Brand.
Maar wat getuigde eertijds van macht
Rust toch al lang in ’t zwijgend graf;…
Nu is daarvan niet veel meer over.
De Baljuw.
Dat is het juist! Zij is zoo oud,
Dat ze eig’lijk al niet meer bestaat;
Maar toen mijn grootvader nog leefde
Was in den muur een gat nog over!
Brand.
Een gat?
De Baljuw.
Een gat? Wijd als een okshoofd wel!
Brand.
Maar dan de muur?
De Baljuw.
Maar dan de muur? Ja, die was weg.
Kijk, daarom moet ik ronduit zeggen,
De kerk te sloopen is onmooglijk;…
Dat ware een schandlijke, een gruwlijk
Barbaarsche daad zonder gelijken!
En ’t geld,… waar komt dat dan vandaan?
Denkt u dat men hier zoo vrijgevig
Voor zulk een onvoldragen plan
Maar daadlijk in de beurs zal tasten,
Als met een beetje reparatie
Men de oude nog wel zóó kan stutten,
Dat zij het ònzen tijd nog uithoudt?
Maar gaat u zelf maar onderzoeken,…
Ik win mijn zaakje toch ten slotte.
Brand.
’k Ben niet van plan de luî te pressen
Om geld voor ’t nieuw te bouwen Godshuis.
Uit eigen midd’len wil ik bouwen;…
Mijn erfdeel, al wat ik bezit,
Stel ik beschikbaar voor dat doel.
Denkt u wellicht nu nog zoo driest
Dat ’k van gedachte zal verandren?
De Baljuw (met gevouwen handen).
Ik sta als uit de lucht gevallen!
Zoo iets komt nauwlijks voor in steden,…
En hier in ’t dorp … waar iedereen
Zoo vast de hand hield op den zak
Voor wat zelfs ’t dringendst noodig was,…
Hier komt u met een stortvloed aan
Die blinkt en fonkelt, sprankelt, schuimt …
Neen, ik moet zeggen, ’k sta verstomd!
Brand.
Al lang deed ’k in gedachten afstand
Van ’t geld.…
De Baljuw.
Van ’t geld.… Ja, ’k hoorde wel eens spreken
Van dingen, die op zoo iets wezen.
Maar ’k dacht dat het maar praatjes waren.
Wie wil een dergelijk offer brengen
Waar ’t hem niet aanbrengt zichtbaar voordeel?
Maar dat ’s geheel uw eigen zaak;…
Gaat u nu vóór, dan volg ik u.
U is in ’t vuur nu, u kan werken,
En ik kom stapvoets er dan ook wel …
Brand, laat die kerk ons samen bouwen!
Brand.
Wat? Wil u ùw plan laten glippen?
De Baljuw.
De lieve God weet dat ik ’t wil!
Gek zou ik zijn, als ik ’t niet deed.
Wie heeft, denkt u, ’t volk op zijn hand,
Als de één het voeren, mesten wil,
En de ander melken, scheren, plukken?
Ja, om de bliksem doe ik mee!
Ik ben van ’t plan al gansch vervuld,
Bewogen, aangedaan, geroerd;
’t Was een gelukkig toeval dat
Mij naar uw huis toe dreef van avond;
Want zonder ’t mijne was misschien
Bij u het uwe niet ontstaan,…
Althans niet aan het licht gekomen.
Zoo is ’t dan toch mijn eigen werk
Het bouwen van die nieuwe kerk!
Brand.
Maar denk er aan, de statig oude
Ruïne kan niet blijven staan!
De Baljuw (kijkt naar buiten).
Bekeken zoo in ’t dubbel licht
Van maneschijn en verschen sneeuwval,
Ziet zij er erg vervallen uit.
Brand.
Wat zegt u?
De Baljuw.
Wat zegt u? Brand, ze is heusch te oud!
Het is mij waarlijk onverklaarbaar
Dat ik ’t nooit vóór van avond zag.
De hanebalken staan al scheef;
’t Gebruik wordt weldra hoogst gevaarlijk.
En waar is stijl, architectuur?
Noch in het dak, noch in den muur.
Hoe moet men zulke bogen noemen?
Een vakman zou: afschuwelijk! zeggen;…
En ’t groen bemoste dak kan óók niet
Uit koning Beles’ dagen stammen.
Neen, piëteit kan ook te ver gaan!
En iedereen moet toch begrijpen,
Dat zulk een wrakke, rotte kast
Een onding is, niets meer dan dat!
Brand.
Maar als nu ’t volk zich eens verzette,
En tegen slooping zich verklaarde?…
De Baljuw.
Wil niemand anders dan wil ik.
Ik zal terstond hoe eer hoe liever,
Nog alles reeglen en beschikken,
Dat ’t zaakje glad van stapel loopt.
’k Zal werken, schrijven, en mijn best doen.
Nu ja … u kent mij wel. Genoeg!
En kan ’k geen helpers samen drijven
Voor ’t sloopingswerk, uit ’t domme volk,
Dan pak ik aan met eigen handen,
En breek het plank voor plank zelf af.
Ja, moest ’k mijn vrouw en al mijn dochters
Doen helpen bij ’t vernielingswerk,
Waarachtig, ’k laat geen paal meer staan!
Brand.
Die toon klinkt zeker heel verschillend
Van dien, waarop u straks nog sprak.
De Baljuw.
Eénzijdigheid te niet doen
Dat leert ons de humaniteit;
En als de dichter het niet mis heeft,
Dan is het juist een heel mooi iets
Dat onze geest gevleugeld is,…
Met andre woorden … hij kan vliegen …
Adieu! (neemt zijn hoed)
Adieu! Nu moet ik naar de bende.
Brand.
Naar wat?
De Baljuw.
Naar wat? Ja, denk eens, met ons beiden,
Vlak bij het dorp, heb ’k opgepakt
Een troep Zigeuners, leelijk volkje;…
Een stevig touw had ’k tot mijn hulp;
Nu zitten zij daarginds gevangen
In ’n huis aan ’t strand; maar ik mag hangen
Als er geen paar zijn weggeloopen …
Brand.
En pas is ’t kerstfeest ingeluid.
De Baljuw.
Wat doet dat duivelsvolk ook hier?
Maar ’t is ook waar, in zeekren zin
Behooren zij tot dit distrikt … (lachend)
Ja, en juist u! Hoor, een mooi raadsel,
Los dat eens op, als u het kan:
Er leven menschen, die bestaan
Door hèn, van wie uw leven uitging.
En toch bestaan zij, wederom,
Omdat zij van een andren stam zijn!
Brand (schudt het hoofd).
Och God, er zijn zoovele raadsels!
Men staart er op … kan ze niet raden.
De Baljuw.
Maar dit is nog al licht te raden.
U heeft toch wel eens hooren spreken
In ’t dorp, zoo hier of daar, een woord,
Van d’armen jongen, die hier woonde …
En zoo geleerd was als vier priesters, —
En om uw moeder aanzoek deed …
Brand.
Wat verder?
De Baljuw.
Wat verder? Om een schatrijk meisje!
Maar zij gaf hem den bons, natuurlijk,
Zoo als hij ook wel kon verwachten.
Maar weet u wat hij toen ging doen?
Hij werd van droefheid haast krankzinnig,
En trouwde eindlijk met een andre,
’n Zigeunerin;… en vóór zijn dood
Liet hij een spruit na aan de bende,
Die rondzwerft nu in zonde en nood.
Ja, een van die gemeene heksen
Mocht ons distrikt zoo waar behouden.…
’n Gedachtnis aan zijn mooie daad …
Brand.
En dat is …
De Baljuw.
En dat is … Wel, de wilde Gerd.
Brand (gedempt).
Aha!
De Baljuw (vroolijk).
Aha! Wat? ’t Raadsel is niet kwaad!
Want zij bestaat toch krachtens haar,
Die u eertijds het leven gaf;
Want liefde tot uw moeder was
De drang, die háár het leven gaf.
Brand.
Is er geen middel, dat u weet,
Tot hulp voor die verdoolde zielen?
De Baljuw.
Die zitten ’t best maar achter slot.
Daar is geen goed meer aan te doen;
Wie hen wou redden zou bestelen
Den duivel, die failliet moet gaan
Als hij op aard’ zijn deel niet krijgt.
Brand.
’t Was toch uw plan een toevluchtsoord
Voor alle arme lui te bouwen?
De Baljuw.
Dat plan, zoodra het was gemaakt …
Werd daadlijk weer terug genomen.
Brand.
Maar als ’t nu toch …; het was toch mooi …
De Baljuw (glimlachend).
Die toon klinkt zeker heel verschillend
Van dien, waarop u straks nog sprak.
(klopt hem op den rug).
Laat dat maar dood zijn en vergeten;
Een man moet vast en zeker handlen.
Adieu! ik mag niet langer toeven;
’k Moet er op uit en gaan beproeven
Die paar ontsnapten op te sporen.
Tot weerziens dus. Een vroolijk kerstfeest
Wensch ik u toe. En groet uw vrouw! (af).
Brand (na een poos zwijgend denken).
O, boete, eindloos boete doen!…
Zoo wild, zoo bont dooreen verward
Zijn alle draden van het lot,…
Zoo liggen zonde en vrucht der zonde
Bijeen, verpestende elkander,
Dat hij die ’t aanziet moet erkennen
Dat goed en kwaad onscheidbaar zijn.
(gaat naar het raam en staart lang naar buiten)
Mijn kind, jij viel, arm schuldloos lam,
Als offer voor mijn moeders daden;
’n Verdoolde ziel kwam als gezant
Van hem, die boven wolken troont,
En deed de noodlotsteerling vallen;…
En deze arme ziel ontstond
Doordat mijn moeders ziel eens dwaald’!
Zoo houdt God met het loon der zonde
In evenwicht zijn eeuwig recht,
En slingert uit der heemlen hoogte
Bezoeking tot in ’t derde lid.
(wijkt verschrikt van het raam terug)
Ja, ’s Heeren wet rust op ’t geslacht!
Zijn eerste doel is evenwicht.
Tot ’t laten rijzen van de schaal
Heeft offervaardigheid de macht;
Maar ’t woord mag niet genoemd thans worden,
Want ’t menschdom beeft al bij het hooren!
(loopt een tijdlang op en neer door de kamer)
En bidden? Bidden? Och,… een woord,
Dat glad genoeg den mond ontrolt,…
Waarmee een ieder gul genoeg is.
’t Beteekent om genade smeeken
Op duistre, raadselvolle wegen,
Om Christus’ tusschenkomst te beedlen,
En hoog te strekken beide handen …
In twijfel staand tot aan de knieën!
O ja, was dáár de zaak mee klaar,
Dan durfde ik, als een ander, ’t wagen
Te kloppen aan des Heeren poort,
Die “vreeslijk om te loven” is!
(blijft stil in gedachten staan)
En toch … in ergste droefheidsdagen
In ’t bangste uur van groote smart,
Toen, ingesluimerd voor het laatst,
’t Kind door geen kus van moeders mond
Meer tot een glimlach was te wekken;…
Wat wàs dat …? Bad ik dan niet toen?
Waar kwam die zoete roes van daan,
Die stroom van zang, die melodie,
Die kwam van ver, en weer verdween …
En hoog mij ophief, licht en vrij?
Bad ik? Was ’k in gebed verzonken?
Heb ik toen hier met God gesproken?
Verstond hij mij? En zag hij neer
Op ’t huis van droefheid, waar ik schreide?…
Wat weet ik! Nu is ’t donker weer
Rondom mij, alles weer gesloten,…
En nergens, nergens licht te vinden …
Ja, Agnes,… zij die ziet geblinddoekt!…
(roept angstig)
Licht, Agnes,… licht, o breng mij licht!
(Agnes opent de deur en komt binnen met de aangestoken kaarsen voor het feest; een helder licht straalt door de kamer).
Brand.
Licht!
Agnes.
Licht! Zie je ’t kerstlicht dat ik breng?
Brand (zacht).
Ha, ’t kerstlicht!
Agnes (zet de candélabre op tafel).
Ha, ’t kerstlicht! Bleef ik lang weg, liefste?
Brand.
Neen, neen!
Agnes.
Neen, neen! Maar och, wat is ’t hier koud;
Je moet verkleumen …
Brand (krachtig).
Je moet verkleumen … Neen!
Agnes (glimlachend).
Je moet verkleumen … Neen! Je trots
Wil zelfs geen warmte of licht behoeven.
(stookt de kachel op).
Brand (loopt op en neer).
Hm, wil niet!
Agnes (stil in zich zelf, terwijl zij de kamer versiert).
Hm, wil niet! Hier zet ik het licht,
Hoe blij naar ’t blinkend kaarslicht greep
Met kleine vingertjes mijn Alf.
Toen was hij nog gezond en flink,
En boog voorover uit zijn stoel
En vroeg of dit nu was een zon! (verzet het licht een beetje).
Nu valt het schijnsel van het licht
Naar buiten … over die plek dáár.
Nu kan hij door de ruiten zien
Den glans, van waar hij ligt en slaapt;
Nu kan hij gluren onbemerkt
In ’t feestlijk stralende vertrek …
Maar als van tranen dof, is ’t glas;…
Wacht, wacht, zoo aanstonds zal het lachen …
(droogt het glas af).
Brand (heeft haar met de oogen gevolgd en zegt zachtjes).
Wanneer zal ooit de storm bedaren
Dier zee van smart, zoo woest beroerd!
Die moet bedaren.
Agnes (in zich zelf).
Die moet bedaren. Kijk, hoe licht!
Nu is ’t als viel de scheidsmuur weg,
Alsof de kamer grooter werd,
Alsof de harde, kille grond
Werd tot een zacht en lekker bedje,
Waar ’t kindje zoet en zacht kan slapen.
Brand.
Wat doe je, Agnes?
Agnes.
Wat doe je, Agnes? Sst! Wees stil!
Brand (dichterbij).
Waarom is dat gordijn daar weg?
Agnes.
’t Was maar een droom; nu is ’t voorbij.
Brand.
Er schuilt in droomen groot gevaar.
Maak ’t dicht weer!
Agnes (smeekend).
Maak ’t dicht weer! Brand!
Brand.
Maak ’t dicht weer! Brand! Maak dicht! Maak dicht!
Agnes.
O, wees niet hard, dat is niet goed!
Brand.
Dicht! Dicht!
Agnes (maakt de luiken dicht).
Dicht! Dicht! Nu is dan alles dicht.
God zal wel niet beleedigd zijn
Als ’k in een oogenblik van droom
Dronk uit de bron van troost …
Brand.
Dronk uit de bron van troost … O neen!
Hij is een zacht en meegaand rechter,
En zal ’t wel door de vingers zien
Als in den dienst, dien je hem wijdde,
Soms insluipt wat afgoderij.
Agnes (barst in tranen uit).
O, zeg mij, hoever gaan je eischen!
’k Ben moe, doodmoe,… mijn kracht bezwijkt.
Brand.
Ik heb gezegd: in zee geworpen
Is ’t offer dat niet alles geeft.
Agnes.
Maar ik gaf alles; ’k heb nu niets meer!
Brand (schudt het hoofd).
Jij moet nog veel meer offers brengen.
Agnes (glimlacht).
Eisch dan! Nu heb ’k den moed der armoê!
Brand.
Geef!
Agnes.
Geef! Neem! Och, Brand, je kunt niets vinden!
Brand.
Je smart en je herinneringen,…
Je zondig smachtende verlangen …
Agnes (in wanhoop).
’k Heb ook nog mijn gemarteld hart!
Ruk uit! Ruk uit!
Brand.
Ruk uit! Ruk uit! In gapende’ afgrond
En doelloos wierp je ’t offer weg,
Indien je treurt om wat je mist nu!
Agnes (rilt).
Je weg tot God is eng en steil.
Brand.
De vaste wil kent alleen dezen …
Agnes.
Dus geen genâ …?
Brand (afwijzend).
Dus geen genâ …? Alléén door offers.
Agnes (staart voor zich uit en zegt fel bewogen).
Nu opent als een afgrond wijd,
Zich ’t woord der Schrift, dat ’k nooit te voren
Geheel verstond.
Brand.
Geheel verstond. Welk is dat woord?
Agnes.
Hij, die Jehova ziet, moet sterven!
Brand (slaat zijn armen om haar heen en drukt haar vast tegen zich aan).
Verberg je, Agnes! Zie hem niet!
Doe je oogen toe …
Agnes.
Doe je oogen toe … Is dat je ernst?
Brand (laat haar los).
Neen!
Agnes.
Neen! Brand, je lijdt.
Brand.
Neen! Brand, je lijdt. Ik heb je lief.
Agnes.
Hard is je liefde.
Brand.
Hard is je liefde. Al te hard?
Agnes.
Vraag niets; ik volg je waar je gaat.
Brand.
Denk je dat ik eens onberaden
Je jeugd onttrok aan spel en dans …
Dat ’k voor een halfheid je moest treffen
Met offerwilligheids gebod?
Wee ons, dan waar’ te duur, te zwaar
Het offer door ons hier gebracht.
Je bent mijn vrouw, je heele leven
Tot ’s Heeren dienst mag ik dus eischen.
Agnes.
Ja, goed, maar ga niet van mij weg.
Brand.
Ik heb behoefte aan stilte en rust,
De kerkbouw gaat nu gauw beginnen …
Agnes.
Mijn kleine kerkje viel in puin.
Brand.
Pleegde je daar afgoderij
Dan moest de storm het nederstorten.
(omhelst haar als in angst).
God zegen je,… en ook door jou
Mijzelf en wat het mijne is!
(gaat naar de zijdeur).
Agnes.
Brand, mag ik van het raam een beetje
De blinden losdoen? maar een kiertje?
Heel even maar? Toe, mag ik?
Brand (in de deur).
Heel even maar? Toe, mag ik? Neen. (gaat zijn kamer binnen).
Agnes.
Stijf toe! Stijf toe,… alles stijf toe!
Zelfs vergeten sluit hij af!
Klachten, zuchten, dicht gegrendeld,
Hemel, graf, versperd, op slot!
Ik wil weg; ik kan niet leven
Hier in eenzaamheid en smart!
Weg? waarheen? Zien niet van boven
Strenge oogen op mij neer?
Kan ik op mijn vlucht meenemen
Wat mijn hartsbezitting is?
Kan ’k ontkomen, als ik ’t wilde
Aan mijn angst, mijn doffe leegheid?
(luistert aan de deur van Brands kamer)
Hardop leest hij; tot zijn oor
Dringt mijn stem van hier niet door.
Nergens hulp! Geen raad, geen troost!
God de Heer heeft ’t veel te druk nu
Met te luistren naar der rijken,
Kinderrijken, gelukzaalgen,
Dank en zang en spel en dans.
Kerstmis is een tijd van vreugd.
Mij verlaten moeder, klagend,
Ziet hij niet, schenkt hij geen aandacht.
(gaat voorzichtig naar het raam).
Zal ’k de luiken openschuiven,
Dat het volle, heldre licht
’t Spook van angst en schrik verjaagt
Uit den nacht waarin hij sluimert?…
Neen, hij is niet meer daarginder!…
Kerstmis is der kinderen feest;…
Hierheen komen mag hij thans;
Mooglijk staat hij wel daarbuiten,
Reikt met de armpjes om te tikken
Op de dichtgesloten ruiten …
Hoorde ik daar niet schreien nu?
Alf, mijn kind, ik weet geen raad!
Dicht is ’t hier; dat deed je vader;…
Alf, ik mag niet open doen!
Een gehoorzaam kind ben jij,
Nooit deed jij of ik verdriet hem.
O, stijg gauw weer op ten hemel,
Daar is licht en daar is vreugde:
Daar is spel van kinderscharen.
Maar laat niemand je zien schreien,…
Zeg niet dat je vader ’t huis sloot
Toen je aan de deur kwam kloppen.
’t Kindje kan nog niet begrijpen
Wat is groote-menschen-plicht.
Zeg dat treurend hij, en zuchtend
Bladen voor een krans geplukt heeft;
Zeg dat hij dien heeft gemaakt.
Kan je ’m zien? Die is van hem!
(luistert, bedenkt zich en schudt het hoofd).
Och, ik droom weer! Meer dan luiken
Staat als scheidsmuur tusschen ons.
In den gloed van ’t loutringsvuur
Valt eerst alle scheiding weg,…
Barst ’t gewelf en scheuren grendels
Knarsen kerkerdeuren-hengsels,
Springt er open ’t groote slot!
Veel, o veel moet nog gebeuren,
Vóór we elkander weerzien kunnen …
’k Zal in alle stilte werken,
Om zijn eischen te voldoen;
’k Zal mij harden, ik zal willen…
Maar van avond is het feest.
’t Vorig jaar was ’t wel heel anders!
Stil,… het feest wil ik toch vieren;
’k Haal te voorschijn al mijn schatten;…
Hoe oneindig veel mij waard,
Na ’t verlies van mijn geluk,
’n Moedersmart alleen kan ’t weten.
(Zij knielt neer bij de commode, trekt een lâ open en haalt er verscheidene dingen uit. Op datzelfde oogenblik doet Brand de deur open en wil iets tegen haar zeggen, maar als hij merkt wat zij van plan is, wacht hij en blijft staan. Agnes ziet hem niet).
Brand (zachtjes).
Altijd om het kerkhof zweven,
’t Zelfde spelen rondom ’t graf.
Agnes.
Dit ’s de sluier … en de mantel
Dien hij droeg toen hij gedoopt werd …
Hierin knoopte ik zijn jurkje …
(houdt het in de hoogte, kijkt er naar en lacht).
Och, wat stond hem dat toch lief!
Prachtig was mijn kleine vent
Toen wij in de kerk daar zaten …
Hier de sjerp en hier het kieltje,
Dat hij droeg den eersten keer
Toen hij mee mocht gaan naar buiten.
O, het was toen veel te lang,
Maar het werd hem gauw te klein al …
Dat zal ik maar hier neerleggen …
Wantjes, kousjes,… wat een beenen!…
En zijn nieuwe zijden hoedje,
Dat hij kreeg toen ’t winter werd …;
Mooi en frisch, en ongebruikt nog.
O, daar liggen nog de kleertjes
Waarin ’k hem gewikkeld had
Om te reizen, warm en licht;
Toen ik die weer weg moest leggen
Was ’k tot stervens toe vermoeid.
Brand (wringt de handen in smart).
Spaar mij, God! Ik kàn haar laatsten
Afgodstempel niet verbrijz’len;
Zend een ander, als ’t dan moet!
Agnes.
Hier zijn vlekken; heb ’k geschreid?…
Wat een schat! Bedekt met paarlen,
’n Tranenspoor van bange smarten,
Stralend van het wee der keus,
Heilig!—dat ’s de kroningsmantel
Dien hij droeg den dag van ’t offer!
O, wat ben ik toch nog rijk!
(Er wordt hevig aan de gangdeur geklopt; Agnes keert zich om met een kreet en ontwaart tegelijkertijd Brand. De deur wordt opengerukt, en een havelooze vrouw komt, met een kind op den arm, haastig binnen).
De Vrouw (ziet het kindergoed en roept tegen Agnes:)
Geef mij wat, jij rijke moeder!
Agnes.
Jij bent tienmaal rijker wel.
Brand (komt nader).
Zeg mij wat je hier komt zoeken.
De Vrouw.
Jou niet, want jij bent een priester!
Liever in den storm daar buiten
Dan van boete hooren spreken;
Liever vluchten tot ik neerval,
Mij verdrinken, of verhongren,
Dan jou, zwartrok, aan te hooren,
Die mij naar de hel wil jagen!
Kan ik ’t helpen, voor den duivel,
Dat ik werd tot wat ik ben?
Brand (zacht).
Deze stem en dat gezicht …
Angstvermoeden wekken zij!
Agnes.
Rust, en warm je, als je ’t koud hebt.
Geef het kind wat ’t noodig heeft …
De Vrouw.
Een Zigeuner mag niet zitten
Waar het licht is, waar het goed is.
Voor ons zijn de buitenwegen,
Holen, bosschen, hei en bergen;
Huis en haard, die zijn voor jullie,
’k Moet naar buiten weer terstond,
Zij zijn achter mij als honden!
De politie, allemaal,
Krijgt die mij, dan word ’k gebonden.
Brand.
Hier is ’t veilig voor je.
De Vrouw.
Hier is ’t veilig voor je. Hier?
Onder ’n dak en tusschen muren?
Neen hoor; dan geeft winternacht
Beetre lucht nog voor ons beiden.
Maar iets om het kind te dekken!
Want zijn broer liep weg, die smeerlap,
Als een dief met al de vodden
Waarin ’k hem gewikkeld had.
Kijk, hij is zoo goed als naakt nu,
In de sneeuwbui van daar straks.
Brand.
Vrouw, laat hier je kind bij ons,
Dat bij voor jouw lot bewaard blijv’.
Doe het voor zijn zieleheil;
Dan wordt ’t brandmerk weg genomen …
De Vrouw.
Ja, jij bent goed op de hoogte!
Zulk een wonder doet er niemand,…
Mag en moet zelfs niemand doen!
Strijd met hen, die hem verstieten!
Weet je waar hij is geboren?
Op den berm van den weg, ja!
Onder spel, gejoel en drank.
Werd gedoopt met modderspatten,
’t Kruis gemaakt met heete asch,
Uit de drankflesch ’t eerst gelaafd …
En juist toen hij werd geboren
Stonden ze om ons heen te razen;…
Waarom, denk je, zeg? God beter ’t!
Wie de vader van het jong was!
Brand.
Agnes?
Agnes.
Agnes? Ja.
Brand.
Agnes? Ja. Je kent je plicht.
Agnes (met schrik).
Brand! Aan haar! O neen, dat nooit!
De Vrouw.
Geef, o geef mij wat je hebt!
Oude lappen, zijden goed!
Niets is mij te slecht, te mooi,
Als ’t hem maar verwarmen kan.
Laat ontdooien hem toch eerst
Als hij dan van daag nog sterft!
Brand (tegen Agnes).
Wederom geeft God een teeken!
De Vrouw.
Er is ruim voor je eigen jongen …
Heb je voor den mijnen niets?
’t Zij wat kleeren, ’t zij een doodshemd?