Wie voor den eersten keer eene verzameling Sponsen, gedroogd of in spiritus bewaard, bekijkt, zal niet zelden over de dierlijke natuur van deze in verschillende vormen (zooals beker-, bol-, knots-, waaier- of trechtervormige) voorkomende voorwerpen in twijfel staan en de totaalindruk zal wezen, dat het planten zijn. Daar men echter zulke Sponsen in een museum van natuurlijke historie vindt, zal men allicht oordeelen, dat zij dan zeker in leven en op de plaatsen wáár zij leven er anders uit zullen zien en dan meer den indruk van dieren maken. Laten wij daarom de Sponsen in de natuur opzoeken. Zij komen slechts in het water voor, en zeer spaarzaam zijn zij in zoet water vertegenwoordigd door de Zoetwater-sponsen of Spongillen. Op den bodem van menig water, aan houten brugpijlers, kan men gedurende den zomer groenachtige of grijze, vertakte of rondachtige dingen, ter grootte van een vuist of van een hoofd, bestaande uit een weeke of papachtige massa, zien, die voor het bloote oog niet het geringste spoor van leven vertoonen, die, in een glas met water bewaard, zich weken lang onbeweeglijk vertoonen, en die, in de zon gelegd, snel indrogen, zonder iets van hun vorm te verliezen en dan gemakkelijk tot poeder zijn te knijpen.
Het microscoop toont dat dit poeder of stof grootendeels uit fijne, met twee punten voorziene kiezelnaalden bestaat en wij zijn nog even wijs als vroeger. Laten wij daarom de zee opzoeken, waar Sponsen in menigte voorhanden zijn.
Op sommige plaatsen van de Adriatische Zee en de Ionische eilanden zijn de rotsen bij plekken door een korst van O.5–2 cM. dikte bedekt, die witachtig van kleur is en die men gemakkelijk er af kan breken. Als men deze korst losbrokkelt, ziet men dat zij ten deele bestaat uit lichaampjes van een onregelmatigen, ten deele van een kegelachtigen of fleschachtigen vorm, die eerst leven en beweging verraden, als men in hunne nabijheid fijn verdeelde verfstof in het water werpt. Daardoor worden dan stroomingen zichtbaar, welke van de groote openingen uitgaan en door de een of andere werkzaamheid in het inwendige van deze lichamen moeten ontstaan. Al deze Kalksponsen zijn hard en ruw op het gevoel of vertoonen tenminste, als zij van een weekere zelfstandigheid zijn, eene ruwe, stekelige oppervlakte.
Waaraan herkent men nu eigenlijk een Spons? Om deze vraag te beantwoorden, kunnen wij niet beter doen dan te wijzen op de meest verbreide soort van Spons, die bij iedereen bekend is, n.l. de gewone Badspons. Maar … om te beginnen hebben wij ons reeds onjuist uitgedrukt, want niet de Badspons is het die bij iedereen bekend is maar … het geraamte er van. Het is, zooals men gemakkelijk kan nagaan, een zeer elastisch, van grootere en ontelbare kleinere poriën en kanalen doorboorde, vezelachtige massa van een stof die men hoornachtig (Spongin) noemt.
Wij hebben over het voorkomen der Sponsen reeds gesproken. De vorm wijzigt zich echter dikwijls naar de omstandigheden waaronder zij groeit en van het voorwerp waarop zij zich heeft vastgehecht. Met uitzondering van den eersten levenstijd, zijn zij vastzittende wezens en niet zelden leven zij ook parasitisch op andere dieren, op de schelpen van Weekdieren, Polypariën enz. Er zijn ook Sponsen, die parasitisch op andere wonen. Eenige soorten hebben zelfs het vermogen om gaten in kalkgesteenten te boren en houden daarin hun verblijf. In verschen toestand bezitten de meeste Sponsen eene tamelijke vastheid, zoodat zij aan drukking weerstand kunnen bieden, zooals b.v. de soorten, welke worden ingezameld om in den handel te worden gebracht. Deze handelsartikelen bestaan echter, zooals wij reeds zeiden, enkel uit het skelet, waaruit alle weeke deelen door uitspoeling en uitwassching zijn verdreven. De kleuren welke zij vertoonen zijn wit, geel, bruin, zwart, rood, violet en groen, en in grootte wisselen zij af van eenige millimeters tot een meter en meer.
Alle Sponsen bestaan uit een skelet en uit eene zeer weeke zelfstandigheid, het sarcode of protoplasma, waarmede de opene holten en kanalen gevuld zijn, die met elkander in verband staan en buitenwaarts uitmonden met tweeërlei soort van openingen, namelijk zeer kleine, poriën genaamd, en grootere, gewoonlijk mondjes (oscula) geheeten. Het stelsel van kanalen mondt uit in eene ruimte, de maagruimte, die naar onderen zakachtig gesloten is, naar boven met eene opening, de schoorsteen genaamd, in verbinding staat. Het omringende water met de daarin zwevende kleine deeltjes, die tot voeding van het lichaam dienen, treedt de kleine poriën binnen en verlaat dit weder door de groote openingen, na de voedende bestanddeelen te hebben achtergelaten.
De instroomingsopeningen of poriën bevinden zich altijd aan de buitenvlakte, de uitstroomingsopeningen daarentegen monden dikwijls uit in een gemeenschappelijke of cloacale holte, die dan één grootere, naar buiten voerende opening heeft. Deze openingen bezitten nog de eigenaardigheid dat zij tijdelijk of blijvend kunnen zijn. Dit hangt af van de meerdere of mindere vastheid van de weeke zelfstandigheid. Is de buitenste sarcodelaag in zekeren graad verhard en een soort certicula geworden, dan zijn de openingen blijvend, is de sarcode week, dan verschijnen en verdwijnen de openingen zonder een spoor achter te laten.
Waarnemingen hebben aangetoond, dat er voortdurend eene strooming van het water naar de ingangsopeningen plaats heeft en dat deze strooming veroorzaakt wordt door de beweging van trilciliën. Aan de wanden der inwendige kanalen komen namelijk binnenwaartsche, lange, draadvormige verlengselen van wandlooze cellen voor, die meestal elk slechts een enkel trilhaar bezitten, soms twee of meer. Op sommige punten zijn zij troepsgewijs vereenigd tot zoogenaamde triltoestellen, ook trilkorfjes genoemd. Door de zweepende beweging nu van deze trilhaartjes, wordt de strooming van het water onderhouden en naar de verschillende gedeelten gevoerd. Uit de uitstroomingsopeningen komt het water verder met kracht naar buiten en voert de faecale stoffen mede. Deze geheele inrichting voldoet voor de Sponsen aan de behoefte tot ademhaling zoowel als aan die der spijsvertering.
Het voedsel wordt in de eerste plaats opgenomen door zekere beweeglijke cellen, geassimileerd en dan naar de plaatsen, waar voedsel noodig is, gebracht. Hier geven deze wandelende cellen haar voedsel af behalve het onbruikbare deel daarvan. Daarna verplaatsen zij zich met die faecale stoffen naar de uitstroomingskanalen waar zij deze afgeven, dan trekken de cellen naar de instroomingsmonden, nemen voedsel op en beginnen hun rondreis van voren af aan.
Het weeke sarcodelichaam, dat wij in de vorige regels schetsten, wordt gedragen, omvat als het ware, door het skelet, dat gedeelte wat wij na droging de „spons” noemen. Men noemt de zelfstandigheid, waaruit dit skelet bestaat, hoornachtig, maar in werkelijkheid is het een geheel andere stof. Zij wordt onderscheiden met de namen spongioline, keratode en keratose, zelfstandigheden waartoe ook de chitine en conchyoline behooren. Deze stof wordt uit de sarcode gevormd in de gedaante van vezels, vliezige platen en spicula, die onderling tot een meer of minder dicht net zijn verbonden. Zij zijn meest cilindrisch van vorm, uit concentrische blaadjes samengesteld, ook hol, in welk geval zij een net van vertakte buizen vormen. Een ander bestanddeel van het skelet is kiezelzuur, dat zich gewoonlijk vertoont in den vorm van afzonderlijke spicula, die, daar zij veelal naaldvormig zijn, ook eenvoudig sponsnaalden worden genoemd. Zeldzamer komt als bestanddeel van het skelet voor koolzure kalk, die ook somtijds in de gedaante van spicula voorkomt en dan van de kiezelspicula moeielijk te onderscheiden zijn.
Ook de eieren ontstaan uit beweeglijke cellen.
De gewone wijze van voortplanting is die door tweeërlei soort van lichaampjes. De eerste zijn bolvormige, eironde, korrelige lichaampjes en liggen verspreid in de sarcode massa, te midden waarvan zij ontstaan, en worden door de uitstroomingsopeningen naar buiten gevoerd. Zij verkrijgen dan geheel of ten deele een trilhaarbekleedsel, zwemmen een tijd rond en hechten zich daarna vast aan eenig voorwerp, waarna de ontwikkeling zijn verder verloop heeft. De tweede soort van lichaampjes zijn grooter en bestaan uit een verzameling cellen, welke door eene opening in den dunnen wand, welke hen bijeenhoudt, naar buiten treden. Er is echter nog eene andere wijze van voortplanting.
Wanneer een levende Spons in stukken verdeeld wordt dan behoudt elk stuk het vermogen om te blijven leven en te groeien. Men neemt aan dat zich uit elk sarcodeklompje een Spons kan ontwikkelen en het schijnt dat deze zelfverdeeling somtijds voorkomt.
Deze afdeeling heeft haren naam ontvangen naar de eigenschap, dat in alle soorten microscopische of ook met het bloote oog zichtbare kalkafzettingen afgescheiden worden, welke het lichaam als een soort van skelet dienen, terwijl zij nu eens onregelmatig door het weefsel verstrooid, dan weder sierlijk bundelsgewijs en op rijen geordend zijn. Deze kalkafscheidingen hebben den vorm van staafjes of naalden of van drie- en vierstralige sterren. Zij vullen de Spons gewoonlijk in zoo’n mate (terwijl de weeke bestanddeelen bovendien zeer gering zijn), dat bij het indrogen de gedaante en de omvang van het lichaam onveranderd blijft en dat de meeste Kalksponsen levend of dood een krijtachtig of gipsachtig voorkomen hebben.
Wij onderscheiden drie hoofdfamiliën:
De Zak-kalksponsen of Ascones zijn eenvoudige of vertakte, gesloten of open cilinders met dunne wanden. Zij zijn dikwijls van zulke zachte en fijne wanden omgeven, dat zij in het water nauwelijks te bemerken zijn en zich alleen door een witachtige schemering verraden. Zeer dikwijls echter vertoonen zij de gedaante van vastere voorwerpen, welke de grootte van een noot of zelfs van een vuist bereiken en dan vallen zij natuurlijk als witte of geelachtige gewassen in het oog. Dit is b.v. het geval met de fraaie Ascelta clothius, bij Napels in de grotten van Posilipp en het eiland Nicita menigvuldig voorkomende.
De Knollen-kalksponsen (Leucones) omvatten die vormen, bij welke zich de wanden der onregelmatig vertakte kanalen onder eene sterke ophooping van kalknaalden verdikken, zoodat er min of meer onregelmatige vormen te voorschijn komen, knollen en kogels, maar ook flesschen en bekers. Tot de sierlijkste en grootere soorten behoort Leucandra penicillata van Groenland.
De schoonste en hoogst ontwikkelden zijn de Cellen-kalksponsen (Sycones). De grondvorm van het enkele dier is een lange beker of een meestal op een steel zittende cilinder, welks dikkere wanden regelmatige kringen van diepe, van de groote centrale holten uitgaande bochten vertoont. De mondopening is nu eens naakt, evenals bij Leucandra, dan weder met een krans van fijne naalden omzet.
1) Knollen-kalkspons (Leucandra penicillata). Nat. gr.—2) Cel-kalkspons (Cycandra ciliata). Vergroot.
Alle Kalksponsen leven in zee. De meeste houden van de duisternis en schuwen het licht. Slechts weinige soorten groeien op plaatsen, die sterker verlicht zijn. De soorten, die zich het liefst vastzetten op rotsen en steenen, vindt men bij voorkeur in holen en grotten aan de zeekust, in rotsspleten en onder steenen. Deze voorliefde voor de duisternis noopt ook vele Kalksponsen zich te vestigen in het binnenste van ledige dierlijke woningen zooals mosselschelpen, slakkenhuisjes, schalen van Zeeëgels, wormkokers enz.
De meeste Kalksponsen behooren thuis in de strandzone tot 2 vademen diepte. Van daar tot eene diepte van 10 vademen is hunne vermindering reeds opvallend; op verdere diepte behooren zij tot de zeldzame verschijningen.
Bij de tweede klasse der Sponsen, die veel talrijker dan de eerste en in alle zonen en diepten der zee verbreid is, bestaat het skelet uit kiezelnaalden, die gedeeltelijk of ten deele door samenhangende hoornvezels verdrongen zijn, welke harerzijds naar omstandigheden weder onder opneming van vreemde lichamen bijna totaal verdwijnen.
Die Sponsen, welker weeke vormlooze zelfstandigheid een op de gewone badspons gelijkende, min of meer elastisch netwerk oplevert, waarin zich geen kiezelnaalden bevinden, worden Hoornsponsen genoemd. Onder deze Hoornsponsen nemen de verschillende soorten van badsponsen, paarden- en tafelsponsen om hunne beteekenis voor den handel de eerste plaats in. Men vat deze samen in de familie Euspongia. Aan eene behoorlijke indeeling in soorten is niet te denken. De sponsenhandelaars nemen 16 soorten aan, die uit verschillende streken van de Middellandsche Zee komen.
Het is aan iedereen bekend, dat de badspons de eigenschap moet bezitten, zelfs wanneer zij volkomen uitgedroogd is, niet te breken, maar zich oogenblikkelijk, zoodra zij in het water is gelegd, vol te zuigen en elastisch te worden. Het netwerk hetwelk wij spons noemen is niets anders dan het skelet van het dier, hetwelk overblijft als men een levende, volwassen Spons zoolang kneedt en drukt, dat de geheele kleverige massa, welke de gangen en holten vult, er uit verwijderd is. Zulke Sponsen treft men in de koude zone in het geheel niet aan. Alleen in de noordelijke helft der gematigde zone vindt men enkele kwijnende exemplaren. Daarentegen zijn de Adriatische en de Middellandsche Zeeën rijk aan soorten, welke onder de namen Dalmatiner-, Fijne Syrische-, Zimotka- en Paardensponsen in den handel komen.
De fijnste soort, zich onderscheidend door weekheid en zachtheid, en meestal den bekervorm vertoonend, wordt aan de Syrische kust gevischt. Vlakker en uit een dichter weefsel bestaande is de Grieksche Zimotkaspons. De Dalmatiner-spons daarentegen legt het tegen beide soorten af, hij is door de geheele Adriatische Zee verbreid, is wat grover van vezel en verkrijgt niet geregeld dien vorm welke in den handel gewenscht is.
In de Grieksche zeeën en aan de Turksche kusten verkrijgt men de Sponsen door duikers. Aan de kusten van Dalmatië en Istrië bemachtigt men ze door middel van de lange vierpootige vork, welke men op oude afbeeldingen als het attribuut van Neptunus ziet afgebeeld. Alleen de bewoners van het kleine eiland Krapano wijden zich aan deze bezigheid en met 30–40 barken zoeken zij gedurende het gunstige jaargetijde de ingeschaarde en aan eilanden rijke kusten af. Op elke bark, aan welks voordek zich een vierhoekig uitsteeksel bevindt, zijn twee man; de man, die de vork hanteert, bevindt zich op dit uitsteeksel om voorover gebogen met het bovenlijf goed te kunnen balanceeren. De steel van de vork is 7.14 M. lang eene reserve-vork en stelen zijn altijd aan boord. De tweede man zit op de riemen, welker rustpunten in een over het boord uitstekenden balk liggen, waardoor de noodzakelijke scherpe bewegingen der boot zekerder kunnen gemaakt worden. Terwijl nu de boot dicht langs den rotsigen oever over een diepte van 4–13 M. langzaam voortdrijft, spiedt ieders oog naar de door hunne zwarte huidkleur kenbare Sponsen. Algeheele windstilte is natuurlijk het wenschelijkst. Is de zee te woelig dan wordt de oppervlakte met olie overgoten. Tot dit doel ligt altijd op den voorsteven der boot een hoopje gladde kiezelsteenen, waarnaast een pot met olie staat. De visscher doopt eenige dezer steenen met de punt in de olie en werpt ze dan in een halven cirkel om zich heen in zee. De uitwerking is verrassend, want hoe gering de hoeveelheid olie is welke op deze wijze op de oppervlakte wordt overgebracht, is het toch voldoende om de kleine golven tot rust te brengen en het oog wordt niet meer gehinderd door het spiegelen en kabbelen van de golfjes. De visscher kan echter de Sponzen niet allen zien, daar velen in de schaduw leven. Hij moet dus met zijn vork of viertand tot onder de overhangende rotsen en steenen wroeten om ze te bekomen en zeker is het dat een groot deel niet gevangen wordt.
Als zij gesorteerd en aan den oever gebracht zijn worden de Sponsen daar zoolang getrapt, gekneed, gedrukt tot er alle sporen van de slijmachtige zelfstandigheid uit verdwenen zijn en slechts het skelet is overgebleven. De Sponsen behoeven daarna niets meer dan eene wassching en reiniging in lauw zoet water.
Aan de Grieksche en Syrische kusten is de behandeling dezelfde.
Dit is in tegenspraak met de omstandigheid, aan iedereen bekend, dat men groote moeite heeft eene nieuwe spons te reinigen van het daarin zittende zand, maar de zaak is zeer eenvoudig. De Sponsen namelijk, welke door de visschers zuiver afgeleverd worden, worden door de groothandelaars (het is bijna niet te gelooven!) met zand verzwaard, door ze in zand door te schudden, want de Spons wordt bij het gewicht verkocht.
Tot verbetering en uitbreiding dezer visscherij zijn van 1863–72 aan de kust van Dalmatië pogingen gedaan om de Sponsen kunstmatig te kweeken. Dat gelukte ook. Versche Sponsen werden in bepaalde stukken gedaan en, aan houten voorwerpen bevestigd, op de aangewezen plaatsen onder water gebracht. Door gestadige verbetering van deze methode was men reeds tot zeer mooie resultaten gekomen, toen allerlei storende gebeurtenissen, in de eerste plaats door het onverstand en de kwaadwilligheid der sponsenvisschers veroorzaakt, de onderneming verijdelden.
As-spons (Axinella polypoides). Natuurl. gr.
Onder de Sponsen van den tegenwoordigen tijd nemen die, welke enkelassige kiezellichaampjes afzonderen (Monactinellidae) de eerste plaats in.
Een interessante hoornkiezelspons van de Middellandsche Zee, de As-spons (Axinella polypoides), vertoont de nevenstaande afbeelding. Het fraai zwavelkleurige of bruingele dier vertoont een stok met talrijke individuën, wier schoorsteenen in vlakke groeven liggen. Hun bouw is stralig en meestal hebben zij acht stralen, wat hun met een in het binnenste van de spons voorhanden vastere as een groote gelijkenis geeft met een achtstralige polyp.
Het door hare werkzaamheid sterkste en daarom gewichtigste en belangrijkste geslacht is dat der Boorsponsen (Vioa). De beteekenis van deze Sponsen is veel grooter dan die der Badsponsen.
Als deze Oersponsen niet sinds eeuwen en eeuwen gearbeid hadden, zouden de kalk- en krijtlagen van onze aardkorst en de uit deze gesteenten bestaande kusten der tegenwoordige zeeën een geheel ander voorkomen hebben.
Ook vele meest vastzittende Mosselen worden door boorzwammen bezocht en dat is altijd zoo geweest, zooals de fossiele mosselschelpen bewijzen. Dit doet de vraag rijzen op welke wijze de Boorsponsen er in komen. Waarschijnlijk geschiedt dit op de volgende manier. Zij treden slechts in werkelijk uit kalk bestaande vormen op. De vrij zwemmende larve zal zich ergens in de een of andere kleine holte verbergen en daar tot een Spons ontwikkelen, die zijn arbeid voornamelijk langs chemischen weg begint en de kalk oplost.
Zwakke zuren bereiden het wrijven of raspen van de naalden voor, door de oppervlakte van de kalk aan te tasten. De naalden kunnen nu de kalk des te gemakkelijker meester worden. Het fijne boormeel wordt door de zuren opgelost, de stroomingen welke door het lichaam spoelen, nemen het op en zoo wordt de kalk in opgelosten vorm naar buiten gebracht. Het gewicht van de boorzwammen in den grooten kringloop van de eeuwige stof berust daarop, dat het gesteente niet tot in de kleinste stukjes fijn gewreven wordt maar als suiker in een glas water wordt opgelost en in dien toestand in het zeewater wordt gemengd. Daaruit nemen weder de tallooze Schaaldieren hun voedsel en trekken uit het in het bloed opgenomen water de vaste bestanddeelen voor het bouwen hunner woningen, welke eindelijk weder opgelost worden of op den zeebodem blijven liggen als bijdrage tot het vormen van nieuwe aardlagen voor latere eeuwen.
Tot de Kiezelsponsen met eenvoudige naalden behooren ook de Zoetwatersponsen (Potamospongiae), die, zooals hun naam aanduidt, het zoete water bewonen. De rijkdom van vormen onder hen is nog al tamelijk, maar de weinige soorten gaan in elkander over en vormen talrijke locale rassen. Deze dieren schijnen in nagenoeg alle zoete wateren der wereld voor te komen, ja men heeft ze in onderaardsche kolken en beken aangetroffen, die steeds aan het daglicht onttrokken zijn, ook in de buizen der waterleidingen komen zij voor. Het verbreidingsgebied van vele soorten is buitengewoon groot; zoo kennen wij er velen uit de voornaamste zoete wateren van Europa, Siberië en Noord-Amerika, maar tevens ook van Voor-Indië (Bombay) en Australië.
De meeste der met den naam Glasbuissponsen aangeduide Sponsen kenmerken zich daardoor dat hun kiezelskelet op een fijn spinwerk van glas gelijkt. De gedaante, welke aan deze vormen ten grondslag ligt, is de as-ster van de kubus; dit is altijd het geval, al overtreffen ook de gedurende hun leven afgescheiden kiezelvormen, geïsoleerd van elkander bestaand of met elkander ineengesmolten en samenhangende, aan sierlijkheid alle menschelijke producten.
De gedaanteverwisseling der stralen schept vormen van eene elegance en verscheidenheid, zooals de stoutste fantasie zich nauwelijks kan denken en slechts de later te beschrijven Radiolariën overtreffen hen hierin.
De fraaiste van alle Sponsen wegens haar wonderbaarlijk fijn kiezelvlechtwerk zijn de Euplectelliden, de „Fraaigewevene”, waaronder Euplectella aspergilium. Deze fraaie Sponsen hebben een buisvormig kiezelskelet; de wand der buis bestaat uit een zeer regelmatig traliewerk van kiezelmazen. Het kiezelskelet der soorten van Euplectella wordt gevormd door een enkele zoodanige buis, die gewoonlijk min of meer gekromd is. Bij groote exemplaren kan die buis tot 30 cM. lang en 4 cM. breed zijn. Het traliewerk van den wand is uiterst sierlijk en regelmatig en gelijkt op een fraai kantwerk. Het is samengesteld uit overlangs en loodrecht daarop overdwars loopende kiezelvezelen, waardoor vierkante mazen begrensd worden, waarin zich nog diagonaal loopende balkjes vertoonen, zóó geplaatst in een gedeelte der mazen, dat er ronde openingen overblijven, die vermoedelijk de uitstroomingsopeningen zijn. Langs de buitenvlakte der buis verheffen zich (bij E. aspergilium, niet bij E. cucumer Owen) min of meer regelmatig spiraalsgewijs loopende en groote, vrije tusschenruimten openlatende dunne kammen, die zelve ook uit kiezelspicula zijn samengesteld. De bolle, horlogeglasvormige plaat, die het boveneinde bedekt, bestaat uit een dergelijk traliewerk van minder regelmatige mazen met iets grootere openingen, welke waarschijnlijk als de uitstroomingsopeningen mogen beschouwd worden. De buis vernauwt zich benedenwaarts en is aan haar ondereinde bezet met bundels van dunne kiezelharen, die een vrij aanmerkelijke lengte (10 cM. en meer) bereiken.
De meest bekende soort, Euplectella aspergilium, is afkomstig uit de zee bij de Philippijnsche eilanden, waar zij op vrij aanmerkelijke diepte leeft.
Niet zelden wordt zij door twee soorten van Schaaldieren bewoond, behoorende tot de geslachten Aega en Palaemon, die daar blijkbaar een parasitisch leven leiden en die in hun eerste jeugd in de spons moeten zijn geraakt, toen zij nog klein genoeg waren om door de openingen van het kiezelskelet te dringen. Vooral voorwerpen van Palaemon, een garnaal, komen er vrij regelmatig in voor als gevangenen.