1 B.v., E. Belfort Bax, Outspoken Essays, p. 6. ↑
2 Zulke redenen staan in verband met het welvaren van de gemeenschap. “Alle immoreele daden leiden tot ongeluk van de gemeenschap, alle moreele daden tot geluk van de gemeenschap”, zooals Prof. A. Mathews opmerkt, “Science and Morality”, Popular Science Monthly, March, 1909. ↑
3 Zie Westermarck, Origin and Development of the Moral Ideas, deel I, blz. 386–390, 522. ↑
4 Westermarck, Origin and Development of the Moral Ideas, blz. 9, 159; ook het geheele hoofdstuk VII. Daden, die in overeenstemming zijn met de gewoonte geven aanleiding tot de algemeene goedkeuring; daden, die niet in overeenstemming zijn met de gewoonte, geven aanleiding tot algemeene afkeuring, en Westermarck komt met machtige argumenten om te bewijzen, dat die goedkeuring en die afkeuring de grondslag zijn van moreele oordeelvellingen. ↑
5 Dit wordt ook door rechtsgeleerden (bv. E. A. Schroeder, Das Recht in der Geschlechtlichen Ordnung, blz. 5) erkend. ↑
6 W. G. Sumner, (Folkways, p. 418) acht het zelfs wenschelijk den vorm van het woord te veranderen om den nadruk te leggen op de werkelijke en fundamenteele beteekenis van de moraal, en hij stelt het woord mores voor, om aan te duiden “populaire gewoonten en tradities, die leiden tot maatschappelijke hervorming”. “Immoreel”, zegt hij, “beteekent nooit iets anders dan tegengesteld aan de mores van tijd en plaats”. Het is echter nergens voor noodig het goede oude woord “moraal” af te schaffen of er iets aan toe te voegen, zoolang wij ons duidelijk voor oogen stellen dat, aan den praktischen kant, het in zijn wezen beteekent gewoonte. ↑
7 Westermarck, op. cit., deel I, blz. 19. ↑
8 Zie bv. “Exogamie and the Mating of Cousins”, in Essays Presented to E. B. Tylor, 1907, p. 53. “In het primitieve leven vinden wij veelal een naïef verlangen om, als het ware, de natuur te helpen, in het bekrachtigen van wat normaal is, om dan later de gevonden regels te bevestigen door den categorischen eisch van recht en gewoonte en wet. De neiging bestaat nog in onze beschaafde gemeenschappen en is als vereering van het normale dikwijls een doodsvijand van het abnormale en excentrieke, en verlamt maar al te dikwijls de originaliteit”. ↑
9 De geest van het Christendom, zooals hij geïllustreerd is door Paulus, in een van zijn brieven, was uit Romeinsch oogpunt, naar Dill opmerkt (Roman Society, p. 11), “een afstand doen niet alleen van het burgerschap, maar van al de met moeite verkregen vruchten van beschaving en maatschappelijk leven”. ↑
10 Zoo is het, dat, zooals Lecky in zijn History of European Morals zeide, “van alle afdeelingen van de zedenleer de kwesties over verhoudingen van de seksen en de juiste positie van de vrouw degene zijn, over welker toekomst de grootste onzekerheid bestaat”. Misschien is er eenige vooruitgang gekomen sinds deze woorden geschreven werden, maar ze gelden toch nog voor de meerderheid der menschen. ↑
11 Aangaande het economisch huwelijk als een overblijfsel zie men b.v. Bloch, The Sexual Life of Our Time, p. 212. ↑
12 Senancour, De l’Amour, deel II, p, 233. De schrijver van The Question of English Divorce schrijft het ontbreken van een algemeene afkeer voor sexueele vrijheid toe aan de dwaze starheid van de wet. ↑
13 Bruno Meyer, “Etwas von Positiver Sexualreform”, Sexual-Probleme, Nov. 1908. ↑
14 Elsie Clews Parsons, The Family, p. 351. Dr. Parsons beschouwt zulke verbintenissen terecht als een maatschappelijk kwaad als zij de ontwikkeling tegengaan van de persoonlijkheid. ↑
15 Vergelijk ook Rudeck, Geschichte der öffentlichen Sittlichkeit in Deutschland, 1897, blz. 146 et seq. ↑
16 Voor bewijsmateriaal aangaande de algemeene afwezigheid van het celibaat bij natuurvolken, zie men b.v. Westermarck, History of Human Marriage hoofdstuk VII. ↑
17 Er zijn b.v. twee millioen ongetrouwde vrouwen in Frankrijk, terwijl in België dertig percent van de vrouwen en in Duitschland soms zelfs vijftig percent ongetrouwd zijn. ↑
18 Zulk een positie zou biologisch niet onredelijk zijn, gezien de in hooge mate overwegende rol, die door de vrouw gespeeld wordt bij het sexueele proces, dat het behoud van het ras verzekert. “Als het sexueele instinct alleen maar van zijn physieke zijde beschouwd wordt”, zegt D. W. H. Busch (Das Geschlechtsleben des Weibes, 1839, deel I, p. 201), “kan de vrouw niet beschouwd worden als het eigendom van den man, maar met gelijk en grooter recht kan de man beschouwd worden als het eigendom van de vrouw”. ↑
19 Herodotus, deel I, hoofdst. CLXXIII. ↑
20 Dat macht en familiebetrekking geheel verschillende dingen zijn, werd vele jaren geleden aangetoond door L. von Dargun, Mutterrecht und Vaterrecht, 1892. Westermarck (Origin and Development of the Moral Ideas, deel I, p. 655), die geneigd is te denken, dat Steinmetz niet uitsluitend bewezen heeft, dat moederafstamming minder gezag in zich sluit van den echtgenoot over de vrouw, maakt de belangrijke opmerking, dat het gezag van den echtgenoot schade ondervindt als hij te midden van de familieleden van zijn vrouw leeft. ↑
21 Robertson Smith, Kinship and Marriage in Early Arabia; J. G. Frazer heeft er op gewezen, (Academy, March 27, 1886), dat de gedeeltelijk Semitische volken van den Noordelijken grens van Abyssinië, die niet onderworpen zijn aan het revolutionaire proces van den Islam, een systeem onderhouden, dat precies gelijkt op het beena huwelijk, zoowel als sommige sporen van het tegenovergestelde systeem, door Robertson Smith genaamd het ba’al huwelijk, waarbij de vrouw door koop verkregen wordt en een deel van den eigendom wordt. ↑
22 Spencer en Gillen, Northern Tribes of Central Australia, p. 356. ↑
23 Rhys en Brynmor-Jones, The Welsh People, blz. 55–6; vergelijk Rhys, Celtic Heathendom, p. 93. ↑
24 Rhys en Brynmor-Jones, op. cit., blz. 214. ↑
25 Crawley (The Mystic Rose, blz. 41 et seq.). ↑
26 Revillout, “La Femme dans l’Antiquité”, Journal Asiatique, 906, deel VII p. 57. Zie ook Victor Marx, Beiträge zur Assyriologie, 1899, Bd. IV, Heft 1. ↑
27 Donaldson, Woman, blz. 196, 241 et seq. Nietzold, (Die Ehe in “Ägypten”, p. 17), meent, dat het gezegde van Diodorus, dat geen kinderen onwettig waren, nadere toelichting behoeft, maar dat het onwettige kind in Egypte geen maatschappelijk nadeel ondervond. ↑
28 Amélineau, La Morale Egyptienne, p. 194; Hobhouse, Morals in Evolution, deel I, p. 187; Flinders Petrie, Religion and Conscience in Ancient Egypt blz. 131 et seq. ↑
29 Maine, Ancient Law, hoofdst. V. ↑
30 Donaldson, Woman, blz. 109, 120. ↑
33 Hobhouse, Morals in Evolution, deel I, p. 213. ↑
34 Voor een verslag van het werk van sommige van de minder bekende van deze pioniers, zie men een serie artikelen door Harriet McIlquham in de Westminster Review, vooral Nov. 1898 en Nov. 1903. ↑
35 De invloed van het Christendom op de positie der vrouwen is in den breede besproken door Lecky, History of European Morals, deel II, blz. 316 et seq., en nu onlangs door Donaldson, Woman, Bk. III. ↑
36 Migne, Patrologia, deel CLVIII, p. 686. ↑
37 Rasmussen (People of the Polar North, p. 56), beschrijft een verwoeden twist tusschen een man en vrouw, die elkaar om de beurt tegen den grond sloegen. “Een poosje later, toen ik naar binnen keek, lagen ze liefderijk te slapen, met hun armen om elkaar heen”. ↑
38 Hobhouse, Morals in Evolution, deel II, p. 367. Dr. Stöcker wijst, in Die Liebe und die Frauen ook met nadruk op de beteekenis van dezen factor van persoonlijke verantwoordelijkheid. ↑
39 Vooral Olive Schreiner heeft den nadruk gelegd op de verkeerdheden van het parasitisme voor vrouwen. “De toegenomen weelde van den man”, merkt zij op (“The Woman’s Movement of Our Day”, Harper’s Bazaar, Jan. 1902) “behoeft aan de vrouw, aan wie hij ze besteedt, niet meer ten goede te komen, dan de meerdere rijkdom van zijn meesteres geestelijk of lichamelijk ten goede komt aan een poedel, die nu van haar een donsen kussen kan krijgen in plaats van een veeren, en een kippetje in plaats van rundvleesch”. Olive Schreiner meent, dat het vrouwelijk parasitisme een gevaar is, dat tegenwoordig werkelijk de maatschappij bedreigt, en dat, als het niet afgewend wordt “de geheele vrouwelijkheid in beschaafde maatschappijen in een toestand van meer of minder absolute afhankelijkheid moet verzinken”. ↑
40 In Rome en Japan heeft, zooals Hobhouse opmerkt (op. cit., deel I, blz. 169, 176) het patriarchale systeem zijn volste uitbreiding bereikt, en toch hebben de wetten van deze beide landen den man in een positie geplaatst van praktische onderworpenheid aan een rijke vrouw. ↑
41 Herodotus, Bk. II, hoofdst. XXXV. Herodotus merkte op, dat het de vrouw was en niet de man, op wie de verantwoordelijkheid rustte van het onderhouden van oude bejaarde ouders. Dat alleen al sloot in zich een hooge economische positie van de vrouwen. Het is niet te verwonderen, dat het aan sommige waarnemers, zooals aan Diodorus Siculus toescheen, dat de Egyptische vrouw de meesteres was van haar man. ↑
42 Hobhouse (loc. cit.), Hale, en ook Grosse meenen, dat een goede economische positie van een volk in zich sluit een hooge positie van de vrouw. Westermarck (Moral Ideas, deel I, p. 661) meent hier in overeenstemming met Olive Schreiner, dat deze opgave niet zonder wijziging kan aangenomen worden, hoewel hij het met haar eens is, dat de landbouw een goede uitwerking heeft op de positie der vrouw, omdat zij er zelf een werkdadig aandeel in neemt. Een goede economische positie heeft geen werkelijk effect in het verbeteren van de positie der vrouw, tenzij de vrouwen zelf er een werkzaam en niet een parasiet-achtig aandeel in hebben. ↑
43 Westermarck (Moral Ideas, deel I, hoofdst. XXXVI, deel II, p. 29) verwijst herhaaldelijk naar de eigendoms- en andere privileges, die de vrouwen bij natuurvolken hebben en die op een eenigszins hooger beschavingsniveau veelal verdwijnen. ↑
44 De geleidelijke toename van het aantal vrouwen onder de Engelsche werklieden in de machine-industrie begon in 1851. Er zijn nu, naar men taxeert, drie en een half millioen vrouwen aan het werk in de industrieele beroepen, behalve een half millioen dienstboden. (Voor bijzonderheden zie men, James Haslam, in een serie bladen van de Englishwoman, 1909). ↑
45 Zie b.v., J. A. Hobson, The Evolution of Modern Capitalism, tweede uitgave, 1907, hoofdst. XII, “Women in Modern Industry.” ↑
46 Hobhouse, op. cit., deel I, p. 228. ↑
47 Fielding, Tom Jones, Boek III, hoofdst. VII. ↑
48 Zelfs de kerk nam ten slotte deze toewijzing van de verantwoordelijkheid aan, en “de sollicitatie”, d.i. de zonde van een biechtvader, die zijn vrouwelijke boeteling verleidt, wordt steeds behandeld als uitsluitend de zonde van den biechtvader. ↑
49 Adolf Gerson, Sexual-Probleme, Sept. 1908, p. 547. ↑
50 Er is reeds vroeger verwezen naar de ongelukkige resultaten, die het gevolg kunnen zijn van de onwetendheid van de mannen, en het zal weer noodig zijn in het elfde hoofdstuk van dit werk. ↑
51 Pepys, Diary, uitg. Wheatley, deel VII, p. 10. ↑
52 Lombroso en Ferrero, La Donna Delinquente. ↑
53 Gury, Théologie Morale, art. 381. ↑
54 “De mannen zullen niet leeren wat de vrouwen zijn”, merkt Rosa Mayreder op (Zur Kritik der Weiblichkeit, p. 199), “voordat zij opgehouden hebben ze voor te schrijven, wat ze behooren te zijn”. ↑
55 Het is b.v. uiteengezet door Professor Wahrmund in Ehe und Eherecht, 1908. Ik behoef ternauwernood opnieuw te verwijzen naar de geschriften van Ellen Key, waarvan men bijna zeggen kan dat ze een nieuw tijdperk openen, vooral (in de Duitsche vertaling) Ueber Liebe und Ehe (ook in het Fransch vertaald), en (in de Engelsche vertaling, Putnam, 1909), het waardevolle, hoewel minder belangrijke werk, De eeuw van het kind. Zie ook Edward Carpenter, Als de menschen rijp worden voor de liefde; Forel, De sexueele kwestie (Engelsche vertaling, verkort, The Sexual Question, Rebman, 1908); Bloch, Het sexueele leven van onzen tijd, Rebman, 1908; Helene Stöcker, De liefde en de vrouwen, 1906; en Paul Lapie, De vrouw in het gezin, 1908. ↑