Slechts weinige uitverkorenen hebben zich kunnen verlustigen aan de liefelijke pracht van de eilanden der Groote Zuidzee, die door de levenswerkzaamheid der Koraaldieren in ontzaglijke tijdruimten zijn opgebouwd of vervormd, en welker stille lagunen een onvergetelijken indruk wekken door den overvloed en de schitterende kleuren van hare bewoners. Zulke heerlijke tafereelen verschaffen de Bloemdieren in de Europeesche zeeën niet, hoewel ons ook hier door sommige van hunne verwanten een verrukkelijk schouwspel wordt bereid. Op kunstwerken van lichtpaars, rooskleurig of geelachtig glas gelijken de scherm- of klokvormige Kwallen, die met guirlandes en lange franje getooid, bij stil weer om de langzaam voortdrijvende boot zweven, waarbij zij beurtelings haar schijf uitzetten en samentrekken om in de nabijheid van den waterspiegel te blijven. Menigeen heeft op een zeebadplaats van een nadere kennismaking met deze Sirenen een minder aangename herinnering behouden. Met hare netelorganen, die een brandende gewaarwording veroorzaken, beantwoorden zij de belangstelling van ieder, die, door de prachtige kleuren dezer levende juweelen verlokt, het waagde ze aan te raken. Velen, die niet in de gelegenheid waren om in de zee het fraaie schouwspel te genieten, dat de Plantdieren kunnen opleveren, hebben dit natuurtafereel op kleinere schaal nagebootst gezien in een aquarium. Een der schoonste sieraden voor deze kooien met zeebewoners, welker verzorging zooveel moeite vereischt, zijn de Actiniën of Zee-anemonen. Evenals de houwmeesters der koraalriffen behooren zij tot de Polypen. Deze vormen met de Kwallen de groep der Neteldieren (Cnidaria), die met de Ribkwallen (Ctenophora) en de Sponzen (Spongiae) de hoofdafdeeling der Coelenteraten uitmaken.
Hunne zeer eenvoudige organen, die, evenals bij alle overige Metazoën, opgebouwd zijn uit talrijke cellen, welker verschillende aard in verband staat met het door haar verrichte deel van den levensarbeid, vertoonen een geheel andere wijze van rangschikking. De Coelenteraten zijn echte Straaldieren en niet, zooals de Stekelhuidigen, aanvankelijk en ook later bilateraal symmetrisch. Bij deze bedraagt het aantal der (op lateren leeftijd optredende) stralen in den regel 5, bij gene daarentegen 2, 4 of 6 of een veelvoud van 4 of 6, en vertoonen zij zich onmiddellijk nadat de moerbeivormige opeenhooping van cellen, welke door dooierklieving ontstond, door indeuking aan den top een bekervormige darmlarve of gastrula geworden is. Alleen de Sponzen verheffen zich weinig boven den laatstgenoemden oertoestand. Ook bij vele andere Plantdieren is echter, evenals bij de gastrulen, de lichaamswand uit slechts twee lagen—een buitenste (het ectoderm) en een binnenste (het entoderm) samengesteld; het bij alle hoogere dieren optredende mesoderm (middelste laag) ontbreekt, of staat, zoo het aanwezig is, tot de beide andere lagen in zeer nauwe betrekking. De huid, die bij de leden der vorige afdeeling lederachtig verdikt is en skeletdeelen vormt, wordt hier slechts bij uitzondering aan leder gelijk. Bij vele Coelenteraten (b.v. bij de Ribkwallen en de Echte Kwallen) ontwikkelen zich in ’t geheel geen harde deelen; deze vertoonen zich bij de meeste Polypen en Sponzen aan de oppervlakte van het ectoderm of in het mesoderm als uitscheidingen van het chitine, koolzure kalk of kiezelzuur.
Aan hun belangrijkste kenmerk danken de Coelenteraten dezen naam, die „Darmholte-dieren” beteekent. De lichaamswand omsluit bij hen slechts één holte, die zoowel voor het verteren van de spijs, als voor de verspreiding van voedsel en zuurstof door het geheele lichaam dient; de eindproducten van de stofwisseling (bij de hoogst ontwikkelde Plantdieren ook de voortbrengselen der geslachtsorganen) worden door één zoowel voor mond als voor aars bestemde opening verwijderd. Bloedvaten en uitscheidingsorganen ontbreken.
Het opperhuid (soms ook het entoderm) van de Neteldieren bevat netelcellen, cellen van verschillende grootte, doch steeds microscopisch klein, welker tamelijk stevige wand een doorschijnend blaasje omsluit, dat een spiraalswijs gewonden, draadvormig buisje bevat; deze draad is meer dan 20-maal zoo lang als het blaasje, loopt aan ’t vrije einde spits uit en is tot dicht bij deze plaats met een of 2 spiraalvormige reeksen van fijne weerhaakjes voorzien. Iedere aanraking of andere wijze van prikkeling van de netelcel veroorzaakt het plotseling naar buiten schieten en gelijktijdig omstulpen van den draad en geeft dus aanleiding tot verwonding van den aanraker. Naar het schijnt, is de draad met een vergiftige stof gevuld, die na het omstulpen haar oppervlakte bedekt en met de scherpe punt van den draad in de wonde doordringend, op de huid van den mensch een soortgelijke werking teweeg brengt als de brandharen der brandnetels. Zeer dikwijls zijn de netelcellen tot groepen vereenigd, die men netelknoppen of netelbatterijen noemt. Elke netelcel wordt, nadat zij slechts éénmaal dienst gedaan heeft, vervangen door een andere, die zich er onder bevindt.
De Gewone Roode Zeeanemone (Actinia mesembryanthemum) van de Noordzee, die men b.v. onder steenen aan den voet van den zeedijk bij laag water aantreft, heeft in een vangarm van gemiddelde grootte meer dan 4 millioen rijpe netelcellen; in hare gezamenlijke vangarmen minstens 500 millioen. Een vangarm van de prachtige, fluweelglanzig groene Anthea cereus bevat meer dan 43 millioen netelcellen; een exemplaar met 150 tentakels heeft dus 6450 millioen wapens in voorraad.
Tot dusver heeft men slechts bij één soort van Ribkwallen (en bij deze in geringen getale) netelcellen gevonden; bij de overige leden dezer klasse zijn zij vervangen door „grijpcellen”, halfbolvormige uitsteekseltjes van de vangdraden, die een veerkrachtige, spiraalswijs opgerolde draad, doch geen gif bevatten.
Het geleiachtig, min of meer doorzichtig lichaam van de Rib- of Kamkwallen is verschillend van vorm; het gelijkt op een bol bij Cydippe, op een Perzische muts bij Beroe, op een lint bij Cestus, enz. Het is tweestralig en niet bilateraal symmetrisch, daar het op twee wijze door een vlak, dat de lichaamsas bevat, in twee gelijke helften kan worden verdeeld. De beide bedoelde vlakken snijden elkander rechthoekig volgens de as. In dit geval kan dus evenmin van rugzijde en buikzijde sprake zijn als bij een regelmatige vaas met twee ooren. Aan de lichaamsas onderscheidt men de mond- en de tegenmondpool (orale en aborale pool). Deze dieren zwemmen in de open zee, maar worden niet zelden door wind of stroom naar de kust gedreven: bij de onze vertoont zich niet zelden de 13 mM. lange Kogelronde Cydippe [Cydippe (Pleurobrachia) pileus], nu en dan ook de 16 mM. lange Kleine Eivormige Beroë (Beroë roseola). Gewoonlijk nemen zij in ’t water een nagenoeg vertikalen stand aan met naar beneden gerichte mondopening. Door deze komt het voedsel in een afgeplat buisvormigen (bij de Beroïden sterk verwijden) zoogenaamden „maagzak” (door instulping van het ectoderm gevormd en dus niet voor de spijsvertering bestemd). De meer of minder wijde (door het entoderm begrensde) gastrovasculaire ruimte, die den „maagzak” omgeeft en waarmede zijn achterste uiteinde, dat door spieren gesloten kan worden, in gemeenschap staat, wordt wegens haar vorm trechter genoemd en strekt zich uit tot in de nabijheid van de aborale pool. Twee hier aanwezige, kleine openingen stellen het dier in staat tot het opnemen van water in of tot het verwijderen van vocht uit den trechter. De inhoud van deze holte bestaat grootendeels uit water, dat echter gemengd is met bloed en deeltjes spijsbrij. Door trilharen wordt dit vocht in beweging gehouden in den trechter en het van hier uitgaande gastrovasculaire kanalenstelsel, welks hoofdstammen dicht onder de oppervlakte langs loopen, daar waar zich van buiten de zoogenaamde ribben bevinden. Meestal zijn (soms 4 korte en 4 lange) ribben aanwezig; zij reiken van de eene pool tot de andere of nemen een deel van deze meridianen in. Elke rib wordt gevormd door een reeks van kammen of zwemplaatjes: korte dwarsreeksen van lange trilharen, die aan den oorsprong met elkander vergroeid zijn. Gewoonlijk trillen deze zwemplaatjes in geregelde volgorde heen en weer, waardoor een golvende beweging van de geheele reeks ontstaat. Het dier kan naar verkiezing sommige ribben of alle te gelijk laten werken, in ’t laatstgenoemde geval verplaatst het zich langzaam in de richting van de trechterpool. Draaiingen en afwijkingen van de oorspronkelijk gevolgde richting komen dikwijls voor; zij geschieden vlug, zonder merkbare inspanning en op sierlijke wijze onder medewerking van de overige lichaamsaanhangsels: mondlobben, oortjes (tongvormige lobjes aan de lichaamsoppervlakte) en vangarmen (gewoonlijk 2, meestal dicht bij de trechterpool aan weerszijden van het lichaam geplaatst, dikwijls zeer lang, met fijne draden en talrijke, tot knopjes vereenigde kleefcellen bezet, te voorschijn komend uit scheeden, waarin zij teruggetrokken kunnen worden). Bij de afgebeelde soort komen alleen de laatstgenoemde aanhangsels voor.
Kogelronde Cydippe (Cydippe pileus). Ware gr.
De Ribkwallen hebben, evenals vele andere pelagische (in de open zee levende) dieren, de gewoonte om ’s nachts in de bovenste waterlaag te zwemmen en zich over dag in de diepte te verbergen; zij voeden zich met allerlei diertjes, vooral met kleine Crustaceën, die zij met de armen vangen. De Beroïden echter zijn vraatzuchtige roovers en verzwelgen dikwijls dieren, die hen in grootte evenaren, hiertoe in staat gesteld door een zeer grooten bek en wijden maagzak; hun in dwarse richting ovaal lichaam mist de vangarmen en kenmerkt zich door de fijne zijtakken, die, van de 8 meridiaansgewijs verloopende hoofdkanalen uitgaande, in het geleiachtige weefsel mazen vormen, waardoor het (meestal teer rozerood gekleurde) lichaam als ’t ware gemarmerd is. De grootste soort is Beroë Forskalii, die in de Middellandsche Zee groote scholen vormt en 20 cM. lang wordt.
De prachtigste Ribkwal is de 1.5 M. lange, 8 cM. hooge Venusgordel (Cestum Veneris), die de Middellandsche Zee, den Atlantischen en den Grooten Oceaan bewoont. De schoonheid van zijn sierlijk, doorzichtig, het zonlicht in alle kleuren weerkaatsend lichaam wordt nog verhoogd door zijne vlugge, elegante bewegingen, waarbij het allerlei gracieuse krommingen vertoont. Evenals al zijne verwanten is de Venusgordel phosphoresceerend; de zetel van dit tot na den dood voortdurend vermogen is de wand der meridiaansgewijs loopende kanalen. Het lichten der zee wordt dikwijls voor een groot deel door leden dezer klasse veroorzaakt. De Ribkwallen zijn tweeslachtig; de jongen ondergaan een meer of minder samengestelde gedaantewisseling en verschijnen in den herfst als volwassen dieren aan de oppervlakte.
In de huishouding der natuur speelt deze ongeveer 50 soorten omvattende klasse een ondergeschikte rol. Hare leden bekoren het oog van den mensch, leven van roof en vallen zelf ten buit aan Schermkwallen en Zee-anemonen.
De vrij levende vormen dezer klasse—de Kwallen (Medusae)—werden vroeger in een orde vereenigd en dus gescheiden van hunne vastzittende verwanten, de Polypen; toen men beider ontwikkelingsgeschiedenis had leeren kennen, kon deze scheiding niet gehandhaafd worden. Vele Polypen brengen n.l. door knopvorming Kwallen voort en uit de bevruchte eieren dezer Kwallen ontstaan weer Polypen. Hier heeft men dus te doen met heterogonie, met een ontwikkelingskring, samengesteld uit een geslachtlooze generatie (van Polypen) en een daarop volgende sexueele (van Kwallen). In de 3 onderklassen (Echte Kwallen, Pijpkwallen en Hydrozoën), waarin men tegenwoordig de Polypkwallen verdeelt, maakt nu eens de vastzittende, dan weer de vrij levende generatie het beste figuur. Groot en hoog georganiseerd zijn de geslachtsdieren bij de Echte Kwallen (Acalephae), zeer klein daarentegen de zoogenaamde Scyptzistoma-polypen, waaruit zij langs ongeslachtelijken weg zijn ontsproten. De omgekeerde verhouding merkt men op bij de Pijpkwallen (Syphonophora), welker vastzittende individuën („polypoïden”) vereenigd zijn tot drijvende koloniën. Sommige van deze polypoïden (meer bepaaldelijk „medusoïden” genoemd) spelen de rol van geslachtsdieren en nemen min of meer den vorm van Kwallen aan. Deze geraken bij eenige soorten los en zwemmen vrij rond; bij andere blijven zij deelen van de kolonie uitmaken. Vele leden van de onderklasse der Hydrozoën (Hydromedusae) vertoonen een enkelvoudige ontwikkelingskring. Dit is o.a. het geval met die, welke men in de orde der Trachymedusen samenvat; bij hen ontwikkelen de bevruchte eicellen zich niet tot Polypen, maar direct (na gedaantewisseling) tot Kwallen. Gelijk hier de polyptoestand, zoo ontbreekt de kwaltoestand geheel (en worden zelfs geen medusoïden gevormd) in de orde der Zoetwaterpolypen (Hydridae), welke direct geslachtscellen in het ectoderm voortbrengen. Tusschen deze beide uitersten staan de orden der Campanulariën, Tubulariën en Hydrocoralliën: bij sommige van deze wordt de Polypengeneratie gevolgd door een generatie van Kwallen, die eerst na een lang leven in vrijen toestand rijpe geslachtscellen bezitten; andere soorten komen uitsluitend in den polyptoestand voor, vormen een stok, die uit individuën van verschillende gedaante en verrichting bestaat; sommigen van deze brengen spermatozoïden of eieren voort, hebben min of meer den vorm van Kwallen en heeten daarom medusoïden.
Een voorbeeld van deze aan onze kust niet vertegenwoordigde diergroep, levert de Tweezijdige Blaaskwal (Physophora disticha), die de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan bewoont. De centrale as, die de „polypoïden” draagt, is buisvormig en loopt naar boven uit in een met lucht gevulde fleschvormige blaas, die de geheele kolonie drijvende houdt en haar een verticalen of hellenden stand verschaft. Het geheele bovenste deel van de as wordt ingenomen door de „zwemzuil”, die uit 2 reeksen van „zwemklokken” bestaat. Deze voor de beweging dienende polypoïden vertoonen een onmiskenbare overeenkomst met Schijfkwallen: haar holte vult zich met water, dat vervolgens door een plotselinge samentrekking uitgeworpen wordt. Onder de zwemzuil zet de as zich uit tot een zak, waaraan bij den rand zeer beweeglijke, als „tasters” aangeduide polypoïden gehecht zijn, die twee kransen vormen en bij haar oorsprong ieder een lange „vangdraad” dragen. Verder naar ’t midden vindt men de eveneens holle, maar bovendien aan ’t vrije uiteinde opene „voedings-” of „maagpolypoïden”, die ieder zelfstandig werken, het voedsel inslikken en verteren. De buit, die grootendeels uit kleine Schaaldieren bestaat, wordt gegrepen en naar de „monden” gevoerd, door de lange vangdraden, welker talrijke zijtakken met knopvormige batterijen van netelcellen gewapend zijn. Het kleurlooze voedingsvocht (bloed), dat door de maagpolypoïden bereid wordt, komt aan alle leden van de kolonie ten goede; het wordt verspreid door de buisvormige, centrale as. De „voortplantingspolypoïden” of „medusoïden” zijn in de afbeelding niet voorgesteld; tot trossen vereenigd, bevinden zij zich tusschen de tasters en de magen. De hier als voorbeeld dienende soort heeft „éénhuizige” koloniën, die ieder zoowel mannelijke als vrouwelijke medusoïden dragen: gene brengen spermatozoïden, deze ieder één ei voort. De medusoïden, die zich bij de Blaaskwal niet veel boven den rang van geslachtsorganen verheffen, ontwikkelen zich bij andere soorten tot vrij zwemmende Kwallen. Het duidelijkst geschiedt dit bij de Zeilkwallen (Velellidae), waar zij lang voor de rijpheid der geslachtscellen zich afscheiden, als Kwallen (Chrysomitra) rondzwemmen en zelfstandig voedsel opnemen.
Tweezijdige Blaaskwal (Physophora disticha). Ware gr.
Het valt niet te ontkennen, dat de Blaaskwal veel gelijkt op een enkelvoudig dier. Tegen deze meening pleit echter de aanwezigheid van verscheidene magen, die ieder een afzonderlijke mondopening hebben en zelfstandig arbeiden. Neemt men voorts in aanmerking, dat bij sommige soorten de medusoïden losgeraken en als zelfstandige wezens voor de sexueele voortplanting zorgen, dan begrijpt men, waarom de Syphonophoren door B. Leuckart polymorphe koloniën worden genoemd. De deelen, waaruit zij samengesteld zijn, komen met deelen van een organisme overeen, in zoo verre als zij ieder een afzonderlijken arbeid verrichten, die voor het in stand houden van het geheel noodzakelijk is. Met het oog hierop vormen zij in physiologischen zin één geheel, behooren bij één leven. Toch zijn enkele van deze organen zoo zelfstandig werkzaam, en die, welke later den vorm van Kwallen aannemen, zoo hoog ontwikkeld, dat zij bijna op den rang van enkelvoudige wezens, van individuën, aanspraak mogen maken. Dit noopt ons de Pijpkwal te beschouwen als een „stok”, samengesteld uit onvolledige individuën, met verschil van vorm en van verrichting; deze beteekenis moet men hechten aan de uitdrukking „polymorphe kolonie”.
Tot de Siphonophoren behoort een van de fraaiste en merkwaardigste, maar tevens een van de gevaarlijkste geslachten van Coelenteraten, sedert lang aan de zeevarenden bekend onder de namen van Bezaantje, Bij-den-wind-zeiler en Portugeesch oorlogschip (Physalia). Verscheidene soorten van dit geslacht bewonen de warme zeeën, o.a. de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan. Bij deze kolonie verwijdt de stam zich van boven tot een groote blaas met een aanzienlijke luchtkamer, die door een opening met de buitenwereld in gemeenschap staat. Onder aan deze blaas hangen naast elkander voedingspolypoïden, tasters, waaraan medusoïde knoppen tot ontwikkeling komen en zeer lange vangdraden.
De Bezaantjes prijken met prachtige kleuren: de luchtblaas en haar kam zien er uit alsof zij van zilver zijn gedreven, versierd met lichtblauw, violet en purper. Kleine verhevenheden aan de kiel van den kam zijn helder karmijnrood; een verwonderlijk fraaie ultramarijnblauwe kleur is eigen aan alle aanhangselen. Zelfs de ruwe matrozen bewonderen deze prachtige schepsels, welker blaas de grootte van een kinderhoofd kan bereiken en welker vangdraden diep in het water hangen; hun bewondering gaat echter met een eerbiedig ontzag gepaard. Meyen verhaalt dat bij de eerste reis om de wereld van de „Princes Louise”, een prachtige Physalia langs het schip dreef. Een jonge, drieste matroos sprong in zee om het dier te vangen, haalde het zwemmend in en vatte het aan. De Pijpkwal kronkelde de lange vangdraden om haar roekeloozen tegenstander, die, door vreeselijke pijn gekweld, vertwijfeld om hulp schreeuwde; met moeite gelukte het hem naar het schip terug te keeren; hij moest zich aan boord laten hijschen en leed ten gevolge van de ontsteking der huid aan zulke hevige koortsen, dat men geruimen tijd voor zijn leven beducht was.
Knikkende Bloempolyp (Corymorpha nutans) met hare Kwallen (Steenstrupia galanthus). Ware gr.
Om niet te uitvoerig te worden bepalen wij ons tot de beschrijving van één in de Noordzee voorkomende soort van de orde der Tubulariën. In vastzittenden toestand is zij bekend onder den naam van Knikkende Bloempolyp (Corymorpha nutans); hare vrij levende Kwallen-generatie heet Steenstrupia galanthus. De polyp is niet, gelijk de meeste van hare orde-verwanten, vertakt, maar onverdeeld; ook hecht zij zich niet, als deze, aan waterplanten, steenen en dergelijke stevige voorwerpen vast, maar is gedeeltelijk weggedoken in het fijne zand van den zeebodem. Van het op deze wijze verborgen kegelvormig uiteinde van den steel gaan in alle richtingen draadvormige aanhangsels uit, die aan het geheele lichaam voldoenden steun verschaffen. De gastrale holte wordt niet, gelijk bij de Anthozoën, door straalsgewijze plooien van den wand vernauwd; zij staat van boven direct met de buitenwereld in gemeenschap door de mondopening. Deze is omgeven door een krans van ongeveer 80 korte tentakels; een tweede krans van ongeveer 32 langere voelers omgeeft het middelste deel van de verwijding (maag), die onder den mond gelegen is. Vooral op den cilindrischen, overlangs gestreepten steel vormt het ectoderm een dun, op chitine gelijkend, uitwendig skelet (periderma). Een verkalkt periderma vindt men bij de op diepe zeebodems levende Hydroïd-koralen (Hydrocoralliae). Een inwendig, door het mesoderm gevormd kalkskelet, zooals bij de Anthozoën voorkomt, hebben de Hydrozoën niet. Onmiddellijk boven den ondersten tentakelkrans ontspruiten de geslachtsknoppen, die zich afscheiden, nadat zij zich ontwikkeld hebben tot Kwallen, welker cilindrisch of vierzijdig prismatisch scherm 1.5 mM. breed is en van boven eindigt in een kegelvormige spits. Van onderen is het scherm, op een groote centrale opening na, afgesloten door een randzoom (velum). Aan den rand hangen 4 holle, weeke, buigzame, gele of roode tentakels, waarvan 3 zeer klein zijn; de vierde is goed ontwikkeld en loopt uit in een buitengewoon lang, draadvormig aanhangsel. Iedere tentakel is aan zijn basis voorzien van een rood of geelbruin oog. Bij andere „Kwallen met randzoom” vindt men, in plaats van oogen, „randblaasjes” (gehoororganen). Als een klepel in een klok, hangt in het scherm een roode of geelbruine, kegelvormige, holle, van onderen geopende „maagsteel” in gemeenschap staande met een daarboven in het scherm aanwezige gastrale holte; de 4 van hier naar de tentakels loopende radiale kanalen zijn door een in den rand gelegen ringkanaal vereenigd. Aan de binnenste oppervlakte van dit gastrovasculaire stelsel, dat voor het bereiden en verspreiden van voedingsvocht dient, bevinden zich bij het eene individu mannelijke, bij het andere vrouwelijke geslachtsorganen.
In hoofdzaken stemmen alle Hydroïdkwallen en Hydroïdpolypen met de beschrevene overeen. Deze leven in den regel niet eenzaam, maar zijn meestal tot boom- of korstvormige „polymorphe” stokken vereenigd. Voorbeelden hiervan zijn hoornachtige Zeecypres (Sertularia cupressina), die zoo dikwijls op het strand ligt en voor een plant wordt aangezien, en de Ruwe Zeerasp (Hydractinia echinata), welker overblijfsel niet zelden als een bruine korst de uit zee aanspoelende Wulken en andere schelpen bedekt. De Hydroïdkwallen zijn in den regel zeer klein; zelden bereiken zij een aanzienlijke grootte, zooals Equorea Forskalea, die de Middellandsche Zee bewoont en een scherm van 20 à 40 cM. middellijn heeft.
De eenige Zoetwater-hydrozoën zijn de Knodspolypen (Cordylophora) en de Zoetwaterpolypen (Hydra). Cordylophora lacustris vormt 4 à 8 cM. hooge, sierlijk vertakte boompjes, die met op wortels gelijkende draden vastgegroeid zijn aan steenen, hout, schelpen, enz. De geheele stok is met een dunne chitinelaag (periderma) bekleed, behalve de knotsvormige „kopjes”, waaraan een slurfvormigen mond, omgeven door onregelmatig verdeelde, draadvormige armen. Tot in het midden van deze eeuw kende men deze soort slechts als een bewoner van het brak water der Europeesche en Noord-Amerikaansche kusten. Toen vertoonde zij zich in sommige gedeelten van den benedenloop van verscheidene rivieren, Theems, Elbe, enz.; thans is zij zoowel in de Oude- als in de Nieuwe Wereld ver in het binnenland doorgedrongen. In Hamburg heeft zij zich in de buizen van de waterleiding gevestigd en zich er zoo sterk vermenigvuldigd, dat de doorstrooming van het water hier en daar verhinderd werd.
Meer algemeen bekend zijn de Hydra’s, de Zoetwaterpolypen bij uitnemendheid. Zij hebben een lichaamslengte van 1 à 2 cM. In den regel zal men niet tevergeefs zoeken naar een van de drie inheemsche soorten—de Groene, de Grijze en de Gewone Armpolyp (Hydra viridis, H. grisea en H. vulgaris)—in het stilstaand water van met planten begroeide poelen en plassen, wanneer men eenige van hier mede genomen planten stil laat staan in een glas met water en ze dan met een vergrootglas onderzoekt. Zoodra de Polypen tot rust gekomen zijn, beginnen zij zich te strekken en hare 6 à 12 voelers tot fijne draden te verlengen (die van de Gewone Armpolyp kunnen wel 40 cM. lang worden; bij de overige soorten zijn zij korter of niet langer dan het lichaam). Diertjes, die met de voelers in aanraking komen, blijven er, als verlamd, aan hangen; door het inkrimpen van de vangtoestellen wordt de buit naar den gretig geopenden, voor sterke uitzetting geschikten mond gebracht. Van polymorphie is geen sprake, van blijvende koloniën evenmin. Gewoonlijk vermenigvuldigen deze diertjes zich door knoppen, die aan den romp ontspruiten. Dikwijls blijft de dochter zoolang met de moeder vereenigd, totdat zij zelf ook eenige dochterknoppen vertoont. In de laatste zomermaanden of in den herfst verschijnen (in het ectoderm) dicht bij den tentakelkrans, 1 à 5 knobbels, die zich langzamerhand boven de oppervlakte verheffen en eindelijk door een opening aan den top talrijke spermatozoïden laten ontwijken; ongeveer terzelfder tijd vormen zich aan een lager gedeelte van den romp één of twee eizakjes, die ieder een ei voortbrengen. Nog in ’t zelfde jaar of in de volgende lente verlaat het jonge dier de eischaal; het heeft aanvankelijk slechts 4 beginsels van vangarmen, doch wordt weldra aan zijne ouders gelijk.
Deze onderklasse bestaat uit wezens, die wegens hun overeenstemming met de geslachtsdieren der beide vorige orden denzelfden naam verdienen te dragen, doch een veel hoogeren trap van volkomenheid bereikt hebben. Van de Hydroïd-kwallen onderscheiden zich de Acalephen o.a. door het gemis van een randzoom; daarentegen is de rand van haar scherm gewoonlijk door insnijdingen in lobben verdeeld. Daar aan onze kust nooit Buidelkwallen of Diepzeekwallen en hoogst zelden Bekerkwallen voorkomen, is het voldoende de orde der Schijfkwallen (Discomedusae) te bespreken. Tot haar behooren ruim 150 van de ruim 200 bekende soorten der onderklasse en tevens hare grootste vertegenwoordigers. Zes daarvan bewonen in aanzienlijken getale de zee langs onze kust. Meer dan andere Coelenteraten trekken zij de aandacht, daar zij in ’t gunstige seizoen tot in de onmiddellijke nabijheid van den oever aan de oppervlakte zwemmen. Bij ruw weer verongelukken vele exemplaren op het strand, waar deze groote, rood- of blauwachtige, halfbolvormige geleiklompen spoedig door uitdroging zoo goed als geheel verdwijnen. Hun lichaam, vooral dat van de Aurelia’s en Chrysaora’s, heeft n.l. zulk een groot watergehalte (95 à 96 percent), dat er van een middelmatig groot exemplaar, op vloeipapier aan de zonnestralen blootgesteld, niets anders overblijft dan een (door echte natuurzelfdruk gevormde) omtrekfiguur. Sommige soorten ziet men nu en dan in grooten getale bijeen. Lang aanhoudende, noordelijke windrichtingen vullen de havens van de westkust der Oostzee soms met geheele banken van blauwe Kwallen (Aurelia aurita). In de Middellandsche en de Adriatische Zee kan men zelden een uitstapje maken, zonder eenige of zelfs vele exemplaren te ontmoeten van de prachtige Longkwal (Rhizostoma pulmo), die nog iets grooter wordt dan haar hierachter afgebeelde verwante. Beide worden echter in dit opzicht ver overtroffen door Cyanea arctica, een bewoonster van het noordelijke deel van den Atlantischen Oceaan, en zelfs door Cyanea capillata, die aan onze kust veelvuldig voorkomt; bij deze kan het scherm 1, bij gene 2 M. middellijn bereiken. Een andere in ’t oog vallende eigenschap van vele Kwallen is het phosphoresceeren; hieraan ontleent Pelagia noctiluca, die de Middellandsche Zee bewoont, haar naam. Bovendien brengen vele soorten met hare netelorganen ook op de huid van den mensch een pijnlijke ontsteking te weeg.
Cuvier’s Zeepaddestoel (Rhizostoma Cuvieri). Groote scholen van deze soort komen veelvuldig in de Noordzee, nu en dan ook aan onze kust voor. Het scherm heeft niet zelden 20 à 30, bij enkele individuën 50 à 60 cM. middellijn. Het is minder week dan bij de overige Kwallen onzer kust, meestal melkwit, soms blauw- of roodachtig wit. De lobben van den mantelrand, welker aantal 96 à 112 kan bedragen, zijn donkerblauw of paars. De armen dragen twee groepen van roode of oranjekleurige zuigmondjes; de bovenste groepen zijn hier door het scherm heen zichtbaar; de onderste en de naakte eindstukken der armen steken onder den rand uit.
De Schijfkwallen zijn niet slechts de meest bekende, maar ook de hoogst ontwikkelde leden van de geheele klasse. Het scherm, dat het grootste deel van haar lichaam uitmaakt, heeft meestal den vorm van een horlogeglas of van een halven bol, zelden dien van een klok. Door aanhoudende, regelmatig opeenvolgende samentrekkingen van het scherm, of liever van een zijn ondervlakte bedekkende laag van straals- en kringswijs loopende spiervezels (den zoogenaamden „zwemzak”), houden de Schijfkwallen zich bij den waterspiegel. Zoolang de nu en dan voorkomende rustpauzen duren, zinkt het dier langzaam naar beneden, waaruit blijkt, dat het iets zwaarder is dan het omringende water. Het grootste deel van het scherm wordt gevormd door het geleiachtige, met cellen doorgroeide „mesoderm”, dat vezeltjes en veerkrachtige draadnetten bevat en hierdoor betrekkelijk stevig is. De rand van het scherm is op regelmatige wijze in 8 groepen van „lobben” verdeeld door insnijdingen, waarin „randlichaampjes” voorkomen, die ieder een oog en een gehoororgaan bevatten, beschut door een „ooglobje”, aan welks bovenzijde, bij den oorsprong, zich een reukgroefje bevindt. Bovendien zijn hier (behalve bij de Rhizostomeën) holle voeldraden aanwezig, die bij Aurelia en Chrysaora één reeks aan den rand, bij Cyanea 8 bundels aan de ondervlakte van het scherm vormen. Aan ’t middengedeelte hangt, als de klepel van een klok, de eenigszins vierkantige „mondsteel”; bij de 3 laatstgenoemde geslachten bevindt zich aan zijn vrije uiteinde de mond, welks vier hoeken tot wimpelvormige „mondarmen” verlengd zijn. Bij de Rhizostomeën echter is de opening tusschen de mondarmen gesloten en zijn deze ieder in twee takken verdeeld; de gedeeltelijk aaneengegroeide randen van elken tak vormen een buis, die een aantal openingen overlaat, welke met gekroesde randlobben omgeven zijn en voor het opzuigen van het voedsel dienen. De boven den mond gelegen gastrale holte of „maag”—bij alle Aculephen voorzien van maagdraden, die spijsverteringssappen afscheiden—staat buitenwaarts in gemeenschap met 8 (of een veelvoud van 8) „maagzakken” en verder met „kanalen”, die zich straalsgewijs tot in den rand van het scherm uitstrekken en hier dikwijls door een „ringkanaal” vereenigd zijn. Gezamenlijk vormen al deze holten en kanalen het gastrovasculaire stelsel. De schijfkwallen voeden zich hoofdzakelijk met kleine dieren, die zij met de mondarmen vangen, waarbij de netelorganen goede diensten bewijzen. De Rhizostomiden zuigen de prooi uit; de overige Kwallen brengen haar onmiddellijk in de maag.
Bij verreweg de meeste Schijfkwallen zijn geslachtsorganen over tweeërlei individuën verdeeld en is de ontwikkelingskring samengesteld uit twee generatiën: Polypen, die zich door deeling en knopvorming vermenigvuldigen, brengen de geslachtsdieren voort. De geslachtsorganen, kenbaar aan hun teere kleur, puilen uit in 4 ondiepe holten, die den mondsteel omgeven. Het bevruchte ei doorloopt den gastrula-toestand, in het slijm van het ectoderm tusschen de mondarmen en ontwikkelt zich hier tot een mondlooze, aan de oppervlakte met trilharen begroeide larve, planula genaamd, welke door haar plat-ovale gedaante aan een damesmedaillon herinnert en een tijdlang vrij rondzwemt. Zij hecht zich vervolgens vast en wordt peervormig. Tegenover het dunne, aan den bodem vastgehechte uiteinde ontstaat een mond, die de gastrale holte opnieuw met de buitenwereld in gemeenschap brengt, en omgeven wordt met 4 tentakels. Het nu polypvormige wezen heet Scyphistoma en vermeerdert het aantal tentakels tot 16. Een aantal „dochter-polypen” kunnen uit de basis van deze „moederpolyp” ontspruiten en zich, evenals deze, door deeling vermenigvuldigen, n.l. door ringvormige insnoeringen, die, steeds dieper wordend en naar onderen in aantal toenemend, terwijl de Polyp zich verlengt, haar allengs het voorkomen geven van een stapel tafelborden. Aan den scherpen rand van elk dezer deelen ontwikkelen zich 8 korte, 3-deelige randlobben (uit het middelste deel ontstaat een randlichaampje). In dezen toestand wordt de Polyp met een sparrekegel vergeleken en Strobila genoemd. Door het steeds toenemen van de diepte der insnoeringen geraken, te beginnen bij de bovenste, die hare tentakels verliest, achtereenvolgens alle schijven los. Zij draaien zich om en zwemmen als jonge Kwallen (zoogenaamde Ephyra’s) weg; elke randlob is vooraf uitgegroeid tot een langwerpig uitsteeksel (met een diepe insnijding aan den top) waaronder het randlichaampje verborgen is. Langzamerhand verkrijgt de Ephyra alle eigenschappen van een Schijfkwal.
Een liefelijk schouwspel levert het komen en gaan der Kwallen op den door golving en strooming telkens veranderden spiegel der zee. Na een kortstondig leven, welks duur waarschijnlijk een jaar overtreft, gaan deze wezens te niet, keeren hunne bestanddeelen terug in den algemeenen kringloop der stof en blijven van hun aanwezigheid geen andere sporen over dan een talrijke, in wording verkeerende nakomelingschap. Ook onder de Straalpolypen zijn er, welker generaties even spoorloos verdwijnen als deze. Veel grooter is echter het aantal leden dezer klasse, die sedert de eerste tijden van hun bestaan op aarde, door alle geologische perioden heen gedenkteekenen hebben opgericht, zooveel grootscher dan die, welke door menschenhanden zijn gebouwd, dat deze, met hen vergeleken, geheel in ’t niet verzinken. De vorming van een groot deel der vaste aardkorst is een gevolg van de werkzaamheid der hier bedoelde, nietig kleine dieren. Door de veranderingen, die in ’t binnenste der aarde plaats grijpen en zich aan hare oppervlakte openbaren, als opheffingen en inzinkingen, worden op de eene plaats riffen en koraaleilanden boven den zeespiegel omhoog gestuwd, terwijl zij elders in de diepte terugkeeren. Overal waar de Koraaldieren, de belangrijkste van alle Straalpolypen, zich vertoonen, hebben werkingen plaats, die door haar omvang en beteekenis bijna alles in de schaduw stellen, wat overigens nog door het dierlijk leven tot stand wordt gebracht. Nietig klein in den beginne, slechts door den microscoop waarneembaar, wordt deze vestiging weldra het vereenigingspunt van verbazend veelvormige levensverschijnselen, totdat de mensch als ’t ware den hier verrichten arbeid bekroont, door den op deze wijze gevormden bodem in bezit te nemen.
De Anthozoën zijn vastzittende, meestal tot stokken vereenigde dieren; het gesloten uiteinde van haar cilindervormig lichaam heet voet; in het midden van de hieraan tegenovergestelde, in den regel uitpuilende mondschijf, die langs den rand één of meer kransen van holle tentakels draagt, bevindt zich de meestal spleetvormige mond. Deze staat niet, gelijk bij de Hydroïdpolypen, onmiddellijk, maar door tusschenkomst van een buisvormigen (door instulping van het ectoderm gevormden), in de gastrale holte hangenden „maagzak” met genoemde holte in gemeenschap. Deze wordt in „kamers” verdeeld door schotten (mesenteriaalplooien), die straalsgewijs van de binnenste oppervlakte van den lichaamswand uitgaan, met de buitenste oppervlakte van den „maagzak” verbonden zijn en zich van de mondschijf tot den voet uitstrekken, maar niet tot aan de lichaamsas reiken, rondom deze dus een centrale holte vrijlaten. Elke kamer zet zich naar boven voort in de kegelvormige holte van een tentakel; zij bestaat verder uit een kokervormig vak van de ringvormige ruimte tusschen den lichaamswand en den maagzak en bovendien uit de hieronder gelegene, nisvormige, aan de aszijde opene afdeeling van de gastrale holte. De lichaamswand bestaat uit drie lagen: het met tallooze netelorganen gewapende ectoderm, het hieruit secundair gevormde mesoderm, dat spieren bevat, en het slijmerige entoderm, dat de geheele binnenste oppervlakte van de gastrale holte bekleedt. Spieren komen zoowel in den buitenwand als in de tentakels, den maagzak en de mesenteriaalplooien voor. Die welke in overlangsche richting loopen, hebben de overhand; zij stellen het dier in staat zich sterk te verkorten, het bovenste stuk van zijn lichaam in het meestal door harde deelen gesteunde onderste stuk als in een etui terug te trekken. Zintuigen komen bij de Anthozoën niet voor; het ectoderm, vooral dat van de mondschijf en van de tentakels, is echter zeer gevoelig en bevat talrijke zenuwvezels. Van den vrijen rand der mesenteriaalplooien gaan gekronkelde of kluwenvormig opgerolde „mesenteriaaldraden” uit, die in de gastrale holte uitpuilen (bij de Actiniën ook wel door den mond of door huidporiën naar buiten gestoken worden); zij zijn met netelorganen en kliercellen toegerust en schijnen bij de spijsvertering een belangrijke rol te vervullen. Onder de plaats waar deze draden ontspringen, komen aan de mesenteriaalplooien de geslachtsorganen voor, bij ieder dier òf vrouwelijke, òf mannelijke, zelden beide. De eieren ontwikkelen zich dikwijls in de gastrale holte van de moeder en verlaten deze als eivormige, later wormvormige planula’s. Na eenigen tijd rondgezwommen te hebben, hechten zij zich vast. Aan den top van het jonge dier ontstaat een diepe instulping (de toekomstige „maagzak”), welker bodem vervolgens een opening verkrijgt, waardoor de gemeenschap van de gastrale holte met de buitenwereld (die sedert het einde van den gastrula-toestand was afgebroken) hersteld wordt. Nadat nu eerst mesenteriaalplooien en later tentakels gevormd zijn, gelijkt de jonge Polyp op hare ouders.
Een zeer belangrijke rol speelt bij de Anthozoën de ongeslachtelijke vermenigvuldiging. Alle leden van één stok zijn langs dezen weg ontstaan uit een aanvankelijk eenzaam levend dier, dat zich hier als planula heeft vastgehecht. Al naar de stokvorming geschiedt door onvolkomen deeling of door knopvorming, hetzij aan den voet of aan de zijden van het lichaam (bij fossiele Koralen ook aan de mondschijf) en al naar de diepte van de scheiding tusschen de hierdoor voortgebrachte individuën, zal de stok massief zijn of vertakt, in ’t laatstgenoemde geval zodevormig, struikvormig, bladvormig, waaiervormig, enz.—De scheiding kan zoo ver gaan, dat leden van een kolonie een geheel zelfstandig leven leiden. Dikwijls echter blijven hunne gastrale holten met elkander verbonden, daar alle Polypen aan den voet meer of minder ver omgeven zijn door een gemeenschappelijke laag. Deze levende massa, die „coenosark” heet, bevat een groot aantal kanalen, waardoor het voedingsvocht van iedere Polyp aan alle leden der kolonie ten goede kan komen en tevens dient voor het vormen en onderhouden van het gemeenschappelijk eigendom van alle individuën, n.l. van den stam en de takken van den stok.—Bij een aantal Anthozoën mist men ieder spoor van vaste, tot steun geschikte deelen; meestal echter is hun lichaam door een skelet gesteund, welks deelen soms geïsoleerd blijven, in den regel echter een samenhangend geheel vormen. Bij eenige zijn zij van hoornachtigen aard, bij de meeste echter grootendeels uit koolzure kalk samengesteld.
Alle Anthozoën zijn zeebewoners; de grootste verscheidenheid van vormen ontwikkelt deze klasse tusschen de keerkringen: in ’t geheel zijn ongeveer 1800 levende soorten bekend. Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit kleine dieren, die zij met de tentakels grijpen en naar den mond brengen. Zij worden vooral naar het aantal stralen en tentakels in twee orden verdeeld, waarvan de eerste ongeveer 1200 levende en nagenoeg alle (1700) fossiele soorten omvat.
Bij alle hedendaagsche leden van deze orde bedraagt het grondtal van de stralen en tentakels 6 (bij een reeds sinds het primaire tijdvak geheel uitgestorven groep echter 4). Slechts enkele geslachten, alle behoorende tot de kleine onderorde der Hoornkoralen (Antipatharia), blijven levenslang uit dit geringe aantal stralen samengesteld; bij alle overige heeft vermeerdering van hun aantal plaats door tusschenvoeging van nieuwe schotten, die een geringere breedte bereiken dan de reeds aanwezige, en deel uitmaken van een nieuwen „cyclus”, die volledig is na verdubbeling van het aantal kamers; dit kan op deze wijze toenemen tot 96 en zelfs tot 192, doch stijgt zelden hooger.
Kelkkoraal (Thecocyathus cylindraceus). Ware grootte.
De eerste rang komt toe aan de Zeeanemonen of Actiniën (Actinaria), die een der grootste aantrekkelijkheden onzer aquariën uitmaken. Zij onderscheiden zich door het gemis van een skelet van de beide overige onderorden der Zesstraligen en zijn sterker dan deze in den gematigden aardgordel vertegenwoordigd. Verreweg de meeste leven afzonderlijk, vormen geen stokken. Daar zij dikwijls een aanzienlijke grootte bereiken en veelvuldig in ondiep water voorkomen, trekken zij sterk de aandacht. Niet weinig draagt hiertoe bij hun levendige, meestal fraaie kleur. Zij hebben een taaie, lederachtige huid, die groote samentrekkingen en vormveranderingen kan ondergaan. Met uitzondering van enkele soorten die het achterste gedeelte van haar lichaam in een kuiltje van den zandigen of slijkerigen zeebodem verbergen (Cerianthus) of zich met een koker van aaneengekleefd zand of slijm omgeven (Edwardsia), gebruiken alle Actiniën de voetschijf om zich vast te hechten en kunnen zij zich zelfs langzaam schuivend op dit orgaan voortbewegen.
In alle Europeesche zeeën, ook aan onze kust, ontmoet men van de laagwaterlijn, tot op een diepte van 20 vademen, bij voorkeur aan de onderzijde van overhangende steenen, de Gewone Zee-anemone (Actinia equina, A. mesembryanthemum). Haar lichaam is een korte en dikke cilinder, 5 cM. hoog en 7 cM. breed, in saamgetrokken toestand kegelvormig. De mondschijf is aan den rand bezet met vele rijen kegelvormige tentakels, gezamenlijk hoogstens 192, van 15 mM. lengte. Zij komt in vele kleurverscheidenheden voor, van paarsachtig rood tot zeer donker olijfkleurig, soms groen of groen gevlekt of gestreept. De voetschijf is even boven den rand door een blauwe streep omgeven. De rand van de mondschijf draagt een krans van hoogstens 48 azuurblauwe knobbeltjes, die talrijke netelorganen voortbrengen.
Ondanks hun bevalligen vorm, prachtige kleur, stillen aard en aan bloemen herinnerend uiterlijk zijn de Actiniën buitengewoon vraatzuchtige wezens. In het aquarium ziet men ze groote stukken vleesch verzwelgen, niet om er eenvoudig het sap uit te persen, maar om het geheel te verteren; de vetdeelen, die zich er aan bevinden, worden weer uitgeworpen. Ook zuigen zij gaarne Oesters en Mossels uit. Daar het geen bijzondere moeite kost de Actiniën in ’t leven te houden, heeft men hun levenswijze en voortplanting nauwkeurig kunnen nagaan. Zij behooren voor ’t meerendeel tot de niet talrijke Anthozoën, die geen stokken vormen. Met zeldzame uitzonderingen planten zij zich uitsluitend langs geslachtelijken weg voort.
Steenkoralen of Koraaldieren i.e.z. (Madreporaria) noemt men alle Anthozoën met verkalkt skelet. De gezamenlijke skeletdeelen vormen het polyparium. Dit kan enkelvoudig zijn of vertakt. Enkelvoudig is het, wanneer de groei van het individu geen knopvorming of deeling, maar vermeerdering van het aantal kransen van tentakels en kringen van mesenteriaalplooien ten gevolge heeft, zooals reeds bij de Actiniën werd opgemerkt. Een voorbeeld hiervan levert de hiernevens afgebeelde soort, die tot de Tolkoralen (Turbinolidae) behoort. De „wand” of „muur” van haar „cel” is van buiten glad; van de binnenste oppervlakte gaan „straalschotten” uit, die tusschen (niet in) de mesenteriaalplooien liggen: iedere kamer bevat er één. De muur met de straalschotten vormen de „kelk”. In de hierdoor begrensde holte kan de Polyp het altijd week blijvende voorste deel van haar lichaam terugtrekken, hetgeen gepaard gaat met het uitwerpen van het hierin aanwezige vocht.
Dendrophyllia ramea. A) Deel van een polypenstok; sommige Polypen met uitgespreiden, andere met teruggetrokken tentakelkrans; een der beide naar onderen gekeerde kelken ledig en dwars doorgesneden. Ware grootte.—B) Overlangs doorgesneden kelk met Polyp in teruggetrokken toestand. Vergroot.
Bij vele soorten is de buitenste oppervlakte van den muur tegenover de straalschotten bezet met smalle, gaafrandige, uitgetakte of getande lijsten, die „ribben” heeten.
Het hierboven afgebeelde, boogvormig vertakte, samengestelde polyparium van een Eupsammide uit de Golf van Napels dankt zijn vorm aan de wijze van vermenigvuldiging, door knopvorming aan de zijden van het lichaam; reeksen van fijne korreltjes vormen ribben aan de buitenste oppervlakte van den langwerpigen kelk, waarboven de weeke deelen niet ver uitsteken. Aan de overlangsche doorsnede van een der individuën (B) ziet men hoe diep de tentakels (a) teruggetrokken worden, hoe dik de muur (b) is en hoe ver de straalschotten zich binnenwaarts uitstrekken. De geheel verkalkte wand aan de tegenover den mond gelegen pool heet „voetblad”; hierop rust een tamelijk hooge zuil. Zij is dikwijls omgeven door een aantal staafvormige verhevenheden, die men „paaltjes” noemt. Deze en alle andere kalkafscheidingen tusschen de straalschotten vormen samen de endotheca. Deze is bij de Steenkoralen zeer ongelijk ontwikkeld. Soms, zooals bij de Oogkoralen (Oculina), zet zij zich, naarmate de Polyp omhooggroeit, als een samenhangende massa af op den bodem der cel, zoodat het onderste gedeelte van de straalschotten er geheel in opgenomen wordt. Vaker echter ontstaan tusschen de straalschotten dunne, betrekkelijk dicht bij elkander gelegen dwarsschotten, die soms ineenvloeien tot vloeren, soms een zeer geringe breedte hebben en op fijne, kegelvormige knobbeltjes gelijken, die zich met die van het naburige straalschot tot dwarsbalkjes vereenigen. Op deze wordt de niet meer door de weeke deelen ingenomen ruimte allengs gevuld met een kalkmassa, die soms als ’t ware blaasjes, soms talrijke evenwijdige verdiepingen, soms een soort van traliewerk vormt.
Ook aan de buitenzijde van den muur kunnen allerlei kalkafscheidingen voorkomen; soms bekleeden zij dezen met een gladde laag (epitheca), soms vormen zij talrijke blaasjes (peritheca), soms worden de leden van den stok aaneenverbonden door een kalkmassa (het coenenchym), die bladerig dicht of sponsachtig kan zijn. Den laatstgenoemden vorm heeft zij bij de Sponskoralen (Madrepora), zooals uit de afbeelding (B) blijkt.
De leden van dit geslacht leveren de fraaiste en grootste polypenstokken aan de verzamelingen van naturaliën. Eerst na het passeeren van het kanaal van Suez ontmoet men ze in grooten getale. De hieronder afgebeelde soort komt behalve in den Indischen en den Grooten Oceaan ook in de Roode Zee voor. Hare kelken steken als korte, van boven kegelvormige buizen boven het hen vereenigende en bedekkende, met fijne doorntjes bezaaide coenenchym uit. De Madrepora-stokken zijn soms massief, soms op onregelmatige wijze gelobd, soms struik- of boomvormig vertakt.
Knobbelig Sponskoraal [Madrepora (Montipora) verrucosa]:—A) Kleine polypenstok in ware grootte.—B) Vier kelken, waarvan 2 overlangs en 1 dwars doorgesneden, alle diep verborgen in ’t poreuze coenenchym. Een zuil is niet aanwezig. De straalschotten zijn niet poreus, 6 of 12 in getal: sommige zijn in ontwikkeling achtergebleven, terwijl 2 de overige in breedte overtreffen en aan den binnenrand vereenigd zijn. (Vergroot.)
De Madreporiden, Poritiden en Eupsammiden worden wegens de tusschenruimten (poriën) van hun kalkskelet onder den naam van Poreuze Koralen (Perforata, Medreporacea) samengevat. Uit een dichtere massa bestaan de polypariën van de Zwamkoralen, Sterkoralen en Oogkoralen, die daarom gezamenlijk Aporosa heeten. Bij het bekijken van een collectie naturaliën trekken de Zwam-, Paddestoel- of Kampernoeljekoralen van het geslacht Fungia allicht de aandacht door hun vorm en hun grootte. Het zijn platte, cirkelronde of langwerpige schijven, die niet zelden een middellijn van 30 cM. bereiken en met een het onderste boven gekeerden hoed van een Paddestoel vergeleken worden. Behoudens een langwerpige groeve, die de plaats aanwijst, waar zich bij het levende dier de mond bevindt, bestaat de geheele bovenvlakte uit talrijke, verticale straalschotten; deze rusten op een voetblad, dat aan de meestal eenigszins uitgeholde, niet vastgehechte onderzijde gedoornde ribben draagt; de muur, het deel, dat bij de meeste Koralen het sterkst ontwikkeld is, ontbreekt hier geheel. De Zwamkoralen zijn enkelvoudig, niet tot stokken vereenigd: evenals de Actiniën, vermenigvuldigen zij zich bijna uitsluitend door eieren; wanneer ooit bij hen knopvorming of deeling voorkomt, blijven de nieuwe individuën niet met het oude vereenigd.
De Sterkoralen (Astraea) met hunne meestal massieve stokken zijn karakteristieke verschijnselen van de keerkringszeeën. De kelken zijn direct of door hunne ribben, niet door tusschenkomst van coenenchym, verbonden.—Tot dezelfde familie behooren de Hersenkoralen of Maeandrinen, waarvan een soort is afgebeeld. Bij hen komt een zeer eigenaardige wijze van vermenigvuldiging door deeling voor. Evenals bij andere Koraaldieren worden de mondopening en de mondschijf, na het verdubbelen van het aantal tentakels, langwerpig en naderen de randen van de mondspleet elkander in ’t midden, totdat er twee ronde openingen zijn ontstaan. Bij de Hersenkoralen wordt dit verschijnsel echter niet gevolgd door de verdeeling van de mondschijf en blijft ook de splitsing van de kelk achterwege. De geheele verandering neemt een einde na de allereerste toebereidselen. In verband met de vermeerdering van het aantal tentakels, verlengt de mondschijf zich aanhoudend; telkens ontstaan er nieuwe mondopeningen, zonder dat de verdeeling verder gaat. De mondschijven breiden zich uit tot lange strooken, die sterk gekronkeld zijn, omdat zij van de aanvankelijk gevolgde richting afwijken, zoodra zij elkander ontmoeten. De donkere lijnen in afbeelding A stellen de reeksen van tentakels voor: zij bedekken de ineenvloeiende muren, die in afbeelding B als witte lijnen tusschen de donkerder getinte straalschotten zichtbaar zijn.
Hersenkoraal (Heliastraea heliopora):—A) Polypenstok met de weeke deelen. B) Skelet. Ware grootte.
Over ’t algemeen groeien de Steenkoralen niet snel, hoewel het eene geslacht in dit opzicht van het andere verschilt. Sommige levende stokken bij de Bermudas-eilanden zijn sedert eeuwen nagenoeg niet van gedaante veranderd; van eenige riffen in de Roode Zee is gedurende een halve eeuw de aanwas niet merkbaar geweest. Daarentegen vond Wellstead een gezonken schip in de Perzische Golf reeds na 20 maanden met een 2 voet dikke korst van Koraaldieren bedekt, en heeft de Torrezstraat, die bij haar ontdekking 25 koraaleilanden bevatte, er thans reeds meer dan 150, waartusschen slechts smalle vaargeulen overblijven. In sommige gedeelten van de Stille Zuidzee komen riffen voor, waarvan de dikte op 2000 voet wordt geschat.
De hedendaagsche Madreporariën kunnen naar hun levenswijze en geographische verbreiding in twee groepen worden verdeeld. De eene omvat de zoogenaamde Diepzeekoralen, die een uitgestrekt gebied bewonen, waar het klimaat, de temperatuur van het water en de aardrijkskundige ligging zeer uiteenloopen. De meeste worden op diepten van 50 à 300 en zelfs van 1500 vademen gevonden, vele echter ook in ondiep water in de nabijheid van den oever. Voor ’t meerendeel hebben zij enkelvoudige polypariën of vertakte, struikvormige en kruipende stokken zonder coenenchym; in den regel vindt men ze geïsoleerd, nooit tot groote massa’s vereenigd. Dit geldt o.a. van de Oog- en Tolkoralen, van de Eupsammiden en van eenige Zwamkoralen.
Verreweg de meeste Madreporariën, vooral die, welke stokken met veel coenenchym vormen, behooren echter tot de Rifkoralen. Vele daarvan bereiken een aanzienlijke grootte en kenmerken zich door snellen groei. Daar zij alleen kunnen leven in water, welks temperatuur minstens 18 of 20° C. bedraagt, is hun verbreiding tegenwoordig beperkt tot den gordel tusschen 30° NB. en 30° ZB., en wel tot die gedeelten, waar de gesteldheid van den bodem en de temperatuur van het water (dat niet onzuiver of met zoetwater vermengd mag zijn) aan de eischen voldoen. Bovendien is de diepte, waarop zij zich vestigen, gemiddeld niet grooter dan 20 vademen (30 à 35 M.). Aan de hedendaagsche koraalriffen arbeiden vooral leden van de geslachten Porites, Madrepora, Turbinaria, Areopora, Poecilopora, vele Astraeiden (o.a. Macandrina en Heliastraea) en een aantal samengestelde en enkelvoudige Zwamkoralen (Fungidae). Behalve deze Madreporariën spelen ook sommige Alcyonariën (Heliopora), Hydromedusen (Milleporidae) en Kalkalgen (Nulliporidae) bij de vorming van de koraalriffen geen onbelangrijke rol.
Daar de meeste Rifkoralen op geen grootere diepte dan 20 vademen (ongeveer 30 M.) leven, moet het water op de plaatsen, waar nu koraalriffen gevonden worden, oorspronkelijk ondiep zijn geweest. In den regel is dit alleen op geringen afstand van de kust het geval. Bij Mauritius, Madagaskar, Florida, in de Roode zee, enz. waar de temperatuur van het zeewater en de bodemgesteldheid voor het gedijen van de Steenkoralen gunstig zijn, is de kust overal of op sommige plaatsen omzoomd door een vlak terras van koralenkalk, waarop bij eb gemiddeld slechts 1 of 2 voet water staat. Overal waar de zeebodem dieper dan 20 vademen begint te worden, houdt het koraalrif plotseling op en helt steil naar de zeezijde af; zijn bovenrand hangt een weinig over; aan den voet van de steilte is de bodem bedekt met doode stukken koraal, die er door de golven bijeengespoeld zijn. Het bovenste deel van den buitenrand van zulk een „zoomrif”, dat het meest aan den schok der golven is blootgesteld, wordt vooral bewoond door Koraaldieren met veel coenenchym en zeer kleine kelken (Porites). en door Kalkalgen (Nulliporen); iets verder naar onderen begint de gordel van de Astraeïden en Milleporiden, nog verder benedenwaarts komen uitsluitend doode polypenstokken voor. Het terras tusschen de kust en den buitenrand van het rif is weelderig begroeid met allerlei, ten deele zeer teer gebouwde Koralen (Fungidae, Astraeidae, Madreporidae); zij rusten op een uit doode brokstukken van Koralen en slib bestaanden bodem, die na iederen storm door het aangespoelde gruis een weinig opgehoogd wordt.
Koraalriffen van geheel andere gedaante vindt men aan de noordoostzijde van Australië of ten westen van Nieuw-Caledonië. Langs de kust strekken zich hier, op een afstand van 20 à 60 zeemijlen, damvormige, uit koralen samengestelde, onderzeesche bergruggen uit. De buitenrand van deze barrière- of walriffen, welker lengte soms 400 à 1000 mijlen bedraagt, helt aan de open zeezijde steil af; op weinige honderden meters afstand buiten het rif wijst het dieplood afgronden van meer dan 1000 vademen diepte aan, terwijl tusschen het rif en de kust een kanaal ligt, dat slechts 10 à 30 vademen water bevat. Naar deze zijde keert het rif zijn zacht glooiende, door tallooze levende wezens bewoonde oppervlakte.
Nog merkwaardiger zijn de atollen of lagune-eilanden, die vooral over de Zuidzee verstrooid zijn. Ringvormige, naar buiten steil afhellende riffen, verheffen zich te midden van den oceaan, meestal op onderzeesche vulkanen, en begrenzen een ondiepe lagune met een of meer kanaalvormige toegangsopeningen aan de benedenwindzijde. Boven den breeden, ringvormigen dam, die slechts weinige voeten onder de oppervlakte der zee gelegen is, rijst dikwijls een eiland van soortgelijke gedaante, dat uit opeengehoopte stukken koraal en slib bestaat, boven den waterspiegel op; reeds kort na zijn ontstaan is het begroeid met kokospalmen en een weelderig, doch eenvormig plantenkleed. Op het door water bedekte terras tusschen het eiland en den steilen rand van het rif vindt men uitgestrekte, met Koraaldieren begroeide vlakten; andere zijn bedekt met een Nulliporen-korst van verscheidene voeten dikte. Een weelderig dierlijk leven openbaart zich in het ondiepe water van de lagune; hier houden zich de fraaiste en teerste Koraaldieren op.
De tweede groote afdeeling van de Straalpolypen staat, wat vormenrijkdom betreft, ver bij de vorige achter, daar zij ruim 600 levende en 80 fossiele soorten omvat. Ook deze groep biedt veel verscheidenheid aan, hoewel de individuën, door nooit af te wijken van het oorspronkelijk aantal voelers, een veel eenvormiger uitzicht vertoonen dan de overige Anthozoën. De voelers van de Octactiniën zijn niet hol, gewoonlijk eenigszins afgeplat en langs den rand als bladen getand of uitgetakt.
Het verst verbreid is de familie der Zeekurken (Alcyonidae), voor een groot deel behoorend tot het gelijknamige geslacht (Alcyonium), waarvan reeds in het hooge noorden eenige soorten veelvuldig voorkomen en dat in de warmere zeeën zeer sterk vertegenwoordigd is. In de Noordzee, ook bij onze kust, vindt men op diepten van 5 tot 30 vademen zeer algemeen den Doodenmanshand of Doomansduim (Alcyonium digitatum), een meestal witachtigen of bleek rooskleurigen stok, die van onderen even breed is als van boven, hier in lobben verdeeld, welker eenigszins rimpelige huid met stervormige, achtstralige sporen is overdekt, die met de oppervlakte gelijk zijn.
Eene andere familie, die der Zeepennen, Zeevederen (Pennatuliden), vormt een zeer eigenaardige groep, die zich wel is waar door het maaksel der polypen na aan de overige aansluiten, maar zich toch weder door den zeer regelmatigen, sierlijken vorm van den stok daarvan verwijderen, zoodat men hen voor andere wezens zou houden. Deze polypenstokken zwemmen vrij rond. Zij zijn niet, zooals de andere altijd op eenig voorwerp in zee vastgegroeid, maar steken met het steelvormig ondereind slechts los in den bodem, in het slib of het zeezand. Door de golven, of door welke oorzaak ook, kunnen zij echter worden weggerukt en zwemmen dan vrij rond.
De stok is vleezig of lederachtig, slechts over het bovenste gedeelte met polypen bezet, die gewoonlijk op bijzondere, met kalkachtige naaldjes ondersteunde aanhangsels geplaatst zijn. De meeste geslachten hebben een door het geheele lichaam loopende kalkachtige as. De polypen zijn voorzien van acht voelers, welke aan de randen diep ingesneden zijn.
Voorwerpen van deze familie zijn indertijd in de Noordzee gevonden door den heer Maitland, vroeger directeur van den Haagschen dierentuin, n.l. de Wonderstaf [Vigularia (Lygus) mirabilis]. Deze heeft een verlengden polypenstok met cilindrische, vleezige schaft, die aan beide zijden van het bovengedeelte verlengde, vliezige aanhangsels heeft, welke naar boven omgebogen zijn en aan hun onderrand polypencellen dragen, acht in getal. Het onderste gedeelte van de schaft, dat geen aanhangsels draagt, is opgezwollen. De as is cilindrisch, draadvormig. De kleur van de polypenstok is geelachtig.
De andere soort behoort tot het geslacht, dat aan de familie den naam gaf van Zeepennen, door de gelijkheid in vorm met een schrijfpen, die de polypenstok aanbiedt. De schaft is aan de bovenzijde met vinachtige aanhangsels ter weerszijden bekleed, waarop de polypen op verschillende wijzen geplaatst zijn.
In de groep, aan welke Herklots weder den ouden naam van Zeepennen gaf, zijn de bovengenoemde vinnen min of meer ingesneden tot bekervormige cellen, waarin de polypen zitten. De schaft is lederachtig van huid, ruw of gekorreld. De as is cilindrisch, aan beide uiteinden puntiger en loopt door de geheele schaft.
De Lichtende Zeepen (Pennatula phosphorea) is lang en slank; de schaft is met kleine, stekelachtige schubjes bedekt. De vinnen zijn over de helft van het lichaam verspreid, ongeveer vijf en dertig aan elke zijde. Zij zijn vliezig, lang, zeer dun en in afgezonderde cellen ingesneden, die tweemaal hare doorsnede van elkander verwijderd zijn, veertien of vijftien op elke vin in aantal. De schaft is cilindrisch, smal, ruw, het naakte gedeelte is bijna niet opgezwollen. De kleur is rood1.
Zeeveder (Pteroides Spinosa). ¼ nat. gr.; a) eenigszins vergr. kelk.
De Zeeveder (Pteroides Spinosa) behoort tot de Pteroiden, wier polypendragende bladeren, zooals boven werd beschreven, door kalkachtige naaldjes ondersteund worden.
De Zeevederen behooren tot de lichtgevende zeedieren.
Eene in de verzamelingen van naturaliën meestal rijk vertegenwoordigde familie, is die der Gorgoniden. Zij komen met de Pennatuliden in zooverre overeen, dat zij een harde, hetzij hoornachtige of kalkachtige as hebben, omhuld door het weeke of althans halfweeke weefsel der individuën en van het deze verbindende coenenchym. De polypenstokken zijn vastgehecht aan rotsen of andere onderzeesche voorwerpen. De vorm der stokken is met enkele zeldzame uitzonderingen meer of minder sterk vertakt, doch zeer verschillend. Bij de eene is de stam rolrond en zijn de vertakkingen boomachtig, bij de andere is de stam plat en zijn de takken pluim- of waaiervormig. Verscheidene soorten hebben bladachtig samengedrukte takken, eene vereeniging van takken, die er als een soort van traliewerk uitziet. Bij nog andere is de stam aan één of beide zijden kamsgewijs of vedersgewijs met takken bezet. Paragoria arborea, die aan de kusten van Noorwegen voorkomt, bereikt bijna manshoogte. Andere komen vooral voor in de Middellandsche Zee en de warmere zeeën, zooals de Roode Zee, Indische Zee, Stillen Oceaan en West-Indische Zee. Men kent ook eenige weinige fossiele soorten uit het krijt en de tertiaire formatie van Europa.
Een geslacht (Corallium) onderscheidt zich door de geheel verkalkte, harde, steenachtige as, welke, evenals de geheele stok, boomachtig vertakt is. Die van de gewone Middellandsche Zee-soort (Corallium rubrum) levert het bekende bloedkoraal.
De stam bestaat uit talrijke fijne kalkschichten, van zóó bepaalde microscopische structuur, dat een kenner van de verhouding hiervan gemakkelijk aan ieder stuk koraal de echtheid of valschheid kan constateeren. De nog versche, niet kunstmatig glad gemaakte, nòch in zee afgeschuurde stok, is met fijne overlangsgroeven bedekt, waarin de kanalen loopen, die het voedingssap bevatten.
De natuurlijke historie en de anatomie van het zoogenaamde edelkoraal is op uitstekende wijze door Lacare-Duthiers bestudeerd. Hij kwam tot de ontdekking dat de stokken nu eens enkel mannelijke, dan weder enkel vrouwelijke individuën bevatten, dat echter ook polypen van beiderlei geslacht op een stok voorkomen, ja, dat er zelfs hermaphroditen (geslachtloozen) onder loopen.
Onze afbeeldingen vertoonen, matig vergroot, een twijg van een stok met verschillende gesloten en een opengesneden kelk. In fig. A ziet men, bij o, eieren, bij t een grooter zaadhuisje en daarnaast, bij o´, een ei. In fig. B, bij B, de 1 à 2 mM. lange larven, in de lichaamsopening van het moederdier het ei verlatend. Zij zijn langwerpig wormvormig en wij zien in de polypen met ingetrokken voelers, bij f g, door de zachte wanden van het lichaam heen twee zulke larven. De middelste polypencel is afgesneden; zij bevat twee larven. Uit de mondopening der bovenste, bij b, is een larve bezig de wereld in te treden.
Het voorkomen van het Edelkoraal is beperkt tot de Middellandsche- en de Adriatische Zeeën. In den laatsten tijd strekt zij zich uit tot halverwege Sebenico, en wordt op eenige plaatsen van de Albaneesche kust en tusschen de Ionische eilanden reeds talrijker gevonden. De opbrengst is in verhouding tot die aan de Algerijnsche en Tunesische kusten onbeduidend. Aan de laatstgenoemde kust is de visscherij het loonendst op banken, die zich tot op eenige zeemijlen afstands van den oever uitbreiden en bij eene diepte van 40–100 vademen, zeldzaam daaronder of daarboven. Zij wordt bij voorkeur uitgeoefend door vaartuigen met een Italiaansche bemanning, minder met Franschen en Spanjaarden en het is een hard werk. De vaartuigen varieeren van 6–12 tonnen inhoud ongeveer, en hebben eene bemanning van 4–12 man en hiernaar zijn ook de werktuigen en netten ingericht, welke voor de koraalvisscherij gebruikt worden. De eersten bestaan uit twee overkruis gelegde en stevig verbonden balken, bij de groote vaartuigen 3 M. lang en op de kruising met steen of met ijzer bezwaard. Daaraan hangen 34–38 bundels netten met groote mazen, in den vorm van bundels of dwijlen, zooals men dat op gewone schuiten wel ziet om het dek te reinigen. Dit aan een sterke kabel bevestigde toestel wordt achter het vaartuig aan gesleept en al naar het vaartuig is, met een windas of met de hand opgehaald en neergelaten. Daar de koralen slechts op oneffen zeebodem leven, bij voorkeur onder vooruitspringende of overstekende gedeelten, waarin de armen van de balken moeten doordringen, zoo begrijpt men dat het vastzitten van het net elk oogenblik voorkomt. Het moet dus telkens weder losgemaakt worden, en het is begrijpelijk, dat dit tot den zwaarsten arbeid behoort, temeer daar deze visscherij in het heete jaargetijde zonder ophouden geschiedt.
Edelkoraal. A) Vergroot stuk van een stok met twee geopende kelken. B) Matig vergroot stuk, het uitkomen der larven vertoonend.
Het aldus verkregen koraal varieert in reinen toestand zeer in hoedanigheid en in waarde. Het van de rotsen afgerukte, dikwijls door zwammen en wormen doorboorde koraal kost 5–20 franc het kilo. De prijs der betere soort wisselt af van 45–70 franc het kilo. Voor het kilo bizonder uitgezochte dikke en rozenrood (peau d’ange) gekleurde stukken, wordt echter 400 en 500 franc, ja meer betaald. De stukken welke op eene bepaalde diepte gevonden worden of die door en door zwart zijn en als „zwarte koraal” voor 12 à 15 franc het kilo verkocht worden, behooren niet tot eene bizondere soort, maar zijn lang door slijk bedekt geweest en hebben door een soort van verrottingsproces en nog niet bekende chemische inwerkingen de zwarte kleur gekregen. De verwerking van het koraal tot sieraden en bijouteriën geschiedt te Parijs en te Marseille en in het bizonder te Napels, Livorno en Genua.
De bouw en het leven der Polypen als enkele individuën en in koloniën biedt ons veel wetenswaardigs en boeiends aan. De beteekenis van het leven der polypen is echter van veel grootere strekking. Die polypen welke men als riffenbouwende koralen aanduidt, richten zich gedenkteekenen op voor eeuwen, en de invloed op het leven en de ontwikkeling van het menschelijk geslacht is het gewichtigste punt, waarop de waarnemingen van het leven der polypen geconcentreerd kunnen worden.
Welk een tooverachtigen indruk de bloote aanschouwing van een koraalrif maakt, heeft Haeckel na een bezoek aan de Arabische kust van de Roode Zee meesterlijk geschilderd:
„Die pracht te schilderen, daartoe zijn pen noch penseel in staat. De oppervlakte der grootere koraalbanken, van 6–8 voet in doorsnede, is bedekt met duizenden van de schoonste bloemsterren. Tusschen de vertakte boomen en struiken zit bloem aan bloem. De groote, bontgekleurde bloemkelken aan hun voet zijn eveneens koralen. Ja zelfs het bonte mos, dat de tusschenruimten tusschen de verschillende stammen aanvult, blijkt bij nauwkeurige beschouwing te bestaan uit millioenen kleine koraaldiertjes. En deze geheele onvergelijkelijke bloemenpracht wordt door de schitterende Arabische zon in dit kristalheldere water overgoten met een onvergelijkelijken glans.
„In deze wondervolle koralentuinen, welke de tot het rijk der sagen behoorende tooverachtige Hesperidentuinen overtreffen, wemelt het van dierlijk leven in talrijke soorten. Metaalachtig glanzende visschen van de zonderlingste kleuren en vormen spelen in scharen tusschen de koraalbloemen, evenals de kolibrie’s die rondom de kelken der tropische bloemen zweven. Nog veel menigvuldiger en interessanter zijn de weekdieren der verschillende klassen, welke op de koraalbanken hun leven leiden. Sierlijke, doorzichtige Schaaldieren, tot de groep der Garnalen behoorende, klimmen tusschen de takken der Koralen. Ook roode Zeesterren, violette Slangsterren en zwarte Zeeëgels klauteren in menigte rond op de takken der koraalstruiken; de scharen bontgekleurde Mosselen en Slakken zijn niet op te noemen. Schoone Wormen met bontgekleurde kieuwvederboschjes kijken uit hunne holen en gangen. Daar komt ook een dichte zwerm Medusen aanzwemmen en tot onze verrassing herkennen wij in den sierlijken klok een oude bekende uit de Oost- en Noordzee, de Kwal”.
Alle riffenvormende koraalsoorten leven in de zeeën der heete zone, waar de afkoeling van het water zelfs in den winter niet onder de 16 graden Réaumur daalt. De grootste zomerwarmte in den Stillen Oceaan bedraagt 24 graden Réaumur. Twee lijnen noordelijk en zuidelijk van den equator, welke de streek van de gelijke wintertemperatuur verbinden en al naar de stroomingen veelvoudig in- en uitgebogen zijn, omsluiten de Zone van de koraalriffen-zeeën.
De grootste verscheidenheid heerscht natuurlijk in den middelsten heetsten gordel, tusschen 15 en 18 graden noordelijk en zuidelijk van den equator, waar de temperatuur niet onder 18½ graad Réaumur daalt. In deze streek vallen de Fidschi-eilanden, wier riffen een voorbeeld van eene buitengewone menigte Koralen vertoonen.
De koraalsoorten van Oost-Indië en van de Roode Zee zijn dezelfde als in het centrale gedeelte van den Stillen Oceaan, eveneens die van de kusten van Zanzibar.
De Golf van Panama en de naburige deelen der zee noordelijk tot aan de punt van het Californische schiereiland en zuidelijk tot Guayaquil liggen ook nog in den heeten gordel, maar in de koelere zone daarvan. De polypensoorten aldaar dragen een ander karakter, en zijn geheel verschillend van de West-Indische. Zij zijn daar niet talrijk en tot een klein getal geslachten beperkt. Dit laat zich verklaren door den aard en richting van de strooming langs de Westkust van Amerika, welke zoowel door hare lage temperatuur als door hare richting, de verbreiding der soorten uit het centrale gedeelte van den Stillen Oceaan naar Panama verhindert.
Koraalriffen en koraaleilanden zijn werken van dezelfde soort, maar onder eenigszins verschillende omstandigheden. Een koraal-eiland is in ieder geval altijd lang geleden een tijd lang een koraalrif geweest en is dat voor het grootste deel nog. De namen beteekenen echter iets anders. Koraal-eilanden zijn geïsoleerd in de zeeën staande riffen, welke nu eens slechts tot den waterspiegel reiken of half onderduiken of bedekt zijn met een dichteren of minder dichten plantengroei. Koraalriffen echter noemt men in het bizonder de koraalvormingen langs de kusten van eilanden en het vasteland.
Alle door Koralen omgeven kusten en in het bizonder die van midden in den Oceaan gelegen eilanden, genieten van hunne riffen groote voordeelen. De uitgestrekte koraalbanken en de daarachter liggende kanalen breiden den omvang van het eiland waartoe zij behooren, buitengewoon uit. Behalve dat zij bolwerken tegen den oceaan vormen, zijn zij te gelijk dijken, welke den van de bergachtige kusten afgespoelden grond verzamelen. Zij noodzaken het van het land afstroomende water het slib, hetwelk zij met zich voeren, af te zetten en bewaren die op deze wijze voor het land; en het is op deze aangespoelde gronden dat de inwoners gewoon zijn hunne dorpen aan te leggen. Zulke vlakten vindt men rondom Tahiti, van O.5–3 mijlen breed en juist hier groeien de kokos- en broodvruchtboomen het best.
De riffen maken ook de vischgronden der inboorlingen uitgestrekter en lokken de visch zeer aan, wat voor die menschen bijna het eenige vleeschvoeder is. De door de riffen ingesloten wateren bevorderen de scheepvaart en vergemakkelijken de verbinding tusschen de nederzettingen. Om dezelfde reden treft men er veilige havens aan, waarvan sommige er wel een dozijn bezitten, terwijl men langs vele onbeschutte kusten soms geen enkele veilige haven bezit. Zelfs voor den wereldhandel leveren de omvangrijke riffenregionen hunne bijdrage, behalve parelen, de tripang genoemde eetbare holothuriën of zeeslakken, waarvan duizenden centenaars jaarlijks van de riffen in Oost-Indië, Australië en de Fidschi-eilanden naar China worden uitgevoerd.