervelen.
Het boek is een vraagbaak, niet alleen voor ouders, opvoeders, geneesheeren, onderwijzers, maar in het algemeen voor ieder genoegzaam ontwikkeld mensch in wien de drang bestaat om zich op veilige wijze een weg te banen op het voor zoo velen—meestal tot hunne schade—onbekend gebied van het geslachtsleven.
Het vormt in vele opzichten eene aanvulling, een complement op het in 1908 in Hollandsch gewaad verschenen boek van Prof. Auguste Forel: “Het sexueele vraagstuk” waarvan onlangs een tweede uitgave verschenen is.
In de bedoeling van de uitgevers ligt het om de vijf voorafgaande deelen eveneens in de hollandsche vertaling te doen verschijnen als het mocht blijken dat de belangstelling van het publiek in Havelock Ellis’ arbeid groot genoeg is om die uitgave te wettigen.
Dr. A. W. VAN RENTERGHEM.
In de andere deelen van deze “Studies”1, heb ik mij voornamelijk bezig gehouden met de geslachtsdrift met betrekking tot haar voorwerp en ik heb derde personen buiten beschouwing gelaten, evenals de invloeden der omgeving, die toch machtig inwerken op die drift en hare bevrediging. Wij kunnen echter niet zonder meer deze betrekking van de geslachtsdrift tot derde personen en tot de maatschappij in haar geheel, met al haar van ouds ingestelde tradities, voorbijgaan. Wij moeten het geslacht beschouwen in zijn betrekking tot de maatschappij.
Daarbij zullen wij, beknopter dan in die andere deelen, de vele en belangrijke vraagstukken, die zich aan ons voordoen, kunnen behandelen. Bij de beschouwing van de meer speciale vragen der sexueele psychologie betraden wij een verwaarloosd gebied en het was noodzakelijk een zorgvuldige en nauwkeurige analyse door te voeren, zooals in vele opzichten nog nooit tevoren op deze kwesties beproefd was. Maar als wij komen aan de betrekkingen tusschen geslacht en maatschappij, behoeven wij voor het meerendeel niet zulk een verwaarloozing te ontmoeten. Het onderwerp van ieder hoofdstuk in dit deel zou gemakkelijk het onderwerp kunnen uitmaken van een afzonderlijk deel en heeft dat ook dikwijls uitgemaakt; en de literatuur over vele van deze onderwerpen is al zeer uitgebreid. Het zal daarom mijn voornaamste doel zijn, niet om feiten op te sommen, maar om beurtelings ieder onderwerp zoo duidelijk en beknopt mogelijk te behandelen met betrekking tot die grond-principes van de sexueele psychologie, die—voor zoover de gegevens het toelaten—in de andere deelen zijn uiteengezet.
Het kan misschien aan sommigen toeschijnen, dat ik mij bij deze uiteenzetting had moeten bepalen tot het tegenwoordige en dat ik niet ook een zoo ruimen blik had moeten slaan op den loop van de geschiedenis der menschheid en de tradities van het geslacht. Het zou vooral wel kunnen schijnen, dat ik te sterk den nadruk gelegd heb op den invloed van het Christendom op het vormen van sexueele idealen en het ontstaan van sexueele instellingen. Dat, ik ben er van overtuigd, is een dwaling. Het is omdat deze dwaling zoo dikwijls begaan is, dat de bewegingen van vooruitgang onder ons—bewegingen die nooit in eenige periode van de geschiedenis der maatschappij kunnen ophouden—door velen zoo ernstig worden misverstaan. Wij kunnen aan onze tradities niet ontkomen. Een “eeuw van het verstand” is er nooit geweest en kan er nooit zijn. De ijverigste zoogenaamde “vrijdenker”, die naar hij meent het gezag van het Christelijk verleden geheel afwerpt, staat nog onder den invloed van dat verleden. Als de tradities daarvan hem niet geheel en al in vleesch en bloed zijn overgegaan, dan zijn zij toch samengeweven met de maatschappelijke instellingen waarbij hij is opgegroeid en zij werken in zelfs op zijne wijze van denken. De nieuwste wijzigingen in onze instellingen hebben onvermijdelijk den invloed ondervonden van den vroegeren vorm van die instellingen. Wij kunnen ons niet duidelijk voor oogen stellen waar we zijn, nòch waar we heen gaan, als we niet weten waar we vandaan komen. Wij kunnen de beteekenis van de veranderingen om ons heen niet begrijpen en wij kunnen ze niet met hoopvol vertrouwen onder de oogen zien, als wij niet bekend zijn met de richting van de groote stroomingen, die alle beschaving in eindeloozen kringloop voortbewegen.
Bij de uiteenzetting der sexueele vragen, die in zeer ruime mate aangelegenheden zijn van maatschappelijke hygiëne, zullen wij ons dus nog op psychologisch standpunt stellen. Zulk een standpunt ten opzichte van deze zaken is niet alleen gewettigd, maar ook noodzakelijk. Uiteenzettingen over maatschappelijke hygiëne, die zuiver medisch zijn of zuiver juridisch of zuiver moreel of zuiver theologisch leiden niet alleen tot conclusies, die dikwijls lijnrecht tegenover elkaar staan, maar ze leenen zich klaarblijkelijk niet tot toepassing op de samengestelde menschelijke persoonlijkheid. De voornaamste taak, die wij voor ons hebben, moet zijn vast te stellen wat de gezamenlijke behoeften en ideeën van beschaafde mannen en vrouwen het best uitdrukt en bevredigt. Zoo dat, terwijl wij wel voortdurend medische, wettelijke en moreele eischen in het oog moeten houden—die alle in sommige opzichten beantwoorden aan de eene of andere persoonlijke of maatschappelijke behoefte—het toch hoofdzaak is te voldoen aan de eischen van de geheele menschelijke persoonlijkheid.
Wij moeten op dit standpunt den nadruk leggen, omdat het wel eens schijnt, dat geen dwaling méer voorkomt onder hen, die over hygiënische en moreele sexueele vraagstukken schrijven, dan deze, dat zij het psychologisch standpunt buiten beschouwing laten.
Zij zullen b.v. staan aan de zijde van beperking op sexueel gebied of aan de zijde van het emancipeeren, maar zij stellen zich niet duidelijk voor oogen, dat zulk een eng punt van uitgang niet voldoet aan de behoeften van samengestelde menschelijke wezens. Van het meer-omvattend psychologisch standpunt erkennen wij, dat wij aan elkaar tegenover gestelde aandriften, die beide evenzeer gronden in het menschelijke psychische organisme, tot samenwerking moeten brengen.
In de andere deelen van deze “Studies” heb ik getracht mij te onthouden van het uitdrukken van eenige persoonlijke meening en, voor zoover dat mogelijk was een volkomen objectieve houding te handhaven. In deze poging ben ik, naar ik vertrouw, geslaagd, als ik mag oordeelen uit het feit, dat ik bewijzen van sympathie en van goedkeuring ontvangen heb van alle soorten van menschen, niet minder van den rationalistischen vrijdenker dan van den orthodoxen-geloovige, van hen, die onze meest heerschende ethische beschouwingen deelen, zoowel als van hen, die ze verwerpen. Zoo moet het ook zijn, want wat ook onze maatstaf ter bepaling der waarde van gevoelens en van levensgedrag is, het moet altijd nuttig voor ons zijn te weten, wat precies de gevoelens zijn van menschen en hoe die gevoelens strekken om in te werken op hun gedrag. In dit deel echter, waar maatschappelijke tradities noodzakelijk in overweging moeten komen en waar wij den groei van deze tradities in het verleden en hun waarschijnlijke ontwikkeling in de toekomst uiteen moeten zetten, daar heb ik niet de hoop, dat de objectiviteit van mijn houding den lezer even duidelijk zal zijn. Ik moet hier vaststellen, niet alleen, wat de menschen feitelijk voelen en doen, maar welke neiging tot ontwikkeling naar mijn meening hun voelen en hun handelen heeft. Dat is alleen maar een kwestie van appreciatie, met hoe ruimen blik en hoe voorzichtig men zich ook daartegenover stelt; het kan geen zaak zijn van absoluut bewijs. Ik hoop, dat zij, die mij vroeger gevolgd zijn, nog geduld met mij zullen hebben, zelfs als het hun onmogelijk is altijd de conclusies aan te nemen, waartoe ik zelf gekomen ben.
HAVELOCK ELLIS.
Hoofdstuk I blz.
Het recht van het kind om zijn voorouders te kiezen.—Hoe dit gedaan wordt.—De moeder is de naaste bloedverwant van het kind.—Moederschap en vrouwenbeweging.—De enorme beteekenis van het moederschap.—De sterfte onder de zuigelingen en de oorzaken daarvan.—De voornaamste oorzaak ligt bij de moeder.—De behoefte aan rust tijdens de zwangerschap.—Het veelvuldig vóorkomen van ontijdige geboorten.—De taak van den Staat.—Nieuwste vorderingen in puericultuur.—De kwestie van coïtus tijdens de zwangerschap.—De behoefte aan rust gedurende den zoogtijd.—De plicht van de moeder haar kind te zoogen.—De economische vraag.—De plicht van den Staat.—Nieuwste vooruitgang in moederbescherming.—Het mislukken van openbare kinderbewaarplaatsen.
Hoofdstuk II
Zorg voor het kroost is even zoo noodig als kroost.—Vroege uitingen van de geslachtsdrift.—Moeten die als normaal beschouwd worden?—Het sexueele spel van kinderen.—Het liefdegevoel in de kinderjaren.—Zijn stadskinderen geslachtelijk eerder rijp dan kinderen van het land?—De kinderlijke voorstellingen over de herkomst van de kinderen.—De noodzakelijkheid met de sexueele opvoeding van de kinderen vroeg te beginnen.—Het belang van vroeg oefenen in verantwoordelijkheid.—Het verkeerde van de oude leer der stilzwijgendheid over geslachtszaken.—Het nadeel is grooter waar het meisjes geldt.—De moeder is de natuurlijke en beste leermeesteres.—De ziekelijke invloed van kunstmatige geheimzinnigheid in sexueele zaken.—De literatuur over de sexueele opheldering der jeugd.—Aard van de taak der moeder.—Sexueele opvoeding op de school.—De waarde van botanie.—Zoölogie.—Sexueele opvoeding na de puberteit.—De noodzakelijkheid den invloed van kwakzalver-literatuur te verijdelen.—Het gevaar dat voortkomt uit het niet tijdig voorbereiden op de eerste menstruatie.—De juiste houding tegenover het geslachtsleven der vrouw.—De dringende noodzakelijkheid van hygiëne der menstruatie tijdens de eerste jeugd.—Zulk een hygiëne is te vereenigen met de gelijkstelling der geslachten op opvoedkundig en maatschappelijk gebied.—De invaliditeit van vrouwen komt voornamelijk voort uit verwaarloozing der hygiëne.—De goede invloed van lichaamsoefening op vrouwen en de slechte invloed der athletiek.—De nadeelen van het onderdrukken van het gemoedsleven.—De noodzakelijkheid om jonge menschen de waardigheid van het geslachtsleven te leeren.—Invloed van deze factoren op het lot der vrouwen in het huwelijk.—Lezingen en toespraken over sexueele hygiëne.—De rol van den dokter in de sexueele opvoeding.—De invoering in de wereld der idealen tijdens de puberteit.—De plaats van het godsdienst- en zede-onderwijs.—De plechtigheden van natuurvolken bij het inleiden in de geslachtsrijpheid.—De sexueele invloed van literatuur.—De sexueele invloed van kunst.
Hoofdstuk III
Sexueele opvoeding en naaktheid 87
De houding van de Grieken tegenover de naaktheid.—Hoe de Romeinen die houding wijzigden.—De invloed van het Christendom.—Naaktheid in de Middeleeuwen.—De ontwikkeling van den afschuw voor de naaktheid.—Daarmede samengaande veranderingen in de voorstelling van de naaktheid.—Preutschheid.—De romantische beweging.—Het ontstaan van een nieuwe wijze van voelen jegens de naaktheid.—De hygiënische beschouwing van de naaktheid.—Hoe kinderen gewend kunnen worden aan naaktheid.—Naaktheid staat niet vijandig tegenover zedigheid.—Het instinct van lichaamstrots.—De waarde van naaktheid in de opvoeding.—De æsthetische waarde der naaktheid.—Het menschelijk lichaam als een van de voornaamste levenwekkende factoren van het leven.—Hoe naaktheid aangekweekt kan worden.—De zedelijke beteekenis der naaktheid.
Hoofdstuk IV
Het waardeeren van de geslachtsliefde 109
Het begrip geslachtsliefde.—De houding van het middeleeuwsche ascetisme.—St. Bernard en St. Odo van Cluny.—Het wijzen van de asceten op het bij elkaar liggen van de sexueele- en de excretie-organen.—De liefde als een sacrament der natuur.—De voorstelling van de onreinheid van wat betrekking heeft op het geslacht bij natuurvolken in het algemeen.—Theorieën over den oorsprong van deze voorstelling.—Het anti-ascetische element in den bijbel en het eerste Christendom.—Clemens van Alexandrië.—De houding van den heiligen Augustinus.—De erkenning van de heiligheid van het lichaam door Tertullianus, Rufinus en Athanasius.—De hervorming.—Het sexueele instinct beschouwd als dierlijk.—Het menschelijke sexueele instinct gelijkt niet op dat van het dier.—Wellust en liefde.—De definitie van liefde.—Liefde en namen voor liefde zijn onbekend in sommige deelen van de wereld.—Romantische liefde heeft zich eerst laat ontwikkeld bij het blanke ras.—Het mysterie van het sexueel verlangen.—De kwestie of liefde een begoocheling is.—De geestelijke zoowel als de physieke bouw van de wereld berust voor een deel op geslachtsliefde.—Het getuigenis van mannen van intellect voor de alleen-heerschappij der liefde.
Hoofdstuk V
De beteekenis der kuischheid 133
Kuischheid is onafscheidelijk van de waardigheid der liefde.—Het verzet van de 18de eeuw tegen het kuischheids-ideaal.—Onnatuurlijke vormen van kuischheid.—De psychologische basis van de ascese.—Ascese en kuischheid als deugden bij natuurvolken.—De beteekenis van Tahiti.—Kuischheid onder barbaarsche volken.—Kuischheid onder de eerste Christenen.—Worstelingen van de heiligen tegen de aanvechtingen van het vleesch.—De fictie van de Christelijke kuischheid.—Het verdwijnen ervan in de Middeleeuwen.—“Aucassin et Nicolette” en de nieuwe romance van kuische liefde.—De onkuischheid van de Noordelijke barbaren.—De boeten van de kerk.—Invloed van de renaissance en van de hervorming.—Het verzet tegen de jonkvrouwelijkheid als een deugd.—De moderne opvatting der kuischheid als een deugd.—De invloeden, die de deugd der kuischheid bevorderen.—Kuischheid als een wijze van tucht.—De waarde van kuischheid voor den kunstenaar.—Welke waarde het volk hecht aan potentie en impotentie.—De juiste definities van ascese en kuischheid.
Hoofdstuk VI
Het vraagstuk der sexueele abstinentie 165
De invloed van de traditie.—De theologische voorstelling van wellust.—Neiging van deze invloeden om de sexueele moraal te degradeeren.—Het resultaat daarvan de vorming van het vraagstuk der sexueele abstinentie.—De protesten tegen sexueele abstinentie.—Sexueele abstinentie en genialiteit.—Sexueele abstinentie bij vrouwen.—De voorstanders van sexueele abstinentie.—Bemiddelende houding.—Onbevredigende resultaten van de geheele discussie.—Critiek op het begrip sexueele abstinentie vergeleken met onthouding van voedsel.—Geen volledige analogie.—De moraal van sexueele abstinentie is geheel negatief.—Is het de plicht van den dokter buitenechtelijk geslachtsverkeer aan te raden?—Meeningen van hen die dit al of niet als plicht beschouwen.—De beslissing moet vallen tegen het geven van zulk een raad.—De dokter gebonden door de maatschappelijke en moreele denkbeelden van zijn eeuw.—De dokter als hervormer.—Sexueele abstinentie en sexueele hygiëne.—Alcohol.—De invloed van lichamelijke en geestelijke inspanning.—De ontoereikendheid van de sexueele hygiëne op dit gebied.—De onwerkelijke aard van het begrip sexueele abstinentie.—De noodzakelijkheid het door een meer positief ideaal te vervangen.
Hoofdstuk VII
Prostitutie 201
I. “De orgie”:—De godsdienstige oorsprong van de orgie.—Het carneval.—De orgie erkend door de Grieken en Romeinen.—De orgie bij natuurvolken.—Het drama.—Het door de orgie bevorderde doel.
II. “Oorsprong en ontwikkeling van de prostitutie”:—De definitie van prostitutie.—Prostitutie onder natuurvolken.—De voorwaarden waaronder prostitutie als bedrijf ontstaat.—Geheiligde prostitutie.—De dienst van Mylitta.—Het uitoefenen van de prostitutie met het doel een huwelijksgift te verkrijgen.—Het ontstaan van de wereldlijke prostitutie in Griekenland.—Prostitutie in het Oosten.—Indië, China, Japan, enz.—Prostitutie in Rome.—De invloed van het Christendom op de prostitutie.—De poging de prostitutie te bestrijden.—Het middeleeuwsch bordeel.—Het optreden van de courtisane.—Fullia D’Aragona.—Veronica Franco.—Ninon de Lenclos.—Latere pogingen de prostitutie uit te roeien.—Het politie-toezicht op de prostitutie.—De nutteloosheid wordt langzamerhand erkend.
III. “De oorzaken der prostitutie”:—Prostitutie als een deel van het huwelijkssysteem.—Het complex van oorzaken voor de prostitutie.—De motieven aangegeven door de prostituées.—(1) De economische factor van de prostitutie.—Armoede is zelden het hoofd-motief voor de prostitutie.—Maar economische druk oefent een zeer werkelijken invloed uit.—Het hooge percentage van prostituées geleverd door de dienstboden.—Beteekenis van dit feit.—(2) De biologische factor van de prostitutie.—De zoogenaamde geboren prostituée.—De aangehaalde identiteit met den geboren misdadiger.—Het sexueele instinct bij prostituées.—De physieke en psychische eigenaardigheden van prostituées.—(3) De moreele noodzakelijkheid een factor in het bestaan van de prostitutie.—De moreele voorstanders van de prostitutie.—De moreele houding van het Christendom jegens de prostitutie.—De houding van het protestantisme.—Nieuwere voorstanders van de moreele noodzakelijkheid van de prostitutie.—(4) Waarde voor de beschaving als een factor van de prostitutie.—De invloed van het stadsleven.—De behoefte aan opwinding.—Waarom dienstmeisjes zoo dikwijls prostituée worden.—De geringe rol die de verleiding speelt.—Prostituées komen in grooten getale van het land.—De lokstem van de beschaving trekt vrouwen naar de prostitutie.—De overeenkomstige aantrekkingskracht wordt door mannen gevoeld.—De prostituée als kunstenares en als leidsvrouw van de mode.—De bekoring van het vulgaire.
IV. “De tegenwoordige houding der maatschappij tegenover de prostitutie”:—Het verval van het bordeel.—De neiging tot humaniseeren van de prostitutie.—De pecuniaire zijde van de prostitutie.—De Geisha.—De Hetere.—De moreele opstand tegen de prostitutie.—Dure deugd ten koste van vuile ondeugd.—De gewone houding tegenover prostituées.—De wreedheid daarvan is absurd.—De noodzakelijkheid de prostitutie te hervormen.—De noodzakelijkheid het huwelijk te hervormen.—Deze beide noodzakelijkheden hangen nauw met elkander samen.—De daarbij in aanmerking komende dynamische betrekkingen.
Hoofdstuk VIII
De bestrijding der geslachtsziekten 291
De beteekenis van de geslachtsziekten.—De geschiedenis der syphilis.—Het vraagstuk van den oorsprong ervan.—De groote maatschappelijke beteekenis van de syphilis.—De maatschappelijke gevaren van de gonorrhoe.—De moderne verandering in de methoden ter bestrijding van de geslachtsziekten.—Oorzaken van het verval van het systeem van politie-toezicht.—Noodzakelijkheid de feiten onder de oogen te zien.—De onschuldige offers der geslachtsziekten.—Het zijn ziekten, en geen misdaden.—Het principe van aanmelding.—Het Scandinavisch systeem.—Kostelooze behandeling.—Straf op het overbrengen van venerische ziekten.—Sexueele opvoeding met betrekking tot venerische ziekten.—Lezingen, enz.—Uiteenzetting in romans en op het tooneel.—Het “leelijke” is niet “immoreel”.
Hoofdstuk IX
Prostitutie met betrekking tot ons huwelijks-systeem.—Huwelijk en moraal.—De definitie van het woord “moraal”.—Theoretische moraal.—Hare verdeeling in traditioneele moraal en ideëele moraal.—Praktische moraal.—Praktische moraal gegrond op gewoonte.—Deze is het eenige onderwerp van wetenschappelijke zedeleer.—De reactie tusschen theoretische en praktische moraal.—Sexueele moraal in het verleden is een toepassing van economische moraal.—De vereeniging van starheid en van laksheid in deze moraal.—Het ontstaan van een bijzondere geslachts-zedeleer en de ontwikkeling van moreele idealen.—Uitingen van sexueele moraal.—Gebrek aan eerbied voor de vormen van het huwelijk.—Proef huwelijk.—Huwelijk na de conceptie van een kind.—Verschijnselen in Duitschland, Angelsaksische landen, Rusland enz.—De positie der vrouw.—De historische neiging die de gelijkheid van vrouwen met mannen begunstigt.—De theorie van het matriarchaat.—De moeder-familie.—Vrouwen in Babylonië.—Egypte-Rome.—De 18de en de 19de eeuw.—De historische neiging, die moreele ongelijkheid van de vrouw begunstigt.—De tweeledige invloed van het Christendom.—Invloed van de Germaansche gewoonte en van het leenstelsel.—De ridderschap.—De vrouw in Engeland.—De vrouwenhandel.—Het afnemen van de onderworpenheid der vrouw.—Ongeschiktheid van den modernen man om te heerschen.—Het toenemen van de moreele verantwoordelijkheid bij vrouwen.—De daarmee samengaande ontwikkeling van economische onafhankelijkheid.—Het toenemen van het aantal werkende vrouwen.—Het binnendringen van de vrouwen in de moderne industrie.—In hoe ver dit maatschappelijk te rechtvaardigen is.—De sexueele verantwoordelijkheid van vrouwen en de gevolgen ervan.—De beweerde moreele inferioriteit van vrouwen.—De “zelfopoffering” van vrouwen.—De maatschappij heeft geen belang bij sexueele verhoudingen.—De voortplanting is het eenige sexueele belang van den Staat.—De zeer hooge beteekenis van het moederschap.
Hoofdstuk X
Het huwelijk 383
De definitie van het huwelijk.—Het huwelijk in de dierenwereld.—Het overheerschen van de monogamie.—Het vraagstuk van het groepen-huwelijk.—Monogamie is een natuurlijk feit, niet gebaseerd op een wet der menschen.—De neiging den vorm van het huwelijk te stellen boven het feit van het huwelijk.—De geschiedenis van het huwelijk.—Het huwelijk in het oude Rome.—Germaansche invloed op het huwelijk.—De bruidkoop.—De ring.—De invloed van het Christendom op het huwelijk.—De groote uitbreiding van dezen invloed.—Het sacrament van het huwelijk.—Oorsprong en ontwikkeling van de opvatting als sacrament.—De kerk maakte het huwelijk tot een openbare daad.—Het kanonieke huwelijksrecht.—De gezonde kern ervan.—De ontwikkeling ervan.—De onduidelijkheden en dwaasheden ervan.—Eigenaardigheden van het Engelsche huwelijksrecht.—Invloed van de hervorming op het huwelijk.—De protestantsche opvatting van het huwelijk als een wereldlijk verdrag.—De puriteinsche huwelijks-hervorming.—Milton als de pionier voor de huwelijks-hervorming.—Zijn inzichten over echtscheiding.—De achterlijke positie van Engeland op het gebied van huwelijks-hervorming.—Critiek op de Engelsche wet op de echtscheiding.—De tradities van het kanonieke recht werken nog voort.—De kwestie van schadevergoeding bij echtbreuk.—Onderlinge verstandhouding is een beletsel tegen echtscheiding.—Echtscheiding in Frankrijk, Duitschland, Oostenrijk, Rusland enz.—De Vereenigde Staten.—Onmogelijkheid de echtscheidingsgronden wettig vast te stellen.—Echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden.—De oorsprong en de ontwikkeling daarvan.—Belemmering door de tradities van het kanonieke recht.—Wilhelm von Humboldt.—Nieuwe voorstanders van echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden.—De argumenten tegen het gemakkelijker maken van de echtscheiding.—De belangen van de kinderen.—De bescherming der vrouwen; de tegenwoordige neiging van de echtscheidingsbeweging.—Het huwelijk is geen contract.—Het voorstel van het huwelijk voor een zeker aantal jaren.—Wettelijke beperkingen en nadeelen in de positie van man en vrouw.—Het huwelijk is geen contract maar een feit.—Alleen de bijkomende zaken van het huwelijk, niet de essentieele, leenen zich tot een regeling bij contract.—De wettelijke erkenning van het huwelijk als een feit zonder eenige ceremonie.—Contracten over de persoonlijkheid zijn niet te vereenigen met de moderne neigingen.—De factor van moreele verantwoordelijkheid.—Het huwelijk als een ethisch sacrament.—Persoonlijke verantwoordelijkheid sluit vrijheid in.—Vrijheid is de beste waarborg voor bestendigheid.—Onjuiste denkbeelden over individualisme.—De moderne neiging van het huwelijk.—Met de geboorte van een kind houdt het huwelijk op een persoonlijke aangelegenheid te zijn.—Ieder kind moet een wettigen vader en een wettige moeder hebben.—Hoe dit bereikt kan worden.—De vaste grondslag der monogamie.—De kwestie van huwelijks-variaties.—Zulke variaties staan niet vijandig tegenover de monogamie.—De meest gewone variaties.—De buigzaamheid van het huwelijk houdt variaties in toom.—Huwelijks-variaties tegenover de prostitutie.—Het huwelijk op verstandigen en humanen grondslag.—Samenvatting en besluit.
Hoofdstuk XI
Het huwelijk is er niet alleen voor de voortplanting.—Theologen over het “Sacramentum Solationis”.—Het belang van de “kunst van liefhebben”.—De grondslag van bestendigheid in het huwelijk en de voorwaarde voor juiste voortplanting.—De kunst van liefhebben is het bolwerk tegen de echtscheiding.—De eenheid van liefde en huwelijk is een principe der moderne moraal.—Het Christendom en de kunst van liefhebben.—Ovidius.—De kunst van liefhebben onder natuurvolken.—Sexueele inwijding in Afrika en elders.—De neiging tot spontane ontwikkeling van de kunst van liefhebben in de jeugd.—Flirt.—Sexueele onwetendheid bij vrouwen.—De plaats van den echtgenoot bij de sexueele inwijding.—Sexueele onwetendheid bij mannen.—De opvoeding van den echtgenoot voor het huwelijk.—Het onheil gesticht door de onwetendheid van den man.—De physieke en geestelijke gevolgen van den onbeholpen coïtus.—Vrouwen verstaan de kunst van liefhebben beter dan mannen.—Oude en nieuwe meeningen over de veelvuldigheid van den coïtus.—Verschil in sexueele potentie.—De sexueele begeerte.—De kunst van liefhebben berust op de biologische feiten van het hofmaken.—De kunst aan vrouwen te behagen.—De minnaar vergeleken bij den musicus.—Het aanzoek als een deel van het hofmaken.—Divinatie in de kunst van liefhebben.—Het belang van de preliminariën bij het aanzoek.—De onbeholpen echtgenoot is dikwijls de oorzaak van de koelheid der vrouw.—De moeilijkheid van het hofmaken.—Gelijktijdig orgasme.—De nadeelen van onvolkomen bevrediging bij de vrouwen.—Coïtus interruptus.—Coïtus reservatus.—De menschelijke wijze van coïtus.—Variaties in coïtus.—Houding bij coïtus.—De beste tijd voor den coïtus.—De invloed van coïtus in het huwelijk.—De voordeelen van afwezigheid in het huwelijk.—De gevaren der afwezigheid.—Jaloezie.—De oorspronkelijke functie der jaloezie.—Het veel vóorkomen ervan bij dieren, natuurvolken, enz. en in pathologische toestanden.—Een tegen-maatschappelijk gevoel.—Jaloezie laat zich niet vereenigen met den vooruitgang der beschaving.—De mogelijkheid meer dan een persoon tegelijk lief te hebben.—De platonische vriendschap.—De voorwaarden, die ze mogelijk maken.—Het moederlijk element in de liefde der vrouw.—De eind-ontwikkeling van de huwelijksliefde.—Het vraagstuk der liefde is een van de grootste maatschappelijke kwesties.
Hoofdstuk XII
De wetenschap der voortplanting 523
De betrekking tusschen de wetenschap der voortplanting en de kunst van liefhebben.—Sexueele begeerte en sexueel genot als de voorwaarden der conceptie.—De voortplanting was vroeger overgelaten aan luim en begeerte.—Het vraagstuk der voortplanting als een godsdienstkwestie.—Het geloof in eugeniek.—Ellen Key en Francis Galton.—Onze schuld tegenover de nakomelingschap.—Het vraagstuk natuurlijke keuze te vervangen.—De oorsprong en de ontwikkeling der eugeniek.—Het algemeen aannemen van de principes der eugeniek tegenwoordig.—De twee wegen, waarop de principes der eugeniek in praktijk worden gebracht.—Het besef van sexueele verantwoordelijkheid bij de vrouwen.—Verwerping van het opgedrongen moederschap.—Het privilege van het vrijwillige moederschap.—Oorzaken van het in minachting brengen van het moederschap.—De beperking der conceptie.—Zij wordt tegenwoordig door de meerderheid der bevolking in beschaafde landen in praktijk gebracht.—De drogrede “zelfmoord van het ras”.—Zijn groote families een merkteeken van degeneratie?—Het beperken van de voortplanting is het gevolg van natuurlijken en beschaafden vooruitgang.—Het toenemen der Nieuw-Malthusiaansche ideeën en gebruiken.—Facultatieve steriliteit onderscheiden van Nieuw-Malthusianisme.—De medische en hygiënische noodzakelijkheid van de beperking der conceptie.—Voorbehoedmiddelen.—Miskraam.—De nieuwe leer van den plicht miskraam op te wekken.—In hoeverre is dit te rechtvaardigen?—Castratie als methode om de voortplanting te beperken.—Negatieve eugeniek en positieve eugeniek.—De kwestie van getuigschriften voor het huwelijk.—De ontoereikendheid van het vaststellen der eugeniek door de wetgeving.—Het scherpen van het maatschappelijk geweten met betrekking tot de erfelijkheid.—Beperking van de geschiktheid voor het moederschap.—De voor de verwekking gunstige voorwaarden.—Steriliteit.—De kwestie van kunstmatige bevruchting.—De voor de voortplanting meest gunstige leeftijd.—De kwestie van het vroege moederschap.—De beste tijd voor de voortplanting.—De voleindiging van den goddelijken levenskring.